Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R2031

Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad

OJ L 317, 23.11.2016, p. 4–104 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2031/oj

23.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 317/4


VERORDENING (EU) 2016/2031 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 oktober 2016

betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (3) is een plantgezondheidsregeling neergelegd.

(2)

Op 21 november 2008 heeft de Raad de Commissie verzocht om een evaluatie van die plantgezondheidsregeling.

(3)

Gelet op de resultaten van die evaluatie en de ervaring die is opgedaan met de toepassing van Richtlijn 2000/29/EG, dient die richtlijn te worden vervangen. Met het oog op de uniforme toepassing van de nieuwe regels dient de handeling tot vervanging van die richtlijn de vorm te krijgen van een verordening.

(4)

Plantgezondheid is van groot belang voor de productie van planten, bossen, natuurlijke en aangeplante gebieden, natuurlijke ecosystemen, ecosysteemdiensten en de biodiversiteit in de Unie. De gezondheid van planten wordt bedreigd door voor planten en plantaardige producten schadelijke soorten; door de mondialisering van de handel en de klimaatverandering is er nu een groter risico dat deze soorten het grondgebied van de Unie worden binnengebracht. Ter bestrijding van deze bedreiging dienen maatregelen te worden vastgesteld om de fytosanitaire risico's van die plaagorganismen in kaart te brengen en tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

(5)

De noodzaak van dergelijke maatregelen wordt reeds lang onderkend. Zij vormen het onderwerp van internationale overeenkomsten en verdragen, waaronder het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (IPPC), dat op 6 december 1951 is gesloten in het kader van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties (FAO), en de nieuwe herziene tekst ervan die door de FAO-conferentie op haar 29e zitting in november 1997 is goedgekeurd. De Unie en al haar lidstaten zijn overeenkomstsluitende partij bij het IPPC.

(6)

Gebleken is dat het voor de vaststelling van het toepassingsgebied van deze verordening van belang is rekening te houden met biogeografische factoren, om te voorkomen dat niet op het grondgebied van de Europese Unie aanwezige plaagorganismen in dat grondgebied worden binnengebracht of zich over dat grondgebied verspreiden. Bijgevolg moeten Ceuta, Melilla en, behalve Madeira en de Azoren, de ultraperifere gebieden van de lidstaten zoals bedoeld in artikel 355, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), buiten het territoriale toepassingsgebied van deze verordening worden gelaten. Verwijzingen naar derde landen moeten ook als verwijzingen naar deze uit dat toepassingsgebied gesloten gebieden worden beschouwd.

(7)

Richtlijn 2000/29/EG voorziet in regels inzake de door de bevoegde autoriteiten uit te voeren officiële controles met betrekking tot de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen. Zij vereist dat de lidstaten adequate en efficiënte controlemaatregelen uitvoeren. Die adequate en efficiënte controlemaatregelen moeten ook in de toekomst worden voortgezet. In deze verordening, die deel uitmaakt van het pakket „Slimmere regels voor veiliger voedsel”, moet slechts worden voorzien in een beperkt aantal bepalingen over officiële controles aangezien in die regels dient te worden voorzien in het kader van de horizontale wetgeving over officiële controles.

(8)

Er moeten criteria worden geformuleerd aan de hand waarvan kan worden bepaald voor welke plaagorganismen maatregelen moeten worden vastgesteld die voorkomen dat ze worden binnengebracht in en verspreid over het gehele grondgebied van de Unie. Dergelijke plaagorganismen worden aangeduid als „EU-quarantaineorganismen”. Er moeten ook criteria worden geformuleerd om te bepalen voor welke plaagorganismen enkel voor één of meer delen van dat grondgebied bestrijdingsmaatregelen moeten worden vastgesteld. Dergelijke plaagorganismen worden aangeduid als beschermdgebiedquarantaineorganismen, hierna „ZP-quarantaineorganismen” (van „Zona Protecta-quarantaineorganismen”). Wanneer die plaagorganismen planten zijn, dan moet bij de uitvoering van deze verordening de nadruk vooral liggen op planten die parasiteren op andere planten, wanneer zij het gevaarlijkst zijn voor de plantgezondheid.

(9)

Om ervoor te zorgen dat de inspanningen voor de beheersing van EU-quarantaineorganismen worden gericht op deze plaagorganismen waarvan de potentiële economische, sociale of milieugevolgen voor het grondgebied van de Unie het ernstigst zijn, dient een beperkte lijst van dergelijke plaagorganismen („prioritaire plaagorganismen”), te worden opgesteld.

(10)

Om ervoor te zorgen dat, wanneer de aanwezigheid van een EU-quarantaineorganisme wordt vastgesteld of vermoed, doeltreffende en tijdige actie wordt ondernomen, moeten voor de lidstaten, professionele marktdeelnemers en het publiek kennisgevingsverplichtingen gelden.

(11)

Wanneer deze kennisgevingsverplichtingen betekenen dat persoonsgegevens van natuurlijke of rechtspersonen aan de bevoegde autoriteiten moeten worden meegedeeld, kan dit een beperking betekenen van artikel 8 (bescherming van persoonsgegevens) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („het Handvest”). Een dergelijke beperking zou echter noodzakelijk en evenredig zijn ter verwezenlijking van de doelstelling van algemeen belang van deze verordening.

(12)

Een professionele marktdeelnemer of andere persoon die vermoedt of constateert dat een EU-quarantaineorganisme aanwezig is bij een plant die of een plantaardig product of ander materiaal dat zich onder zijn beheer bevindt of heeft bevonden, dient verplicht te zijn de bevoegde autoriteit op de hoogte te brengen van dat vermoeden of die constatering, alle maatregelen te nemen die hij passend acht met het oog op het elimineren van het plaagorganisme en het uit de handel nemen of het terugroepen van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen, en informatie te verstrekken aan de bevoegde autoriteit, andere personen in de handelsketen en het publiek.

(13)

De lidstaten dienen alle noodzakelijke fytosanitaire maatregelen te nemen voor de uitroeiing van EU-quarantaineorganismen wanneer die op hun grondgebied worden aangetroffen. Het is passend vast te stellen welke maatregelen de lidstaten in dat geval kunnen treffen. Tevens is het passend te bepalen welke beginselen de lidstaten dienen te volgen wanneer zij beslissen welke maatregelen moeten worden genomen. Deze maatregelen moeten onder meer het instellen van afgebakende gebieden inhouden, bestaande uit een besmette zone en een bufferzone, alsmede, indien van toepassing, het bepalen van acties die door een professionele marktdeelnemer of andere persoon moeten worden genomen om het quarantaineorganisme te elimineren of te voorkomen dat het zich verspreidt.

(14)

In sommige gevallen moeten de lidstaten maatregelen opleggen voor de uitroeiing van quarantaineorganismen bij planten in privéruimten, omdat plaagorganismen enkel met succes kunnen worden uitgeroeid indien alle bronnen van besmetting worden verwijderd. Daartoe dienen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten recht op toegang tot die ruimten te hebben. Dit kan een beperking betekenen van artikel 7 (eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven) en artikel 17 (recht op eigendom) van het Handvest. Deze beperking moet noodzakelijk zijn ter verwezenlijking van en in verhouding staan tot de doelstelling van algemeen belang van deze verordening.

(15)

Het voorkomen en vroegtijdig opsporen van de aanwezigheid van plaagorganismen is van het grootste belang voor een tijdige en doeltreffende uitroeiing. De lidstaten dienen derhalve onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen in gebieden waar deze plaagorganismen voor zover bekend niet voorkwamen. Gezien het aantal EU-quarantaineorganismen en de voor dat onderzoek benodigde tijd en middelen dienen de lidstaten meerjarige onderzoeksprogramma's op te stellen.

(16)

De Commissie dient de bevoegdheid te krijgen om maatregelen vast te stellen in geval van vermoeden of bevestiging van de aanwezigheid van specifieke EU-quarantaineorganismen, met name voor de uitroeiing en inperking ervan en met het oog op het instellen van afgebakende gebieden, onderzoek, noodplannen, simulatieoefeningen en actieplannen.

(17)

Wanneer een EU-quarantaineorganisme zich heeft gevestigd in een afgebakend gebied en niet kan worden uitgeroeid, moet de Commissie EU-maatregelen vaststellen tot inperking van dat plaagorganisme in dat gebied.

(18)

Met het oog op snel en doeltreffend optreden tegen plaagorganismen die weliswaar geen EU-quarantaineorganismen zijn, maar die volgens de lidstaten mogelijk voldoen aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen, moet worden voorzien in de mogelijkheid dat de lidstaten maatregelen nemen ingeval zij constateren dat een dergelijk plaagorganisme voorkomt. Dit moet ook gelden voor de Commissie.

(19)

Onder bepaalde voorwaarden moet het de lidstaten worden toegestaan strengere maatregelen vast te stellen dan uit hoofde van de EU-wetgeving vereist is.

(20)

Voor prioritaire plaagorganismen dienen bijzondere bepalingen te gelden, met name wat betreft de voorlichting van het publiek, onderzoeken, noodplannen, simulatieoefeningen, op uitroeiing gerichte actieplannen en medefinanciering van maatregelen door de Unie.

(21)

Quarantaineorganismen die aanwezig zijn op het grondgebied van de Unie maar afwezig zijn in specifieke delen van dat grondgebied die zijn aangewezen als „beschermde gebieden”, en waarvan de aanwezigheid alleen binnen die beschermde gebieden onaanvaardbare economische, sociale of milieugevolgen zou hebben, moeten specifiek worden geïdentificeerd en in een lijst van „ZP-quarantaineorganismen” worden opgenomen. Het binnenbrengen, het verkeer van en het vrijlaten van ZP-quarantaineorganismen in de betrokken beschermde gebieden moeten worden verboden.

(22)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld betreffende de erkenning, de wijziging of de intrekking van de erkenning van beschermde gebieden, de onderzoeksverplichtingen voor beschermde gebieden, en de te nemen maatregelen ingeval in de betrokken beschermde gebieden ZP-quarantaineorganismen worden aangetroffen, en betreffende het instellen van tijdelijke beschermde gebieden. Voor de wijziging van de omvang van beschermde gebieden en voor de intrekking van hun erkenning moeten strikte regels worden toegepast, wanneer de aanwezigheid van een ZP-quarantaineorganisme in het betrokken beschermde gebied wordt vastgesteld.

(23)

Een plaagorganisme dat geen EU-quarantaineorganisme is, moet worden aangeduid als een „door de EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme” als dat plaagorganisme hoofdzakelijk wordt overgedragen door specifieke voor opplant bestemde planten, de aanwezigheid ervan op die voor opplant bestemde planten onaanvaardbare economische gevolgen heeft wat betreft het voorgenomen gebruik van die planten en het in de lijst is opgenomen als door de EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme. Om de aanwezigheid van dergelijke plaagorganismen te beperken, moet het binnenbrengen daarvan op of het verkeer daarvan binnen het grondgebied van de Unie via de betrokken voor opplant bestemde planten worden verboden wanneer die plaagorganismen aanwezig zijn met een incidentie boven een bepaalde drempel.

(24)

Bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen leveren een onaanvaardbaar risico op door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is. Voor sommige hiervan zijn wel aanvaardbare risicobeperkende maatregelen beschikbaar, voor andere daarentegen niet. Afhankelijk van de beschikbaarheid van aanvaardbare risicobeperkende maatregelen, moet het binnenbrengen ervan op of het verkeer ervan binnen het grondgebied van de Unie hetzij worden verboden hetzij aan bijzondere voorschriften worden gekoppeld. Er moet een lijst worden opgesteld van die planten, plantaardige producten en andere materialen.

(25)

Naast maatregelen om het onaanvaardbare risico van de planten, plantaardige producten en ander materiaal te beheersen, moet deze verordening voorzien in risicogebaseerde en preventieve maatregelen om het grondgebied van de Unie te beschermen tegen plaagorganismen die kunnen worden binnengebracht door uit een derde land afkomstige planten, plantaardige producten en ander materiaal, op basis van een eerste beoordeling van dat hoge risico. Bij die eerste beoordeling moeten specifieke criteria worden gehanteerd, naargelang de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen. Daartoe moet rekening worden gehouden met wetenschappelijke adviezen of studies van het IPCC, de Plantenbeschermingsorganisatie voor Europa en het gebied van de Middellandse Zee (European and Mediterranean Plant Protection Organisation — EPPO), de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (European Food Safety Authority — EFSA) of de autoriteiten van de lidstaten. Op basis van die eerste beoordeling moet een lijst worden opgesteld van die planten, plantaardige producten of andere materialen die een hoog risico vormen, en moet het binnenbrengen ervan in de Unie worden verboden, in afwachting van een conform de IPPC-normen uitgevoerde risicobeoordeling. Onder die planten, plantaardige producten of andere materialen vallen niet deze die niet op het grondgebied van de Unie mogen worden binnengebracht, of waarvoor bijzondere en gelijkwaardige voorschriften gelden, op basis van een analyse van het risico op plaagorganismen, of die onderworpen zijn aan de tijdelijke verbodsbepalingen van deze verordening.

(26)

Er dient te worden voorzien in uitzonderingen op de verbodsbepalingen of bijzondere voorschriften ten aanzien van het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen om bepaalde maatregelen van derde landen te erkennen als gelijkwaardig aan de voorschriften voor het verkeer van de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie.

(27)

Deze verbodsbepalingen of voorschriften mogen evenwel niet gelden voor kleine hoeveelheden van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen, met uitzondering van voor opplant bestemde planten, voor niet-commerciële en niet-professionele doeleinden, noch, in bepaalde gevallen, voor het binnenbrengen en het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen in grensgebieden.

(28)

Waar nodig kunnen vrijstellingen verleend worden van het verbod op het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van plaagorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor deze verboden gelden en die bestemd zijn voor bepaalde doeleinden, bijvoorbeeld officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling. Er moeten passende waarborgen worden vastgesteld en er moet informatie aan de betrokkenen worden verstrekt.

(29)

Planten die de Unie vanuit derde landen via postdiensten binnenkomen zijn vaak niet in overeenstemming met de fytosanitaire voorschriften van de Unie. Om het bewustzijn daarvan te verhogen moeten specifieke regels worden vastgesteld voor de voorlichting aan reizigers en klanten van postdiensten.

(30)

Voor planten, plantaardige producten en andere materialen in fytosanitaire doorvoer moet onder specifieke voorwaarden worden voorzien in een uitzondering op de regels van de Unie voor het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie.

(31)

Het internationale handelsverkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen waarmee weinig fytosanitaire ervaring is opgedaan, kan mogelijk gepaard gaan met onaanvaardbare risico's op vestiging van quarantaineorganismen die nog niet op de lijst van EU-quarantaineorganismen staan, en waarvoor op grond van deze verordening geen maatregelen zijn vastgesteld. Met het oog op snel en doeltreffend optreden tegen die recentelijk ontdekte of vermoedelijke risico's op plaagorganismen in verband met planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor geen permanente voorschriften of verbodsbepalingen gelden, maar die wel voor dergelijke permanente maatregelen in aanmerking kunnen komen, moet de Commissie tijdelijke maatregelen kunnen vaststellen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel, en moet zij deze planten, plantaardige producten en andere materialen kunnen identificeren, rekening houdend met objectieve en erkende elementen.

(32)

Er moeten ten aanzien van het binnenbrengen en het verkeer binnen beschermde gebieden van planten, plantaardige producten en andere materialen die een onaanvaardbaar risico zouden inhouden door de kans dat het betrokken ZP-quarantaineorganisme in of op hen aanwezig is, verbodsbepalingen en bijzondere voorschriften worden vastgesteld die vergelijkbaar zijn met die welke voor het grondgebied van de Unie zijn vastgesteld.

(33)

Er moeten algemene voorschriften worden vastgesteld ten aanzien van de vervoermiddelen en machines die worden, en het verpakkingsmateriaal dat wordt, gebruikt voor planten, plantaardige producten en andere materialen, om te garanderen dat zij vrij zijn van quarantaineorganismen.

(34)

De lidstaten moeten gesloten faciliteiten en quarantainestations aanwijzen. Er moeten voorschriften worden vastgesteld betreffende de aanwijzing, toelating en de werking van en het toezicht op die gesloten faciliteiten en quarantainestations en betreffende de vrijgave van planten, plantaardige producten of andere materialen uit die faciliteiten of stations. Wanneer deze voorschriften ook inhouden dat lijsten van personeelsleden en bezoekers die de faciliteiten en stations betreden worden bijgehouden, kan dit een beperking betekenen van artikel 8 (bescherming van persoonsgegevens) van het Handvest. Deze beperking zal echter noodzakelijk en evenredig zijn ter verwezenlijking van de doelstelling van algemeen belang van deze verordening.

(35)

De Commissie moet een openbaar toegankelijke, bijgewerkte lijst bijhouden van alle kennisgevingen die zij heeft ontvangen in verband met opkomende plaagorganismen in derde landen die een risico kunnen vormen voor de plantgezondheid op het grondgebied van de Unie.

(36)

Met het oog op de doeltreffende tenuitvoerlegging van deze verordening moeten bepaalde professionele marktdeelnemers op wie de verplichtingen van deze verordening van toepassing zijn, worden ingeschreven in door de lidstaten op te zetten registers. Er moeten voorschriften voor de registratie, en voor de vrijstellingen van die voorschriften, worden vastgesteld.

(37)

Om het opsporen van de bron van een besmetting met een quarantaineorganisme te vergemakkelijken, dient te worden voorgeschreven dat de professionele marktdeelnemers gegevens bijhouden van de planten, plantaardige producten en andere materialen die hun door andere professionele marktdeelnemers worden geleverd en die zij aan andere professionele marktdeelnemers leveren. Gezien de latentietijd van sommige quarantaineorganismen en de tijd die nodig is voor het opsporen van de bron van besmetting, moeten de bijgehouden gegevens gedurende ten minste drie jaar worden bewaard.

(38)

Professionele marktdeelnemers moeten ook beschikken over systemen en procedures met behulp waarvan het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen en tussen hun eigen bedrijfsruimten kunnen worden nagegaan.

(39)

Er moet een fytosanitair certificaat vereist zijn voor het binnenbrengen uit derde landen op het grondgebied van de Unie en in beschermde gebieden van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen. Omwille van de transparantie moet er een lijst van die planten, plantaardige producten en andere materialen worden vastgesteld.

(40)

Fytosanitaire certificaten moeten ook vereist zijn voor het binnenbrengen van andere planten uit derde landen op het grondgebied van Unie. Dit is belangrijk om een adequaat niveau van fytosanitaire veiligheid te garanderen en een effectief overzicht te geven van de invoer van die planten in de Unie en de daaraan verbonden risico's. De bepalingen inzake officiële controles aan grenscontroleposten in de toepasselijke wetgeving van de Unie mogen echter niet van toepassing zijn op deze planten.

(41)

Die fytosanitaire certificaten dienen te voldoen aan de voorschriften van het IPPC en er moet uit blijken dat wordt voldaan aan de uit hoofde van deze verordening vastgestelde voorschriften en maatregelen. Met het oog op de geloofwaardigheid van de fytosanitaire certificaten moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de voorwaarden voor de geldigheid en ongeldigmaking ervan.

(42)

Het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie en naar en binnen beschermde gebieden mag alleen worden toegestaan indien die planten, plantaardige producten en andere materialen vergezeld gaan van een plantenpaspoort waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de conform de bepalingen van deze verordening vastgestelde voorschriften en maatregelen. Omwille van de transparantie moet er een lijst van die planten, plantaardige producten en andere materialen worden vastgesteld.

(43)

Plantenpaspoorten mogen niet verplicht worden gesteld voor rechtstreeks aan eindgebruikers, waaronder hobbytuinders, geleverde planten, plantaardige producten en andere materialen. Bepaalde uitzonderingen zijn echter nodig.

(44)

Met het oog op de geloofwaardigheid van de plantenpaspoorten moeten regels worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud en vorm ervan.

(45)

Plantenpaspoorten dienen in het algemeen te worden afgegeven door de gemachtigde professionele marktdeelnemer. Het moet voor bevoegde autoriteiten mogelijk zijn te besluiten tot het afgeven van plantenpaspoorten.

(46)

Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de afgifte van plantenpaspoorten, het voor afgifte vereiste onderzoek, het aanbrengen van plantenpaspoorten, de machtiging van en het toezicht op de professionele marktdeelnemers die plantenpaspoorten afgeven, de verplichtingen van de erkende marktdeelnemers en de intrekking van die machtiging.

(47)

Om de lasten voor de erkende marktdeelnemers te verlichten, moet het voor afgifte van de plantenpaspoorten vereiste onderzoek in voorkomend geval worden gecombineerd met het onderzoek dat is vereist op grond van de Richtlijnen 66/401/EEG (4), 66/402/EEG (5), 68/193/EEG (6), 2002/54/EG (7), 2002/55/EG (8), 2002/56/EG (9), 2002/57/EG (10), 2008/72/EG (11) en 2008/90/EG (12) van de Raad.

(48)

Erkende marktdeelnemers moeten over de nodige kennis met betrekking tot plaagorganismen beschikken.

(49)

Het is mogelijk dat bepaalde erkende marktdeelnemers verkiezen een plan voor de beheersing van risico's op plaagorganismen op te stellen dat op dit gebied een hoge mate van deskundigheid en bewustzijn waarborgt en uitstraalt ten aanzien van kritieke onderdelen van hun beroepsmatige activiteiten, en dat specifieke, met de bevoegde autoriteiten overeengekomen controleregelingen rechtvaardigt. Er moeten met betrekking tot de inhoud van deze plannen regels van de Unie worden vastgesteld.

(50)

Het is passend te voorzien in de vervanging van plantenpaspoorten en van fytosanitaire certificaten.

(51)

In geval van niet-naleving van de regels van de Unie moeten de plantenpaspoorten worden ingetrokken, ongeldig worden gemaakt en om redenen van traceerbaarheid worden bewaard.

(52)

Op grond van de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 15 Regulation of Wood Packaging Material in International Trade (ISPM15) (reglementering inzake houten verpakkingsmateriaal in het internationale handelsverkeer), moet houten verpakkingsmateriaal worden voorzien van een specifiek merkteken, aangebracht door naar behoren gemachtigde en gecontroleerde professionele marktdeelnemers. Deze verordening moet voorschriften vaststellen met betrekking tot de behandeling, het aanbrengen van merktekens en herstellen van houten verpakkingsmateriaal, die met die norm in overeenstemming zijn. Bij deze verordening moeten tevens regels worden vastgesteld voor de machtiging van en het toezicht op de professionele marktdeelnemers op het grondgebied van de Unie die dat merkteken aanbrengen.

(53)

Voor zover een derde land zulks voorschrijft, dienen de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen die van het grondgebied van de Unie naar dat derde land worden overgebracht, vergezeld te gaan van een fytosanitair certificaat voor uitvoer of wederuitvoer. Overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het IPPC moeten die certificaten door de bevoegde autoriteiten worden afgegeven met inachtneming van de inhoud van de modelcertificaten voor uitvoer en wederuitvoer van het IPPC. Derde landen moeten bescherming aangeboden krijgen tegen EU-quarantaineorganismen, omwille van het erkend schadelijk karakter ervan, behalve wanneer het officieel bekend is dat een EU-quarantaineorganisme in dat derde land aanwezig is en niet onder officieel toezicht staat, of wanneer redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het EU-quarantaineorganisme niet aan de criteria voldoet om in het derde land in kwestie als quarantaineorganisme te worden beschouwd.

(54)

Wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen via meer dan één lidstaat worden vervoerd alvorens naar een derde land te worden uitgevoerd, is het van belang dat de lidstaat waar de planten, plantaardige producten of andere materialen zijn geproduceerd of verwerkt, informatie uitwisselt met de lidstaat van afgifte van het fytosanitair uitvoercertificaat. Deze uitwisseling van informatie is van belang om te kunnen aantonen dat wordt voldaan aan de voorschriften van het derde land. Er moet derhalve een geharmoniseerd „pre-uitvoercertificaat” worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de uitwisseling van die informatie op uniforme wijze plaatsvindt.

(55)

De Commissie moet een elektronisch systeem opzetten voor de overeenkomstig deze verordening vereiste kennisgevingen.

(56)

Teneinde rekening te houden met de meest ernstige economische, sociale of milieugevolgen van bepaalde EU-quarantaineorganismen voor het grondgebied van de Unie, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen betreffende het in een lijst opnemen van prioritaire plaagorganismen.

(57)

Om ervoor te zorgen dat de uitzonderingen die gelden voor EU-quarantaineorganismen en voor planten, plantaardige producten en andere materialen van oorsprong uit derde landen of gebieden die niet op het grondgebied van de Unie mogen worden binnengebracht, die gebruikt worden voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling, zodanig worden toegepast dat zij geen risico's op plaagorganismen voor het grondgebied van de Unie of delen daarvan opleveren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels inzake de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over het binnenbrengen op, het verkeer binnen, en het houden, vermeerderen en gebruik van de betrokken plaagorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen ter zake op, het grondgebied van de Unie, tot de procedure en voorwaarden voor het verlenen van een machtiging daartoe en het toezicht op de naleving daarvan, almede inzake de maatregelen die in het geval van niet-naleving moeten worden genomen.

(58)

Om ervoor te zorgen dat de afwijking van de verplichting om jaarlijkse onderzoeken uit te voeren in afgebakende gebieden, correct wordt toegepast, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere beschrijving van de plaagorganismen die onder deze afwijkingen vallen en de voorwaarden voor de toepassing ervan.

(59)

Teneinde te garanderen dat beschermde gebieden worden ingesteld en betrouwbaar functioneren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de gedetailleerde regels voor de onderzoeken die moeten worden verricht ter erkenning van beschermde gebieden en voor de voorbereiding en de inhoud van onderzoeken betreffende ZP-quarantaineorganismen.

(60)

Om te waarborgen dat de vrijstellingen betreffende het overbrengen naar of het verkeer binnen grensgebieden van planten, plantaardige producten en andere materialen proportioneel en beperkt worden toegepast, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels voor de maximale breedte van grensgebieden van derde landen en die van de lidstaten, de maximumafstand waarover die planten, plantaardige producten en andere materialen binnen grensgebieden van derde landen of binnen die van lidstaten in het verkeer mogen zijn en over de procedures tot machtiging van het binnenbrengen in en het verkeer binnen grensgebieden van de lidstaten van planten, plantaardige producten en andere materialen.

(61)

Om ervoor te zorgen dat de registratie van professionele marktdeelnemers evenredig is aan de doelstelling van het beheersen van risico's op een plaagorganisme, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels om nadere categorieën professionele marktdeelnemers te bepalen die worden vrijgesteld van de verplichting tot inschrijving in een register, bepaalde voorschriften voor de registratie van bepaalde categorieën professionele marktdeelnemers en de bovengrenzen voor de kleine hoeveelheden die de professionele marktdeelnemers aan eindgebruikers mogen leveren om te kunnen worden vrijgesteld van de registratieverplichting.

(62)

Om de geloofwaardigheid te waarborgen van fytosanitaire certificaten van derde landen die geen overeenkomstsluitende partij zijn bij het IPPC, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels ter aanvulling van de voorwaarden voor aanvaarding van fytosanitaire certificaten van deze derde landen.

(63)

Om de risico's op plaagorganismen van binnen het grondgebied van de Unie vervoerde planten, plantaardige producten of andere materialen zo veel mogelijk te beperken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels tot vaststelling van de gevallen waarin, voor bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen, de vrijstelling van het voorschrift tot afgifte van plantenpaspoorten alleen geldt voor kleine hoeveelheden.

(64)

Teneinde de betrouwbaarheid te waarborgen van de onderzoeken die op planten, plantaardige producten of andere materialen worden uitgevoerd met het oog op de afgifte van plantenpaspoorten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot de regels betreffende visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van tests, alsmede de frequentie en de tijdstippen van de onderzoeken.

(65)

Om de geloofwaardigheid van plantenpaspoorten te vergroten, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor regels tot vaststelling van de criteria waaraan professionele marktdeelnemers moeten voldoen om plantenpaspoorten te mogen afgeven en de procedures om ervoor te zorgen dat aan deze criteria wordt voldaan.

(66)

Teneinde het merken van houten verpakkingsmateriaal correct te laten verlopen en rekening te houden met de ontwikkeling van internationale normen, met name ISPM15, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen voor het wijzigen en aanvullen van de voorschriften inzake houten verpakkingsmateriaal, onder meer ten aanzien van het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Unie, en voor het nader omschrijven van de voorschriften op grond waarvan geregistreerde marktdeelnemers kunnen worden gemachtigd om op het grondgebied van de Unie het merkteken op houten verpakkingsmateriaal aan te brengen.

(67)

Om rekening te houden met de ontwikkeling van internationale normen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels inzake verklaringen voor planten, plantaardige producten of andere materialen, met uitzondering van houten verpakkingsmateriaal, waarvoor een specifieke verklaring van overeenstemming met de regels van deze verordening zou moeten worden afgegeven.

(68)

Met het oog op de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van officiële verklaringen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels tot vaststelling van de inhoud van officiële verklaringen, de machtiging van en het toezicht op de professionele marktdeelnemers die deze verklaringen afgeven, en de onderdelen van het uitvoer-, het wederuitvoer- en het pre-uitvoercertificaat.

(69)

Met het oog op aanpassing aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van internationale normen, in het bijzonder de normen van het IPCC en de EPPO, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot regels tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening.

(70)

Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (13). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(71)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om EU-quarantaineorganismen in een lijst op te nemen, het vaststellen van het opmaakprofiel voor rapporten over onderzoeken alsmede van instructies met betrekking tot het invullen van dat opmaakprofiel, het vaststellen van het formaat van de meerjarige onderzoekprogramma's en een aanverwante praktische regeling, het vaststellen van maatregelen tegen specifieke EU-quarantaineorganismen en van maatregelen van beperkte duur in verband met de risico's op plaagorganismen die niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen zijn vermeld.

(72)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het opstellen van een lijst van beschermde gebieden en van de respectieve ZP-quarantaineorganismen, het wijzigen van de omvang van beschermde gebieden of het opheffen van de erkenning van beschermde gebieden.

(73)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen en de betrokken voor opplant bestemde planten in een lijst op te nemen en maatregelen vast te stellen om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de respectieve voor opplant bestemde planten te voorkomen.

(74)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot: het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvan het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie verboden is, alsook van de betrokken derde landen; het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor bijzondere voorschriften gelden en de betrokken bijzondere voorschriften voor het binnenbrengen op en het verkeer ervan binnen het grondgebied van de Unie; het voorlopig opnemen van de planten, plantaardige producten en andere materialen met een hoog risico waarvan het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie moet worden verboden, alsook van de betrokken derde landen; de procedure voor risicobeoordeling met betrekking tot het opnemen in de lijst; het vaststellen van voorschriften voor derde landen die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen; het vaststellen van een regeling voor de presentatie en het gebruik van posters en brochures betreffende het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie; het vaststellen van specifieke voorwaarden of maatregelen betreffende het binnenbrengen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in grensgebieden van de lidstaten; het aannemen van tijdelijke maatregelen met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere materialen die waarschijnlijk recentelijk ontdekte risico's op plaagorganismen of andere vermoede fytosanitaire risico's opleveren; het vaststellen van besluiten over tijdelijke door de lidstaten genomen maatregelen betreffende een onmiddellijk gevaar; het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen die niet in bepaalde beschermde gebieden mogen worden ingevoerd; het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor bijzondere voorschriften gelden alsook de bijzondere voorschriften die van toepassing zijn voor het binnenbrengen ervan op en het verkeer binnen bepaalde beschermde gebieden; en het vaststellen van regels inzake voorschriften voor quarantainestations en gesloten faciliteiten, en de vrijgave van planten, plantaardige producten en andere materialen uit die stations en installaties.

(75)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van kortere of langere minimale bewaartermijnen voor de registers in verband met de traceerbaarheid die door professionele marktdeelnemers worden bijgehouden en het vaststellen van voorschriften betreffende de toegankelijkheid van die registers.

(76)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot: het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen, en van de respectieve derde landen van oorsprong of verzending, waarvoor een fytosanitair certificaat is vereist voor het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Unie; het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen, en van de respectieve derde landen van oorsprong of verzending, waarvoor een fytosanitair certificaat is vereist voor het binnenbrengen ervan in bepaalde beschermde gebieden van die derde landen; het opnemen in een lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen, en van de betrokken derde landen, en de maximale hoeveelheid die kan worden vrijgesteld van het vereiste van een fytosanitair certificaat bij het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie; en het vaststellen van een technische regeling betreffende de ongeldigmaking van de elektronische fytosanitaire certificaten.

(77)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het opnemen in een lijst van de planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort is vereist voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie; het opnemen in een lijst van de planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort is vereist voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen bepaalde beschermde gebieden; en het opsommen van de ZP-quarantaineorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort voor beschermde gebieden nodig is bij directe levering aan een eindgebruiker.

(78)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van de vormvoorschriften voor het plantenpaspoort, het bepalen van de specifieke categorieën en soorten voor opplant bestemde planten waarop de vrijstellingen van het opgeven van de traceerbaarheidscode in het plantenpaspoort niet van toepassing zijn; en een technische regeling voor de afgifte van een elektronisch plantenpaspoort.

(79)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot het vaststellen van een specifieke regeling voor het materiaal, de behandeling en het aanbrengen van merktekens in verband met het herstellen van houten verpakkingsmateriaal, van de vormvoorschriften voor andere verklaringen dan die betreffende het merkteken van houten verpakkingsmateriaal, van de procedures voor de afgifte van pre-uitvoercertificaten, en van specifieke regels betreffende het indienen van kennisgevingen.

(80)

De aan de Commissie toegekende uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (14).

(81)

De Commissie moet onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vaststellen indien dit, in naar behoren gemotiveerde gevallen die verband houden met maatregelen die moeten worden genomen tegen specifieke niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen quarantaineorganismen, om te verbieden dat bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie of in een beschermd gebied worden binnengebracht, teneinde deze binnenkomst aan specifieke voorschriften en tijdelijke maatregelen te onderwerpen met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere materialen die vermoedelijk recentelijk ontdekte risico's op plaagorganismen of andere verdachte fytosanitaire risico's opleveren, om dwingende redenen van urgentie vereist is.

(82)

Bij Richtlijnen 74/647/EEG (15) en 2006/91/EG (16) van de Raad zijn maatregelen vastgelegd betreffende de bestrijding van de anjerbladroller en de San José-schildluis. Na de inwerkingtreding van deze richtlijnen hebben de betrokken plaagorganismen zich wijd verspreid over het gehele grondgebied van de Unie, zodat het niet langer mogelijk is die in te perken. Deze richtlijnen moeten daarom worden ingetrokken.

(83)

Richtlijnen 69/464/EEG (17), 93/85/EEG (18), 98/57/EG (19) en 2007/33/EG (20) van de Raad moeten worden ingetrokken, aangezien overeenkomstig deze verordening nieuwe maatregelen met betrekking tot de plaagorganismen waarop zij betrekking hebben moeten worden vastgesteld. Gelet op de tijd en middelen die nodig zijn voor de vaststelling van dergelijke nieuwe maatregelen, moeten die richtlijnen met ingang van 1 januari 2022 worden ingetrokken.

(84)

Bij Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (21) is bepaald dat subsidies voor maatregelen tegen plaagorganismen kunnen worden verleend wanneer die maatregelen betrekking hebben op bepaalde plaagorganismen die zijn opgenomen in de bijlagen bij Richtlijn 2000/29/EG of op bepaalde plaagorganismen die weliswaar niet in die bijlagen zijn opgenomen, maar waarvoor tijdelijke maatregelen van de Unie zijn vastgesteld. In aanvulling op de bepalingen van die verordening, stelt deze verordening de categorie van prioritaire plaagorganismen vast, en het is van wezenlijk belang dat bepaalde maatregelen van de lidstaten, met name op het gebied van prioritaire plaagorganismen in aanmerking kunnen komen voor subsidies van de Unie, onder meer compensatie van professionele marktdeelnemers voor de waarde van planten, plantaardige producten en andere materialen die worden vernietigd in het kader van de in de onderhavige verordening vastgestelde uitroeiingsmaatregelen. Verordening (EU) nr. 652/2014 dient derhalve te worden gewijzigd.

(85)

Ook in Verordeningen (EU) nr. 228/2013 (22) en (EU) nr. 1143/2014 (23) van het Europees Parlement en de Raad dienen technische wijzigingen te worden aangebracht.

(86)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het waarborgen van een geharmoniseerde aanpak ten aanzien van beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen, de complexiteit en het grensoverschrijdende en internationale karakter ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(87)

Deze verordening brengt voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) geen onevenredig grote administratieve lasten of economische gevolgen mee. In het kader van deze verordening is op basis van raadpleging van de belanghebbenden zo veel mogelijk rekening gehouden met de bijzondere situatie van kmo's. Gezien de beleidsdoelstelling om de gezondheid van planten te beschermen, is een mogelijke universele vrijstelling voor micro-ondernemingen, waarbij het om de meeste ondernemingen gaat, niet in overweging genomen.

(88)

Deze verordening neemt het IPPC, de Overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen en de in het kader hiervan vastgestelde richtsnoeren in acht.

(89)

Overeenkomstig het beginsel van „slimme” regelgeving moet de uitvoering van deze verordening worden gecoördineerd met die van Verordening (EU) nr. 1143/2014, teneinde te waarborgen dat de wetgeving inzake plantgezondheid van de Unie volledig en onverkort van toepassing is.

(90)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest zijn erkend, met name de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op eigendom, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap en de vrijheid van kunsten en wetenschappen. De lidstaten moeten deze verordening overeenkomstig die rechten en beginselen toepassen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Voorwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de bepaling van de fytosanitaire risico's op elk(e) soort, stam of biotype van ziekteverwekkende agentia, dieren of parasitaire planten die of dat schadelijk is voor planten of plantaardige producten („plaagorganismen”) alsmede maatregelen om die risico's tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen.

2.   Wanneer er bewijzen zijn dat andere niet-parasitaire planten dan die welke vallen onder artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 fytosanitaire risico's vormen die ernstige economische, sociale en milieugevolgen voor het grondgebied van de Unie zouden hebben, kunnen deze niet-parasitaire planten voor de toepassing van deze verordening beschouwd worden als plaagorganismen.

3.   Voor de toepassing van deze verordening worden verwijzingen naar derde landen beschouwd als verwijzingen naar derde landen, Ceuta, Melilla en de in artikel 355, lid 1, VWEU genoemde gebieden, met uitzondering van Madeira en de Azoren.

Voor de toepassing van deze verordening worden verwijzingen naar het grondgebied van de Unie beschouwd als verwijzingen naar het grondgebied van de Unie zonder Ceuta, Melilla en de in artikel 355, lid 1, VWEU genoemde andere gebieden dan Madeira en de Azoren.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)   „planten”: levende planten en de volgende levende delen van planten:

a)

zaden in botanische zin, met uitzondering van niet voor opplant bestemde zaden;

b)

vruchten in botanische zin;

c)

groenten;

d)

wortelknollen, stengelknollen, knollen, bollen, wortelstokken, wortels, onderstammen, stolonen;

e)

scheuten, stengels, uitlopers;

f)

snijbloemen;

g)

takken, met of zonder loof;

h)

gevelde bomen die nog van loof zijn voorzien;

i)

bladeren, loof;

j)

plantenweefselculturen, met inbegrip van celculturen, kiemplasma, meristemen, chimere klonen, microvermeerderd materiaal;

k)

levende stuifmeelkorrels en sporen;

l)

knoppen, oculatiehout, stekken, enten, entelingen;

2)   „plantaardige producten”: onbewerkte grondstoffen van plantaardige oorsprong alsmede de bewerkte producten die door hun aard of de aard van hun verwerking een risico kunnen vormen van verspreiding van quarantaineorganismen.

Tenzij anders bepaald in de krachtens de artikelen 28, 30 en 41, vastgestelde uitvoeringshandelingen, wordt hout alleen als een „plantaardig product” beschouwd indien het voldoet aan een of meer van de volgende criteria:

a)

het heeft geheel of gedeeltelijk zijn natuurlijke ronde oppervlak, met of zonder schors, behouden;

b)

het heeft door zagen, snijden of kloven zijn natuurlijke ronde oppervlak niet behouden;

c)

het heeft de vorm van plakjes, spanen, deeltjes, zaagsel, resten, schaafsel of afval van hout, en het heeft geen verwerking ondergaan waarbij gebruik is gemaakt van lijm, hitte of druk dan wel een combinatie daarvan om pellets, briketten, plaathout of spaanplaat te produceren;

d)

het wordt gebruikt of is bestemd om te worden gebruikt als verpakkingsmateriaal, ongeacht of het al dan niet werkelijk wordt gebruikt voor het vervoer van goederen;

3)   „opplant”: iedere handeling betreffende het plaatsen van planten in een groeimedium, het enten of soortgelijke handelingen, teneinde hun verdere groei, reproductie of vermeerdering te bewerkstelligen;

4)   „voor opplant bestemde planten”: planten die bedoeld zijn om geplant te blijven, te worden uitgeplant of opnieuw te worden geplant;

5)   „ander materiaal”: elk materiaal of voorwerp, met uitzondering van planten of plantaardige producten, dat drager of verspreider van een plaagorganisme kan zijn, met inbegrip van grond of groeimedium;

6)   „bevoegde autoriteit”: de centrale autoriteit of autoriteiten van een lidstaat of, indien van toepassing, van een derde land, die verantwoordelijk is voor de organisatie van officiële controles en andere officiële activiteiten, of elke andere autoriteit waaraan die verantwoordelijkheid is opgedragen, overeenkomstig de wetgeving van de Unie betreffende officiële controles.

7)   „partij”: een aantal eenheden van een handelsartikel, dat herkenbaar is door de homogeniteit van de samenstelling, oorsprong en andere relevante elementen, en dat deel uitmaakt van een zending;

8)   „handelseenheid”: de voor het betrokken afzetstadium kleinste commercieel toepasbare of anders bruikbare eenheid, die onderdeel van een partij kan zijn of de gehele partij kan omvatten;

9)   „professionele marktdeelnemer”: elke publiekrechtelijke of privaatrechtelijke persoon die zich beroepshalve bezighoudt met en wettelijk verantwoordelijk is voor een of meer van de volgende activiteiten met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere materialen:

a)

opplant;

b)

veredeling;

c)

productie, met inbegrip van groei, vermeerdering en verzorging;

d)

binnenbrengen op, verkeer binnen en weg van het grondgebied van de Unie;

e)

op de markt aanbieden;

f)

opslag, verzameling, verzending en verwerking;

10)   „geregistreerde marktdeelnemer”: een professionele marktdeelnemer die geregistreerd is overeenkomstig artikel 65;

11)   „erkende marktdeelnemer”: een geregistreerde marktdeelnemer die door de bevoegde autoriteit gemachtigd is om overeenkomstig artikel 89 plantenpaspoorten af te geven, overeenkomstig artikel 98 merktekens aan te brengen of overeenkomstig artikel 99 verklaringen af te geven;

12)   „eindgebruiker”: elke persoon die optreedt voor andere dan handels-, bedrijfs- of beroepsdoeleinden en die planten of plantaardige producten verwerft voor persoonlijk gebruik;

13)   „test”: een officieel onderzoek, anders dan een visueel onderzoek, om te bepalen of plaagorganismen voorkomen of om plaagorganismen te identificeren;

14)   „behandeling”: een officiële of niet-officiële procedure voor het doden, inactiveren, verwijderen of steriliseren van plaagorganismen of voor het devitaliseren van planten of plantaardige producten;

15)   „incidentie”: het percentage of aantal eenheden van een plaagorganisme in een monster, zending, veld of andere omschreven populatie;

16)   „vestiging”: duurzame aanwezigheid, in de nabije toekomst, van een plaagorganisme in een gebied nadat dat plaagorganisme het gebied is binnengekomen;

17)   „uitroeiing”: de toepassing van fytosanitaire maatregelen om een plaagorganisme uit een gebied te verwijderen;

18)   „inperking”: de toepassing van fytosanitaire maatregelen in en rond een besmet gebied om te voorkomen dat een plaagorganisme zich verspreidt;

19)   „quarantainestation”: elk officieel station voor het in quarantaine houden van plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen;

20)   „gesloten faciliteit”: elke andere faciliteit dan quarantainestations waar plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen worden gehouden onder omstandigheden die ontsnappen onmogelijk maken;

21)   „traceerbaarheidscode”: een letter-, cijfer- of alfanumerieke code ter identificatie en tracering van een zending, partij of handelseenheid, met codes die verwijzen naar een partij, batch, serie, productiedatum of naar documenten van professionele marktdeelnemers;

22)   „fytosanitaire maatregel”: elke officiële maatregel die ten doel heeft het binnenbrengen of de verspreiding van een quarantaineorganisme te voorkomen of de economische gevolgen van gereguleerde niet-quarantaineorganisme te beperken.

HOOFDSTUK II

Quarantaineorganismen

Afdeling 1

Quarantaineorganismen

Artikel 3

Definitie van quarantaineorganismen

Een plaagorganisme is met betrekking tot een afgebakend gebied een „quarantaineorganisme” indien het aan alle onderstaande voorwaarden voldoet:

a)

de identiteit van het plaagorganisme is vastgesteld, in de zin van bijlage I, deel 1, punt 1;

b)

het plaagorganisme is niet aanwezig in het gebied, in de zin van bijlage I, deel 1, punt 2, onder a), of is, wanneer het er aanwezig is, niet wijdverbreid binnen dat gebied in de zin van bijlage I, deel 1; punt 2, onder b) en c);

c)

het heeft het vermogen binnen te komen, zich te vestigen en te verspreiden in het gebied, of heeft, wanneer het in het gebied aanwezig is, maar niet wijdverbreid is, het vermogen binnen te komen, zich te vestigen en te verspreiden in die delen van dat gebied waar het niet aanwezig is, in de zin van bijlage I, deel 1, punt 3;

d)

het binnenkomen, het vestigen en het verspreiden van het plaagorganisme in de zin van bijlage I, deel 1, punt 4, zouden onaanvaardbare economische, sociale of milieugevolgen hebben voor dat gebied of, wanneer het er aanwezig maar niet wijdverbreid is, voor die delen van het gebied waar het niet aanwezig is; en

e)

er zijn uitvoerbare en doeltreffende maatregelen beschikbaar om het binnenkomen in, het vestigen in of het verspreiden van het plaagorganisme binnen dat gebied te voorkomen en de risico's en effecten ervan te beperken.

Afdeling 2

EU-quarantaineorganismen

Artikel 4

Definitie van EU-quarantaineorganismen

Een quarantaineorganisme is een „EU-quarantaineorganisme” indien het bij het afgebakende gebied bedoeld in de aanhef van artikel 3 om het grondgebied van de Unie gaat en indien het quarantaineorganisme is opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 5, lid 2.

Artikel 5

Verbod op het binnenbrengen, verkeer, houden, vermeerderen of vrijlaten van EU-quarantaineorganismen

1.   Er mogen geen EU-quarantaineorganismen worden binnengebracht op, in het verkeer zijn binnen, of gehouden, vermeerderd of vrijgelaten op, het grondgebied van de Unie.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst op van de plaagorganismen die met betrekking tot het grondgebied van de Unie voldoen aan de voorwaarden van artikel 3 („lijst van de EU-quarantaineorganismen”).

De lijst van de EU-quarantaineorganismen omvat de plaagorganismen die zijn opgenomen in bijlage I, deel A, en bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Plaagorganismen die inheems zijn of zich gevestigd hebben in een deel van het grondgebied van de Unie, omdat zij aldaar van nature voorkomen of omdat zij van buiten het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht, worden op de lijst van de EU-quarantaineorganismen aangeduid als plaagorganismen waarvan bekend is dat zij op het grondgebied van de Unie aanwezig zijn.

Plaagorganismen die niet inheems zijn of zich niet hebben gevestigd in een deel van het grondgebied van de Unie, worden op de lijst van de EU-quarantaineorganismen aangeduid als plaagorganismen waarvan niet bekend is dat zij op het grondgebied van de Unie aanwezig zijn.

3.   Wanneer uit een evaluatie blijkt dat een niet in de lijst van de EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme met betrekking tot het grondgebied van de Unie aan de voorwaarden van artikel 3, voldoet of dat een in de lijst van de EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme niet langer aan één of meer van deze voorwaarden voldoet, wijzigt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling dienovereenkomstig, door het betrokken plaagorganisme toe te voegen aan dan wel te schrappen uit die lijst.

De Commissie stelt die evaluatie ter beschikking van de lidstaten.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling ter consolidatie van wijzigingen vervangen.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 6

Prioritaire plaagorganismen

1.   EU-quarantaineorganismen zijn „prioritair plaagorganismen” indien zij aan alle onderstaande voorwaarden voldoen:

a)

zij voldoent, wat het grondgebied van de Unie betreft, aan een of meer van de voorwaarden van bijlage I, deel 1, punt 2;

b)

zij hebben mogelijk de meest ernstige economische, sociale of milieugevolgen met betrekking tot het grondgebied van de Unie, als beschreven in bijlage I, deel 2;

c)

zij zijn opgenomen in de lijst in overeenstemming met lid 2 van dit artikel.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het opstellen van een lijst van de prioritaire plaagorganismen („lijst van prioritaire plaagorganismen”).

Wanneer uit een evaluatie blijkt dat een EU-quarantaineorganisme aan de voorwaarden zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel voldoet of dat een plaagorganisme niet langer aan één of meer van deze voorwaarden voldoet, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor de dienovereenkomstige wijziging van de in de eerste alinea bedoelde lijst door het betrokken plaagorganisme toe te voegen aan of te schrappen uit die lijst.

De Commissie stelt die evaluatie onverwijld ter beschikking van de lidstaten.

Indien dit wegens een ernstig aan een plaagorganisme verbonden risico om dwingende redenen van urgentie vereist is, is de in artikel 106 neergelegde procedure van toepassing op op grond van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 7

Wijziging van bijlage I, deel 1

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I, deel 1, teneinde dit aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van toepasselijke internationale normen.

Artikel 8

EU-quarantaineorganismen die voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt

1.   In afwijking van artikel 5, lid 1, kunnen de lidstaten het binnenbrengen op, het verkeer binnen, en het houden en vermeerderen op, hun grondgebied van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen die onderworpen zijn aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen, op verzoek tijdelijk toestaan voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling.

Toestemming voor de betrokken activiteit wordt uitsluitend verleend indien passende beperkingen gelden om ervoor te zorgen dat het binnenbrengen, het verkeer, het houden, de vermeerdering of het gebruik van het betrokken plaagorganisme niet leidt tot vestiging of verspreiding ervan op het grondgebied van de Unie, rekening houdend met de identiteit, de biologische eigenschappen en de middelen van verspreiding van het plaagorganisme, de beoogde werkzaamheden, de interactie met het milieu en andere relevante factoren in verband met het aan dat plaagorganisme verbonden risico.

2.   Toestemming die op grond van lid 1 wordt verleend omvat alle volgende voorwaarden:

a)

het plaagorganisme moet worden bewaard op een locatie en onder omstandigheden die:

i)

door de bevoegde autoriteiten geschikt worden geacht; en

ii)

in de toestemming worden vermeld;

b)

de werkzaamheden in verband met het plaagorganisme moeten worden uitgevoerd in een quarantainestation of gesloten faciliteit dat of die overeenkomstig artikel 60 door de bevoegde autoriteit is aangewezen en in de toestemming wordt vermeld;

c)

de werkzaamheden in verband met het plaagorganisme moeten worden uitgevoerd door personeel:

i)

waarvan de wetenschappelijke en technische bekwaamheden door de bevoegde autoriteit passend worden geacht; en

ii)

die in de toestemming worden vermeld;

d)

het plaagorganisme moet vergezeld gaan van de toestemming wanneer het wordt binnengebracht op, in het verkeer is binnen, of gehouden of vermeerderd wordt op het grondgebied van de Unie.

3.   Op grond van lid 1 verleende toestemmingen zijn begrensd wat betreft de hoeveelheid van het plaagorganisme die kan worden binnengebracht, in het verkeer zijn, of worden gehouden, vermeerderd of gebruikt en de tijdsduur die toereikend is voor de desbetreffende activiteit. De toestemmingen mogen de capaciteit van het aangewezen quarantainestation of de aangewezen gesloten faciliteit niet te boven gaan.

De toestemmingen vermelden de beperkingen die noodzakelijk zijn om het risico op vestiging en verspreiding van het betrokken EU-quarantaineorganisme of van het plaagorganisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen, op passende wijze weg te nemen.

4.   De bevoegde autoriteit monitort de naleving van de in lid 2 bedoelde voorwaarden en de in lid 3 bedoelde begrenzing en beperkingen, en neemt de nodige maatregelen ingeval van niet-naleving. In voorkomend geval kan zij de in lid 1 bedoelde toestemming intrekken.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de vastlegging van nadere regels betreffende:

a)

de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over het binnenbrengen op, verkeer binnen, en het houden, vermeerderen en gebruik van de betrokken plaagorganismen op, het grondgebied van de Unie;

b)

de procedure en de voorwaarden voor het verlenen van de in lid 1 bedoelde toestemming; en

c)

de monitoring van de naleving en de te nemen maatregelen in geval van niet-naleving als bedoeld in lid 4.

Artikel 9

Kennisgeving van een onmiddellijke gevaar

1.   Wanneer een lidstaat beschikt over bewijzen waaruit blijkt dat er onmiddellijk gevaar dreigt dat een EU-quarantaineorganisme binnenkomt op het grondgebied van de Unie of een deel daarvan waar dat EU-quarantaineorganisme tot dusver nog niet aanwezig is, stelt de lidstaat de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk schriftelijk van dat bewijs in kennis.

2.   Lid 1 is ook van toepassing op een plaagorganisme dat niet is opgenomen in de lijst van EU-quarantaineorganismen, indien:

a)

het plaagorganisme onderworpen is aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen; of

b)

de betrokken lidstaat van oordeel is dat het plaagorganisme mogelijk voldoet aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen.

3.   De professionele marktdeelnemers stellen de bevoegde autoriteiten onmiddellijk in kennis van alle bewijzen waarover zij beschikken met betrekking tot een in lid 1 bedoeld onmiddellijk gevaar door EU-quarantaineorganismen of de in lid 2, bedoelde plaagorganismen.

Artikel 10

Officiële bevestiging door de bevoegde autoriteiten van de aanwezigheid van een EU-quarantaineorganisme

Wanneer een bevoegde autoriteit vermoedt of het bewijs heeft ontvangen dat een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen aanwezig is op een deel van het grondgebied van de lidstaat van die bevoegde autoriteit waar dit plaagorganisme voor zover bekend tot dusver niet voorkwam, of in een zending planten, plantaardige producten of andere materialen die op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht, bestemd zijn voor het binnenbrengen daarop, of daarbinnen in het verkeer zijn, neemt zij onmiddellijk alle maatregelen die noodzakelijk zijn om te bevestigen of het organisme aanwezig is („officieel bevestigen”).

Die officiële bevestiging gebeurt op basis van een diagnose van een officieel laboratorium dat door de bevoegde autoriteit is aangewezen overeenkomstig de voorwaarden en voorschriften van de wetgeving van de Unie betreffende officiële controles.

In afwachting van de officiële bevestiging van de aanwezigheid van het plaagorganisme stelt de betrokken lidstaat, indien passend, fytosanitaire maatregelen vast om het risico op verspreiding van het plaagorganisme weg te nemen.

Het in de eerste alinea van dit artikel bedoelde vermoeden of bewijs kan gebaseerd zijn op elke informatie die overeenkomstig de artikelen 14 en 15, of enige andere bron, is ontvangen.

Artikel 11

Kennisgeving van EU-quarantaineorganismen door de lidstaten aan de Commissie en de overige lidstaten

Een lidstaat stuurt de Commissie en de overige lidstaten een kennisgeving wanneer zijn bevoegde autoriteit het bestaan van een van de volgende situaties officieel bevestigt:

a)

de aanwezigheid op zijn grondgebied van een EU-quarantaineorganisme waarvan de aanwezigheid aldaar niet bekend was;

b)

de aanwezigheid van een EU-quarantaineorganisme op een deel van zijn grondgebied waar dat organisme eerder niet aanwezig was;

c)

de aanwezigheid op zijn grondgebied van een EU-quarantaineorganisme in een zending planten, plantaardige producten of andere materialen die zijn binnengebracht op, bestemd waren voor het binnenbrengen op, of in het verkeer zijn binnen het grondgebied van de Unie.

De kennisgevingen uit hoofde van de eerste alinea worden verricht door de enige instantie van de betrokken lidstaat, als bedoeld in de wetgeving van de Unie betreffende officiële controles, waarbij gebruik wordt gemaakt van het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem.

Artikel 12

Door de bevoegde autoriteiten aan professionele marktdeelnemers te verstrekken informatie over EU-quarantaineorganismen

1.   Wanneer een van de in artikel 11 bedoelde situaties officieel is bevestigd, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat professionele marktdeelnemers wier planten, plantaardige producten of andere materialen mogelijk zijn aangetast, onverwijld van de aanwezigheid van het EU-quarantaineorganisme op de hoogte worden gebracht.

2.   De Commissie stelt een openbaar toegankelijke, actuele lijst op van alle door haar ontvangen kennisgevingen betreffende opkomende plaagorganismen in derde landen die een risico kunnen vormen voor de plantgezondheid op het grondgebied van de Unie.

Die lijst kan onderdeel zijn van het in artikel 103 bedoelde elektronisch systeem.

Artikel 13

Door bevoegde autoriteiten aan het publiek te verstrekken informatie over prioritaire plaagorganismen

Wanneer met betrekking tot een prioritair plaagorganisme een van de in artikel 11, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde situaties officieel is bevestigd, informeert de bevoegde autoriteit het publiek over de maatregelen die zij heeft genomen of voornemens is te nemen en over de eventuele door de betrokken categorieën van professionele marktdeelnemers of andere personen te nemen maatregelen.

Artikel 14

Onmiddellijk door professionele marktdeelnemers te nemen maatregelen

1.   Wanneer een professionele marktdeelnemer vermoedt of constateert dat een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme dat onderworpen is aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen voorkomt bij planten, plantaardige producten of andere materialen die zich onder het beheer van die exploitant bevinden, stelt hij de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis daarvan, zodat die bevoegde autoriteit maatregelen kan nemen overeenkomstig artikel 10. Waar dit passend is treft de professionele marktdeelnemer ook onmiddellijk voorzorgsmaatregelen om de vestiging en verspreiding van dat plaagorganisme te voorkomen.

2   De bevoegde autoriteit kan beslissen dat de in lid 1 bedoelde kennisgeving niet vereist is wanneer bekend is dat een specifiek plaagorganisme in een gebied aanwezig is. In dat geval informeert zij de betrokken professionele marktdeelnemers van die beslissing.

3   Wanneer een professionele marktdeelnemer een officiële bevestiging ontvangt betreffende de aanwezigheid van een EU-quarantaineorganisme bij planten, plantaardige producten of andere materialen die zich onder het beheer van die exploitant bevinden, raadpleegt hij de bevoegde autoriteit over de te nemen maatregelen en gaat hij, voor zover van toepassing, over tot de in de leden 4 tot en met 7 bedoelde maatregelen.

4.   De professionele marktdeelnemer treft onmiddellijk de nodige maatregelen om de verspreiding van dat plaagorganisme te voorkomen. Indien de bevoegde autoriteit instructies aangaande die maatregelen heeft gegeven, handelt de professionele marktdeelnemer overeenkomstig deze instructies.

5   Wanneer de instructies van de bevoegde autoriteit zulks aangeven, neemt de professionele marktdeelnemer de nodige maatregelen teneinde het plaagorganisme bij de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen te elimineren, alsmede in de bedrijfsruimtes van die exploitant, land, bodem, water en andere besmette elementen die zich onder zijn beheer bevinden.

6.   Tenzij de instructies van de bevoegde autoriteit anders luiden, neemt de professionele marktdeelnemer de planten, plantaardige producten en andere materialen die zich onder het beheer van die exploitant bevinden en waarbij het plaagorganisme zou kunnen voorkomen, onverwijld uit de handel.

Indien de professionele marktdeelnemer deze planten, plantaardige producten of andere materialen niet langer in zijn beheer heeft, gaat hij, tenzij de instructies van de bevoegde autoriteit anders luiden, onmiddellijk over tot:

a)

het informeren van de personen in de handelsketen aan wie deze planten, plantaardige producten en andere materialen zijn geleverd, over de aanwezigheid van het plaagorganisme;

b)

het verstrekken van richtsnoeren inzake de maatregelen die tijdens het vervoer van de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen moeten worden genomen om het risico op verspreiding of ontsnapping van het betrokken plaagorganismen te beperken;

c)

het terugroepen van deze planten, plantaardige producten of andere materialen.

7.   In de in de leden 1, 3, 4, 5 of 6 van dit artikel bedoelde gevallen verstrekt de professionele marktdeelnemer alle voor de leden van het publiek relevante informatie op verzoek aan de bevoegde autoriteit. Onverminderd artikel 13 informeert de bevoegde autoriteit het publiek zo spoedig mogelijk ingeval maatregelen moeten worden genomen met betrekking tot de planten, plantaardige producten of andere materialen waarbij het betreffende plaagorganisme kan aanwezig zijn.

Artikel 15

Door personen die geen professionele marktdeelnemers zijn te nemen maatregelen

1.   Iedere persoon die geen professionele marktdeelnemer is en constateert of gegronde redenen heeft om te vermoeden dat een EU-quarantaineorganisme aanwezig is, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis. Wanneer deze kennisgeving niet schriftelijk is gedaan, wordt deze officieel vastgelegd door de bevoegde autoriteit. Op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt deze persoon haar de informatie die over de aanwezigheid in zijn bezit is.

2.   De bevoegde autoriteit kan beslissen dat de in lid 1 bedoelde kennisgeving niet vereist is wanneer bekend is dat een specifiek plaagorganisme in een gebied aanwezig is.

3.   De persoon die de in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft verricht raadpleegt de bevoegde autoriteit over de te nemen maatregelen en neemt, overeenkomstig de instructies van de bevoegde autoriteit, de nodige maatregelen om de verspreiding van dat plaagorganisme te voorkomen en om het te elimineren bij de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen en, in voorkomend geval, in de bedrijfsruimten van die persoon.

Artikel 16

Afwijkingen van de kennisgevingsverplichtingen

De in de artikelen 14 en 15 bedoelde kennisgevingsverplichtingen zijn niet van toepassing indien:

a)

een EU-quarantaineorganismen wordt aangetroffen in de besmette zone van een afgebakend gebied dat is ingesteld voor de inperking van dat plaagorganisme, zoals bedoeld in artikel 18, lid 2;

b)

een EU-quarantaineorganismen wordt aangetroffen in de besmette zone van een afgebakend gebied en is onderworpen aan uitroeiingsmaatregelen met een looptijd van 8 jaar of langer, tijdens die eerste 8 jaar.

Artikel 17

Uitroeiing van EU-quarantaineorganismen

1.   Indien het bestaan van een van de in artikel 11, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde situaties officieel is bevestigd, neemt de bevoegde autoriteit onmiddellijk alle fytosanitaire maatregelen die noodzakelijk zijn om het betreffende EU-quarantaineorganisme in het betrokken gebied uit te roeien. Deze maatregelen worden genomen overeenkomstig bijlage II.

Die uitroeiingsverplichting is niet van toepassing wanneer een uit hoofde van artikel 28, lid 2, vastgestelde uitvoeringshandeling betreffende dat plaagorganisme anders bepaalt.

2.   De bevoegde autoriteit onderzoekt onverwijld wat de oorzaak van de aanwezigheid van het betrokken EU-quarantaineorganisme is, met name wanneer die aanwezigheid mogelijk verband houdt met het verkeer van planten, plantaardige producten of andere materialen, en of het zich als gevolg van dat verkeer naar andere planten, plantaardige producten of andere materialen kan hebben verspreid.

3.   Wanneer de in lid 1 bedoelde maatregelen betrekking hebben op het binnenbrengen op of op het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen, stelt de betrokken lidstaat de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van deze maatregelen.

4.   De in lid 1 bedoelde maatregelen en de in lid 2 bedoelde onderzoeken worden uitgevoerd, ongeacht of het plaagorganisme aanwezig is op openbaar of privéterrein.

Artikel 18

Instelling van afgebakende gebieden

1.   Indien het bestaan van een van de in artikel 11, eerste alinea, onder a) en b), bedoelde situaties officieel is bevestigd, stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk een of meer gebieden in, waar de in artikel 17, lid 1, bedoelde uitroeiingsmaatregelen moeten worden genomen („afgebakend gebied”).

Het afgebakend gebied bestaat uit een besmette zone en een bufferzone.

2.   De besmette zone omvat, naargelang het geval,

a)

alle planten waarvan bekend is dat zij met het betrokken plaagorganisme zijn besmet;

b)

alle planten die tekenen of symptomen vertonen die duiden op een mogelijke besmetting met dat plaagorganisme;

c)

alle andere planten die mogelijk met dat plaagorganisme zijn of zullen worden besmet, met inbegrip van planten die mogelijk besmet zijn omdat zij gevoelig zijn voor dat plaagorganisme en zich in de nabijheid van besmette planten hebben bevonden of omdat zij, voor zover bekend, uit dezelfde productie als besmette planten stammen of uit besmette planten verkregen zijn;

d)

land, bodem, waterlopen en andere elementen die met het betrokken plaagorganisme zijn besmet of mogelijk zijn besmet.

3.   De bufferzone grenst aan de besmette zone en omsluit deze.

De omvang ervan is evenredig aan het risico dat het betrokken plaagorganisme zich op natuurlijke wijze of als gevolg van menselijke activiteiten in de besmette zone en de omgeving daarvan buiten de besmette zone verspreidt, en wordt vastgelegd in overeenstemming met de beginselen die zijn vermeld in bijlage II, deel 2.

Wanneer het risico op verspreiding van het plaagorganisme buiten de besmette zone evenwel door natuurlijke of kunstmatige barrières wordt geëlimineerd of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt, is het instellen van een bufferzone niet vereist.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit na een eerste onderzoek en in het licht van de aard van het plaagorganisme, de plant, het plantaardige product of het ander materiaal in kwestie en de locatie waar dit/deze is aangetroffen, concludeert dat het plaagorganisme onmiddellijk kan worden geëlimineerd, kan zij in afwijking van lid 1 besluiten geen afgebakend gebied in te stellen.

In dat geval voert zij een onderzoek uit om te bepalen of nog meer planten of plantaardige producten zijn besmet. Op basis van dat onderzoek bepaalt de bevoegde autoriteit of er een afgebakend gebied moet worden ingesteld.

5.   Wanneer het overeenkomstig de leden 2 en 3 noodzakelijk is dat een afgebakend gebied een deel van het grondgebied van een andere lidstaat bestrijkt, neemt de lidstaat waar het betrokken plaagorganisme is aangetroffen onmiddellijk contact op met de betrokken lidstaat, teneinde die lidstaat in staat te stellen alle passende maatregelen zoals bedoeld in de leden 1 tot en met 4 te nemen.

6.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar in kennis van het aantal en de locatie van de ingestelde afgebakende gebieden, de betrokken plaagorganismen en de gedurende het voorgaande kalenderjaar genomen bijbehorende maatregelen.

Dit lid is van toepassing onverminderd elke verplichting tot kennisgeving van afgebakende gebieden die in de in artikel 104 bedoelde uitvoeringshandelingen wordt neergelegd.

Artikel 19

Onderzoeken met betrekking tot en wijzigingen van afgebakende gebieden, en opheffing van beperkingen

1.   De bevoegde autoriteiten onderzoeken ten minste jaarlijks op gepaste tijdstippen voor elk afgebakend gebied de ontwikkelingen met betrekking tot de aanwezigheid van het betrokken plaagorganisme.

Deze onderzoeken worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 22, lid 2.

2.   Wanneer een bevoegde autoriteit, al dan niet naar aanleiding van een in lid 1 bedoeld onderzoek, vaststelt dat het betrokken plaagorganisme in de bufferzone aanwezig is, stelt de betrokken lidstaat de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk hiervan in kennis.

3.   De bevoegde autoriteiten wijzigen, in voorkomend geval, op basis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken de grenzen van de besmette zones, bufferzones en afgebakende gebieden.

4.   De bevoegde autoriteiten kunnen een afgebakend gebied opheffen en de bijbehorende uitroeiingsmaatregelen beëindigen, mits gebleken is dat dat gebied vrij is van plaagorganismen. Zulks is het geval indien aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

a)

het in lid 1 bedoelde onderzoek toont aan dat het gebied vrij is bevonden van het betrokken plaagorganisme; en

b)

het betrokken plaagorganisme is in dat afgebakend gebied niet aangetroffen gedurende een voldoende lange periode.

5.   De betrokken bevoegde autoriteit houdt bij haar besluit over de in lid 3 bedoelde wijzigingen of de in lid 4 bedoelde opheffing van het afgebakende gebied ten minste rekening met de volgende factoren:

a)

de biologische eigenschappen van het plaagorganisme en de betrokken vector;

b)

de aanwezigheid van waardplanten;

c)

de ecoklimatologische omstandigheden; en

d)

de kans op slagen van de uitroeiingsmaatregelen.

6.   In afwijking van lid 1 van dit artikel is er geen vereiste tot het uitvoeren van jaarlijkse onderzoeken in de besmette zone of afgebakende gebieden die zijn ingesteld voor:

a)

plaagorganismen die onderworpen zijn aan uitroeiingsmaatregelen met een looptijd van 8 jaar of langer;

b)

plaagorganismen die onderworpen zijn aan inperkingsmaatregelen bedoeld in artikel 28, lid 2.

7.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door een nadere beschrijving van de in lid 6, punt a), van dit artikel en in punt b) van artikel 16 bedoelde plaagorganismen, en van de voorwaarden voor de toepassing van die afwijkingen.

Artikel 20

Verslagen over overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 genomen maatregelen

1.   Wanneer maatregelen door een lidstaat zijn genomen in een gebied aan de grens met een andere lidstaat, wordt een verslag over de overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 genomen maatregelen bij die andere lidstaat ingediend.

2.   Wanneer de Commissie of een andere lidstaat zulks vereist, dient een lidstaat een verslag in over overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 genomen specifieke maatregelen.

Artikel 21

Wijziging van bijlage II

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage II met als doel die bijlage aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van toepasselijke internationale normen.

Artikel 22

Onderzoeken met betrekking tot EU-quarantaineorganismen en plaagorganismen die voorlopig als EU-quarantaineorganismen worden aangemerkt

1.   De lidstaten voeren voor welbepaalde perioden risicogebaseerde onderzoeken uit om ten minste na te gaan of:

a)

EU-quarantaineorganismen aanwezig zijn; en

b)

er tekenen of symptomen zijn van plaagorganismen die onderworpen zijn aan de in artikel 29 bedoelde maatregelen of aan krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen.

Deze onderzoeken worden uitgevoerd voor alle gebieden waar de betrokken plaagorganismen voor zover bekend niet voorkomen.

Het uitvoeren van deze onderzoeken is niet vereist voor plaagorganismen waarvoor ondubbelzinnig wordt geconcludeerd dat zij zich, vanwege de ecoklimatologische omstandigheden of de afwezigheid van de waardsoorten, niet in de betrokken lidstaat kunnen vestigen of verspreiden.

2.   De in lid 1 bedoelde onderzoeken worden opgezet op basis van het risico dat het plaagorganisme in het door elk onderzoek bestreken gebied aanwezig is. Zij omvatten ten minste visuele onderzoeken door de bevoegde autoriteit en, in voorkomend geval, het verzamelen van monsters en het uitvoeren van tests. Deze onderzoeken worden uitgevoerd op alle passende locaties en omvatten, in voorkomend geval, bedrijfsruimten, voertuigen, machines en verpakkingsmateriaal die door professionele marktdeelnemers of andere personen worden gebruikt. Zij zijn gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en technische beginselen en worden uitgevoerd op tijdstippen die het mogelijkheid maken het betrokken plaagorganisme op te sporen.

Bij die onderzoeken wordt rekening gehouden met de wetenschappelijke en technische gegevens en met alle andere relevante informatie betreffende de aanwezigheid van het betrokken plaagorganisme.

3.   De lidstaten brengen elk jaar uiterlijk op 30 april aan de Commissie en de overige lidstaten verslag uit over de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar werden uitgevoerd. Deze verslagen bevatten informatie over de plaats en tijdstip van de onderzoeken, de plaagorganismen en de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen, het aantal inspecties en de genomen monsters, en de bevindingen voor elk betrokken plaagorganisme.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het opmaakprofiel van die verslagen, en instructies voor het invullen ervan vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 23

Meerjarige onderzoekprogramma's en verzameling van gegevens

1.   De lidstaten stellen meerjarige onderzoekprogramma's op met een beschrijving van de inhoud van de overeenkomstig artikel 22 uit te voeren onderzoeken. Deze programma's regelen de verzameling en registratie van de wetenschappelijke en technische gegevens en de andere informatie als bedoeld in artikel 22, lid 2, tweede alinea.

De meerjarige onderzoekprogramma's bevatten de volgende elementen, overeenkomstig artikel 22, lid 2:

a)

de specifieke doelstelling van elk onderzoek;

b)

de werkingssfeer van elk onderzoek voor het betrokken gebied en de betrokken tijdschaal, alsmede de plaagorganismen, planten en goederen die het voorwerp ervan zijn;

c)

de onderzoekmethode en het kwaliteitsbeheer met inbegrip van een beschrijving van de procedures voor visueel onderzoek, het nemen van monsters en het uitvoeren van tests en de technische onderbouwing daarvan;

d)

de tijdstippen, de frequentie en het aantal geplande visuele onderzoeken, monsters en tests; en

e)

de methoden van registratie van de verzamelde informatie en de verslaglegging ervan.

De looptijd van de meerjarige onderzoekprogramma's bedraagt vijf tot zeven jaar.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten op verzoek in kennis van hun meerjarige onderzoeksprogramma's wanneer deze zijn opgesteld.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het formaat van de meerjarige onderzoekprogramma's vaststellen, alsmede de praktische regeling voor de wijze waarop de in lid 1 bedoelde elementen op specifieke risico's op plaagorganismen moeten worden toegepast.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 24

Onderzoeken met betrekking tot prioritaire plaagorganismen

1.   De lidstaten voeren jaarlijks voor elk prioritair plaagorganisme een onderzoek uit overeenkomstig artikel 22, leden 1 en 2. Die onderzoeken omvatten een voldoende groot, op de betrokken plaagorganismen afgestemd aantal visuele onderzoeken, monsters en tests, teneinde die plaagorganismen met een hoge mate van betrouwbaarheid tijdig te kunnen opsporen, voor zover dit gelet op de biologische eigenschappen van elk plaagorganisme of de ecoklimatologische omstandigheden mogelijk is.

Het uitvoeren van deze onderzoeken is niet vereist voor plaagorganismen waarvoor ondubbelzinnig wordt geconcludeerd dat zij zich niet in de betrokken lidstaat kunnen vestigen of verspreiden, vanwege de ecoklimatologische omstandigheden daarvan of de afwezigheid van de waardsoorten.

2.   De lidstaten brengen elk jaar uiterlijk op 30 april aan de Commissie en de overige lidstaten verslag uit over de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar werden uitgevoerd.

Artikel 25

Noodplannen voor prioritaire plaagorganismen

1.   Elke lidstaat stelt voor ieder prioritair plaagorganisme dat in staat is zijn grondgebied of een deel daarvan binnen te komen en zich aldaar te vestigen, een afzonderlijk, regelmatig bij te werken, plan op met informatie over de besluitvormingsprocessen, procedures en protocollen die moeten worden toegepast, en de middelen die minimaal beschikbaar moeten worden gesteld en de procedures om bijkomende middelen beschikbaar te stellen wanneer officieel wordt bevestigd of wordt vermoed dat dat plaagorganisme aanwezig is („het noodplan”).

De lidstaten raadplegen in een passend stadium alle betrokken belanghebbenden bij het opstellen en actualiseren van de noodplannen.

Het opstellen van noodplannen is niet vereist voor plaagorganismen waarvoor ondubbelzinnig wordt geconcludeerd dat zij zich niet in de betrokken lidstaat kunnen vestigen of verspreiden vanwege de ecoklimatologische omstandigheden daarvan of de afwezigheid van de waardsoorten,.

2.   Elk noodplan bevat informatie betreffende:

a)

de taken en verantwoordelijkheden van de instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van het plan wanneer officieel wordt bevestigd of wordt vermoed dat het betrokken prioritair plaagorganisme aanwezig is, alsmede de hiërarchische opbouw en de procedures voor de coördinatie van de maatregelen die worden genomen door de bevoegde autoriteiten, andere openbare autoriteiten, gemachtigde instanties of betrokken natuurlijke personen, laboratoria en professionele marktdeelnemers, in voorkomend geval met inbegrip van de coördinatie met aangrenzende lidstaten en aangrenzende derde landen;

b)

de toegang van bevoegde autoriteiten tot de bedrijfsruimten van professionele marktdeelnemers, andere betrokken exploitanten en natuurlijke personen;

c)

de toegang van bevoegde autoriteiten, indien nodig, tot laboratoria, uitrusting, personeel, externe expertise en middelen die nodig zijn voor de snelle en doeltreffende uitroeiing of, in voorkomend geval, inperking van het betrokken prioritair plaagorganisme;

d)

de te nemen maatregelen met betrekking tot het verstrekken van informatie aan de Commissie, de overige lidstaten, de betrokken professionele marktdeelnemers en het publiek over de aanwezigheid van het betrokken prioritair plaagorganisme en de maatregelen voor de bestrijding daarvan, wanneer officieel wordt bevestigd of wordt vermoed dat het betrokken plaagorganisme aanwezig is;

e)

de regelingen voor het vastleggen van bevindingen over de aanwezigheid van het betrokken prioritair plaagorganisme;

f)

de beschikbare evaluaties zoals bedoeld in artikel 6, lid 2, en de eventuele evaluatie van de lidstaat met betrekking tot het risico op het betrokken prioritair plaagorganisme voor zijn grondgebied;

g)

de risicobeheersingsmaatregelen die moeten worden getroffen met betrekking tot het betrokken prioritair plaagorganisme, overeenkomstig bijlage II, deel 1, en de te volgen procedures;

h)

de beginselen voor de geografische afbakening van afgebakende gebieden;

i)

de protocollen met een beschrijving van de methoden voor visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van laboratoriumtests; en

j)

de beginselen inzake de opleiding van het personeel van de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, de instanties, openbare autoriteiten, laboratoria, professionele marktdeelnemers en andere personen zoals bedoeld onder a).

In voorkomend geval wordt de informatie bedoeld in de eerste alinea, onder d) tot en met j), verstrekt in de vorm van handleidingen.

3.   De noodplannen kunnen worden gecombineerd voor meerdere prioritaire plaagorganismen met vergelijkbare biologische eigenschappen en een vergelijkbare reeks waardsoorten. In die gevallen omvat het noodplan enerzijds een algemeen deel dat gemeenschappelijk is voor alle prioritaire plaagorganismen die eronder vallen en anderzijds specifieke delen voor elk afzonderlijk betrokken prioritair plaagorganisme.

4.   De lidstaten stellen binnen vier jaar na de datum van opstelling van de lijst van prioritaire plaagorganismen een noodplan op voor de in die lijst opgenomen prioritaire plaagorganismen.

De lidstaten stellen binnen één jaar na de datum van opneming van elk bijkomend betrokken plaagorganisme in de lijst van prioritaire plaagorganismen een noodplan op voor dat prioritair plaagorganisme.

De lidstaten gaan op gezette tijden over tot evaluatie en, in voorkomend geval, actualisering van hun noodplannen.

5.   De lidstaten doen hun noodplannen op verzoek aan de Commissie en de overige lidstaten toekomen, en informeren alle betrokken professionele marktdeelnemers door de plannen via het internet bekend te maken.

Artikel 26

Simulatieoefeningen voor prioritaire plaagorganismen

1.   De lidstaten simuleren de uitvoering van de noodplannen in oefeningen waarvan de frequentie wordt vastgesteld aan de hand van de biologische eigenschappen van het/de betrokken prioritair(e) quarantaineorganisme(n) en het daaraan verbonden risico.

Deze oefeningen vinden voor alle betrokken prioritaire plaagorganismen plaats binnen een redelijke termijn en met deelname van de relevante belanghebbenden.

Die oefeningen hoeven niet te worden uitgevoerd wanneer de betreffende lidstaat recentelijk maatregelen heeft genomen voor de uitroeiing van het/de betrokken plaagorganisme(n).

2.   Simulatieoefeningen met betrekking tot prioritaire plaagorganismen waarvan de aanwezigheid in een lidstaat gevolgen voor de aangrenzende lidstaten zou kunnen hebben, kunnen door deze lidstaten op basis van hun respectieve noodplannen gezamenlijk worden uitgevoerd.

In voorkomend geval kunnen de lidstaten deze simulatieoefeningen samen met aangrenzende derde landen uitvoeren.

3.   De lidstaten stellen op verzoek een verslag over de resultaten van elke simulatieoefening ter beschikking van de Commissie en de overige lidstaten.

Artikel 27

Actieplannen voor prioritaire plaagorganismen

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 10 officieel wordt bevestigd dat een prioritair plaagorganisme op het grondgebied van een lidstaat aanwezig is, stelt de bevoegde autoriteit onmiddellijk een plan vast (het „actieplan”) met maatregelen voor de uitroeiing van dat plaagorganisme, overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19, of de inperking ervan, overeenkomstig artikel 28, lid 2, en een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen.

Het actieplan bevat een beschrijving van de opzet en de organisatie van de uit te voeren onderzoeken en legt het aantal visuele onderzoeken, te nemen monsters en uit te voeren laboratoriumtests vast, alsmede de bij onderzoeken, monsterneming en tests toe te passen methodiek.

Het actieplan is gebaseerd op het noodplan ter zake en wordt door de bevoegde autoriteit onmiddellijk aan de betrokken professionele marktdeelnemers medegedeeld.

2.   Elke lidstaat brengt de Commissie en de overige lidstaten op verzoek van de actieplannen die hij heeft aangenomen op de hoogte.

Artikel 28

Maatregelen van de Unie ter bestrijding van specifieke EU-quarantaineorganismen

1.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen maatregelen vaststellen ter bestrijding van specifieke EU-quarantaineorganismen. Bij deze maatregelen wordt specifiek voor elk van de betrokken plaagorganismen uitvoering gegeven aan een of meer van de volgende bepalingen:

a)

artikel 10 betreffende maatregelen die moeten worden genomen in geval van vermoeden en officiële bevestiging door de bevoegde autoriteiten van de aanwezigheid van dat EU-quarantaineorganisme;

b)

artikel 14 betreffende onmiddellijk door professionele marktdeelnemers te nemen maatregelen;

c)

artikel 15 betreffende onmiddellijk door personen die geen professionele marktdeelnemer zijn te nemen maatregelen;

d)

artikel 17 betreffende uitroeiing van EU-quarantaineorganismen;

e)

artikel 18 betreffende de instelling van afgebakende gebieden;

f)

artikel 19 betreffende onderzoeken met betrekking tot en wijzigingen van afgebakende gebieden, en opheffing van beperkingen;

g)

artikel 22 betreffende onderzoeken met betrekking tot EU-quarantaineorganismen en plaagorganismen die voorlopig als EU-quarantaineorganismen worden aangemerkt;

h)

artikel 24 betreffende onderzoeken met betrekking tot prioritaire plaagorganismen, wat het aantal visuele onderzoeken, monsters en tests voor bepaalde prioritaire plaagorganismen betreft;

i)

artikel 25 betreffende noodplannen voor prioritaire plaagorganismen;

j)

artikel 26 betreffende simulatieoefeningen voor prioritaire plaagorganismen;

k)

artikel 27 betreffende actieplannen voor prioritaire plaagorganismen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   In afwijking van artikel 17 stelt de Commissie, wanneer op basis van de in artikel 19 bedoelde onderzoeken of van andere gegevens wordt geconcludeerd dat uitroeiing van het betrokken EU-quarantaineorganisme in een afgebakend gebied niet mogelijk is, door middel van uitvoeringshandelingen in de zin van lid 1 van dit artikel maatregelen vast die inperking ten doel hebben.

Om tot die conclusie te komen, neemt de Commissie onverwijld de nodige maatregelen nadat de betrokken lidstaat of een andere bron de desbetreffende gegevens heeft overgelegd.

3.   Wanneer de Commissie tot de conclusie komt dat voor de bescherming van het deel van het grondgebied van de Unie waar het betrokken EU-quarantaineorganisme niet aanwezig is, preventiemaatregelen op gebieden buiten de afgebakende gebieden noodzakelijk zijn, kan zij door middel van uitvoeringshandelingen in de zin van lid 1 dergelijke maatregelen vaststellen.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken EU-quarantaineorganismen, de specifieke ecoklimatologische omstandigheden en risico's voor de betrokken lidstaten en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

5.   Zolang de Commissie geen maatregel heeft vastgesteld, kan de lidstaat de door hem genomen maatregelen handhaven.

6.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken EU-quarantaineorganismen, de specifieke ecoklimatologische omstandigheden en risico's voor de betrokken lidstaten en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

7.   De lidstaten stellen door middel van het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem de Commissie en de overige lidstaten in kennis van eventuele gevallen waarin de op grond van dit artikel vastgestelde maatregelen niet zijn nageleefd, waardoor het risico van verspreiding van EU-quarantaineorganismen ontstaat.

Artikel 29

Maatregelen van lidstaten met betrekking tot plaagorganismen die niet zijn opgenomen in de lijst van EU-quarantaineorganismen

1.   Wanneer de aanwezigheid van een niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme op het grondgebied van een lidstaat officieel wordt bevestigd en de betrokken lidstaat van oordeel is dat dit plaagorganisme mogelijk voldoet aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen, onderzoekt hij onmiddellijk of dat plaagorganisme voldoet aan de criteria van bijlage I, deel 3, subdeel 1. Wanneer hij concludeert dat aan die criteria wordt voldaan, neemt hij onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen overeenkomstig bijlage II. De artikelen 17 tot en met 20 zijn van toepassing.

Wanneer op basis van de in artikel 19 bedoelde onderzoeken of van andere gegevens, wordt geconcludeerd dat uitroeiing van een betrokken plaagorganisme in een afgebakend gebied niet mogelijk is, is artikel 28, lid 2, van overeenkomstige toepassing.

Wanneer officieel wordt bevestigd dat een plaagorganisme dat voldoet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria aanwezig is in een zending planten, plantaardige producten of andere materialen die worden binnengebracht op of in het verkeer zijn binnen het grondgebied van een lidstaat, neemt die lidstaat de nodige maatregelen om het binnendringen in, en het vestigen of het verspreiden van het plaagorganisme binnen het grondgebied van de Unie te voorkomen.

Wanneer een lidstaat vermoedt dat op zijn grondgebied een plaagorganisme aanwezig is dat voldoet aan de in de eerste alinea bedoelde criteria, is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

In afwachting van de officiële bevestiging van de aanwezigheid van het plaagorganisme stelt de betrokken lidstaat in voorkomend geval fytosanitaire maatregelen vast om het risico op verspreiding daarvan te beperken.

2.   Nadat hij de in lid 1 bedoelde maatregelen heeft genomen, onderzoekt de lidstaat of het betrokken plaagorganisme voldoet aan de in bijlage I, deel 1, vermelde criteria voor quarantaineorganismen.

3.   De betrokken lidstaat stelt de Commissie en de overige lidstaten in kennis van de aanwezigheid van het in lid 1 bedoelde plaagorganisme. Hij stelt de Commissie en de overige lidstaten in kennis van het in dat lid bedoelde onderzoek, de maatregelen die zijn genomen en de gegevens die deze maatregelen rechtvaardigden.

Hij stelt de Commissie binnen twee jaar na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van het plaagorganisme in kennis van de resultaten van het in lid 2 bedoelde onderzoek.

Van de aanwezigheid van het betrokken plaagorganisme wordt kennisgegeven via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem.

Artikel 30

Maatregelen van de Unie met betrekking tot plaagorganismen die niet zijn opgenomen in de lijst van EU-quarantaineorganismen

1.   Wanneer de Commissie een in artikel 29, lid 3, eerste alinea, bedoelde kennisgeving ontvangt of over andere aanwijzingen beschikt dat een niet in de lijst van EU-quarantaineorganismen opgenomen plaagorganisme op het grondgebied van de Unie aanwezig is dan wel dat er onmiddellijk gevaar dreigt dat een dergelijk plaagorganisme het grondgebied van de Unie binnendringt of er zich verspreidt, en zij van oordeel is dat dit plaagorganisme mogelijk voldoet aan de voorwaarden voor opneming in die lijst, onderzoekt zij onmiddellijk of dit plaagorganisme, wat het grondgebied van de Unie betreft, voldoet aan de criteria van bijlage I, deel 3, subdeel 2.

Wanneer de Commissie concludeert dat aan die criteria wordt voldaan, stelt zij onmiddellijk bij uitvoeringshandeling tijdelijke maatregelen vast met betrekking tot de aan dit plaagorganisme verbonden risico's. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Bij deze maatregelen wordt in voorkomend geval specifiek voor elk van de betrokken plaagorganismen uitvoering gegeven aan een of meer van de bepalingen bedoeld in artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met g).

2.   Nadat zij in lid 1 bedoelde maatregelen heeft vastgesteld, onderzoekt de Commissie of het betrokken plaagorganisme, wat het grondgebied van de Unie betreft, voldoet aan de in bijlage I, deel 1, vermelde criteria voor quarantaineorganismen.

3.   Wanneer op basis van de in de artikelen 19 en 22 bedoelde onderzoeken of van andere aanwijzingen wordt geconcludeerd dat uitroeiing van het betrokken plaagorganisme in een afgebakend gebied niet mogelijk is, kunnen bij de in lid 1, tweede alinea, van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen maatregelen worden vastgelegd die inperking ten doel hebben.

4.   Wanneer geconcludeerd wordt dat voor de bescherming van het deel van het grondgebied van de Unie waar het betrokken plaagorganisme niet aanwezig is, preventiemaatregelen in gebieden buiten de afgebakende gebieden noodzakelijk zijn, kunnen bij de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandelingen dergelijke maatregelen worden vastgesteld.

5.   De in de leden 1, 3 en 4 bedoelde maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken plaagorganismen en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

6.   Zolang de Commissie geen maatregelen heeft vastgesteld, kan de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 29 de door hem genomen maatregelen handhaven.

7.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke risico's op de betrokken plaagorganismen en de noodzaak van geharmoniseerde uitvoering van de noodzakelijke risicobeperkende maatregelen op het niveau van de Unie.

8.   De lidstaten stellen door middel van het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem de Commissie en de overige lidstaten in kennis van eventuele gevallen waarin de op grond van dit artikel vastgestelde maatregelen niet zijn nageleefd, waardoor het risico op verspreiding van de in lid 1 van dit artikel bedoelde plaagorganismen ontstaat.

Artikel 31

Vaststelling van strengere voorschriften door lidstaten

1.   De lidstaten kunnen op hun grondgebied strengere maatregelen toepassen dan de op grond van artikel 28, leden 1, 2 en 3, en artikel 30, leden 1, 3 en 4, vastgestelde maatregelen, voor zover die maatregelen worden gerechtvaardigd door de doelstelling van fytosanitaire bescherming en in overeenstemming zijn met bijlage II, deel 2.

Deze strengere maatregelen mogen er niet in bestaan of ertoe leiden dat het binnenbrengen op of het verkeer binnen en via het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen wordt verboden of beperkt anders dan uit hoofde van de artikelen 40 tot en met 58 en 71 tot en met 102.

2.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten onmiddellijk in kennis van de door hen overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen.

De lidstaten dienen op verzoek bij de Commissie en de overige lidstaten jaarlijks een verslag in over de overeenkomstig lid 1 genomen maatregelen.

Afdeling 3

ZP-quarantaineorganismen

Artikel 32

Erkenning van beschermde gebieden

1.   Wanneer een quarantaineorganisme wel aanwezig is op het grondgebied van de Unie, maar niet op het grondgebied van een lidstaat of een deel daarvan, en het geen EU-quarantaineorganisme betreft, kan de Commissie, op verzoek van die lidstaat op grond van lid 4, dat grondgebied of een deel daarvan overeenkomstig lid 3 erkennen als beschermd gebied wat dat quarantaineorganisme betreft („beschermdgebiedquarantaineorganismen”, hierna „ZP-quarantaineorganismen” (van „Zona Protecta-quarantaineorganismen”)).

2.   Er mogen geen ZP-quarantaineorganismen worden binnengebracht op, in het verkeer zijn binnen, of worden gehouden, vermeerderd of vrijgelaten in, het betrokken beschermde gebied.

Artikel 8 is van overeenkomstige toepassing op het binnenbrengen in, en het verkeer binnen, het houden en vermeerderen van ZP-quarantaineorganismen in beschermde gebieden.

3.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst van de beschermde gebieden en de betrokken ZP-quarantaineorganismen op. Die lijst omvat de beschermde gebieden die zijn erkend in overeenstemming met artikel 2, lid 1, onder h), eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG, de respectieve plaagorganismen die zijn opgenomen in bijlage I, deel B, en bijlage II, deel B, bij die richtlijn, alsmede codes die specifiek aan deze plaagorganismem zijn toegekend.

Wanneer is voldaan aan de in lid 1 van dit artikel vermelde voorwaarden, kan de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen tot wijziging van de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandeling andere beschermde gebieden erkennen.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandeling vervangen met het oog op het consolideren van wijzigingen.

De in dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De betrokken lidstaat dient tezamen met het in lid 1 bedoelde verzoek documenten in met:

a)

een beschrijving van de grenzen van het voorgestelde beschermde gebied, met inbegrip van kaarten;

b)

de onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat het betrokken quarantaineorganisme gedurende ten minste de laatste drie jaar voor de indiening van het verzoek niet in het betrokken gebied aanwezig was; en

c)

gegevens waaruit blijkt dat het betrokken quarantaineorganisme voldoet aan de in artikel 3 genoemde voorwaarden met betrekking tot het voorgestelde beschermde gebied.

5.   De onderzoeken bedoeld in lid 4, onder b), moeten worden uitgevoerd op gepaste tijdstippen en met gepaste intensiteit wat de mogelijkheid tot het opsporen van het betrokken quarantaineorganisme betreft. Zij worden gebaseerd op deugdelijke wetenschappelijke en technische beginselen, en houden rekening met de toepasselijke internationale normen.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van gedetailleerde regels voor die onderzoeken. Deze handelingen worden vastgesteld conform de ontwikkeling van wetenschappelijke en technische kennis en de toepasselijke internationale normen.

6.   De Commissie kan tijdelijke beschermde zones erkennen. Daartoe zijn de voorwaarden van lid 1, lid 4, en lid 5, eerste alinea, van overeenkomstige toepassing. In afwijking van het vereiste in lid 4, onder b), is er over een periode van ten minste een jaar vóór de indiening van het verzoek een onderzoek uitgevoerd.

De erkenning van een tijdelijke beschermde zone geldt ten hoogste drie jaar vanaf de erkenning, en vervalt automatisch na drie jaar.

7.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten hiervan in kennis en verstrekken, via publicatie op de officiële website van de bevoegde autoriteit, de professionele marktdeelnemers informatie over de grenzen van de beschermde gebieden op hun grondgebied, ook door middel van de desbetreffende kaarten.

Artikel 33

Algemene verplichtingen in verband met beschermde gebieden

1.   Met betrekking tot een beschermd gebied zijn de in de artikelen 9 tot en met 19 vastgestelde verplichtingen van overeenkomstige toepassing op het respectieve ZP-quarantaineorganisme.

2.   Planten, plantaardige producten of andere materialen die afkomstig zijn uit een afgebakend gebied dat in een beschermd gebied voor een ZP-quarantaineorganisme is vastgesteld, mogen niet van dat afgebakende gebied naar het resterende deel van dat beschermde gebied of naar een ander voor dat ZP-quarantaineorganisme vastgesteld beschermd gebied worden overgebracht.

In afwijking van de eerste alinea mogen die planten, plantaardige producten of andere materialen alleen buiten dat afgebakende gebied worden gebracht via en met verlating van het betrokken beschermde gebied, indien zij op zodanige wijze worden verpakt en vervoerd dat er geen risico op verspreiding van dat ZP-quarantaineorganisme binnen dat beschermde gebied is.

3.   De Commissie en de overige lidstaten worden onmiddellijk in kennis gesteld van de binnen een beschermd gebied ingestelde afgebakende gebieden en van de overeenkomstig de artikelen 17, 18 en 19 in die gebieden genomen uitroeiingsmaatregelen.

Artikel 34

Onderzoeken met betrekking tot ZP-quarantaineorganismen

1.   De bevoegde autoriteit voert jaarlijks voor elk beschermd gebied onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het betrokken ZP-quarantaineorganisme. Artikel 22, lid 2, is van overeenkomstige toepassing op deze onderzoeken.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van gedetailleerde regels voor de voorbereiding en de inhoud van deze onderzoeken.

2.   De lidstaten stellen elk jaar uiterlijk op 30 april de Commissie en de overige lidstaten in kennis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken die in het voorgaande kalenderjaar zijn uitgevoerd.

Artikel 35

Wijziging van de omvang en intrekking van de erkenning van beschermde gebieden

1.   De Commissie kan op verzoek van de lidstaat waarvan het grondgebied wordt geraakt, de omvang van een beschermd gebied wijzigen.

Ingeval die wijziging betrekking heeft op de uitbreiding van een beschermd gebied, is artikel 32 van overeenkomstige toepassing.

2.   Op verzoek van de in lid 1 bedoelde lidstaat trekt de Commissie de erkenning van een beschermd gebied in of verkleint zij de omvang ervan.

3.   De Commissie trekt de erkenning van een beschermd gebied in wanneer de in artikel 34 bedoelde onderzoeken niet overeenkomstig dat artikel zijn uitgevoerd.

4.   De Commissie trekt de erkenning van een beschermd gebied in wanneer is vastgesteld dat het betreffende ZP-quarantaineorganisme in dat gebied aanwezig is en aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

er is binnen drie maanden na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van dat plaagorganisme geen afgebakend gebied overeenkomstig artikel 33, lid 1, ingesteld;

b)

de op grond van artikel 33, lid 1, in een afgebakend gebied genomen uitroeiingsmaatregelen hebben niet het gewenste effect gehad binnen 24 maanden na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van dat plaagorganisme, of binnen een periode van meer dan 24 maanden wanneer de biologische eigenschappen van dat plaagorganisme zulks rechtvaardigen en die periode is vermeld in de op grond van artikel 32, lid 3, vastgestelde uitvoeringshandeling;

c)

uit de gegevens waarover de Commissie beschikt blijkt dat er, wat betreft de toepassing van de in de artikelen 17, 18 en 19 bedoelde maatregelen op grond van artikel 33, lid 1, sprake is geweest van ernstige nalatigheid met betrekking tot de aanwezigheid van het betreffende plaagorganisme in het betrokken beschermde gebied.

5.   De Commissie trekt de erkenning van een beschermd gebied in of beperkt de omvang ervan, overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 van dit artikel, door middel van een uitvoeringshandeling waarmee de in artikel 32, lid 3, bedoelde uitvoeringshandeling wordt gewijzigd. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK III

Door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen

Artikel 36

Definitie van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen

Een plaagorganisme is een „door de EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme” indien het aan alle volgende voorwaarden voldoet en is opgenomen in de lijst als bedoeld in artikel 37:

a)

de identiteit van het plaagorganisme is vastgesteld in overeenstemming met bijlage I, deel 4, punt 1;

b)

het plaagorganisme is aanwezig op het grondgebied van de Unie;

c)

het plaagorganisme is geen EU-quarantaineorganisme, of een plaagorganisme waarop de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen van toepassing zijn;

d)

het plaagorganisme wordt hoofdzakelijk overgedragen door specifieke voor opplant bestemde planten, overeenkomstig bijlage I, deel 4, punt 2;

e)

de aanwezigheid van het plaagorganisme op die voor opplant bestemde planten heeft onaanvaardbare economische gevolgen wat betreft het voorgenomen gebruik van die voor opplant bestemde planten, overeenkomstig bijlage I, deel 4, punt 3;

f)

er zijn uitvoerbare en doeltreffende maatregelen beschikbaar om de aanwezigheid van het plaagorganisme op de betrokken voor opplant bestemde planten te voorkomen.

Artikel 37

Verbod op het binnenbrengen en het verkeer van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op voor opplant bestemde planten

1.   Professionele marktdeelnemers mogen geen door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen in het grondgebied van de Unie binnenbrengen of daarbinnen vervoeren op de voor opplant bestemde planten waardoor zij worden overgedragen, zoals vermeld in de in lid 2 bedoelde lijst.

Het in de eerste alinea bepaalde verbod geldt niet in de volgende gevallen:

a)

verkeer van voor opplant bestemde planten binnen en tussen de bedrijfsruimten van de betrokken professionele marktdeelnemer;

b)

verkeer van voor opplant bestemde planten om die planten te kunnen ontsmetten.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst op van de door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen en de specifieke voor opplant bestemde planten zoals bedoeld in artikel 36, onder d), in voorkomend geval met vermelding van de in lid 7 van dit artikel bedoelde categorieën en de in lid 8 van dit artikel bedoelde drempelwaarden.

3.   De lijst bedoeld in lid 2 omvat de plaagorganismen en de respectieve voor opplant bestemde planten die worden vermeld in de volgende bepalingen:

a)

bijlage II, deel A, rubriek II, bij Richtlijn 2000/29/EG;

b)

bijlage I, punten 3 en 6, alsmede bijlage II, punt 3, bij Richtlijn 66/402/EEG;

c)

bijlage I bij Richtlijn 68/193/EEG;

d)

de handelingen vastgesteld op grond van artikel 5, lid 5, van Richtlijn 98/56/EG van de Raad (24);

e)

bijlage II bij Richtlijn 2002/55/EG;

f)

bijlage I en bijlage II, punt B, bij Richtlijn 2002/56/EG en de handelingen vastgesteld op grond van artikel 18, onder c), van die richtlijn;

g)

bijlage I, punt 4, en bijlage II, punt 5, bij Richtlijn 2002/57/EG;

h)

de handelingen vastgesteld op grond van artikel 4 van Richtlijn 2008/72/EG; en

i)

de handelingen vastgesteld op grond van artikel 4 van Richtlijn 2008/90/EG.

Plaagorganismen, vermeld in de lijst in bijlage I, deel A, en bijlage II, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG, en vermeld als EU-quarantaineorganisme overeenkomstig artikel 5, lid 2, van deze verordening, alsmede plaagorganismen die onderworpen zijn aan de krachtens artikel 30, lid 1, van deze verordening vastgestelde maatregelen, worden niet opgenomen in die lijst.

4.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling, waar passend, maatregelen vast om de aanwezigheid van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen op de betrokken voor opplant bestemde planten, als bedoeld in artikel 36, onder f), van deze verordening te voorkomen. Die maatregelen betreffen, in voorkomend geval, het binnenbrengen in en het verkeer binnen de Unie van die planten. Die maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig de in bijlage II, deel 2, van deze verordening vermelde beginselen. Die maatregelen gelden onverminderd de krachtens de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG en 98/56/EG, Richtlijn 1999/105/EG van de Raad (25), en de Richtlijnen 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG vastgestelde maatregelen.

5.   De Commissie wijzigt door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen, wanneer uit een evaluatie blijkt dat:

a)

een niet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling opgenomen plaagorganisme voldoet aan de voorwaarden van artikel 36,

b)

een in de in lid 2 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling opgenomen plaagorganisme niet langer voldoet aan één of meer van de voorwaarden van artikel 36,

c)

die lijst wat betreft de in lid 7 van dit artikel bedoelde categorieën of de in lid 8 van dit artikel bedoelde drempelwaarden moet worden gewijzigd; of

d)

op grond van lid 4 van dit artikel vastgestelde maatregelen moeten worden gewijzigd.

De Commissie stelt die evaluatie onverwijld ter beschikking van de lidstaten.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de in de leden 2 en 4 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandelingen vervangen met het oog op het consolideren van wijzigingen.

6.   De in de leden 2 en 4 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

7.   Wanneer aan de voorwaarde van artikel 36, onder e), alleen wordt voldaan voor één of meer van de volgende categorieën: prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal, zaaigoed of pootaardappelen, standaard of CAC-materiaal of zaaigoed, zoals respectievelijk vermeld in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG, moet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst bij de vermelding van deze categorieën worden aangegeven dat het in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod op het binnenbrengen en het verkeer alleen voor deze categorieën geldt.

8.   Wanneer aan de voorwaarde van artikel 36, onder e), alleen wordt voldaan indien het betrokken plaagorganisme met een incidentie boven een bepaalde drempelwaarde groter dan nul aanwezig is, moet in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst bij de vermelding van deze drempelwaarde worden aangegeven dat het in in lid 1 van dit artikel neergelegde verbod op het binnenbrengen en het verkeer alleen boven deze drempelwaarde geldt.

Er wordt alleen een dergelijke drempelwaarde vastgesteld indien aan de volgende criteria wordt voldaan:

a)

het is mogelijk dat professionele marktdeelnemers ervoor zorgen dat de incidentie van dat door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganisme op die voor opplant bestemde planten die drempelwaarde niet overschrijdt;

b)

het is mogelijk na te gaan of die drempelwaarde in partijen van die voor opplant bestemde planten niet wordt overschreden.

De in bijlage II, deel 2, genoemde beginselen voor het beheersen van de risico's op plaagorganismen zijn van toepassing.

9.   Artikel 31 is van overeenkomstige toepassing op de maatregelen die de lidstaten moeten nemen betreffende gereguleerde niet-quarantaineorganismen en de respectieve voor opplant bestemde planten.

Artikel 38

Wijziging van bijlage I, deel 4

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I, deel 4, teneinde dat deel aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van toepasselijke internationale normen.

Artikel 39

Door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen die voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden, veredeling of tentoonstellingen worden gebruikt

Het verbod van artikel 37 geldt niet voor door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen die op voor opplant bestemde planten voorkomen en voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden, veredeling of tentoonstellingen worden gebruikt.

HOOFDSTUK IV

Maatregelen betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen

Afdeling 1

Maatregelen met betrekking tot het gehele grondgebied van de Unie

Artikel 40

Verbod op het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van Unie

1.   Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen mogen niet op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht indien zij uit enig of uit bepaalde derde landen of gebieden afkomstig zijn.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van planten, plantaardige producten en andere materialen, bedoeld in lid 1, die niet op het grondgebied van de Unie mogen worden binnengebracht met daarbij tevens de derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden van de derde landen waarop het verbod van toepassing is.

In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, en de landen van oorsprong opgenomen die zijn vermeld in bijlage III, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In de bij die uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst worden de planten, plantaardige producten en andere materialen ook aangeduid met hun respectieve code overeenkomstig de gecombineerde nomenclatuur zoals vastgesteld bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (26) („GN-code”), indien die code beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

3.   Wanneer, door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is, een plant, plantaardig product of ander materiaal van oorsprong uit of verzonden vanuit een derde land een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert en dit risico op plaagorganismen door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling dienovereenkomstig om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en de betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden van de derde landen op te nemen.

Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert of weliswaar een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.

De mate waarin dit risico op plaagorganismen aanvaardbaar is, wordt beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II bedoelde beginselen, in voorkomend geval ten aanzien van één of meer specifieke derde landen.

Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met lid 1 planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht.

Die kennisgeving wordt ook gericht aan het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht.

Artikel 41

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor bijzondere en gelijkwaardige voorschriften gelden

1.   Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen mogen alleen worden binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen het grondgebied van de Unie indien is voldaan aan bijzondere of gelijkwaardige voorschriften. Deze planten, plantaardige producten of andere materialen kunnen van oorsprong zijn uit derde landen of het grondgebied van de Unie.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van planten, plantaardige producten en andere materialen en de desbetrefende bijzondere voorschriften als bedoeld in lid 1. Deze lijst bevat in voorkomend geval de betrokken derde landen, de groepen derde landen of de specifieke gebieden binnen de derde landen.

In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, de bijzondere voorschriften en, in voorkomend geval, hun derde landen van oorsprong opgenomen die zijn vermeld in bijlage IV, deel A, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst worden die planten, plantaardige producten en andere materialen ook aangeduid met hun GN-code, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

3.   Wanneer, door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is, een plant, plantaardig product of ander materiaal een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert en dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling om daarin die plant, dat plantaardig product of dat andere materiaal en de daarop toe te passen maatregelen op te nemen. Deze maatregelen en de in lid 2 bedoelde voorschriften, vormen „bijzondere voorschriften”.

De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen worden genomen in de vorm van specifieke, overeenkomstig artikel 44, lid 1, vastgestelde voorschriften voor het binnenbrengen van bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie, die gelijkwaardig zijn aan bijzondere voorschriften voor het binnenbrengen en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van die planten, plantaardige producten of andere materialen („gelijkwaardige voorschriften”).

Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert of weliswaar een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door de bijzondere voorschriften niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig door die plant of dat plantaardig product of ander materiaal van de lijst te schrappen of op te nemen in de in artikel 40, lid 2, bedoelde lijst.

De mate waarin dit risico op plaagorganismen aanvaardbaar is, wordt beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II vermelde beginselen, in voorkomend geval ten aanzien van een of meer specifieke derde landen of delen daarvan.

Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

4.   Wanneer in strijd met lid 1 planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht of daarbinnen in het verkeer zijn, stellen de lidstaten de in de wetgeving van de Unie betreffende officiële controles bedoelde noodzakelijke maatregelen vast, en stellen zij de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis.

In voorkomend geval wordt die kennisgeving ook gericht aan het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie werden binnengebracht.

Artikel 42

Beperkingen op basis van een voorlopige beoordeling op het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen met een hoog risico

1.   Een plant, plantaardig product of ander materiaal die/dat afkomstig is uit een derde land en die/dat niet in een lijst is opgenomen overeenkomstig artikel 40 of niet afdoende wordt gedekt door de in artikel 41 bedoelde voorschriften of niet onder de tijdelijke maatregelen van artikel 49 valt, en die/dat, op grond van een voorlopige beoordeling, een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert voor het grondgebied van de Unie, is een „plant met een hoog risico”, „plantaardig product met een hoog risico” of „ander materiaal met een hoog risico” („planten, plantaardige producten of andere materialen met een hoog risico”).

Bij die voorlopige beoordeling wordt, naargelang de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen, rekening gehouden met de in bijlage III bedoelde criteria.

2.   Planten, plantaardige producten of ander materialen met een hoog risico die zijn opgenomen in de lijst van de in lid 3 bedoelde uitvoeringshandeling mogen niet vanuit de in die lijst gespecificeerde derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden binnen de derde landen van oorsprong worden binnengebracht op het grondgebied van de Unie.

3.   In afwachting van de in lid 4 bedoelde risicobeoordeling stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een voorlopige lijst vast van de in lid 1 bedoelde planten, plantaardige producten of andere materialen volgens het passende taxonomische niveau en, in voorkomend geval, van de betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden in derde landen.

De eerste van die uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld uiterlijk op 14 december 2018.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen, in voorkomend geval, ook hun GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes genoemd indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

4.   Wanneer een risicobeoordeling uitwijst dat de plant, het plantaardig product of het ander materiaal die/dat afkomstig is uit de in lid 2 bedoelde betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden binnen de derde landen, op het taxonomische niveau als bedoeld in de in lid 3 bepaalde uitvoeringshandeling of onder dat niveau, door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert, schrapt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling die plant, dat plantaardig product of dat andere materiaal van de in dat lid bedoelde lijst voor de betrokken derde landen.

Wanneer een risicobeoordeling uitwijst dat de plant, het plantaardig product of het ander materiaal die/dat afkomstig is uit de in lid 2 bedoelde betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden binnen de derde landen, door de kans dat er een EU-quarantaineorganisme in of op aanwezig is een onaanvaardbaar risico oplevert en dat dit risico op plaagorganismen door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, schrapt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling die plant, dat plantaardig product of dat andere materiaal en de betrokken derde landen van de in lid 2 bedoelde lijst en voegt ze toe aan de in artikel 40 bedoelde lijst.

Wanneer een risicobeoordeling uitwijst dat de plant, het plantaardig product of het ander materiaal die/dat afkomstig is uit de in lid 2 bedoelde betrokken derde landen, groepen derde landen of specifieke gebieden binnen de derde landen een onaanvaardbaar risico oplevert maar dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, schrapt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling die plant, dat plantaardig product of dat andere materiaal en het betrokken derde land, de betrokken groep derde landen of het betrokken specifieke gebied binnen het derde land van de in lid 2 bedoelde lijst en voegt ze toe aan de in artikel 41 bedoelde lijst.

5.   Wanneer een verzoek voor de invoer van in de lijst in de in lid 3 bepaalde uitvoeringshandeling opgenomen planten, plantaardige producten of andere materialen is kenbaar gemaakt, wordt de in lid 4 bedoelde risicobeoordeling binnen een passende en redelijke termijn uitgevoerd.

In voorkomend geval kan deze beoordeling worden beperkt tot planten, plantaardige producten of andere materialen van een bepaald derde land van oorsprong of verzending of een groep derde landen van oorsprong of verzending.

6.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke regels vaststellen voor de bij de uitvoering van de in lid 4 bedoelde risicobeoordeling te volgen procedure.

7.   De in de leden 3, 4 en 6 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 43

Specifieke invoervoorwaarden voor het binnenbrengen van houten verpakkingsmateriaal op het grondgebied van de Unie

1.   Houten verpakkingsmateriaal, dat al dan niet daadwerkelijk wordt gebruikt voor het vervoer van allerhande voorwerpen, kan slechts op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht indien het voldoet aan de volgende voorwaarden:

a)

het is aan een of meer van de goedgekeurde behandelingen onderworpen en voldoet aan de toepasselijke voorschriften die vermeld zijn in bijlage 1 bij de internationale norm voor fytosanitaire maatregelen nr. 15 „Regulation of Wood Packaging Material in International Trade” (reglementering inzake houten verpakkingsmateriaal in het internationale handelsverkeer) (ISPM15);

b)

het is voorzien van het in bijlage 2 bedoelde ISPM 15-merkteken, dat aangeeft dat het aan de onder a) bedoelde behandelingen onderworpen is.

Dit lid is niet van toepassing op houten verpakkingsmateriaal dat onderworpen is aan de vrijstellingen waarin ISPM15 voorziet.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die de in lid 1 van dit artikel bepaalde voorschriften aanvullen om rekening te houden met de ontwikkeling van internationale normen, en met name ISPM15.

Die uitvoeringshandelingen kunnen ook bepalen dat houten verpakkingsmateriaal dat niet is onderworpen aan de vrijstellingen van ISPM15 is vrijgesteld van de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorschriften of onderworpen is aan minder strenge voorschriften.

Artikel 44

Vaststelling van gelijkwaardige voorschriften

1.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling gelijkwaardige voorschriften vast op verzoek van een bepaald derde land, indien aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het betrokken derde land waarborgt, door de toepassing in het kader van zijn officiële controle van één of meer specifieke maatregelen, ten aanzien van het verkeer van de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie, een niveau van fytosanitaire bescherming dat gelijkwaardig is aan de bijzondere voorschriften;

b)

het betrokken derde land toont de Commissie aan dat met de onder a) bedoelde specifieke maatregelen het aldaar bedoelde niveau van fytosanitaire bescherming wordt bereikt.

Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   In voorkomend geval verricht de Commissie in het betrokken derde land onderzoeken om na te gaan of aan de in lid 1, eerste alinea, onder a) en b), genoemde voorwaarden voldaan is. Deze onderzoeken voldoen aan de voorschriften voor onderzoeken door de Commissie als bedoeld in de Uniewetgeving over officiële controles.

Artikel 45

Aan reizigers en klanten van postdiensten te verstrekken informatie

1.   De lidstaten, zeehavens, luchthavens en internationale transportbedrijven stellen de reizigers informatie beschikbaar over de in artikel 40, lid 2, bedoelde verbodsbepalingen, over de in artikel 41, lid 2, en artikel 42, lid 3, bedoelde voorschriften en over de in artikel 75, lid 2, bedoelde vrijstellingen, met betrekking tot het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie.

Zij verstrekken die informatie in de vorm van posters of brochures, en, in voorkomend geval, op hun websites.

Postdiensten en professionele marktdeelnemers die betrokken zijn bij de verkoop door middel van op afstand gesloten overeenkomsten stellen deze informatie in verband met planten, plantaardige producten en andere materialen zoals bedoeld in de eerste alinea minstens ook via het internet aan hun klanten ter beschikking.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regelingen treffen betreffende de presentatie en het gebruik van die posters en brochures. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De lidstaten leggen, op verzoek, de Commissie een verslag voor met een overzicht van de overeenkomstig dit artikel verstrekte informatie.

Artikel 46

Uitzonderingen op verbodsbepalingen en voorschriften voor grensgebieden

1.   In afwijking van artikel 40, lid 1, artikel 41, lid 1 en artikel 42, lid 2, mogen de lidstaten toestemming verlenen voor het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen die aan alle volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij worden geteeld of geproduceerd in gebieden in derde landen die in de nabijheid van de landgrens met een lidstaat zijn gelegen („grensgebieden van derde landen”);

b)

zij worden binnengebracht in gebieden in lidstaten die onmiddellijk aan de andere kant van die grens zijn gelegen („grensgebieden van lidstaten”);

c)

zij worden in deze grensgebieden van lidstaten onderworpen aan een zodanige verwerking dat er geen enkel risico op plaagorganismen meer bestaat;

d)

zij brengen geen enkel risico met zich mee op verspreiding van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen die onderworpen zijn aan krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen wanneer zij binnen het grensgebied in het verkeer zijn.

Die planten, plantaardige producten en andere materialen worden uitsluitend vervoerd naar en binnen de grensgebieden van lidstaten, en zulks uitsluitend onder officieel toezicht van de bevoegde autoriteit.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die aanvulling van deze verordening aanvullen door het vastleggen van:

a)

de maximale breedte van de grensgebieden van derde landen en van de grensgebieden van lidstaten, waar nodig specifiek voor bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen;

b)

de maximale afstand waarover de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen binnen de grensgebieden van derde landen en de grensgebieden van lidstaten in het verkeer mogen zijn; en

c)

de procedures voor het verlenen van toestemming voor het binnenbrengen op en het verkeer binnen de grensgebieden van lidstaten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen.

Deze gebieden moeten breed genoeg zijn om te waarborgen dat het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van die planten, plantaardige producten en andere materialen geen risico's op plaagorganismen voor het grondgebied van de Unie of delen daarvan oplevert.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke voorwaarden of maatregelen vaststellen met betrekking tot het binnenbrengen van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de grensgebieden van lidstaten en bepalen met betrekking tot welke specifieke derde landen dit artikel van toepassing is.

Deze handelingen worden vastgesteld overeenkomstig bijlage II en, in voorkomend geval, rekening houdend met de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en de internationale normen.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de leden 1, 2 en 3 van dit artikel planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen grensgebieden van lidstaten of grensgebieden van derde landen.

Die kennisgeving wordt ook gericht aan het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen in het betrokken grensgebied zijn binnengebracht.

Artikel 47

Voorschriften voor fytosanitaire doorvoer

1.   In afwijking van artikel 40, lid 1, artikel 41, lid 1, artikel 42, lid 2, artikel 72, lid 1, en artikel 73, kunnen planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie worden binnengebracht en daarover worden doorgevoerd naar een derde land, in de vorm van doorvoer of overlading („fytosanitaire doorvoer”), indien de planten, plantaardige producten en andere materialen aan beide volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij gaan vergezeld van een ondertekende verklaring van de professionele marktdeelnemer die die planten, plantaardige producten en andere materialen onder zijn beheer heeft, waarin wordt bevestigd dat die planten, plantaardige producten en andere materialen zich in fytosanitaire doorvoer bevinden;

b)

zij worden op zodanige wijze verpakt en vervoerd dat er bij het binnenbrengen ervan op en het doorvoeren ervan over het grondgebied van de Unie geen risico op verspreiding van EU-quarantaineorganismen bestaat.

2.   De bevoegde autoriteiten verbieden fytosanitaire doorvoer indien de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen niet voldoen aan lid 1 of indien op basis van redelijk bewijs wordt verwacht dat zij daar niet aan zullen voldoen.

Artikel 48

Planten, plantaardige producten en andere materialen die voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt

1.   In afwijking van artikel 40, lid 1, artikel 41, lid 1, en artikel 42, lid 2, mogen de lidstaten, op verzoek, tijdelijk toestemming verlenen voor het binnenbrengen op en het verkeer binnen hun grondgebied van planten, plantaardige producten en andere materialen die voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt.

De toestemming voor de betrokken activiteit wordt uitsluitend verleend indien passende beperkingen gelden om ervoor te zorgen dat de aanwezigheid van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen geen onaanvaardbaar risico oplevert van verspreiding van een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme dat is onderworpen aan krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen, rekening houdend met de identiteit, de biologische eigenschappen en de middelen van verspreiding van de betrokken plaagorganismen, de beoogde werkzaamheden, de interactie met het milieu en andere relevante factoren in verband met het aan die planten, plantaardige producten of andere materialen verbonden risico op plaagorganismen.

2.   Wanneer toestemming wordt verleend in overeenstemming met lid 1 bevat zij de volgende voorwaarden:

a)

de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen moeten worden bewaard op een plaats en onder omstandigheden die door de bevoegde autoriteiten geschikt zijn bevonden en die in de toestemming worden vermeld;

b)

de werkzaamheden in verband met die planten, plantaardige producten of andere materialen moeten worden uitgevoerd in een quarantainestation of een gesloten faciliteit dat/die overeenkomstig artikel 60 door de bevoegde autoriteit is aangewezen en in de toestemming wordt vermeld;

c)

de werkzaamheden in verband met die planten, plantaardige producten of andere materialen moeten worden uitgevoerd door personeel waarvan de wetenschappelijke en technische bekwaamheden door de bevoegde autoriteit geschikt zijn bevonden en in de toestemming worden vermeld;

d)

die planten, plantaardige producten of andere materialen moeten vergezeld gaan van de toestemming wanneer zij worden binnengebracht op of in het verkeer zijn binnen het grondgebied van de Unie.

3.   De in de in lid 1 bedoelde toestemming vermelde hoeveelheden en looptijd worden begrensd tot wat voor de betrokken werkzaamheden passend is en de toestemming mag de capaciteit van het aangewezen quarantainestation of de aangewezen gesloten faciliteit niet te boven gaan.

In de toestemming wordt melding gemaakt van de beperkingen die noodzakelijk zijn om het risico op verspreiding van de relevante EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen die zijn onderworpen aan de krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen, op passende wijze te elimineren.

4.   De bevoegde autoriteit monitort de naleving van de in lid 2 bedoelde voorwaarden en de in lid 3 bedoelde restrictie en beperkingen, en neemt de nodige maatregelen ingeval die voorwaarden, die restrictie of die beperkingen niet worden nageleefd.

In voorkomend geval kan zij de in lid 1 bedoelde toestemming intrekken.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de vastlegging van nadere regels betreffende:

a)

de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie over het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;

b)

de procedures en voorwaarden voor het verlenen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toestemming; en

c)

de voorschriften voor de monitoring van de naleving en de te nemen maatregelen in geval van niet-naleving als bedoeld in lid 4 van dit artikel.

Artikel 49

Tijdelijke maatregelen betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen die waarschijnlijk recentelijk ontdekte risico's op plaagorganismen of andere vermoede fytosanitaire risico's opleveren

1.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen tijdelijke maatregelen vaststellen met betrekking tot het binnenbrengen op en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen uit derde landen, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het is aannemelijk dat die planten, plantaardige producten of andere materialen recentelijk ontdekte risico's op plaagorganismen opleveren die niet voldoende worden gedekt door Uniemaatregelen en die geen verband houden met of nog niet in verband kunnen worden gebracht met EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen die zijn onderworpen aan krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen;

b)

er is ontoereikende fytosanitaire ervaring, onder meer inzake nieuwe plantsoorten of routes, met betrekking tot de handel in de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen die afkomstig zijn uit of worden verzonden vanuit de betrokken derde landen;

c)

er heeft geen beoordeling plaatsgevonden van de recentelijk ontdekte risico's van plaagorganismen die de planten, plantaardige producten of andere materialen uit de betrokken derde landen voor het grondgebied van de Unie opleveren.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.   De in lid 1 bedoelde tijdelijke maatregelen worden vastgesteld met inachtneming van deel 2 van bijlage II en bijlage IV.

Zij behelzen, naargelang het geval, een of meer van de volgende onderdelen:

a)

systematisch en intensief onderzoek, bemonstering van iedere partij van op het grondgebied van de Unie binnengebrachte planten, plantaardige producten en andere materialen op de plaats waar zij worden binnengebracht, en tests van de monsters;

b)

de instelling van een quarantaineperiode, binnen een quarantainestation of gesloten faciliteit zoals bedoeld in artikel 60, om na te gaan of die planten, plantaardige producten of andere materialen niet het betrokken recentelijk ontdekte risico op plaagorganismen opleveren;

c)

een verbod op het binnenbrengen van die planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie.

In de in de tweede alinea, onder a) en b), vermelde gevallen kunnen bij de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling ook voorafgaand aan het binnenbrengen van die planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie specifieke te nemen maatregelen worden vastgesteld.

3.   De in lid 1 bedoelde tijdelijke maatregelen zijn van toepassing gedurende een passende en redelijke termijn, in afwachting van de karakterisering van plaagorganismen die waarschijnlijk in verband worden gebracht met die planten, plantaardige producten of andere materialen uit die derde landen en van de volledige beoordeling van de door die plaagorganismen veroorzaakte risico's overeenkomstig deel 1 van bijlage I.

4.   Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een recentelijk ontdekt ernstig risico op een plaagorganisme, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast. Die handelingen worden vastgesteld overeenkomstig de beginselen van deel 2 van bijlage II.

5.   In afwijking van de krachtens lid 1 van dit artikel vastgestelde maatregelen is artikel 48 van toepassing op het binnenbrengen in en het verkeer binnen het grondgebied van de Unie van planten, plantaardige producten en andere materialen die voor wetenschappelijke doeleinden, officiële tests en onderwijsdoeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt.

6.   Uiterlijk op 30 april van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie en de overige lidstaten een verslag in over de toepassing van de in lid 2, tweede alinea, onder a) of b), bedoelde maatregelen die tijdens het voorgaande kalenderjaar werden genomen.

De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten ervan in kennis wanneer na de uitvoering van de in lid 2, tweede alinea, onder a) of b), bedoelde maatregelen een plaagorganisme is aangetroffen dat waarschijnlijk recentelijk ontdekte risico's op plaagorganismen oplevert.

De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronisch kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer het binnenbrengen van een plant, plantaardig product of ander materiaal op het grondgebied van de Unie is geweigerd of het verkeer daarvan binnen het grondgebied van de Unie is verboden omdat volgens de betrokken lidstaat het in lid 2, tweede alinea, onder c), bedoelde verbod werd geschonden. In voorkomend geval wordt in die kennisgeving aangegeven welke maatregelen door die lidstaat met betrekking tot de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen zijn genomen, als bedoeld in de Uniewetgeving over officiële controles.

In voorkomend geval wordt ook het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen zijn verzonden met het oog op het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie, hiervan in kennis gesteld.

Artikel 50

Verslag van de Commissie over de handhaving en de doeltreffendheid van maatregelen met betrekking tot invoer op het grondgebied van Unie

De Commissie dient uiterlijk op 14 december 2021 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de handhaving en doeltreffendheid van de maatregelen met betrekking tot invoer op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van een kosten-batenanalyse, en dient zo nodig een wetsvoorstel in.

Artikel 51

Wijziging van bijlagen III en IV

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die bijlagen III en IV wijzigen, met het oog op de aanpassing daarvan aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van toepasselijke internationale normen.

Artikel 52

Tijdelijke maatregelen van de lidstaten in verband met onmiddellijk gevaar

1.   Wanneer een lidstaat van oordeel is dat het binnenbrengen op of het verkeer binnen zijn grondgebied van planten, plantaardige producten of andere materialen uit bepaalde derde landen of bepaalde andere lidstaten gepaard gaat met een onaanvaardbaar risico op het binnendringen, vestigen en verspreiden binnen zijn grondgebied van een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme waarvan is geoordeeld dat het voldoet aan de voorwaarden voor opneming in de lijst van EU-quarantaineorganismen, en dat risico onvoldoende wordt beperkt door de maatregelen bedoeld in artikel 17, leden 1 en 2, artikel 18, lid 1, artikel 19, lid 1, artikel 28, leden 1 en 2, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 40, leden 2 en 3, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 42, lid 3, artikel 49, lid 1, en artikel 53, stelt hij de Commissie en de andere lidstaten van de Unie schriftelijk in kennis van de door hem gewenste EU-maatregelen, tezamen met de technische of wetenschappelijke motivering van deze maatregelen.

2.   Indien een lidstaat van oordeel is dat de in lid 1 bedoelde Uniemaatregelen niet tijdig worden genomen of kunnen worden genomen om het in dat lid bedoelde risico te beperken, kan hij tijdelijke maatregelen nemen om zijn grondgebied tegen het onmiddellijke gevaar te beschermen. Deze tijdelijke maatregelen, alsmede de technische motivering daarvan, worden onverwijld ter kennis van de Commissie en de andere lidstaten gebracht.

3.   Wanneer de Commissie de in lid 1 bedoelde kennisgeving ontvangt, gaat zij onmiddellijk na of het in lid 1 bedoelde risico afdoende wordt beperkt door de maatregelen bedoeld in artikel 17, leden 1 en 2, artikel 18, lid 1, artikel 19, lid 1, artikel 28, leden 1 en 2, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 40, leden 2 en 3, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 42, lid 3, artikel 49, lid 1, en artikel 53, dan wel of een nieuwe maatregel dient te worden aangenomen op grond van deze artikelen.

4.   Wanneer de Commissie, op basis van de in lid 3 bedoelde beoordeling, concludeert dat het in lid 1 bedoelde risico onvoldoende wordt beperkt door de tijdelijke maatregelen die de lidstaat overeenkomstig lid 2 heeft genomen, of indien deze maatregelen onevenredig zijn of niet naar behoren zijn gemotiveerd, kan zij door middel van uitvoeringshandelingen besluiten dat deze maatregelen moeten worden ingetrokken of gewijzigd. Zolang de Commissie geen dergelijke uitvoeringshandeling heeft vastgesteld, kan de lidstaat de door hem genomen maatregelen handhaven.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Afdeling 2

Maatregelen met betrekking tot beschermde gebieden

Artikel 53

Verbod op binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen in beschermde gebieden

1.   Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen, die afkomstig zijn uit derde landen of uit het grondgebied van de Unie, mogen niet worden binnengebracht in bepaalde beschermde gebieden.

2.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vast van de in lid 1 bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen, die niet mogen worden binnengebracht in bepaalde beschermde gebieden. In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, en de betrokken beschermde gebieden en, indien van toepassing, het land van oorsprong opgenomen die zijn vermeld in bijlage III, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes genoemd indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

3.   Wanneer een plant, plantaardig product of ander materiaal afkomstig van buiten een beschermd gebied, door de kans dat het betrokken ZP-quarantaineorganisme er in of op aanwezig is een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert en dit risico door toepassing van één of meer van de in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, vermelde maatregelen niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling dienovereenkomstig om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en het/de betrokken beschermde gebieden(en) op te nemen.

Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen oplevert of weliswaar een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door toepassing van één of meer van de maatregelen genoemd in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.

Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De vraag of dit risico op plaagorganismen al dan niet aanvaardbaar is, wordt beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II bedoelde beginselen.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de ingevolge dit artikel vastgestelde verbodsbepalingen planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen het betrokken beschermde gebied.

In voorkomend geval stellen de lidstaten of de Commissie het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen in het betrokken beschermde gebied zijn binnengebracht, hiervan in kennis.

Artikel 54

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden gelden

1.   Bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen mogen alleen worden binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen bepaalde beschermde gebieden indien aan bijzondere voorschriften voor deze beschermde gebieden is voldaan.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst vast van planten, plantaardige producten en andere materialen, hun respectieve beschermde gebieden en de overeenkomstige bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden. In de eerste van deze uitvoeringshandelingen worden de planten, plantaardige producten en andere materialen, betrokken beschermde gebieden en de bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden opgenomen die zijn vermeld in bijlage IV, deel B, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

3.   Wanneer een plant, plantaardig product of ander materiaal afkomstig van buiten het betrokken beschermde gebied, door de kans dat een ZP-quarantaineorganisme er in of op aanwezig is een onaanvaardbaar risico op plaagorganismen voor dat beschermde gebied oplevert en dit risico door toepassing van één of meer van de in bijlage II, deel 1, punten 2 en 3, vermelde maatregelen tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling om daarin die plant, dat plantaardige product of dat andere materiaal en de daarop toe te passen maatregelen op te nemen. Deze maatregelen en de in lid 2 bedoelde voorschriften vormen „bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden”.

Wanneer een in die uitvoeringshandeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal geen onaanvaardbaar risico op plaagorganismen voor het betrokken beschermde gebied oplevert, of wel een dergelijk risico oplevert, maar dit risico door de bijzondere voorschriften voor beschermde gebieden niet tot een aanvaardbaar niveau kan worden teruggebracht, wijzigt de Commissie die uitvoeringshandeling dienovereenkomstig.

Deze wijzigingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De mate waarin dit risico op plaagorganismen aanvaardbaar is, en de maatregelen om dat risico tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, worden beoordeeld overeenkomstig de in deel 2 van bijlage II vermelde beginselen.

Om naar behoren gemotiveerde dwingende redenen van urgentie die verband houden met het aanpakken van een ernstig risico van plaagorganismen, stelt de Commissie volgens de in artikel 107, lid 3, bedoelde procedure onmiddellijk toepasselijke uitvoeringshandelingen vast.

4.   De lidstaten stellen de Commissie en de overige lidstaten via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem ervan in kennis wanneer in strijd met de ingevolge dit artikel vastgestelde maatregelen planten, plantaardige producten of andere materialen zijn binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen het betrokken beschermde gebied.

In voorkomend geval stellen de lidstaten of de Commissie het derde land waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen op het grondgebied van de Unie zijn binnengebracht, hiervan in kennis.

Artikel 55

Aan reizigers en klanten van postdiensten te verstrekken informatie over beschermde gebieden

Artikel 45 is van overeenkomstige toepassing op het binnenbrengen in of het verkeer binnen beschermde gebieden van planten, plantaardige producten en andere materialen.

Artikel 56

Uitzonderingen op verbodsbepalingen en voorschriften voor grensgebieden wat beschermde gebieden betreft

Artikel 46 is van overeenkomstige toepassing op de in de lijst in de in artikel 53, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3, bepaalde uitvoeringshandelingen opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen die vanuit het grensgebied van een derde land worden binnengebracht in de respectieve beschermde gebieden die grenzen aan dat grensgebied.

Artikel 57

Voorschriften voor fytosanitaire doorvoer wat beschermde gebieden betreft

Artikel 47 is van overeenkomstige toepassing op de fytosanitaire doorvoer van de in de lijst in de in artikel 53, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3, bepaalde uitvoeringshandelingen opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen door beschermde gebieden.

Artikel 58

Planten, plantaardige producten en andere materialen die voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt wat beschermde gebieden betreft

In afwijking van de verbodsbepalingen en voorschriften van artikel 53, lid 1, en artikel 54, lid 1, is artikel 48 van overeenkomstige toepassing op het binnenbrengen in en het verkeer binnen beschermde gebieden van de in de lijst in de in artikel 53, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3, bepaalde uitvoeringshandelingen opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen die voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling worden gebruikt.

Afdeling 3

Andere maatregelen met betrekking tot planten, plantaardige producten en andere materialen

Artikel 59

Algemene voorschriften voor voertuigen, machines en verpakkingsmateriaal

1.   Voertuigen, machines en verpakkingsmaterialen die worden gebruikt voor planten, plantaardige producten of andere materialen als bedoeld in de op grond van artikel 28, leden 1 en 2, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 40, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 42, lid 3, en artikel 49, lid 1, vastgestelde uitvoeringshandelingen en die worden verplaatst naar, binnen of, overeenkomstig artikel 47, over het grondgebied van de Unie, zijn vrij van EU-quarantaineorganismen en van de plaagorganismen waarop de op grond van artikel 30, lid 1, genomen maatregelen van toepassing zijn.

2.   Lid 1 geldt wat de respectieve ZP-quarantaineorganismen betreft ook voor beschermde gebieden.

Artikel 60

Aanwijzing van quarantainestations en gesloten faciliteiten

1.   Voor de in de artikelen 8, 48, 49 en 58 vermelde doelen nemen de lidstaten een of meer van de volgende maatregelen, rekening houdend met het relevante risico op plaagorganismen:

a)

zij wijzen op hun grondgebied quarantainestations of gesloten faciliteiten aan;

b)

zij verlenen toestemming voor het gebruik van aangewezen quarantainestations of gesloten faciliteiten in een andere lidstaat op voorwaarde dat, indien nodig, die andere lidstaat zijn goedkeuring heeft gehecht aan die toestemming;

c)

zij wijzen de bedrijfsruimten van professionele marktdeelnemers of andere personen tijdelijk aan als gesloten faciliteiten voor de plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen en hun desbetreffende gebruik, zoals bepaald in de artikelen 8, 48 en 49.

2.   De lidstaten zenden de Commissie en de overige lidstaten op verzoek een lijst van de op hun grondgebied aangewezen quarantainestations en gesloten faciliteiten toe.

Artikel 61

Voorschriften voor quarantainestations en gesloten faciliteiten

1.   De in artikel 60 bedoelde quarantainestations en gesloten faciliteiten voldoen aan de volgende voorschriften om de verspreiding van EU-quarantaineorganismen te voorkomen:

a)

zij bieden voorzieningen voor de fysieke afzondering van de plaagorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen die in quarantaine, of onder omstandigheden die ontsnappen onmogelijk maken, moeten worden gehouden, en waarborgen dat het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit niet mogelijk is toegang tot die plaagorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen te verkrijgen of ze uit die stations of faciliteiten te verwijderen;

b)

zij beschikken over systemen of hebben toegang tot systemen voor de sterilisatie, ontsmetting of vernietiging van besmette planten, plantaardige producten en andere materialen, afval en uitrusting voordat deze uit de stations of faciliteiten worden verwijderd;

c)

zij beschikken over een overzicht en omschrijving van de taken van die stations en faciliteiten, alsmede van de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van deze taken en de voorwaarden waaronder zij die taken moeten uitvoeren;

d)

zij beschikken over voldoende personeel met de juiste kwalificaties, opleiding en ervaring; en

e)

zij beschikken over een noodplan om een eventuele onbedoelde aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen en plaagorganismen waarop op grond van artikel 30, lid 1, genomen maatregelen van toepassing zijn, doeltreffend te elimineren en de verspreiding ervan te voorkomen.

2.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling specifieke regels vaststellen om uniforme toepassingsvoorwaarden te creëren voor de voorschriften genoemd in lid 1, met betrekking tot het soort planten, plantaardige producten en andere materialen en het feitelijk of potentieel risico, onder meer specifieke voorschriften voor officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden en veredeling.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 62

Werking van quarantainestations en gesloten faciliteiten

1.   De voor het quarantainestation of de gesloten faciliteit verantwoordelijke persoon controleert het station of de faciliteit en de directe omgeving daarvan op de onbedoelde aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen en plaagorganismen waarop op grond van artikel 30, lid 1, genomen maatregelen van toepassing zijn.

2.   Wanneer de onbedoelde aanwezigheid van een in lid 1 bedoeld plaagorganisme wordt vastgesteld of vermoed, neemt de voor het betrokken quarantainestation of de betrokken gesloten faciliteit verantwoordelijke persoon passende maatregelen op basis van het in artikel 61, lid 1, onder e), bedoelde noodplan. De in artikel 14 vastgestelde verplichtingen voor professionele marktdeelnemers zijn van overeenkomstige toepassing op de voor het quarantainestation of de gesloten faciliteit verantwoordelijke persoon.

3.   De voor het quarantainestation of de gesloten faciliteit verantwoordelijke persoon houdt gegevens bij over:

a)

het personeelsbestand;

b)

de bezoekers die toegang hebben tot het station of de faciliteit;

c)

de plaagorganismen, planten, plantaardige producten en andere materialen die in het station of de faciliteit worden gebracht en die het station of de faciliteit verlaten;

d)

de plaats van oorsprong van deze planten, plantaardige producten en andere materialen; en

e)

opmerkingen over de aanwezigheid van plaagorganismen op deze planten, plantaardige producten en andere materialen in het quarantainestation of de gesloten faciliteit en de directe omgeving daarvan.

Deze gegevens worden gedurende drie jaar bewaard.

Artikel 63

Toezicht op quarantainestations en gesloten faciliteiten en intrekking van aanwijzing

1.   De bevoegde autoriteit voert op gezette tijden inspecties uit bij de quarantainestations en gesloten faciliteiten, teneinde na te gaan of zij voldoen aan de voorschriften van artikel 61 en de werkingsvoorwaarden van artikel 62.

Zij bepaalt de frequentie van deze inspecties volgens het aan de werking van de quarantainestations of gesloten faciliteiten gerelateerde risico op plaagorganismen.

2.   Op basis van de in lid 1 bedoelde inspectie kan de bevoegde autoriteit van de voor het quarantainestation of de gesloten faciliteit verantwoordelijke persoon vereisen dat hij, onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn, corrigerende maatregelen neemt om de naleving van de artikelen 61 en 62 te waarborgen.

Wanneer de bevoegde autoriteit concludeert dat het quarantainestation of de gesloten faciliteit of de persoon die daarvoor verantwoordelijk is niet aan de artikelen 61 en 62 voldoet, neemt die autoriteit onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de niet-naleving van die bepalingen wordt beëindigd. Die maatregelen kunnen de intrekking of schorsing van de in artikel 60, lid 1, bedoelde aanwijzing omvatten.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 van dit artikel andere maatregelen dan de intrekking van de in artikel 60, lid 1, bedoelde aanwijzing heeft genomen en de niet-naleving van de artikelen 61 en 62 toch voortduurt, trekt die autoriteit die aanwijzing onmiddellijk in.

Artikel 64

Vrijgave van planten, plantaardige producten en andere materialen uit quarantainestations en gesloten faciliteiten

1.   Planten, plantaardige producten en andere materialen mogen de quarantainestations of gesloten faciliteiten enkel met toestemming van de bevoegde autoriteiten verlaten, indien is bevestigd dat zij vrij zijn van EU-quarantaineorganismen en plaagorganismen waarop maatregelen op grond van artikel 30, lid 1, van toepassing zijn of, in voorkomend geval, van ZP-quarantaineorganismen.

2.   De bevoegde autoriteit kan toestemming verlenen om planten, plantaardige producten of andere materialen die besmet zijn door een EU-quarantaineorganisme of een plaagorganisme waarop maatregelen op grond van artikel 30, lid 1, van toepassing zijn, over te brengen van een quarantainestation of een gesloten faciliteit naar een ander quarantainestation of een andere gesloten faciliteit, indien die overbrenging door officiële tests of om wetenschappelijke redenen gerechtvaardigd is en plaatsvindt onder de door de bevoegde autoriteiten gestelde voorwaarden.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen regels vaststellen betreffende de vrijgave van planten, plantaardige producten en andere materialen uit quarantainestations en gesloten faciliteiten en, in voorkomend geval, betreffende etiketteringsvoorschriften in verband met die vrijgave of de in lid 2 bedoelde overbrenging.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK V

Registratie van professionele marktdeelnemers en traceerbaarheid

Artikel 65

Officieel register van professionele marktdeelnemers

1.   De bevoegde autoriteit houdt een register bij van de volgende professionele marktdeelnemers die actief zijn op het grondgebied van de betrokken lidstaat:

a)

professionele marktdeelnemers die planten, plantaardige producten en andere materialen binnenbrengen in of verplaatsen binnen de Unie waarvoor op grond van de krachtens artikel 72, lid 1, artikel 73, artikel 74, lid 1, artikel 79, lid 1, en artikel 80, lid 1, vastgestelde uitvoeringshandelingen een fytosanitair certificaat of plantenpaspoort is vereist;

b)

professionele marktdeelnemers die overeenkomstig artikel 89 gemachtigd zijn om plantenpaspoorten af te geven;

c)

professionele marktdeelnemers die de bevoegde autoriteit verzoeken om de in de artikelen 100, 101 en 102 bedoelde certificaten af te geven;

d)

professionele marktdeelnemers die gemachtigd zijn om de in artikel 98 bedoelde merktekens aan te brengen, de in artikel 99 bedoelde verklaringen af te geven, overeenkomstig de artikelen 45 of 55 informatie te verstrekken, overeenkomstig artikel 46, lid 1, of artikel 56 planten, plantaardige producten of andere materialen in grensgebieden binnen te brengen, of wier activiteiten betrekking hebben op de planten in kwestie in afgebakende gebieden, tenzij die exploitanten zijn opgenomen in een ander officieel register dat toegankelijk is voor de bevoegde autoriteiten; en

e)

andere professionele marktdeelnemers dan de in deze alinea, onder a) tot en met d), bedoelde, indien dat op grond van een krachtens artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 1, artikel 41, lid 2, artikel 49, lid 1, artikel 53, lid 1, en artikel 54, lid 2, vastgestelde uitvoeringshandeling is vereist.

De lidstaten kunnen bepalen dat er nog meer categorieën telers of andere professionele marktdeelnemers geregistreerd worden, indien dat gerechtvaardigd is door het risico op een plaagorganisme bij de planten die zij telen, of bij een van hun andere activiteiten.

2.   Een professionele marktdeelnemer kan slechts één keer worden ingeschreven in het register van een bevoegde autoriteit. In voorkomend geval geschiedt die inschrijving met uitdrukkelijke vermelding van elk van de verschillende bedrijfsruimten in de zin van artikel 66, lid 2, onder d).

3.   Lid 1 van dit artikel is niet van toepassing op een professionele marktdeelnemer die in een of meer van de volgende categorieën valt:

a)

hij levert exclusief en rechtstreeks aan eindgebruikers planten, plantaardige producten en andere materialen in kleine hoeveelheden anders dan via verkoop door middel van op afstand gesloten overeenkomsten;

b)

hij levert exclusief en rechtstreeks aan eindgebruikers kleine hoeveelheden zaden, niet zijnde zaden die onder artikel 72 vallen;

c)

zijn professionele werkzaamheden betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen beperken zich tot het vervoer ervan voor een andere professionele marktdeelnemer;

d)

zijn professionele werkzaamheden betreffen uitsluitend het vervoer van allerhande voorwerpen waarvoor houten verpakkingsmateriaal wordt gebruikt.

De lidstaten kunnen bepalen dat de in de eerste alinea, onder a), bedoelde uitzondering niet geldt voor alle of bepaalde telers of andere professionele marktdeelnemers, indien dat gerechtvaardigd is door het risico op een plaagorganisme bij de planten die zij telen of waarop een van hun andere activiteiten betrekking heeft.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende een of meer van wat volgt:

a)

de wijziging van deze verordening door toevoeging van andere categorieën professionele marktdeelnemers die moeten worden vrijgesteld van de toepassing van lid 1 van dit artikel, wanneer registratie administratieve lasten voor hen zou meebrengen die niet in verhouding staan tot het aan hun professionele werkzaamheden verbonden lage risico op een plaagorganisme;

b)

de aanvulling van deze verordening door vastlegging van bepaalde voorschriften voor de registratie van bepaalde categorieën professionele marktdeelnemers, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de werkzaamheid of van de plant, het plantaardig product of het andere materiaal in kwestie;

c)

de aanvulling van deze verordening door vastlegging van de bovengrenzen voor de kleine hoeveelheden bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen zoals bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a). Die bovengrenzen worden vastgesteld in verhouding tot de planten, plantaardige producten en andere materialen in kwestie en tot de respectieve risico's op plaagorganismen.

Artikel 66

Registratieprocedure

1.   De professionele marktdeelnemers die onder artikel 65, lid 1, vallen, dienen bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag tot registratie in.

2.   In die aanvraag tot registratie worden de volgende gegevens vermeld:

a)

naam, adres in de lidstaat van registratie, en contactgegevens van de professionele marktdeelnemer;

b)

een verklaring waarin de professionele marktdeelnemer te kennen geeft dat hij voornemens is een of meer van de in artikel 65, lid 1, bedoelde werkzaamheden betreffende planten, plantaardige producten en andere materialen te verrichten;

c)

een verklaring waarin de professionele marktdeelnemer te kennen geeft dat hij voornemens is om, naargelang het geval, een of meer van de volgende handelingen te verrichten:

i)

het afgeven van plantenpaspoorten voor planten, plantaardige producten en andere materialen overeenkomstig artikel 84, lid 1;

ii)

het aanbrengen van het merkteken op houten verpakkingsmateriaal als bedoeld in artikel 96, lid 1;

iii)

het afgeven van enige andere verklaring als bedoeld in artikel 99, lid 1;

d)

het adres van de bedrijfsruimten en, in voorkomend geval, de locatie van de percelen die de professionele marktdeelnemer in de betrokken lidstaat gebruikt voor het verrichten van de in artikel 65, lid 1, bedoelde werkzaamheden, met het oog op de registratie; en

e)

de types handelsartikelen, families, geslachten of soorten van de planten en plantaardige producten en, in voorkomend geval, de aard van de andere materialen waarop de werkzaamheden van de professionele marktdeelnemer betrekking hebben, zoals bedoeld in artikel 65, lid 1.

3.   De bevoegde autoriteiten gaan onverwijld over tot registratie van een professionele marktdeelnemer wanneer de registratieaanvraag de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

4.   In afwijking van de leden 1 en 2 van dit artikel registreert een bevoegde autoriteit een professionele marktdeelnemer zonder dat deze een aanvraag tot registratie heeft ingediend, indien die exploitant is geregistreerd in overeenstemming met artikel 6, lid 5, derde alinea, artikel 6, lid 6, of artikel 13 quater, lid 1, onder b), van Richtlijn 2000/29/EG of met nationale fytosanitaire regels, en alle elementen van lid 2 van dit artikel beschikbaar zijn voor die bevoegde autoriteit. Waar passend dient de betrokken professionele marktdeelnemer uiterlijk op 14 maart 2020 een geactualiseerde versie van die elementen in.

5.   De geregistreerde exploitanten dienen in voorkomend geval jaarlijks een geactualiseerde versie in naar aanleiding van eventuele wijzigingen in de in lid 2, onder d) en e), bedoelde gegevens en de in lid 2, onder b) en c), bedoelde verklaringen. Deze geactualiseerde versie van de gegevens wordt elk jaar uiterlijk op 30 april ingediend en betreft de gegevens van het vorige jaar.

Een aanvraag voor het actualiseren van de in lid 2, onder a), bedoelde gegevens wordt uiterlijk 30 dagen na wijziging van die gegevens ingediend.

6.   Wanneer de bevoegde autoriteit constateert dat de geregistreerde marktdeelnemer de in artikel 65, lid 1, vermelde activiteiten niet langer verricht of dat de gegevens in de door de geregistreerde marktdeelnemer in overeenstemming met lid 2 van dit artikel ingediende aanvraag niet langer correct zijn, verzoekt zij de exploitant om onmiddellijk of binnen een bepaalde termijn aan die gegevens te voldoen.

Indien de geregistreerde marktdeelnemer die gegevens niet binnen de door de bevoegde autoriteit gestelde termijn corrigeert, wijzigt de bevoegde autoriteit de registratie van die exploitant of trekt zij deze in, naargelang het geval.

Artikel 67

Inhoud van het register

Het register bevat de in artikel 66, lid 2, onder a), b), d) en e), bedoelde gegevens alsmede:

a)

het officiële registratienummer, met inbegrip van de tweelettercode volgens ISO-norm 3166-1-alpha-2 (27) voor de lidstaat waar de professionele marktdeelnemer is geregistreerd;

b)

in voorkomend geval, een vermelding van de in artikel 66, lid 2, onder c), bedoelde handelingen waartoe de professionele marktdeelnemer gemachtigd is, en, in voorkomend het geval, de specifieke planten, plantaardige producten of andere materialen in kwestie.

Artikel 68

Beschikbaarheid van gegevens uit officiële registers

1.   De lidstaat die het register bijhoudt, stelt de daarin opgenomen gegevens op met reden omkleed verzoek ter beschikking van de overige lidstaten of de Commissie voor eigen gebruik.

2.   De lidstaat die het register bijhoudt, stelt de in artikel 66, lid 2, onder a) en b), en artikel 67, onder b), bedoelde gegevens met betrekking tot één bepaalde geregistreerde marktdeelnemer op gemotiveerd verzoek ter beschikking van elke in de Unie gevestigde professionele marktdeelnemer voor eigen gebruik.

3.   Dit artikel geldt onverminderd de nationale en uniale regels inzake vertrouwelijkheid, toegang tot informatie en bescherming van persoonsgegevens.

Artikel 69

Traceerbaarheid

1.   Een professionele marktdeelnemer aan wie planten, plantaardige producten of andere materialen worden geleverd waarvoor krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met d), artikel 28, leden 2 en 3, artikel 30, leden 1, 3 en 4, artikel 37, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 48, leden 1 en 2, artikel 49, lid 1, artikel 54, leden 2 en 3, de artikelen 56, 57 en 58 en artikel 79, lid 1, voorschriften of voorwaarden gelden, houdt een register bij aan de hand waarvan hij voor elke geleverde handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen kan nagaan welke professionele marktdeelnemers deze aan hem hebben geleverd.

2.   Een professionele marktdeelnemer die planten, plantaardige producten of andere materialen levert waarvoor krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met d), artikel 28, leden 2 en 3, artikel 30, leden 1, 3 en 4, artikel 37, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, artikel 46, leden 1 en 3, artikel 47, lid 1, artikel 48, leden 1 en 2, artikel 49, lid 1, artikel 54, leden 2 en 3, de artikelen 56, 57 en 58 en artikel 79, lid 1, voorschriften of voorwaarden gelden, houdt een register bij aan de hand waarvan hij voor elke geleverde handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen kan nagaan aan welke professionele marktdeelnemers hij deze heeft geleverd.

3.   Indien krachtens artikel 84, lid 1, door een erkende marktdeelnemer een plantenpaspoort wordt afgegeven, en indien krachtens artikel 84, lid 2, door de bevoegde autoriteit een plantenpaspoort wordt afgegeven ten behoeve van een geregistreerde marktdeelnemer, houdt die exploitant ter waarborging van de traceerbaarheid uit hoofde van de leden 1 en 2 van dit artikel met betrekking tot dat plantenpaspoort een register bij van de volgende gegevens:

a)

in voorkomend geval, de professionele marktdeelnemer die de betrokken handelseenheid heeft geleverd;

b)

de professionele marktdeelnemer aan wie de betrokken handelseenheid is geleverd; en

c)

relevante informatie met betrekking tot het plantenpaspoort.

4.   De professionele marktdeelnemers bewaren de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde gegevens gedurende ten minste drie jaar na de datum waarop de betrokken plant of het betrokken plantaardig product of ander materiaal aan of door hen werd geleverd.

5.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen het volgende vaststellen:

a)

een kortere of langere minimumperiode dan die welke is vermeld in lid 4 met betrekking tot specifieke planten, indien de lengte van de teeltperiode van die planten dit rechtvaardigt; en

b)

voorschriften betreffende de inhoud en de toegankelijkheid van de gegevens die de in de leden 1 en 2 bedoelde professionele marktdeelnemers moeten bijhouden.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

6.   Op verzoek zenden de in lid 4 bedoelde professionele marktdeelnemers de gegevens uit de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde registers toe aan de bevoegde autoriteit.

7.   Dit artikel is niet van toepassing op de in artikel 65, lid 3, eerste alinea, onder c) en d), bedoelde professionele marktdeelnemers.

Artikel 70

Verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen en tussen bedrijfsruimten van de professionele marktdeelnemer

1.   De professionele marktdeelnemers aan of door wie de in artikel 69, leden 1 en 2, bedoelde planten, plantaardige producten of andere materialen geleverd worden, beschikken over traceerbaarheidssystemen of -procedures waarmee zij het verkeer van die planten, plantaardige producten en andere materialen binnen en tussen hun eigen bedrijfsruimten kunnen volgen.

De eerste alinea is niet van toepassing op de in artikel 65, lid 3, eerste alinea, onder c) en d), bedoelde professionele marktdeelnemers.

2.   De aan de hand van de in lid 1 bedoelde systemen of procedures vastgestelde informatie over het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen en tussen de bedrijfsruimten van de in dat lid bedoelde professionele marktdeelnemers wordt op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteit gesteld.

HOOFDSTUK VI

Certificering van planten, plantaardige producten en andere materialen

Afdeling 1

Vereiste fytosanitaire certificaten voor het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie

Artikel 71

Fytosanitair certificaat voor het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie

1.   Een fytosanitair certificaat voor het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen op het grondgebied van de Unie is een door een derde land afgegeven document dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 76, de inhoud bevat die wordt beschreven in bijlage V, deel A, of, waar van toepassing, bijlage V, deel B, en bevestigt dat de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn vrij van EU-quarantaineorganismen, en van plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden;

b)

zij voldoen aan de bepalingen van artikel 37, lid 1, met betrekking tot de aanwezigheid van door de EU gereglementeerde niet-quarantaineorganismen op voor opplant bestemde planten;

c)

zij voldoen aan de in artikel 41, leden 2 en 3, of, waar van toepassing, artikel 54, leden 2 en 3, bedoelde voorschriften;

d)

zij voldoen, waar van toepassing, aan de regels die zijn vastgesteld op grond van artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder d), en artikel 28, lid 2, en artikel 30, lid 1.

2.   In het fytosanitair certificaat wordt onder de rubriek „Aanvullende verklaring” vermeld aan welk specifiek voorschrift wordt voldaan wanneer de betrokken, krachtens artikel 28, leden 1 en 2, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 37, lid 2, artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3, vastgestelde, uitvoeringshandeling verschillende keuzemogelijkheden voor dergelijke voorschriften biedt. Die vermelding bevat de volledige tekst van de betreffende bepaling.

3.   Waar van toepassing wordt in het fytosanitair certificaat vermeld dat de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen voldoen aan fytosanitaire maatregelen die krachtens artikel 44 worden erkend als gelijkwaardig aan de voorschriften van de uitvoeringshandeling die krachtens artikel 41, lid 3, is vastgesteld.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die de delen A en B van bijlage V wijzigen, om deze aan te passen aan de ontwikkeling van de toepasselijke internationale normen.

Artikel 72

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor fytosanitaire certificaten vereist zijn

1.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst op van de planten, plantaardige producten en andere materialen, en van de respectieve derde landen van oorsprong of verzending, waarvoor een fytosanitair certificaat vereist is voor het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie.

Die lijst omvat:

a)

alle voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden;

b)

de planten, plantaardige producten en andere materialen die staan vermeld in bijlage V, deel B, punt I, bij Richtlijn 2000/29/EG;

c)

planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor voorschriften zijn vastgesteld krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder d), en artikel 30, lid 1, betreffende het binnenbrengen ervan op het grondgebied van de Unie;

d)

zaden of, indien van toepassing, pootaardappelen die in de lijst in de in artikel 37, lid 2, van deze verordening bepaalde uitvoeringshandeling zijn opgenomen en onderworpen zijn aan gelijkwaardigheidsbesluiten die zijn vastgesteld krachtens de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 98/56/EG, 1999/105/EG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG en 2002/57/EG;

e)

planten, plantaardige producten en andere materialen die in de lijst in de in artikel 41, leden 2 en 3, bepaalde uitvoeringshandelingen zijn opgenomen; en

f)

planten, plantaardige producten en andere materialen die vallen onder het bepaalde in artikel 49, lid 2, tweede alinea, onder a) en b).

De punten a) tot en met e) van de eerste alinea zijn niet van toepassing, en een fytosanitair certificaat is niet vereist, wanneer een krachtens artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder d), artikel 30, lid 1, of artikel 41, leden 2 en 3, vastgestelde uitvoeringshandeling een bewijs van naleving verplicht stelt in de vorm van een officieel merkteken zoals bedoeld in artikel 96, lid 1, of een andere officiële verklaring zoals bedoeld in artikel 99, lid 1.

In de bij die uitvoeringshandeling vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes genoemd indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

2.   De Commissie wijzigt de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van een uitvoeringshandeling in de volgende gevallen:

a)

wanneer een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet voldoet aan lid 1, eerste alinea, onder c), d) of e);

b)

wanneer een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal voldoet aan lid 1, eerste alinea, onder c), d) of e).

3.   In aanvulling op de in lid 2 bedoelde gevallen kan de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de beginselen van bijlage II, deel 2, wijzigen indien het risico bestaat dat in of op een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal een EU-quarantaineorganisme of plaagorganismen aanwezig is waarop maatregelen op grond van artikel 30, lid 1, van toepassing zijn, of indien dat risico voor een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet langer bestaat.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   In afwijking van de leden 1, 2 en 3 is geen fytosanitair certificaat vereist voor de planten, plantaardige producten of andere materialen die vallen onder de artikelen 46, 47, en 48, en artikel 75, lid 1.

Artikel 73

Andere planten waarvoor een fytosanitair certificaat is vereist

De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen dat voor andere planten dan die zijn opgenomen op de in artikel 72, lid 1, bedoelde lijst een fytosanitair certificaat is vereist voor het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie.

Die uitvoeringshandelingen vermelden evenwel dat voor deze planten een fytosanitair certificaat niet is vereist wanneer een onderbouwde beoordeling op basis van gegevens over de risico's op plaagorganismen en van ervaring met de handel aantoont dat een dergelijk certificaat niet nodig is. Voor die beoordeling worden de criteria in bijlage VI in aanmerking genomen. In voorkomend geval kan deze beoordeling uitsluitend betrekking hebben op planten uit een bepaald derde land van oorsprong of verzending, of uit een groep derde landen van oorsprong of verzending.

In de bij die uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van de planten ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is.

Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes vermeld indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van die uitvoeringshandelingen wordt uiterlijk op 14 december 2018 vastgesteld.

Artikel 74

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een fytosanitair certificaat vereist is voor het binnenbrengen in een beschermd gebied

1.   Naast de in artikel 72, leden 1, 2 en 3, bedoelde gevallen, zijn fytosanitaire certificaten vereist voor het binnenbrengen van planten, plantaardige producten en andere materialen in bepaalde beschermde gebieden van bepaalde derde landen van oorsprong of verzending.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst op van de planten, plantaardige producten en andere materialen, en van de respectieve derde landen van oorsprong of verzending bedoeld in de eerste alinea.

Die lijst omvat:

a)

in de eerste van die uitvoeringshandelingen, de planten, plantaardige producten en andere materialen die zijn opgenomen in bijlage V, deel B, punt II, bij Richtlijn 2000/29/EG;

b)

planten, plantaardige producten en andere materialen die in de lijst in de in artikel 54, leden 2 en 3, van deze verordening bepaalde uitvoeringshandelingen zijn opgenomen.

In de bij deze uitvoeringshandelingen vastgestelde lijst wordt van die planten, plantaardige producten en andere materialen ook hun respectieve GN-code vermeld, indien deze beschikbaar is. Daarnaast worden andere bij Uniewetgeving vastgestelde codes genoemd indien deze de toepasselijke GN-code voor een specifieke plant of voor een specifiek plantaardig product of ander materiaal nader specificeren.

Een fytosanitair certificaat is niet vereist voor planten, plantaardige producten of andere materialen op die lijst wanneer een krachtens artikel 54, lid 2 of 3, vastgestelde uitvoeringshandeling een bewijs van naleving verplicht stelt in de vorm van een officieel merkteken zoals bedoeld in artikel 96, lid 1, of een andere officiële verklaring zoals bedoeld in artikel 99, lid 1.

2.   De Commissie wijzigt de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen in de volgende gevallen:

a)

wanneer een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet voldoet aan lid 1, derde alinea, onder b);

b)

wanneer een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal voldoet aan lid 1, derde alinea, onder b).

3.   In aanvulling op de in lid 2 bedoelde gevallen kan de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de beginselen van bijlage II, deel 2, wijzigen indien het risico bestaat dat in of op een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal het betrokken ZP-quarantaineorganisme aanwezig is, of indien dat risico voor een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet langer bestaat.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   In afwijking van de leden 1, 2 en 3 is geen fytosanitair certificaat vereist voor de planten, plantaardige producten of andere materialen die vallen onder de artikelen 56, 57 en 58, alsmede onder artikel 75, lid 1.

Artikel 75

Uitzonderingen voor reizigersbagage

1.   Kleine hoeveelheden van bepaalde, andere dan voor opplant bestemde, planten en van plantaardige producten en andere materialen uit een derde land kunnen onder de volgende voorwaarden worden vrijgesteld van het voorschrift van een fytosanitair certificaat in overeenstemming met artikel 72, lid 1, artikel 73 en artikel 74, lid 1:

a)

zij worden op het grondgebied van de Unie binnengebracht als onderdeel van de persoonlijke bagage van reizigers;

b)

zij zijn niet bestemd voor professioneel of commercieel gebruik;

c)

zij zijn in de lijst in een in lid 2 van dit artikel bepaalde uitvoeringshandeling opgenomen.

2.   De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een lijst op van de in lid 1 bedoelde planten, plantaardige producten en andere materialen en de betrokken derde landen, en stelt, naargelang het geval, de maximumhoeveelheid vast van de planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor de vrijstelling van dat lid en in voorkomend geval een of meer van de risicobeheersingsmaatregelen overeenkomstig bijlage II, deel 1, gelden.

Die lijst en de desbetreffende maximumhoeveelheid en, waar van toepassing, de risicobeheersingsmaatregelen, worden vastgesteld op basis van het risico op een plaagorganisme bij kleine hoeveelheden planten, plantaardige producten en andere materialen, aan de hand van de criteria van bijlage II, deel 2.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 76

Voorwaarden waaraan een fytosanitair certificaat moet voldoen

1.   Onverminderd de uit hoofde van het Internationaal Verdrag voor de bescherming van planten (International Plant Protection Convention — IPPC) geldende verplichtingen, en rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, aanvaardt de bevoegde autoriteit een fytosanitair certificaat bij planten, plantaardige producten of andere materialen die vanuit een derde land worden binnengebracht, uitsluitend als de inhoud van dat certificaat voldoet aan bijlage V, deel A. Wanneer de planten, plantaardige producten of andere materialen worden binnengebracht vanuit een derde land waaruit zij niet afkomstig zijn, aanvaardt de bevoegde autoriteit uitsluitend een fytosanitair certificaat dat voldoet aan bijlage V, deel A of B.

Zij aanvaardt dat fytosanitair certificaat niet als de in artikel 71, lid 2, bedoelde aanvullende verklaring, indien van toepassing, ontbreekt of niet correct is opgesteld en als de in artikel 71, lid 3, bedoelde verklaring, indien van toepassing, ontbreekt.

Zij aanvaardt een fytosanitair wederuitvoercertificaat niet indien dat fytosanitair certificaat niet vergezeld gaat van het oorspronkelijk fytosanitair uitvoercertificaat of van een gewaarmerkt afschrift van het oorspronkelijk fytosanitair uitvoercertificaat.

2.   De bevoegde autoriteit aanvaardt een fytosanitair certificaat uitsluitend indien het aan de volgende voorschriften voldoet:

a)

het wordt afgegeven in ten minste een van de officiële talen van de Unie;

b)

het is gericht aan de nationale plantenziektekundige dienst van een lidstaat; en

c)

het is afgegeven binnen 14 dagen vóór de datum waarop de planten, plantaardige producten of andere materialen waarop het betrekking heeft, het derde land waarin het is afgegeven, hebben verlaten.

3.   In het geval van een derde land dat verdragsluitende partij is bij het IPPC, aanvaardt de bevoegde autoriteit uitsluitend de fytosanitaire certificaten die door de officiële plantenziektekundige dienst van dat derde land zijn afgegeven of die onder zijn verantwoordelijkheid zijn afgegeven door een functionaris die technisch gekwalificeerd is en daartoe door die officiële plantenziektekundige dienst is gemachtigd.

4.   In het geval van een derde land dat geen verdragsluitende partij is bij het IPPC, aanvaardt de bevoegde autoriteit uitsluitend de fytosanitaire certificaten die door de volgens de nationale regels van dat derde land bevoegde autoriteiten zijn afgegeven en waarvan kennisgeving is gedaan aan de Commissie. De Commissie informeert de lidstaten en de exploitanten over de ontvangen kennisgevingen via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die de in de eerste alinea van dit lid bedoelde voorwaarden voor aanvaarding aanvullen, zodat de betrouwbaarheid van die certificaten gewaarborgd is.

5.   Elektronische fytosanitaire uitvoercertificaten worden verstrekt via, of elektronisch uitgewisseld door middel van een geautomatiseerd informatiemanagementsysteem voor officiële controles op Unieniveau.

Artikel 77

Ongeldigmaking van een fytosanitair certificaat

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 71, leden 1, 2 en 3, een fytosanitair certificaat is afgegeven en de betrokken bevoegde autoriteit concludeert dat niet aan de in artikel 76 bedoelde voorwaarden wordt voldaan, maakt zij dat fytosanitair certificaat ongeldig en zorgt zij ervoor dat het de desbetreffende planten, plantaardige producten of andere materialen niet meer vergezelt. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit ten aanzien van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen een van de maatregelen die moeten worden genomen wanneer niet-conforme partijen uit derde landen de Unie worden binnengebracht, als bedoeld in de Uniewetgeving over officiële controles.

Bij het ongeldig maken wordt op de voorzijde van het betrokken certificaat duidelijk zichtbaar een driehoekig rood stempel met de vermelding „certificaat geannuleerd” van de betrokken autoriteit aangebracht, samen met de naam van die autoriteit en de datum van ongeldigmaking. De vermelding staat in hoofdletters en is gesteld in ten minste een van de officiële talen van de Unie.

2.   Indien een fytosanitair certificaat overeenkomstig lid 1 van dit artikel ongeldig is gemaakt, stellen de lidstaten de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem.

Het derde land dat dit fytosanitair certificaat had afgegeven, wordt eveneens door de betrokken lidstaat hiervan in kennis gesteld.

3.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de technische regelingen voor het ongeldig maken van de in artikel 76, lid 5, bedoelde elektronische fytosanitaire certificaten vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Afdeling 2

Plantenpaspoorten die vereist zijn voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie

Artikel 78

Plantenpaspoorten

Een plantenpaspoort is een officieel etiket voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie en, waar van toepassing, naar en binnen beschermde gebieden, dat bevestigt dat aan alle voorschriften van artikel 85 en, voor het verkeer naar en binnen beschermde gebieden, artikel 86 wordt voldaan en dat het de inhoud en vorm heeft als beschreven in artikel 83.

Artikel 79

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort is vereist voor verkeer binnen het grondgebied van de Unie

1.   Er is een plantenpaspoort vereist voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen binnen het grondgebied van de Unie. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst op van de planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort vereist is voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie.

Die lijst omvat:

a)

alle voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden;

b)

in de eerste van die uitvoeringshandelingen, de planten, plantaardige producten en andere materialen die zijn opgenomen in bijlage V, deel A, punt I, bij Richtlijn 2000/29/EG mits die niet reeds onder punt a) van deze alinea vallen;

c)

planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor krachtens artikel 28, lid 1, 2 of 3, of artikel 30, lid 1, 3 of 4, voorschriften betreffende het verkeer ervan binnen het grondgebied van de Unie zijn vastgesteld;

d)

zaden die in de lijst in de in artikel 37, lid 2, bepaalde uitvoeringshandeling zijn opgenomen; en

e)

planten, plantaardige producten en andere materialen die in de lijst in de in artikel 41, leden 2 en 3, bepaalde uitvoeringshandelingen zijn opgenomen met betrekking tot het verkeer ervan binnen de Unie, met uitzondering van voor opplant bestemde planten, plantaardige producten en andere materialen die uit hoofde van dat artikel een ander specifiek etiket of een ander type verklaring vereisen.

2.   De Commissie wijzigt de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen in de volgende gevallen:

a)

indien een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal voldoet aan lid 1, tweede alinea, onder c), d) of e); of

b)

indien een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet voldoet aan lid 1, tweede alinea, onder c), d) of e).

3.   In aanvulling op de in lid 2 bedoelde gevallen kan de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de beginselen van bijlage II, deel 2, wijzigen indien het risico bestaat dat in of op een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal een EU-quarantaineorganisme aanwezig is, of indien dat risico voor een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet langer bestaat.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   In afwijking van de leden 1, 2 en 3 is geen plantenpaspoort vereist voor de planten, plantaardige producten of andere materialen die onder de artikelen 46, 47, 48 en 75 vallen.

6.   De Commissie dient uiterlijk op 14 december 2021 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad met een presentatie van de ervaringen die zijn opgedaan bij de uitbreiding van het plantenpaspoortstelsel naar alle verkeer van voor opplant bestemde planten op het grondgebied van de Unie, met inbegrip van een kosten-batenanalyse, en dient zo nodig een wetsvoorstel in.

Artikel 80

Planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort is vereist voor het binnenbrengen en het verkeer binnen beschermde gebieden

1.   Er is een plantenpaspoort vereist voor bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen die worden binnengebracht in of in het verkeer zijn binnen bepaalde beschermde gebieden.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst op van de planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een plantenpaspoort vereist is voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen bepaalde beschermde gebieden.

Die lijst omvat:

a)

in de eerste van die uitvoeringshandelingen, de planten, plantaardige producten en andere materialen die zijn opgenomen in bijlage V, deel A, punt II, bij Richtlijn 2000/29/EG;

b)

andere planten, plantaardige producten en andere materialen die in de lijst in de in artikel 54, lid 3, van deze verordening, bepaalde uitvoeringshandelingen zijn opgenomen.

2.   De Commissie kan de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen wijzigen en deze verordening aanvullen in de volgende gevallen:

a)

indien een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal voldoet aan lid 1, derde alinea, onder b); of

b)

wanneer een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet voldoet aan lid 1, derde alinea, onder b).

3.   In aanvulling op de in lid 2 bedoelde gevallen kan de Commissie de in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig de beginselen van bijlage II, deel 2, wijzigen indien het risico bestaat dat in of op een niet in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal het desbetreffend ZP-quarantaineorganisme aanwezig is, of indien dat risico voor een in die handeling opgenomen plant, plantaardig product of ander materiaal niet langer bestaat.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

5.   In afwijking van de leden 1, 2 en 3 is geen plantenpaspoort vereist voor de planten, plantaardige producten of andere materialen die onder de artikelen 56, 57 en 58 vallen.

Artikel 81

Uitzondering voor rechtstreekse levering aan eindgebruikers

1.   Er is geen plantenpaspoort vereist voor het verkeer van rechtstreeks aan een eindgebruiker, waaronder hobbytuinders, geleverde planten, plantaardige producten of andere materialen.

Die uitzondering geldt niet voor:

a)

eindgebruikers die de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen ontvangen via verkoop door middel van op afstand gesloten overeenkomsten; of

b)

eindgebruikers van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor uit hoofde van artikel 80 een plantenpaspoort voor beschermde gebieden is vereist.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen bepalen dat de voorschriften van de tweede alinea, onder b), slechts gelden voor specifieke ZP-plaagorganismen, planten, plantaardige producten of andere materialen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de gevallen te bepalen waarin, voor bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen, de uitzondering in lid 1 van dit artikel slechts geldt voor kleine hoeveelheden. In deze gedelegeerde handelingen worden die hoeveelheden per tijdsperiode vastgelegd, naargelang de plant, het plantaardig product of het ander materiaal in kwestie, en naargelang de respectieve risico's op plaagorganismen.

Artikel 82

Uitzonderingen voor verkeer binnen en tussen de bedrijfsruimten van een geregistreerde marktdeelnemer

Er is geen plantenpaspoort vereist voor het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen binnen en tussen de bedrijfsruimten van dezelfde geregistreerde marktdeelnemer die zich dicht bij elkaar bevinden.

De lidstaten kunnen die dichte nabijheid op hun respectieve grondgebied nader omschrijven en bepalen of er in plaats van het plantenpaspoort andere documenten voor dat verkeer moeten worden afgegeven.

Indien dergelijk verkeer plaatsvindt tussen twee of meer lidstaten, dient de vrijstelling van plantenpaspoort door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten te worden goedgekeurd.

Artikel 83

Inhoud en vorm van het plantenpaspoort

1.   Het plantenpaspoort heeft de vorm van een apart etiket dat wordt aangebracht op een ondergrond die geschikt is om de in lid 2 bedoelde elementen op af te drukken, op voorwaarde dat het plantenpaspoort duidelijk te onderscheiden is van andere informatie of andere etiketten die ook op die ondergrond kunnen worden aangebracht.

Het plantenpaspoort is gemakkelijk zichtbaar en duidelijk leesbaar, en de informatie erop is onveranderbaar en duurzaam.

2.   Het plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie bevat de in bijlage VII, deel A, beschreven gegevens.

In afwijking op punt 1, onder e), van deel A van bijlage VII is de traceerbaarheidscode niet vereist indien voor opplant bestemde planten aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

ze zijn op zodanige wijze klaargemaakt dat zij zonder verdere voorbereiding klaar zijn voor verkoop aan eindgebruikers, en er bestaat geen risico op verspreiding van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden;

b)

zij behoren niet tot de categorieën of soorten die worden vermeld in een in lid 3 van dit artikel bepaalde uitvoeringshandeling.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de types en soorten van voor opplant bestemde planten vast voor welke de in lid 2 bedoelde vrijstelling niet geldt. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   Het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied bevat de in bijlage VII, deel B, beschreven gegevens.

5.   In het geval van voor opplant bestemde planten die zijn geproduceerd of op de markt worden aangeboden als prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal of prebasis-, basis- of gecertificeerd zaaigoed of pootaardappelen, zoals bedoeld in, respectievelijk, de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG en 2008/90/EG, wordt het plantenpaspoort afzonderlijk opgenomen in het officiële etiket, dat wordt geproduceerd overeenkomstig de betrokken bepalingen van die richtlijnen.

Indien dit lid van toepassing is, bevat het plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie de in bijlage VII, deel C, van deze verordening beschreven gegevens.

Indien dit lid van toepassing is, bevat het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied de in bijlage VII, deel D, van deze verordening beschreven gegevens.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VII, delen A, B, C en D, om de gegevens daarin waar nodig aan te passen aan de voortschrijdende wetenschappelijke en technische kennis.

7.   Uiterlijk op 14 december 2017 stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de vormvoorschriften vast voor het plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie en het plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied, wat betreft de plantenpaspoorten zoals bedoeld in lid 2, eerste en tweede alinea, en in lid 5, tweede en derde alinea. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Indien de aard van bepaalde planten, plantaardige producten of andere materialen dit vereist, kunnen bepaalde specificaties ten aanzien van de omvang van het plantenpaspoort worden vastgesteld voor dergelijke planten, plantaardige producten of andere materialen.

8.   Een plantenpaspoort kan ook in elektronische vorm worden afgegeven („elektronisch plantenpaspoort”), op voorwaarde dat het alle in lid 2 bedoelde gegevens bevat en de technische regelingen zijn bepaald bij de in de tweede alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen.

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen technische regelingen bepalen voor de afgifte van elektronische plantenpaspoorten, om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan dit artikel en om een passende, geloofwaardige en doeltreffende procedure voor de afgifte van die plantenpaspoorten te verzekeren. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 84

Afgifte van plantenpaspoorten door gemachtigde professionele marktdeelnemers en bevoegde autoriteiten

1.   Plantenpaspoorten worden afgegeven door erkende marktdeelnemers, onder toezicht van de bevoegde autoriteiten.

De erkende marktdeelnemers geven uitsluitend plantenpaspoorten af voor de planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor zij verantwoordelijk zijn.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen ook bevoegde autoriteiten plantenpaspoorten afgeven.

3.   De erkende marktdeelnemers geven uitsluitend plantenpaspoorten af in de bedrijfsruimten, collectieve opslagplaatsen en verzendingscentra die onder hun verantwoordelijkheid vallen en die zij uit hoofde van artikel 66, lid 2, onder d), hebben opgegeven, of, wanneer artikel 94, lid 1, van toepassing is, op een andere locatie, indien de bevoegde autoriteit zulks heeft toegestaan.

Artikel 85

Essentiële voorschriften voor een plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie

Een plantenpaspoort voor het verkeer binnen het grondgebied van de Unie wordt afgegeven voor planten, plantaardige producten of andere materialen die aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn vrij van EU-quarantaineorganismen, of van plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden;

b)

zij voldoen aan de bepalingen van artikel 37, lid 1, met betrekking tot de aanwezigheid van door de EU gereglementeerde niet-quarantaineorganismen op voor opplant bestemde planten en aan de bepalingen van artikel 37, lid 4, wat betreft de te nemen maatregelen;

c)

zij voldoen aan de voorschriften met betrekking tot het verkeer ervan binnen de Unie, zoals bedoeld in artikel 41, leden 2 en 3;

d)

zij voldoen, waar van toepassing, aan de regels die zijn vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende maatregelen uit hoofde van artikel 17, lid 3, artikel 28, lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met d), artikel 28, lid 2, en artikel 30, leden 1 en 3; en

e)

zij voldoen, waar van toepassing, aan maatregelen die door de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 17, lid 1, zijn vastgesteld voor de uitroeiing van EU-quarantaineorganismen of, plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, en op grond van artikel 29, lid 1, zijn vastgesteld voor de uitroeiing van plaagorganismen die voorlopig als EU-quarantaineorganismen worden aangemerkt.

Artikel 86

Essentiële voorschriften voor een plantenpaspoort voor het verkeer naar en binnen een beschermd gebied

1.   Een plantenpaspoort voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied wordt afgegeven voor planten, plantaardige producten en andere materialen die voldoen aan alle voorschriften van artikel 85, en bovendien aan de volgende voorschriften:

a)

zij zijn vrij van de betrokken ZP-quarantaineorganismen; en

b)

zij voldoen aan de in artikel 54, leden 2 en 3, bedoelde voorschriften.

2.   Indien artikel 33, lid 2, van toepassing is, wordt het in lid 1 van dit artikel bedoelde paspoort niet afgegeven voor planten, plantaardige producten of andere materialen die afkomstig zijn uit het afgebakend gebied in kwestie en in of op welke het betrokken plaagorganisme uit een beschermd gebied aanwezig kan zijn.

Artikel 87

Onderzoeken voor plantenpaspoorten

1.   Een plantenpaspoort mag uitsluitend worden afgegeven voor planten, plantaardige producten en andere materialen waarvoor een grondig onderzoek overeenkomstig de leden 2, 3 en 4 heeft aangetoond dat zij voldoen aan de voorschriften van artikel 85 en, waar van toepassing, van artikel 86.

Planten, plantaardige producten en andere materialen mogen hetzij afzonderlijk hetzij aan de hand van representatieve monsters worden onderzocht. Het onderzoek heeft ook betrekking op het verpakkingsmateriaal van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen.

2.   Het onderzoek wordt uitgevoerd door de erkende marktdeelnemer. In de volgende gevallen wordt het onderzoek evenwel door de bevoegde autoriteit uitgevoerd:

a)

bij toepassing van lid 3, eerste alinea, onder c), van dit artikel, met betrekking tot inspecties, het nemen van monsters van en het uitvoeren van tests;

b)

bij toepassing van artikel 84, lid 2; of

c)

wanneer een onderzoek wordt uitgevoerd in de directe omgeving, als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder b), van dit artikel en de erkende marktdeelnemer geen toegang tot die directe omgeving heeft.

3.   Het onderzoek voldoet aan alle volgende voorwaarden:

a)

het wordt uitgevoerd op daartoe geschikte tijdstippen, waarbij rekening wordt gehouden met de betrokken risico's;

b)

het wordt uitgevoerd in de in artikel 66, lid 2, onder d), bedoelde bedrijfsruimten. Indien vereist door de uitvoeringshandelingen die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 28, lid 1, artikel 30, lid 1, artikel 37, lid 4, artikel 41, lid 2, of artikel 54, lid 2, wordt ook een onderzoek uitgevoerd in de directe omgeving van de plaats van productie van de planten, plantaardige producten of andere materialen in kwestie;

c)

dit onderzoek gebeurt minstens visueel en wordt aangevuld door:

i)

inspecties, monsterneming en tests door de bevoegde autoriteit ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een of meer EU-quarantaineorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, of ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een ZP-quarantaineorganisme in het betrokken beschermde gebied; of

ii)

monsterneming en tests ingeval van vermoeden van de aanwezigheid van een door de EU gereguleerd niet-quarantaineorganisme, in voorkomend geval boven de respectieve drempelwaarden;

d)

de resultaten van het onderzoek worden geregistreerd en gedurende ten minste drie jaar bewaard.

Dat onderzoek vindt plaats onverminderd specifieke onderzoeksvoorschriften of maatregelen die worden vastgesteld overeenkomstig artikel 28, leden 1, 2 of 3, artikel 30, leden 1, 3 of 4, artikel 37, lid 4, artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3. Indien de desbetreffende voorschriften of maatregelen vereisen dat het onderzoek wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteit, wordt het niet uitgevoerd door de in lid 2 van dit artikel bedoelde erkende marktdeelnemer.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vaststellen van gedetailleerde maatregelen betreffende visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van tests, alsmede de frequentie en de tijdstippen van de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel, bedoelde onderzoeken met betrekking tot specifieke planten, plantaardige producten en andere materialen op basis van de specifieke risico's van plaagorganisme die zij kunnen opleveren. Die onderzoeken betreffen, waar passend, bepaalde voor opplant bestemde planten die behoren tot prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal, zaaigoed of pootaardappelen, standaard of CAC-materiaal of zaaigoed, zoals respectievelijk bedoeld in de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG, 2008/72/EG en 2008/90/EG.

Wanneer de Commissie dergelijke gedelegeerde handelingen voor specifieke voor opplant bestemde planten vaststelt en die voor opplant bestemde planten vallen onder certificeringsregelingen uit hoofde van de Richtlijnen 66/401/EEG, 66/402/EEG, 68/193/EEG, 2002/54/EG, 2002/55/EG, 2002/56/EG, 2002/57/EG en 2008/90/EG, legt de Commissie de voorschriften met betrekking tot de onderzoeken naar de aanwezigheid van EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, van deze verordening vastgestelde maatregelen gelden, en van door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen, en met betrekking tot de onderzoeken naar andere kenmerken van de voor opplant bestemde planten uit hoofde van die richtlijnen in één certificeringsregeling vast.

Bij de vaststelling van deze gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en met internationale normen.

Artikel 88

Aanbrengen van de plantenpaspoorten

Plantenpaspoorten worden door de betrokken professionele marktdeelnemers aangebracht op de handelseenheid van de planten, plantaardige producten en andere materialen voordat zij krachtens artikel 79 in het verkeer zijn binnen het grondgebied van de Unie of krachtens artikel 80 worden overgebracht naar of vervoerd binnen een beschermd gebied. Wanneer dergelijke planten, plantaardige producten of andere materialen in een verpakking, bundel of container worden vervoerd, wordt het plantenpaspoort aangebracht op deze verpakking, bundel of container.

Artikel 89

Machtiging van professionele marktdeelnemers tot het afgeven van plantenpaspoorten

1.   De bevoegde autoriteit verleent een professionele marktdeelnemer een machtiging voor de afgifte van plantenpaspoorten („machtiging tot het afgeven van plantenpaspoorten”) voor welbepaalde families, geslachten of soorten, en welbepaalde types planten, plantaardige producten en andere materialen die als handelsartikel worden gebruikt, indien die professionele marktdeelnemer voldoet aan beide volgende voorwaarden:

a)

hij beschikt over de nodige kennis om de in artikel 87 bedoelde onderzoeken uit te voeren met betrekking tot EU-quarantaineorganismen of plaagorganismen waarvoor krachtens artikel 30, lid 1, vastgestelde maatregelen gelden, ZP-quarantaineorganismen en door de EU gereguleerde niet-quarantaineorganismen die de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen kunnen aantasten, en met betrekking tot de tekenen van de aanwezigheid van die plaagorganismen en de daardoor veroorzaakte symptomen, en de middelen om de aanwezigheid en verspreiding van die plaagorganismen te voorkomen;

b)

hij beschikt over systemen en procedures waarmee hij kan voldoen aan zijn verplichtingen betreffende de traceerbaarheid krachtens de artikelen 69 en 70.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de criteria te bepalen waaraan de professionele marktdeelnemers moeten voldoen om te beantwoorden aan de voorwaarden van lid 1, onder a), van dit artikel en procedures om ervoor te zorgen dat aan die criteria wordt voldaan.

Artikel 90

Verplichtingen van erkende marktdeelnemers

1.   Wanneer een erkend exploitant een plantenpaspoort wil afgeven, bepaalt en monitort hij de punten van het productieproces en de punten met betrekking tot het verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen die essentieel zijn voor de naleving van artikel 37, lid 1, artikel 41, lid 1, de artikelen 85 en 87, en, waar van toepassing, artikel 33, lid 2, artikel 54, lid 1, en artikel 86, en de voorschriften die zijn vastgesteld krachtens artikel 28, leden 1, 2 en 3, artikel 30, leden 1, 3 en 4, en, waar van toepassing, artikel 37, lid 4.

Hij houdt gedurende minstens drie jaar gegevens bij over de vaststelling en monitoring van deze punten.

2.   De in lid 1 bedoelde erkende marktdeelnemer zorgt ervoor dat indien nodig een passende opleiding wordt geboden aan zijn personeel dat betrokken is bij de in artikel 87 bedoelde onderzoeken, om ervoor te zorgen dat het over de nodige kennis beschikt om die onderzoeken uit te voeren.

Artikel 91

Plannen voor de beheersing van risico's op plaagorganismen

1.   Erkende marktdeelnemers kunnen over plannen voor de beheersing van risico's op plaagorganismen beschikken. De bevoegde autoriteit keurt die plannen goed indien zij aan elk van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

de plannen bevatten passende maatregelen die ervoor zorgen dat de betrokken exploitanten voldoen aan de verplichtingen van artikel 90, lid 1;

b)

zij voldoen aan de voorschriften van lid 2 van dit artikel.

Inspecties van erkende marktdeelnemers die een goedgekeurd plan voor de beheersing van risico's op plaagorganismen uitvoeren mogen in frequentie worden gereduceerd.

2.   De plannen voor de beheersing van risico's op plaagorganismen omvatten, eventueel in de vorm van een handboek van operationele standaardprocedures, ten minste de volgende gegevens:

a)

de op grond van artikel 66, lid 2, verplichte informatie over de registratie van de erkende marktdeelnemer;

b)

de op grond van artikel 69, lid 4, en artikel 70, lid 1, verplichte informatie over de traceerbaarheid van planten, plantaardige producten en andere materialen;

c)

een beschrijving van de productieprocessen van de erkende marktdeelnemer en van zijn activiteiten wat betreft het verkeer en de verkoop van planten, plantaardige producten en andere materialen;

d)

een analyse van de in artikel 90, lid 1, bedoelde kritieke punten en de maatregelen die de erkende marktdeelnemer heeft genomen om de risico's op plaagorganismen die met deze kritieke punten verband houden, te verzachten;

e)

de bestaande procedures en maatregelen die zijn voorzien bij het vermoeden of de vaststelling van de aanwezigheid van quarantaineorganismen, de registratie van dat vermoeden of die vaststelling en de registratie van de genomen maatregelen;

f)

de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat betrokken is bij de kennisgevingen bedoeld in artikel 14, de onderzoeken bedoeld in artikel 87, lid 1, de afgifte van plantenpaspoorten krachtens artikel 84, lid 1, artikel 93, leden 1 en 2, en artikel 94, en het aanbrengen van plantenpaspoorten uit hoofde van artikel 88; en

g)

de opleiding van het in dit lid, onder f), bedoelde personeel.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteit constateert dat de betrokken professionele marktdeelnemer de in lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde maatregelen niet toepast, of dat het plan voor de beheersing van risico's op plaagorganismen niet langer beantwoordt aan de in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde voorschriften, neemt die autoriteit onmiddellijk de nodige maatregelen om een einde te maken aan de niet-naleving van die voorwaarden. Die maatregelen kunnen de intrekking van de goedkeuring van dat plan omvatten.

Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig de eerste alinea andere maatregelen dan de intrekking van de goedkeuring van het plan heeft genomen maar de niet-naleving toch voortduurt, trekt die autoriteit die goedkeuring onmiddellijk in.

Artikel 92

Inspecties en intrekking van machtiging

1.   Ten minste één maal per jaar verricht de bevoegde autoriteit inspecties, en neemt zij indien wenselijk monsters en voert zij tests uit, om na te gaan of de erkende marktdeelnemers voldoen aan artikel 83, leden 1, 2, 4 of 5, artikel 87, artikel 88, artikel 89, lid 1, artikel 90 of artikel 93, leden 1, 2, 3 of 5.

2.   Indien de bevoegde autoriteit constateert dat een erkende marktdeelnemer niet voldoet aan de in lid 1 bedoelde bepalingen of dat een plant, plantaardig product of ander materiaal waarvoor die professionele marktdeelnemer een plantenpaspoort heeft afgegeven, niet voldoet aan artikel 85 of, waar van toepassing, artikel 86, neemt die autoriteit onmiddellijk de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat een einde wordt gemaakt aan de niet-naleving van die bepalingen.

Die maatregelen omvatten mogelijk de intrekking van de machtiging om plantenpaspoorten af te geven voor de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen.

3.   Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 andere maatregelen dan de intrekking van de machtiging tot het afgeven van plantenpaspoorten voor de planten, plantaardige producten en andere materialen heeft genomen maar de niet-naleving van artikel 85 of, waar van toepassing, artikel 86 toch voortduurt, trekt die autoriteit die machtiging onmiddellijk in.

Artikel 93

Vervanging van een plantenpaspoort

1.   Een erkende marktdeelnemer die een handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen heeft ontvangen waarvoor een plantenpaspoort is afgegeven, of de bevoegde autoriteit die op verzoek van een professionele marktdeelnemer optreedt, kan een nieuw plantenpaspoort afgeven voor die handelseenheid ter vervanging van het plantenpaspoort dat oorspronkelijk voor die handelseenheid werd afgegeven, mits aan de voorwaarden van lid 3 wordt voldaan.

2.   Indien een handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen waarvoor een plantenpaspoort is afgegeven, in twee of meer nieuwe handelseenheden wordt verdeeld, geeft de erkende marktdeelnemer die verantwoordelijk is voor deze nieuwe handelseenheden of de bevoegde autoriteit die op verzoek van een professionele marktdeelnemer optreedt, een plantenpaspoort af voor elke nieuwe handelseenheid die bij de verdeling is ontstaan, mits aan de voorwaarden van lid 3 wordt voldaan. Die plantenpaspoorten vervangen het plantenpaspoort dat voor de oorspronkelijke handelseenheid werd afgegeven.

3.   Een plantenpaspoort, zoals bepaald in de leden 1 en 2, mag uitsluitend onder de volgende voorwaarden worden afgegeven:

a)

er is voldaan aan de in artikel 69, lid 3, bedoelde traceerbaarheidsvoorschriften betreffende de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;

b)

in voorkomend geval voldoen de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen nog steeds aan de voorschriften van de artikelen 85 en 86; en

c)

de eigenschappen van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen zijn ongewijzigd.

4.   Indien een plantenpaspoort krachtens lid 1 of 2 wordt afgegeven, is het onderzoek van artikel 87, lid 1, niet vereist.

5.   Na de vervanging van een plantenpaspoort krachtens lid 1 of 2, bewaart de betrokken erkende marktdeelnemer het vervangen plantenpaspoort of de inhoud ervan voor een periode van ten minste drie jaar.

Indien de vervanging van een plantenpaspoort krachtens lid 1 of 2 wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteit, bewaart de professionele marktdeelnemer op wiens verzoek het paspoort is afgegeven, het vervangen plantenpaspoort of de inhoud ervan voor een periode van ten minste drie jaar.

Die bewaring kan de vorm aannemen van het opslaan van de in het plantenpaspoort vervatte informatie in een elektronische gegevensbank, op voorwaarde dat ook de informatie wordt opgeslagen die zich bevindt in eventuele streepjescodes, hologrammen, chips of andere gegevensdragers met traceerbaarheidsdoeleinden die de in bijlage VII bedoelde traceerbaarheidscode kunnen aanvullen.

Artikel 94

Plantenpaspoorten ter vervanging van fytosanitaire certificaten

1.   Wanneer een plant, plantaardig product of ander materiaal vanuit een derde land op het grondgebied van de Unie wordt binnengebracht en voor het verkeer daarvan binnen het grondgebied van de Unie een plantenpaspoort vereist is krachtens artikel 79, lid 1, en artikel 80, lid 1, wordt in afwijking van artikel 87 het paspoort afgegeven indien de controles door middel van officiële controles aan grenscontroleposten betreffende het binnenbrengen daarvan naar behoren zijn uitgevoerd en tot de conclusie hebben geleid dat de plant, het plantproduct of het andere materiaal in kwestie voldoet aan de essentiële voorschriften voor de afgifte van een plantenpaspoort overeenkomstig artikel 85 en, indien van toepassing, artikel 86.

De vervanging van een fytosanitair certificaat door een plantenpaspoort kan worden uitgevoerd op de plaats van bestemming van de plant, het plantaardig product of het andere materiaal in kwestie, en niet op de plaats van binnenkomst, indien controle op de plaats van bestemming is toegestaan, als bedoeld in de Uniewetgeving over officiële controles.

2.   In afwijking van de eerste alinea van lid 1 kunnen lidstaten besluiten een fytosanitair certificaat op de plaats van binnenkomst van de plant, het plantaardig product of het andere materiaal in kwestie op het grondgebied van de Unie te vervangen door een gewaarmerkt afschrift van het oorspronkelijk fytosanitair certificaat.

Dat gewaarmerkt afschrift van het oorspronkelijk fytosanitair certificaat wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit en vergezelt de plant, het plantaardig product of het andere materiaal in kwestie bij elk verkeer, slechts tot op het moment dat het plantenpaspoort wordt afgegeven, en uitsluitend binnen het grondgebied van de respectieve lidstaat.

3.   De bevoegde autoriteit bewaart het fytosanitair certificaat voor een periode van ten minste drie jaar. Die bewaring kan de vorm aannemen van het opslaan van de in het fytosanitair certificaat vervatte informatie in een elektronische gegevensbank.

Indien artikel 101, lid 2, onder a), van toepassing is, wordt dat fytosanitair certificaat vervangen door een gewaarmerkt afschrift ervan.

Artikel 95

Ongeldigmaking en verwijdering van het plantenpaspoort

1.   De professionele marktdeelnemer die een handelseenheid planten, plantaardige producten of andere materialen onder zijn beheer heeft, maakt het plantenpaspoort ongeldig en verwijdert het waar mogelijk van die handelseenheid indien hij constateert dat aan een van de voorschriften van de artikelen 83 tot en met 87, artikel 89, artikel 90, artikel 93 of artikel 94 niet is voldaan.

Onverminderd de in artikel 14 bedoelde kennisgevingsverplichting stelt de professionele marktdeelnemer de bevoegde autoriteit onder wiens bevoegdheid hij werkt daarvan in kennis.

2.   Indien de professionele marktdeelnemer niet aan lid 1 voldoet, maakt de bevoegde autoriteit het plantenpaspoort ongeldig en verwijdert zij het waar mogelijk van de handelseenheid in kwestie.

3.   Wanneer de leden 1 en 2 van toepassing zijn, bewaart de betrokken professionele marktdeelnemer het ongeldig gemaakte plantenpaspoort of de inhoud ervan voor een periode van ten minste drie jaar.

Die bewaring kan de vorm aannemen van het opslaan van de informatie in het ongeldig gemaakte plantenpaspoort in een elektronische gegevensbank, mits ook de informatie die zich bevindt in eventuele streepjescodes, hologrammen, chips of andere gegevensdragers met traceerbaarheidsdoeleinden die de traceerbaarheidscode overeenkomstig bijlage VII kunnen aanvullen, samen met een verklaring betreffende de ongeldigmaking, wordt opgeslagen.

4.   Indien de leden 1 en 2 van toepassing zijn, stelt de betrokken professionele marktdeelnemer de erkende marktdeelnemer of de bevoegde autoriteit die het ongeldig gemaakte plantenpaspoort heeft afgegeven, daarvan in kennis.

5.   Indien een plantenpaspoort overeenkomstig lid 2 van dit artikel is verwijderd en ongeldig is gemaakt, stellen de lidstaten de Commissie en de overige lidstaten daarvan via het in artikel 103 bedoelde elektronische kennisgevingssysteem in kennis.

Afdeling 3

Overige verklaringen

Artikel 96

Het aanbrengen van een merkteken op houten verpakkingsmateriaal, hout, of andere materialen

1.   In elk van de volgende gevallen beantwoordt het merkteken dat op houten verpakkingsmateriaal, hout, of andere materialen is aangebracht als bewijs dat een behandeling in overeenstemming met bijlage 1 bij ISPM15 is toegepast, aan de voorschriften van bijlage 2 bij ISPM15:

a)

houten verpakkingsmateriaal dat het grondgebied van de Unie is binnengebracht vanuit een derde land, als bedoeld in artikel 43;

b)

houten verpakkingsmateriaal waarop een merkteken is aangebracht op het grondgebied van de Unie, dat het grondgebied van de Unie verlaat;

c)

houten verpakkingsmateriaal, hout of andere materialen die binnen het grondgebied van de Unie worden verplaatst, indien aldus voorgeschreven door een op grond van artikel 28, 30, 41 of 54 vastgestelde uitvoeringshandeling;

d)

elk ander houten verpakkingsmateriaal, hout of ander materiaal waarop een merkteken is aangebracht op het grondgebied van de Unie.

Het merkteken wordt alleen toegepast indien het houten verpakkingsmateriaal, hout of andere materialen een of meer van de goedgekeurde behandelingen als bedoeld in bijlage 1 bij ISPM15 hebben ondergaan, onverminderd de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 1005/2009 (28), (EG) nr. 1107/2009 (29) en (EU) nr. 528/2012 (30) van het Europees Parlement en de Raad.

Voor houten verpakkingsmateriaal, hout of andere materialen waarop een merkteken wordt aangebracht op het grondgebied van de Unie, wordt het merkteken alleen aangebracht door een daartoe overeenkomstig artikel 98 gemachtigde geregistreerde marktdeelnemer.

De eerste alinea, punten a) en b), zijn niet van toepassing op houten verpakkingsmateriaal waarvoor de in ISPM15 voorziene vrijstellingen gelden.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te tellen die voorschriften van lid 1 van dit artikel wijzigen om deze aan te passen aan de ontwikkeling van internationale normen en met name ISPM15.

Artikel 97

Herstelling van houten verpakkingsmateriaal op het grondgebied van de Unie

1.   Houten verpakkingsmateriaal waarop het in artikel 96 bedoelde merkteken is aangebracht, wordt alleen hersteld indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de persoon die de herstelling uitvoert is een daartoe overeenkomstig artikel 98 gemachtigde geregistreerde marktdeelnemer;

b)

het gebruikte materiaal en de toegepaste behandeling zijn geschikt voor herstelling;

c)

het merkteken wordt opnieuw aangebracht, als aangewezen.

2.   De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen de specifieke regelingen vaststellen voor het materiaal, de behandeling en het merkteken als bedoeld in lid 1. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen houden rekening met de toepasselijke internationale normen en met name met ISPM15.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien een professionele marktdeelnemer op enigerlei wijze alle eerder aangebrachte exemplaren van dat merkteken van het houten verpakkingsmateriaal permanent verwijdert.

Artikel 98

Machtiging van en toezicht op geregistreerde marktdeelnemers die het merkteken van houten verpakkingsmateriaal aanbrengen op het grondgebied van de Unie

1.   Een machtiging tot het aanbrengen van het merkteken zoals bedoeld in artikel 96 en tot het herstellen van houten verpakkingsmateriaal in overeenstemming met artikel 97, wordt op aanvraag door de bevoegde autoriteit verleend aan een geregistreerde marktdeelnemer die aan beide volgende voorwaarden voldoet:

a)

hij beschikt over de benodigde kennis voor het behandelen van het houten verpakkingsmateriaal, hout en andere materiaal als vereist bij de in de artikelen 96 en 97 bedoelde handelingen;

b)

hij beschikt over de nodige installaties en uitrusting voor het uitvoeren van die behandeling („behandelingsinstallaties”);

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door de voorschriften voor machtiging nader te bepalen, zo nodig naar aanleiding van de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en de internationale normen.

2.   Een machtiging tot het aanbrengen van het merkteken zoals bedoeld in artikel 96 en tot het herstellen van houten verpakkingsmateriaal in overeenstemming met artikel 97, wordt op aanvraag door de bevoegde autoriteit verleend aan een geregistreerde marktdeelnemer die gebruikmaakt van hout dat in een installatie van een andere exploitant is behandeld, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden met betrekking tot houten verpakkingsmateriaal waarop dat merkteken is aangebracht:

a)

hij gebruikt uitsluitend hout:

i)

dat een of meer van de in bijlage 1 bij ISPM15 bedoelde goedgekeurde behandelingen heeft ondergaan en is behandeld in installaties die worden geëxploiteerd door een krachtens lid 1 van dit artikel gemachtigde geregistreerde marktdeelnemer; of

ii)

dat een of meer van de in bijlage 1 bij ISPM15 bedoelde goedgekeurde behandelingen heeft ondergaan in een behandelingsinstallatie in een derde land die door de officiële plantenziektekundige dienst van dat derde land is erkend.

b)

hij zorgt ervoor dat het hout dat voor dat doel wordt gebruikt, kan worden getraceerd naar die behandelingsinstallaties op het grondgebied van de Unie of naar de betrokken behandelingsinstallaties in het derde land;

c)

waar van toepassing krachtens artikel 28, leden 1 en 2, artikel 30, leden 1 en 3, artikel 41, leden 2 en 3, en artikel 54, leden 2 en 3, gebruikt hij uitsluitend hout zoals bedoeld in punt a) van deze alinea, dat vergezeld gaat van een plantenpaspoort of van een ander document waarin wordt gegarandeerd dat is voldaan aan de behandelingsvoorschriften als bedoeld in bijlage 1 bij ISPM15.

3.   De bevoegde autoriteit houdt ten minste eens per jaar toezicht op de geregistreerde marktdeelnemers die krachtens de leden 1 en 2 gemachtigd zijn, teneinde te controleren en ervoor te zorgen dat zij, waar passend, houten verpakkingsmateriaal, hout en andere materialen overeenkomstig artikel 96, lid 1, en artikel 97 behandelen en van een merkteken voorzien, en dat zij voldoen aan de respectieve voorwaarden van de leden 1 en 2 van dit artikel.

4.   Wanneer de bevoegde autoriteit constateert dat een professionele marktdeelnemer niet aan de voorschriften van de leden 1 of 2 voldoet, neemt die autoriteit onverwijld de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de niet-naleving van die bepalingen wordt beëindigd.

Indien de bevoegde autoriteit andere maatregelen dan de intrekking van de in de leden 1 of 2 bedoelde machtiging heeft genomen maar de niet-naleving toch voortduurt, trekt die autoriteit de in de leden 1 of 2 bedoelde machtiging onverwijld in.

Artikel 99

Andere verklaringen dan die betreffende het merkteken van houten verpakkingsmateriaal

1.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die deze verordening aanvullen door het vastleggen van de gegevens die moeten worden opgenomen in de officiële verklaringen die specifiek zijn voor planten, plantaardige producten of andere materialen, uitgezonderd houten verpakkingsmateriaal, die volgens de toepasselijke internationale normen zijn vereist als bewijs van de uitvoering van maatregelen die zijn vastgesteld krachtens artikel 28, leden 1 of 2, of artikel 30, leden 1 of 3, artikel 41, leden 2 of 3, artikel 44, of artikel 54, leden 2 of 3.

2.   De in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen kunnen tevens voorschriften bevatten met betrekking tot een of meer van de volgende aspecten:

a)

de machtiging van professionele marktdeelnemers tot de afgifte van de in lid 1 bedoelde officiële verklaringen;

b)

het toezicht van de bevoegde autoriteit op de professionele marktdeelnemers die zijn gemachtigd zoals bedoeld in punt a) van dit lid; of

c)

de intrekking van deze machtiging zoals bedoeld in punt a) van dit lid.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de vormvoorschriften voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde verklaringen vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Afdeling 4

Uitvoer van planten, plantaardige producten en andere materialen uit het grondgebied van de unie

Artikel 100

Fytosanitair certificaat voor uitvoer uit de Unie

1.   Wanneer voor de uitvoer van planten, plantaardige producten of andere materialen uit het grondgebied van de Unie naar een derde land volgens de fytosanitaire invoervoorschriften van dat derde land een fytosanitair certificaat („fytosanitair uitvoercertificaat”) vereist is, wordt dat certificaat afgegeven door de bevoegde autoriteit, op verzoek van de professionele marktdeelnemer, indien is voldaan aan alle volgende voorwaarden:

a)

de professionele marktdeelnemer is door die bevoegde autoriteit geregistreerd overeenkomstig artikel 65;

b)

de professionele marktdeelnemer heeft de uit te voeren planten, plantaardige producten of andere materialen onder zijn beheer;

c)

er is voor gezorgd dat de planten, plantaardige producten of andere materialen beantwoorden aan de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land.

De bevoegde autoriteit geeft eveneens een fytosanitair uitvoercertificaat af op verzoek van anderen dan de professionele marktdeelnemers, indien is voldaan aan de voorwaarden van de eerste alinea, onder b) en c).

De bevoegdheid tot afgifte van het fytosanitair uitvoercertificaat wordt voor de toepassing van dit lid door de bevoegde autoriteit niet gedelegeerd aan andere personen.

2.   Onverminderd de uit hoofde van het IPPC geldende verplichtingen, en rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, wordt het fytosanitair uitvoercertificaat afgegeven wanneer de beschikbare informatie de bevoegde autoriteit in staat stelt na te gaan of de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen in overeenstemming zijn met de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land. Deze informatie kan, naar gelang het geval, afkomstig zijn uit een of meer van de volgende bronnen:

a)

inspecties, het nemen van monsters van en het uitvoeren van tests op de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen, of op of in de omgeving van de productieplaats daarvan;

b)

officiële informatie over de status van de plaag in de productiefaciliteit, op de productieplaats, in het gebied of het land van oorsprong van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;

c)

een plantenpaspoort als bedoeld in artikel 78 dat de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen vergezelt, indien in dat plantenpaspoort de resultaten van inspecties door de bevoegde autoriteit zijn vermeld;

d)

het merkteken van houten verpakkingsmateriaal zoals bedoeld in artikel 96, lid 1, of de verklaringen zoals bedoeld in artikel 99, lid 1;

e)

de informatie in het pre-uitvoercertificaat zoals bedoeld in artikel 102;

f)

officiële informatie in het fytosanitair certificaat zoals bedoeld in artikel 71, indien de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen uit een derde land zijn binnengebracht op het grondgebied van de Unie.

3.   Het fytosanitair uitvoercertificaat beantwoordt aan de beschrijving en het formaat van het model dat is vastgelegd in bijlage VIII, deel A.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen die de in lid 2 van dit artikel en in bijlage VIII, deel A, vermelde bronnen wijzigen teneinde ze aan te passen aan de ontwikkeling van de toepasselijke internationale normen.

5.   Elektronische fytosanitaire uitvoercertificaten worden verstrekt via, of elektronisch uitgewisseld door middel van een geautomatiseerd informatiemanagementsysteem voor officiële controles op Unieniveau.

Artikel 101

Fytosanitair certificaat voor wederuitvoer uit het grondgebied van de Unie

1.   Voor de wederuitvoer van planten, plantaardige producten of andere materialen die afkomstig zijn uit een derde land en vanuit dit, of een ander, derde land zijn binnengebracht op het grondgebied van de Unie, wordt, waar mogelijk, in plaats van een fytosanitair uitvoercertificaat een fytosanitair certificaat voor wederuitvoer vanuit de Unie („het fytosanitair wederuitvoercertificaat”) afgegeven.

Het fytosanitair wederuitvoercertificaat wordt door de bevoegde autoriteit op verzoek van de professionele marktdeelnemer afgegeven indien is voldaan aan alle volgende voorwaarden:

a)

de professionele marktdeelnemer is bij de bevoegde autoriteit geregistreerd overeenkomstig artikel 65;

b)

de professionele marktdeelnemer heeft de weder uit te voeren planten, plantaardige producten of andere materialen onder zijn beheer;

c)

er is voor gezorgd dat de planten, plantaardige producten of andere materialen beantwoorden aan de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land.

De bevoegde autoriteit geeft eveneens een fytosanitair wederuitvoercertificaat af op verzoek van anderen dan de professionele marktdeelnemers, indien is voldaan aan de voorwaarden van de tweede alinea, onder b) en c).

De bevoegdheid tot afgifte van het fytosanitair wederuitvoercertificaat wordt voor de toepassing van dit lid door de bevoegde autoriteit niet gedelegeerd aan andere personen.

2.   Onverminderd de uit hoofde van het IPPC geldende verplichtingen, en rekening houdend met de toepasselijke internationale normen, wordt het fytosanitair wederuitvoercertificaat afgegeven wanneer de beschikbare informatie de bevoegde autoriteit in staat stelt na te gaan of de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen in overeenstemming zijn met de fytosanitaire invoervoorschriften van het betrokken derde land en of is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

a)

het origineel van het fytosanitair certificaat dat de planten, plantaardige producten of andere materialen uit het derde land van oorsprong vergezelt, of een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan, wordt aan het fytosanitair wederuitvoercertificaat gehecht;

b)

de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen zijn sinds hun binnenkomst op het grondgebied van de Unie niet geteeld, geproduceerd of verwerkt met het oog op wijziging van de aard ervan;

c)

de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen zijn tijdens de opslag in de lidstaat van waaruit zij naar dat derde land van bestemming moeten worden uitgevoerd, niet blootgesteld aan een risico op aantasting door of besmetting met quarantaineorganismen of gereglementeerde niet-quarantaineorganismen die als zodanig door het derde land van bestemming in een lijst zijn opgenomen;

d)

de identiteit van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen is in stand gehouden.

3.   Artikel 100, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

4.   Het fytosanitair wederuitvoercertificaat beantwoordt aan de beschrijving en het formaat van het model dat is vastgelegd in bijlage VIII, deel B.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VIII, deel B, om die aan te passen aan de ontwikkeling van de toepasselijke internationale normen.

6.   Elektronische fytosanitaire wederuitvoercertificaten worden verstrekt via, of elektronisch uitgewisseld met, een geautomatiseerd informatiemanagementsysteem voor officiële controles op Unieniveau.

Artikel 102

Pre-uitvoercertificaten

1.   De bevoegde autoriteit van de lidstaat van waaruit de planten, plantaardige producten of andere materialen zoals bedoeld in artikel 100, lid 1, worden uitgevoerd en de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de planten, plantaardige producten of andere materialen zijn geteeld, geproduceerd, opgeslagen of verwerkt, wisselen de vereiste fytosanitaire informatie uit die de basis vormt voor het afgeven van het fytosanitair uitvoercertificaat.

2.   De in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie vindt plaats door middel van een geharmoniseerd document („pre-uitvoercertificaat”), waarin de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de planten, plantaardige producten en andere materialen zijn geteeld, geproduceerd, opgeslagen of verwerkt, bevestigen dat die planten, plantaardige producten of andere materialen voldoen aan specifieke fytosanitaire voorschriften met betrekking tot een of meer van de volgende aspecten:

a)

de afwezigheid, of aanwezigheid onder een specifieke drempel, van bepaalde plaagorganismen bij de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;

b)

de oorsprong van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen in of op een specifiek veld, productiefaciliteit, productieplaats of gebied;

c)

de status van het plaagorganisme in het veld, in de productiefaciliteit, op de productieplaats, in het gebied of het land van oorsprong van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;

d)

het resultaat van de inspecties, het nemen van monsters van en het uitvoeren van tests op de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen;

e)

de fytosanitaire procedures die zijn toegepast bij de productie of verwerking van de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen.

3.   Het pre-uitvoercertificaat wordt op verzoek van de professionele marktdeelnemer afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de planten, plantaardige producten of andere materialen zijn geteeld, geproduceerd, opgeslagen of verwerkt, zolang die planten, plantaardige producten of andere materialen zich in de bedrijfsruimten van de betrokken professionele marktdeelnemer bevinden.

4.   Het pre-uitvoercertificaat vergezelt de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen tijdens het verkeer ervan binnen het grondgebied van de Unie, tenzij de informatie die het bevat tussen de betrokken lidstaten wordt verstrekt via, of elektronisch uitgewisseld wordt door middel van een geautomatiseerd informatiemanagementsysteem voor officiële controles op Unieniveau.

5.   Onverminderd de voorschriften in lid 3 kan het pre-uitvoercertificaat worden afgegeven wanneer de planten, plantaardige producten of andere materialen de bedrijfsruimten van de betrokken professionele marktdeelnemer hebben verlaten, op voorwaarde dat inspecties en, waar nodig, bemonsteringen zijn uitgevoerd die bevestigen dat de betrokken planten, plantaardige producten of andere materialen beantwoorden aan een of meer van de in lid 2 genoemde specifieke fytosanitaire voorschriften.

6.   Het pre-uitvoercertificaat is wat gegevens en formaat betreft in overeenstemming met bijlage VIII, deel C.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 105 gedelegeerde handelingen vast te stellen die bijlage VIII, deel C, wijzigen, om het aan te passen aan de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis en van de toepasselijke internationale normen.

7.   De Commissie kan door middel van een uitvoeringshandeling de procedures voor het afgeven van het pre-uitvoercertificaat vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK VII

Ondersteunende maatregelen van de Commissie

Artikel 103

Invoering van een elektronisch kennisgevingssysteem

De Commissie voert een elektronisch systeem in voor het indienen van kennisgevingen door de lidstaten.

Dat systeem staat in verbinding en is compatibel met een geautomatiseerd informatiemanagementsysteem voor officiële controles op Unieniveau.

Artikel 104

De informatieonderdelen, het formaat en de termijnen voor de kennisgevingen, en kennisgevingen bij vermoede aanwezigheid van plaagorganismen

De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen specifieke regels vaststellen voor het indienen van de kennisgevingen als bedoeld in artikel 9, leden 1 en 2, artikel 11, artikel 17, lid 3, artikel 18, lid 6, artikel 19, lid 2, artikel 28, lid 7, artikel 29, lid 3, eerste alinea, artikel 30, lid 8, artikel 33, lid 1, artikel 40, lid 4, artikel 41, lid 4, artikel 46, lid 4, artikel 49, lid 6, artikel 53, lid 4, artikel 54, lid 4, artikel 62, lid 1, artikel 77, lid 2, en artikel 95, lid 5. Die regels betreffen een of meer van de volgende punten:

a)

de informatieonderdelen die in die kennisgevingen moeten worden opgenomen;

b)

het formaat van die kennisgevingen en de instructies voor het invullen ervan;

c)

de termijnen voor het indienen van bijzondere informatieonderdelen als bedoeld onder a);

d)

de gevallen waarin kennis wordt gegeven van de vermoede aanwezigheid van een plaagorganisme omdat gelet op de biologische eigenschappen en de mogelijkheid van snelle en grootschalige verspreiding een spoedig optreden noodzakelijk is;

e)

de gevallen van niet-naleving waarvan kennis moet worden gegeven wanneer die niet-naleving gevaar oplevert van verspreiding van een EU-quarantaineorganisme of van een plaagorganisme dat voorlopig als EU-quarantaineorganisme wordt aangemerkt.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 107, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

HOOFDSTUK VIII

Slotbepalingen

Artikel 105

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel bepaalde voorwaarden.

2.   De in artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1, artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 13 december 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1, artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 6, lid 2, artikel 7, artikel 8, lid 5, artikel 19, lid 7, artikel 21, artikel 32, lid 5, artikel 34, lid 1,artikel 38, artikel 43, lid 2, artikel 46, lid 2, artikel 48, lid 5, artikel 51, artikel 65, lid 4, artikel 71, lid 4, artikel 76, lid 4, artikel 81, lid 2, artikel 83, lid 6, artikel 87, lid 4, artikel 89, lid 2, artikel 96, lid 2, artikel 98, lid 1, artikel 99, lid 1, artikel 100, lid 4, artikel 101, lid 5, en artikel 102, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Deze termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 106

Spoedprocedure

1.   Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen gebruik wordt gemaakt van de spoedprocedure.

2.   Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 105, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onverwijld in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt.

Artikel 107

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (31) ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, de voorzitter van het comité daartoe besluit of een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom verzoekt.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 8 van Verordening (EU) nr. 182/2011, in samenhang met artikel 5 van die verordening, van toepassing.

Artikel 108

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast voor de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze verordening en nemen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat deze worden toegepast. De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 14 december 2019 in kennis van die voorschriften en delen haar eventuele latere wijzigingen onverwijld mee.

Artikel 109

Intrekkingen

1.   Richtlijn 2000/29/EG wordt ingetrokken, met uitzondering van de volgende bepalingen:

a)

artikel 1, lid 4;

b)

artikel 2, lid 1, aanhef en punten g), i), j), k), l), m), n), p), q) en r);

c)

artikel 11, lid 3;

d)

artikel 12;

e)

artikel 13;

f)

artikel 13 bis;

g)

artikel 13 ter;

h)

artikel 13 quater;

i)

artikel 13 quinquies;

j)

artikel 21, leden 1 tot en met 5;

k)

artikel 27 bis;

l)

bijlage VIII bis.

2.   De volgende richtlijnen worden ingetrokken:

a)

Richtlijn 69/464/EEG;

b)

Richtlijn 74/647/EEG;

c)

Richtlijn 93/85/EEG;

d)

Richtlijn 98/57/EG;

e)

Richtlijn 2006/91/EG;

f)

Richtlijn 2007/33/EG.

3.   Verwijzingen naar de overeenkomstig de leden 1 en 2 ingetrokken handelingen gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IX.

Artikel 110

Wijziging van Verordening (EU) nr. 228/2013

In artikel 24, lid 2, van Verordening (EU) nr. 228/2013 wordt de volgende alinea ingevoegd:

„EU-financiering van de programma's ter bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie zal worden geïmplementeerd overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (*).

Artikel 111

Wijziging van Verordening (EU) nr. 652/2014

Verordening (EU) nr. 652/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, onder e), wordt vervangen door:

„e)

betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten;”.

2)

In artikel 5, lid 2, wordt het volgende punt ingevoegd:

„c)

de programma's ter bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie als bedoeld in artikel 25;”.

3)

Artikel 16, lid 1, onder a), b), en c), worden vervangen door:

„a)

maatregelen om een plaagorganisme in een besmet gebied uit te roeien, genomen door de bevoegde autoriteiten krachtens artikel 17, lid 1, artikel 28, lid 1, artikel 29, lid 1, of artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad (**);

b)

maatregelen om een prioritair plaagorganisme in te perken dat krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst is opgenomen en waartegen krachtens artikel 28, lid 2, van die verordening inperkingsmaatregelen van de Unie zijn genomen, in een besmet gebied waar dat prioritaire plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid, indien die maatregelen essentieel zijn om het grondgebied van de Unie tegen verdere verspreiding van dit prioritaire plaagorganisme te beschermen. Als vastgesteld is dat het plaagorganisme in de bufferzone rondom dat besmette gebied aanwezig is, betreffen die maatregelen de uitroeiing van het plaagorganisme in die bufferzone; en

c)

preventieve maatregelen tegen de verspreiding van een prioritair plaagorganisme dat krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst is opgenomen en waartegen krachtens artikel 28, lid 3, van die verordening maatregelen van de Unie zijn genomen, indien die maatregelen essentieel zijn om het grondgebied van de Unie tegen verdere verspreiding van dat prioritaire plaagorganisme te beschermen.

(**)  Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, tot wijzigingen van de Verordeningen (EU) nr. 228/2013, (EU) nr. 652/2014 en (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Richtlijnen 69/464/EEG, 74/647/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG, 2000/29/EG, 2006/91/EG en 2007/33/EG van de Raad (PB L 317 van 23.11.2016, blz. 4)”."

4)

Artikel 17 wordt vervangen door:

„Artikel 17

Voorwaarden

De in artikel 16 bedoelde maatregelen kunnen voor subsidies in aanmerking komen op voorwaarde dat zij onmiddellijk zijn toegepast, dat de toepasselijke bepalingen van de desbetreffende wetgeving van de Unie zijn nageleefd en dat de maatregelen aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij betreffen EU-quarantaineorganismen die krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen als, voor zover bekend, niet voorkomend op het grondgebied van de Unie;

b)

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de bevoegde autoriteit van een lidstaat krachtens artikel 29, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld;

c)

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld;

d)

zij betreffen prioritaire plaagorganismen die krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen.

Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van de eerste alinea, onder b), voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die later zijn gemaakt dan twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregel die de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft vastgesteld krachtens artikel 29 van Verordening (EU) 2016/2031 of die na het verstrijken van die maatregel zijn gemaakt. Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van de eerste alinea, onder c), voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.”.

5)

Artikel 18, lid 1, onder d), wordt vervangen door:

„d)

kosten voor het compenseren van de betrokken eigenaars voor de waarde van de vernietigde planten, plantaardige producten en andere materialen die onder de in artikel 16 bedoelde maatregelen vallen, welke compensatie beperkt blijft tot de marktwaarde die dergelijke planten, plantaardige producten en andere materialen zouden hebben als zij niet door de maatregelen waren getroffen; de eventuele restwaarde wordt van de compensatie afgetrokken; en”.

6)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor door hen uitgevoerde jaarlijkse of meerjarige nationale programma's voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen („programma's voor onderzoek”), op voorwaarde dat die programma's voor onderzoek aan ten minste een van de volgende drie voorwaarden voldoen:

a)

zij betreffen EU-quarantaineorganismen die krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen als, voor zover bekend, niet aanwezig op het grondgebied van de Unie;

b)

zij betreffen prioritaire plaagorganismen die krachtens artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) 2016/2031 in een lijst zijn opgenomen; en

c)

zij betreffen plaagorganismen die niet als EU-quarantaineorganismen in een lijst zijn opgenomen en die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.”;

b)

de derde alinea wordt vervangen door:

„Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van punt c) van de eerste alinea voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 heeft vastgesteld.”.

7)

In artikel 20 wordt voor punt a) het volgende punt ingevoegd:

„a)

kosten voor visuele onderzoeken;”.

8)

In artikel 47 wordt punt 2 vervangen door:

„2)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

De lidstaten bepalen dat eenieder die weet heeft van de aanwezigheid van een van de in bijlage I of bijlage II opgesomde plaagorganismen of een plaagorganisme dat onder een maatregel valt op grond van artikel 16, leden 2 of 3, of die reden heeft zulke aanwezigheid te vermoeden, onmiddellijk de bevoegde autoriteit moet waarschuwen en op verzoek van die autoriteit alle in zijn bezit zijnde informatie over die aanwezigheid moet verstrekken. Wanneer deze kennisgeving niet schriftelijk is gedaan, wordt deze officieel vastgelegd door de bevoegde autoriteit”.”.

Artikel 112

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1143/2014

In artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 wordt punt d) vervangen door:

„d)

plaagorganismen bij planten die in een lijst zijn opgenomen uit hoofde van artikel 5, lid 2, of artikel 32, lid 3, of aan maatregelen zijn onderworpen uit hoofde van artikel 30, lid 1, van Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad (***)

Artikel 113

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 14 december 2019. Echter:

a)

artikel 111, punt 8, is van toepassing met ingang van 1 januari 2017;

b)

artikel 100, lid 3, en artikel 101, lid 4, is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

2.   De in artikel 109, lid 2, onder a), c), d) en f), bedoelde handelingen worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2022. In geval van strijdigheid tussen de bepalingen van die handelingen en de bepalingen van deze verordening hebben de bepalingen van deze verordening voorrang.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 26 oktober 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

I. LESAY


(1)  PB C 170 van 5.6.2014, blz. 104.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 15 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 18 juli 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Standpunt van het Europees Parlement van 26 oktober 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(4)  Richtlijn 66/401/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2298/66).

(5)  Richtlijn 66/402/EEG van de Raad van 14 juni 1966 betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2309/66).

(6)  Richtlijn 68/193/EEG van de Raad van 9 april 1968 betreffende het in de handel brengen van vegetatief teeltmateriaal voor wijnstokken (PB L 93 van 17.4.1968, blz. 15).

(7)  Richtlijn 2002/54/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 12).

(8)  Richtlijn 2002/55/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van groentezaad (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 33).

(9)  Richtlijn 2002/56/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 60).

(10)  Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74).

(11)  Richtlijn 2008/72/EG van de Raad van 15 juli 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen, met uitzondering van zaad (PB L 205 van 1.8.2008, blz. 28).

(12)  Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8).

(13)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(14)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(15)  Richtlijn 74/647/EEG van de Raad van 9 december 1974 betreffende de bestrijding van de anjerbladroller (PB L 352 van 28.12.1974, blz. 41).

(16)  Richtlijn 2006/91/EG van de Raad van 7 november 2006 betreffende de bestrijding van de San José-schildluis (PB L 312 van 11.11.2006, blz. 42).

(17)  Richtlijn 69/464/EEG van de Raad van 8 december 1969 betreffende de bestrijding van de wratziekte (PB L 323 van 24.12.1969, blz. 1).

(18)  Richtlijn 93/85/EEG van de Raad van 4 oktober 1993 betreffende de bestrijding van aardappelringrot (PB L 259 van 18.10.1993, blz. 1).

(19)  Richtlijn 98/57/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. (PB L 235 van 21.8.1998, blz. 1).

(20)  Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PB L 156 van 16.6.2007, blz. 12).

(21)  Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).

(22)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(23)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).

(24)  Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16).

(25)  Richtlijn 1999/105/EG van de Raad van 22 december 1999 betreffende het in de handel brengen van bosbouwkundig teeltmateriaal (PB L 11 van 15.1.2000, blz. 17).

(26)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(27)  ISO 3166-1:2006, Codes voor namen van landen en hun onderverdelingen — Deel 1: landcodes. Internationale Organisatie voor Normalisatie, Genève.

(28)  Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1).

(29)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(30)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(31)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).


BIJLAGE I

CRITERIA VOOR DE KWALIFICATIE VAN PLAAGORGANISMEN NAAR GELANG HET RISICO VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE UNIE

DEEL 1

Criteria om te bepalen welke plaagorganismen als quarantaineorganismen moeten worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 3, artikel 6, lid 1, artikel 7, artikel 29, lid 2, artikel 30, lid 2 en artikel 49, lid 3

1.   Identiteit van het plaagorganisme

De taxonomische identiteit van het plaagorganisme moet duidelijk worden omschreven of anders moet zijn aangetoond dat het plaagorganisme consistente symptomen vertoont en overdraagbaar is.

De taxonomische identiteit van het plaagorganisme moet worden vastgesteld op soortniveau dan wel op een hoger of lager taxonomisch niveau, indien dat taxonomische niveau wetenschappelijk geschikt is op basis van de virulentie, het bereik van de waardplant of de vectorrelaties van het plaagorganisme.

2.   Aanwezigheid van het plaagorganisme op het betrokken grondgebied

Een of meer van de volgende voorwaarden zijn van toepassing:

a)

van het plaagorganisme is niet bekend dat het aanwezig is op het betrokken grondgebied;

b)

van het plaagorganisme is niet bekend dat het aanwezig is op het betrokken grondgebied, behalve in een beperkt deel daarvan;

c)

van het plaagorganisme is niet bekend dat het aanwezig is op het betrokken grondgebied, met uitzondering van onregelmatige, geïsoleerde en zeldzame gevallen.

Indien het onder b) of onder c) beschreven geval van toepassing is, wordt het plaagorganisme geacht niet ruim verspreid te zijn.

3.   Vermogen tot binnendringen, vestiging en verspreiding van het plaagorganisme in het betrokken grondgebied

a)   Vermogen tot binnendringen

Het plaagorganisme wordt geacht het vermogen te hebben binnen te dringen in het betrokken grondgebied of, indien reeds aanwezig maar niet ruim verspreid, in het deel van dat grondgebied waar het niet aanwezig is („in het betrokken deel van het bedreigd gebied”), hetzij door natuurlijke verspreiding, hetzij indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

het hangt, wat betreft planten, plantaardige producten en andere materialen die naar het betrokken grondgebied worden overgebracht, met deze planten, plantaardige producten en andere materialen samen op het grondgebied waaruit zij afkomstig zijn of vanwaar zij worden overgebracht naar het betrokken grondgebied;

ii)

het overleeft tijdens vervoer of opslag;

iii)

het kan worden doorgegeven aan een geschikte waardplant, zijnde plant, plantaardig product of ander materiaal, op het betrokken grondgebied.

b)   Vermogen tot vestiging

Het plaagorganisme wordt geacht het vermogen te hebben zich te vestigen op het betrokken grondgebied of, indien reeds aanwezig maar niet ruim verspreid, in het deel van dat grondgebied waar het niet aanwezig is, indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

er zijn waardplanten voor het plaagorganisme en, waar relevant, vectoren voor de overdracht van het plaagorganisme beschikbaar;

ii)

de bepalende milieufactoren zijn gunstig voor het betrokken plaagorganisme en, indien van toepassing, voor de vector, waardoor het perioden van klimatologische stress kan overleven en zijn volledige levenscyclus kan doorlopen;

iii)

de toegepaste teeltmethoden en bestrijdingsmaatregelen op dat grondgebied zijn gunstig;

iv)

de overlevingsmethoden, de voortplantingsstrategie, het genetisch aanpassingsvermogen van het plaagorganisme en de minimale levensvatbare populatiegrootte ondersteunen de vestiging.

c)   Vermogen tot verspreiding

Het plaagorganisme wordt geacht het vermogen te hebben zich te verspreiden in het betrokken grondgebied of, indien reeds aanwezig maar niet ruim verspreid, in het deel van dat grondgebied waar het niet aanwezig is, indien aan een of meer van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

i)

de omgeving leent zich voor de natuurlijke verspreiding van het plaagorganisme;

ii)

de barrières voor de natuurlijke verspreiding van het plaagorganisme zijn ontoereikend;

iii)

het plaagorganisme kan zich via goederen of vervoermiddelen verplaatsen;

iv)

er zijn waardplanten en, waar relevant, vectoren voor het plaagorganisme aanwezig;

v)

de toegepaste teeltmethoden en bestrijdingsmaatregelen op dat grondgebied zijn gunstig;

vi)

er zijn geen of onvoldoende natuurlijke vijanden en antagonisten van het plaagorganisme aanwezig die het plaagorganisme kunnen onderdrukken.

4.   Mogelijke economische, sociale en milieugevolgen

Het binnendringen, de vestiging en de verspreiding van het plaagorganisme in het betrokken grondgebied of, indien reeds aanwezig, maar niet ruim verspreid, in het deel van dat grondgebied waar het niet aanwezig is, heeft onaanvaardbare economische, sociale en/of milieugevolgen voor dat grondgebied, of het deel van dat grondgebied waar het niet ruim verspreid is, wat betreft een of meer van de volgende punten:

a)

oogstverliezen qua rendement en kwaliteit;

b)

kosten van bestrijdingsmaatregelen;

c)

kosten van herplanting en/of verliezen doordat vervangende planten moeten worden geteeld;

d)

effecten op bestaande productiewijzen;

e)

effecten op straatbomen, parken en natuurlijke en aangeplante gebieden;

f)

effecten op inheemse planten, biodiversiteit en ecosysteemdiensten;

g)

effecten op de vestiging, de verspreiding en de impact van andere plaagorganismen als gevolg van bijvoorbeeld het vermogen van het betrokken plaagorganisme om als vector te fungeren voor andere plaagorganismen;

h)

veranderingen in de productiekosten of inputeisen, met inbegrip van de bestrijdingskosten en de kosten van uitroeiing en inperking;

i)

effecten op de winsten van producenten die voortvloeien uit veranderingen in de kwaliteit, productiekosten, opbrengsten of prijsniveaus;

j)

veranderingen in de binnen- of buitenlandse consumentenvraag naar een product als gevolg van kwaliteitsveranderingen;

k)

effecten op de binnenlandse en exportmarkten en de betaalde prijzen, waaronder effecten op de toegang tot de exportmarkten en de waarschijnlijkheid van door handelspartners opgelegde fytosanitaire beperkingen;

l)

middelen voor aanvullend onderzoek en advies;

m)

milieu- en andere ongewenste effecten van bestrijdingsmaatregelen;

n)

effecten op Natura 2000-gebieden of andere beschermde gebieden;

o)

veranderingen in de ecologische processen en de structuur, de duurzaamheid of de processen van een ecosysteem, waaronder verdere effecten op plantensoorten, erosie, veranderingen in het grondwaterpeil, brandgevaar, voedingsstoffenkringloop;

p)

kosten van milieuherstel en preventiemaatregelen;

q)

effecten op de voedselzekerheid en de voedselveiligheid;

r)

effecten op de werkgelegenheid;

s)

effecten op de waterkwaliteit, recreatie, toerisme, landschappelijk erfgoed, begrazing door dieren, jacht en visserij.

DEEL 2

Criteria om te bepalen welke EU-quarantaineorganismen als prioritaire plaagorganismen moeten worden aangemerkt, zoals bedoeld in artikel 6, leden 1 en 2

EU-quarantaineorganismen worden geacht de meest ernstige economische, sociale en milieugevolgen te hebben met betrekking tot het grondgebied van de Unie, indien het binnendringen, de vestiging en de verspreiding ervan gepaard gaat met een of meer van de volgende gevolgen:

a)

Economische gevolgen: het plaagorganisme is in staat grote schade te veroorzaken in de zin van directe en indirecte effecten zoals beschreven in deel 1, punt 4, aan planten met een significante economische waarde op het grondgebied van de Unie.

Bij de in de eerste alinea bedoelde planten kan het gaan om bomen die niet in productie zijn.

b)

Sociale gevolgen: het plaagorganisme is in staat een of meer van de volgende effecten te veroorzaken:

i)

een significante daling van de werkgelegenheid in de betrokken landbouw-, tuinbouw- of bosbouwsector of daaraan gelieerde sectoren, zoals toerisme en recreatie;

ii)

significante risico's voor de voedselzekerheid of de voedselveiligheid;

iii)

het verdwijnen van of de grootschalige beschadiging voor lange termijn van belangrijke boomsoorten die op het grondgebied van de Unie groeien of worden gekweekt, of boomsoorten die landschappelijk of als cultureel of historisch erfgoed heel belangrijk zijn voor de Unie.

c)

Milieugevolgen: het plaagorganisme is in staat een of meer van de volgende effecten te veroorzaken:

i)

significante effecten op biodiversiteit en ecosysteemdiensten, onder meer effecten op de soorten en habitats krachtens Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (1), en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (2);

ii)

significante toenamen op lange termijn van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de betrokken planten;

iii)

het verdwijnen van of de grootschalige beschadiging voor lange termijn van belangrijke boomsoorten die op het grondgebied van de Unie groeien of worden gekweekt, of boomsoorten die landschappelijk of als cultureel of historisch erfgoed erg belangrijk zijn voor de Unie.

DEEL 3

Criteria voor een eerste beoordeling om te bepalen welke plaagorganismen voorlopig moeten worden aangemerkt als EU-quarantaineorganismen waarvoor tijdelijke maatregelen zoals bedoeld in artikel 29, lid 1, en artikel 30, lid 1, moeten worden vastgesteld

Subdeel 1

Criteria voor een eerste beoordeling om te bepalen welke plaagorganismen voorlopig moeten worden aangemerkt als EU-quarantaineorganismen waarvoor tijdelijke maatregelen zoals bedoeld in artikel 29, lid 1, moeten worden vastgesteld

1.   Identiteit van het plaagorganisme

Het plaagorganisme moet voldoen aan het criterium gedefinieerd in deel 1, punt 1.

2.   Aanwezigheid van het plaagorganisme op het grondgebied van de lidstaat

Van het plaagorganisme is niet bekend dat het al eerder aanwezig is geweest op het grondgebied van een lidstaat. Op basis van de informatie waarover die lidstaat beschikt, is van het plaagorganisme ook niet bekend dat het al eerder aanwezig is geweest op het grondgebied van de Unie, of wordt het geacht te voldoen aan de voorwaarden van deel 1, punt 2, onder b) of c), wat het grondgebied van de Unie betreft.

3.   Waarschijnlijkheid van de vestiging en de verspreiding van het plaagorganisme op het grondgebied van de Unie of het specifieke deel/de specifieke delen van het grondgebied van de Unie waar het niet aanwezig is

Op basis van de informatie waarover de lidstaat beschikt, voldoet het plaagorganisme aan de criteria van deel 1, punt 3, onder b) en c), wat zijn grondgebied betreft en, voor zover de lidstaat dit kan beoordelen, het grondgebied van de Unie.

4.   Mogelijke economische, sociale en milieugevolgen van het plaagorganisme

Op basis van de informatie waarover de lidstaat beschikt, zou het plaagorganisme onaanvaardbare economische, sociale en/of milieugevolgen hebben ten aanzien van zijn grondgebied en, voor zover de lidstaat dit kan beoordelen, het grondgebied van de Unie, indien het zich zou vestigen en verspreiden op dat grondgebied.

Deze gevolgen omvatten ten minste een of meer van de directe effecten die worden genoemd in deel 1, punt 4, onder a) tot en met g).

Subdeel 2

Criteria voor een eerste beoordeling om te bepalen welke plaagorganismen voorlopig moeten worden aangemerkt als EU-quarantaineorganismen waarvoor tijdelijke maatregelen zoals bedoeld in artikel 30, lid 1, moeten worden vastgesteld

1.   Identiteit van het plaagorganisme

Het plaagorganisme moet voldoen aan het criterium gedefinieerd in deel 1, punt 1.

2.   Aanwezigheid van het plaagorganisme op het grondgebied van de Unie

Van het plaagorganisme is niet bekend dat het al eerder aanwezig is geweest op het grondgebied van de Unie of het wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden van deel 1, punt 2, onder b) of c), wat het grondgebied van de Unie betreft.

3.   Waarschijnlijkheid van de vestiging en de verspreiding van het plaagorganisme op het grondgebied van de Unie of het specifieke deel/de specifieke delen van het grondgebied van de Unie waar het niet aanwezig is.

Op basis van de informatie waarover de Unie beschikt, voldoet het plaagorganisme aan de criteria omschreven in deel 1, punt 3, onder b) en c), wat het grondgebied van de Unie betreft.

4.   Mogelijke economische, sociale en milieugevolgen van het plaagorganisme

Op basis van de informatie waarover de Unie beschikt, zou het plaagorganisme onaanvaardbare economische, sociale en/of milieugevolgen hebben ten aanzien van haar grondgebied, indien het zich zou vestigen en verspreiden op dat grondgebied.

Deze gevolgen omvatten ten minste een of meer van de directe effecten die worden genoemd in deel 1, punt 4, onder a) tot en met g).

DEEL 4

Criteria om te bepalen welke plaagorganismen moeten worden aangemerkt als door de Unie gereglementeerde niet-quarantaineorganismen, zoals bedoeld in de artikelen 36 en 38

1.   Identiteit van het plaagorganisme

Het plaagorganisme moet voldoen aan het criterium gedefinieerd in deel 1, punt 1.

2.   Waarschijnlijkheid van de verspreiding van het plaagorganisme op het grondgebied van de Unie

Voor de beoordeling van de overdracht van het plaagorganisme wordt ervan uitgegaan dat die voornamelijk plaatsvindt via specifieke voor opplant bestemde planten, in plaats van langs natuurlijke weg of via het verkeer van plantaardige producten of andere materialen.

Die beoordeling omvat, naargelang het geval, de volgende aspecten:

a)

het aantal levenscycli van het plaagorganisme op de betrokken waardplanten;

b)

de biologische en epidemiologische eigenschappen en de overleving van het plaagorganisme;

c)

mogelijke natuurlijke, door menselijk toedoen ontstane of andere routes voor de overdracht van het plaagorganisme op de betrokken waardplant en de efficiëntie van de route, waaronder de mechanismen en het tempo van verspreiding;

d)

de daaropvolgende besmetting en overdracht van het plaagorganisme van de betrokken waardplant op andere planten en vice versa;

e)

klimatologische factoren;

f)

culturele gebruiken vóór en na de oogst;

g)

bodemsoorten;

h)

gevoeligheid van de betrokken waardplant en relevante stadia van waardplanten;

i)

aanwezigheid van vectoren voor het plaagorganisme;

j)

aanwezigheid van natuurlijke vijanden en antagonisten van het plaagorganisme;

k)

aanwezigheid van andere waardplanten die gevoelig zijn voor het plaagorganisme;

l)

prevalentie van het plaagorganisme op het grondgebied van de Unie;

m)

beoogd gebruik van de planten.

3.   Mogelijke economische, sociale en milieugevolgen van het plaagorganisme

Besmettingen van de voor opplant bestemde planten zoals bedoeld in punt 2 met het plaagorganisme heeft onaanvaardbare economische gevolgen voor het beoogde gebruik van die planten met betrekking tot een of meer van de volgende punten:

a)

oogstverliezen qua rendement en kwaliteit;

b)

extra kosten van bestrijdingsmaatregelen;

c)

extra kosten van het oogsten en sorteren;

d)

kosten van herplanting;

e)

verliezen doordat vervangende gewassen moeten worden geteeld;

f)

effecten op bestaande productiewijzen;

g)

effecten op andere waardplanten op de plaats van productie;

h)

effecten op de vestiging, de verspreiding en de impact van andere plaagorganismen als gevolg van het vermogen van het betrokken plaagorganisme om als vector te fungeren voor die andere plaagorganismen;

i)

effecten op de productiekosten of inputeisen, met inbegrip van de bestrijdingskosten en de kosten van uitroeiing en inperking;

j)

effecten op de winsten van producenten voor zover die voortvloeien uit veranderingen in de productiekosten, opbrengsten of prijsniveaus;

k)

veranderingen in de binnen- of buitenlandse consumentenvraag naar een product als gevolg van kwaliteitsveranderingen;

l)

effecten op de binnenlandse en exportmarkten en de betaalde prijzen;

m)

effecten op de werkgelegenheid.


(1)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(2)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).


BIJLAGE II

MAATREGELEN EN BEGINSELEN VOOR HET BEHEERSEN VAN DE RISICO'S OP PLAAGORGANISMEN

DEEL 1

Maatregelen voor het beheersen van de risico's op quarantaineorganismen als bedoeld in artikel 17, lid 1, artikel 21, artikel 25, lid 2, artikel 28, leden 4 en 6, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 5 en 7, artikel 40, lid 3, artikel 41, lid 3, artikel 42, lid 4, artikel 46, lid 3, artikel 53, lid 3, artikel 54, lid 3, en artikel 75, lid 2

Het beheersen van de risico's op quarantaineorganismen moet, naargelang het geval, bestaan uit een of meer van de volgende maatregelen:

1.

Maatregelen voor preventie en eliminatie van de besmetting van gekweekte en in het wild levende planten

a)

beperkingen met betrekking tot de identiteit, de aard, de oorsprong, de afstamming, de herkomst en de productiegeschiedenis van gekweekte planten;

b)

beperkingen van de teelt, de oogst en het gebruik van planten;

c)

beperkingen op het gebruik van plantaardige producten, bedrijfsruimten, land, water, bodem, groeimedia, installaties, machines, uitrusting en andere materialen;

d)

surveillance, visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van laboratoriumtests op planten, plantaardige producten, bedrijfsruimten, land, water, bodem, groeimedia, installaties, machines, uitrusting en andere materialen met het oog op de aanwezigheid van quarantaineorganismen;

e)

surveillance van falende of gewijzigde effectiviteit van een resistente plantensoort of plantenras die samenhangt met een verandering in de samenstelling van het quarantaineorganisme of het biotype, het pathotype, het ras of de virulentiegroep ervan;

f)

fysische, chemische en biologische behandeling van planten, plantaardige producten, bedrijfsruimten, land, water, bodem, groeimedia, installaties, machines, uitrusting en andere materialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganismen;

g)

vernietiging van planten, plantaardige producten en andere materialen, die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganismen, of voor preventieve doeleinden;

h)

verplichtingen inzake voorlichting, gegevensregistratie, communicatie en rapportage;

i)

registratie van betrokken professionele marktdeelnemers.

Voor de toepassing van punt b) kunnen die maatregelen voorschriften omvatten met betrekking tot het testen van plantensoorten en plantenrassen op resistentie tegen het betrokken quarantaineorganisme en het opstellen van een lijst van plantensoorten en plantenrassen die resistent zijn gebleken tegen het betrokken quarantaineorganisme.

Voor de toepassing van punt f) kunnen die maatregelen voorschriften omvatten met betrekking tot:

i)

de registratie en de machtiging van en het officiële toezicht op de professionele marktdeelnemers die de betrokken behandeling toepassen;

ii)

de afgifte van een fytosanitair certificaat, plantenpaspoort, etiket of andere officiële verklaring voor de behandelde planten, plantaardige producten of andere materialen en het aanbrengen van het in artikel 96, lid 1, bedoelde merkteken na het toepassen van de betrokken behandeling.

2.

Op zendingen planten, plantaardige producten en andere materialen gerichte maatregelen

a)

beperkingen met betrekking tot de identiteit, de aard, de herkomst, de oorsprong, de afstamming, de productiemethode, de productiegeschiedenis en de traceerbaarheid van planten, plantaardige producten en andere materialen;

b)

beperkingen op het binnenbrengen, het verkeer, het gebruik, de hantering, de verwerking, de verpakking, de opslag, de distributie en de bestemming van planten, plantaardige producten en andere materialen;

c)

surveillance, visuele onderzoeken, het nemen van monsters, het uitvoeren van laboratoriumtests op planten, plantaardige producten en andere materialen met het oog op de aanwezigheid van quarantaineorganismen, onder meer door de toepassing van quarantaineprocedures en aan de uitvoer voorafgaande inspecties in derde landen;

d)

fysische, chemische en biologische behandeling en, waar van toepassing, vernietiging van planten, plantaardige producten en andere materialen die besmet of mogelijk besmet zijn met quarantaineorganismen;

e)

verplichtingen inzake voorlichting, gegevensregistratie, communicatie en rapportage;

f)

registratie van betrokken professionele marktdeelnemers.

Voor de toepassing van de punten a) tot en met d) kunnen die maatregelen voorschriften omvatten met betrekking tot:

i)

de afgifte van een fytosanitair certificaat, plantenpaspoort, etiket of andere officiële verklaring, met inbegrip van het aanbrengen van het in artikel 96, lid 1, bedoelde merkteken om aan te tonen dat is voldaan aan punten a) tot en met d);

ii)

de registratie en de machtiging van en het officiële toezicht op de professionele marktdeelnemers die de in punt d) bedoelde behandeling toepassen.

3.

Maatregelen met betrekking tot andere verplaatsingsroutes van quarantaineorganismen dan zendingen van planten, plantaardige producten of andere materialen

a)

beperkingen op het binnenbrengen en het verkeer van quarantaineorganismen als handelsartikelen;

b)

surveillance, visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van laboratoriumtests en, waar van toepassing, de vernietiging van quarantaineorganismen als handelsartikel;

c)

beperkingen ten aanzien van planten, plantaardige producten en andere materialen die door reizigers worden vervoerd;

d)

surveillance, visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van laboratoriumtests en, waar van toepassing, de behandeling of vernietiging van planten, plantaardige producten en andere materialen die door reizigers worden vervoerd;

e)

beperkingen op voertuigen, verpakkingen en andere materialen die worden gebruikt voor het vervoer van goederen;

f)

surveillance, visuele onderzoeken, het nemen van monsters en het uitvoeren van laboratoriumtests en, waar van toepassing, de behandeling of vernietiging van voertuigen, verpakkingen en andere materialen die worden gebruikt voor het vervoer van goederen;

g)

verplichtingen inzake voorlichting, gegevensregistratie, communicatie en rapportage;

h)

registratie van betrokken professionele marktdeelnemers.

DEEL 2

Beginselen voor de beheersing van de risico's op plaagorganismen zoals bedoeld in artikel 17, lid 1, artikel 18, lid 3, artikel 21, artikel 28, leden 4 en 6, artikel 29, lid 1, artikel 30, leden 5 en 7, artikel 31, lid 1, artikel 37, leden 4 en 8, artikel 40, lid 3, artikel 41, lid 3, artikel 46, lid 3, artikel 49, leden 2 en 4, artikel 53, lid 3, artikel 54, lid 3, artikel 72, lid 3, artikel 74, lid 3, artikel 75, lid 2, artikel 79, lid 3, en artikel 80, lid 3

Bij het beheersen van de risico's op EU-quarantaineorganismen, ZP-quarantaineorganismen en door de Unie gereglementeerde niet-quarantaineorganismen moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

1.

Noodzaak

Maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, mogen uitsluitend worden toegepast indien zij noodzakelijk zijn om te voorkomen dat dat plaagorganisme binnendringt, zich vestigt en zich verspreidt.

2.

Evenredigheid

Maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, moeten evenredig zijn met het risico dat het betrokken plaagorganisme oplevert en het vereiste beschermingsniveau.

3.

Minimale impact

Bij maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, moet het gaan om de minst restrictieve maatregelen die beschikbaar zijn, welke het internationale verkeer van personen, goederen en vervoermiddelen zo min mogelijk hinderen.

4.

Non-discriminatie

Maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, moeten niet zodanig worden toegepast dat zij neerkomen op een middel tot willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte beperking, met name van de internationale handel. Zij moeten niet strenger zijn voor derde landen dan de maatregelen die op datzelfde plaagorganisme van toepassing zijn indien het aanwezig is binnen het grondgebied van de Unie, als derde landen kunnen aantonen dat zij dezelfde fytosanitaire status hebben en gelijke of gelijkwaardige fytosanitaire maatregelen toepassen.

5.

Technische onderbouwing

Maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, moeten technisch onderbouwd zijn met de conclusies die worden getrokken uit een passende risicoanalyse of, waar van toepassing, een ander vergelijkbaar onderzoek en een vergelijkbare beoordeling van de beschikbare wetenschappelijke informatie. Die maatregelen moeten rekening houden met en, waar van toepassing, gewijzigd of geschrapt worden om rekening te houden met een nieuwe of geactualiseerde risicoanalyse of ter zake dienende wetenschappelijke informatie.

6.

Haalbaarheid

Maatregelen om het risico op een plaagorganisme te beheersen, moeten het mogelijk maken dat het doel van die maatregelen waarschijnlijk wordt bereikt.


BIJLAGE III

CRITERIA OM TE BEOORDELEN WELKE PLANTEN, PLANTAARDIGE PRODUCTEN OF ANDERE MATERIALEN EEN HOOG RISICO VERTONEN, ZOALS BEDOELD IN ARTIKEL 42

De criteria die bij de in artikel 42 bedoelde beoordeling in aanmerking genomen moet worden, zijn:

1.

wat betreft voor opplant bestemde planten, met uitzondering van zaden:

a)

zij worden gewoonlijk in de vorm van een struik of boom de Unie binnengebracht of zijn in die vorm aanwezig op het grondgebied van de Unie of zijn taxonomisch verwant aan die planten;

b)

zij worden in het wild verzameld of worden verkregen uit planten die in het wild zijn verzameld;

c)

zij worden in de vollegrond geteeld of worden verkregen uit planten die in de vollegrond worden geteeld in de derde landen, groep van derde landen of specifieke gebieden van de betrokken derde landen;

d)

zij staan bekend als waard voor plaagorganismen die gewoonlijk op een waard leven en waarvan bekend is dat zij een aanzienlijke impact hebben op plantensoorten die van groot economisch, sociaal en ecologisch belang zijn voor het grondgebied van de Unie;

e)

van hen is bekend dat zij gewoonlijk drager zijn van plaagorganismen zonder tekenen en symptomen van die plaagorganismen te vertonen, of althans met een latentieperiode voordat die tekenen of symptomen zichtbaar worden, waardoor er veel kans is dat de aanwezigheid van plaagorganismen niet wordt opgemerkt bij inspecties bij het binnenbrengen op het grondgebied van de Unie; of

f)

zij zijn meerjarige planten die gewoonlijk verhandeld worden als oude planten;

2.

wat betreft planten, plantaardige producten of andere materialen:

a)

zij staan bekend als waard en bieden een belangrijke route voor plaagorganismen die gewoonlijk op een waard leven en waarvan bekend is dat zij een aanzienlijke impact hebben op plantensoorten die van groot economisch, sociaal en ecologisch belang zijn voor het grondgebied van de Unie;