Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R1046

Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

PE/13/2018/REV/1

OJ L 193, 30.7.2018, p. 1–222 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 30/07/2018

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1046/oj

30.7.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 193/1


VERORDENING (EU, Euratom) 2018/1046 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 18 juli 2018

tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), de artikelen 164, 172, 175, 177 en 178, artikel 189, lid 2, artikel 212, lid 2, artikel 322, lid 1, en artikel 349, in samenhang met het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Na drie jaar te zijn toegepast dienen de financiële regels die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie (de „begroting”) verder te worden gewijzigd om de knelpunten bij de toepassing weg te werken met behulp van meer flexibiliteit, om de uitvoering voor de belanghebbenden en de diensten te vereenvoudigen, om de nadruk meer op resultaten te leggen, en om de toegankelijkheid, transparantie en de verantwoordingsplicht te verbeteren, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5) derhalve worden ingetrokken en door deze verordening worden vervangen.

(2)

Om de financiële regels die van toepassing zijn op de begroting minder complex te maken en de toepasselijke regels in één enkele verordening te integreren, dient de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 (6) in te trekken. Omwille van de duidelijkheid moeten de voornaamste regels van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 in onderhavige verordening worden opgenomen; andere voorschriften moeten worden opgenomen in richtsnoeren voor diensten.

(3)

De budgettaire grondbeginselen moeten worden gehandhaafd. Bestaande afwijkingen van de beginselen voor specifieke terreinen als onderzoek, extern optreden en structuurfondsen moeten worden herzien en zo veel mogelijk worden vereenvoudigd, rekening houdend met de vraag of de afwijkingen nog steeds relevant zijn, of zij een meerwaarde voor de begroting bieden en welke lasten zij voor de betrokkenen meebrengen.

(4)

De regels inzake de overdracht van kredieten moeten duidelijker worden gepresenteerd, met een onderscheid tussen automatisch en niet-automatische overdrachten. De betrokken instellingen van de Unie moeten aan het Europees Parlement en aan de Raad toelichting geven bij zowel automatische als niet-automatische overdrachten.

(5)

Het overdragen en gebruiken van externe bestemmingsontvangsten voor het vervolgprogramma of de vervolgactie moet worden toegestaan met het oog op het efficiënt gebruik van die middelen. Interne bestemmingsontvangsten moeten alleen naar het volgende begrotingsjaar kunnen worden overgedragen, tenzij in deze verordening anders is bepaald.

(6)

Wat betreft interne bestemmingsontvangsten moet worden toegestaan dat nieuwe onroerendgoedprojecten worden gefinancierd met de ontvangsten uit de verhuur en de verkoop van onroerend goed. Daartoe moeten die ontvangsten worden aangemerkt als interne bestemmingsontvangsten die kunnen worden overgedragen totdat ze volledig zijn gebruikt.

(7)

De instellingen van de Unie moeten alle schenkingen ten gunste van de Unie kunnen aanvaarden.

(8)

Er moet een bepaling worden ingevoerd waardoor sponsoring in natura door een rechtspersoon van evenementen of activiteiten voor promotiedoeleinden of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen mogelijk wordt.

(9)

Het begrip „prestaties” met betrekking tot de begroting moet worden verduidelijkt. Prestaties moeten worden verbonden aan de rechtstreekse toepassing van het beginsel van goed financieel beheer. Het beginsel goed financieel beheer moet ook worden gedefinieerd en bij het gebruik van kredieten moet er een verband worden vastgesteld tussen vastgelegde doelstellingen en prestaties-indicatoren, resultaten en zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid. Met het oog op de rechtszekerheid, moet inzake prestaties terminologie worden vastgelegd, met name wat betreft output en resultaten, waarbij tegenstrijdigheden met de bestaande prestatiekaders van de verschillende programma’s moeten worden vermeden.

(10)

In overeenstemming met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (7), moet Uniewetgeving van hoge kwaliteit zijn, moet gericht zijn op de gebieden waar zij voor de burgers de grootste meerwaarde oplevert, en moet zo efficiënt en doeltreffend mogelijk de gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen van de Unie verwezenlijken. De evaluatie van bestaande en nieuwe uitgavenprogramma’s en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich meebrengen, kan helpen bij het verwezenlijken van die doelstellingen.

(11)

Overeenkomstig het transparantiebeginsel verankerd in artikel 15 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), dienen instellingen van de Unie in een zo groot mogelijke openheid te werken. De toepassing van dit beginsel betekent dat burgers inzake de uitvoering van de begroting moeten kunnen weten waar en voor welk doel de Unie middelen uitvoert. Die informatie bevordert het democratisch debat, draagt bij tot de deelname van burgers aan het besluitvormingsproces van de Unie, verscherpt de institutionele controle en het institutioneel toezicht op de uitgaven van de Unie en werkt haar geloofwaardigheid in de hand. De communicatie moet gerichter zijn en ten doel hebben de zichtbaarheid van de bijdrage van de Unie voor burgers te vergroten. Deze doelstellingen moeten worden verwezenlijkt door relevante informatie over alle ontvangers van uit de begroting gefinancierde middelen bekend te maken, bij voorkeur met behulp van moderne communicatiemiddelen, rekening houdend met de legitieme belangen van die ontvangers op het gebied van vertrouwelijkheid en veiligheid en, wanneer het natuurlijke personen betreft, hun recht op persoonlijke levenssfeer en de bescherming van hun persoonsgegevens. Daarom moeten instellingen van de Unie wat betreft de bekendmaking van informatie een selectieve aanpak hanteren die in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel. Besluiten tot bekendmaking moeten gebaseerd zijn op relevante criteria teneinde betekenisvolle informatie te verstrekken.

(12)

Zonder afbreuk te doen aan de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens moet worden gestreefd naar zo veel mogelijk transparantie ten aanzien van de informatie met betrekking tot de ontvangers. De informatie over ontvangers van middelen van de Unie die in direct beheer worden uitgevoerd, moet op een speciale website van de instellingen van de Unie, zoals in het systeem voor financiële transparantie, worden bekendgemaakt en ten minste de naam en de locatie van de ontvanger, het bedrag waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan en het doel van de maatregel, omvatten. Deze informatie moet rekening houden met relevante criteria zoals de periodiciteit, het type en de omvang van de maatregel.

(13)

De Commissie moet de begroting indirect via lidstaatsorganisaties kunnen uitvoeren. Ter wille van de rechtszekerheid is het derhalve dienstig een lidstaatsorganisatie te definiëren als een in een lidstaat als publiekrechtelijke instantie opgerichte entiteit of als een privaatrechtelijke instantie waaraan een openbaredienstverleningstaak is toevertrouwd en passende financiële garanties door die lidstaat zijn gegeven. Als passende financiële garanties aan dergelijke privaatrechtelijke instanties door een lidstaat geldt financiële steun die een lidstaat overeenkomstig bestaande in het Unierecht bepaalde voorschriften aan die privaatrechtelijke instanties heeft verstrekt in een vorm die door die lidstaat is bepaald en niet noodzakelijk een bankgarantie vergt.

(14)

Opdat prijzen, subsidies en overeenkomsten die worden toegekend nadat een procedure is opengesteld voor mededinging, en in het bijzonder bij wedstrijden, oproepen tot het indienen van voorstellen en aanbestedingen, de beginselen van het VWEU en met name de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en niet-discriminatie in acht nemen, dienen de naam en locatie van de ontvangers van de middelen van de Unie te worden bekendgemaakt. Die bekendmaking moet bijdragen tot de controle op de toekenningsprocedures door de niet-geselecteerde mededingers.

(15)

Persoonsgegevens betreffende natuurlijke personen mogen niet langer openbaar zijn dan de duur van het gebruik van de middelen door de ontvanger en dienen bijgevolg na twee jaar te worden verwijderd. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens betreffende rechtspersonen waarvan de officiële benaming naar één of meer natuurlijke personen verwijst.

(16)

In de meeste gevallen waarop deze verordening betrekking heeft, betreft de bekendmaking rechtspersonen. Wanneer het om natuurlijke personen gaat, moet de bekendmaking van persoonsgegevens het beginsel in acht nemen van evenredigheid tussen enerzijds de omvang van het toegekende bedrag en anderzijds de behoefte aan controle op de besteding van de middelen. In dergelijke gevallen is de bekendmaking van de regio op niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS 2) in overeenstemming met de doelstelling van bekendmaking van informatie over de ontvangers van middelen en een waarborg voor gelijke behandeling van lidstaten die niet dezelfde omvang hebben en verenigbaar met het recht op persoonlijke levenssfeer van de ontvangers en in het bijzonder de bescherming van hun persoonsgegevens.

(17)

Ter wille van de rechtszekerheid en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel moeten de situaties waarin er niet tot bekendmaking mag worden overgegaan worden bepaald. Bijvoorbeeld mag geen informatie worden bekendgemaakt met betrekking tot studiebeurzen of andere vormen van rechtstreekse steun die wordt betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen, voor specifieke overeenkomsten van zeer geringe waarde, of voor financiële ondersteuning onder een bepaalde drempel verstrekt door financieringsinstrumenten, of in gevallen waarin de bekendmaking afbreuk dreigt te doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van personen of de commerciële belangen van ontvangers dreigt te schaden. Voor subsidies dient er voor de verplichting tot bekendmaking van informatie echter geen speciale uitzondering op basis van een bepaalde drempel te bestaan, zodat de huidige praktijk wordt gehandhaafd en transparantie mogelijk is.

(18)

Indien persoonsgegevens van ontvangers worden bekendgemaakt ten behoeve van transparantie met betrekking tot het gebruik van middelen van de Unie en de controle van de toekenningsprocedures, dienen deze ontvangers overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 45/2001 (8) en (EU) 2016/679 (9) van het Europees Parlement en de Raad in kennis te worden gesteld van die bekendmaking, alsmede van hun rechten en de toepasselijke procedures voor het uitoefenen van die rechten.

(19)

Om te waarborgen dat het beginsel van gelijke behandeling van alle ontvangers in acht wordt genomen, moet informatie betreffende natuurlijke personen ook worden bekendgemaakt ter nakoming van de verplichting die op de lidstaten rust om een grote mate van openheid te betrachten inzake overeenkomsten boven de waarde die is vastgesteld in Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad (10).

(20)

In geval van indirect en gedeeld beheer moeten de personen, entiteiten of aangewezen organen die middelen van de Unie besteden, informatie over ontvangers en eindontvangers beschikbaar stellen. In geval van gedeeld beheer moet deinformatie overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bekendgemaakt worden. De Commissie moet een verwijzing naar de informatie over een enkele website, met verwijzing naar het adres ervan, beschikbaar stellen waarop informatie over de ontvangers en eindontvangers kan worden gevonden.

(21)

Om de gegevens over financieringsinstrumenten in direct en indirect beheer leesbaarder en transparanter te maken, is het passend alle verslagleggingsvereisten samen te voegen in één bij de ontwerpbegroting gevoegd werkdocument.

(22)

Ter bevordering van beste praktijken bij de uitvoering van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), alsmede het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), dient de Commissie de voor het beheer en controleactiviteiten verantwoordelijke organen voor informatiedoeleinden een niet-bindende methodologische handleiding ter beschikking te stellen met haar eigen controlestrategie en -aanpak, met inbegrip van controlelijsten en voorbeelden van beste praktijken. Deze handleiding moet telkens wanneer zulks nodig is, worden geactualiseerd.

(23)

Het is passend om de instellingen van de Unie de mogelijkheid te bieden met elkaar overeenkomsten op dienstverleningsniveau te sluiten, teneinde de besteding van hun kredieten te vergemakkelijken, en te voorzien in de uitdrukkelijke mogelijkheid om voor de verlening van diensten, de levering van producten of de uitvoering van werken of onroerendgoedovereenkomsten dergelijke overeenkomsten te sluiten tussen afdelingen van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus, organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) op grond van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en het bureau van de secretaris-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen.

(24)

Het is passend de procedure voor het oprichten van nieuwe Europese bureaus vast te leggen en een onderscheid te maken tussen de verplichte en de niet-verplichte taken van deze bureaus. Voor instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus moet er een mogelijkheid worden ingevoerd om de bevoegdheden van de ordonnateur te delegeren aan de directeur van een Europees bureau. Europese bureaus moeten ook de mogelijkheid hebben om overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau te sluiten voor de verlening van diensten, de levering van producten of de uitvoering van werken of onroerendgoedovereenkomsten. Het is passend om te voorzien in specifieke regels voor het verstrekken van boekhoudbescheiden, in bepalingen op grond waarvan de rekenplichtige van de Commissie sommige van zijn taken aan personeel van de Europese bureaus kan delegeren, en in operationele procedures voor bankrekeningen die de Commissie in naam van een Europese bureau moet kunnen openen.

(25)

Om de kosteneffectiviteit van de uitvoerende agentschappen op te voeren en gezien de met andere organen van de Unie opgedane praktijkervaring, moeten de taken van de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap geheel of gedeeltelijk aan de rekenplichtige van de Commissie kunnen worden toevertrouwd.

(26)

Ter wille van de rechtszekerheid is het nodig te verduidelijken dat directeuren van uitvoerende agentschappen als gedelegeerd ordonnateur optreden bij het beheer van de beleidskredieten van de aan hun agentschappen gedelegeerde programma’s. Om de efficiëntieverbeteringen die uit een algemene centralisatie van bepaalde ondersteunende diensten voortvloeien, volledig te benutten, moet uitdrukkelijk worden bepaald dat uitvoerende agentschappen de mogelijkheid hebben om administratieve uitgaven uit te voeren.

(27)

Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de financiële actoren, met name de ordonnateurs en de rekenplichtigen.

(28)

Het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de rekenplichtige van de Commissie moeten binnen twee weken in kennis worden gesteld van de aanstelling of functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, intern controleurs en rekenplichtigen.

(29)

De ordonnateurs moeten volledig verantwoordelijk zijn voor alle ontvangsten- en uitgavenverrichtingen die onder hun gezag worden uitgevoerd, en voor internecontrolesystemen, en rekenschap afleggen van hun handelingen, indien nodig ook in het kader van tuchtrechtelijke procedures.

(30)

De taken, verantwoordelijkheden en procedurele beginselen die door de ordonnateurs in acht moeten worden genomen, moeten ook worden vastgelegd. De gedelegeerde ordonnateurs moeten ervoor zorgen dat de gesubdelegeerde ordonnateurs en hun medewerkers informatie en opleiding over de controlenormen en respectieve methoden en technieken ontvangen en dat maatregelen worden getroffen om het functioneren van het controlesysteem te waarborgen. De gedelegeerde ordonnateur brengt verslag uit aan zijn of haar instelling van de Unie over de uitvoering van de taken in de vorm van een jaarlijks verslag. Dat verslag moet de nodige financiële en beheersinformatie tot staving van de verklaring van die ordonnateur betreffende de uitoefening van zijn taken, waaronder de informatie over de algehele prestaties van de uitgevoerde verrichtingen bevatten. De bewijsstukken betreffende de uitgevoerde verrichtingen moeten ten minste vijf jaar worden bewaard. Over de verschillende soorten onderhandelingsprocedures voor het gunnen van overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten moet een bijzonder verslag door de gedelegeerde ordonnateur aan de betrokken instelling van de Unie en een verslag van die instelling van de Unie aan het Europees Parlement en de Raad worden uitgebracht aangezien dergelijke procedures van de gewone toekenningsprocedures betreffen.

(31)

De dubbele rol van de hoofden van de delegaties van de Unie, en van hun adjuncten in hun afwezigheid, als gesubdelegeerde ordonnateurs voor zowel de Europese Dienst voor extern optreden („EDEO”) als, wat de beleidskredieten betreft, voor de Commissie, moet in aanmerking worden genomen.

(32)

De situaties waarin de Commissie bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen afdeling van de begroting kan delegeren aan de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie, dient zich te beperken tot die situaties waarin de uitoefening van die taken door de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie strikt noodzakelijk is om de continuïteit van de werkzaamheden in afwezigheid van de hoofden van de delegaties te waarborgen. De adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie zouden die bevoegdheden niet op systematische basis of vanwege de interne werkverdeling mogen uitoefenen.

(33)

De rekenplichtige moet belast blijven met de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de schuldvorderingen. De rekenplichtige dient de kasmiddelen, bankrekeningen en dossiers van derden te beheren, de boekhouding te voeren en belast te zijn met het opstellen van de financiële staten van de instellingen van Unie. Alleen de rekenplichtige van de Commissie dient bevoegd te zijn om de boekhoudregels en het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen, terwijl de rekenplichtigen van alle andere instellingen van de Unie de in hun instelling te volgen boekhoudprocedures moet bepalen.

(34)

Ook moet worden voorzien in de regelingen voor de aanstelling of functiebeëindiging van de rekenplichtige.

(35)

De rekenplichtige moet procedures invoeren opdat de rekeningen die zijn geopend met het oog op het beheer van de kasmiddelen en gelden ter goede rekening, geen negatief saldo vertonen.

(36)

De voorwaarden voor het gebruik van gelden ter goede rekening, een beheersysteem dat afwijkt van de normale procedures en uitsluitend beperkte bedragen betreft, moeten worden vastgelegd, en de taken en verantwoordelijkheden van de beheerders van gelden ter goede rekening, evenals die van de ordonnateur en de rekenplichtige op het gebied van de controle van het beheer van gelden ter goede rekening, dienen te worden beschreven. De Rekenkamer moet in kennis worden gesteld van benoemingen van een beheerder van gelden ter goede rekening. Ter wille van de efficiëntie moeten bij de delegaties van de Unie gelden ter goede rekening worden ingesteld voor kredieten van zowel de begrotingsafdelingen van de Commissie als die van de EDEO. Het is ook wenselijk om onder specifieke voorwaarden toe te staan dat in de delegaties van de Unie gelden ter goede rekening worden aangewend voor het betalen van beperkte bedragen volgens begrotingsprocedures. Wat de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening betreft, dient het mogelijk te zijn hiervoor een selectie te maken uit de personeelsleden van de Commissie die werken op het gebied van hulp bij crisisbeheersing en humanitaire hulp wanneer er geen personeel beschikbaar is van de Commissie, dat is gedekt door het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (11) („Statuut”).

(37)

Teneinde rekening te houden met de situatie op het gebied van hulp bij crisisbeheersing en humanitaire hulp wanneer er geen personeel van de Commissie gedekt door het Statuut beschikbaar is, en met de technische moeilijkheden om alle juridische verbintenissen door de bevoegde ordonnateur te doen aangaan, moet worden toegestaan dat de op dit gebied werkzame personeelsleden van de Commissie juridische verbintenissen met een zeer geringe waarde van ten hoogste 2 500 EUR aangaan die verband houden met de betalingen uit gelden ter goede rekening, en dat de hoofden van de delegaties van de Unie of hun adjuncten juridische verbintenissen aangaan in opdracht van de bevoegde ordonnateur van de Commissie.

(38)

Zodra de taken en verantwoordelijkheden van financiële actoren zijn vastgesteld, kunnen zij slechts aansprakelijk worden gesteld onder de voorwaarden van het Statuut. In de instellingen van de Unie zijn in financiële onregelmatigheden gespecialiseerde instanties krachtens Verordening (EU) Euratom) nr. 966/2012 opgericht. Gezien het beperkte aantal dossiers dat hun wordt voorgelegd, en ter wille van de efficiëntie, verdient het aanbeveling hun taken over te hevelen naar de krachtens deze Verordening („de instantie”) opgerichte interinstitutionele instantie. De instantie dient met betrekking tot zaken die haar door de Commissie of andere instellingen en organen van de Unie, onverminderd hun administratieve autonomie ten aanzien van hun personeelsleden, worden voorgelegd, verzoeken te beoordelen en aanbevelingen te doen over de noodzaak besluiten te nemen inzake uitsluiting en oplegging van financiële sancties. Met die overheveling wordt ook dubbel werk vermeden en wordt het risico op tegenstrijdige aanbevelingen of adviezen beperkt in zaken waarbij zowel een ondernemer als een personeelslid van een instelling of orgaan van de Unie betrokken zijn. Het is noodzakelijk de procedure te handhaven die een ordonnateur, wanneer hij een instructie onrechtmatig of in strijd met het beginsel van goed financieel beheer acht, in staat stelt daarvan bevestiging te verzoeken zodat hij van zijn aansprakelijkheid kan worden ontheven. De samenstelling van de instantie moet worden aangepast indien zij deze rol vervult. De instantie behoort geen onderzoeksbevoegdheid te hebben.

(39)

Wat de ontvangsten betreft, is het noodzakelijk om de negatieve correcties van de eigen middelen waarop de Verordening (EU) Euratom) nr. 609/2014 van de Raad (12) betrekking heeft, aan te pakken. Behalve in geval van eigen middelen, is het noodzakelijk om de bestaande taken en controlewerkzaamheden die in de verschillende stadia van de procedure onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateurs vallen, te handhaven: opstelling van de raming van de schuldvordering, verstrekking van invorderingsopdrachten, toezending van de debetnota waarmee de debiteur in kennis wordt gesteld van de vaststelling van schuldvorderingen, en het besluit om eventueel van de invordering van de schuldvordering af te zien, met inachtneming van criteria die goed financieel beheer garanderen, om een efficiënte inning van de ontvangsten te waarborgen.

(40)

De ordonnateur moet geheel of gedeeltelijk kunnen afzien van de invordering van een vastgestelde schuldvordering wanneer de debiteur zich in een insolventieprocedure bevindt zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad (13), met name in het geval van gerechtelijke of faillissementsakkoorden en andere soortgelijke procedures.

(41)

Specifieke bepalingen betreffende procedures voor de aanpassing of vermindering naar nul van ramingen van het te vorderen bedrag moeten worden vastgesteld.

(42)

Het tijdschema van de opname in de begroting van bedragen uit boeten, andere dwangsommen en sancties, alsmede de rente hierover en andere hieruit voortvloeiende inkomsten, moet worden verduidelijkt.

(43)

Gezien de recente ontwikkelingen op de financiële markten en de door de Europese Centrale Bank (ECB) op haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet, moeten de bepalingen betreffende de rentevoet voor boeten of andere sancties worden herzien en moeten regels worden vastgesteld voor in het geval van een negatieve rentevoet.

(44)

Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van schuldvorderingen die bestaan uit door de instellingen van de Unie krachtens het VWEU of het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratom-Verdrag) opgelegde boeten of andere sancties, moet worden voorzien in specifieke bepalingen inzake de rentevoeten die van toepassing zijn op verschuldigde, maar nog niet betaalde, bedragen, indien deze door het Hof van Justitie van de Europese Unie worden verhoogd.

(45)

De invorderingsregels moeten niet alleen worden verduidelijkt, maar ook worden aangescherpt. In het bijzonder moet worden verduidelijkt dat wanneer de rekenplichtige bedragen invordert, hij deze ook moet verrekenen met vorderingen van de debiteur aan een uitvoerend agentschap dat de begroting uitvoert.

(46)

Om rechtszekerheid en transparantie te waarborgen moeten regels met betrekking tot de termijnen voor de verzending van debetnota’s worden vastgesteld.

(47)

Om het beheer van activa veilig te stellen en tegelijk te streven naar financieel rendement, is het noodzakelijk om bedragen in verband met boeten, andere dwangsommen of door het VWEU of het Euratom-Verdrag opgelegde sancties, zoals in mededingingszaken opgelegde boeten waartegen beroep is aangetekend, voorlopig in te innen en te beleggen in financiële activa en de bestemming van hun rendement te bepalen. Aangezien de Commissie niet de enige instelling van de Unie is die boeten, andere dwangsommen of sancties mag opleggen, moeten bepalingen met betrekking tot dergelijke door andere instellingen van de Unie opgelegde boeten, andere dwangsommen of sancties, alsmede regels voor hun invordering worden vastgesteld, die gelijkwaardig moeten zijn aan die welke van toepassing zijn op de Commissie.

(48)

Opdat de Commissie financieringsbesluiten kan nemen op basis van alle vereiste informatie, moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van financieringsbesluiten betreffende subsidies, aanbestedingen, trustfondsen van de Unie voor extern optreden („trustfondsen van de Unie”), prijzen, financieringsinstrumenten, blendingfaciliteiten of -platforms en begrotingsgaranties. Om potentiële ontvangers een perspectief voor de langere termijn te bieden, moet tegelijkertijd worden toegestaan dat financieringsbesluiten voor meer dan één begrotingsjaar worden genomen, met dien verstande dat de uitvoering afhankelijk is van de beschikbaarheid van begrotingskredieten voor de desbetreffende begrotingsjaren. Voorts moet het aantal voor het financieringsbesluit vereiste elementen worden teruggeschroefd. Met het oog op vereenvoudiging moet het financieringsbesluit tegelijkertijd een jaarlijks of een meerjarig werkprogramma zijn. Aangezien de bijdragen aan de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie reeds in de begroting zijn vastgesteld, dient in dat verband geen specifiek financieringsbesluit te hoeven worden genomen.

(49)

Wat de uitgaven betreft, moeten het verband tussen financieringsbesluiten, globale begrotingsvastleggingen en afzonderlijke begrotingsvastleggingen, evenals de concepten van begrotingsvastlegging en juridische verbintenissen worden verduidelijkt zodat een duidelijk kader wordt geschapen voor de verschillende stadia van begrotingsuitvoering.

(50)

Teneinde rekening te houden met in het bijzonder het aantal juridische verbintenissen dat door de delegaties en vertegenwoordigingen van de Unie wordt aangegaan en met de wisselkoersschommelingen waaraan die onderhevig zijn, moeten voorlopige begrotingsvastleggingen ook mogelijk zijn in gevallen waarin de eindbegunstigde en het bedrag bekend zijn.

(51)

De verschillende soorten betalingen die door ordonnateurs kunnen worden uitgevoerd, moeten worden verduidelijkt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer. De regels voor de vereffening van de voorfinancieringen moeten verder worden verduidelijkt, met name met betrekking tot situaties waarin geen tussentijdse vereffening mogelijk is. Daartoe moeten de nodige bepalingen worden opgenomen in juridische verbintenissen die zijn aangegaan.

(52)

In deze verordening moet worden bepaald dat betalingen binnen bepaalde termijnen moeten worden gedaan en dat, in geval van overschrijding van dergelijke termijnen, schuldeisers recht hebben op achterstandsrente ten laste van de begroting, behalve in het geval van de lidstaten, de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF).

(53)

Het is dienstig om de bepalingen betreffende de betaalbaarstelling en de betalingsopdracht onder één artikel samen te brengen en een definitie van „vrijmakingen” in te voeren. Aangezien de transacties worden uitgevoerd via computersystemen, moet de ondertekening van een „betaalbaarverklaring” waarmee het besluit tot betaalbaarstelling tot uiting wordt gebracht, vervangen worden door een „elektronisch beveiligde handtekening”, behalve in een beperkt aantal gevallen. Ook moet worden verduidelijkt dat de betaalbaarstelling van toepassing is op alle subsidiabele kosten, met inbegrip van de kosten die geen verband houden met een betalingsverzoek, zoals het geval is voor de vereffening van voorfinanciering.

(54)

Om de complexiteit te reduceren, de bestaande regels te stroomlijnen en deze verordening leesbaarder te maken, moeten gemeenschappelijke bepalingen worden vastgesteld voor meer dan één instrument ter uitvoering van de begroting. Daarom moet een aantal bepalingen worden gehergroepeerd, moeten de formulering en het toepassingsgebied van andere bepalingen op elkaar worden afgestemd en moeten onnodige herhalingen en kruisverwijzingen worden verwijderd.

(55)

Elke instelling van de Unie moet een comité follow-up interne audit instellen dat tot taak heeft de onafhankelijkheid van de intern controleur te waarborgen, de kwaliteit van de interneauditwerkzaamheden te bewaken en ervoor te zorgen dat interne en externe auditaanbevelingen naar behoren in aanmerking worden genomen en dat haar diensten er gevolg aan geven. Elke instelling van de Unie moet een besluit nemen over de samenstelling van dat comité follow-up interne audit, rekening houdend met haar organisatorische autonomie en het belang van advies van onafhankelijke deskundigen.

(56)

Meer nadruk moet worden gelegd op de prestaties en resultaten van uit de begroting gefinancierde projecten. Het is derhalve passend om, naast de reeds goed functionerende vormen van bijdragen van de Unie (vergoeding van de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, eenheidskosten, vaste bedragen en financiering volgens een vast percentage), een extra vorm van financiering te definiëren die geen verband houdt met de kosten van de betrokken verrichtingen. De bijkomende vorm van financiering moet afhangen van de vervulling van bepaalde voorwaarden vooraf, of van het bereiken van resultaten gemeten aan de hand van vooraf vastgestelde mijlpalen of door middel van prestatie-indicatoren.

(57)

Wanneer de Commissie de operationele capaciteit en de financiële draagkracht van ontvangers van middelen van de Unie of hun systemen en procedures beoordeelt, moet zij kunnen vertrouwen op de reeds door haarzelf, andere entiteiten of donoren, zoals nationale agentschappen en internationale organisaties, uitgevoerde beoordelingen om te vermijden dat eenzelfde ontvanger tweemaal wordt beoordeeld. De mogelijkheid om op beoordelingen van andere entiteiten te vertrouwen, moet worden benut mits dergelijke beoordelingen zijn verricht met inachtneming van voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vastgestelde voorwaarden voor de toepasselijke wijze van uitvoering. Om te bevorderen dat donoren vertrouwen stellen in elkaars beoordelingen, moet de Commissie daarom de erkenning van internationaal aanvaarde normen of internationale beste praktijken aanmoedigen.

(58)

Ook is het belangrijk te voorkomen dat ontvangers van middelen van de Unie meerdere malen door verschillende entiteiten worden gecontroleerd op het gebruik van die middelen. Het moet daarom mogelijk zijn om op reeds door onafhankelijke auditoren uitgevoerde audits te vertrouwen, mits hun bekwaamheid en onafhankelijkheid voldoende zijn aangetoond, mits de auditwerkzaamheden volgens internationaal aanvaarde auditnormen zijn verricht en zodoende redelijke zekerheid bieden, en mits zij betrekking hebben op de financiële staten en verslagen inzake het gebruik van de bijdrage van de Unie. Op die audits moet dan de algemene zekerheid over het gebruik van middelen van de Unie worden gebaseerd. Daartoe is het belangrijk ervoor te zorgen dat het verslag van de onafhankelijke auditor en de bijbehorende auditdocumentatie beschikbaar worden gesteld op verzoek van het Europees Parlement, de Commissie, de Rekenkamer en de auditautoriteiten van de lidstaten.

(59)

Om te kunnen vertrouwen op beoordelingen en audits en om de administratieve lasten voor personen en entiteiten, die middelen van de Unie ontvangen, te verminderen, moet ervoor worden gezorgd dat informatie die reeds beschikbaar is bij instellingen van de Unie, beheerautoriteiten of andere organen en entiteiten die middelen van de Unie besteden, opnieuw wordt gebruikt, teneinde te voorkomen dat ontvangers of begunstigden meermaals om informatie wordt verzocht.

(60)

Om te voorzien in een mechanisme voor langetermijnsamenwerking met ontvangers, moet worden voorzien in de mogelijkheid om overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap te sluiten. Financiële kaderpartnerschappen moeten ten uitvoer worden gelegd door middel van subsidies of via bijdrageovereenkomsten met personen en entiteiten die middelen van de Unie besteden. De minimale inhoud van die bijdrageovereenkomsten moet daartoe nader worden bepaald. Financiële kaderpartnerschappen mogen de toegang tot financiering van de Unie niet nodeloos beperken.

(61)

De voorwaarden en procedures voor het opschorten, beëindigen of verlagen van een bijdrage van de Unie met betrekking tot de verschillende instrumenten tot uitvoering van de begroting zoals subsidies, aanbestedingen, indirect beheer, prijzen enz. moeten worden geharmoniseerd. De redenen voor opschorting, beëindiging of verlaging moeten worden omschreven.

(62)

In deze verordening moeten standaardtermijnen worden vastgelegd gedurende welke ontvangers documenten moeten bewaren die betrekking hebben op bijdragen van de Unie, zodat uiteenlopende of disproportionele contractuele vereisten worden vermeden, maar de Commissie, de Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) niettemin voldoende tijd hebben om die gegevens en documenten in te zien en toetsen en audits achteraf uit te voeren. Daarnaast moet elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, verplicht zijn mee te werken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie.

(63)

Om deelnemers en ontvangers gepaste informatie te verschaffen en ervoor te zorgen dat zij hun recht op verdediging kunnen uitoefenen, moeten deelnemers en ontvangers toegestaan worden hun opmerkingen kenbaar te maken vooraleer maatregelen met negatieve gevolgen voor hun rechten worden vastgesteld, en dat zij moeten worden geïnformeerd over de te hunner beschikking staande rechtsmiddelen om een dergelijke maatregel aan te vechten.

(64)

Met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie moet de Commissie één enkel systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting opzetten.

(65)

Het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting moet van toepassing zijn op deelnemers, ontvangers, entiteiten waarop de gegadigde of inschrijver voornemens is een beroep te doen of subcontractanten van een contractant, elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt bij de uitvoering van de begroting in indirect beheer, elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt uit hoofde van financieringsinstrumenten die in direct beheer worden uitgevoerd, deelnemers of ontvangers waarover entiteiten die de begroting uitvoeren in gedeeld beheer informatie hebben verstrekt, en sponsors.

(66)

Er moet worden verduidelijkt dat indien een besluit tot registratie van een persoon of entiteit in de databank van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting wordt genomen op basis van een uitsluitingssituatie met betrekking tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die lid is van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van die persoon of entiteit of die vertegenwoordigings-, beslissings- of controlebevoegdheid heeft ten aanzien van die persoon of entiteit, of met betrekking tot een natuurlijke persoon of rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van die persoon of entiteit, of met betrekking tot een natuurlijke persoon die essentieel is voor de toekenning of de uitvoering van de juridische verbintenis, de in de databank opgenomen informatie ook de informatie betreffende die personen dient te omvatten.

(67)

Het besluit inzake de uitsluiting van een persoon of entiteit van deelname aan toekenningsprocedures of inzake de oplegging van een financiële sanctie aan een persoon of entiteit, en het besluit inzake de bekendmaking van de desbetreffende informatie, moeten door de bevoegde ordonnateurs worden genomen, gezien diens autonomie in administratieve aangelegenheden. Bij ontstentenis van een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit en bij een ernstige schending van een overeenkomst moeten de bevoegde ordonnateurs hun besluit nemen op basis van een voorlopige juridische kwalificatie, met inachtneming van de aanbeveling van de instantie. De instantie moet voorts een beoordeling van de duur van een uitsluiting verrichten ingeval de duur niet bij de definitieve rechterlijke beslissing of het definitieve administratief besluit is vastgesteld.

(68)

De rol van de instantie moet erin bestaan voor een samenhangende werking van het uitsluitingssysteem te zorgen. De instantie moet zijn samengesteld uit een vaste voorzitter, twee vertegenwoordigers van de Commissie en een vertegenwoordiger van de verzoekende bevoegde ordonnateur.

(69)

De voorlopige juridische kwalificatie loopt niet vooruit op de definitieve beoordeling van het gedrag van de betrokken persoon of entiteit door de bevoegde instanties van de lidstaten op grond van het nationale recht. De aanbeveling van de instantie en het besluit van de bevoegde ordonnateur moeten derhalve na de kennisgeving van een dergelijke definitieve beoordeling worden geëvalueerd.

(70)

Een persoon of entiteit moet door de bevoegde ordonnateur worden uitgesloten wanneer door een definitieve rechterlijke beslissing of een definitief administratief besluit is vastgesteld dat de persoon of entiteit een ernstige beroepsfout heeft gemaakt, al dan niet opzettelijk de verplichtingen tot betaling van socialezekerheidsbijdragen of van belastingen niet is nagekomen, een entiteit in een andere jurisdictie heeft opgericht met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen, fraude heeft gepleegd met een weerslag op de begroting, corrupt is, betrokken is bijeen criminele organisatie, betrokken is bij het witwassen van geld of de financiering van terrorisme, betrokken is bij terroristische misdrijven of strafbare feiten in verband met terrorisme, betrokken is bij kinderarbeid of andere misdrijven van mensenhandel of betrokken is bij onregelmatigheden. Een persoon of entiteit moet tevens worden uitgesloten in geval van een ernstige schending van een juridische verbintenis of in geval van faillissement.

(71)

Bij het nemen van een besluit inzake uitsluiting van een persoon of entiteit of oplegging van een financiële sanctie aan een persoon of entiteit en tot bekendmaking van de desbetreffende informatie, moet de bevoegde ordonnateur ervoor zorgen dat het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen, met name door rekening te houden met de ernst van de situatie, de budgettaire gevolgen ervan, de tijd die is verstreken sinds het betrokken gedrag, de duur van het gedrag en de herhaling ervan, of het gedrag opzettelijk was of de getoonde mate van nalatigheid, de mate van medewerking met de betrokken bevoegde instantie door de persoon of entiteit en de bijdrage van die persoon of entiteit aan het onderzoek.

(72)

De bevoegde ordonnateur moet een persoon of entiteit tevens kunnen uitsluiten indien een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de ondernemer, failliet is of in een gelijkaardige situatie van insolventie verkeert, of indien die natuurlijke persoon of rechtspersoon zijn verplichtingen in verband met het betalen van socialezekerheidsbijdragen of van belastingen niet nakomt, indien die situaties gevolgen hebben voor de financiële situatie van die ondernemer.

(73)

Een persoon of entiteit mag niet worden uitgesloten wanneer hij corrigerende maatregelen heeft genomen en zodoende zijn betrouwbaarheid aantoont. Van die mogelijkheid mag geen gebruik worden gemaakt bij de meest ernstige vormen van criminaliteit.

(74)

In het licht van het evenredigheidsbeginsel moet er een onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin er een financiële sanctie kan worden opgelegd als alternatief voor uitsluiting enerzijds, en gevallen waarin de ernst van het gedrag van de betrokken ontvanger, bestaande uit het pogen om op onrechtmatige wijze middelen van de Unie te verkrijgen, rechtvaardigt dat er naast de uitsluiting een financiële sanctie wordt opgelegd teneinde voor een afschrikkende werking te zorgen anderzijds. Van de financiële sanctie die door de aanbestedende dienst kan worden opgelegd, moet bovendien het maximumbedrag worden vastgesteld.

(75)

Een financiële sanctie mag uitsluitend worden opgelegd aan een ontvanger en niet aan een deelnemer, daar het bedrag van de op te leggen financiële sanctie wordt berekend op basis van de waarde van de betrokken juridische verbintenis.

(76)

De mogelijkheid om besluiten inzake uitsluitingen te nemen of financiële sancties op te leggen staat los van de mogelijkheid om contractuele sancties, zoals vooraf gefixeerde schadevergoedingen, toe te passen.

(77)

De uitsluiting moet van beperkte duur zijn, zoals bij Richtlijn 2014/24/EU het geval is, en moet stroken met het evenredigheidsbeginsel.

(78)

Het is noodzakelijk om de aanvangsdatum en de verjaringstermijn voor besluiten inzake uitsluitingen of het opleggen van financiële sancties vast te stellen.

(79)

Het is belangrijk dat de afschrikkende werking die met de uitsluiting en de financiële sanctie wordt bereikt, kan worden versterkt. In dat opzicht moet de afschrikkende werking worden versterkt door te voorzien in de mogelijkheid tot bekendmaking van de informatie betreffende de uitsluiting en/of de financiële sanctie, op een wijze die voldoet aan de gegevensbeschermingsvereisten van Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/679. Dergelijke bekendmaking moet er mede voor zorgen dat hetzelfde gedrag niet wordt herhaald. Ter wille van de rechtszekerheid en conform het evenredigheidsbeginsel moet nader worden bepaald in welke situaties er niet tot bekendmaking mag worden overgegaan. In zijn beoordeling moet de bevoegde ordonnateur rekening houden met eventuele aanbevelingen van de instantie. Van natuurlijke personen mogen de persoonsgegevens uitsluitend worden bekendgemaakt in uitzonderlijke omstandigheden, gerechtvaardigd door de ernst van het gedrag of de gevolgen ervan voor de financiële belangen van de Unie.

(80)

Informatie betreffende een uitsluiting of een financiële sanctie mag uitsluitend worden bekendgemaakt in bepaalde gevallen, zoals een ernstige beroepsfout, fraude, een aanzienlijke tekortkoming in de nakoming van de belangrijkste verplichtingen van een uit de begroting gefinancierde juridische verbintenis, of bij een onregelmatigheid of wanneer een entiteit is opgericht in een andere jurisdictie met de bedoeling om fiscale, sociale of enige andere wettelijke verplichtingen te omzeilen.

(81)

De uitsluitingscriteria moeten duidelijk worden onderscheiden van de criteria die kunnen leiden tot afwijzing in een gunningsprocedure.

(82)

De informatie over de vroegtijdige opsporing van risico’s en besluiten inzake uitsluitingen en het opleggen van financiële sancties aan een persoon of entiteit moet centraal worden beheerd. Daartoe moet deze informatie worden opgeslagen in een databank die door de eigenaar van het gecentraliseerde systeem, de Commissie, is opgezet en wordt beheerd. Dit systeem moet functioneren in volledige overeenstemming met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en met het recht op bescherming van persoonsgegevens.

(83)

Het opzetten en beheren van het systeem voor vroegtijdige opsporing en uitsluiting moet weliswaar onder de verantwoordelijkheid van de Commissie vallen, maar ook andere instellingen en organen van de Unie, alsmede alle personen en entiteiten die middelen van de Unie besteden in direct, gedeeld en indirect beheer, moeten aan dat systeem deelnemen door relevante informatie aan de Commissie door te geven. De bevoegde ordonnateur en de instantie moeten het recht op verdediging van de betrokken persoon of entiteit waarborgen. Hetzelfde recht moet, in de context van een vroegtijdige opsporing, aan een persoon of entiteit worden toegekend indien een door de ordonnateur voorgenomen besluit afbreuk zou kunnen doen aan de rechten van de betrokken persoon of entiteit. In geval van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad en waarover nog geen definitieve rechterlijke beslissing is genomen, moet het voorde bevoegde ordonnateur mogelijk zijn om de kennisgeving aan de persoon of entiteit uit te stellen en voor de instantie om het recht uit te stellen van de persoon of entiteit om opmerkingen in te dienen. Een dergelijk uitstel kan alleen gerechtvaardigd zijn indien er zwaarwegende legitieme redenen zijn om het vertrouwelijke karakter van het onderzoek of van een nationale gerechtelijke procedure te vrijwaren.

(84)

Aan het Hof van Justitie van de Europese Unie moet volledige rechtsmacht worden verleend ten aanzien van uit hoofde van deze verordening besluiten inzake uitsluiting en opgelegde financiële sancties, in overeenstemming met artikel 261 VWEU.

(85)

Ter bevordering van de bescherming van de financiële belangen van de Unie in alle wijzen van uitvoering van de begroting moeten de personen en entiteiten die betrokken zijn bij de uitvoering van de begroting in gedeeld en indirect beheer, naargelang het geval rekening kunnen houden met uitsluitingen waartoe door de ordonnateurs op Unieniveau is besloten.

(86)

Deze verordening moet bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van e-bestuur, in het bijzonder het gebruik van elektronische gegevens bij de uitwisseling van informatie tussen instellingen van de Unie en derde partijen.

(87)

De vooruitgang in de richting van uitwisseling van informatie en de indiening van documenten langs elektronische weg, met inbegrip van, in voorkomend geval, elektronische aanbesteding, vormen een belangrijke vereenvoudigingsmaatregel en moeten gepaard gaan met duidelijke voorwaarden voor de erkenning van de te gebruiken systemen, zodat een juridisch solide omgeving tot stand wordt gebracht, maar de deelnemers, ontvangers en ordonnateurs toch de nodige flexibiliteit behouden bij het beheer van middelen van de Unie, zoals bepaald in deze verordening.

(88)

Er moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de samenstelling en de taken van het comité dat belast is met de beoordeling van de aanvraagdocumenten in aanbestedingsprocedures, procedures voor toekenning van subsidies en wedstrijden voor prijzen. Het comité moet tevens externe deskundigen kunnen omvatten indien de basishandeling in die mogelijkheid voorziet.

(89)

In overeenstemming met het beginsel van goed bestuur moet de ordonnateur om opheldering vragen of ontbrekende stukken opvragen met inachtneming van het beginsel van gelijke behandeling en zonder substantiële wijziging van de aanvraagdocumenten. Alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen moet de ordonnateur hier anders over kunnen beslissen. Daarnaast moet het de ordonnateur zijn toegestaan een duidelijke administratieve fout te corrigeren of de deelnemer te verzoeken dit te doen.

(90)

Met het oog op goed financieel beheer moet de Commissie zichzelf beschermen door bij de betaling van voorfinancieringen om garanties te verzoeken. De verplichting voor contractanten en begunstigden om garanties te verstrekken mag niet automatisch gelden, maar moet gebaseerd zijn op een risicoanalyse. Indien de ordonnateur tijdens de uitvoering ontdekt dat een borg niet of niet langer gemachtigd is tot het verstrekken van garanties overeenkomstig het toepasselijke nationale recht, moet de ordonnateur kunnen eisen dat de garantie wordt vervangen.

(91)

De verschillende regels voor direct en indirect beheer, en met name het concept van „begrotingsuitvoeringstaken”, zorgen voor verwarring en leiden zowel voor de Commissie als voor haar partners tot risico’s op kwalificatiefouten; daarom moeten ze worden vereenvoudigd en geharmoniseerd.

(92)

De bepalingen inzake de voorafgaande pijlerbeoordelingen van personen en entiteiten die middelen van de Unie in indirect beheer besteden, moeten worden herzien opdat de Commissie zo veel mogelijk kan vertrouwen op de systemen, regels en procedures van die personen en entiteiten die als gelijkwaardig worden beschouwd aan die welke door de Commissie worden gebruikt. Daarnaast is het dienstig te verduidelijken dat indien uit de beoordeling blijkt dat er gebieden zijn waarop de bestaande procedures de financiële belangen van de Unie onvoldoende beschermen, de Commissie bijdrageovereenkomsten kan sluiten en tegelijk gepaste toezichtsmaatregelen kan nemen. Ook is het belangrijk te verduidelijken in welke gevallen de Commissie kan besluiten geen pijlerbeoordeling vooraf te eisen om bijdrageovereenkomsten te sluiten.

(93)

Remuneratie van personen en entiteiten die de begroting uitvoeren, moet, indien dit relevant en mogelijk is, gebaseerd zijn op hun prestaties.

(94)

De Commissie sluit partnerschappen met derde landen door middel van financieringsovereenkomsten. Het is van belang dat de inhoud van dergelijke financieringsovereenkomsten wordt verduidelijkt, met name voor de delen van een actie die in indirect beheer door het derde land worden uitgevoerd.

(95)

Het is belangrijk de specifieke aard van blendingfaciliteiten of platforms, waarbij de Commissie haar bijdrage combineert met die van financiële instellingen, te erkennen en de toepassing van de bepalingen inzake financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties te verduidelijken.

(96)

De regels en beginselen inzake aanbestedingen die van toepassing zijn op door instellingen van de Unie voor eigen rekening gegunde overeenkomsten tot uitvoering van overheidsopdrachten, moeten gebaseerd zijn op de voorschriften van Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad (14) en Richtlijn 2014/24/EU.

(97)

De door de aanbestedende diensten gebruikte methode om de toepasselijke regels in het geval van gemengde overeenkomsten te bepalen, moet worden verduidelijkt.

(98)

De vóór en na de aanvang van een aanbestedingsprocedure te nemen publiciteitsmaatregelen moeten worden verduidelijkt voor overeenkomsten met een waarde gelijk aan of hoger dan de in Richtlijn 2014/24/EU vastgestelde drempelwaarden, voor overeenkomsten onder die drempelwaarden en voor overeenkomsten die buiten het toepassingsgebied van die richtlijn vallen.

(99)

Deze verordening moet een volledige lijst bevatten van alle aanbestedingsprocedures die, ongeacht de drempelwaarden, ter beschikking van de instellingen van de Unie staan.

(100)

Met het oog op administratieve vereenvoudiging en om de deelname van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) te bevorderen, moet worden voorzien in onderhandelingsprocedures voor overeenkomsten met een gemiddelde waarde.

(101)

Zoals bij Richtlijn 2014/24/EU het geval is, moet deze verordening het mogelijk maken om vóór aanvang van een aanbestedingsprocedure een marktconsultatie te houden. Opdat een innovatiepartnerschap uitsluitend wordt gebruikt wanneer de gewenste werken, leveringen en diensten niet beschikbaar zijn in de handel of als een ontwikkeling die dicht bij de markt staat., moet deze verordening voorzien in verplichte consultatie van de markt voordat van een innovatiepartnerschap wordt gebruikgemaakt.

(102)

Er moet worden verduidelijkt hoe de aanbestedende diensten aan de bescherming van het milieu en het bevorderen van duurzame ontwikkeling kunnen bijdragen, terwijl tegelijkertijd wordt gegarandeerd dat zij voor hun overeenkomsten de beste prijs-kwaliteitverhouding verkrijgen, met name door specifieke keurmerken voor te schrijven of van passende gunningsmethoden gebruik te maken.

(103)

Opdat ondernemers bij de uitvoering van overeenkomsten voldoen aan de geldende verplichtingen op het gebied van milieu-, sociaal en arbeidsrecht uit hoofde van het Unierecht, het nationale recht, collectieve overeenkomsten of de in bijlage X bij Richtlijn 2014/24/EU vermelde internationale sociale en milieuovereenkomsten, moeten deze verplichtingen deel uitmaken van de door de aanbestedende dienst omschreven minimumvereisten, en dienen zij in de door de aanbestedende dienst ondertekende overeenkomsten te worden opgenomen.

(104)

De verschillende situaties die doorgaans als „belangenconflict” worden aangeduid, moeten in kaart worden gebracht en verschillend worden behandeld. Het begrip „belangenconflict” mag uitsluitend worden gebruikt indien een persoon of entiteit met bevoegdheden voor de uitvoering van de begroting, of van audit- of controlewerkzaamheden, of een ambtenaar of een personeelslid van een instelling van de Unie of van nationale autoriteiten van ongeacht welk niveau, zich in die situatie bevindt. Pogingen om een gunningsprocedure onrechtmatig te beïnvloeden of vertrouwelijke informatie te verkrijgen moeten worden behandeld als ernstige beroepsfouten die kunnen leiden tot afwijzing in een gunningsprocedure en/of uitsluiting van de toegang tot middelen van de Unie. Daarnaast kunnen ondernemers zich in een situatie bevinden waarin zij wegens een conflicterend belang op beroepsvlak niet voor de uitvoering van een overeenkomst gekozen mogen worden. Zo mag een bedrijf geen project evalueren waaraan het zelf heeft deelgenomen en mag een controleur niet in de positie verkeren dat hij rekeningen controleert die hij eerder zelf heeft gecertificeerd.

(105)

In overeenstemming met Richtlijn 2014/24/EU moet het mogelijk zijn om in willekeurige volgorde te controleren of een ondernemer is uitgesloten, om de selectie- en gunningscriteria toe te passen, en om na te gaan of de voorschriften inzake de aanbestedingsstukken in acht zijn genomen. Bijgevolg moet het mogelijk zijn inschrijvingen af te wijzen op grond van de gunningscriteria, zonder voorafgaande controle van de betrokken inschrijver met betrekking tot de criteria inzake uitsluiting of selectie.

(106)

Overeenkomsten moeten, conform artikel 67 van Richtlijn 2014/24/EU, worden gegund op basis van de economisch meest voordelige inschrijving.

(107)

Ter wille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat de selectiecriteria strikt verband houden met de evaluatie van gegadigden of inschrijvers en dat de gunningscriteria strikt verband houden met de evaluatie van de inschrijvingen. De kwalificaties en ervaring van het personeel dat met de uitvoering van de overeenkomst is belast, mogen uitsluitend worden gehanteerd als een selectiecriterium, en niet als een gunningscriterium, omdat dit anders zou kunnen leiden tot overlapping en een dubbele evaluatie van hetzelfde element. Voorts zou, indien dergelijke titels en beroepservaring gebruikt zouden worden als gunningscriterium, elke wijziging van het met de uitvoering van de overeenkomst belaste personeel, zelfs indien die vanwege ziekte of een functiewijziging te verantwoorden is, de voorwaarden waaronder de overeenkomst werd gegund, in vraag stellen en zodoende rechtsonzekerheid creëren.

(108)

Bij aanbestedingen van de Unie moet ervoor worden gezorgd dat de middelen van de Unie op een doeltreffende, transparante en passende manier worden gebruikt en dat tegelijkertijd de administratieve lasten voor de ontvangers van middelen van de Unie worden verlicht. In dat verband moeten elektronische aanbestedingen ertoe bijdragen dat de middelen van de Unie beter worden uitgevoerd, en dat overeenkomsten toegankelijker worden voor alle ondernemers. Alle instellingen van de Unie die aanbestedingen organiseren, moeten op hun website duidelijke voorschriften publiceren met betrekking tot aankopen, uitgaven en monitoring, alsmede alle gegunde overeenkomsten, inclusief de waarde ervan.

(109)

Er moet worden verduidelijkt dat voor iedere procedure een openingsfase en een evaluatie bestaat. Een gunningsbesluit moet altijd het resultaat zijn van een evaluatie.

(110)

Bij de kennisgeving van het resultaat van een procedure moeten de gegadigden en inschrijvers in kennis worden gesteld van de gronden waarop het besluit werd genomen en een gedetailleerde motivering ontvangen die gebaseerd is op de inhoud van het evaluatieverslag.

(111)

Aangezien de criteria in willekeurige volgorde worden toegepast, moet aan afgewezen inschrijvers die conforme inschrijvingen hebben ingediend, op hun verzoek informatie worden gegeven over de kenmerken en de relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving.

(112)

In het kader van raamovereenkomsten met een hernieuwde oproep tot mededinging moet er geen verplichting zijn om een niet-geselecteerde contractant informatie over de kenmerken en de relatieve voordelen van de geselecteerde inschrijving te verstrekken, aangezien de ontvangst van dergelijke informatie door partijen bij dezelfde raamovereenkomst iedere keer na een hernieuwde oproep tot mededinging de eerlijke concurrentie tussen hen kan schaden.

(113)

Een aanbestedende dienst moet een aanbestedingsprocedure vóór de ondertekening van de overeenkomst kunnen annuleren zonder dat de gegadigden of inschrijvers aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Dit moet gelden onverminderd situaties waarin de aanbestedende dienst op zodanige wijze heeft gehandeld dat hij aansprakelijk kan worden gesteld voor schade overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht.

(114)

Zoals het geval is bij Richtlijn 2014/24/EU moet duidelijk worden gemaakt onder welke voorwaarden een overeenkomst tijdens de uitvoering ervan gewijzigd kan worden zonder een nieuwe aanbestedingsprocedure. Met name dient een nieuwe aanbestedingsprocedure niet te zijn vereist in geval van administratieve veranderingen, rechtsopvolging onder algemene titel en toepassing van duidelijke en ondubbelzinnige herzieningsbepalingen of -opties die de minimumvereisten van de oorspronkelijke procedure niet wijzigen. Een nieuwe aanbestedingsprocedure moet verplicht zijn in geval van materiële wijzigingen van de aanvankelijke overeenkomst, in het bijzonder van de reikwijdte en de inhoud van de wederzijdse rechten en verplichtingen, waaronder wat betreft de verdeling van intellectuele-eigendomsrechten. Die wijzigingen tonen aan dat de partijen de intentie hebben opnieuw te onderhandelen over de wezenlijke voorwaarden van die overeenkomst, met name indien de wijzigingen, hadden de gewijzigde voorwaarden deel uitgemaakt van de aanvankelijke procedure, invloed zouden hebben gehad op het resultaat van de procedure.

(115)

Er moet worden voorzien in de mogelijkheid een uitvoeringsgarantie voor werken, leveringen en complexe diensten te vereisen om gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst de nakoming van essentiële contractuele verplichtingen en een goede uitvoering te waarborgen. Tevens dient te worden voorzien in het kunnen vereisen van een waarborgsom voor de duur van de termijn van contractuele aansprakelijkheid, overeenkomstig hetgeen in de betrokken sectoren gebruikelijk is.

(116)

Teneinde de toepasselijke drempelwaarden en procedures te bepalen, moet worden verduidelijkt of instellingen van de Unie, uitvoerende agentschappen en organen van de Unie geacht worden aanbestedende diensten te zijn. Zij mogen niet worden geacht aanbestedende diensten te zijn in gevallen waarin zij aankopen doen van een aankoopcentrale. Daarnaast vormen de instellingen van de Unie één enkele juridische entiteit en hun diensten mogen behalve overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau geen overeenkomsten onderling sluiten.

(117)

Het is passend in deze verordening te verwijzen naar de twee drempelwaarden die in Richtlijn 2014/24/EU zijn vastgesteld respectievelijk voor werken en voor leveringen en diensten. Met het oog op vereenvoudiging en ter wille van goed financieel beheer moeten deze drempelwaarden ook gelden voor concessieovereenkomsten, rekening houdend met de specifieke kenmerken van de behoeften van de instellingen van de Unie op dat gebied. De herziening van die drempelwaarden, zoals vastgesteld in Richtlijn 2014/24/EU, moet bijgevolg rechtstreeks van toepassing zijn op aanbestedingen krachtens deze verordening.

(118)

Met het oog op harmonisatie en vereenvoudiging moeten de standaardprocedures voor aanbestedingen ook kunnen worden toegepast op aankopen die onder de lichte regeling van de in artikel 74 van Richtlijn 2014/24/EU bedoelde overeenkomsten voor sociale en andere specifieke diensten vallen. Daarom moet de drempelwaarde voor aankopen onder de lichte regeling worden afgestemd op de drempelwaarde voor overeenkomsten voor diensten.

(119)

Het is nodig de voorwaarden voor de toepassing van de wachttermijn te verduidelijken vóór de ondertekening van een overeenkomst of een raamovereenkomst.

(120)

De regels die van toepassing zijn op aanbestedingen op het gebied van extern optreden moeten in overeenstemming zijn met de beginselen in Richtlijnen 2014/23/EU en 2014/24/EU.

(121)

Om de complexiteit te beperken, de bestaande regels te stroomlijnen en de regels inzake aanbestedingen leesbaarder te maken, is het noodzakelijk de algemene bepalingen inzake aanbestedingen en de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op aanbestedingen op het gebied van extern optreden, te hergroeperen en onnodige herhalingen en kruisverwijzingen te verwijderen.

(122)

Er moet worden verduidelijkt welke ondernemers, afhankelijk van hun vestigingsplaats, toegang hebben tot aanbestedingen krachtens deze verordening, en er moet uitdrukkelijk worden bepaald dat ook internationale organisaties dergelijke toegang kunnen hebben.

(123)

Om een evenwicht te bereiken tussen de behoefte aan transparantie en samenhangendere regels inzake aanbestedingen enerzijds en de behoefte aan flexibiliteit met betrekking tot bepaalde technische aspecten van die regels anderzijds, moeten de technische regels inzake aanbestedingen worden vastgelegd in een bijlage bij deze verordening en moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen inzake wijzigingen in die bijlage.

(124)

Het toepassingsgebied van de titel betreffende subsidies moet worden gepreciseerd, met name wat betreft het type actie of orgaan dat voor subsidie in aanmerking komt en de juridische verbintenissen die voor subsidies kunnen worden aangegaan. Met name subsidiebesluiten moeten, gezien de beperkte mate waarin ze worden gebruikt, en gezien de geleidelijke invoering van elektronische subsidies, worden afgeschaft. De structuur moet worden vereenvoudigd door de bepalingen met betrekking tot andere instrumenten dan subsidies te verplaatsen naar andere delen van deze verordening. De aard van de organen die exploitatiesubsidies kunnen ontvangen, moet worden verduidelijkt, door niet meer te verwijzen naar het „orgaan dat een doelstelling van algemeen Uniebelang nastreeft” aangezien die organen vallen onder het begrip van „orgaan dat een in het kader en ter ondersteuning van het beleid van de Unie passende doelstelling nastreeft”.

(125)

Om de procedures te vereenvoudigen en deze verordening leesbaarder te maken, moeten de bepalingen met betrekking tot de inhoud van de subsidieaanvraag, van de oproep tot het indienen van voorstellen en van de subsidieovereenkomst worden vereenvoudigd en gestroomlijnd.

(126)

Om de uitvoering van door meerdere donoren gefinancierde acties te vergemakkelijken in gevallen waarin de totale financiering van de actie niet bekend is bij de vastlegging van de bijdrage van de Unie, is het nodig om de manier waarop de bijdrage van de Unie wordt bepaald en de methode voor de controle op het gebruik ervan, te verduidelijken.

(127)

De ervaring die is opgedaan met het gebruik van financiering door vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage, heeft aangetoond dat dergelijke vormen van financiering geleid hebben tot een aanzienlijke vereenvoudiging van de administratieve procedures en tot een substantiële vermindering van het risico op fouten. Ongeacht het gebied waarop de Unie optreedt zijn vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages geschikte vormen van financiering, met name voor gestandaardiseerde en terugkerende acties, zoals mobiliteit of opleidingsactiviteiten. Aangezien instellingen van de lidstaten een institutionele samenwerking tussen overheden van lidstaten en begunstigde landen (institutionele jumelage) toepassen, is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties voorts verantwoord en zal dat hun betrokkenheid stimuleren. Met het oog op meer efficiëntie, moeten de lidstaten en andere ontvangers van middelen van de Unie frequenter gebruik kunnen maken van vereenvoudigde kostenopties. In dit verband moeten de voorwaarden voor het gebruik van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages flexibeler worden. Er moet uitdrukkelijk worden voorzien in de vaststelling van eenmalige vaste bedragen die het geheel aan subsidiabele kosten van de actie of het werkprogramma dekken. Ter bevordering van de resultaatgerichtheid moet daarnaast prioriteit worden gegeven aan op output gebaseerde financiering. Op input gebaseerde vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages moeten een optie blijven wanneer op output gebaseerde vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages niet mogelijk of passend zijn.

(128)

De administratieve procedures voor het toestaan van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages moeten worden vereenvoudigd door de bevoegd ordonnateur daartoe te machtigen. In voorkomend geval kan de Commissie dergelijke toestemming verlenen, rekening houdend met de aard van de activiteiten of de uitgaven of met het aantal betrokken ordonnateurs.

(129)

Om de leemten op te vullen in de gegevens die worden gebruikt voor het bepalen van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, moet het worden toegestaan om een beroep te doen op een deskundig oordeel.

(130)

Hoewel het potentieel van een frequenter gebruik van vereenvoudigde vormen van financiering moet worden verwezenlijkt, moet erop worden toegezien dat het beginsel van goed financieel beheer, en met name de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en het verbod op dubbele financiering, wordt nageleefd. Daarom moeten vereenvoudigde vormen van financiering ervoor zorgen dat de ingezette middelen in verhouding staan tot de te verwezenlijken doelstellingen, dat dezelfde kosten niet meer dan een keer uit de begroting worden gefinancierd, dat het medefinancieringsbeginsel in acht wordt genomen en dat in het algemeen overcompensatie van ontvangers wordt voorkomen. Daarom moeten vereenvoudigde vormen van financiering stoelen op statistische of boekhoudkundige gegevens, soortgelijke objectieve hulpmiddelen of oordelen van deskundigen. Voorts moeten passende toetsen, controles en periodieke beoordelingen van toepassing blijven.

(131)

Het toepassingsgebied van toetsen en controles, in tegenstelling tot de periodieke beoordelingen van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, moet worden verduidelijkt. Deze toetsen en controles moeten zijn gericht op de naleving van de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten en vaste percentages, inclusief, waar vereist, het bereiken van outputs en/of resultaten. Deze voorwaarden mogen geen verslaglegging over de door de begunstigde werkelijk gemaakte kosten vereisen. Indien de bevoegde ordonnateur of de Commissie vooraf de grootte van de vaste bedragen, eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage heeft bepaald, mogen deze niet meer aan controles achteraf worden onderworpen. Dit dient niets af te doen aan de mogelijkheid een subsidie te verlagen in geval van ondermaatse, gedeeltelijke of laattijdige uitvoering, of onregelmatigheden, fraude, of niet-nakoming van andere verplichtingen. Met name moet een subsidie worden verlaagd als de voorwaarden die aanleiding geven tot de betaling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages niet zijn vervuld. De frequentie en de reikwijdte van de periodieke beoordeling moeten afhangen van de ontwikkeling en de aard van de kosten, met name rekening houdend met belangrijke wijzigingen in de marktprijzen en andere relevante omstandigheden. De periodieke beoordeling kan leiden tot aanpassingen van de vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages die van toepassing zijn op toekomstige overeenkomsten, maar mogen niet worden gebruikt om de reeds overeengekomen waarde van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages ter discussie te stellen. Toegang tot de boekhouding van de begunstigde kan om statistische en methodologische redenen noodzakelijk zijn voor de periodieke beoordeling van vaste bedragen, eenheidskosten of vaste percentages, en ook om fraude te voorkomen en op te sporen is toegang noodzakelijk.

(132)

Om de deelname van kleine organisaties aan de uitvoering van het Uniebeleid te bevorderen in een context waarbinnen slechts beperkte middelen beschikbaar zijn, is het nodig de waarde van vrijwilligerswerk te erkennen als subsidiabele kosten. Bijgevolg mogen deze organisaties zich in sterkere mate op vrijwilligers kunnen verlaten om de actie of het werkprogramma mede te financieren. Onverminderd het in de basishandeling vastgestelde maximale medefinancieringspercentage moet de subsidie van de Unie in dergelijke gevallen worden beperkt tot de andere geraamde subsidiabele kosten dan die voor vrijwilligerswerk. Aangezien vrijwilligerswerk werk is dat derden leveren zonder door de begunstigde te worden vergoed, voorkomt deze beperking dat kosten worden vergoed die de begunstigde niet heeft gemaakt. Daarnaast mag de waarde van vrijwilligerswerk niet meer bedragen dan 50 % van de bijdragen in natura en eventuele andere medefinanciering.

(133)

Om een van de fundamentele beginselen van openbare financiën te beschermen, moet het winstverbod in deze verordening worden gehandhaafd.

(134)

In principe moeten subsidies worden toegekend na een oproep tot het indienen van voorstellen. Wanneer uitzonderingen worden toegestaan, moeten deze restrictief worden geïnterpreteerd en toegepast wat betreft de reikwijdte en de duur ervan. Van de uitzonderlijke mogelijkheid om subsidies toe te kennen zonder oproep tot het indienen van voorstellen aan organen met een monopolie in feite of in rechte mag alleen gebruik worden gemaakt als de betrokken organen de enige zijn die de betreffende soorten activiteiten kunnen uitoefenen of bij wet of door een overheidsinstantie met een dergelijk monopolie zijn belast.

(135)

In het kader van de overgang naar elektronische subsidies en elektronische aanbestedingen moet ervoor worden gezorgd dat aanvragers en inschrijvers slechts één maal binnen een specifieke periode een bewijs dienen te leveren van hun juridische status en financiële levensvatbaarheid en mag hun niet worden gevraagd de bewijsstukken in elke toekenningsprocedure opnieuw in te dienen. Daarom moeten de vereisten inzake het aantal jaren waarvoor documenten worden verlangd in het kader van procedures voor het toekennen van subsidies en aanbestedingsprocedures op elkaar worden afgestemd.

(136)

Het gebruik van prijzen, die een waardevol type van financiële steun zonder verband met voorzienbare kosten zijn, moet worden vergemakkelijkt en de toepasselijke regels moeten worden verduidelijkt. Prijzen moeten worden beschouwd als aanvulling op, niet als vervanging van, andere financieringsinstrumenten zoals subsidies.

(137)

Om een flexibelere tenuitvoerlegging van prijzen mogelijk te maken, moet de verplichting op grond van Verordening (EU, Euratom) Nr. 966/2012 om prijzen met een waarde van 1 000 000 EUR of meer bekend te maken in de begeleidende verklaringen bij de ontwerpbegroting, worden vervangen door een verplichting tot voorafgaande kennisgeving aan het Europees Parlement en aan de Raad en tot een uitdrukkelijke vermelding van die prijzen in het financieringsbesluit.

(138)

Prijzen dienen uitgereikt te worden overeenkomstig de beginselen van transparantie en gelijke behandeling. In dat verband moeten de minimumvereisten voor wedstrijden worden vastgesteld, met name de regelingen voor het betalen van de prijs aan de winnaars na hun toekenning, alsook de passende wijze van bekendmaking. Er moet ook worden voorzien in een duidelijk omschreven toekenningsprocedure naar het model van de toekenningsprocedure voor subsidies, gaande van de indiening van de aanvragen tot informatieverstrekking tot de aanvragers en de kennisgeving van de winnende aanvrager.

(139)

In deze verordening moeten de beginselen en voorwaarden die van toepassing zijn op financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand worden vastgelegd, alsmede de regels voor de beperking van de financiële aansprakelijkheid van de Unie, de bestrijding van fraude en het witwassen van geld, het liquideren van financieringsinstrumenten en verslaglegging.

(140)

De Unie heeft de voorbije jaren steeds meer gebruikgemaakt van financieringsinstrumenten waarmee een groter hefboomeffect van de begroting kan worden bereikt, maar die tezelfdertijd een financieel risico voor de begroting meebrengen. Die financieringsinstrumenten omvatten niet alleen de onder Verordening (EU, Euratom) Nr. 966/2012 vallende financieringsinstrumenten, maar ook andere instrumenten, zoals begrotingsgaranties en financiële bijstand, die voorheen alleen onder de regels van de respectieve desbetreffende basishandelingen vielen. Het is belangrijk om naast de bestaande regels op het gebied van financieringsinstrumenten een gemeenschappelijk kader vast te stellen ter waarborging van de homogeniteit van de beginselen die van toepassing zijn op die reeks instrumenten, en deze te hergroeperen onder een nieuwe titel in deze verordening met afdelingen over begrotingsgaranties en financiële bijstand aan lidstaten of derde landen.

(141)

Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties kunnen in toenemende mate van belang zijn om de impact van middelen van de Unie te versterken wanneer die middelen met andere middelen worden gepoold en een hefboomeffect hebben. Financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties mogen alleen worden uitgevoerd indien er geen risico op verstoring van de mededinging binnen de interne markt bestaat en deze niet strijdig zijn met de staatssteunregels.

142.

Binnen het kader van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane jaarlijkse kredieten voor een bepaald programma moeten financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties worden gebruikt op basis van een evaluatie vooraf die aantoont dat ze doeltreffend zijn voor het bereiken van de beleidsdoelstellingen van de Unie.

(143)

Financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand moeten worden goedgekeurd door middel van een basishandeling. Indien financieringsinstrumenten in terdege gemotiveerde gevallen zonder basishandeling worden vastgesteld, moeten deze door het Europees Parlement en de Raad in de begroting worden goedgekeurd.

(144)

De instrumenten die mogelijks vallen onder titel X, zoals leningen, garanties, investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen en risicodelingsinstrumenten, moeten gedefinieerd worden. De definitie van risicodelingsinstrumenten moet kredietverbeteringen voor projectobligaties kunnen omvatten, ter dekking van het schuldendienstrisico van een project en ter beperking van het kredietrisico van obligatiehouders door middel van kredietverbeteringen in de vorm van een lening of garantie.

(145)

Alle terugbetalingen uit een financieringsinstrument of begrotingsgarantie moeten worden gebruikt voor het instrument of garantie waardoor de terugbetaling is gegenereerd, om dat instrument of die garantie efficiënter te maken, tenzij anders is bepaald in de basishandeling, en moeten in aanmerking worden genomen wanneer toekomstige kredieten voor date instrument of die garantie worden voorgesteld.

(146)

Het is passend om te erkennen dat bij het nastreven van de beleidsdoelstellingen van de Unie de belangen onderling op elkaar worden afgestemd en er met name op te wijzen dat de EIB en het EIF over specifieke deskundigheid voor de uitvoering van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties beschikken.

(147)

De EIB en het EIF, die als groep optreden, moeten de mogelijkheid hebben om een deel van de uitvoering aan elkaar over te dragen, indien die overdracht de uitvoering van een bepaalde actie ten goede komt en zoals nader is omschreven in de desbetreffende overeenkomst met de Commissie.

(148)

Er moet worden verduidelijkt dat wanneer financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties worden gecombineerd met aanvullende vormen van steun uit de begroting, de regels met betrekking tot financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties van toepassing zijn op de volledige maatregel. Dergelijke regels moeten in voorkomend geval worden aangevuld met specifieke vereisten die zijn bepaald in de sectorspecifieke regelgeving.

(149)

De uitvoering van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties die uit de begroting worden gefinancierd, moet sporen met het beleid van de Unie inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, en actualiseringen daarvan, als vervat in de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie en in conclusies van de Raad, met name de conclusies van de Raad van 8 november 2016 over de criteria en het proces voor de opstelling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden ten behoeve van belastingdoeleinden (15) en de bijlage daarbij, evenals de conclusies van de Raad van 5 december 2017 over de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (16) en de bijlagen daarbij.

(150)

Begrotingsgaranties en financiële bijstand aan lidstaten of derde landen zijn doorgaans niet-budgettaire verrichtingen met aanzienlijke gevolgen voor de balans van de Unie. Hoewel het doorgaans niet-budgettaire verrichtingen blijven, is het dienstig in deze verordening regels op te nemen die de financiële belangen van de Unie beschermen en een duidelijker kader scheppen voor het gebruik, het beheer en de boekhouding ervan.

(151)

De Unie heeft onlangs belangrijke initiatieven op basis van begrotingsgaranties genomen, zoals het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) of het Europees fonds voor duurzame ontwikkeling (EFDO). Die instrumenten brengen voor de Unie een voorwaardelijke verplichting mee, waardoor in middelen moet worden voorzien waarmee een liquiditeitsbuffer beschikbaar wordt gesteld, opdat met de begroting naar behoren kan worden gereageerd op betalingsverplichtingen die kunnen voortvloeien uit die voorwaardelijke verplichtingen. Met het oog op het behoud van de kredietbeoordeling van de Unie en dus haar vermogen om effectieve financiering te verstrekken, is het van essentieel belang dat het toestaan van, de voorziening in en het toezicht op voorwaardelijke verplichtingen gebeurt volgens een gedegen geheel aan regels die op alle begrotingsgaranties moeten worden toegepast.

(152)

De voorwaardelijke verplichtingen die voortvloeien uit de begrotingsgaranties kunnen betrekking hebben op uiteenlopende financierings- en investeringsverrichtingen. De mogelijkheid dat een beroep wordt gedaan op een begrotingsgarantie, kan niet met volledige zekerheid op jaarbasis worden gepland, zoals in het geval van leningen met een bepaald aflossingsschema. Daarom moet een kader voor het toestaan van en het toezicht op voorwaardelijke verplichtingen worden opgezet, opdat het maximum aan jaarlijkse betalingskredieten, dat in Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad (17) is vastgesteld, op ieder moment volledig in acht wordt genomen.

(153)

Dit kader moet ook voorzien in beheer en controle, inclusief regelmatige verslaglegging over het financiële risico waaraan de Unie wordt blootgesteld. Het voorzieningspercentage van financiële verplichtingen moet worden bepaald aan de hand van een degelijke beoordeling van de financiële risico’s die voortvloeien uit het desbetreffende instrument. De houdbaarheid van de voorwaardelijke verplichtingen moet jaarlijks worden beoordeeld in het kader van de begrotingsprocedure. Er moet een mechanisme voor vroegtijdige waarschuwing worden vastgesteld om een tekort aan voorzieningen ter dekking van de financiële verplichtingen te voorkomen.

(154)

Door het toenemende gebruik van financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand moet een aanzienlijk volume aan betalingskredieten worden vrijgemaakt en moeten daarvoor voorzieningen worden aangelegd. Om voor een hefboomeffect te zorgen en tegelijk een adequaat niveau van bescherming tegen financiële verplichtingen te waarborgen, is het belangrijk de vereiste hoeveelheid voorzieningen te optimaliseren en efficiëntiewinsten te realiseren door deze voorzieningen te bundelen in een gemeenschappelijk voorzieningsfonds. Bovendien maakt het flexibelere gebruik van de gebundelde voorzieningen een doeltreffend globaal voorzieningspercentage mogelijk dat met een optimale hoeveelheid middelen de gevraagde bescherming biedt.

(155)

Met het oog op het goed functioneren van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds voor de programmeringsperiode na 2020 moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2019 een onafhankelijke externe evaluatie indienen over de voor- en nadelen van het toevertrouwen van het financieel beheer van de activa van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan de Commissie, de EIB, of een combinatie van beide, rekening houdend met de relevante technische en institutionele criteria die worden gehanteerd bij het vergelijken van vermogensbeheersdiensten, met inbegrip van de technische infrastructuur, de vergelijking van de kosten voor de verleende diensten, de institutionele structuur, verslaglegging, prestaties, verantwoordingsplicht en deskundigheid van elke instelling en de overige mandaten voor het beheren van activa voor de begroting. Zo nodig moet de evaluatie vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.

(156)

De regels die van toepassing zijn op voorzieningen en op het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moeten een solide kader voor interne controle scheppen. De richtsnoeren die van toepassing zijn op het beheer van de middelen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moeten door de Commissie worden vastgesteld na raadpleging van de rekenplichtige van de Commissie. De ordonnateurs van de financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties of financiële bijstand moeten nauwlettend toezien op de financiële verplichtingen die onder hun bevoegdheid vallen en de financieel beheerder van de middelen van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds moet de geldmiddelen en de activa van het fonds beheren met inachtneming van de regels en procedures die zijn vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie.

(157)

Begrotingsgaranties en financiële bijstand moeten worden verstrekt volgens de voor financieringsinstrumenten vastgestelde beginselen. Met name begrotingsgaranties moeten onherroepelijk, onvoorwaardelijk en op verzoek zijn. Zij moeten worden uitgevoerd in indirect beheer of alleen in uitzonderlijke gevallen in direct beheer. Zij dienen enkel financierings- en investeringsverrichtingen te dekken en hun tegenpartijen moeten hun eigen middelen bijdragen aan de gedekte verrichtingen.

(158)

Financiële bijstand aan lidstaten of derde landen moet de vorm aannemen van een lening of een kredietlijn of een ander instrument dat passend worden geacht om de doeltreffendheid van de steun te garanderen. Met het oog daarop dient de Commissie in de betrokken basishandeling te worden gemachtigd om de nodige middelen op de kapitaalmarkten of bij financiële instellingen te lenen en daarbij te vermijden dat de Unie bij een looptijdtransformatie wordt betrokken waardoor zij aan renterisico’s of andere commerciële risico’s zou worden blootgesteld.

(159)

De bepalingen met betrekking tot financieringsinstrumenten moeten zo spoedig mogelijk van toepassing zijn, zodat de gewenste vereenvoudiging en doeltreffendheid worden verwezenlijkt. De bepalingen met betrekking tot de begrotingsgaranties en de financiële bijstand, alsmede tot het gemeenschappelijk voorzieningsfonds, moeten van toepassing zijn vanaf het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020. Door dat tijdschema kunnen de nieuwe instrumenten voor het beheer van voorwaardelijke verplichtingen grondig worden voorbereid. Hierdoor zullen de in titel X vastgestelde beginselen ook kunnen worden afgestemd op het voorstel voor het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 enerzijds, en de specifieke programma’s in verband met dat kader anderzijds.

(160)

Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 van het Europees Parlement en de Raad (18) legt de regels vast voor onder meer de financiering van politieke partijen en politieke stichtingen op Europees niveau, in het bijzonder wat betreft de voorwaarden voor financiering, de toekenning en de verdeling van de financiering, donaties en bijdragen, de financiering van campagnes voor verkiezingen voor het Europees Parlement, vergoedbare uitgaven, een verbod op bepaalde financiering, rekeningen, verslaglegging en audit, uitvoering en controle, sancties, samenwerking tussen de Autoriteit voor Europese politieke partijen en stichtingen, de ordonnateur van het Europees Parlement en de lidstaten, en transparantie.

(161)

Er moeten regels worden vastgesteld in deze Verordening betreffende de bijdragen uit de begroting aan Europese politieke partijen, zoals voorzien in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

(162)

De financiële steun aan Europese politieke partijen moet worden toegekend in de vorm van een specifieke bijdrage, zodat deze aan de specifieke behoeften van die partijen voldoet.

(163)

Hoewel financiële steun wordt toegekend zonder dat een jaarlijks werkprogramma is vereist, moeten Europese politieke partijen achteraf aantonen dat de financiering van de Unie goed is gebruikt. De bevoegde ordonnateur moet met name controleren of de financiering is gebruikt om binnen de in deze verordening vastgestelde termijnen vergoedbare uitgaven te betalen zoals vastgelegd in de oproep tot het indienen van verzoeken om bijdragen. Bijdragen voor Europese politieke partijen moeten worden gebruikt uiterlijk op het einde van het begrotingsjaar dat volgt op het begrotingsjaar van de toekenning ervan, waarna alle ongebruikte financiering door de bevoegde ordonnateur moet worden teruggevorderd.

(164)

Financiering van de Unie die is toegekend voor het financieren van de werkingskosten van de Europese politieke partijen mag niet voor andere dan de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 bepaalde doeleinden worden gebruikt, en met name niet voor het rechtstreeks of onrechtstreeks financieren van derden, zoals nationale politieke partijen. Europese politieke partijen moeten de bijdragen gebruiken voor het betalen van een percentage van huidige en toekomstige uitgaven, en niet voor uitgaven of schulden die vóór het indienen van hun verzoek om een bijdrage zijn gemaakt.

(165)

Ook de toekenning van bijdragen moet worden vereenvoudigd en aangepast aan de specifieke kenmerken van Europese politieke partijen, in het bijzonder door geen selectiecriteria toe te passen, door in de regel de bijdragen door middel van één enkele voorfinanciering volledig te betalen, en door de mogelijkheid tot het gebruik van vaste bedragen, financiering volgens een vast percentage en eenheidskosten.

(166)

De bijdragen uit de begroting van de Unie moeten worden opgeschort, verlaagd of ingetrokken indien Europese politieke partijen Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 niet naleven.

(167)

Sancties die worden opgelegd op basis van zowel deze Verordening als Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014, moeten op coherente wijze worden toegepast met inachtneming van het „ne bis in idem”-beginsel. Overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014 mogen in deze verordening bepaalde administratieve en/of financiële sancties niet worden opgelegd wanneer reeds sancties zijn opgelegd op basis van Verordening (EU, Euratom) nr. 1141/2014.

(168)

Deze verordening moet voorzien in een algemeen kader voor het gebruik van begrotingssteun als instrument op het gebied van extern optreden, met inbegrip van de verplichting voor het derde land om de Commissie tijdig passende informatie te verstrekken zodat zij de naleving van de overeengekomen voorwaarden en bepalingen ter bescherming van de financiële belangen van de Unie kan evalueren.

(169)

Om de rol van het Europees Parlement en van de Raad te versterken, moet de procedure voor het instellen van trustfondsen van de Unie worden verduidelijkt. Het is ook nodig de beginselen vast te stellen die van toepassing zijn op de bijdragen aan trustfondsen van de Unie, met name het belang van het verzekeren van bijdragen van andere donoren die het instellen ervan rechtvaardigen vanuit het oogpunt van meerwaarde. Tevens moeten de verantwoordelijkheden van de financiële actoren en van de raad van bestuur van het trustfonds van de Unie worden verduidelijkt en moeten regels worden vastgesteld om te garanderen dat de deelnemende donoren naar behoren vertegenwoordigd zijn in de raad van bestuur van het trustfonds van de Unie en dat over het gebruik van de middelen van het fonds de goedkeurende stem van de Commissie vereist is. Het is ook belangrijk de verslagleggingvereisten die voor trustfondsen van de Unie van toepassing zijn, nader te omschrijven.

(170)

Om de bestaande regels te stroomlijnen en onnodige herhaling te vermijden, moeten de in Deel Twee van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 vastgestelde bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het ELGF, op onderzoek, op extern optreden en op specifieke middelen van de Unie. enkel worden opgenomen in de betrokken delen van deze verordening, zolang de bepalingen nog worden gebruikt en relevant zijn.

(171)

De bepalingen met betrekking tot de presentatie van de rekeningen en de boekhouding moeten worden vereenvoudigd en verduidelijkt. Daarom is het aangewezen dat alle bepalingen betreffende de jaarrekening en andere financiële verslaglegging worden gebundeld.

(172)

De wijze waarop instellingen van de Unie momenteel aan het Europees Parlement en aan de Raad verslag uitbrengen over onroerendgoedprojecten, moet worden verbeterd. De instellingen van de Unie moet worden toegestaan nieuwe onroerendgoedprojecten te financieren met uit reeds verkochte gebouwen verkregen ontvangsten. Bijgevolg moet een verwijzing naar bepalingen inzake interne bestemmingsontvangsten in de bepalingen inzake onroerendgoedprojecten worden toegevoegd. Zo zou tegemoet kunnen worden gekomen aan de veranderende behoeften in het onroerendgoedbeleid van instellingen van de Unie en zou tezelfdertijd op de kosten worden bespaard en voor meer flexibiliteit worden gezorgd.

(173)

Ter aanpassing van de op bepaalde organen van de Unie van toepassing zijnde regels, van de gedetailleerde bepalingen inzake aanbestedingen en van de gedetailleerde voorwaarden en de minimale verhouding van het effectief voorzieningspercentage moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van de financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen en de financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen, wijzigingen in bijlage I bij deze verordening, de gedetailleerde voorwaarden en de methode voor de berekening van het effectief voorzieningspercentage en van de wijziging van de vastgelegde minimale verhouding van het effectief voorzieningspercentage, die evenwel niet onder 85 % mag worden vastgesteld. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(174)

Opdat het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI), dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad (19), snel in adequate middelen voorziet ter ondersteuning van veranderende politieke prioriteiten, moeten de indicatieve aandelen voor elk van de drie assen alsmede de minimumpercentages voor elk van de thematische prioriteiten binnen elke as een grotere flexibiliteit mogelijk maken, waarbij de ambities op het gebied van de ontwikkeling van grensoverschrijdende EURES-partnerschappen hoog blijven. Dit moet het EaSI-beheer verbeteren en ervoor zorgen dat de begrotingsmiddelen kunnen worden toegespitst op acties die op sociaal vlak en op het vlak van werkgelegenheid tot betere resultaten leiden.

(175)

Om investeringen in culturele en duurzame toerisme-infrastructuur te bevorderen, en dit onverminderd de toepassing van rechtshandelingen van de Unie op milieugebied en met name, indien van toepassing, de Richtlijnen 2001/42/EG (20) en 2011/92/EU (21) van het Europees Parlement en de Raad, moeten bepaalde beperkingen met betrekking tot het toepassingsgebied van de ondersteuning uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1301/2013 van het Europees Parlement en de Raad (22) van deze investeringen worden verduidelijkt. Derhalve moet worden voorzien in duidelijke beperkingen wat betreft het limiteren van de omvang van de bijdrage uit het EFRO aan dergelijke investeringen vanaf 2 augustus 2018.

(176)

Om het hoofd te bieden aan de uitdagingen als gevolg van de groeiende instroom van migranten en vluchtelingen, moeten de doelstellingen waaraan het EFRO door middel van ondersteuning van migranten en vluchtelingen kan bijdragen, worden gepreciseerd, opdat de lidstaten investeringen kunnen doen die gericht zijn op legaal verblijvende onderdanen van derde landen, met inbegrip van asielzoekers en personen die internationale bescherming genieten.

(177)

Om de uitvoering van concrete acties in het kader van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (23) te vergemakkelijken, moet het aantal potentiële begunstigden worden uitgebreid. Daarom moet het managementautoriteiten worden toegestaan natuurlijke personen als begunstigde in aanmerking te nemen en dient in het kader van staatssteun een flexibelere definitie van begunstigde te worden bepaald.

(178)

In de praktijk worden macroregionale strategieën overeengekomen op het moment van aanneming van conclusies van de Raad. Zoals het geval is sinds de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1303/2013, kan de Europese Raad zo nodig dergelijke conclusies bekrachtigen, met inachtneming van de bevoegdheden die die instelling toekomen krachtens artikel 15 VEU. De definitie van „macroregionale strategieën” vermeld in die verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(179)

Ter waarborging van een gezond financieel beheer van het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds, het Elfpo en het EFMZV („de Europese structuur- en investeringsfondsen” — „ESI-fondsen”) en ter verduidelijking van de verplichtingen van de lidstaten, moeten de algemene beginselen bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 verwijzen naar de in deze verordening vastgestelde beginselen met betrekking tot interne controle op de begrotingsuitvoering en van vermijding van belangenconflicten.

(180)

Om zo veel mogelijk synergieën te creëren tussen alle fondsen van de Unie zodat de uitdagingen op het gebied van migratie en asiel op een doeltreffende manier kunnen worden aangepakt, moet ervoor worden gezorgd dat wanneer de thematische doelstellingen worden omgezet in prioriteiten in de fondsspecifieke voorschriften, deze prioriteiten het passend gebruik van elk ESI-fonds op die gebieden omvatten. In voorkomend geval moet worden gezorgd voor coördinatie met het Fonds voor asiel, migratie en integratie.

(181)

Opdat de programmeringsregelingen samenhangend zijn, moeten de partnerschapsovereenkomsten eenmaal per jaar worden afgestemd op de in het voorgaande kalenderjaar door de Commissie goedgekeurde wijzigingen in de programma’s.

(182)

Om de opstelling en uitvoering van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling te vergemakkelijken, moet worden toegestaan dat de voorbereidende, gebruiks- en dynamiseringskosten worden gedekt door het hoofdfonds.

(183)

Om de uitvoering van vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling en geïntegreerde territoriale investeringen te vergemakkelijken, moeten de taken en verantwoordelijkheden van lokale actiegroepen (in het geval van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling) en plaatselijke autoriteiten, organen voor regionale ontwikkeling of niet-gouvernementele organisaties wat betreft geïntegreerde territoriale investeringen in verhouding tot andere programma-instanties worden verduidelijkt. De aanwijzing als een intermediaire instantie conform de fonds-specifieke voorschriften mag alleen verlangd worden indien de betrokken instanties aanvullende taken uitvoeren die onder de verantwoordelijkheid van de management- of certificeringsautoriteit of het betaalorgaan vallen.

(184)

De managementautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een overeenkomst aan de EIB en aan internationale financiële instellingen.

(185)

Veel lidstaten hebben banken of instellingen in overheidshanden opgericht die op grond van een overheidsmandaat economische ontwikkelingsactiviteiten bevorderen. Dergelijke banken of instellingen in overheidshanden onderscheiden zich van particuliere commerciële banken door hun specifieke kenmerken met betrekking tot hun eigenaarschap, hun ontwikkelingsmandaat en het feit dat zij niet in de eerste plaats handelen met het oogmerk van winstmaximalisatie. Het is in de eerste plaats de rol van dergelijke banken of instellingen in overheidshanden om marktfalen tegen te gaan wanneer commerciële banken in bepaalde regio’s of in sommige beleidsgebieden of sectoren onvoldoende financiële diensten verlenen. Die banken of instellingen in overheidshanden zijn geschikt om de toegang tot de ESI-fondsen te bevorderen en tegelijkertijd de mededingingsneutraliteit te bewaren. Dankzij hun specifieke rol en kenmerken kunnen ze door de lidstaten worden gebruikt om het gebruik van financieringsinstrumenten te vergroten, zodat de impact van de ESI-fondsen op de reële economie wordt gemaximaliseerd. Een dergelijke uitkomst zou in overeenstemming zijn met het beleid van de Commissie waarbij de rol van deze banken of instellingen in overheidshanden als fondsbeheerders wordt bevorderd, zowel bij de uitvoering van de ESI-fondsen als wanneer de ESI-fondsen worden gecombineerd met EFSI-financiering, zoals met name is vastgesteld in het investeringsplan voor Europa. Onverminderd reeds gegunde overeenkomsten voor de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig de toepasselijke wetgeving, is het gerechtvaardigd te verduidelijken dat de managementautoriteiten overeenkomsten onderhands aan dergelijke banken of instellingen in overheidshanden kunnen gunnen. Opdat de mogelijkheid van onderhandse gunning niettemin strookt met de beginselen van de interne markt, moeten strikte, door de banken of instellingen in overheidshanden na te leven voorwaarden worden gesteld.

Dergelijke voorwaarden houden in dat er geen directe participatie van privékapitaal mag zijn, met uitzondering van geen controle of blokkerende macht opleverende vormen van participatie van privékapitaal overeenkomstig de vereisten van Richtlijn 2014/24/EU. Voorts moet het een bank of instelling in overheidshanden binnen het strikte kader van het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr.1303/2013 tevens worden toegestaan om financieringsinstrumenten uit te voeren indien de participatie van privékapitaal geen invloed heeft op besluiten inzake het dagelijks beheer van het door de ESI-fondsen ondersteund financieringsinstrument.

(186)

Ter handhaving van de mogelijkheid voor het EFRO en het Elfpo om bij te dragen aan gezamenlijke financieringsinstrumenten voor onbeperkte garanties en securitisatie ten behoeve van kmo’s, moet worden bepaald dat lidstaten het EFRO en het Elfpo kunnen gebruiken om gedurende de hele programmeringsperiode aan dergelijke instrumenten bij te dragen en moeten relevante bepalingen met betrekking tot deze optie, zoals die inzake beoordelingen en evaluaties vooraf, worden geactualiseerd en moet er met betrekking tot het EFRO worden voorzien in de mogelijkheid van programmering op het niveau van de prioriteitsas.

(187)

De vaststelling van Verordening (EU) 2015/1017 van het Europees Parlement en de Raad (24) beoogde de lidstaten in staat te stellen door middel van de ESI-fondsen bij te dragen aan de financiering van subsidiabele projecten die uit hoofde van het EFSI worden ondersteund. Er moet een specifieke bepaling in Verordening (EU) nr.1303/2013 worden opgenomen waarin de voorwaarden ter verbetering van de interactie en complementariteit worden vastgesteld die de mogelijkheid om de ESI-fondsen te combineren met financiële producten van de EIB in het kader van de EU-garantie van het EFSI zullen bevorderen.

(188)

Bij hun concrete acties moeten de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren sporen met het beleid van de Unie inzake niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden, en actualiseringen daarvan, als vervat in de desbetreffende rechtshandelingen van de Unie en in de conclusies van de Raad, met name de conclusies van de Raad van 8 november 2016 en de bijlage daarbij, alsmede de conclusies van de Raad van 5 december 2017 en de bijlagen daarbij.

(189)

Om de controle- en auditvoorschriften te vereenvoudigen en te harmoniseren en de verantwoordingsplicht van de door de EIB en andere internationale financiële instellingen uitgevoerde financieringsinstrumenten te verbeteren, is het noodzakelijk de bepalingen inzake beheer en controle voor financieringsinstrumenten te wijzigen om het proces voor het verkrijgen van zekerheid te vergemakkelijken. Die wijziging dient niet te gelden voor financieringsinstrumenten als bedoeld in artikel 38, lid 1, onder a), en artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 die zijn ingesteld krachtens een financieringsovereenkomst die is ondertekend vóór 2 augustus 2018. Voor dergelijke financieringsinstrumenten moet artikel 40 van die verordening, die op het moment van ondertekening van die financieringsovereenkomst van kracht is, blijven gelden.

(190)

Opdat de voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1303/2013 met betrekking tot de modellen voor de controleverslagen en de jaarlijkse auditverslagen als bedoeld in artikel 40, lid 1 van die verordening eenvormig zijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (25).

(191)

Om te zorgen voor consistentie met de behandeling van financiële correcties tijdens de programmeringsperiode 2007-2013, moet worden verduidelijkt dat in het geval van financieringsinstrumenten het mogelijk moet zijn om toe te staan dat een bijdrage die als gevolg van een individuele onregelmatigheid is geannuleerd wordt hergebruikt voor regelmatige uitgaven binnen dezelfde concrete actie, zodat de desbetreffende financiële correctie geen nettoverlies tot gevolg heeft voor de concrete actie van het financieringsinstrument.

(192)

Teneinde meer tijd te verschaffen voor de ondertekening van financieringsovereenkomsten op grond waarvan escrowrekeningen mogen worden gebruikt voor betalingen na het einde van de subsidiabiliteitsperiode voor betalingen voor investeringen in eindontvangers, moet de uiterste termijn voor de ondertekening van zulke financieringsovereenkomsten worden verlengd tot en met 31 december 2018.

(193)

Om investeerders die werken vanuit het markteconomiebeginsel te stimuleren om mee te investeren in openbarebeleidsprojecten, moet het concept van gedifferentieerde behandeling van investeerders worden geïntroduceerd, waarbij de ESI-fondsen onder specifieke voorwaarden een ondergeschikte rol kunnen vervullen ten opzichte van investeerders die werken vanuit het markteconomiebeginsel en financiële producten van de EIB in het kader van de EU-garantie van het EFSI. Tegelijkertijd moeten de voorwaarden voor de toepassing van een dergelijke gedifferentieerde behandeling bij de uitvoering van de ESI-fondsen worden vastgesteld.

(194)

Gezien de aanhoudend lage rentevoeten en om de met de uitvoering van de financieringsinstrumenten belaste instanties niet onnodig te benadelen, moet worden toegestaan, op voorwaarde dat de kasmiddelen actief worden beheerd, dat de negatieve rente als gevolg van investeringen van de ESI-fondsen uit hoofde van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt gefinancierd met middelen die aan het financieringsinstrument worden teruggestort.

(195)

Om de verslagleggingsvoorschriften af te stemmen op nieuwe bepalingen betreffende de gedifferentieerde behandeling van investeerders en om overlapping van bepaalde vereisten te voorkomen, moet artikel 46, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 worden gewijzigd.

(196)

Om de uitvoering van de ESI-fondsen te vergemakkelijken, is het nodig de lidstaten de mogelijkheid te bieden technische bijstandsacties uit te voeren door middel van onderhandse gunning aan de EIB, andere internationale financiële instellingen en banken of instellingen in overheidshanden.

(197)

Met het oog op de verdere harmonisering van de voorwaarden voor concrete acties die na hun voltooiing netto-inkomsten genereren, moeten de desbetreffende bepalingen van deze verordening van toepassing zijn op reeds geselecteerde maar nog lopende concrete acties en op concrete acties die nog in het kader van die programmeringsperiode moeten worden geselecteerd.

(198)

Om de uitvoering van energie-efficiëntiemaatregelen te stimuleren, mogen kostenbesparingen die voortkomen uit de verbeterde energie-efficiëntie van een concrete actie niet met netto-inkomsten worden gelijkgesteld.

(199)

Om de uitvoering van inkomstengenererende concrete acties te vergemakkelijken, moet worden toegestaan dat het medefinancieringspercentage op welk tijdstip dan ook tijdens de uitvoering van het programma kan worden verlaagd, en moet er in mogelijkheden worden voorzien voor de vaststelling van vaste netto-inkomstenpercentages op nationaal niveau.

(200)

Als gevolg van de late vaststelling van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (26) en het feit dat bij die verordening de niveaus van steunintensiteit zijn vastgesteld, moet worden voorzien in een aantal vrijstellingen in Verordening (EU) nr 1303/2013 voor het EFMZV met betrekking tot inkomstengenererende concrete acties. Aangezien die vrijstellingen van de bepalingen van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad gunstigere voorwaarden scheppen voor bepaalde inkomstengenererende acties waarvoor steunbedragen of steunpercentages zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 508/2014, moet voor die vrijstellingen een andere toepassingsdatum worden vastgesteld, om de gelijke behandeling te waarborgen van concrete acties waarvoor steun wordt verleend op grond van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

(201)

Teneinde de administratieve lasten voor de begunstigden te verminderen, moet de drempel worden verhoogd waaronder bepaalde concrete acties zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de uitvoering gegenereerde inkomsten te berekenen en in acht te nemen.

(202)

Om synergieën tussen de ESI-fondsen en andere instrumenten van de Unie te bevorderen, moeten gedane uitgaven op basis van een vooraf overeengekomen percentage kunnen worden vergoed uit verschillende ESI-fondsen en instrumenten van de Unie.

(203)

Ter bevordering van het gebruik van vaste bedragen en gezien het feit dat vaste bedragen moeten worden gebaseerd op een eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode ter waarborging van gezond financieel beheer, moet de toepasselijke bovengrens voor het gebruik van vaste bedragen worden geschrapt.

(204)

Om de administratieve lasten bij de uitvoering van projecten door begunstigden te verminderen, moeten nieuwe vereenvoudigde kostenopties worden geïntroduceerd voor financiering op basis van andere voorwaarden dan de kosten van de concrete acties.

(205)

Teneinde de regels voor het gebruik van fondsen te vereenvoudigen en de administratieve lasten te verminderen, moeten de lidstaten in toenemende mate gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties.

(206)

Rekening houdend met het feit dat, in overeenstemming met artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, de verplichting om de duurzaamheid van concrete investeringsacties te garanderen van toepassing is vanaf de laatste betaling aan de begunstigde, en dat, wanneer de investering bestaat uit de huurkoop van nieuwe machines en uitrusting, de laatste betaling aan het einde van de contractperiode gebeurt, moet die verplichting niet voor dat soort investeringen gelden.

(207)

Opdat vereenvoudigde kostenopties in ruime mate worden toegepast, moet voor het EFRO en het ESF het gebruik van standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages worden verplicht voor concrete acties of projecten die deel uitmaken van een concrete actie die steun ontvangt van het EFRO en het ESF onder een bepaalde drempel, onverminderd de relevante overgangsbepalingen. De managementautoriteit of het toezichtscomité voor de programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” moeten de mogelijkheid krijgen om deze overgangsperiode te verlengen met een duur die zij passend achten, indien zij van oordeel zijn dat dergelijke verplichting een onevenredig grote administratieve last meebrengt. Dergelijke verplichting moet niet gelden voor concrete acties die steun ontvangen in het kader van staatssteun die geen de-minimissteun vormt. Voor dergelijke concrete acties moeten alle vormen van subsidie en terugvorderbare bijstand optioneel blijven. Tezelfdertijd moet voor alle ESI-fondsen het gebruik van ontwerpbegrotingen worden ingevoerd als aanvullende methode voor het vaststellen van vereenvoudigde kosten.

(208)

Teneinde te bevorderen dat vereenvoudigde kostenopties vroeger en gerichter worden toegepast, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor wat betreft het aanvullen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 met bijkomende specifieke voorschriften inzake de rol, de aansprakelijkheid en de verantwoordelijkheid van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, de bijbehorende selectiecriteria en de producten die via financieringsinstrumenten kunnen worden geleverd, het aanvullen van de bepalingen van Verordening (EU) nr.1303/2013 inzake de standaardschalen van eenheidskosten of financiering volgens een vast percentage, de eerlijke, billijke en verifieerbare berekeningsmethode waarmee deze kunnen worden vastgesteld, en het vaststellen van specifieke bijzonderheden voor de financiering op basis van de naleving van voorwaarden die in verband staan met de geboekte vooruitgang bij de uitvoering en de verwezenlijking van de doelstellingen van de programma’s, in plaats van op basis van de kosten en de toepassing daarvan. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(209)

Om de administratieve lasten te beperken, moet er meer gebruik worden gemaakt van vaste percentages die geen door de lidstaten vast te stellen methodologie vereisen. Bijgevolg moeten twee extra vaste percentages worden ingevoerd: één voor de berekening van directe personeelskosten en één voor de berekening van de resterende subsidiabele kosten op basis van personeelskosten. Daarnaast moeten de methoden voor de berekening van de personeelskosten verder worden verduidelijkt.

(210)

Om de doeltreffendheid en de impact van concrete acties te verhogen, moet het uitvoeren van acties die betrekking hebben op het hele grondgebied van een lidstaat of acties met betrekking tot verschillende programma’s worden vergemakkelijkt en moeten voor bepaalde investeringen meer mogelijkheden voor uitgaven buiten de Unie worden gecreëerd.

(211)

Om de lidstaten aan te moedigen om bij grote projecten gebruik te maken van beoordelingsverslagen door onafhankelijke deskundigen, moet worden toegestaan dat de uitgavendeclaratie met betrekking tot het grote project voorafgaand aan de positieve beoordeling door de onafhankelijke deskundige bij de Commissie mag worden ingediend, nadat de Commissie ervan in kennis is gesteld dat de relevante informatie aan de onafhankelijke deskundige is bezorgd.

(212)

Ter bevordering van het gebruik van gemeenschappelijke actieplannen die de administratieve lasten voor de begunstigden verminderen, moeten de wettelijke vereisten voor het opzetten van een gezamenlijk actieplan worden beperkt, met voortdurende aandacht voor horizontale beginselen zoals gendergelijkheid en duurzame ontwikkeling, die in belangrijke mate hebben bijgedragen tot de doeltreffende uitvoering van de ESI-fondsen.

(213)

Om onnodige administratieve lasten voor begunstigden te vermijden, moeten de regels inzake informatie, communicatie en zichtbaarheid in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel. Bijgevolg is het belangrijk duidelijkheid te verschaffen over het toepassingsgebied van die regels.

(214)

Om de administratieve lasten te beperken en te zorgen dat effectief wordt gebruikgemaakt van technische bijstand in het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds en in verschillende regiocategorieën, moet er meer flexibiliteit komen met betrekking tot de berekening en controle van de respectieve maxima voor de technische bijstand die de lidstaten ontvangen.

(215)

Om de uitvoeringsstructuren te stroomlijnen, moet worden verduidelijkt dat het ook voor programma’s in het kader van de doelstelling „Europese territoriale samenwerking” mogelijk is dat de managementautoriteit, de certificeringsautoriteit en de auditautoriteit deel uitmaken van dezelfde overheidsinstantie.

(216)

De verantwoordelijkheden van de managementautoriteiten met betrekking tot de verificatie van de uitgaven ingeval vereenvoudigde kostenopties worden gebruikt, moeten nader worden gespecificeerd.

(217)

Opdat de begunstigden ten volle kunnen profiteren van de potentiële vereenvoudiging dankzij e-governanceoplossingen bij de uitvoering van de ESI-fondsen en het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), en met name om volledig elektronisch documentenbeheer te vergemakkelijken, moet worden verduidelijkt dat een papieren spoor niet noodzakelijk is indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

(218)

Om controles evenrediger te maken en de administratieve lasten als gevolg van dubbele controles te verminderen, met name voor kleine begunstigden, moet, zonder het beginsel van goed financieel beheer te ondermijnen, voor het EFRO, het ESF, het Cohesiefonds en het EFMZV het beginsel van één enkele audit overheersen en moeten de drempels waaronder concrete acties aan slechts één audit worden onderworpen, worden verdubbeld.

(219)

Het is belangrijk de zichtbaarheid van de ESI-fondsen te verhogen en de resultaten en prestaties ervan meer onder de aandacht van het publiek te brengen. Informatie- en communicatieactiviteiten en maatregelen ter verhoging van de zichtbaarheid voor het publiek blijven essentieel om bekendheid te geven aan de verwezenlijkingen van de ESI-fondsen en aan te tonen hoe de financiële middelen van de Unie worden geïnvesteerd.

(220)

Om de toegang tot het ESF voor bepaalde doelgroepen te vergemakkelijken, hoeven voor bepaalde indicatoren zoals bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1304/2013 van het Europees Parlement en de Raad (27) geen gegevens te worden verzameld.

(221)

Met het oog op de gelijke behandeling van de concrete acties die op grond van deze verordening worden ondersteund, moet de datum van toepassing van bepaalde wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 worden vastgesteld.

(222)

Om ervoor te zorgen dat een samenhangend geheel van regels van toepassing is op de volledige programmeringsperiode van Verordeningen (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013 en Verordening (EU) nr. 223/2014 van het Europees Parlement en de Raad (28) moeten sommige wijzigingen van die verordeningen vanaf 1 januari 2014 gelden. Door ervoor te zorgen dat die wijzigingen terugwerkende kracht hebben, wordt rekening gehouden met gewettigde verwachtingen.

(223)

Om vaart te zetten achter de uitvoering van financieringsinstrumenten die steun uit de ESI-fondsen combineren met financiële producten van de EIB uit hoofde van de EU-garantie voor het EFSI, en te voorzien in een permanente rechtsgrondslag voor de ondertekening van financieringsovereenkomsten op grond waarvan escrowrekeningen voor op eigen vermogen gebaseerde instrumenten mogen worden gebruikt, moeten sommige wijzigingen van deze verordening vanaf 1 januari 2018 van toepassing zijn. Door ervoor te zorgen dat die wijzigingen terugwerkende kracht hebben, wordt de financiering van projecten door middel van gecombineerde steun uit de ESI-fondsen en het EFSI verder gefaciliteerd en wordt een rechtsvacuüm tussen de einddatum van sommige bepalingen van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en de datum van inwerkingtreding van de verlenging ervan op grond van de onderhavige verordening voorkomen.

(224)

De vereenvoudigingen en veranderingen van sectorspecifieke regelgeving moeten zo spoedig mogelijk ingaan om tijdens de huidige programmeringsperiode een versnelde invoering mogelijk te maken, en moeten derhalve gelden met ingang van 2 augustus 2018.

(225)

Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) moet na 31 december 2017 tijdelijk steun blijven verlenen aan jongeren die geen werk hebben en ook geen onderwijs of opleiding volgen (not in employment, education or training — NEET’s) en die wonen in regio’s die relatief zwaar worden getroffen door massale gedwongen ontslagen. Om bijstand aan NEET’s verder mogelijk te maken, moet de wijziging in Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad (29) die het voortzetten van die bijstand waarborgt, ingaan vanaf 1 januari 2018.

(226)

Het moet mogelijk zijn in het kader van Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad (30) blendingfaciliteiten voor één of meer sectoren van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) in te stellen. Via dergelijke blendingfaciliteiten kunnen middelen worden uitgetrokken voor blendingverrichtingen; dit zijn acties die niet-terugvorderbare vormen van steun, zoals middelen uit de begroting van de lidstaten, subsidies van de CEF, de ESI-fondsen, en financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie, zoals combinaties van de financieringsinstrumenten van de CEF (het eigenvermogensinstrument en het schuldinstrument, en combineren met financiering door de EIB-groep van nationale stimuleringsbanken, van ontwikkelings- of andere financiële instellingen, door investeerders en particuliere financiële steun. Financiering door de EIB-groep moet EIB-financiering in het kader van het EFSI omvatten en particuliere financiële steun dient zowel directe als indirecte financiële bijdragen alsmede via publiek-private partnerschappen ontvangen steun te omvatten.

(227)

Het concept en de invoering van blendingfaciliteiten moeten gebaseerd zijn op een beoordeling vooraf overeenkomstig deze verordening en moeten de resultaten weerspiegelen van de lessen die zijn getrokken uit de uitvoering van de „blendingoproep” van de CEF in het uitvoeringsbesluit van de Commissie van 20 januari 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit C(2014) 1921 van de Commissie tot vaststelling van meerjarenwerkprogramma 2014-2020 voor financiële bijstand op het gebied van de Connecting Europe Facility (CEF) — Sector vervoer. CEF-blendingfaciliteiten moeten worden vastgesteld in de meerjaren- en/of jaarlijkse werkprogramma’s, en moeten worden aangenomen overeenkomstig de artikelen 17 en 25 van Verordening (EU) nr. 1316/2013. De Commissie moet zorgen voor transparante en tijdige verslaglegging bij het Europees Parlement en bij de Raad over de uitvoering van elke CEF-blendingfaciliteit.

(228)

Met de CEF-blendingfaciliteiten dient te worden beoogd één aanvraag te faciliteren en te stroomlijnen voor alle vormen van steun, inclusief subsidies van de Unie uit de CEF en financiering door de particuliere sector. Dergelijke blendingfaciliteiten moeten erop gericht zijn het aanvraagproces voor projectontwikkelaars te optimaliseren, door te zorgen voor één evaluatieproces uit technisch en uit financieel oogpunt.

(229)

De CEF-blendingfaciliteiten moeten zorgen voor meer flexibiliteit bij het indienen van projecten, en het proces van projectidentificatie en -financiering vereenvoudigen en stroomlijnen. Zij moeten tevens de betrokkenheid en het engagement van de deelnemende financiële instellingen vergroten en daardoor de aan de projecten verbonden risico’s beperken.

(230)

De CEF-blendingfaciliteiten moeten leiden tot een betere coördinatie, uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de lidstaten, de Commissie, de EIB, de nationale stimuleringsbanken en particuliere investeerders, teneinde een gezonde stroom aan projecten ter verwezenlijking van de CEF-beleidsdoelstellingen te genereren en te ondersteunen.

(231)

CEF-blendingfaciliteiten moeten erop gericht zijn het multiplicatoreffect van de uitgaven van de Unie te versterken door bijkomende middelen van particuliere investeerders aan te trekken en zo te zorgen voor een maximale betrokkenheid van particuliere investeerders. Daarnaast moeten zij ervoor zorgen dat de ondersteunde acties economisch en financieel levensvatbaar worden en een gebrek aan hefboomwerking van de investeringen helpen voorkomen. Zij moeten bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie wat betreft het halen van de tijdens de klimaatconferentie van Parijs (CoP 21) bepaalde streefcijfers, het scheppen van werkgelegenheid en grensoverschrijdende connectiviteit. Het is belangrijk dat wanneer de CEF en het EFSI beide voor de financiering van acties worden gebruikt, de Rekenkamer nagaat of een goed financieel beheer is gevoerd overeenkomstig artikel 287 VWEU en artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1316/2013.

(232)

Naar verwachting zullen in de sector vervoer subsidies in de meeste gevallen het voornaamste middel blijven voor het ondersteunen van de beleidsdoelstellingen van de Unie. Het gebruik van CEF-blendingfaciliteiten zou daarom niet tot beperktere beschikbaarheid van dergelijke subsidies moeten leiden.

(233)

De deelname van particuliere mede-investeerders in vervoersprojecten kan worden gefaciliteerd door het financiële risico te beperken. Garanties voor eerste verliezen die door de EIB worden verstrekt in het kader van de door de begroting ondersteunde gezamenlijke financiële mechanismen, zoals blendingfaciliteiten, kunnen daartoe dienstig zijn.

(234)

Financiering uit de CEF moet, ongeacht de vorm van financiering, worden toegekend op basis van de selectie- en gunningscriteria die overeenkomstig artikel 17, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1316/2013 in de meerjarige en de jaarlijkse werkprogramma’s zijn vastgesteld, of op basis van een combinatie daarvan.

(235)

Bij de beoordelingen van Verordening (EU) nr. 1316/2013 moet rekening worden gehouden met de ervaring die is opgedaan met blendingfaciliteiten.

(236)

Het moet duidelijk zijn dat met de invoering van CEF-blendingfaciliteiten door deze verordening op geen enkele manier vooruit wordt gelopen op de uitkomst van de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020.

(237)

Rekening houdend met het zeer hoge uitvoeringspercentage van de CEF in de vervoerssector en ter ondersteuning van de uitvoering van projecten met de grootste meerwaarde voor het trans-Europese vervoersnetwerk in verband met de kernnetwerkcorridors, grensoverschrijdende projecten, projecten in verband met de andere delen van het kernnetwerk en projecten die voor steun in aanmerking komen in het kader van de horizontale prioriteiten als vervat in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1316/2013, moet bij het gebruik van het meerjarenwerkprogramma bij wijze van uitzondering extra flexibiliteit worden toegestaan zodat het bedrag van de financiële middelen tot 95 % van de in Verordening (EU) nr. 1316/2013 bedoelde begrotingsmiddelen kan worden bereikt. Het is echter van belang dat tijdens de resterende periode van uitvoering van de CEF verdere steun wordt verleend aan de prioriteiten waarin de jaarlijkse werkprogramma’s voorzien.

(238)

Als gevolg van de afwijkende aard van de CEF-telecommunicatiesector in vergelijking met de CEF-sectoren vervoer en energie, namelijk de geringere gemiddelde hoogte van de subsidies en verschillen in het soort kosten en soort projecten moet een onnodige belasting voor de begunstigden en de lidstaten die aan acties op deze gebieden deelnemen, worden vermeden door een minder omslachtige certificeringsplicht, zonder afbreuk te doen aan het beginsel van goed financieel beheer.

(239)

Op grond van Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad (31) mogen acties op het gebied van digitale-diensteninfrastructuren momenteel, in, alleen gebruikmaken van subsidies en aanbestedingen Opdat de digitale-diensteninfrastructuren zo efficiënt mogelijk functioneren, moeten dergelijke acties ook kunnen worden ondersteund met andere financieringsinstrumenten die momenteel worden gebruikt in het kader van de CEF, met inbegrip van innovatieve financieringsinstrumenten.

(240)

Om beheerautoriteiten niet onnodig administratief te belasten en te vermijden dat de efficiënte uitvoering van het FEAD in het gedrang zou komen, moet de procedure om niet-essentiële elementen van operationele programma’s te wijzigen, worden vereenvoudigd en vergemakkelijkt.

(241)

Om het gebruik van het FEAD verder te vereenvoudigen, is het passend dat aanvullende bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de subsidiabiliteit van uitgaven, met name inzake het gebruik van standaardschalen van eenheidskosten, vaste bedragen en vaste percentages.

(242)

Om te voorkomen dat partnerorganisaties onbillijk worden behandeld, mogen onregelmatigheden die alleen kunnen worden toegerekend aan het orgaan dat belast is met het verwerven van de bijstand, geen invloed hebben op de subsidiabiliteit van de uitgaven van de partnerorganisaties.

(243)

Teneinde de uitvoering van de ESI-fondsen en het FEAD te vereenvoudigen en rechtsonzekerheid te voorkomen, moeten bepaalde verantwoordelijkheden van de lidstaten inzake beheer en controle worden verduidelijkt.

(244)

Aangezien de toepasselijke financiële regels binnen één begrotingsjaar op samenhangende wijze moeten worden toegepast, is het in beginsel wenselijk dat Deel Een van deze Verordening (het Financieel Reglement) ingaan aan het begin van een begrotingsjaar. Opdat evenwel de ontvangers van middelen van de Unie zo spoedig mogelijk profiteren van de belangrijke vereenvoudiging waarin deze verordening voorziet, wat betreft zowel het Financieel Reglement als de wijzigingen aan sectorspecifieke regelgeving, is het passend bij uitzondering te bepalen dat deze verordening vanaf de inwerkingtreding ervan van toepassing wordt. Tegelijkertijd dienen de instellingen van de Unie, teneinde meer tijd te bieden voor de aanpassing aan de nieuwe regels, Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 te blijven toepassen tot het einde van begrotingsjaar 2018 wat betreft de besteding van hun respectieve administratieve kredieten.

(245)

Bepaalde wijzigingen in verband met financieringsinstrumenten, begrotingsgaranties en financiële bijstand dienen pas in te gaan vanaf de datum van toepassing van het meerjarig financieel kader na 2020, zodat voldoende tijd overblijft om de toepasselijke rechtsgronden en programma’s af te stemmen op de nieuwe regels.

(246)

De informatie over het jaarlijkse gemiddelde van het aantal voltijdsequivalenten en over het geraamde bedrag van bestemmingsontvangsten die worden overgedragen van voorgaande jaren, moet voor het eerst worden verstrekt bij de in 2021 in te dienen ontwerpbegroting, zodat de Commissie over voldoende tijd beschikt om zich aan de nieuwe verplichting aan te passen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL ÉÉN

FINANCIEEL REGLEMENT

TITEL I

ONDERWERP, DEFINITIES EN ALGEMENE BEGINSELEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening regelt de opstelling en uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie en van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie („de begroting”) en de indiening en controle van hun rekeningen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „aanvrager”: een natuurlijke persoon of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid die een aanvraag heeft ingediend in een procedure voor toekenning van subsidies of in een wedstrijd voor prijzen;

2.   „aanvraagdocument”: een inschrijving, een verzoek tot deelname, een subsidieaanvraag of een aanvraag in een wedstrijd voor prijzen;

3.   „toekenningsprocedure”: een aanbestedingsprocedure, een procedure voor toekenning van subsidies, een wedstrijd voor prijzen, of een procedure voor het selecteren van deskundigen of personen of entiteiten die de begroting uitvoeren overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

4.   „basishandeling”: een rechtshandeling, met uitzondering van een aanbeveling of een advies, die een rechtsgrondslag geeft voor een actie en voor de uitvoering van de desbetreffende in de begroting opgenomen uitgave of van de door de begroting gedekte begrotingsgarantie of financiële bijstand, en die een van de volgende vormen kan aannemen:

a)

ter uitvoering van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (het Euratomverdrag) een verordening, een richtlijn of een besluit in de zin van artikel 288 VWEU, of

b)

ter uitvoering van titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) een van de in artikel 28, lid 1, artikel 31, lid 2, artikel 33, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2, VEU genoemde vormen;

5.   „begunstigde”: een natuurlijke persoon met wie of een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid waarmee een subsidieovereenkomst is getekend;

6.   „blendingfaciliteit of -platform”: een kader voor samenwerking dat tussen de Commissie en instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen is opgezet met de bedoeling niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de begroting en niet-terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders te combineren;

7.   „uitvoering van de begroting”: de uitoefening van activiteiten inzake beheer, monitoring, controles en audits van begrotingskredieten volgens de in artikel 62 bepaalde methoden;

8.   „vastlegging in de begroting”: de verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur in de begroting de begrotingskredieten vastlegt die nodig zijn voor de latere betalingen ter uitvoering van juridische verbintenissen;

9.   „begrotingsgarantie”: een juridische verbintenis van de Unie om een actieprogramma te ondersteunen door in de begroting een financiële verplichting op te nemen waarop een beroep kan worden gedaan ingeval zich tijdens de uitvoering van het programma een specifieke gebeurtenis voordoet, en die geldig blijft tot wanneer de toezeggingen in het kader van het ondersteunde programma komen te vervallen;

10.   „onroerendgoedovereenkomst”: een overeenkomst met betrekking tot aankoop, ruil, erfpacht, vruchtgebruik, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van grond, gebouwen of ander onroerend goed. Dit heeft betrekking op zowel bestaande gebouwen als nog niet afgewerkte gebouwen op voorwaarde dat de gegadigde een geldige bouwvergunning heeft. Dit heeft geen betrekking op overeenkomstig de specificaties van de aanbestedende dienst ontworpen gebouwen waarvoor overeenkomsten voor werken gelden;

11.   „gegadigde”: een ondernemer die heeft verzocht om een uitnodiging, of is uitgenodigd, om deel te nemen aan een niet-openbare procedure, een mededingingsprocedure met onderhandeling, een concurrentiegerichte dialoog, een innovatiepartnerschap, een prijsvraag of een onderhandelingsprocedure;

12.   „aankoopcentrale”: een aanbestedende dienst die gecentraliseerde aankoopactiviteiten en, waar van toepassing, aanvullende aankoopactiviteiten verricht;

13.   „toets”: de verificatie van een specifiek aspect van een uitgaven- of ontvangstenverrichting;

14.   „concessieovereenkomst”: een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 wordt gesloten om de uitvoering van werken of de verrichting en het beheer van diensten toe te vertrouwen aan een ondernemer (de „concessie”), en waarbij.

a)

de vergoeding bestaat hetzij uitsluitend in het recht om de werken of diensten te exploiteren, hetzij in dit recht en een betaling.

b)

de gunning van de concessieovereenkomst voor werken of diensten inhoudt dat aan de concessiehouder het operationeel risico wordt overgedragen dat inherent is aan de exploitatie van deze werken of diensten en dat het vraagrisico, het aanbodrisico of beide omvat. De concessiehouder wordt geacht het operationeel risico op zich te nemen indien er in normale exploitatieomstandigheden geen garantie voorhanden is dat de investeringen die gedaan zijn of de kosten die gemaakt zijn bij het exploiteren van de betrokken werken of diensten, kunnen worden terugverdiend;

15.   „voorwaardelijke verplichting”: een mogelijke financiële verplichting die afhangt van de uitkomst van een toekomstige gebeurtenis;

16.   „overeenkomst”: een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht of een concessieovereenkomst;

17.   „contractant”: een ondernemer met wie een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht is ondertekend;

18.   „bijdrageovereenkomst”: een overeenkomst die gesloten is met personen of entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punten ii) tot en met viii);

19.   „controle”: alle maatregelen ter verkrijging van redelijke zekerheid inzake de doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van verrichtingen, de betrouwbaarheid van de verslaglegging, de bescherming van activa en informatie, de voorkoming en opsporing en de correctie van fraude en onregelmatigheden en de follow-up daarvan, en de adequate beheersing van de risico’s in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma’s en met de aard van de betrokken betalingen. De controle hiervan kan diverse toetsen inhouden, alsmede de uitvoering van beleid en procedures om de in de eerste zin bedoelde doelstellingen te verwezenlijken;

20.   „tegenpartij”: de partij die een begrotingsgarantie heeft gekregen;

21.   „crisis”:

a)

een situatie van onmiddellijk of imminent gevaar die dreigt in een gewapend conflict te ontaarden of een land of zijn buurlanden te destabiliseren;

b)

een situatie die het gevolg is van natuurrampen, door de mens veroorzaakte crisissen zoals oorlogen en andere conflicten, of uitzonderlijke omstandigheden met vergelijkbare gevolgen die verband houden met, onder andere, de klimaatverandering, de verslechtering van het leefmilieu, energie- en grondstoffenschaarste of extreme armoede;

22.   „vrijmaking”: een verrichting waarbij de bevoegde ordonnateur de reservering van eerder in de begroting vastgelegde kredieten geheel of gedeeltelijk annuleert;

23.   „dynamisch aankoopsysteem”: een geheel elektronisch proces voor aankopen voor courant gebruik van algemeen op de markt beschikbare goederen;

24.   „ondernemer”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, met inbegrip van een publieke entiteit, of een groep van dergelijke personen, die de levering van producten, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten, dan wel de levering van onroerend goed aanbiedt;

25.   „investering in eigen vermogen”: de verschaffing van kapitaal aan een vennootschap, via directe of indirecte investeringen, in ruil voor geheel of gedeeltelijk eigenaarschap van die vennootschap, waarbij de investeerder in zekere mate zeggenschap krijgt over het beheer van de vennootschap en deelt in de eventuele toekomstige winst;

26.   „Europees bureau”: een administratieve structuur die door de Commissie of door de Commissie en één of meer andere instellingen van de Unie is opgezet om specifieke horizontale taken uit te voeren;

27.   „definitief administratief besluit”: een besluit van een administratieve autoriteit dat onherroepelijk en bindend is overeenkomstig het toepasselijke recht;

28.   „financieel actief”: elk actief in de vorm van geldmiddelen, een eigenvermogensinstrument van een andere publieke of private entiteit of een contractueel recht om geldmiddelen of een ander financieel actief van een dergelijke entiteit te ontvangen;

29.   „financieringsinstrument”: een met begrotingsmiddelen bekostigde en voor één of meer specifieke beleidsdoelen van de Unie bestemde financiële steunmaatregel van de Unie die de vorm kunnen aannemen van investeringen in eigen vermogen, investeringen in quasi-eigenvermogen, leningen, garanties, of andere risicodelingsinstrumenten, en mogen, in voorkomend geval, worden gecombineerd met andere vormen van financiële steun of met middelen in gedeeld beheer of middelen van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF);

30.   „financiële verplichting”: een contractuele verplichting om geldmiddelen of een ander financieel actief aan een andere entiteit te leveren;

31.   „raamovereenkomst”: een overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten met het doel de voorwaarden van de specifieke, daaruit voortvloeiende overeenkomsten die gedurende een bepaalde periode kunnen worden gegund, vast te leggen, met name wat betreft de prijs en, in voorkomend geval, de beoogde hoeveelheid;

32.   „totale voorziening”: het totaalbedrag aan middelen dat nodig wordt geacht voor de volledige looptijd van een begrotingsgarantie als gevolg van de toepassing van het voorzieningspercentage als bedoeld in artikel 211, lid 1, op het bedrag van de begrotingsgarantie dat in de basishandeling is toegestaan als bedoeld in artikel 210, lid 1, onder b);

33.   „subsidie”: een financiële bijdrage bij wijze van schenking. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel VIII;

34.   „garantie”: een schriftelijke aansprakelijkheidsverklaring voor het geheel of een deel van een schuld of een verplichting van een derde of voor de succesvolle nakoming door die derde van zijn verplichtingen indien deze garantie naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis in werking treedt, bijvoorbeeld in geval van wanbetaling;

35.   „afroepgarantie”: een garantie die door de borg op verzoek van de tegenpartij moet worden gehonoreerd, ondanks tekortkomingen in de uitvoerbaarheid van de onderliggende verplichting;

36.   „bijdrage in natura”: middelen, niet in geld, die door derden kosteloos ter beschikking van de begunstigde worden gesteld;

37.   „juridische verbintenis”: een verrichting waarmee de bevoegde ordonnateur een verplichting aangaat of doet ontstaan die leidt tot een betaling of betalingen en de erkenning van uitgaven ten laste van de begroting, en met inbegrip van specifieke overeenkomsten die zijn gesloten in het kader van overeenkomsten inzake financieel kaderpartnerschap en raamovereenkomsten;

38.   „hefboomeffect”: het voor in aanmerking komende eindontvangers ter beschikking gestelde vergoedbare bedrag aan financiering te delen door de bijdrage van de Unie;

39.   „liquiditeitsrisico”: het risico dat een in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aangehouden financieel actief niet kan worden verkocht gedurende een bepaalde termijn zonder aanzienlijk verlies;

40.   „lening”: een overeenkomst die de kredietverschaffer verplicht een overeengekomen hoeveelheid geld voor een overeengekomen termijn ter beschikking te stellen aan de kredietnemer en waarbij de kredietnemer verplicht is dat bedrag binnen de overeengekomen termijn terug te betalen;

41.   „subsidie van een klein bedrag”: een subsidie van ten hoogste 60 000 EUR;

42.   „lidstaatsorganisatie”: een in een lidstaat als publiekrechtelijke instantie of privaatrechtelijke instantie opgerichte entiteit waaraan een openbaredienstverleningstaak is toevertrouwd en passende door de lidstaat verstrekte financiële garanties zijn gegeven;

43.   „wijze van uitvoering”: de wijzen voor de uitvoering van de begroting als bedoeld in artikel 62, te weten direct beheer, indirect beheer en gedeeld beheer;

44.   „multidonoractie”: een actie waarbij middelen van de Unie met die van minstens één andere donor worden samengevoegd;

45.   „multiplicatoreffect”: de investering door in aanmerking komende eindontvangers gedeeld door het bedrag van de bijdrage van de Unie;

46.   „output”: de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde deliverables van de actie;

47.   „deelnemer”: een gegadigde of inschrijver in een aanbestedingsprocedure, een aanvrager in een procedure voor toekenning van subsidies, een deskundige in een procedure voor de selectie van deskundigen, een aanvrager in een wedstrijd voor prijzen of een persoon of een entiteit die deelneemt aan een procedure voor de uitvoering van middelen van de Unie overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

48.   „prijs”: een financiële bijdrage die wordt geschonken als een beloning die wordt toegekend naar aanleiding van een wedstrijd. Indien die bijdrage in direct beheer wordt verleend, valt zij onder titel IX;

49.   „aanbesteding”: de verwerving door middel van een overeenkomst voor werken, voor leveringen of voor diensten, en de verwerving of huur van grond, gebouwen of ander onroerend goed, door een of meer aanbestedende diensten van door deze aanbestedende diensten gekozen ondernemers;

50.   „aanbestedingsstukken”: alle stukken die door de aanbestedende dienst worden opgesteld of vermeld ter omschrijving of bepaling van onderdelen van de aanbestedingsprocedure, met inbegrip van:

a)

de in artikel 163 bedoelde publiciteitsmaatregelen;

b)

de uitnodiging tot inschrijving;

c)

het bestek, dat de technische specificaties en de relevante criteria bevat, of de beschrijvende stukken in het geval van een concurrentiegerichte dialoog;

d)

de ontwerpovereenkomst;

51.   „overeenkomst tot uitvoering van een overheidsopdracht”: een overeenkomst onder bezwarende titel die schriftelijk tussen een of meer ondernemers en een of meer aanbestedende diensten in de zin van de artikelen 174 en 178 worden gesloten om tegen een geheel of gedeeltelijk ten laste van de begroting komende prijs de levering van roerende of onroerende zaken, de uitvoering van werken of de verrichting van diensten te verkrijgen, bestaande uit:

a)

onroerendgoedovereenkomsten;

b)

overeenkomsten voor leveringen;

c)

overeenkomsten voor werken;

d)

overeenkomsten voor diensten;

52.   „investering in quasi-eigenvermogen”: de financieringswijze die zich bevindt tussen eigen vermogen en vreemd vermogen, met een hoger risico dan een senior schuld en een lager risico dan kernkapitaal, en die kan worden gestructureerd als vreemd vermogen, kenmerkend ongedekt en achtergesteld en in sommige gevallen converteerbaar in eigen vermogen, of in preferent eigen vermogen;

53.   „ontvanger”: een begunstigde, een contractant, een bezoldigd extern deskundige of een persoon of entiteit die prijzen of middelen ontvangt uit hoofde van een financieringsinstrument of die middelen van de Unie uitvoert overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c);

54.   „retrocessieovereenkomst”: de verkoop van effecten voor geldmiddelen waarbij is overeengekomen deze op een vastgesteld tijdstip in de toekomst of op verzoek terug te kopen;

55.   „krediet voor onderzoek en technologische ontwikkeling”: een krediet dat, hetzij in een van de begrotingstitels voor het beleidsterrein „onderzoek onder contract” of „eigen onderzoek”, hetzij in een hoofdstuk voor onderzoeksactiviteiten dat deel uitmaakt van een andere titel zijn opgenomen;

56.   „resultaat”: de overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving bepaalde gevolgen van de uitvoering van een actie;

57.   „risicodelingsinstrument”: een financieringsinstrument dat de deling van een bepaald risico tussen twee of meer entiteiten mogelijk maakt, in voorkomend geval in ruil voor een overeengekomen vergoeding;

58.   „overeenkomst voor diensten”: een overeenkomst die betrekking heeft op alle andere intellectuele en niet-intellectuele diensten dan die waarop overeenkomsten voor leveringen, overeenkomsten voor werken en onroerendgoedovereenkomsten betrekking hebben;

59.   „goed financieel beheer”: de uitvoering van de begroting met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

60.   „Statuut van de ambtenaren”: het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, die zijn vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68;

61.   „subcontractant”: een ondernemer die door een gegadigde, inschrijver of contractant is voorgesteld als uitvoerder van een deel van een overeenkomst of door een begunstigde om een deel van de door een subsidie medegefinancierde taken uit te voeren;

62.   „deelnamevergoeding”: de bedragen die aan organen waarvan de Unie lid is, worden overgemaakt overeenkomstig de begrotingsbesluiten en de betalingsvoorwaarden die door het betrokken orgaan zijn vastgesteld;

63.   „overeenkomst voor leveringen”: een overeenkomst die betrekking heeft op de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van producten, en die als bijkomstig element plaatsing- en installatiewerkzaamheden kan omvatten;

64.   „technische bijstand”: ondersteunende en capaciteitsopbouwende werkzaamheden die, onverminderd sectorspecifieke regelgeving, nodig zijn met het oog op de uitvoering van een programma of een actie, en in het bijzonder werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, beheer, monitoring, evaluatie, audit en controle;

65.   „inschrijver”: een ondernemer die een inschrijving heeft ingediend;

66.   „Unie”: de Europese Unie, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, of beide samen, al naargelang de context;

67.   „instelling van de Unie”: het Europees Parlement, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio’s, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of de Europese dienst voor extern optreden („EDEO”); de Europese Centrale Bank wordt niet beschouwd als een instelling van de Unie;

68.   „verkoper”: een ondernemer die staat vermeld op een lijst van verkopers die zullen worden uitgenodigd om verzoeken tot deelname of inschrijvingen in te dienen;

69.   „vrijwilliger”: persoon die op niet-verplichte basis onbezoldigd voor een organisatie werkt;

70.   „werk”: het product van bouw- of wegen- en waterbouwkundige werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen;

71.   „overeenkomst voor werken”: een overeenkomst die betrekking heeft op:

a)

de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk;

b)

de uitvoering, of zowel de uitvoering of het ontwerp, van een werk dat verband houdt met een van de in bijlage II bij Richtlijn 2014/24/EU genoemde werkzaamheden, of

c)

het laten uitvoeren, met welke middelen dan ook, van een werk dat voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld door de aanbestedende dienst die een beslissende invloed uitoefent op het soort werk of op het ontwerp van het werk.

Artikel 3

Overeenstemming van afgeleid recht met deze verordening

1.   Bepalingen betreffende de uitvoering van de begroting aan de ontvangsten- of uitgavenzijde en vervat in een basishandeling zijn in overeenstemming met de in titel II vermelde begrotingsbeginselen.

2.   Onverminderd lid 1 worden in bij de wetgevende autoriteit ingediende voorstellen of wijzigingen van voorstellen die afwijkingen bevatten van de bepalingen van deze verordening met uitzondering van de bepalingen in titel II, of van gedelegeerde handelingen die overeenkomstig deze verordening zijn vastgesteld, die afwijkingen duidelijk vermeld en worden in de overwegingen en de toelichting bij die voorstellen of wijzigingen de specifieke redenen genoemd die deze afwijkingen rechtvaardigen.

Artikel 4

Termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden

Tenzij anders bepaald in deze verordening is Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad (32) van toepassing op de termijnen die in deze verordening zijn vastgelegd.

Artikel 5

Bescherming van persoonsgegevens

Deze verordening laat Verordeningen (EG) nr. 45/2001 en (EU) 2016/670 onverlet.

TITEL II

BEGROTING EN BEGROTINGSBEGINSELEN

Artikel 6

Eerbiediging van begrotingsbeginselen

Bij de opstelling en de uitvoering van de begroting worden het eenheids-, het begrotingswaarachtigheids-, het jaarperiodiciteits-, het evenwichts-, het rekeneenheids-, het universaliteits- en het specialiteitsbeginsel, het beginsel van goed financieel beheer en het transparantiebeginsel, zoals vastgelegd in deze verordening, in acht genomen.

HOOFDSTUK 1

Eenheidsbeginsel en begrotingswaarachtigheidsbeginsel

Artikel 7

Toepassingsgebied van de begroting

1.   Voor elk begrotingsjaar worden alle noodzakelijk geachte ontvangsten en uitgaven van de Unie in de begroting geraamd en goedgekeurd. Hierin worden opgenomen:

a)

de uitgaven en de ontvangsten van de Unie, met inbegrip van de administratieve uitgaven die voortvloeien uit de uitvoering van de bepalingen van het VEU op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), alsmede beleidsuitgaven die uit de uitvoering van die bepalingen voortvloeien wanneer deze ten laste van de begroting komen;

b)

de ontvangsten en de uitgaven van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

2.   De begroting bevat gesplitste kredieten, die aanleiding geven tot vastleggingskredieten en betalingskredieten, en niet-gesplitste kredieten.

De kredieten die voor het begrotingsjaar zijn toegestaan, bestaan uit:

a)

de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten;

b)

de overgedragen kredieten uit voorgaande begrotingsjaren;

c)

de kredieten die overeenkomstig artikel 15 worden wederopgevoerd;

d)

de kredieten die afkomstig zijn van terugbetalingen van voorfinancieringen overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b);

e)

de kredieten die worden opgenomen na de inning van de bestemmingsontvangsten tijdens het begrotingsjaar of van bestemmingsontvangsten die zijn overgedragen uit voorgaande begrotingsjaren.

3.   Vastleggingskredieten dekken de totale kosten van de juridische verbintenissen die tijdens het begrotingsjaar worden aangegaan, behoudens het bepaalde in artikel 114, lid 2.

4.   Betalingskredieten dekken de betalingen die voortvloeien uit de uitvoering van de juridische verbintenissen die in het begrotingsjaar of voorgaande begrotingsjaren zijn aangegaan.

5.   De leden 2 en 3 van dit artikel doen niets af aan de mogelijkheid kredieten globaal vast te leggen of vastleggingen in de begroting in jaartranches te verdelen, zoals bepaald in artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder b), respectievelijk artikel 112, lid 2.

Artikel 8

Specifieke regels betreffende het eenheidsbeginsel en het begrotingswaarachtigheidsbeginsel

1.   Alle ontvangsten en uitgaven worden in een begrotingsonderdeel opgenomen.

2.   Onverminderd toegestane uitgaven uit hoofde van voorwaardelijke verplichtingen waarin bij artikel 210, lid 2, is voorzien kan voor geen enkele uitgave een verplichting worden aangegaan of een betalingsopdracht gegeven boven het bedrag van de toegestane kredieten.

3.   Een krediet wordt slechts in de begroting opgenomen wanneer er een noodzakelijk geachte uitgave tegenover staat.

4.   De rente op uit de begroting betaalde voorfinancieringen is niet verschuldigd aan de Unie tenzij anders is bepaald in de betreffende bijdrage- of financieringsovereenkomsten.

HOOFDSTUK 2

Jaarperiodiciteitsbeginsel

Artikel 9

Definitie

De in de begroting opgenomen kredieten worden toegestaan voor de duur van een begrotingsjaar, dat begint op 1 januari en sluit op 31 december.

Artikel 10

De begrotingsboekhouding voor ontvangsten en kredieten

1.   De ontvangsten van een begrotingsjaar worden in de rekening van dat jaar geboekt op basis van de in dat jaar geïnde bedragen. De eigen middelen voor de maand januari van het volgende begrotingsjaar kunnen evenwel op voorhand worden verstrekt overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.   De boekingen met betrekking tot de eigen middelen op basis van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) en het bruto nationaal inkomen kunnen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad worden aangepast.

3.   De vastleggingen voor een begrotingsjaar worden geboekt op basis van de juridische verbintenissen die tot en met 31 december van dat jaar zijn aangegaan. De in artikel 112, lid 4, bedoelde globale vastleggingen worden echter in de begroting voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de tot 31 december van dat jaar in de begroting verrichte vastleggingen.

4.   De betalingen worden voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de uiterlijk op 31 december van dat begrotingsjaar door de rekenplichtige verrichte betalingen.

5.   In afwijking van de leden 3 en 4:

a)

worden de uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) voor een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, voor zover de rekenplichtige uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar de betalingsopdracht heeft ontvangen;

b)

worden in gedeeld beheer uitgevoerde uitgaven, het ELGF uitgezonderd, in de rekening van een begrotingsjaar geboekt op basis van de terugbetalingen van de Commissie aan de lidstaten tot en met 31 december van dat jaar, met inbegrip van de uitgaven die uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar worden gedaan, zoals bepaald in de artikelen 30 en 31.

Artikel 11

Vastlegging van kredieten

1.   De kredieten die in de begroting zijn opgenomen, kunnen met ingang van 1 januari worden vastgelegd zodra de begroting definitief is vastgesteld.

2.   Voor de volgende uitgaven mogen vanaf 15 oktober van het begrotingsjaar vervroegde vastleggingen worden verricht ten laste van de kredieten van het volgende begrotingsjaar:

a)

lopende uitgaven van administratieve aard, op voorwaarde dat zulke uitgaven in de laatste op regelmatige wijze vastgestelde begroting zijn goedgekeurd, en maximaal een kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en door de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar;

b)

lopende uitgaven van administratieve aard van het ELGF, op voorwaarde dat de basis voor zulke uitgaven in een bestaande basishandeling is vastgesteld, en ze maximaal drie kwart bedragen van de totale overeenkomstige kredieten die door het Europees Parlement en de Raad zijn goedgekeurd voor het lopende begrotingsjaar.

Artikel 12

Annulering en overdracht van kredieten

1.   Kredieten die aan het einde van het begrotingsjaar waarvoor ze waren uitgetrokken niet zijn gebruikt, worden geannuleerd, tenzij ze overeenkomstig de leden 2 tot en met 8 worden overgedragen.

2.   De volgende kredieten kunnen bij een besluit overeenkomstig lid 3 worden overgedragen, zulks bij uitsluiting naar het volgende begrotingsjaar:

a)

de vastleggingskredieten en de niet-gesplitste kredieten, waarvoor de meeste voorbereidende stadia van de vastleggingsprocedure op 31 december van het begrotingsjaar zijn voltooid. Zulke kredieten kunnen tot en met 31 maart van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd, met uitzondering van niet-gesplitste kredieten met betrekking tot onroerendgoedprojecten, die tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar kunnen worden vastgelegd;

b)

kredieten die nodig blijken wanneer de wetgevende autoriteit een basishandeling in het laatste kwartaal van het begrotingsjaar heeft vastgesteld, zonder dat de Commissie per 31 december van dat jaar de daartoe in de begroting uitgetrokken kredieten heeft kunnen vastleggen. Deze kredieten kunnen tot en met 31 december van het volgende begrotingsjaar worden vastgelegd;

c)

betalingskredieten die nodig zijn ter dekking van vastleggingen van voorgaande begrotingsjaren of die betrekking hebben op overgedragen vastleggingskredieten, wanneer de betalingskredieten van de betrokken begrotingsonderdelen in de begroting van het volgende begrotingsjaar ontoereikend zijn;

d)

niet-vastgelegde kredieten voor de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (33) bedoelde acties.

Wat de eerste alinea, onder c), betreft, gebruikt de betrokken instelling van de Unie bij voorrang de voor het lopende begrotingsjaar toegestane kredieten en pas na de besteding daarvan de overgedragen kredieten.

Overdrachten van niet-vastgelegde kredieten als bedoeld in punt d) van de eerste alinea van dit lid mogen, binnen het maximum van 2 % van de oorspronkelijke door het Europees Parlement en door de Raad goedgekeurde kredieten, niet hoger zijn dan het bedrag van de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 verrichte aanpassing van de rechtstreekse betalingen die in het vorige begrotingsjaar is toegepast. Overgedragen kredieten worden opgevoerd op de begrotingsonderdelen die betrekking hebben op de in artikel 4, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde acties.

3.   De betrokken instelling van de Unie neemt het in lid 2 bedoelde overdrachtsbesluit uiterlijk op 15 februari van het volgende begrotingsjaar. De instelling stelt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 15 maart van dat jaar van haar overdrachtbesluit in kennis. Ook wordt daarin, voor ieder begrotingsonderdeel, aangegeven hoe de criteria onder a), b) en c) voor elke overdracht zijn toegepast.

4.   Kredieten worden automatisch overgedragen in het geval van:

a)

vastleggingskredieten voor de reserve voor noodhulp en voor het Solidariteitsfonds van de Europese Unie. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd;

b)

kredieten die overeenkomen met interne bestemmingsontvangsten. Die kredieten mogen alleen naar het volgende begrotingsjaar worden overgedragen en mogen tot en met 31 december van dat jaar worden vastgelegd, met uitzondering van de interne bestemmingsontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond, die mogen worden overgedragen totdat ze volledig zijn gebruikt. De in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en in Verordening (EU) nr. 514/2014 van het Europees Parlement en de Raad (34) bedoelde en op 31 december beschikbare vastleggingskredieten die afkomstig zijn van de terugbetaling van voorfinancieringen, mogen worden overgedragen totdat het programma wordt afgesloten en worden gebruikt wanneer daaraan behoefte is, op voorwaarde dat er geen andere vastleggingskredieten meer beschikbaar zijn;

c)

kredieten die overeenkomen met externe bestemmingsontvangsten. Die kredieten worden volledig gebruikt totdat alle verrichtingen betreffende het programma of de actie waarvoor zij bestemd zijn, zijn uitgevoerd of kunnen worden overgedragen en voor het vervolgprogramma of de vervolgactie worden gebruikt. Dit geldt niet voor de in artikel 21, lid 2, onder g), iii), bedoelde ontvangsten, waarvoor niet binnen vijf jaar vastgelegde kredieten worden geannuleerd;

d)

betalingskredieten in verband met het ELGF die voortvloeien uit schorsingen overeenkomstig artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

5.   De behandeling van externe bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 4, onder c), van dit artikel die voortvloeien uit de deelname van de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) aan bepaalde programma’s van de Unie overeenkomstig artikel 21, lid 2, onder e), geschiedt in overeenstemming met Protocol nr. 32 bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER-overeenkomst).

6.   De betrokken instelling van de Unie verstrekt het Europees Parlement en de Raad naast de in lid 3 bedoelde informatie, informatie over de automatisch overgedragen kredieten, met inbegrip van de betrokken bedragen en de bepaling van dit artikel uit hoofde waarvan de kredieten zijn overgedragen.

7.   Niet-gesplitste kredieten waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan aan het einde van het begrotingsjaar worden tot het einde van het volgende begrotingsjaar uitbetaald.

8.   Onverminderd lid 4 worden in een reserve opgenomen kredieten en de kredieten voor personeelsuitgaven niet overgedragen. Voor de toepassing van dit artikel omvatten personeelsuitgaven bezoldigingen en vergoedingen van de leden en van het personeel van de instellingen van de Unie waarop het Statuut van de ambtenaren van toepassing is.

Artikel 13

Gedetailleerde voorschriften inzake de annulering en overdracht van kredieten

1.   De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en niet-gesplitste kredieten kunnen slechts worden overgedragen indien de vastleggingen niet vóór 31 december van het begrotingsjaar konden worden verricht om redenen die de ordonnateur niet kunnen worden aangerekend, en indien de voorbereidingen zo ver gevorderd zijn dat redelijkerwijs mag worden verwacht dat de vastlegging uiterlijk op 31 maart van het volgende begrotingsjaar kan worden verricht, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar wanneer het onroerendgoedprojecten betreft.

2.   De in artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde voorbereidende stadia, die op 31 december van het begrotingsjaar moeten zijn voltooid met het oog op een overdracht naar het volgende begrotingsjaar, zijn met name:

a)

voor de individuele vastleggingen in de zin van artikel 112, lid 1, eerste alinea, onder a), de voltooiing van de selectie van potentiële contractanten, begunstigden, prijswinnaars of delegatiehouders;

b)

voor de globale vastleggingen in de begroting in de zin van artikel 112, eerste alinea, lid 1, onder b), de vaststelling van een financieringsbesluit of de afsluiting van het overleg tussen de betrokken diensten binnen elke instelling van de Unie met het oog op de vaststelling van een dergelijk begrotingsbesluit.

3.   De overeenkomstig artikel 12, lid 2, eerste alinea, onder a), overgedragen kredieten die op 31 maart van het volgende begrotingsjaar, of op 31 december van het volgende begrotingsjaar voor bedragen in verband met onroerendgoedprojecten, niet zijn vastgelegd, worden automatisch geannuleerd.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen één maand na de in de voorgaande alinea bedoelde annulering in kennis van de aldus geannuleerde kredieten.

Artikel 14

Vrijmakingen

1.   Vrijmakingen van vastleggingen in latere begrotingsjaren dan het jaar waarin de die werd gedaan wegens gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de acties waarvoor ze bestemd waren, leiden tot annulering van de met die vrijmakingen overeenstemmende kredieten, tenzij anders is bepaald in Verordening (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 15 van deze verordening.

2.   De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde vastleggingskredieten worden automatisch vrijgemaakt overeenkomstig die verordeningen.

3.   Dit artikel is niet van toepassing op externe bestemmingsontvangsten in de zin van artikel 21, lid 2.

Artikel 15

Wederopvoering van met vrijmakingen overeenstemmende kredieten

1.   De in Verordeningen (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 223/2014 en (EU) nr. 514/2014 bedoelde met vrijmakingen overeenstemmende kredieten kunnen worden wederopgevoerd in geval van een uitsluitend aan de Commissie toe te rekenen kennelijke fout.

De Commissie onderzoekt daartoe de vrijmakingen van het voorgaande begrotingsjaar en neemt, naargelang de behoeften, uiterlijk op 15 februari van het lopende begrotingsjaar een besluit over de noodzaak tot wederopvoering van de betrokken kredieten.

2.   In aanvulling op het in lid 1 van dit artikel bedoelde geval worden de met vrijmakingen overeenstemmende kredieten wederopgevoerd in geval van:

a)

de vrijmaking uit een programma dat valt onder de regelingen voor de uitvoering van de prestatiereserve die is ingesteld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1303/2013;

b)

de vrijmaking uit een programma dat bestemd is voor een specifiek financieringsinstrument ten behoeve van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo’s) als gevolg van de beëindiging van de deelname van een lidstaat aan het financieringsinstrument, zoals bedoeld in artikel 39, lid 2, zevende alinea, van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

3.   Vastleggingskredieten die overeenkomen met het bedrag aan vrijmakingen die het gevolg zijn van gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van onderzoeksprojecten waarvoor zij bestemd waren, kunnen ook in het kader van de begrotingsprocedure worden wederopgevoerd ten gunste van het onderzoeksprogramma waartoe de projecten behoren of de opvolger ervan.

Artikel 16

Regels bij vaststelling van de begroting met vertraging

1.   Indien de begroting bij het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, is de in de eerste alinea van artikel 315 VWEU bedoelde procedure (het systeem van voorlopige twaalfden) van toepassing. Vastleggingen en betalingen kunnen worden verricht binnen de in lid 2 van dit artikel bepaalde grenzen.

2.   Vastleggingen kunnen per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een kwart van het totaal van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan, vermeerderd met een twaalfde voor elke verstreken maand.

Het maximum van de kredieten die zijn voorzien in de ontwerpbegroting, wordt niet overschreden.

Betalingen kunnen maandelijks per hoofdstuk worden verricht, tot maximaal een twaalfde van de kredieten die in het betrokken hoofdstuk voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar zijn toegestaan. Die betalingen mogen evenwel niet meer dan een twaalfde bedragen van de in hetzelfde hoofdstuk van de ontwerpbegroting voorziene kredieten.

3.   Onder de in de leden 1 en 2 bedoelde kredieten die voor de begroting van het voorgaande begrotingsjaar in het betrokken hoofdstuk zijn toegestaan wordt verstaan de kredieten die na stemming in de begroting zijn opgenomen, ook door middel van gewijzigde begrotingen, na aanpassing voor overschrijvingen tijdens dat begrotingsjaar.

4.   Indien de continuïteit van het optreden van de Unie en het beheer zulks vereisen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, zowel voor de vastleggingen als voor de betalingen, uitgaven ter hoogte van meer dan één voorlopige twaalfde, maar niet meer dan een totaal van vier voorlopige twaalfden toestaan, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, boven die welke automatisch beschikbaar komen ingevolge de leden 1 en 2. De Raad zendt zijn desbetreffende besluit onverwijld aan het Europees Parlement.

Het in de eerste alinea genoemde besluit treedt in werking 30 dagen na de vaststelling ervan, tenzij het Europees Parlement:

a)

bij meerderheid van zijn leden besluit de betrokken uitgaven vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen te verminderen, in welk geval de Commissie een nieuw voorstel indient;

b)

de Raad en de Commissie meedeelt dat het de uitgaven niet wenst te verminderen, in welk geval het besluit vóór het verstrijken van de termijn van 30 dagen in werking treedt.

De bijkomende twaalfden worden als een geheel toegestaan en kunnen niet worden opgedeeld.

5.   Indien voor een bepaald hoofdstuk vier voorlopige twaalfden die in overeenstemming met lid 4 zijn toegestaan, niet toereikend zijn ter dekking van de uitgaven die nodig zijn om een breuk in de continuïteit van het optreden van de Unie op het door het betrokken hoofdstuk bestreken gebied te voorkomen, kan bij wijze van uitzondering een overschrijding van het aan kredieten geboekte bedrag in het overeenkomstige hoofdstuk van de begroting voor het voorgaande begrotingsjaar worden toegestaan. Het Europees Parlement en de Raad besluiten overeenkomstig de procedure van lid 4. Het totale bedrag van de in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar of in de voorgestelde ontwerpbegroting opgenomen kredieten mag evenwel in geen geval worden overschreden.

HOOFDSTUK 3

Evenwichtsbeginsel

Artikel 17

Definitie en toepassingsgebied

1.   De begroting is wat ontvangsten en betalingskredieten betreft in evenwicht.

2.   De Unie en de organen van de Unie bedoeld in de artikelen 70 en 71 mogen binnen het kader van de begroting geen leningen aangaan.

Artikel 18

Saldo van het begrotingsjaar

1.   Het saldo van elk begrotingsjaar wordt, naargelang het een overschot of een tekort betreft, in de begroting van het volgende begrotingsjaar als ontvangst of als betalingskrediet opgenomen.

2.   De ramingen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde ontvangsten of betalingskredieten worden tijdens de begrotingsprocedure in de begroting opgenomen en door middel van de procedure van de nota van wijzigingen die wordt ingediend overeenkomstig artikel 42 van deze verordening. De ramingen worden opgesteld overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad (35).

3.   Na de indiening van de voorlopige rekeningen van het begrotingsjaar wordt het eventuele verschil tussen deze rekeningen en de ramingen in de begroting van het volgende begrotingsjaar opgenomen door middel van een gewijzigde begroting, die uitsluitend voor dat doel wordt opgesteld en wordt aangewend. In dat geval dient de Commissie het ontwerp van gewijzigde begroting binnen 15 dagen na de indiening van de voorlopige rekeningen tegelijkertijd in bij het Europees Parlement en bij de Raad.

HOOFDSTUK 4

Rekeneenheidsbeginsel

Artikel 19

Gebruik van de euro

1.   Het meerjarig financieel kader en de begroting worden in euro opgesteld, uitgevoerd en onderworpen aan rekening en verantwoording. De rekenplichtige en, in het geval van beheer van gelden ter goede rekening, de beheerders van gelden ter goede rekening en, ten behoeve van het administratieve beheer van de Commissie en de EDEO, de bevoegde ordonnateur zijn evenwel gemachtigd voor de in artikel 77 bedoelde kasbehoeften transacties in andere valuta’s te verrichten.

2.   Onverminderd de specifieke bepalingen uit sectorspecifieke regelgeving, of uit specifieke overeenkomsten, subsidieovereenkomsten, bijdrageovereenkomsten en financieringsovereenkomsten, geschiedt de omrekening door de bevoegde ordonnateur tegen de in het Publicatieblad van de Europese Unie, C-serie, gepubliceerde dagkoers van de euro, op de dag waarop de opdrachtgevende dienst de betalings- of invorderingsopdracht opstelt.

Indien geen dagkoers is gepubliceerd, gebruikt de bevoegde ordonnateur de in lid 3 bedoelde dagkoers.

3.   Voor de in de artikelen 82, 83 en 84 bedoelde boekhouding geschiedt de omrekening tussen de euro en een andere valuta tegen de maandelijkse boekhoudkundige wisselkoers van de euro. Deze boekhoudkundige koers wordt door de rekenplichtige van de Commissie met gebruikmaking van alle betrouwbaar geachte informatiebronnen vastgesteld op basis van de koers van de voorlaatste werkdag van de maand die voorafgaat aan de maand waarvoor de koers wordt bepaald.

4.   Valutaomrekeningen worden op zodanige wijze uitgevoerd dat ze geen significante invloed op de hoogte van de medefinanciering door de Unie of een nadelig effect op de begroting hebben. Waar passend kan de gemiddelde dagkoers binnen een bepaalde periode voor de omrekening tussen de euro en andere valuta’s worden gebruikt.

HOOFDSTUK 5

Universaliteitsbeginsel

Artikel 20

Toepassingsgebied

Onverminderd artikel 21 dienen de gezamenlijke ontvangsten ter dekking van de gezamenlijke betalingskredieten. Onverminderd artikel 27 mogen de ontvangsten en de uitgaven in de begroting niet met elkaar worden gecompenseerd.

Artikel 21

Bestemmingsontvangsten

1.   Externe bestemmingsontvangsten en interne bestemmingsontvangsten worden gebruikt voor de financiering van bepaalde specifieke uitgaven.

2.   Externe bestemmingsontvangsten zijn:

a)

specifieke aanvullende financiële bijdragen van lidstaten aan de onderstaande soorten acties en programma’s:

i)

bepaalde aanvullende programma’s voor onderzoek en technologische ontwikkeling,

ii)

bepaalde projecten of programma’s voor externe steun die door de Unie worden gefinancierd en door de Commissie worden beheerd;

b)

kredieten met betrekking tot de ontvangsten uit het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal, dat is ingesteld bij het aan het VEU en aan het VWEU gehechte Protocol nr. 37 betreffende de financiële gevolgen van de beëindiging van het EGKS-Verdrag en betreffende het Fonds voor onderzoek inzake kolen en staal;

c)

de rente op deposito’s en boeten waarin Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (36) voorziet;

d)

ontvangsten die voor een bepaald doel ter beschikking zijn gesteld, zoals inkomsten van stichtingsvermogens, subsidies, giften en legaten, daaronder begrepen de specifiek aan elke instelling van de Unie vooraf toegewezen ontvangsten;

e)

financiële bijdragen van derde landen en andere dan bij het VWEU of het Euratom-Verdrag opgerichte organen aan activiteiten van de Unie;

f)

interne bestemmingsontvangsten als bedoeld in lid 3, voor zover deze een aanvulling vormen op in dit lid bedoelde externe bestemmingsontvangsten;

g)

ontvangsten uit activiteiten in mededinging van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (Joint Research Centre-JRC), bestaande uit:

i)

procedures voor het toekennen van subsidies of aanbestedingsprocedures waaraan het JRC deelneemt,

ii)

activiteiten van het JRC voor rekening van derden,

iii)

activiteiten uit hoofde van een administratieve overeenkomst met andere instellingen van de Unie of andere diensten van de Commissie, overeenkomstig artikel 59, voor de verstrekking van technische en wetenschappelijke diensten.

3.   Interne bestemmingsontvangsten zijn:

a)

ontvangsten afkomstig van derden wegens op hun verzoek verrichte leveringen, diensten en werken;

b)

ontvangsten afkomstig van terugbetalingen overeenkomstig artikel 101 van onverschuldigd betaalde bedragen;

c)

opbrengsten van leveringen van goederen, diensten en werken ten behoeve van andere diensten in een instelling van de Unie, of van andere instellingen of organen van de Unie, met inbegrip van vergoedingen voor dienstreizen betaald voor rekening van en terugbetaald door andere instellingen of organen van de Unie;

d)

ontvangen verzekeringsuitkeringen;

e)

ontvangsten uit verhuur en de verkoop van gebouwen en grond;

f)

terugbetalingen aan financieringsinstrumenten of begrotingsgaranties op grond van artikel 209, tweede alinea, lid 3;

g)

ontvangsten van achteraf terugbetaalde belastingen ingevolge artikel 27, lid 3, eerste alinea, onder b).

4.   Bestemmingsontvangsten worden overgedragen en overgeschreven overeenkomstig artikel 12, lid 4, onder b) en c), en artikel 32.

5.   Een basishandeling kan de ontvangsten waarin zij voorziet, voor specifieke uitgavenposten bestemmen. Tenzij in de basishandeling anders is bepaald, vormen die ontvangsten interne bestemmingsontvangsten.

6.   De begroting voorziet in een structuur voor de opname van externe en interne bestemmingsontvangsten, alsmede, voor zover mogelijk, in een raming.

Artikel 22

Structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten en opvoering van de betrokken kredieten

1.   Onverminderd lid 2, eerste alinea, onder c), van dit artikel en artikel 24 omvat de structuur voor de opneming van de bestemmingsontvangsten in de begroting:

a)

in de staat van ontvangsten van de afdeling van elke instelling van de Unie, een begrotingsonderdeel waarin het bedrag van deze ontvangsten kan worden opgenomen;

b)

in de staat van uitgaven, de toelichting, die ook algemene opmerkingen bevat, met vermelding van de begrotingsonderdelen waarin de kredieten kunnen worden opgenomen die met de ter beschikking gestelde bestemmingsontvangsten overeenkomen.

In het in de eerste alinea, onder a), bedoelde geval wordt het begrotingsonderdeel voorzien van de vermelding „pro memorie” en worden de geraamde ontvangsten ter informatie in de toelichting vermeld.

2.   De kredieten die met bestemmingsontvangsten overeenkomen, worden automatisch als vastleggingskredieten en als betalingskredieten opgevoerd wanneer de ontvangsten door de instelling van de Unie zijn geïnd, behalve:

a)

in het in artikel 21, lid 2, onder a), bedoelde geval voor financiële bijdragen van lidstaten waarvan de bijdrageovereenkomst in euro luidt, kunnen de vastleggingskredieten worden opgevoerd bij de ondertekening van de bijdrageovereenkomst door de lidstaat;

b)

in de in artikel 21, lid 2, onder b), en het in artikel 21, lid 2, onder g), punten i) en iii), bedoelde gevallen worden de vastleggingskredieten opgevoerd zodra de schuldvordering is geraamd;

c)

in het in artikel 21, lid 2, onder c), bedoelde geval geeft de opneming van de bedragen in de staat van ontvangsten aanleiding tot de opneming van vastleggings- en betalingskredieten in de staat van uitgaven.

De in de eerste alinea, onder c), van dit lid bedoelde kredieten worden besteed overeenkomstig artikel 20.

3.   De in artikel 21, lid 2, onder b), en g), bedoelde ramingen van schuldvorderingen worden voor registratie aan de rekenplichtige toegezonden.

Artikel 23

Bijdragen van de lidstaten voor onderzoeksprogramma’s

1.   De bijdragen van de lidstaten voor de financiering van bepaalde aanvullende onderzoeksprogramma’s zoals bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014, worden betaald als volgt:

a)

zeven twaalfden van het in de begroting opgenomen bedrag uiterlijk op 31 januari van het lopende begrotingsjaar;

b)

de resterende vijf twaalfden uiterlijk op 15 juli van het lopende begrotingsjaar.

2.   Wanneer de begroting aan het begin van het begrotingsjaar niet definitief is vastgesteld, worden de in lid 1 bedoelde bijdragen betaald op basis van het in de begroting van het voorgaande begrotingsjaar opgenomen bedrag.

3.   Elke bijdrage of aanvullende betaling die de lidstaten uit hoofde van de begroting verschuldigd zijn, wordt binnen dertig kalenderdagen na afroeping op de rekening of rekeningen van de Commissie geboekt.

4.   De gedane betalingen worden op de in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 bedoelde rekening geboekt en zijn onderworpen aan de voorwaarden van die verordening.

Artikel 24

Bestemmingsontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma’s van de Unie

1.   De structuur voor de opneming in de begroting van ontvangsten die voortvloeien uit de deelname van de EVA-staten aan bepaalde programma’s van de Unie is als volgt:

a)

in de staat van ontvangsten wordt een „pro memorie”-begrotingsonderdeel gecreëerd voor het totale bedrag van de bijdragen van elke EVA-staat voor het begrotingsjaar;

b)

de staat van uitgaven krijgt een bijlage die integraal deel van de begroting uitmaakt en alle begrotingsonderdelen vermeldt die betrekking hebben op activiteiten van de Unie waaraan EVA-staten deelnemen, en omvat informatie over het geraamde bedrag van de bijdrage van elke EVA-staat.

2.   Krachtens artikel 82 van de EER-overeenkomst leiden de bedragen met betrekking tot de jaarlijkse deelname van EVA-staten, zoals overeenkomstig artikel 1, lid 5, van Protocol nr. 32 bij deze overeenkomst aan de Commissie bevestigd door het Gemengd Comité van de Europese Economische Ruimte, ertoe dat de desbetreffende vastleggingskredieten en betalingskredieten aan het begin van het begrotingsjaar integraal in de begroting worden opgenomen.

3.   Het gebruik van de ontvangsten die uit de financiële bijdrage van EVA-staten voortvloeien, wordt apart gemonitord.

Artikel 25

Schenkingen

1.   De instellingen van de Unie kunnen alle schenkingen ten gunste van de Unie, zoals inkomsten uit stichtingen, subsidies, giften en legaten, aanvaarden.

2.   Voor het aanvaarden van een schenking ter waarde van 50 000 EUR of meer die financiële lasten, inclusief follow-upkosten, kan meebrengen welke hoger zijn dan 10 % van de waarde van de gedane schenking, is de goedkeuring vereist van het Europees Parlement en de Raad. Het Europees Parlement en de Raad spreken zich binnen twee maanden na ontvangst van een verzoek om zulke goedkeuring van de betrokken instellingen van de Unie uit. Indien binnen deze termijn geen bezwaar kenbaar wordt gemaakt, nemen de betrokken instellingen van de Unie een definitieve beslissing over de aanvaarding van de schenking. De betrokken instellingen van de Unie geven in hun verzoek aan het Europees Parlement en de Raad een toelichting op de financiële lasten als gevolg van de aanvaarding van schenkingen aan de Unie.

Artikel 26

Sponsoring door bedrijven

1.   Sponsoring door bedrijven behelst een overeenkomst waarbij een rechtspersoon voor promotiedoeleinden of in het kader van maatschappelijk verantwoord ondernemen steun in natura verleent aan een evenement of activiteit.

2.   Instellingen en organen van de Unie kunnen, op basis van specifieke interne regels, die op hun eigen website worden bekendgemaakt, bij wijze van uitzondering bedrijfssponsoring ontvangen, mits:

a)

de beginselen van non-discriminatie, evenredigheid, gelijke behandeling en transparantie in alle stadia van de procedure voor de aanvaarding van bedrijfssponsoring in acht worden genomen;

b)

de sponsoring bijdraagt tot het positieve imago van de Unie en rechtstreeks verband houdt met de kerndoelstelling van een evenement of activiteit;

c)

de sponsoring geen belangenconflict creëert en niet uitsluitend sociale evenementen betreft;

d)

het evenement of de activiteit niet uitsluitend via bedrijfssponsoring wordt gefinancierd;

e)

de tegenprestatie voor de bedrijfssponsoring beperkt blijft tot zichtbaarheid voor het publiek van het handelsmerk of de naam van de sponsor;

f)

de sponsor ten tijde van de sponsoringprocedure niet in een van de in artikel 136, lid 1, en artikel 141, lid 1, bedoelde situaties verkeert en evenmin opgenomen is in de in artikel 142, lid 1, bedoelde databank.

3.   Wanneer de bedrijfssponsoring meer dan 5 000 EUR bedraagt, worden de naam van de sponsor en de aard van het gesponsorde evenement of de gesponsorde activiteit opgenomen in een openbaar register.

Artikel 27

Regels betreffende inhoudingen en verrekening van koersverschillen

1.   Op het bedrag van betalingsverzoeken kunnen de volgende bedragen in mindering worden gebracht, waarvoor in dat geval een betalingsopdracht voor het nettobedrag wordt gegeven:

a)

de aan partijen bij overeenkomsten of begunstigden opgelegde boeten;

b)

de op facturen en kostendeclaraties in mindering gebrachte kortingen, terugbetalingen en rabatten;

c)

rente op betaalde voorfinancieringen;

d)

verrekeningen voor onverschuldigd betaalde bedragen.

De in de eerste alinea, onder d), bedoelde verrekeningen kunnen plaatsvinden door rechtstreekse inhouding op een nieuwe tussentijdse betaling of saldobetaling aan dezelfde begunstigde ten laste van het hoofdstuk, het artikel en het begrotingsjaar waarop het teveel betaalde is geboekt.

Op de in de eerste alinea, onder c) en d), genoemde inhoudingen zijn de boekhoudregels van de Unie van toepassing.

2.   De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van het Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het VEU en aan het VWEU is gehecht, worden terugbetaald door lidstaten, worden exclusief belastingen ten laste van de begroting gebracht.

3.   De prijzen van aan de Unie geleverde goederen en diensten waarin belastingen zijn begrepen die op grond van overeenkomsten ter zake door derde landen worden terugbetaald, kunnen ten laste van de begroting worden gebracht voor de volgende bedragen:

a)

het bedrag exclusief belastingen;

b)

het bedrag inclusief belastingen.

In het in de eerste alinea, onder b), bedoelde geval worden de achteraf terugbetaalde belastingen als interne bestemmingsontvangsten behandeld.

4.   De tijdens de uitvoering van de begroting geregistreerde koersverschillen mogen worden verrekend. Het positieve of negatieve resultaat wordt opgenomen in het saldo van het begrotingsjaar.

HOOFDSTUK 6

Specialiteitsbeginsel

Artikel 28

Algemene bepalingen

1.   De kredieten worden gespecificeerd per titel en hoofdstuk. De hoofdstukken worden onderverdeeld in artikelen en posten.

2.   Onder de in de artikelen 29 tot en met 32 vastgelegde specifieke voorwaarden kunnen de Commissie en de andere instellingen van de Unie binnen de begroting kredieten overschrijven.

Slechts begrotingsonderdelen waarvoor in de begroting een krediet is toegestaan of die de vermelding „pro memorie” (p.m.) dragen, kunnen door middel van overschrijvingen van kredieten worden voorzien.

De in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde limieten worden berekend op het tijdstip van het verzoek om overschrijving en op de grondslag van de in de begroting, met inbegrip van de gewijzigde begrotingen, opgenomen kredieten.

Het in aanmerking te nemen bedrag voor de berekening van de in de artikelen 29, 30 en 31 bedoelde limieten is de som van de overschrijvingen van het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, na correctie voor eerder verrichte overschrijvingen. Het bedrag van de overschrijvingen die autonoom, zonder besluit van het Europees Parlement en de Raad, door de Commissie of een andere betrokken instelling van de Unie worden verricht, wordt niet in aanmerking genomen.

Voorstellen voor kredietoverschrijvingen en alle voor het Europees Parlement en de Raad bestemde informatie met betrekking tot de overeenkomstig de artikelen 29, 30 en 31 uitgevoerde overschrijvingen gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken met de meest recente informatie waaruit de besteding van de kredieten en de verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar blijken, zowel voor de begrotingsonderdelen waarnaar de kredieten worden overgeschreven als die waarvan deze worden overgeschreven.

Artikel 29

Overschrijvingen door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.   Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting kredietoverschrijvingen verrichten:

a)

van de ene titel naar de andere, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat vermeld staat op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

b)

van het ene hoofdstuk naar het andere, zonder beperking.

2.   Onverminderd lid 4 van dit artikel, stelt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen een overschrijving als bedoeld in lid 1 te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

3.   Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan aan het Europees Parlement en de Raad binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen voorstellen van de ene titel naar de andere boven de grens, als bedoeld in lid 1, onder a), van dit artikel. Deze overschrijvingen geschieden volgens de procedure van artikel 31.

4.   Iedere andere instelling van de Unie dan de Commissie kan binnen haar eigen afdeling van de begroting overschrijvingen binnen artikelen verrichten zonder het Europees Parlement en de Raad hiervan van tevoren in kennis te stellen.

Artikel 30

Overschrijvingen door de Commissie

1.   De Commissie kan binnen haar afdeling van de begroting autonoom:

a)

in ieder hoofdstuk kredieten overschrijven;

b)

wat de personeelskosten en de huishoudelijke uitgaven betreft die gemeenschappelijk zijn voor verschillende titels, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven, en tot maximaal 30 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarnaar de kredieten worden overgeschreven;

c)

wat de beleidsuitgaven betreft, kredieten overschrijven tussen hoofdstukken binnen eenzelfde titel tot maximaal 10 % van de kredieten van het begrotingsjaar dat staat vermeld op het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

d)

wat de door het JRC bestede kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, binnen de begrotingstitel voor het beleidsterrein „eigen onderzoek” kredieten overschrijven tussen hoofdstukken, tot maximaal 15 % van de kredieten in het begrotingsonderdeel waarvan kredieten worden overgeschreven;

e)

wat onderzoek en technologische ontwikkeling betreft, beleidskredieten overschrijven van de ene titel naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten met hetzelfde doel;

f)

met betrekking tot beleidsuitgaven van de middelen die in gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF, kredieten overschrijven van de ene naar de andere titel, voor zover het gaat om kredieten voor hetzelfde doel in de zin van de verordening waarbij het betrokken fonds wordt opgericht of om uitgaven voor technische ondersteuning;

g)

kredieten overschrijven van de begrotingspost van een begrotingsgarantie naar de begrotingspost van een andere begrotingsgarantie, in de uitzonderlijke gevallen dat de voorzieningen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds van de begrotingspost van laatstgenoemde begrotingsgarantie niet toereikend zijn om een beroep op de garantie te dekken„ en zulks onder voorwaarde dat het overgeschreven bedrag nadien wordt teruggestort overeenkomstig de procedure van artikel 212, lid 4.

Onder de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde uitgaven vallen voor elk beleidsterrein de in artikel 47, lid 4, bedoelde rubrieken.

Wanneer de Commissie na 31 december ELGF-kredieten overschrijft overeenkomstig de eerste alinea, neemt zij haar besluit daartoe uiterlijk op 31 januari van het volgende begrotingsjaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad drie weken van tevoren in kennis van haar voornemen de in de eerste alinea, onder b), van dit lid bedoelde overschrijvingen te verrichten. Indien het Europees Parlement of de Raad in die periode naar behoren gemotiveerde bezwaren aanvoert, treedt de procedure van artikel 31 in werking.

Bij wijze van afwijking van de vierde alinea mag de Commissie tijdens de laatste twee maanden van het begrotingsjaar autonoom kredieten met betrekking tot uitgaven voor personeel, extern personeel en andere personeelsleden van de ene titel naar de andere overschrijven, tot in totaal 5 % van de kredieten voor dat jaar. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad binnen twee weken na haar besluit van deze overschrijvingen in kennis.

2.   De Commissie kan, mits zij het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk in kennis stelt van haar besluit, binnen haar afdeling van de begroting de volgende overschrijvingen van kredieten van de ene naar de andere titel verrichten:

a)

overschrijvingen van kredieten van de in artikel 49 van deze verordening genoemde titel „Voorzieningen”, wanneer de vaststelling van een basishandeling overeenkomstig artikel 294 VWEU de enige voorwaarde is om de reserve op te heffen;

b)

in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen zoals internationale humanitaire rampen en crises die zich na 1 december van het begrotingsjaar voordoen, overschrijvingen van ongebruikte kredieten die voor dat jaar nog beschikbaar zijn in titels die onder de voor extern optreden van de Unie aangewezen rubriek van het meerjarig financieel kader vallen, naar de titels die voor crisisbeheersingssteun en humanitaire hulpoperaties zijn bedoeld.

Artikel 31

Aan het Europees Parlement en aan de Raad door instellingen van de Unie voorgelegde voorstellen voor overschrijvingen

1.   Elke instelling van de Unie dient haar voorstellen voor overschrijvingen tegelijkertijd bij het Europees Parlement en bij de Raad in.

2.   De Commissie kan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar voorstellen doen voor overschrijvingen van betalingskredieten naar de middelen die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, met uitzondering van het ELGF. De overschrijving van betalingskredieten kan van elke begrotingspost geschieden. In dergelijke gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

Indien de overschrijving niet of slechts gedeeltelijk door het Europees Parlement en de Raad wordt goedgekeurd, wordt het desbetreffende deel van de uitgaven als bedoeld in artikel 10, lid 5, onder b), ten laste gelegd van de betalingskredieten van het volgende begrotingsjaar.

3.   Het Europees Parlement en de Raad nemen besluiten over kredietoverschrijvingen overeenkomstig de leden 4 tot en met 8.

4.   Behoudens in dringende omstandigheden wordt door het Europees Parlement en de Raad, die handelt met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, een besluit over elk voorstel tot overschrijving genomen binnen zes weken vanaf de datum waarop beide instellingen het voorstel hebben ontvangen. In dringende omstandigheden nemen het Europees Parlement en de Raad binnen drie weken na ontvangst van het voorstel een besluit.

5.   Indien de Commissie overweegt ELGF-kredieten over te schrijven overeenkomstig dit artikel, stelt zij de overschrijvingen uiterlijk op 10 januari van het volgende begrotingsjaar aan het Europees Parlement en de Raad voor. In deze gevallen wordt de in lid 4 vermelde periode van zes weken ingekort tot drie weken.

6.   Een voorstel tot overschrijving wordt goedgekeurd of geacht te zijn goedgekeurd indien binnen de termijn van zes weken:

a)

het Europees Parlement en de Raad ermee instemmen;

b)

het Europees Parlement of de Raad ermee instemt en de andere instelling zich van een besluit onthoudt;

c)

het Europees Parlement noch de Raad een besluit neemt dat het voorstel tot overschrijving wijzigt of weigert.

7.   Tenzij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt, bedraagt de termijn niet zes weken zoals bedoeld in lid 4, maar slechts drie weken indien:

a)

de overschrijving minder dan 10 % vertegenwoordigt van de kredieten van het begrotingsonderdeel van waaruit de overschrijving plaatsvindt, en niet meer dan 5 000 000 EUR bedraagt;

b)

de overschrijving alleen betrekking heeft op betalingskredieten en het totaalbedrag van de overschrijving niet meer dan 100 000 000 EUR bedraagt.

8.   Indien het Europees Parlement of de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd terwijl de andere instelling ermee heeft ingestemd of zich van een besluit onthoudt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad het bedrag van de overschrijving heeft gewijzigd, wordt het laagste bedrag geacht te zijn goedgekeurd, tenzij de instelling van de Unie in kwestie haar voorstel voor overschrijving intrekt.

Artikel 32

Overschrijvingen onderworpen aan bijzondere bepalingen

1.   De kredieten die overeenkomen met bestemmingsontvangsten kunnen slechts worden overgeschreven voor zover die ontvangsten voor hun bestemming worden gebruikt.

2.   Besluiten betreffende overschrijvingen die het gebruik van de reserve voor noodhulp mogelijk moeten maken, worden genomen door het Europees Parlement en de Raad op voorstel van de Commissie.

Voor de toepassing van dit lid is de in artikel 31, leden 3 en 4, bepaalde procedure van toepassing. Indien het Europees Parlement en de Raad het Commissievoorstel niet goedkeuren en zij niet tot een Gemeenschappelijk Standpunt inzake het gebruik van de reserve voor noodhulp komen, onthouden zij zich van een besluit inzake dat voorstel.

Voorstellen voor overschrijvingen uit de reserve voor noodhulp gaan vergezeld van passende en gedetailleerde bewijsstukken, met:

a)

de meest recente informatie over de besteding van de kredieten en verwachte behoeften tot het einde van het begrotingsjaar voor het begrotingsonderdeel waarnaar wordt overgeschreven;

b)

een analyse van de mogelijkheden om de kredieten een andere bestemming te geven.

HOOFDSTUK 7

Beginsel van goed financieel beheer en prestaties

Artikel 33

Prestaties en beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid

1.   Kredieten worden gebruikt overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer en worden bijgevolg besteed met inachtneming van de volgende beginselen:

a)

zuinigheid: de door de betrokken instelling van de Unie voor haar activiteiten ingezette middelen worden tijdig, in passende hoeveelheid en kwaliteit en tegen de best mogelijke prijs beschikbaar gesteld;

b)

efficiëntie: de beste verhouding tussen de ingezette middelen, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten;

c)

doeltreffendheid: de mate waarin de nagestreefde doelstellingen door de activiteiten worden verwezenlijkt.

2.   In overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer staan bij de besteding van kredieten prestaties centraal en daartoe:

a)

worden doelstellingen van programma’s en activiteiten vooraf vastgesteld;

b)

wordt de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen gemonitord aan de hand van prestatie-indicatoren;

c)

worden de voortgang bij en problemen met de verwezenlijking van doelstellingen gerapporteerd aan het Europees Parlement en aan de Raad overeenkomstig artikel 41, lid 3, eerste alinea, onder h), en artikel 247, lid 1, onder e).

3.   In voorkomend geval worden specifieke, meetbare, haalbare, relevante en tijdgebonden doelstellingen als bedoeld in de leden 1 en 2 en relevante, aanvaarde, geloofwaardige, eenvoudige en robuuste indicatoren bepaald.

Artikel 34

Evaluaties

1.   Programma’s en activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich brengen, worden aan een evaluatie vooraf en achteraf onderworpen, die in verhouding staat tot de doelstellingen en de uitgaven.

2.   Evaluaties vooraf ter ondersteuning van de voorbereiding van programma’s en activiteiten zijn gebaseerd op gegevens betreffende de prestaties van verwante programma’s of activiteiten en bieden een overzicht en een analyse van de problemen die moeten worden aangepakt, de meerwaarde van de rol van de Unie, de doelstellingen, de verwachte effecten van verschillende opties en monitoring- en evaluatieregelingen.

Voor grootschalige programma’s of activiteiten die naar verwachting aanzienlijke economische, milieu- of sociale effecten zullen sorteren, kan de evaluatie vooraf, met inachtneming van de hierboven beschreven voorschriften, de vorm van een effectbeoordeling aannemen die de diverse opties betreffende de uitvoeringsmethoden analyseert.

3.   Evaluaties achteraf betreffen de prestaties van het programma of de activiteit, met inbegrip van aspecten als doeltreffendheid, efficiëntie, samenhang, relevantie en EU-meerwaarde. Evaluaties achteraf zijn gebaseerd op de informatie die voortkomt uit de monitoringregelingen en de voor de betreffende actie gecreëerde indicatoren. Deze evaluaties worden ten minste eenmaal gedurende de periode van elk meerjarig financieel kader en waar mogelijk tijdig genoeg uitgevoerd om de bevindingen te kunnen meenemen in evaluaties vooraf of effectbeoordelingen ter voorbereiding van verwante programma’s en activiteiten.

Artikel 35

Verplicht financieel memorandum

1.   Bij ieder voorstel of initiatief dat door de Commissie, de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („de hoge vertegenwoordiger”) of een lidstaat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteit en dat gevolgen kan hebben voor de begroting, daaronder begrepen wijzigingen in het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat schattingen bevat van de betalings- en vastleggingskredieten vermeldt, door middel van een beoordeling van de verschillende beschikbare financieringsopties en de evaluatie vooraf of effectbeoordeling waarin artikel 34 voorziet.

Bij iedere wijziging van een voorstel of initiatief dat wordt ingediend bij de wetgevende autoriteiten dat een aanzienlijk gevolg kan hebben voor de begroting, met inbegrip van het aantal ambten, wordt een financieel memorandum gevoegd dat is opgesteld door de instelling van de Unie die de wijziging voorstelt.

Het financieel memorandum bevat de nodige financiële en economische gegevens op grond waarvan de wetgevende autoriteit kan beoordelen of een optreden van de Unie noodzakelijk is. Voorts bevat het nuttige informatie over de samenhang met andere activiteiten van de Unie en eventuele synergie.

Voor meerjarenacties omvat het financieel memorandum een tijdschema met een raming van de jaarlijks benodigde vastleggings- en betalingskredieten en ambten, met inbegrip van extern personeel, alsmede een evaluatie van de financiële gevolgen op middellange en, indien mogelijk, lange termijn.

2.   Tijdens de begrotingsprocedure verstrekt de Commissie de nodige informatie voor een vergelijking tussen de ontwikkeling van de kredietbehoeften en de oorspronkelijke ramingen in het financieel memorandum, op basis van de stand van de beraadslagingen over het voorstel of initiatief dat is ingediend bij de wetgevende autoriteit.

3.   Om het gevaar van fraude, onregelmatigheden en het niet-behalen van de doelstellingen te verkleinen, worden in het financieel memorandum informatie betreffende het ingestelde internecontrolesysteem, een raming van de kosten en baten van door een dergelijk systeem uitgevoerde controles en een evaluatie van het verwachte foutenrisico verstrekt, en wordt informatie inzake bestaande en geplande maatregelen inzake fraudepreventie en bescherming tegen fraude opgegeven.

Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met de verwachte omvang en soort fouten, de specifieke omstandigheden van het beleidsterrein in kwestie en met de daarop toepasselijke regels.

4.   Wanneer de Commissie herziene of nieuwe voorstellen voor uitgaven indient, raamt zij de kosten en baten van de controlesystemen en het verwachte foutenrisico als bedoeld in lid 3.

Artikel 36

Interne controle op de begrotingsuitvoering

1.   Op grond van het beginsel van goed financieel beheer wordt de begroting uitgevoerd met de doeltreffende en efficiënte interne controle naargelang elke wijze van uitvoering, en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

2.   Voor de uitvoering van de begroting is interne controle van toepassing op alle niveaus van het beheer en dient het redelijke zekerheid te verschaffen over de verwezenlijking van de volgende doelstellingen:

a)

doeltreffendheid, efficiëntie en zuinigheid van de operaties;

b)

betrouwbaarheid van de verslaglegging;

c)

bescherming van activa en informatie;

d)

preventie, opsporing, correctie en follow-up van fraude en onregelmatigheden;

e)

adequate beheersing van de risico’s in verband met de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, rekening houdend met het meerjarige karakter van de programma’s en met de aard van de betrokken betalingen.

3.   Een doeltreffende interne controle is gebaseerd op beproefde internationale methoden en omvat in het bijzonder de volgende elementen:

a)

een scheiding van taken;

b)

een adequate risicobeheersings- en controlestrategie, inclusief controles op het niveau van de ontvangers;

c)

de vermijding van belangenconflicten;

d)

adequate auditsporen en de integriteit van de gegevens in gegevenssystemen;

e)

procedures voor het monitoren van de doeltreffendheid en de efficiëntie;

f)

procedures voor de follow-up van vastgestelde zwakheden van de interne controle, en uitzonderingen;

g)

een periodieke evaluatie van de goede werking van het interne controlesysteem.

4.   Een efficiënte interne controle is gebaseerd op de volgende elementen:

a)

de uitvoering van een adequate, door de relevante bij de controleketen betrokken actoren onderling gecoördineerde risicobeheersings- en controlestrategie;

b)

de toegankelijkheid van de controleresultaten voor alle relevante, bij de controleketen betrokken actoren;

c)

vertrouwen, waar passend, op beheersverklaringen van uitvoeringspartners en op onafhankelijke auditadviezen, mits de kwaliteit van de onderliggende werkzaamheden adequaat en aanvaardbaar is en dat het werd verricht overeenkomstig gevestigde normen;

d)

de tijdige toepassing van corrigerende maatregelen, waaronder passende en afschrikkende sancties;

e)

duidelijke en ondubbelzinnige wetgeving als grondslag voor het betreffende beleid, met inbegrip van basishandelingen betreffende de elementen van de interne controle;

f)

het wegnemen van dubbele controles;

g)

de verbetering van de kosten-batenverhouding van controles.

5.   Indien het foutenpercentage bij de uitvoering aanhoudend hoog is, brengt de Commissie de zwakke punten in de controlesystemen in kaart, onderzoekt zij de kosten en baten van eventuele corrigerende maatregelen en neemt zij passende maatregelen of stelt deze voor, bijvoorbeeld een vereenvoudiging van de toepasselijke bepalingen, verbetering van de controlesystemen en bijsturing van het programma of uitvoeringssystemen.

HOOFDSTUK 8

Transparantiebeginsel

Artikel 37

Bekendmaking van de rekeningen en begrotingen

1.   De begroting wordt opgesteld, uitgevoerd en aan rekening en verantwoording onderworpen in overeenstemming met het transparantiebeginsel.

2.   De begroting en de gewijzigde begrotingen worden in hun definitief vastgestelde vorm op initiatief van de voorzitter van het Europees Parlement bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze bekendmaking geschiedt binnen drie maanden na de datum waarop de definitieve vaststelling van de begroting wordt geconstateerd.

Zo spoedig mogelijk en uiterlijk vier weken na de definitieve vaststelling van de begroting worden de definitieve gedetailleerde begrotingscijfers op initiatief van de Commissie in alle talen bekendgemaakt op de website van de instellingen van de Unie, in afwachting van de officiële bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De geconsolideerde jaarrekening wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en op de website van de instellingen van de Unie.

Artikel 38

Bekendmaking van informatie over ontvangers en andere informatie

1.   De Commissie stelt op passende en tijdige wijze haar informatie over ontvangers van middelen uit de begroting ter beschikking indien de begroting door haar overeenkomstig artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder a), worden uitgevoerd.

De eerste alinea van dit lid geldt ook voor andere instellingen van de Unie wanneer zij krachtens artikel 59, lid 1, de begroting uitvoeren.

2.   Behoudens de in de leden 3 en 4 bedoelde gevallen wordt de volgende informatie bekendgemaakt met inachtneming van de vereisten inzake geheimhouding en beveiliging, met name inzake de bescherming van persoonsgegevens:

a)

de naam van de ontvanger;

b)

de locatie van de ontvanger, te weten:

i)

het adres van de ontvanger, wanneer deze een rechtspersoon is;

ii)

de regio op NUTS 2-niveau, wanneer de ontvanger een natuurlijke persoon is;

c)

het bedrag waarvoor een juridische verbintenis is aangegaan;

d)

de aard en het doel van de maatregel.

De in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie wordt alleen openbaar gemaakt voor prijzen, subsidies en overeenkomsten die zijn toegekend dan wel gegund als gevolg van wedstrijden, procedures voor toekenning van subsidies of aanbestedingsprocedures, en voor deskundigen die zijn geselecteerd overeenkomstig artikel 237, lid 2.

3.   De in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie wordt niet bekendgemaakt wanneer het gaat om:

a)

onderwijssteun uitbetaald aan natuurlijke personen en andere rechtstreekse steunbetalingen die worden betaald aan de meest behoeftige natuurlijke personen als bedoeld in artikel 191, lid 4, onder b);

b)

overeenkomsten van zeer geringe waarde toegekend aan overeenkomstig artikel 237, lid 2, geselecteerde deskundigen, alsmede overeenkomsten van zeer geringe waarde onder het in punt 14.4 van bijlage I bedoelde bedrag;

c)

financiële steun verleend door middel van financieringsinstrumenten voor een bedrag van minder dan 500 000 EUR;

d)

wanneer bekendmaking afbreuk dreigt te doen aan de bij het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie beschermde rechten en vrijheden van betrokken personen of entiteiten of de commerciële belangen van ontvangers dreigt te schaden.

In de in de eerste alinea, onder c), bedoelde gevallen wordt de ter beschikking gestelde informatie beperkt tot op basis van relevante criteria geaggregeerde statistische gegevens, zoals geografische ligging, economische typologie van ontvangers, het type steun en het beleidsterrein van de Unie waarop deze steun werd verleend.

Wanneer het gaat om natuurlijke personen geschiedt de bekendmaking van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde informatie op basis van relevante criteria, zoals de frequentie of het soort maatregel en de bedragen in kwestie.

4.   Personen en entiteiten die middelen van de Unie uitvoeren krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), maken de informatie over ontvangers bekend volgens de op hen toepasselijke regelgeving en procedures, voor zover die regelgeving geacht wordt gelijkwaardig te zijn op grond van een beoordeling door de Commissie overeenkomstig artikel 154, lid 4, eerste alinea, onder e), en op voorwaarde dat er voor de bekendmaking van persoonsgegevens waarborgen gelden die gelijkwaardig zijn aan de in dit artikel uiteengezette waarborgen.

De overeenkomstig artikel 63, lid 3, aangewezen organen maken informatie bekend overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving. Die sectorspecifieke regelgeving mag, waar de relevante rechtsgrondslag hierin voorziet, afwijken van de leden 2 en 3 van dit artikel, met name voor wat de bekendmaking van persoonsgegevens betreft, wanneer dit op grond van de in lid 3, derde alinea, van dit artikel vermelde criteria gerechtvaardigd is, rekening houdend met de specifieke kenmerken van die sector.

5.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt uiterlijk op 30 juni van het jaar na het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis is aangegaan, op een websites van de instellingen van de Unie bekendgemaakt.

Op de websites van de instellingen van de Unie wordt het adres van de website vermeld waar de in lid 1 bedoelde informatie te vinden is, behalve wanneer die rechtstreeks op een specifiek daartoe bestemde website van de instellingen van de Unie wordt bekendgemaakt.

De Commissie stelt op passende en tijdige wijze informatie ter beschikking over een enkele website, met verwijzing naar het adres ervan, waarop de informatie die door de in lid 4 bedoelde personen, entiteiten of organen is verstrekt, te vinden is.

6.   Bekendgemaakte persoonsgegevens worden gewist twee jaar na het einde van het begrotingsjaar waarin voor de middelen een juridische verbintenis werd aangegaan. Hetzelfde geldt voor persoonsgegevens betreffende rechtspersonen waarvan de officiële benaming één of meer natuurlijke personen identificeert.

TITEL III

OPSTELLING EN STRUCTUUR VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

Opstelling van de begroting

Artikel 39

Raming van uitgaven en ontvangsten

1.   Elke andere instelling van de Unie dan de Commissie stelt een raming op van haar ontvangsten en uitgaven, die zij vóór 1 juli van elk jaar aan de Commissie en tegelijkertijd ter informatie aan het Europees Parlement en aan de Raad toezendt.

2.   De hoge vertegenwoordiger pleegt overleg, betreffende hun respectieve bevoegdheidsgebieden, met de leden van de Commissie die bevoegd zijn voor ontwikkeling, nabuurschapsbeleid, internationale samenwerking, humanitaire hulp en crisisrespons.

3.   De Commissie stelt haar eigen raming op en zendt deze onverwijld na goedkeuring ervan aan het Europees Parlement en aan de Raad toe. Bij de opstelling van haar eigen raming maakt de Commissie gebruik van de in artikel 40 bedoelde informatie.

Artikel 40

Geraamde begroting van de in artikel 70 bedoelde organen van de Unie

Uiterlijk op 31 januari van elk jaar zendt elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie de Commissie, het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig zijn oprichtingsbesluit het ontwerp van zijn enkelvoudig programmeringsdocument toe met daarin zijn jaarlijkse en meerjarige programmering en de desbetreffende planning van de personele en financiële middelen.

Artikel 41

Ontwerpbegroting

1.   De Commissie dient uiterlijk op 1 september van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de begroting moet worden uitgevoerd, bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in dat de ontwerpbegroting bevat. Zij zendt dit voorstel ter informatie aan de nationale parlementen toe.

De ontwerpbegroting bevat een algemene, samenvattende staat van de ontvangsten en uitgaven van de Unie en de in artikel 39 bedoelde ramingen. De ontwerpbegroting kan tevens ramingen bevatten die afwijken van de door de instellingen van de Unie opgestelde ramingen.

De ontwerpbegroting wordt gestructureerd en ingericht zoals in de artikelen 47 tot en met 52 is uiteengezet.

Elke afdeling van de ontwerpbegroting wordt voorafgegaan door een inleiding van de betrokken instelling van de Unie zelf.

De Commissie stelt de algemene inleiding tot de ontwerpbegroting op. De algemene inleiding bestaat uit tabellen met de belangrijkste financiële gegevens per titel en toelichtingen bij de variaties in de kredieten van het ene begrotingsjaar tot het andere, per uitgavencategorie van het meerjarig financieel kader.

2.   Teneinde nauwkeurigere en betrouwbaardere ramingen te kunnen verstrekken over de gevolgen voor de begroting van geldende wetgeving en wetgevingsvoorstellen die in behandeling zijn, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een indicatieve financiële programmering voor de volgende jaren, ingedeeld naar uitgavencategorie, beleidsterrein en begrotingsonderdeel. De volledige financiële programmering omvat de uitgavencategorieën die vallen onder punt 30 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (37). Samenvattende gegevens worden verstrekt voor de uitgavencategorieën die niet onder punt 30 van dat Interinstitutioneel Akkoord vallen.

De indicatieve financiële programmering wordt na de vaststelling van de begroting op basis van de uitkomst van de begrotingsprocedure en eventuele andere relevante besluiten bijgewerkt.

3.   Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie:

a)

een vergelijkende tabel met de ontwerpbegroting voor de andere instellingen van de Unie en de oorspronkelijke aan de Commissie toegezonden ramingen van de andere instellingen van de Unie en, in voorkomend geval, met de redenen waarom de ontwerpbegroting ramingen bevat die afwijken van door andere instellingen van de Unie opgestelde ramingen;

b)

ieder nuttig geacht werkdocument over de personeelsformaties van de instellingen van de Unie, dat de laatste goedgekeurde personeelsformatie bevat en een overzicht geeft van:

i)

al het personeel dat bij de Unie in dienst is, per soort arbeidsovereenkomst;

ii)

een toelichting op het beleid inzake vast en extern personeel en genderevenwicht;

iii)

het aantal posten dat is vervuld op de laatste dag van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, en het jaarlijkse gemiddelde van voltijdsequivalenten dat daadwerkelijk in dienst is voor dat voorgaande jaar, waarbij de verdeling per rang, per geslacht en per administratieve eenheid wordt aangegeven;

iv)

een uitsplitsing van het personeel naar beleidsterrein;

v)

voor elke categorie van extern personeel, het oorspronkelijk geraamde aantal voltijdsequivalenten op basis van de toegestane kredieten, alsmede het aantal personen dat aan het begin van het jaar waarin de ontwerpbegroting wordt gepresenteerd, daadwerkelijk in dienst is, waarbij de uitsplitsing per functiegroep wordt weergeven en waar passend per rang;

c)

voor de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie, een werkdocument met een overzicht van de ontvangsten en uitgaven, alsmede alle informatie over het in deze alinea, onder b), bedoelde personeel.

d)

een werkdocument over de geplande besteding van kredieten voor het begrotingsjaar en over nog betaalbaar te stellen vastleggingen;

e)

met betrekking tot kredieten voor administratie, een werkdocument met de administratieve uitgaven die door de Commissie moeten worden verricht in het kader van haar afdeling van de begroting;

f)

een werkdocument over proefprojecten en voorbereidende acties dat eveneens een beoordeling van de resultaten en de geplande follow-up bevat;

g)

met betrekking tot de financiering van internationale organisaties, een werkdocument met daarin:

i)

een overzicht van al deze bijdragen, gerangschikt per Unieprogramma of -fonds en per internationale organisatie;

ii)

een uiteenzetting van de reden waarom het voor de Unie efficiënter is deze internationale organisaties te financieren in plaats van rechtstreeks zelf op te treden;

h)

programmaverklaringen of andere toepasselijke documenten met de volgende toelichting:

i)

een vermelding van het beleid en de doelstellingen van de Unie waartoe het programma dient bij te dragen;

ii)

een duidelijke rechtvaardiging van maatregelen op het niveau van de Unie overeenkomstig, onder meer, het subsidiariteitsbeginsel;

iii)

voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, als bedoeld in artikel 33;

iv)

een volledige motivering, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van voorgestelde wijzigingen in het niveau van de kredieten;

v)

informatie over de uitvoeringsgraad van het programma in het lopende en het voorgaande begrotingsjaar;

i)

een overzicht van de tijdschema’s voor de betalingen met een samenvatting per programma en per rubriek van de in latere begrotingsjaren te verrichten betalingen uit hoofde van in de ontwerpbegroting voorgestelde vastleggingen voor voorgaande begrotingsjaren.

Indien publiek-private partnerschappen gebruikmaken van financieringsinstrumenten, wordt de informatie met betrekking tot deze instrumenten opgenomen in het in lid 4 bedoelde werkdocument.

4.   Indien de Commissie gebruikmaakt van financieringsinstrumenten, voegt zij bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elk financieringsinstrument een overzicht van het volgende:

a)

een verwijzing naar het financieringsinstrument en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van het instrument, de gevolgen ervan voor de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de bijdrage van de Unie;

b)

de financiële instellingen die zijn betrokken bij de uitvoering, met inbegrip van eventuele kwesties in verband met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c)

de bijdrage van het financieringsinstrument aan de verwezenlijking van de doelstellingen van het desbetreffende programma zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie;

d)

de voorgenomen verrichtingen, met inbegrip van doelvolumes gebaseerd op het beoogde hefboomeffect en het privékapitaal dat naar verwachting zal worden aangetrokken, of indien niet beschikbaar, op het hefboomeffect dat voortvloeit uit de bestaande financieringsinstrumenten;

e)

de met de betrokken verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen en de samengevoegde vastleggingen in de begroting en betalingen uit de begroting;

f)

de gemiddelde periode tussen de vastlegging in de begroting voor de financieringsinstrumenten en de juridische verbintenissen voor individuele projecten in de vorm van eigen vermogen of schuld, indien de duur daarvan langer is dan drie jaar;

g)

ontvangsten en terugbetalingen overeenkomstig artikel 209, lid 3, apart vermeld, met inbegrip van een beoordeling van het gebruik ervan;

h)

de waarde van investeringen in eigen vermogen, met betrekking tot voorgaande jaren;

i)

het totaal aan voorzieningen voor risico’s en aansprakelijkheden, alsmede enige informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico, met inbegrip van eventuele voorwaardelijke verplichtingen;

j)

de waardevermindering van activa en beroepen op garanties, zowel voor het voorgaande jaar als de respectievelijke geaccumuleerde cijfers;

k)

de prestaties van het financieringsinstrument, met inbegrip van de verwezenlijkte investeringen, de beoogde en verwezenlijkte hefboom- en multiplicatoreffecten, alsmede het volume aangetrokken privékapitaal;

l)

de in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds voorziene middelen en, in voorkomend geval, het saldo op de trustrekening.

Het in de eerste alinea bedoelde werkdocument bevat eveneens een overzicht van de administratieve uitgaven in verband met de beheerskosten en andere financiële en huishoudelijke lasten betaald voor het beheer van financieringsinstrumenten in totaal en per beherende partij en per beheerd financieringsinstrument.

De Commissie zet de redenen uiteen voor de in de eerste alinea, onder f), bedoelde periode en formuleert indien nodig een actieplan voor de verkorting van de periode in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure.

In het in de eerste alinea bedoelde werkdocument wordt de informatie per financieringsinstrument samengevat in een duidelijke en beknopte tabel.

5.   Indien de Unie een begrotingsgarantie heeft verstrekt, voegt de Commissie bij de ontwerpbegroting een werkdocument met voor elke begrotingsgarantie en voor het gemeenschappelijk voorzieningsfonds:

a)

een verwijzing naar de begrotingsgarantie en de basishandeling ervan, samen met een algemene beschrijving van de begrotingsgarantie en de gevolgen ervan voor de financiële verplichtingen van de begroting, de looptijd ervan en de meerwaarde van de steun van de Unie;

b)

de tegenpartijen voor de begrotingsgarantie, met inbegrip van eventuele kwesties die verband houden met de toepassing van artikel 155, lid 2;

c)

de bijdrage van de begrotingsgarantie tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de begrotingsgarantie zoals gemeten op basis van de vastgestelde indicatoren, met inbegrip van, in voorkomend geval, de geografische diversificatie en het aantrekken van middelen uit de particuliere sector;

d)

informatie over onder de begrotingsgarantie vallende verrichtingen op geaggregeerde basis naar sectoren, landen en instrumenten, in voorkomend geval met inbegrip van portefeuilles en steun in combinatie met andere acties van de Unie;

e)

het bedrag dat aan de ontvangers is overgemaakt en een beoordeling van het hefboomeffect van de uit hoofde van de begrotingsgarantie ondersteunde projecten;

f)

op dezelfde basis als de onder d) bedoelde geaggregeerde informatie over het beroep op de begrotingsgarantie, verliezen, rendement, invorderingen en andere ontvangen betalingen;

g)

informatie over het financieel beheer, de resultaten en het risico van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds aan het einde van het voorgaande kalenderjaar;

h)

het effectieve voorzieningspercentage van het gemeenschappelijk voorzieningsfonds en, in voorkomend geval, de daaropvolgende verrichtingen overeenkomstig artikel 213, lid 4;

i)

de financiële stromen in het gemeenschappelijk voorzieningsfonds tijdens het voorgaande kalenderjaar alsmede de significante verrichtingen en relevante informatie over de blootstelling van de Unie aan financieel risico;

j)

overeenkomstig artikel 210, lid 3, een beoordeling van de houdbaarheid van de voorwaardelijke verplichtingen ten laste van de begroting als gevolg van begrotingsgaranties of financiële bijstand.

6.   Indien de Commissie gebruikmaakt van trustfondsen van de Unie voor extern optreden, voegt zij bij de ontwerpbegroting een gedetailleerd werkdocument over de door die trustfondsen ondersteunde activiteiten, onder meer over:

a)

de uitvoering ervan, met onder meer informatie over de monitoringregelingen met de entiteiten die trustfondsen uitvoeren;

b)

de beheerskosten ervan;

c)

de bijdragen van andere donoren dan de Unie;

d)

een voorlopige beoordeling van de prestaties ervan op basis van de in artikel 234, lid 3, vastgelegde voorwaarden;

e)

een beschrijving van de wijze waarop hun activiteiten hebben bijgedragen tot de doelstellingen die zijn neergelegd in de basishandeling van het instrument waaruit de bijdrage van de Unie aan het trustfonds is verstrekt.

7.   De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een lijst van haar besluiten waarbij boeten op het gebied van het mededingingsrecht worden opgelegd, met vermelding van het bedrag van elke opgelegde boete, vergezeld van informatie over de vraag of die boeten definitief zijn geworden of dat ze het voorwerp zijn van beroep, of dat nog kunnen worden, bij het Hof van Justitie van de Europese Unie, alsmede, waar mogelijk, informatie over wanneer elke boete naar verwachting definitief zal worden.

8.   De Commissie voegt bij de ontwerpbegroting een werkdocument met daarin vermeld, voor elk begrotingsonderdeel waarvoor interne of externe bestemmingsontvangsten worden ontvangen:

a)

het geraamde bedrag van die te ontvangen ontvangsten;

b)

het geraamde bedrag van die van voorgaande jaren overgedragen ontvangsten.

9.   Bij de ontwerpbegroting voegt de Commissie tevens alle andere werkdocumenten die zij dienstig acht voor het Europees Parlement en voor de Raad ter beoordeling van de begrotingsverzoeken.

10.   Overeenkomstig artikel 8, lid 5, van Besluit 2010/427/EU van de Raad (38), zendt de Commissie het Europees Parlement en de Raad samen met de ontwerpbegroting een werkdocument toe met een volledig overzicht van:

a)

alle uit de begroting gefinancierde administratieve en beleidsuitgaven in verband met het extern optreden van de Unie, met inbegrip van de taken op het gebied van het GBVB en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid;

b)

alle administratieve uitgaven van de EDEO in het voorgaande jaar, uitgesplitst in uitgaven per delegatie van de Unie en uitgaven van het hoofdkantoor van de EDEO; samen met beleidsuitgaven, uitgesplitst naar geografisch gebied (regio’s, landen), thematisch gebied, delegaties van de Unie en missies.

11.   Het in lid 10 bedoelde werkdocument bevat tevens de volgende gegevens:

a)

het aantal ambten in elke categorie en rang, en het aantal vaste en tijdelijke ambten, met inbegrip van arbeidscontractanten en plaatselijke functionarissen waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten in elke delegatie van de Unie, alsmede in het hoofdkantoor van de EDEO;

b)

mutaties, vergeleken met het voorgaande begrotingsjaar, in het aantal ambten per categorie en rang, in het hoofdkantoor van de EDEO en in alle delegaties van de Unie;

c)

het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten en, voor het voorgaande begrotingsjaar, alsmede het aantal ambten dat wordt bezet door gedetacheerde diplomaten uit de lidstaten en door ambtenaren van de Unie;

d)

al het personeel in de delegaties van de Unie op het moment van indiening van de ontwerpbegroting, uitgesplitst naar geografisch gebied, geslacht, afzonderlijk land en missie, met opgave van het aantal ambten in de personeelsformatie, arbeidscontractanten, lokale functionarissen en gedetacheerde nationale deskundigen, alsmede de in de ontwerpbegroting gevraagde kredieten voor dergelijke soorten personeel met de bijbehorende ramingen van het aantal voltijdsequivalenten op basis van de gevraagde kredieten.

Artikel 42

Nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting

Op grond van nieuwe informatie die ten tijde van de opstelling van de ontwerpbegroting niet bekend was, kan de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van een andere instelling van de Unie met betrekking tot hun respectieve afdeling, gelijktijdig bij het Europees Parlement en de Raad één of meer nota’s van wijzigingen indienen waarmee de ontwerpbegroting wordt gewijzigd, voordat het in artikel 314 VWEU genoemde bemiddelingscomité is bijeengekomen. Dergelijke nota’s kunnen onder meer een nota van wijzigingen omvatten tot actualisering van met name de geraamde landbouwuitgaven.

Artikel 43

Verplichtingen van de lidstaten als gevolg van de vaststelling van de begroting

1.   De voorzitter van het Europees Parlement constateert volgens de procedure van artikel 314, lid 9, VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag dat de begroting definitief is vastgesteld.

2.   De constatering van de definitieve vaststelling van de begroting brengt, met ingang van 1 januari van het volgende begrotingsjaar of met ingang van de datum van de constatering van de definitieve vaststelling van de begroting als die na 1 januari valt, voor elke lidstaat de verplichting met zich mee de Unie de verschuldigde bedragen ter beschikking te stellen op de wijze bepaald in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Artikel 44

Ontwerpen van gewijzigde begroting

1.   De Commissie kan in de volgende omstandigheden ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op ontvangsten zijn gericht:

a)

om in de begroting het saldo van het voorgaande begrotingsjaar op te nemen overeenkomstig de procedure van artikel 18;

b)

om de raming van de eigen middelen te herzien op basis van aangepaste economische prognoses;

c)

om de herziene raming van de eigen middelen en andere inkomsten te actualiseren alsmede om de beschikbaarheid van en de behoeften aan betalingskredieten te herzien.

De Commissie kan in geval van onvermijdbare, uitzonderlijke of onvoorziene omstandigheden, met name met het oog op de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, ontwerpen van gewijzigde begroting indienen die vooral op uitgaven zijn gericht.

2.   Verzoeken om gewijzigde begrotingen die in de in lid 1 genoemde omstandigheden door andere instellingen van de Unie dan de Commissie worden gedaan, worden doorgegeven aan de Commissie.

Alvorens een ontwerp van gewijzigde begroting in te dienen, onderzoeken de Commissie en de andere betrokken instellingen van de Unie de mogelijkheid om de desbetreffende kredieten te herschikken, met name met betrekking tot de verwachting dat bepaalde kredieten niet volledig zullen worden opgebruikt.

Artikel 43 is van toepassing op gewijzigde begrotingen. Gewijzigde begrotingen worden gemotiveerd onder verwijzing naar de begroting waarvan zij de ramingen wijzigen.

3.   De Commissie dient haar ontwerpen van gewijzigde begroting uiterlijk op 1 september van elk begrotingsjaar gelijktijdig bij het Europees Parlement en bij de Raad in, behoudens in naar behoren gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden of in geval van de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Solidariteitsfonds waarvoor op elk moment van het jaar een ontwerp van gewijzigde begroting kan worden ingediend. Zij kan bij de door andere instellingen van de Unie ingediende verzoeken om gewijzigde begrotingen een advies voegen.

4.   De ontwerpen van gewijzigde begroting gaan vergezeld van de ten tijde van de opstelling ervan beschikbare motiveringen en gegevens over de uitvoering van de begroting van het voorgaande en het lopende begrotingsjaar.

Artikel 45

Vervroegde indiening van de ramingen en ontwerpbegrotingen

De Commissie, het Europees Parlement en de Raad kunnen overeenkomen bepaalde data voor de indiening van de ramingen en voor de aanneming en de indiening van de ontwerpbegroting te vervroegen. Deze overeenkomst leidt er evenwel niet toe dat de termijnen voor de behandeling van die teksten, als voorgeschreven in artikel 314 VWEU en artikel 106 bis van het Euratom-Verdrag, worden verkort of verlengd.

HOOFDSTUK 2

Structuur en inrichting van de begroting

Artikel 46

Structuur van de begroting

De begroting omvat:

a)

een algemene staat van uitgaven en ontvangsten;

b)

aparte afdelingen voor elke instelling van de Unie, behalve voor de Europese Raad en voor de Raad die onder dezelfde afdeling ressorteren, verdeeld in staten van uitgaven en ontvangsten.

Artikel 47

Begrotingsnomenclatuur

1.   De ontvangsten van de Commissie en de uitgaven en ontvangsten van de overige instellingen van de Unie worden door het Europees Parlement en door de Raad ingedeeld in titels, hoofdstukken, artikelen en posten al naar hun aard of bestemming.

2.   De staat van uitgaven van de begrotingsafdeling betreffende de Commissie wordt ingericht volgens de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde nomenclatuur met een indeling naar de bestemming van de uitgave.

Elke titel komt overeen met een beleidsterrein en elk hoofdstuk als regel met een programma of een activiteit.

Elke titel kan beleidskredieten en administratieve kredieten bevatten. Binnen een zelfde titel worden de administratieve kredieten samengebracht in één hoofdstuk.

De begrotingsnomenclatuur voldoet aan de beginselen van specialiteit, goed financieel beheer en transparantie. Zij zorgt voor de voor het begrotingsproces benodigde duidelijkheid en transparantie, helpt de hoofddoelstellingen die in de respectieve rechtsgrondslagen zijn vastgesteld, te bepalen, maakt het mogelijk politieke prioriteiten te stellen en deze op een efficiënte en doeltreffende wijze te implementeren.

3.   De Commissie kan om de opname van een vermelding „pro memorie” in een begrotingsonderdeel zonder toegestane kredieten verzoeken. Een dergelijk verzoek zal overeenkomstig de in artikel 31 vastgestelde procedure worden goedgekeurd.

4.   In geval van indiening per bestemming worden de administratieve kredieten voor afzonderlijke titels als volgt ingericht:

a)

uitgaven voor het door de personeelsformatie toegestane aantal personeelsleden, die de kredieten en het aantal ambten voor de personeelsformatie omvatten;

b)

uitgaven voor extern personeel en andere uitgaven als bedoeld in artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder b), en gefinancierd uit hoofde van de rubriek „Administratie” van het meerjarig financieel kader;

c)

uitgaven voor gebouwen en andere, hiermee verband houdende uitgaven, waaronder die voor schoonmaak en onderhoud, huur, telecommunicatie, water, gas en elektriciteit;

d)

uitgaven voor extern personeel en technische ondersteuning, direct verband houdend met de uitvoering van programma’s.

Administratieve uitgaven van de Commissie die in verschillende titels voorkomen, worden opgenomen in een afzonderlijke samenvattende staat, ingedeeld naar aard.

Artikel 48

Negatieve ontvangsten

1.   De begroting bevat geen negatieve ontvangsten, behalve als gevolg van negatieve rente op deposito’s in totaal.

2.   De op grond van Besluit 2014/335/EU, Euratom geïnde eigen middelen zijn nettobedragen en worden in de samenvattende staat van ontvangsten van de begroting als zodanig vermeld.

Artikel 49

Voorzieningen

1.   Iedere afdeling van de begroting kan een titel „voorzieningen” bevatten. Kredieten worden in elk van de volgende gevallen in die titel opgenomen:

a)

ontbreken van een basishandeling voor de betrokken actie op het tijdstip van opstelling van de begroting;

b)

op ernstige gronden bestaande onzekerheid over de toereikendheid of de mogelijkheid tot besteding, onder voorwaarden overeenkomstig het beginsel goed financieel beheer, van de op de begrotingsonderdelen opgevoerde kredieten.

De kredieten van die titel kunnen alleen door middel van overschrijvingen volgens de procedure van artikel 30, lid 1, eerste alinea, onder c), van deze verordening worden gebruikt in de gevallen waarin voor de vaststelling van de basishandeling de procedure van artikel 294 VWEU geldt, en volgens de procedure van artikel 31 van deze verordening in alle andere gevallen.

2.   In geval van ernstige uitvoeringsmoeilijkheden kan de Commissie tijdens het begrotingsjaar voorstellen kredieten over te schrijven naar de titel „voorzieningen”. Het Europees Parlement en de Raad beslissen over deze overschrijvingen op de in artikel 31 beschreven wijze.

Artikel 50

Negatieve reserve

De afdeling van de begroting betreffende de Commissie mag een „negatieve reserve” bevatten van ten hoogste 200 000 000 EUR. Deze reserve wordt in een afzonderlijke titel opgenomen en bevat uitsluitend betalingskredieten.

Het gebruik van die negatieve reserve moet vóór het einde van het begrotingsjaar plaatsvinden door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 31.

Artikel 51

Reserve voor noodhulp

1.   De afdeling van de begroting betreffende de Commissie bevat een reserve voor noodhulp aan derde landen.

2.   De in lid 1 genoemde reserve wordt vóór het einde van het begrotingsjaar gebruikt door middel van overschrijvingen volgens de procedure van de artikelen 30 en 32.

Artikel 52

Inrichting van de begroting

1.   In de begroting worden opgenomen:

a)

in de algemene staat van ontvangsten en uitgaven:

i)

de geraamde ontvangsten van de Unie voor het lopende begrotingsjaar („jaar n”);

ii)

de geraamde ontvangsten van het voorgaande begrotingsjaar en de ontvangsten van het jaar n-2;

iii)

de vastleggings- en betalingskredieten voor jaar n;

iv)

de vastleggings- en betalingskredieten van het voorgaande begrotingsjaar;

v)

de in het jaar n-2 vastgelegde uitgaven en gedane betalingen, waarbij de betalingen tevens worden uitgedrukt als een percentage van de begroting van het jaar n;

vi)

een passende toelichting bij elk in artikel 47, lid 1, bedoeld onderdeel, met inbegrip van de eventuele basishandeling alsook een passende uitleg over de aard en de bestemming van de kredieten;

b)

in elke afdeling de ontvangsten en uitgaven volgens dezelfde structuur als beschreven onder a);

c)

met betrekking tot het personeelsbestand:

i)

een personeelsformatie waarin, voor elke afdeling, per rang in elke categorie en in elke groep, het aantal binnen de grenzen van de kredieten toegestane vaste en tijdelijke ambten is vastgesteld;

ii)

een personeelsformatie van de uit de kredieten voor onderzoek en technologische ontwikkeling bezoldigde personeelsleden voor eigen werkzaamheden, en een personeelsformatie van de uit dezelfde kredieten bezoldigde personeelsleden voor werkzaamheden onder contract; de personeelsformaties zijn onderverdeeld naar categorie en naar rang, met onderscheid tussen vaste en tijdelijke ambten, waarvoor de uitgaven zijn toegestaan binnen de grenzen van de kredieten;

iii)

een personeelsformatie waarin voor alle in artikel 70 bedoelde organen van de Unie die bijdragen ten laste van de begroting ontvangen, per rang voor elke categorie het aantal ambten wordt vastgesteld. In de personeelsformaties wordt naast het aantal voor het begrotingsjaar toegestane ambten het aantal ambten vermeld dat voor het voorgaande begrotingsjaar was toegestaan. Het personeel van het Voorzieningsagentschap van Euratom wordt afzonderlijk in de personeelsformatie van de Commissie opgenomen;

d)

met betrekking tot financiële bijstand en begrotingsgaranties:

i)

in de algemene staat van ontvangsten, de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen die dienen voor het boeken van de eventuele aflossingen door ontvangers die aanvankelijk in gebreke waren gebleven. Die begrotingsonderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) en van de passende toelichtingen voorzien;

ii)

in de begrotingsafdeling betreffende de Commissie:

de begrotingsonderdelen met de begrotingsgaranties met betrekking tot de betrokken verrichtingen. Die onderdelen worden van de vermelding „pro memorie” (p.m.) voorzien zolang uit dien hoofde geen daadwerkelijke last is gebleken die uit de definitieve middelen moet worden gedekt;

toelichtingen met verwijzing naar de basishandeling en vermelding van het bedrag van de overwogen verrichtingen, de duur ervan en de financiële garantie die de Unie voor de afwikkeling van zulke verrichtingen verstrekt;

iii)

in een bijlage bij de begrotingsafdeling betreffende de Commissie, ter indicatie, ook van de betrokken risico’s:

de lopende kapitaalverrichtingen en het lopende beheer van de schulden;

de kapitaalverrichtingen en het beheer van de schulden voor jaar n;

e)

met betrekking tot zonder een basishandeling in te stellen financieringsinstrumenten:

i)

de met deze verrichtingen overeenkomende begrotingsonderdelen;

ii)

een algemene beschrijving van de financieringsinstrumenten, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen ervan voor de begroting;

iii)

de beoogde verrichtingen, waaronder de beoogde volumes op basis van het verwachte multiplicator- en hefboomeffect;

f)

met betrekking tot de door personen of entiteiten krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), uitgevoerde middelen:

i)

een verwijzing naar de basishandeling van het desbetreffende programma;

ii)

de overeenkomstige begrotingsonderdelen;

iii)

een algemene beschrijving van de actie, met inbegrip van de looptijd en de gevolgen voor de begroting;

g)

alle GBVB-uitgaven in een hoofdstuk, „GBVB” getiteld, met specifieke artikelen die betrekking hebben op GBVB-uitgaven en specifieke begrotingsonderdelen bevatten waarin in ieder geval de belangrijkste missies worden vermeld.

2.   Het Europees Parlement en de Raad kunnen naast de in lid 1 genoemde documenten nog ieder ander ter zake dienend document bij de begroting voegen.

Artikel 53

Regels betreffende de personeelsformaties

1.   De in artikel 52, lid 1, onder c), bedoelde personeelsformaties vormen voor iedere instelling en elk orgaan van de Unie een strikt maximum. Boven dit maximum wordt geen enkele aanstelling verricht.

Iedere instelling en ieder orgaan van de Unie mag evenwel wijzigingen in zijn personeelsformaties aanbrengen voor 10 % van de toegestane ambten, behalve voor de rangen AD 14, AD 15 en AD 16, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de wijziging heeft geen gevolgen voor de omvang van de personeelskredieten overeenkomend met een volledig begrotingsjaar;

b)

het totale aantal toegestane ambten per personeelsformatie wordt niet overschreden;

c)

de instelling of het orgaan van de Unie heeft deelgenomen aan een benchmark-studie met andere instellingen en organen van de Unie, waarmee is begonnen met de personeelsscreening van de Commissie.

Drie weken voordat zij de in de tweede alinea bedoelde wijzigingen aanbrengt, brengt de instelling van de Unie het Europees Parlement en de Raad op de hoogte van haar voornemen dit te doen. Worden binnen deze termijn door hetzij het Europees Parlement, hetzij de Raad naar behoren gemotiveerde bezwaren aangevoerd, dan ziet de instelling van de Unie af van het aanbrengen van deze wijzigingen en wordt de in artikel 44 vastgestelde procedure gevolgd.

2.   In afwijking van lid 1, eerste alinea, kunnen de gevallen van arbeid in deeltijd waarvoor het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig de bepalingen van het statuut toestemming heeft verleend, worden gecompenseerd met andere aanstellingen.

HOOFDSTUK 3

Begrotingsdiscipline

Artikel 54

Overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom

De begroting is in overeenstemming met het meerjarig financieel kader en met Besluit 2014/335/EU, Euratom.

Artikel 55

Overeenstemming van handelingen van de Unie met de begroting

Wanneer bij de uitvoering van een handeling van de Unie de in de begroting beschikbare kredieten worden overschreden, wordt die handeling in financieel opzicht niet uitgevoerd totdat de begroting dienovereenkomstig is gewijzigd.

TITEL IV

UITVOERING VAN DE BEGROTING

HOOFDSTUK 1

Algemene bepalingen

Artikel 56

Begrotingsuitvoering volgens het beginsel van goed financieel beheer

1.   De Commissie voert de begroting aan de ontvangsten- en uitgavenzijde uit overeenkomstig deze verordening, onder haar eigen verantwoordelijkheid en binnen de grenzen van de toegestane kredieten.

2.   De lidstaten werken met de Commissie samen om te verzekeren dat de kredieten worden besteed volgens het beginsel van goed financieel beheer.

Artikel 57

Kennisgeving van de doorgifte van persoonsgegevens voor auditdoeleinden

Bij elke oproep in het kader van subsidies, aanbestedingen of prijzen die in direct beheer worden uitgevoerd, worden potentiële begunstigden, gegadigden, inschrijvers en deelnemers overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 ervan in kennis gesteld dat, met het oog op de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de persoonsgegevens aan interneauditdiensten, de Rekenkamer of het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tussen ordonnateurs van de Commissie en de in artikel 69 van deze verordening genoemde uitvoerende agentschappen en de in artikelen 70 en 71 van deze verordening genoemde organen van de Unie kunnen worden doorgegeven.

Artikel 58

Basishandeling en uitzonderingen

1.   De in de begroting opgenomen kredieten kunnen alleen voor een optreden van de Unie worden besteed indien een basishandeling is aangenomen.

2.   In afwijking van lid 1 en onder de in de leden 3, 4 en 5 bepaalde voorwaarden, mogen de volgende kredieten zonder basishandeling worden besteed, voor zover de gefinancierde acties onder de bevoegdheid van de Unie vallen:

a)

kredieten voor proefprojecten van experimentele aard om de haalbaarheid en het nut van een actie te bepalen;

b)

kredieten voor voorbereidende acties op gebieden die onder het toepassingsgebied van het VWEU en het Euratom-Verdrag vallen, om voorstellen voor te bereiden met het oog op de vaststelling van toekomstige acties;

c)

kredieten voor voorbereidende maatregelen op het gebied van titel V van het VEU;

d)

kredieten voor incidentele acties, of voor acties van onbepaalde duur, die de Commissie uitvoert op grond van de taken die voortvloeien uit haar andere prerogatieven op institutioneel vlak uit hoofde van het VWEU en het Euratom-Verdrag dan haar in punt b) van dit lid bedoelde recht om wetgevingsvoorstellen in te dienen, alsmede uit de bijzondere bevoegdheden die haar rechtstreeks door de artikelen 154, 156, 159 en 160, artikel 168, lid 2, artikel 171, lid 2, artikel 173, lid 2, artikel 175, tweede alinea, artikel 181, lid 2, artikel 190 en artikel 210, lid 2, en artikel 214, lid 6, VWEU en de artikelen 70 en 77 tot en met 85 van het Euratomverdrag zijn toegekend;

e)

kredieten die bestemd zijn voor de werking van elke instelling van de Unie uit hoofde van haar administratieve autonomie.

3.   Met betrekking tot de in lid 2, onder a), bedoelde kredieten, mogen de desbetreffende vastleggingskredieten voor ten hoogste twee opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. Het totale bedrag van de kredieten voor proefprojecten is niet hoger dan 40 000 000 EUR per begrotingsjaar.

4.   Met betrekking tot de in lid 2, onder b), bedoelde kredieten, wordt bij voorbereidende acties, die uiteenlopende vormen kunnen hebben, een samenhangende aanpak gevolgd. De desbetreffende vastleggingskredieten mogen voor ten hoogste drie opeenvolgende begrotingsjaren in de begroting worden opgenomen. De procedure voor de vaststelling van de relevante basishandeling wordt vóór het einde van het derde begrotingsjaar voltooid. In de loop van die procedure stemt de vastlegging van de kredieten overeen met de eigen kenmerken van de voorbereidende actie met betrekking tot de beoogde activiteiten en doelstellingen en de ontvangers. Bijgevolg stemt de omvang van de vastgestelde kredieten niet overeen met de voor de financiering van de definitieve actie zelf voorziene omvang.

Het totale bedrag van de kredieten voor de in lid 2, onder b), bedoelde nieuwe voorbereidende acties is niet hoger dan 50 000 000 EUR per begrotingsjaar en het totale bedrag van de daadwerkelijk vastgelegde kredieten voor voorbereidende acties is niet hoger dan 100 000 000 EUR.

5.   Met betrekking tot de in lid 2, onder c), bedoelde kredieten, worden voorbereidende maatregelen beperkt tot een korte periode en dienen zij om de voorwaarden vast te stellen voor het optreden van de Unie ter verwezenlijking van de doelstellingen van het GBVB en voor de vaststelling van de nodige juridische instrumenten.

Voorbereidende maatregelen voor crisisbeheersingsoperaties van de Unie dienen onder meer om na te gaan wat de operationele behoeften zijn, te zorgen voor een snelle terbeschikkingstelling van de eerste middelen of ter plaatse de voorwaarden voor de start van de operatie te scheppen. Voorbereidende maatregelen worden overeengekomen door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger.

Met het oog op een snelle uitvoering van de voorlopige maatregelen worden het Europees Parlement en de Commissie zo spoedig mogelijk door de hoge vertegenwoordiger geïnformeerd over het voornemen van de Raad om tot een voorbereidende maatregel over te gaan en in het bijzonder over de hiervoor naar raming benodigde middelen. De Commissie neemt alle nodige maatregelen om een snelle terbeschikkingstelling van de middelen te waarborgen.

De financiering van door de Raad overeengekomen maatregelen ter voorbereiding van crisisbeheersingsoperaties van de Unie uit hoofde van titel V van het VEU dekt de bijkomende kosten die rechtstreeks het gevolg zijn van een specifieke inzet ter plaatse van een missie of team waarbij onder meer personeelsleden van instellingen van de Unie betrokken zijn, met inbegrip van een verzekering tegen grote risico’s, reis- en verblijfkosten en dagvergoedingen.

Artikel 59

Uitvoering van de begroting door andere instellingen van de Unie dan de Commissie

1.   De Commissie kent de overige instellingen van de Unie de bevoegdheden toe die nodig zijn voor de uitvoering van hun afdelingen van de begroting.

2.   Om de besteding van hun kredieten te bevorderen kunnen instellingen van de Unie overeenkomsten op dienstverleningsniveau met elkaar sluiten, met daarin de voorwaarden voor de verlening van diensten, de levering van producten, de uitvoering van werken of van onroerendgoedovereenkomsten.

Deze overeenkomsten maken de overschrijving van kredieten of de invordering van kosten die voortvloeien uit de uitvoering ervan, mogelijk.

3.   Overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau als bedoeld in lid 2 kunnen ook worden gesloten tussen afdelingen van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus, organen of personen belast met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB op grond van titel V van het VEU en het bureau van de secretaris-generaal van de raad van bestuur van de Europese scholen. De Commissie en de andere instellingen van de Unie brengen regelmatig bij het Europees Parlement en bij de Raad verslag uit over de overeenkomsten op dienstverleningsniveau die zij met andere instellingen van de Unie sluiten.

Artikel 60

Delegatie van bevoegdheden tot uitvoering van de begroting

1.   De Commissie en elk van de overige instellingen van de Unie kunnen hun bevoegdheden tot uitvoering van de begroting binnen hun diensten delegeren onder de in deze verordening en hun interne voorschriften bepaalde voorwaarden en binnen de in de akte van delegatie vastgestelde grenzen. Deze delegatieverkrijgers handelen binnen de grenzen van de hun uitdrukkelijk verleende bevoegdheden.

2.   In aanvulling op lid 1 kan de Commissie haar bevoegdheden tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de beleidskredieten van haar eigen begrotingsafdeling delegeren aan de hoofden van de delegaties van de Unie en, om tijdens hun afwezigheid de continuïteit van de werkzaamheden te waarborgen, aan de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie. Dergelijke bevoegdheidsdelegatie laat de verantwoordelijkheid van de hoofden van de delegaties van de Unie tot uitvoering van de begroting onverlet. Indien een hoofd van een delegatie van de Unie langer dan vier weken afwezig is, herziet de Commissie haar besluit om bevoegdheden tot uitvoering van de begroting te delegeren. Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie en, in hun afwezigheid, de adjunct-hoofden, als gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie optreden, passen zij de voorschriften van de Commissie voor de uitvoering van de begroting toe en worden zij onderworpen aan dezelfde taken, verplichtingen en aansprakelijkheid als elke andere gesubdelegeerd ordonnateur van de Commissie.

De Commissie kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig haar eigen regels.

Voor de toepassing van de eerste alinea neemt de hoge vertegenwoordiger de nodige maatregelen om de samenwerking tussen de delegaties van de Unie en de diensten van de Commissie te bevorderen.

3.   De EDEO kan zijn bevoegdheid tot uitvoering van de begroting met betrekking tot de administratieve kredieten van zijn eigen begrotingsafdeling bij wijze van uitzondering delegeren aan Commissiemedewerkers van de delegaties van de Unie indien dit nodig is om de continuïteit in het bestuur van die delegaties in afwezigheid van de bevoegde ordonnateur van de EDEO uit het land van de standplaats van zijn delegatie te verzekeren. In de uitzonderlijke gevallen waarin Commissiepersoneelsleden van delegaties van de Unie als gesubdelegeerd ordonnateur van de EDEO optreden, passen zij de interne EDEO-regels voor de uitvoering van de begroting toe en hebben zij dezelfde taken en verplichtingen, onder meer inzake verantwoording, als elke andere gesubdelegeerde ordonnateur van de EDEO.

De EDEO kan de in de eerste alinea bedoelde delegatie van bevoegdheden intrekken overeenkomstig zijn eigen regels.

Artikel 61

Belangenconflict

1.   Financiële actoren in de zin van hoofdstuk 4 van deze titel en andere personen, daaronder begrepen nationale autoriteiten op alle niveaus, die bij de uitvoering van de begroting onder direct, indirect en gedeeld beheer, met inbegrip van voorbereidende handelingen op dit gebied, de audit of de controle betrokken zijn, verrichten geen handelingen waarbij hun eigen belangen in conflict kunnen komen met die van de Unie. Zij nemen ook passende maatregelen om te voorkomen dat een belangenconflict ontstaat in de functies onder hun verantwoordelijkheid en om situaties te verhelpen die objectief als belangenconflict kunnen worden beschouwd.

2.   Indien er een risico bestaat op een belangenconflict waarbij een personeelslid van een nationale autoriteit betrokken is, brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van zijn hiërarchieke meerdere. Indien een dergelijk risico bestaat voor aan het statuut onderworpen personeel brengt de betrokken persoon deze zaak ter kennis van de bevoegde gedelegeerde ordonnateur. De bevoegde hiërarchieke meerdere of de verantwoordelijk gedelegeerde ordonnateur bevestigt schriftelijk of er sprake is van een belangenconflict. Indien een belangenconflict wordt vastgesteld, zorgt het tot aanstelling bevoegde gezag of de bevoegde nationale autoriteit ervoor dat de betrokken persoon al zijn activiteiten in verband met de zaak beëindigt. De betrokken gedelegeerde ordonnateur of de betrokken nationale autoriteit zorgt ervoor dat de nodige verdere maatregelen worden genomen in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.

3.   Voor de toepassing van lid 1 doet een belangenconflict zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functies van de in lid 1 bedoelde financiële actor of andere persoon in gevaar wordt gebracht als gevolg van familiebanden, persoonlijke relaties, politieke gezindheid of nationaliteit, economische belangen of elk ander direct of indirect persoonlijk belang.

HOOFDSTUK 2

Wijzen van uitvoering

Artikel 62

Wijzen van uitvoering van de begroting

1.   De Commissie voert de begroting op een of meer van de volgende wijzen uit:

a)

op directe wijze („direct beheer”) zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 153, via haar diensten, met inbegrip van haar personeel in de delegaties van de Unie onder leiding van het respectievelijke delegatiehoofd, overeenkomstig artikel 60, lid 2, of via uitvoerende agentschappen als bedoeld in artikel 69;

b)

in gedeeld beheer met de lidstaten („gedeeld beheer”) zoals beschreven in de artikelen 63 en 125 tot en met 129;

c)

op indirecte wijze („indirect beheer”) zoals beschreven in de artikelen 125 tot en met 149 en de artikelen 154 tot en met 159, wanneer de basishandeling daarin voorziet of in de in artikel 58, lid 2, onder a) tot en met d), genoemde gevallen, door taken tot uitvoering van de begroting toe te vertrouwen aan:

i)

derde landen of de door hen aangewezen organen;

ii)

internationale organisaties of hun agentschappen, in de zin van artikel 156;

iii)

de Europese Investeringsbank („EIB”) of het Europees Investeringsfonds („EIF”) of beide optredend als groep („de EIB-groep”);

iv)

de in de artikelen 70 en 71 bedoelde organen van de Unie;

v)

publiekrechtelijke organen, met inbegrip van lidstaatsorganisaties;

vi)

privaatrechtelijke organen met een openbaredienstverleningstaak, met inbegrip van lidstaatsorganisaties, voor zover zij zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

vii)

privaatrechtelijke organen van een lidstaat, waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd en die zijn voorzien van voldoende financiële garanties;

viii)

organen of personen aan wie de uitvoering van specifieke maatregelen op het gebied van het GBVB in het kader van titel V van het VEU is toevertrouwd en die worden genoemd in de betrokken basishandeling.

Met betrekking tot eerste alinea, onder c), vi), kan het bedrag van de vereiste financiële garanties in de betrokken basishandeling zijn opgenomen en kan dit beperkt zijn tot het maximumbedrag van de bijdrage van de Unie aan het betrokken orgaan. In het geval van meervoudige borgen wordt de verdeling van het bedrag van de totale verplichting die door de garanties wordt gedekt, gespecificeerd in de bijdrageovereenkomst, die kan bepalen dat de aansprakelijkheid voor elke borg evenredig moet zijn met het aandeel van de respectieve bijdrage ervan aan het orgaan.

2.   Voor direct beheer kan de Commissie de in de titels VII, VIII, IX, X en XII genoemde instrumenten gebruiken.

Voor gedeeld beheer worden de instrumenten voor de uitvoering van de begroting in sectorspecifieke regelgeving bepaald.

Voor indirect beheer past de Commissie titel VI en, in het geval van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties, de titels VI en X toe. De uitvoerende entiteiten gebruiken de instrumenten voor de uitvoering van de begroting die in de betrokken bijdrageovereenkomst staan.

3.   De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van de begroting overeenkomstig artikel 317 VWEU en delegeert die taken niet aan derden indien deze taken een ruime beoordelingsmarge inhouden die door politieke keuzen kan worden bepaald.

De Commissie kan niet, door middel van overeenkomsten in overeenstemming met titel VII van deze verordening, taken uitbesteden die het uitoefenen van openbaar gezag en discretionaire beoordelingsbevoegdheden met zich brengen.

Artikel 63

Gedeeld beheer met de lidstaten

1.   Wanneer de Commissie de begroting in gedeeld beheer uitvoert, worden taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting aan de lidstaten gedelegeerd. De Commissie en de lidstaten nemen de beginselen van goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie in acht en geven zichtbaarheid aan het optreden van de Unie wanneer zij middelen van de Unie beheren. Daartoe komen de Commissie en de lidstaten hun respectieve controle- en auditverplichtingen na en nemen zij de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden op zich die in deze verordening zijn vastgesteld. Aanvullende voorschriften worden vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving.

2.   De lidstaten nemen, wanneer zij taken met betrekking tot de uitvoering van de begroting uitoefenen, alle nodige maatregelen, met inbegrip van wetgevende, regelgevende, en administratieve maatregelen, ter bescherming van de financiële belangen van de Unie, met name door:

a)

ervoor te zorgen dat uit de begroting gefinancierde acties naar behoren en effectief en in overeenstemming met de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving worden uitgevoerd;

b)

organen aan te wijzen voor het beheer en de controle van middelen van de Unie, overeenkomstig lid 3, en toezicht te houden op deze organen;

c)

te voorzien in de preventie, opsporing en correctie van onregelmatigheden en fraude;

d)

overeenkomstig deze verordening en sectorspecifieke regelgeving samen te werken met de Commissie, OLAF, de Rekenkamer) en, voor de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (39), met het Europees Openbaar Ministerie (EOM) zodra het is opgericht.

Teneinde de financiële belangen van de Unie te beschermen, verrichten de lidstaten, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel en in toepassing van dit artikel en de desbetreffende sectorspecifieke regelgeving, vooraf en achteraf controles, met inbegrip van controles ter plaatse, waar zulks dienstig is, op representatieve en/of risicogerichte steekproeven van verrichtingen. Daarnaast gaan zij over tot terugvordering van onterecht betaalde bedragen en stellen zij in voorkomend geval gerechtelijke procedures in.

De lidstaten leggen de ontvangers doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties op indien hierin is voorzien bij sectorspecifieke regelgeving of bij specifieke bepalingen in het nationale recht.

In het kader van haar risicobeoordeling en overeenkomstig de sectorspecifieke regelgeving, houdt de Commissie toezicht op de door de lidstaten vastgestelde beheers- en controlesystemen. Bij haar auditwerkzaamheden eerbiedigt de Commissie het proportionaliteitsbeginsel en houdt zij rekening met het overeenkomstig sectorspecifieke regelgeving beoordeelde risiconiveau.

3.   Overeenkomstig de criteria en procedures die zijn vastgelegd in sectorspecifieke regelgeving wijzen de lidstaten op het passende niveau organen aan die bevoegd zijn om de middelen van de Unie te beheren en te controleren. Deze organen kunnen naast het beheer van middelen van de Unie andere taken verrichten en kunnen sommige taken aan andere organen toevertrouwen.

Bij het nemen van een besluit inzake de aanwijzing van organen kunnen de lidstaten zich laten leiden door de vraag of de beheers- en controlesystemen in wezen dezelfde zijn als die welke reeds golden voor de vorige periode en of deze afdoende gefunctioneerd hebben.

Indien uit de audit- en controleresultaten blijkt dat de aangewezen organen niet langer voldoen aan de criteria die zijn vastgesteld in sectorspecifieke regelgeving, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van de taken van deze organen worden verholpen, onder meer door een eind te maken aan de aanwijzing in overeenstemming met sectorspecifieke regelgeving.

Sectorspecifieke regelgeving legt de rol van de Commissie in het in dit lid omschreven proces vast.

4.   De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen:

a)

stellen een doeltreffend en efficiënt interneauditsysteem in en zien toe op de werking ervan;

b)

gebruiken een boekhoudsysteem dat tijdig nauwkeurige, volledige en betrouwbare informatie verstrekt;

c)

verschaffen de uit hoofde van de leden 5, 6 en 7 verlangde informatie;

d)

zorgen voor een bekendmaking achteraf overeenkomstig artikel 38, leden 2 tot en met lid 6.

De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats met inachtneming van Verordening (EU) 2016/679.

5.   De overeenkomstig lid 3 aangewezen organen verstrekken de Commissie vóór 15 februari van het volgende begrotingsjaar:

a)

hun rekeningen betreffende de uitgaven die zij tijdens de relevante referentieperiode, als bepaald in sectorspecifieke regelgeving, hebben gedaan bij de uitvoering van hun taken en met het oog op vergoeding bij de Commissie hebben ingediend;

b)

een jaarlijkse samenvatting van de definitieve auditverslagen en van de verrichte controles, met een analyse van de aard en de omvang van de vastgestelde fouten en tekortkomingen in de systemen en een overzicht van de reeds genomen of geplande corrigerende maatregelen.

6.   In de in lid 5, onder a), genoemde rekeningen zijn de prefinanciering en de bedragen waarvoor terugvorderingsprocedures lopen of zijn afgerond, opgenomen. Zij gaan vergezeld van een beheersverklaring waarin wordt bevestigd dat naar de mening van degenen die met het beheer van de middelen belast zijn:

a)

de informatie op juiste, volledige en accurate wijze is gepresenteerd;

b)

de uitgaven voor het beoogde, in sectorspecifieke regelgeving omschreven doel zijn gebruikt;

c)

de ingevoerde controlesystemen de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen waarborgen.

7.   De in de lid 5, onder a), bedoelde rekeningen en de in dat lid, onder b), bedoelde samenvatting gaan vergezeld van een advies van een onafhankelijk auditorgaan dat overeenkomstig de internationaal aanvaarde auditnormen is opgesteld. In dat advies wordt vastgesteld of de rekeningen een juist en getrouw beeld geven, of de uitgaven waarvoor bij de Commissie om vergoeding is verzocht, wettig en regelmatig zijn en of de ingevoerde controlesystemen naar behoren functioneren. In het advies wordt ook vastgesteld of de beweringen in de in lid 6 genoemde beheersverklaring in de auditwerkzaamheden in twijfel worden getrokken.

De in lid 5 bepaalde termijn van 15 februari kan bij uitzondering door de Commissie worden verlengd tot 1 maart na kennisgeving door de betrokken lidstaat.

De lidstaten kunnen de in de leden 5 en 6 en in onderhavig lid genoemde informatie op het daarvoor geëigende niveau publiceren.

Bovendien kunnen de lidstaten aan het Europees Parlement, aan de Raad en aan de Commissie op het daarvoor geëigende niveau ondertekende verklaringen afgeven gebaseerd op de leden 5 en 6 en in dit lid genoemde informatie.

8.   Om ervoor te zorgen dat de middelen van de Unie worden gebruikt in overeenstemming met de toepasselijke voorschriften dient de Commissie:

a)

procedures toe te passen voor het onderzoek en de goedkeuring van de rekeningen van de aangewezen organen, om te waarborgen dat de rekeningen volledig, nauwkeurig en waarheidsgetrouw zijn;

b)

betalingen die in strijd met het toepasselijk recht zijn verricht, uit te sluiten van financiering door de Unie;

c)

betalingstermijnen te onderbreken of betalingen te schorsen indien daarin is voorzien in sectorspecifieke regelgeving.

De Commissie maakt de onderbreking van betalingstermijnen of schorsing van betalingen geheel of gedeeltelijk ongedaan nadat een lidstaat zijn opmerkingen heeft ingediend en zodra deze alle nodige maatregelen heeft genomen. In het in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag komen alle verplichtingen uit hoofde van dit lid aan bod.

9.   In de sectorspecifieke regelgeving wordt rekening gehouden met de behoeften van programma’s voor Europese territoriale samenwerking, met name wat betreft de inhoud van de beheersverklaring, het in lid 3 genoemde proces en de auditfunctie.

10.   De Commissie stelt een register samen van organen die verantwoordelijk zijn voor het beheer, de certificering en de auditactiviteiten uit hoofde van sectorspecifieke regelgeving.

11.   De lidstaten kunnen de hun in gedeeld beheer toegewezen middelen gebruiken in combinatie met verrichtingen en instrumenten die worden uitgevoerd krachtens Verordening (EU) 2015/1017, in overeenstemming met de voorwaarden in de toepasselijke sectorspecifieke regelgeving.

HOOFDSTUK 3

Europese bureaus en organen van de Unie

Afdeling 1

Europese bureaus

Artikel 64

Bevoegdheden van Europese bureaus

1.   Voordat een nieuw Europees bureau wordt opgericht, maakt de Commissie een kasten-batenanalyse en een beoordeling van de eraan verbonden risico’s, stelt zij het Europees Parlement en de Raad van de resultaten daarvan in kennis, en stelt zij voor de nodige kredieten op te voeren in een bijlage bij de afdeling van de begroting van de Commissie.

2.   Binnen de grenzen van hun bevoegdheden:

a)

verrichten Europese bureaus de in hun oprichtingsakte of in andere rechtshandelingen van de Unie opgenomen verplichte taken;

b)

kunnen Europese bureaus overeenkomstig artikel 66, niet-verplichte taken verrichten die zijn toegestaan door hun directiecomités na afweging van de kosten-baten en de eraan verbonden risico’s voor de betrokken partijen.

3.   Deze afdeling is van toepassing op de werking van OLAF, met uitzondering van lid 4 van dit artikel, artikel 66 en artikel 67, leden 1, 2 en 3.

4.   De intern controleur van de Commissie kwijt zich van alle in hoofdstuk 8 van deze titel vastgestelde verantwoordelijkheden.

Artikel 65

Kredieten voor Europese bureaus

1.   De kredieten die zijn toegestaan ter uitvoering van de verplichte taken van elk Europees bureau, worden opgevoerd op een specifiek begrotingsonderdeel binnen de begrotingsafdeling van de Commissie en worden in detail vermeld in een bijlage bij die afdeling.

De in de eerste alinea bedoelde bijlage heeft de vorm van een staat van uitgaven en ontvangsten die op dezelfde wijze is onderverdeeld als de begrotingsafdelingen.

De in die bijlage opgevoerde kredieten:

a)

dekken de totale financiële behoeften van elk Europees bureau in de uitoefening van zijn verplichte taken op grond van zijn oprichtingsakte of van andere rechtshandelingen van de Unie;

b)

kunnen financiële behoeften van een Europees bureau dekken bij de uitoefening van taken waarom wordt verzocht door de instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus en agentschappen die bij of op grond van de Verdragen zijn ingesteld, en die zijn toegestaan overeenkomstig de oprichtingsakte van het bureau.

2.   De Commissie delegeert voor de in de bijlage voor elk Europees bureau opgevoerde kredieten de bevoegdheden van ordonnateur aan de directeur van het betrokken Europees bureau, overeenkomstig artikel 73.

3.   De personeelsformatie van elk Europees bureau wordt toegevoegd aan die van de Commissie.

4.   De directeur van elk Europees bureau beslist over de overschrijvingen binnen de in lid 1 bedoelde bijlage. De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van deze overschrijvingen.

Artikel 66

Niet-verplichte taken

1.   Voor de in artikel 64, lid 2, onder b), bedoelde niet-verplichte taken kan een Europees bureau:

a)

via zijn directeur delegatie van bevoegdheid ontvangen van instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus, samen met een delegatie van de bevoegdheid van ordonnateur voor kredieten in de begrotingsafdeling van de instelling van de Unie, het orgaan van de Unie of ander Europees bureau;

b)

op ad-hocbasis overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau sluiten met instellingen van de Unie, organen van de Unie, andere Europese bureaus of derden.

2.   In het in lid 1, onder a), bedoelde gevallen stellen de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus de grenzen en voorwaarden voor de delegatie van bevoegdheid vast. Een dergelijke delegatie wordt goedgekeurd overeenkomstig de oprichtingsakte van het Europees bureau, met name wat betreft de voorwaarden en modaliteiten van de delegatie.

3.   In de in lid 1, onder b), bedoelde gevallen stelt de directeur van het Europees bureau overeenkomstig de oprichtingsakte de bijzondere bepalingen vast voor de uitvoering van de taken, de terugvordering van kosten en het bijhouden van de desbetreffende boekhoudbescheiden. Het Europees bureau brengt over de resultaten van deze boekhouding verslag uit aan de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus.

Artikel 67

Boekhoudbescheiden van de Europese bureaus

1.   Elk Europees bureau stelt boekhoudbescheiden van zijn uitgaven op waaruit het aandeel van de voor elk van de instellingen van de Unie, organen van de Unie of andere Europese bureaus verrichte diensten kan worden afgeleid. De directeur van het betrokken Europees bureau stelt, na goedkeuring door het directiecomité, de criteria vast op basis waarvan deze boekhoudbescheiden worden opgesteld.

2.   De toelichting bij het specifieke begrotingsonderdeel waarop het totaal van de kredieten is opgevoerd van elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, bevat een raming van de kosten van de diensten die door dat bureau voor elk van de instellingen van de Unie, de organen van de Unie en andere betrokken Europese bureaus worden verricht. Die raming is gebaseerd op de boekhoudbescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

3.   Elk Europees bureau waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 1, onder a), de bevoegdheid van ordonnateur is gedelegeerd, stelt de betrokken instellingen van de Unie, organen van de Unie en andere Europese bureaus in kennis van de resultaten van de boekhoudbescheiden als bedoeld in lid 1 van dit artikel.

4.   De boekhoudbescheiden van elk Europees bureau maken integrerend deel uit van de rekeningen van de Unie overeenkomstig artikel 241.

5.   De rekenplichtige van de Commissie kan op voorstel van het directiecomité van het betrokken Europees bureau sommige van de taken van rekenplichtige betreffende de inning van de ontvangsten en de betaling van de uitgaven die het betrokken Europees bureau rechtstreeks verricht, aan een personeelslid van het Europees bureau delegeren.

6.   Voor de kasbehoeften van het Europees bureau kunnen op voorstel van zijn directiecomité door de Commissie bank- of postrekeningen op naam van het bureau worden geopend. Het jaarlijkse kassaldo wordt aan het einde van het begrotingsjaar afgestemd en vereffend tussen het betrokken Europees bureau en de Commissie.

Afdeling 2

agentschappen en organen van de unie

Artikel 68

Toepassing op het Voorzieningsagentschap van Euratom

Deze verordening is van toepassing op de uitvoering van de begroting voor het Voorzieningsagentschap van Euratom.

Artikel 69

Uitvoerende agentschappen

1.   De Commissie kan bevoegdheden delegeren aan uitvoerende agentschappen om overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad (40), voor haar rekening en onder haar verantwoordelijkheid, programma’s of projecten van de Unie geheel of gedeeltelijk uit te voeren, met inbegrip van proefprojecten, voorbereidende acties en de uitvoering van administratieve uitgaven. Uitvoerende agentschappen worden opgericht door middel van een besluit van de Commissie en hebben rechtspersoonlijkheid naar Unierecht. Zij ontvangen een jaarlijkse bijdrage.

2.   De directeuren van uitvoerende agentschappen treden op als gedelegeerd ordonnateur voor de besteding van de beleidskredieten van de programma’s van de Unie die zij geheel of gedeeltelijk beheren.

3.   Het directiecomité van een uitvoerend agentschap kan met de Commissie overeenkomen dat de rekenplichtige van de Commissie eveneens optreedt als de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap. Het directiecomité kan de rekenplichtige van de Commissie ook een deel van de taken van de rekenplichtige van het betrokken uitvoerend agentschap toevertrouwen, rekening houdend met kosten-batenoverwegingen. In beide gevallen worden de nodige maatregelen getroffen om belangenconflicten te voorkomen.

Artikel 70

Bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële kaderregeling voor de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid die bijdragen uit de begroting ontvangen.

2.   De financiële kaderregeling is gebaseerd op de in deze verordening vervatte beginselen en regels, rekening houdend met de bijzondere kenmerken van de in lid 1 bedoelde organen.

3.   De financiële regels voor de in lid 1 bedoelde organen wijken slechts van de financiële kaderregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en onder voorbehoud van voorafgaande instemming van de Commissie.

4.   De kwijting voor de uitvoering van de begroting van de in lid 1 bedoelde organen wordt verleend door het Europees Parlement, op aanbeveling van de Raad. De in lid 1 bedoelde organen werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn, en verstrekken, waar nodig, de vereiste aanvullende informatie, onder meer door deel te nemen aan de vergaderingen van de relevante organen.

5.   Ten aanzien van de in lid 1 bedoelde organen oefent de intern controleur van de Commissie dezelfde bevoegdheden uit als die welke hij uitoefent met betrekking tot de Commissie.

6.   Een onafhankelijke extern controleur verifieert dat de jaarrekeningen van elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde organen de inkomsten, uitgaven en financiële positie van het desbetreffende orgaan correct weergeven, voordat deze in de eindrekeningen van de Commissie worden geconsolideerd. Tenzij anders is bepaald in de betrokken basishandeling, stelt de Rekenkamer een speciaal jaarverslag op over elk orgaan overeenkomstig de eisen van artikel 287, lid 1, VWEU. Bij het opstellen van dat verslag houdt de Rekenkamer rekening met de auditwerkzaamheden van de onafhankelijke extern controleur en de maatregelen die naar aanleiding van zijn bevindingen zijn genomen.

7.   Alle aspecten van de in lid 6 bedoelde onafhankelijke externe audits, met inbegrip van de gerapporteerde bevindingen, blijven geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer vallen.

Artikel 71

Publiek-private partnerschapsorganen

Bij een basishandeling opgerichte organen met rechtspersoonlijkheid waaraan de uitvoering van een publiek-privaat partnerschap is toevertrouwd, stellen hun eigen financiële regels vast.

Deze regels omvatten een geheel van beginselen dat een goed financieel beheer van de middelen van de Unie waarborgt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 269 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met een financiële modelregeling voor publiek-private partnerschapsorganen op basis van artikel 154, waarin de beginselen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om te komen tot een goed financieel beheer van de middelen van de Unie.

De financiële regels voor de publiek-private partnerschapsorganen wijken slechts van de financiële modelregeling af voor zover hun specifieke behoeften zulks vereisen, en zijn onderworpen aan voorafgaande instemming van de Commissie.

Artikel 70, leden 4 tot en met 7, zijn van toepassing op publiek-private partnerschapsorganen.

HOOFDSTUK 4

Financiële actoren

Afdeling 1

beginsel van scheiding van functies

Artikel 72

Scheiding van functies

1.   De functies van ordonnateur en rekenplichtige zijn gescheiden en zijn onderling onverenigbaar.

2.   Elke instelling van de Unie stelt aan elke financiële actor het personeel en de middelen ter beschikking die voor de vervulling van diens taak nodig zijn, en geeft hem een dienstorder met een gedetailleerde omschrijving van zijn taken, rechten en verplichtingen.

Afdeling 2

de ordonnateur

Artikel 73

De ordonnateur

1.   Elke instelling van de Unie oefent de functies van ordonnateur uit.

2.   Voor de toepassing van deze titel wordt onder „personeelsleden” verstaan personen die zijn onderworpen aan het Statuut.

3.   Elke instelling van de Unie delegeert, met inachtneming van de in haar reglement van orde bepaalde voorwaarden, de functies van ordonnateur aan personeelsleden op het gepaste niveau. Zij bepaalt in haar interne administratieve voorschriften aan welke personeelsleden zij deze functies delegeert, alsmede de omvang van de gedelegeerde bevoegdheden en de mogelijkheid voor de delegatieverkrijgers om hun bevoegdheden verder te subdelegeren.

4.   De bevoegdheid van ordonnateur wordt alleen aan personeelsleden gedelegeerd of gesubdelegeerd.

5.   De bevoegde ordonnateur handelt binnen de in het delegatie- of subdelegatie besluit gestelde grenzen. De bevoegde ordonnateur kan worden bijgestaan door één of meer personeelsleden die onder zijn verantwoordelijkheid belast zijn met bepaalde voor de uitvoering van de begroting en de verstrekking van informatie over financiën en beheer benodigde handelingen.

6.   Elke instelling van de Unie en elk in artikel 70 bedoeld orgaan van de Unie brengt de aanstelling en de functiebeëindiging van gedelegeerde ordonnateurs, interne controleurs en rekenplichtigen, alsmede alle interne voorschriften die zij op financieel gebied vaststelt, binnen twee weken ter kennis van het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer en de rekenplichtige van de Commissie.

7.   Elke instelling van de Unie brengt de delegatiebesluiten en de aanstelling van beheerders van gelden ter goede rekening krachtens de artikelen 79 en 88 ter kennis van de Rekenkamer.

Artikel 74

Bevoegdheden en taken van de ordonnateur

1.   De ordonnateur is bij de betrokken instelling van de Unie belast met het innen van de ontvangsten en het verrichten van de uitgaven overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer, onder meer door te zorgen voor verslaglegging over de prestaties, en zorgt voor de wettigheid en regelmatigheid ervan en de gelijke behandeling van de ontvangers.

2.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel stelt de gedelegeerde ordonnateur, overeenkomstig artikel 36 en de door elke instelling van de Unie vastgestelde minimumnormen en rekening houdend met de aan de beheeromstandigheden en de aard van de gefinancierde acties verbonden risico’s, de organisatorische structuur en de systemen voor interne controle in die passen bij de uitvoering van zijn taken. De inrichting van die structuur en die systemen geschiedt op basis van een uitvoerige risicoanalyse, waarin rekening wordt gehouden met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

3.   Voor het verrichten van de uitgaven gaat de bevoegde ordonnateur vastleggingen in de begroting en juridische verbintenissen aan, stelt hij de uitgaven betaalbaar, geeft hij betalingsopdrachten en verricht hij de voor de besteding van de kredieten vereiste voorafgaande handelingen.

4.   Met het oog op de inning van de ontvangsten stelt de bevoegde ordonnateur ramingen van schuldvorderingen op, stelt hij de te innen rechten vast en geeft hij invorderingsopdrachten af. In voorkomend geval ziet de bevoegde ordonnateur af van het innen van een vastgestelde schuldvordering.

5.   Met het oog op het voorkomen van fouten en onregelmatigheden voordat verrichtingen worden toegestaan, en teneinde minder het risico te lopen dat doelstellingen niet worden verwezenlijkt, wordt elke verrichting ten minste onderworpen aan een controle vooraf met betrekking tot de operationele en de financiële aspecten ervan, op basis van een meerjarige controlestrategie die rekening houdt met het risico.

De frequentie en de reikwijdte van de controles vooraf worden door de bevoegde ordonnateur bepaald op basis van zijn eigen risicoanalyse, waarbij rekening wordt gehouden met de resultaten van voorafgaande controles en van risico- en kosteneffectiviteitsoverwegingen. In geval van twijfel vraagt de voor de betaalbaarstelling van de verrichtingen bevoegde ordonnateur in het kader van de controle vooraf aanvullende informatie of voert hij een controle ter plaatse uit om redelijke zekerheid te verkrijgen.

Voor een bepaalde verrichting wordt de verificatie gedaan door andere personeelsleden dan diegenen die de verrichting hebben ingeleid. De verificatie wordt niet gedaan door personeelsleden die de ondergeschikten zijn van degenen die de verrichting hebben ingeleid.

6.   De gedelegeerde ordonnateur kan voorzien in controles achteraf om fouten en onregelmatigheden bij verrichtingen na validering op te sporen en te corrigeren. Deze controles kunnen steekproefsgewijs volgens het risico worden ingericht en houden rekening met de resultaten van eerdere controles en met kosteneffectiviteits- en prestatieoverwegingen.

De controles achteraf en de controles vooraf worden niet door dezelfde personeelsleden uitgevoerd. De voor de controles achteraf verantwoordelijke personeelsleden zijn geen ondergeschikten van de voor de controles vooraf verantwoordelijke personeelsleden.

De regels en modaliteiten, met inbegrip van termijnen, voor het uitvoeren van audits van de begunstigden, zijn duidelijk, samenhangend en transparant en worden bij de ondertekening van de subsidieovereenkomst ter beschikking van de begunstigden gesteld.

7.   Bevoegde ordonnateurs en voor de uitvoering van de begroting bevoegd personeel beschikken over de vereiste beroepsbekwaamheden.

Bij elke instelling van de Unie zorgt de gedelegeerde ordonnateur ervoor dat:

a)

de gesubdelegeerde ordonnateurs en hun personeel regelmatig geactualiseerde en passende informatie en opleiding krijgen over de controlenormen, alsmede over de daartoe beschikbare methoden en technieken;

b)

indien nodig maatregelen worden genomen om de doeltreffende en efficiënte werking van de controlesystemen te waarborgen overeenkomstig lid 2.

8.   Indien een bij het financieel beheer en de controle van de verrichtingen betrokken personeelslid van oordeel is dat een besluit dat zijn meerdere hem verplicht toe te passen of te accepteren onregelmatig is of strijdig met het beginsel van goed financieel beheer of de beroepscode die dat personeelslid gehouden is te respecteren, deelt hij dit aan zijn hiërarchieke meerdere mee. Indien het personeelslid dit schriftelijk doet, antwoordt de hiërarchieke meerdere schriftelijk. Indien de hiërarchieke meerdere niet optreedt of het aanvankelijke besluit of voorschrift bevestigt en het personeelslid van oordeel is dat een dergelijke bevestiging geen redelijk antwoord vormt op zijn bezorgdheid, stelt het personeelslid de gedelegeerde ordonnateur schriftelijk hiervan in kennis. Wanneer deze geen antwoord geeft binnen een redelijke termijn gelet op de omstandigheden van het betrokken geval, die in ieder geval niet langer is dan één maand, licht het personeelslid de in artikel 143 bedoelde instantie in.

Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden door het personeelslid gemeld bij de autoriteiten en instanties die zijn aangewezen bij het Statuut en bij de besluiten van instellingen van de Unie betreffende de voorwaarden en modaliteiten voor interne onderzoeken op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten die de belangen van de Unie schaden. Overeenkomsten met externe controleurs die audits verrichten inzake het financieel beheer van de Unie bevatten een verplichting voor de externe controleur om de gedelegeerde ordonnateur in kennis te stellen van elk vermoeden van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden.

9.   De gedelegeerde ordonnateur legt aan zijn instelling van de Unie verantwoording over de uitoefening van zijn taken af in de vorm van een jaarlijks activiteitenverslag met informatie over de financiën en het beheer, inclusief de resultaten van controles, waarin hij verklaart, tenzij anders staat vermeld in voorbehouden betreffende bepaalde gebieden van uitgaven en ontvangsten, redelijke zekerheid te hebben dat:

a)

de in het verslag opgenomen informatie een juist en getrouw beeld geeft;

b)

de middelen die zijn bestemd voor de activiteiten waarover verslag wordt uitgebracht, zijn gebruikt voor het opgegeven doel en in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer, en

c)

de ingevoerde controleprocedures de nodige garanties bieden in verband met de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen.

Het jaarlijks activiteitenverslag bevat informatie over de gedane verrichtingen in het licht van de doelstellingen en prestatieoverwegingen in de strategische plannen, de met deze verrichtingen verbonden risico’s, het gebruik van de ter beschikking gestelde middelen en de efficiëntie en de doeltreffendheid van interne controlesystemen. Het verslag omvat een globale beoordeling van de kosten en baten van controles en informatie over de mate waarin de goedgekeurde beleidsuitgaven bijdragen tot het verwezenlijken van de strategische doelstellingen van de Unie en meerwaarde van de EU opleveren. De Commissie stelt een samenvatting op van de jaarlijkse activiteitenverslagen voor het voorgaande jaar.

De jaarlijkse activiteitenverslagen van het begrotingsjaar van de ordonnateurs en, indien van toepassing, de gedelegeerde ordonnateurs van instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus en agentschappen van de Unie worden uiterlijk op 1 juli van het volgende begrotingsjaar op een vlot toegankelijke wijze bekendgemaakt op de website van de respectieve instelling van de Unie, orgaan van de Unie, Europees bureaus of agentschap van de Unie, onder voorbehoud van naar behoren gemotiveerde vertrouwelijkheids- en veiligheidsoverwegingen.

10.   De gedelegeerde ordonnateur houdt voor elk begrotingsjaar bij hoeveel overeenkomsten overeenkomstig punt 11.1, onder a) tot en met f), en punt 39 van bijlage I worden gesloten door middel van onderhandelingsprocedures. Indien het aantal onderhandelingsprocedures in verhouding tot het aantal door dezelfde gedelegeerde ordonnateur gegunde overeenkomsten aanzienlijk stijgt ten opzichte van voorgaande begrotingsjaren of indien deze verhouding aanmerkelijk hoger is dan het gemiddelde van zijn instelling van de Unie, brengt de bevoegde ordonnateur verslag uit aan zijn instelling van de Unie, en vermeldt hij daarbij de maatregelen die, in voorkomend geval, zijn genomen om deze tendens om te buigen. Elke instelling van de Unie zendt het Europees Parlement en de Raad een verslag over de onderhandelingsprocedures toe. In het geval van de Commissie wordt dit verslag gevoegd bij de in lid 9 van dit artikel bedoelde samenvatting van de jaarlijkse activiteitenverslagen.

Artikel 75

Bewaring van bewijsstukken door de ordonnateurs

De ordonnateur stelt op papier gebaseerde of elektronische systemen in voor de bewaring van originele bewijsstukken met betrekking tot de uitvoering van de begroting. Deze bewijsstukken worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

Onverminderd de eerste alinea worden bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de definitieve afsluiting van die verrichtingen.

Persoonsgegevens in de bewijsstukken worden, waar mogelijk, verwijderd, wanneer deze gegevens niet noodzakelijk zijn voor begrotingskwijting, controle en audit. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Artikel 76

Bevoegdheden en taken van de hoofden van de delegaties van de Unie

1.   Wanneer de hoofden van de delegaties van de Unie overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, vallen zij onder de Commissie als de instelling van de Unie die verantwoordelijk is voor de omschrijving, uitvoering, monitoring en beoordeling van hun taken en verantwoordelijkheden als gesubdelegeerd ordonnateur en werken zij nauw samen met de Commissie voor de daadwerkelijke uitvoering van de middelen, om met name te zorgen voor de wettigheid en de regelmatigheid van de financiële verrichtingen, de naleving van het beginsel van goed financieel beheer bij het beheer van de middelen en de doeltreffende bescherming van de financiële belangen van de Unie. Zij handelen in overeenstemming met de interne regels van de Commissie en het charter van de Commissie voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer. Zij kunnen bij de uitoefening van hun taken worden bijgestaan door personeel van de Commissie in de delegaties van de Unie.

Hiertoe nemen de hoofden van de delegaties van de Unie de maatregelen die nodig zijn om elke situatie te voorkomen waarbij het vermogen van de Commissie om haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde begroting te vervullen in het gedrang kan komen, alsmede elk conflict van prioriteiten dat gevolgen kan hebben voor de uitvoering van de aan hen gesubdelegeerde taken op het gebied van financieel beheer.

Wanneer een in de tweede alinea bedoelde situatie of conflict zich voordoet, stellen de hoofden van de delegaties van de Unie de betrokken directeuren-generaal van de Commissie en van de EDEO hiervan onverwijld in kennis. De betrokken directeuren-generaal nemen passende maatregelen om de situatie op te lossen.

2.   Wanneer hoofden van de delegaties van de Unie zich in een in artikel 74, lid 8, bedoelde situatie bevinden, brengen zij dit ter kennis van de in artikel 143 genoemde instantie. In geval van onwettige activiteiten, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, waarschuwen zij de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties.

3.   Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, brengen verslag uit aan hun gedelegeerde ordonnateur, opdat deze laatste hun verslagen in zijn in artikel 74, lid 9, bedoelde jaarlijks activiteitenverslag kan opnemen. De verslagen van de hoofden van de delegaties van de Unie bevatten informatie over de efficiëntie en de doeltreffendheid van de in hun delegatie ingestelde internecontrolesystemen en over het beheer van de aan hen gesubdelegeerde verrichtingen, en verstrekken de in de derde alinea van artikel 92, lid 5, bedoelde zekerheid. Die verslagen worden bij het jaarlijkse activiteitenverslag van de gedelegeerde ordonnateur gevoegd en ter beschikking gesteld van het Europees Parlement en van de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan.

De hoofden van de delegaties van de Unie werken volledig samen met de instellingen van de Unie die bij de kwijtingsprocedure betrokken zijn en verstrekken waar nodig de vereiste aanvullende informatie. In deze context kan hun worden gevraagd vergaderingen van de betrokken organen bij te wonen en bijstand te verlenen aan de verantwoordelijke gedelegeerde ordonnateur.

Hoofden van de delegaties van de Unie die overeenkomstig artikel 60, lid 2, als gesubdelegeerd ordonnateur optreden, beantwoorden elk verzoek van de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie, hetzij op verzoek van de Commissie zelf, hetzij, in het kader van de kwijtingsprocedure, op verzoek van het Europees Parlement.

De Commissie zorgt ervoor dat het subdelegeren van bevoegdheden aan de hoofden van de delegaties van de Unie de kwijtingsprocedure uit hoofde van artikel 319 VWEU niet belemmert.

4.   De leden 1, 2 en 3 gelden eveneens voor de adjunct-hoofden van delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van delegaties van de Unie.

Afdeling 3

de rekenplichtige

Artikel 77

Bevoegdheden en taken van de rekenplichtige

1.   Elke instelling van de Unie stelt een rekenplichtige aan, die binnen die instelling wordt belast met:

a)

de goede uitvoering van de betalingen, de inning van de ontvangsten en de invordering van de vastgestelde schuldvorderingen;

b)

het opstellen en presenteren van de rekeningen overeenkomstig titel XIII;

c)

het voeren van de boekhouding overeenkomstig de artikelen 82 en 84;

d)

het vaststellen van de boekhoudregels, -procedures en het rekeningstelsel overeenkomstig de artikelen 80 tot en met 84;

e)

het vaststellen en valideren van de boekhoudsystemen, alsmede, waar van toepassing, het valideren van de door de ordonnateur vastgelegde systemen die tot doel hebben boekhoudinformatie te verstrekken of te motiveren;

f)

het beheer van de kasmiddelen.

Wat betreft de in de eerste alinea, onder e), bedoelde taken is de rekenplichtige bevoegd om te allen tijde na te gaan of de valideringscriteria zijn nageleefd.

2.   De verantwoordelijkheden van de rekenplichtige van de EDEO hebben alleen betrekking op de door de EDEO uitgevoerde begrotingsafdeling betreffende de EDEO. De rekenplichtige van de Commissie blijft verantwoordelijk voor de volledige begrotingsafdeling betreffende de Commissie, met inbegrip van de boekhoudkundige verrichtingen die betrekking hebben op de aan de hoofden van de delegaties van de Unie gesubdelegeerde kredieten.

De rekenplichtige van de Commissie treedt voor de uitvoering van de begrotingsafdeling betreffende de EDEO ook op als rekenplichtige van de EDEO.

Artikel 78

Aanstelling en beëindiging van de functie van de rekenplichtige

1.   De rekenplichtige wordt door elke instelling van de Unie aangesteld uit de ambtenaren op wie het Statuut van toepassing is.

De rekenplichtige wordt door de instelling van de Unie gekozen op grond van zijn of haar specifieke bekwaamheid, die door diploma’s wordt aangetoond of uit een gelijkwaardige beroepservaring blijkt.

2.   Twee of meer instellingen of organen van de Unie kunnen dezelfde rekenplichtige aanstellen.

In dat geval nemen zij alle nodige maatregelen om belangenconflicten te voorkomen.

3.   Bij de beëindiging van de functie van rekenplichtige wordt onverwijld een staat van de rekeningen opgemaakt.

4.   De staat van de rekeningen, vergezeld van een overdrachtsrapport, wordt door de rekenplichtige die zijn of haar functie beëindigt, of, indien dit niet mogelijk is, door een ambtenaar van zijn of haar dienst aan de nieuwe rekenplichtige toegezonden.

De nieuwe rekenplichtige ondertekent de staat van de rekeningen binnen een maand na de datum van toezending voor aanvaarding, waarbij hij een voorbehoud kan maken.

Het overdrachtsrapport bevat het resultaat van elke opgemaakte staat van de rekeningen alsmede eventuele voorbehouden.

Artikel 79

Bevoegdheden die de rekenplichtige kan delegeren

De rekenplichtige kan voor de uitoefening van zijn functie een aantal van zijn taken delegeren aan ondergeschikte personeelsleden en aan overeenkomstig artikel 89, lid 1, aangestelde beheerders van gelden ter goede rekening.

In het delegatiebesluit worden die taken omschreven.

Artikel 80

Boekhoudregels

1.   De boekhoudregels die moeten worden toegepast door instellingen van de Unie, Europese bureaus en de agentschappen en organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel zijn gebaseerd op internationaal aanvaarde standaarden voor overheidsboekhouding. Deze regels worden vastgesteld door de rekenplichtige van de Commissie na raadpleging van de rekenplichtigen van de andere instellingen van de Unie, de Europese bureaus en de organen van de Unie.

2.   De rekenplichtige kan van de in lid 1 bedoelde normen afwijken indien hij zulks nodig acht om een getrouwe weergave te kunnen geven van de activa en passiva, de lasten en baten en de kasstromen. Wanneer een boekhoudregel substantieel van die normen afwijkt, wordt dat in de toelichtingen bij de financiële staten gemeld en gemotiveerd.

3.   In de in lid 1 bedoelde boekhoudregels worden de structuur en inhoud van de financiële staten vastgesteld, alsmede de boekhoudkundige beginselen die aan de rekeningen ten grondslag liggen.

4.   De in artikel 241 bedoelde verslagen over de begrotingsuitvoering is in overeenstemming met de begrotingsbeginselen van deze verordening. Deze maakt het mogelijk de uitvoering van de begroting in detail te volgen. Ze registreert alle verrichtingen aan de ontvangsten- en de uitgavenzijde als bedoeld in deze titel en geeft een getrouwe weergave daarvan.

Artikel 81

Organisatie van de boekhouding

1.   De rekenplichtige van elke instelling of van elk orgaan van de Unie stelt documentatiemateriaal samen waarin de boekhoudkundige organisatie en procedures van zijn of haar instelling en orgaan van de Unie worden beschreven, en werkt dit materiaal regelmatig bij.

2.   De ontvangsten en -uitgaven worden volgens de economische aard van de verrichting in een computersysteem geregistreerd als lopende uitgaven of ontvangsten of als kapitaal.

Artikel 82

Het voeren van de boekhouding

1.   De rekenplichtige van de Commissie is bevoegd om het geharmoniseerde rekeningstelsel vast te stellen dat moet worden toegepast door instellingen van de Unie, door Europese bureaus en door de agentschappen en de organen van de Unie als bedoeld in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel.

2.   De rekenplichtigen ontvangen van de ordonnateurs alle gegevens die nodig zijn voor de opstelling van rekeningen die een getrouwe weergave zijn van de financiële situatie van de instellingen van de Unie en de uitvoering van de begroting. De ordonnateurs garanderen de betrouwbaarheid van deze gegevens.

3.   Voordat de rekeningen door de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie worden goedgekeurd, tekent de rekenplichtige ze af, waarmee hij verklaart dat hij een redelijke zekerheid heeft dat de rekeningen een getrouwe weergave van de financiële situatie van de instelling van de Unie of het in artikel 70 bedoelde orgaan van de Unie bieden.

Daartoe vergewist de rekenplichtige zich ervan dat de rekeningen zijn opgesteld in overeenstemming met de in artikel 80 genoemde boekhoudregels en met de in artikel 77, lid 1, eerste alinea, onder d), bedoelde boekhoudprocedures en dat alle uitgaven en ontvangsten in de rekeningen zijn geboekt.

4.   De gedelegeerde ordonnateur zendt de rekenplichtige, met inachtneming van de door de rekenplichtige vastgestelde regels, alle informatie over financiën en beheer toe die nodig is voor de vervulling van diens taken.

De rekenplichtige ontvangt van de ordonnateur regelmatig, en minstens vóór het afsluiten van de rekeningen, de dienstige financiële gegevens betreffende de bancaire trustrekeningen teneinde het gebruik van middelen van de Unie in de boekhouding van de Unie tot uiting te brengen.

De ordonnateurs blijven volledig verantwoordelijk voor het juiste gebruik van de door hen beheerde middelen, de wettigheid en de regelmatigheid van de door hen beheerde uitgaven en de volledigheid en juistheid van de aan de rekenplichtige verzonden informatie.

5.   De bevoegde ordonnateur stelt de rekenplichtige in kennis van alle ontwikkelingen of significante wijzigingen van financiële beheerssystemen, inventarisatiesystemen of systemen voor de waardering van activa en passiva die gegevens leveren voor de boekhouding van de instelling van de Unie of worden gebruikt om boekhoudgegevens te onderbouwen, teneinde de rekenplichtige in staat te stellen de overeenstemming ervan met de valideringscriteria te verifiëren.

De rekenplichtige kan op ieder moment een reeds gevalideerd financieel beheerssysteem opnieuw onderzoeken en kan verlangen dat de bevoegde ordonnateur een actieplan opstelt om eventuele tekortkomingen tijdig te verhelpen.

De ordonnateur is verantwoordelijk voor de volledigheid van de informatie die aan de rekenplichtige wordt verzonden.

6.   De rekenplichtige is bevoegd de ontvangen informatie te controleren en alle verdere toetsen uit te voeren die hij noodzakelijk acht om de rekeningen te kunnen aftekenen.

Zo nodig maakt de rekenplichtige voorbehouden, waarbij hij de aard en de draagwijdte van de voorbehouden precies omschrijft.

7.   De boekhouding van een instelling van de Unie is een systeem van ordening van budgettaire en financiële informatie om kwantitatieve gegevens te boeken, in te delen en te registreren.

8.   Het boekhoudsysteem bestaat uit een algemene boekhouding en een begrotingsboekhouding. De boekhoudingen worden per kalenderjaar en in euro gevoerd.

9.   De gedelegeerde ordonnateur kan tevens een gedetailleerde beheersboekhouding voeren.

10.   De bewijsstukken met betrekking tot de boekhouding en de opstelling van de in artikel 241 bedoelde rekeningen worden bewaard gedurende een periode van ten minste vijf jaar te rekenen vanaf de datum waarop het Europees Parlement kwijting verleent voor het begrotingsjaar waarop de bewijsstukken betrekking hebben.

De bewijsstukken met betrekking tot verrichtingen die niet definitief zijn afgesloten, worden bewaard tot het einde van het jaar dat volgt op de afsluiting van die verrichtingen. Artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing wat de bewaring van verkeersgegevens betreft.

Elke instelling van de Unie bepaalt bij welke dienst de bewijsstukken worden bewaard.

Artikel 83

Inhoud en bijhouden van de begrotingsboekhouding

1.   In de begrotingsboekhouding worden voor elk onderdeel van de begroting geregistreerd:

a)

wat betreft de uitgaven:

i)

de in de begroting uitgetrokken kredieten, met inbegrip van de kredieten van de gewijzigde begrotingen, de overgedragen kredieten, de kredieten die beschikbaar zijn als gevolg van de inning van bestemmingsontvangsten, de overgeschreven kredieten en het totale bedrag van de beschikbaar gestelde kredieten;

ii)

de vastleggingskredieten en de betalingskredieten van het begrotingsjaar;

b)

wat betreft de ontvangsten:

i)

de ramingen van de begroting, met inbegrip van de ramingen van de gewijzigde begrotingen, de bestemmingsontvangsten en het totale bedrag van de geraamde ontvangsten;

ii)

de vastgestelde rechten en de invorderingen van het begrotingsjaar;

c)

de nog te betalen vastleggingen en de nog te innen ontvangsten van de voorgaande begrotingsjaren.

De in de eerste alinea, onder a), bedoelde vastleggingskredieten en betalingskredieten worden afzonderlijk geregistreerd en gevolgd.

2.   De begrotingsboekhouding maakt afzonderlijk toezicht mogelijk op:

a)

het gebruik van de overgedragen kredieten en de kredieten van het begrotingsjaar;

b)

de betaalbaarstelling van nog te betalen vastleggingen.

Aan de ontvangstenzijde wordt op de nog te innen schuldvorderingen van voorgaande begrotingsjaren afzonderlijk toezicht gehouden.

Artikel 84

Algemene boekhouding

1.   De algemene boekhouding volgt op chronologische wijze, volgens de methode van dubbel boekhouden, alle gebeurtenissen en verrichtingen die van invloed zijn op de economische, financiële en vermogenssituatie van de instellingen van de Unie en van de in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie.

2.   De saldi en de mutaties op de rekeningen worden in de boekhouding geregistreerd.

3.   Iedere boeking, inclusief de boekhoudkundige correcties, wordt gestaafd met bewijsstukken waarnaar zij verwijst.

4.   Het boekhoudsysteem maakt het mogelijk van alle boekingen een duidelijk auditspoor terug te vinden.

Artikel 85

Bankrekeningen

1.   De rekenplichtige kan voor de behoeften in verband met het beheer van de kasmiddelen bij financiële instellingen of nationale centrale banken rekeningen op naam van zijn of haar instelling van de Unie openen of verzoeken om de opening van dergelijke rekeningen. De rekenplichtige is ook verantwoordelijk voor het sluiten of laten sluiten van deze rekeningen.

2.   In de voorwaarden voor het openen, de werking en het gebruik van bankrekeningen wordt bepaald dat, naargelang van de internecontrolebehoeften, voor cheques, overschrijvingsopdrachten en alle andere bankverrichtingen de handtekening van één of meer naar behoren gemachtigde personeelsleden vereist is. De manuele opdrachten worden ondertekend door ten minste twee naar behoren gemachtigde personeelsleden, of door de rekenplichtige.

3.   Namens de Commissie kunnen trustrekeningen worden geopend in het kader van de uitvoering van een programma of actie, om het beheer daarvan door een entiteit krachtens artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c), punt ii), iii), v) of vi), mogelijk te maken.

Zulke rekeningen worden geopend onder verantwoordelijkheid van de ordonnateur die bevoegd is voor de uitvoering van het programma of de actie en met het akkoord van de rekenplichtige van de Commissie.

Zulke rekeningen worden beheerd onder de verantwoordelijkheid van de ordonnateur.

4.   De rekenplichtige van de Commissie stelt regels vast voor het openen, het beheer en het sluiten van de trustrekeningen en voor het gebruik ervan.

Artikel 86

Beheer van de kasmiddelen

1.   Tenzij in deze verordening anders is bepaald, is de rekenplichtige als enige bevoegd het beheer te voeren over de geldmiddelen en de kasequivalenten. De rekenplichtige is verantwoordelijk voor de bewaring ervan.

2.   De rekenplichtige ziet erop toe dat zijn of haar instelling van de Unie voldoende middelen ter beschikking heeft om de kasbehoeften te dekken die voortvloeien uit de uitvoering van de begroting onder de toepasselijke regelgeving, en stelt procedures in om ervoor te zorgen dat geen van de op grond van artikel 85, lid 1, en artikel 89, lid 3, geopende rekeningen een negatief saldo vertoont.

3.   De betalingen geschieden door bankoverschrijving, door middel van een cheque, uit gelden ter goede rekening of — wanneer dit specifiek is toegestaan door de rekenplichtige — met debetkaarten, door middel van directe debitering of op andere wijze, overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld door de rekenplichtige.

Vóór het aangaan van een verbintenis jegens een derde bevestigt de ordonnateur de identiteit van de betalingsbegunstigden, stelt hij de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde vast en neemt hij deze op in een gemeenschappelijk bestand van de instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is, om te zorgen voor transparantie, verantwoording en de goede uitvoering van betalingen.

De rekenplichtige kan alleen betalingen verrichten indien de juridische entiteit en de betalingsgegevens van de betalingsbegunstigde van tevoren zijn opgenomen in een gemeenschappelijk bestand per instelling van de Unie waarvoor de rekenplichtige bevoegd is.

De ordonnateurs delen de rekenplichtige alle wijzigingen mee in de door de betalingsbegunstigde meegedeelde rechtspersoon en betalingsgegevens en onderzoeken of die gegevens geldig zijn voordat zij betalingen goedkeuren.

Artikel 87

Inventaris van activa

1.   Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen of organen van de Unie houdt van alle materiële, immateriële en financiële activa die tot hun vermogen behoren, naar aantal en waarde gespecificeerde inventarislijsten bij volgens het door de rekenplichtige van de Commissie vastgestelde model.

Zij toetsen ook of de stand op hun respectieve inventarislijsten overeenkomt met de werkelijkheid.

Alle aankopen van goederen waarvan de gebruiksduur meer dan een jaar is, die niet het karakter van een verbruiksgoed hebben en waarvan de aankoopprijs of de kostprijs hoger is dan die welke in de overeenkomstig artikel 77 vastgestelde boekhoudprocedures is vermeld, worden in de inventaris en de rekeningen van de vaste activa opgenomen.

2.   Verkoop van materiële activa van de Unie wordt op een daartoe geëigende wijze bekendgemaakt.

3.   Instellingen van de Unie en in afdeling 2 van hoofdstuk 3 van deze titel bedoelde agentschappen en organen van de Unie stelt bepalingen vast betreffende het behoud van de in hun respectieve inventarislijsten opgenomen activa en wijst de administratieve diensten aan die voor het inventarissysteem verantwoordelijk zijn.

Afdeling 4

de beheerder van gelden ter goede rekening

Artikel 88

Beheer van gelden ter goede rekening

1.   Voor de betaling van uitgaven kunnen, wanneer het door de geringe omvang van de bedragen materieel onmogelijk of inefficiënt is betalingen volgens begrotingsprocedures te verrichten, gelden ter goede rekening worden ingesteld. Voor de inning van andere ontvangsten dan eigen middelen kan ook beheer van gelden ter goede rekening worden ingesteld.

Bij de delegaties van de Unie kan beheer van gelden ter goede rekening eveneens worden gebruikt voor betalingen van kleine bedragen volgens begrotingsprocedures, indien dat efficiënt en doeltreffend is op grond van lokale vereisten.

Het maximumbedrag dat door de beheerder van gelden ter goede rekening mag worden betaald wanneer betaling volgens begrotingsprocedures materieel onmogelijk of inefficiënt is, wordt door de rekenplichtige vastgesteld en mag in geen geval hoger zijn dan 60 000 EUR per uitgave.

Op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp mag evenwel beheer van gelden ter goede rekening worden gebruikt voor de betaling van grotere bedragen zonder beperking ten aanzien van het bedrag, mits het niveau van de door het Europees Parlement en de Raad toegestane kredieten van het betrokken begrotingsonderdeel voor het lopende begrotingsjaar in acht wordt genomen en overeenkomstig de interne regels van de Commissie.

2.   Bij de delegaties van de Unie wordt, met waarborging van de volledige traceerbaarheid van de uitgaven, beheer van gelden ter goede rekening ingesteld voor het betalen van uitgaven uit zowel de afdeling van de begroting betreffende de Commissie als die betreffende de EDEO.

Artikel 89

Instelling en beheer van gelden ter goede rekening

1.   De instelling van beheer van gelden ter goede rekening en de aanwijzing van een beheerder van gelden ter goede rekening geschieden bij besluit van de rekenplichtige van de instelling van de Unie op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur. In dit besluit worden de respectieve verantwoordelijkheden en verplichtingen van de beheerder van gelden ter goede rekening en de ordonnateur vastgesteld.

Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen uit ambtenaren of, indien nodig en slechts in gerechtvaardigde gevallen, uit andere personeelsleden of overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in de interne regels van de Commissie, uit personeelsleden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, op voorwaarde dat hun arbeidsovereenkomsten een gelijkwaardig niveau van bescherming op het gebied van aansprakelijkheid bieden als dat wat krachtens artikel 95 voor personeelsleden geldt. Beheerders van gelden ter goede rekening worden gekozen op grond van hun kennis, bekwaamheid en vaardigheden ter zake die zij blijkens diploma’s of een passende beroepservaring of na een passend opleidingsprogramma bezitten.

2.   Bij de voorstellen voor besluiten tot het instellen van beheer van gelden ter goede rekening ziet de bevoegde ordonnateur erop toe dat:

a)

bij voorkeur de budgettaire weg wordt gebruikt wanneer de toegang tot het centrale geautomatiseerde boekhoudsysteem voorhanden is;

b)

slechts in naar behoren gerechtvaardigde gevallen gebruik wordt gemaakt van beheer van gelden ter goede rekening.

Bij het nemen van een besluit om gelden ter goede rekening in te stellen, bepaalt de rekenplichtige de voorwaarden voor het gebruik van de gelden ter goede rekening.

De wijziging van de voorwaarden voor het beheer van gelden ter goede rekening geschiedt eveneens bij besluit van de rekenplichtige op een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

3.   Bankrekeningen voor het beheer van de gelden ter goede rekening worden geopend en gemonitord door de rekenplichtige, die ook de handtekeningen bij volmacht goedkeurt op basis van een met redenen omkleed voorstel van de bevoegde ordonnateur.

4.   Gelden ter goede rekening worden door de rekenplichtige van de instelling van de Unie ter beschikking gesteld en vallen onder de verantwoordelijkheid van de beheerders van gelden ter goede rekening.

5.   Verrichte betalingen worden gevolgd door formele besluiten tot definitieve betaalbaarstelling of regularisatiebetalingsopdrachten die door de bevoegde ordonnateur zijn ondertekend.

De verrichtingen in het kader van het beheer van gelden ter goede rekening worden uiterlijk aan het einde van de volgende maand door de ordonnateur geregulariseerd, om te zorgen voor afstemming van het boeksaldo en het banksaldo.

6.   De rekenplichtige verricht toetsen, of laat die verrichten door een speciaal daartoe gemachtigd personeelslid van zijn of haar dienst of de ordonnateursdienst. Die toetsen van de aanwezigheid van de aan beheerders van gelden ter goede rekening toevertrouwde middelen, de desbetreffende boekhouding en de regularisatie van de verrichtingen binnen de voorgeschreven termijnen worden in de regel ter plaatse en, waar nodig, zonder aankondiging, verricht. De rekenplichtige deelt de bevoegde ordonnateur de resultaten van die toetsen mede.

HOOFDSTUK 5

Verantwoordelijkheid van financiële actoren

Afdeling 1

algemene regels

Artikel 90

Intrekking van de bevoegdheidsdelegatie en ontheffing van functies van financiële actoren

1.   De bevoegde ordonnateurs kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief hun delegatie of subdelegatie worden ontnomen.

2.   Rekenplichtigen of beheerders van gelden ter goede rekening, of beiden, kunnen te allen tijde door het gezag dat hen heeft benoemd tijdelijk of definitief van hun functies worden ontheven.

3.   De leden 1 en 2 doen geen afbreuk aan eventuele tuchtmaatregelen die worden genomen ten aanzien van de in die leden bedoelde financiële actoren.

Artikel 91

Verantwoordelijkheid van de financiële actoren voor onwettige activiteiten, fraude of corruptie

1.   Dit hoofdstuk doet niet af aan de eventuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de in artikel 90 genoemde financiële actoren krachtens het toepasselijke nationale recht en de geldende bepalingen aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Unie en de bestrijding van corruptie waarbij ambtenaren van de Unie of van de lidstaten betrokken zijn.

2.   Onverminderd het bepaalde in de artikelen 92, 94 en 95 van deze verordening, is elke bevoegde ordonnateur, rekenplichtige of beheerder van gelden ter goede rekening tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of, voor de in artikel 89, lid 1, van deze verordening bedoelde personeelsleden van de Commissie die actief zijn op het gebied van hulp in crisissituaties en humanitaire hulp, in hun arbeidsovereenkomsten. Gevallen van onwettige activiteit, fraude of corruptie die de belangen van de Unie kunnen schaden, worden voorgelegd aan de in de geldende wetgeving aangewezen autoriteiten en instanties, met name aan OLAF.

Afdeling 2

regels betreffende de bevoegde ordonnateurs

Artikel 92

Regels betreffende de ordonnateurs

1.   De bevoegde ordonnateur is geldelijk aansprakelijk onder de in het statuut vastgestelde voorwaarden.

2.   De verplichting tot schadevergoeding bestaat in het bijzonder wanneer de bevoegde ordonnateur opzettelijk of met grove nalatigheid:

a)

de in te vorderen rechten vaststelt of invorderingsopdrachten afgeeft, een betalingsverplichting aangaat of een betalingsopdracht ondertekent in afwijking van deze verordening;

b)

verzuimt een document op te stellen waarbij een schuldvordering wordt vastgesteld, verzuimt een invorderingsopdracht af te geven of deze te laat afgeeft, of een betalingsopdracht te laat afgeeft, waardoor de instelling van de Unie civiel aansprakelijk wordt jegens derden.

3.   Wanneer een gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur oordeelt dat een aan hem of haar gegeven instructie onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, met name omdat de uitvoering ervan onverenigbaar is met de hoeveelheid aan hem verstrekte middelen, deelt hij of zij dat de autoriteit waarvan hij of zij de delegatie of subdelegatie heeft ontvangen, schriftelijk mede. Indien de instructie tijdig schriftelijk wordt bevestigd en nauwkeurig genoeg is, dat wil zeggen dat zij uitdrukkelijk naar de aspecten verwijst die door de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur betwistbaar worden geacht, is de gedelegeerd of gesubdelegeerd ordonnateur van zijn of haar verantwoordelijkheid ontslagen. Hij of zij voert de instructie uit, tenzij deze kennelijk in strijd is met de wet of de geldende veiligheidsnormen.

Dezelfde procedure is van toepassing ingeval een ordonnateur oordeelt dat een door hem of haar te nemen besluit onregelmatig is of tegen het beginsel van goed financieel beheer indruist, of indien een ordonnateur tijdens de uitvoering van een bindende instructie verneemt dat de omstandigheden van het dossier tot een dergelijke situatie zou kunnen leiden.

De in de in dit lid bedoelde omstandigheden bevestigde instructies worden door de bevoegde gedelegeerde ordonnateur bijgehouden en in zijn of haar jaarlijks activiteitenverslag vermeld.

4.   In geval van subdelegatie binnen zijn of haar dienst blijft de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de efficiëntie en de doeltreffendheid van de ingestelde internebeheers- en controlesystemen en de keuze van de gesubdelegeerd ordonnateur.

5.   In geval van subdelegatie aan de hoofden en adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie is de gedelegeerde ordonnateur verantwoordelijk voor de afbakening van de opgerichte internebeheers- en controlesystemen alsmede de efficiëntie en de doeltreffendheid van die systemen. De hoofden van de delegaties van de Unie zijn verantwoordelijk voor het adequaat instellen en de goede werking van die systemen, overeenkomstig de richtlijnen van de gedelegeerde ordonnateur, alsmede voor het beheer van de middelen en de verrichtingen die zij binnen de delegatie van de Unie onder hun verantwoordelijkheid uitvoeren. Vóór hun ambtsaanvaarding volgen zij specifieke opleidingen inzake de taken en verantwoordelijkheden van ordonnateurs en de uitvoering van de begroting.

Hoofden van de delegaties van de Unie brengen overeenkomstig artikel 76, lid 3, verslag uit over hun in de eerste alinea van dit lid bedoelde verantwoordelijkheden.

De hoofden van de delegaties van de Unie verstrekken jaarlijks aan de gedelegeerde ordonnateur van de Commissie zekerheid over de in hun delegatie ingestelde internebeheers- en controlesystemen, alsmede over het beheer van de verrichtingen die aan hen zijn gesubdelegeerd en de resultaten daarvan, om de ordonnateur in staat te stellen de betrouwbaarheidsverklaring als bedoeld in artikel 74, lid 9, af te leggen.

Dit lid geldt eveneens voor de adjunct-hoofden van de delegaties van de Unie die optreden als gesubdelegeerde ordonnateurs in afwezigheid van de hoofden van de delegaties van de Unie.

Artikel 93

Behandeling van door een personeelslid veroorzaakte financiële onregelmatigheden

1.   Onverminderd de bevoegdheden van OLAF en de administratieve autonomie van de instellingen van de Unie, organen van de Unie, Europese bureaus of organen of personen die krachtens Titel V van het VEU met de uitvoering van specifieke acties in het GBVB zijn belast, ten aanzien van hun personeel en met inachtneming van de bescherming van klokkenluiders wordt elke overtreding van deze verordening of van een bepaling inzake financieel beheer of toetsing van de verrichtingen die het gevolg is van een handeling of verzuim van een personeelslid voor een advies voorgelegd aan de in artikel 143 bedoelde instantie door:

a)

het tot aanstelling bevoegde gezag verantwoordelijk voor tuchtzaken;

b)

de bevoegde ordonnateur, met inbegrip van de hoofden van de delegaties van de Unie en de adjunct-hoofden die in hun afwezigheid als gesubdelegeerde ordonnateurs optreden overeenkomstig artikel 60, lid 2.

Wanneer de instantie rechtstreeks door een personeelslid wordt ingelicht, zendt zij het dossier aan het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon toe en stelt zij het personeelslid dat haar heeft ingelicht, hiervan in kennis. Het tot aanstelling bevoegde gezag kan de instantie om advies over de zaak vragen.

2.   Een verzoek om advies van de instantie op grond van lid 1, eerste alinea, gaat vergezeld van een beschrijving van de feiten en de handeling of het verzuim om de beoordeling waarvan de instantie wordt verzocht, en van de bijbehorende bewijsstukken, daaronder begrepen verslagen over eventueel verrichte onderzoeken. Waar mogelijk wordt de informatie in geanonimiseerde vorm verstrekt.

Alvorens een verzoek of aanvullende informatie bij de instantie in te dienen, stelt het tot aanstelling bevoegde gezag of de ordonnateur, naargelang het geval, het betrokken personeelslid in de gelegenheid opmerkingen te maken, nadat het dit personeelslid kennis heeft gedaan van de in de eerste alinea bedoelde bewijsstukken, voor zover die kennisgeving het voeren van verder onderzoek niet ernstig ondermijnt.

3.   In de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen is de in artikel 143 bedoelde instantie bevoegd te beoordelen of zich, op basis van de op grond van lid 2 van dit artikel aan haar verstrekte informatie en eventuele door haar ontvangen aanvullende elementen, een financiële onregelmatigheid heeft voorgedaan. Op grond van het advies van de instantie neemt de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon een beslissing over een passende follow-up overeenkomstig het statuut. Indien de instantie systeemproblemen ontdekt, doet zij de ordonnateur en de gedelegeerde ordonnateur, tenzij deze laatste het betrokken personeelslid is, alsmede de intern controleur een aanbeveling.

4.   Wanneer de instantie het in lid 1 van dit artikel bedoelde advies geeft, is zij samengesteld uit de in artikel 143, lid 2, bedoelde leden en de volgende drie extra leden, die worden aangesteld met inachtneming van de noodzaak om belangenconflicten te voorkomen:

a)

een vertegenwoordiger van het tot aanstelling bevoegde gezag, bevoegd voor tuchtzaken, van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

b)

een lid dat is aangewezen door het personeelscomité van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon,

c)

een lid van de juridische dienst van de instelling van de Unie waarbij het betrokken personeelslid in dienst is.

Het in lid 1 bedoelde advies van de instantie wordt gericht tot het tot aanstelling bevoegde gezag van de betrokken instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon.

5.   De instantie heeft geen onderzoeksbevoegdheid. De instelling van de Unie, het betrokken orgaan van de Unie, het betrokken Europees bureau of het betrokken orgaan of de betrokken persoon werken met de instantie samen om ervoor te zorgen dat deze over alle nodige informatie beschikt om haar advies te geven.

6.   Wanneer de instantie tijdens haar onderzoek tot de slotsom komt dat het geval onder de bevoegdheid van OLAF valt, zendt zij het dossier overeenkomstig lid 1 onverwijld naar het betrokken tot aanstelling bevoegde gezag en stelt zij OLAF onmiddellijk in kennis.

7.   De lidstaten ondersteunen de Unie volledig bij de tenuitvoerlegging van de aansprakelijkheid, overeenkomstig artikel 22 van het Statuut, van tijdelijke functionarissen op wie artikel 2, onder e), van de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, van toepassing is.

Afdeling 3

regels betreffende de rekenplichtigen en de beheerders van gelden ter goede rekening

Artikel 94

Regels betreffende de rekenplichtigen

De rekenplichtige is, onder de voorwaarden en volgens de procedures vastgesteld bij het statuut, tuchtrechtelijk verantwoordelijk en geldelijk aansprakelijk. Hij kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a)

middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b)

bankrekeningen of postrekeningen ten onrechte wijzigen;

c)

invorderingen of betalingen verrichten die niet in overeenstemming zijn met de invorderings- of betalingsopdrachten;

d)

nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

Artikel 95

Regels betreffende de beheerders van gelden ter goede rekening

Een beheerder van gelden ter goede rekening kan met name aansprakelijk worden gesteld als gevolg van de volgende fouten:

a)

middelen, waarden en documenten die hij onder zijn hoede heeft, verloren laten gaan of aantasten;

b)

verrichte betalingen niet met deugdelijke bewijsstukken kunnen verantwoorden;

c)

aan een ander dan de daarop rechthebbende betalen;

d)

nalaten verschuldigde ontvangsten te innen.

HOOFDSTUK 6

Ontvangsten

Afdeling 1

terbeschikkingstelling van eigen middelen

Artikel 96

Eigen middelen

1.   De ontvangsten gevormd door de eigen middelen bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom worden als raming in euro in de begroting opgenomen. De overeenkomstige eigen middelen worden ter beschikking gesteld overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

2.   De ordonnateur stelt een tijdschema op voor de terbeschikkingstelling aan de Commissie van de eigen middelen bedoeld in Besluit 2014/335/EU, Euratom.

De vaststelling en de inning van de eigen middelen geschieden volgens de voorschriften die ter uitvoering van dat besluit zijn vastgesteld.

Om boekhoudkundige redenen geeft de ordonnateur een invorderingsopdracht af voor inkomsten en uitgaven op de rekening voor de eigen middelen als bedoeld in Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014.

Afdeling 2

raming van schuldvorderingen

Artikel 97

Raming van schuldvorderingen

1.   Wanneer de bevoegde ordonnateur over voldoende en betrouwbare informatie beschikt met betrekking tot een maatregel of situatie waardoor een schuldvordering van de Unie ontstaat, maakt hij een raming van het verschuldigde bedrag.

2.   De raming van de schuldvordering wordt door de bevoegde ordonnateur aangepast zodra hij kennis krijgt van een feit dat de maatregel of de situatie die tot de raming heeft geleid, verandert.

Bij de opstelling van een invorderingsopdracht met betrekking tot een maatregel of situatie die eerder tot een raming van de schuldvordering heeft geleid, wordt die raming dienovereenkomstig aangepast door de bevoegde ordonnateur.

Wanneer de invorderingsopdracht wordt opgesteld voor hetzelfde bedrag als de oorspronkelijke raming van de schuldvordering, wordt die raming verlaagd tot nul.

3.   In afwijking van het bepaalde in lid 1 wordt voor de eigen middelen omschreven in Besluit 2014/335/EU, Euratom die door de lidstaten op vaste vervaldagen worden afgedragen, geen schuldvorderingsraming opgesteld vóór de terbeschikkingstelling van de bedragen door de lidstaten aan de Commissie. Voor deze middelen geeft de bevoegde ordonnateur een invorderingsopdracht af.

Afdeling 3

vaststelling van schuldvorderingen

Artikel 98

Vaststelling van schuldvorderingen

1.   Om een schuldvordering vast te stellen, doet de bevoegde ordonnateur het volgende:

a)

het bestaan van de schuld verifiëren;

b)

het bestaan en het bedrag van de schuld vaststellen of verifiëren, en

c)

de opeisbaarheid van de schuld verifiëren.

De vaststelling van een schuldvordering is de erkenning van het recht van de Unie jegens een debiteur en de opstelling van de titel waarmee van deze debiteur betaling van zijn schuld kan worden geëist.

2.   Elke als vaststaand, liquide en opeisbaar aangemerkte schuldvordering wordt vastgesteld door middel van een invorderingsopdracht waarbij de bevoegde ordonnateur de rekenplichtige opdraagt de schuldvordering te innen. Deze wordt gevolgd door een aan de debiteur gerichte debetnota, behalve voor de gevallen waarin onmiddellijk een ontheffingsprocedure wordt toegepast overeenkomstig lid 4, tweede alinea. Zowel de invorderingsopdracht als de debetnota worden door de bevoegde ordonnateur opgesteld.

De ordonnateur verzendt de debetnota onmiddellijk na de vaststelling van de schuldvordering en uiterlijk binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf het moment waarop de instelling van de Unie, onder normale omstandigheden, haar schuldvordering geldend had kunnen maken. Deze termijn geldt niet wanneer de bevoegde ordonnateur aantoont dat, ondanks de inspanningen die de instelling van de Unie heeft gedaan, het late optreden toe te schrijven is aan het gedrag van de debiteur.

3.   Om een schuldvordering vast te stellen, vergewist de bevoegde ordonnateur zich van het volgende:

a)

de schuldvordering staat vast, wat inhoudt dat zij niet aan voorwaarden onderworpen is;

b)

de hoogte van de schuldvordering staat vast, en wordt uitgedrukt in een nauwkeurig geldbedrag;

c)

de schuldvordering is opeisbaar en niet onderworpen aan een betalingstermijn;

d)

de gegevens van de debiteur zijn correct;

e)

het bedrag is in de juiste begrotingspost geboekt;

f)

de bewijsstukken zijn in orde, en

g)

het beginsel van goed financieel beheer wordt in acht genomen, met name wat betreft de in artikel 101, lid 2, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde criteria.

4.   De debetnota is de mededeling aan de debiteur dat:

a)

de Unie de schuldvordering heeft vastgesteld;

b)

geen achterstandsrente verschuldigd is, indien de schuld binnen de in de debetnota vastgestelde termijn wordt betaald;

c)

bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) van deze alinea bedoelde termijn, over de schuld rente verschuldigd is tegen het in artikel 99 bedoelde percentage, onverminderd de geldende specifieke voorschriften;

d)

de instelling van de Unie bij gebreke van betaling van de schuld bij het verstrijken van de onder b) bedoelde termijn, tot inning overgaat door middel van verrekening of door een beroep te doen op van tevoren verstrekte garanties;