Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016L0801

Richtlijn (EU) 2016/801 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten

OJ L 132, 21.5.2016, p. 21–57 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2016/801/oj

21.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 132/21


RICHTLIJN (EU) 2016/801 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 mei 2016

betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages, vrijwilligerswerk, scholierenuitwisseling, educatieve projecten of au-pairactiviteiten

(herschikking)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 2, onder a) en b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moet een aantal wijzigingen worden aangebracht in Richtlijnen 2004/114/EG (4) en 2005/71/EG (5) van de Raad. Ter wille van de duidelijkheid dient tot herschikking van deze richtlijnen te worden overgegaan.

(2)

Met deze richtlijn wordt beoogd een antwoord te geven op de in de uitvoeringsverslagen van de Richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG vastgestelde noodzaak om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen, voor meer transparantie en rechtszekerheid te zorgen en een samenhangend rechtskader te bieden voor diverse categorieën van derdelanders die naar de Unie komen. Deze richtlijn beoogt derhalve de bestaande bepalingen voor deze categorieën te vereenvoudigen en te stroomlijnen en in één instrument samen te brengen. Hoewel deze categorieën onderlinge verschillen vertonen, hebben zij een zodanig aantal kenmerken gemeen dat zij onder een gemeenschappelijk Unierechtskader kunnen vallen.

(3)

Deze richtlijn dient bij te dragen tot de onderlinge aanpassing van de nationale wetgeving inzake de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders, een van de doelstellingen van het programma van Stockholm. Mede door immigratie van buiten de Unie kan de Unie de beschikking krijgen over hooggekwalificeerde personen, en met name studenten en onderzoekers uit derde landen worden steeds vaker gevraagd. Deze personen spelen een belangrijke rol bij de formering van de belangrijkste troef van de Unie — het menselijk kapitaal — en daarmee de totstandbrenging van slimme, duurzame en inclusieve groei, waardoor zij bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Europa 2020-strategie.

(4)

In de uitvoeringsverslagen over de Richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG werd gewezen op een aantal tekortkomingen, voornamelijk met betrekking tot de toelatingsvoorwaarden, de rechten, de procedurele waarborgen, de toegang van studenten tot de arbeidsmarkt gedurende hun studie en de bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie. Ook specifieke verbeteringen met betrekking tot de facultatieve categorieën derdelanders werden noodzakelijk geacht. Uit later uitgevoerde bredere raadplegingen is ook gebleken dat er betere mogelijkheden om werk te zoeken moeten komen voor onderzoekers en studenten en dat au pairs die niet onder Richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG vallen, betere bescherming moeten krijgen.

(5)

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied van asiel, immigratie en de bescherming van de rechten van derdelanders.

(6)

Deze richtlijn dient tevens contacten tussen mensen en mobiliteit, belangrijke elementen van het externe beleid van de Unie, te stimuleren, vooral wat de landen van het Europees nabuurschapsbeleid en de strategische partners van de Unie betreft. Zij dient tevens een grotere bijdrage mogelijk te maken aan de totaalaanpak van migratie en mobiliteit en de bijbehorende mobiliteitspartnerschappen, die een concreet kader bieden voor dialoog en samenwerking tussen de lidstaten en derde landen, ook wat het vergemakkelijken en organiseren van legale migratie betreft.

(7)

Migratie die plaatsvindt met het oog op de in deze richtlijn vervatte doeleinden dient de totstandkoming en verwerving van kennis en vaardigheden te bevorderen. Deze migratie dient een wederzijdse verrijking te vormen voor de betrokken migranten, hun land van herkomst en de betrokken lidstaat, waarbij culturele banden worden aangehaald en de culturele diversiteit wordt verrijkt.

(8)

Deze richtlijn dient de Unie te promoten als aantrekkelijke locatie voor onderzoek en innovatie en haar mondiale concurrentiepositie bij het aantrekken van talent te verbeteren, en daarmee ook de algehele concurrentiekracht en groeicijfers voort te stuwen en banen te creëren die een grotere bijdrage aan de bbp-groei leveren. Het openstellen van de Unie voor derdelanders om in de Unie onderzoek te verrichten maakt ook deel uit van het vlaggenschipinitiatief Innovatie-Unie. De totstandbrenging van een open arbeidsmarkt voor onderzoekers uit de Unie en uit derde landen is tevens aangemerkt als belangrijk doel van de Europese Onderzoeksruimte, een eengemaakte ruimte met vrij verkeer voor onderzoekers, wetenschappelijke kennis en technologie.

(9)

De toelating van derdelanders die een aanvraag indienen met het oog op het verrichten van een onderzoeksactiviteit moet worden vergemakkelijkt door middel van een toelatingsprocedure die los staat van hun rechtsbetrekking met de onderzoeksinstelling waar zij te gast zijn, en waarbij niet langer behalve een vergunning ook een werkvergunning vereist is. Deze procedure dient gebaseerd te zijn op de samenwerking tussen onderzoeksinstellingen en de bevoegde nationale immigratie-instanties. Om de toegang van derdelanders die een aanvraag indienen met het oog op het verrichten van een onderzoeksactiviteit in de Unie gemakkelijker en sneller te kunnen regelen, dienen de onderzoeksinstellingen een sleutelrol in de toelatingsprocedure toebedeeld te krijgen, echter zonder dat de bevoegdheden van de lidstaten op het gebied van het vreemdelingenbeleid worden aangetast. Onderzoeksinstellingen, die de lidstaten vooraf dienen te kunnen erkennen, dienen met derdelanders ofwel een gastovereenkomst of een contract te kunnen sluiten voor het uitvoeren van een onderzoeksactiviteit. Indien aan de voorwaarden voor toegang en verblijf is voldaan, dienen de lidstaten vervolgens op basis van deze gastovereenkomst of dit contract een vergunning te verstrekken.

(10)

Omdat de inspanningen die moeten worden geleverd voor de verwezenlijking van de doelstelling om 3 % van het bbp in onderzoek te investeren voor een belangrijk deel door de particuliere sector moet worden opgebracht, dient deze sector, in voorkomend geval, te worden aangemoedigd om in de komende jaren meer onderzoekers aan te trekken.

(11)

Om de Unie aantrekkelijker te maken voor onderdanen van derde landen die in de Unie een onderzoeksactiviteit willen verrichten, dienen hun gezinsleden, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2003/86/EG van de Raad (6), de mogelijkheid te krijgen hen te vergezellen en in aanmerking te komen voor de bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie. Deze gezinsleden dienen toegang te hebben tot de arbeidsmarkt in de eerste lidstaat en, in het geval van langetermijnmobiliteit, in de tweede lidstaten, behalve in uitzonderlijke omstandigheden, zoals bij bijzonder hoge werkloosheid, waarbij de lidstaten gedurende maximaal 12 maanden de mogelijkheid houden om aan de hand van een onderzoek aan te tonen dat een bepaalde vacature niet kan worden ingevuld vanuit de binnenlandse arbeidsmarkt. Met uitzondering van de in deze richtlijn opgenomen afwijkingen, dienen alle bepalingen van Richtlijn 2003/86/EG van toepassing te zijn, inclusief de redenen voor weigering, intrekking of niet-verlenging. Bijgevolg zouden verblijfsvergunningen voor gezinsleden ingetrokken of niet verlengd kunnen worden, indien vergunningen voor onderzoekers die de gezinsleden vergezellen aflopen en deze geen autonoom verblijfsrecht hebben.

(12)

Waar van toepassing dienen de lidstaten te worden aangemoedigd om promovendi voor de toepassing van deze richtlijn als onderzoekers te behandelen.

(13)

De tenuitvoerlegging van deze richtlijn mag geen stimulans vormen voor een braindrain uit opkomende economieën en ontwikkelingslanden. Met het oog op de ontwikkeling van een totaalbeleid op het gebied van migratie dienen in partnerschap met de landen van herkomst maatregelen te worden genomen om de herintegratie van onderzoekers in hun land van herkomst te ondersteunen.

(14)

Om van Europa een wereldcentrum voor onderwijs en beroepsopleiding van topkwaliteit te maken, dienen de voorwaarden voor toegang en verblijf van personen die zich met deze doeleinden naar Europa wensen te begeven, te worden verbeterd en vereenvoudigd. Dit is in overeenstemming met de doelstellingen van de agenda voor de modernisering van de Europese hogeronderwijssystemen, met name in de context van de internationalisering van het hoger onderwijs in Europa. De harmonisatie van de desbetreffende wetgevingen van de lidstaten maakt daar deel van uit. In dit verband en in overeenstemming met de conclusies van de Raad over de modernisering van het hoger onderwijs (7), behelst de term „hoger onderwijs” alle tertiaire instellingen, waaronder ook universiteiten, universiteiten voor toegepaste wetenschappen, technologische instituten, grandes écoles, business schools, ingenieursopleidingen, technische universiteiten, hogescholen, instellingen voor hoger beroepsonderwijs, polytechnische instituten en academies kunnen vallen.

(15)

De uitbreiding en verdieping van het Bolognaproces, dat begon met de verklaring van Bologna, die op 19 juni 1999 door de Europese ministers van Onderwijs werd ondertekend, heeft geleid tot meer vergelijkbare, verenigbare en coherente hogeronderwijssystemen in de deelnemende landen maar ook daarbuiten. De reden daarvoor is dat mobiliteit van studenten door de lidstaten is gesteund en door hogeronderwijsinstellingen in hun curricula is opgenomen. In overeenstemming hiermee dienen voor studenten betere bepalingen inzake mobiliteit binnen de Unie te worden vastgesteld. Een van de doelstellingen van de verklaring van Bologna is het Europees hoger onderwijs aantrekkelijk en concurrerend te maken. Naar aanleiding van het Bolognaproces is de Europese ruimte voor hoger onderwijs tot stand gekomen. Dankzij de driefasenstructuur met gemakkelijk leesbare programma's en graden, alsmede de invoering van kwalificatiekaders, is studeren in de Unie aantrekkelijker geworden voor derdelanders.

(16)

De duur en de overige voorwaarden voor voorbereidende opleidingen voor studenten die onder deze richtlijn vallen, dienen door de lidstaten te worden bepaald in overeenstemming met hun nationale recht.

(17)

Het bewijs dat een derdelander tot een hogeronderwijsinstelling is toegelaten, kan onder meer een schriftelijk bewijs van toelating of een inschrijvingsbewijs zijn.

(18)

Derdelanders die een aanvraag indienen om als stagiair te worden toegelaten, dienen aan te tonen dat zij in de twee jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag een diploma van hoger onderwijs hebben behaald of dat zij in een derde land een opleiding volgen die tot een diploma van hoger onderwijs leidt. Zij dienen ook een stage-overeenkomst over te leggen met daarin een beschrijving van het stageprogramma, de educatieve doelstelling of de leercomponenten van de stage, de duur ervan en de wijze waarop de stagiair zal worden begeleid, uit welke overeenkomst moet blijken dat zij een echte stage zullen volgen en niet als normale werknemers zullen worden ingezet. Daarnaast kan van gastentiteiten worden verlangd dat zij aantonen dat de stage niet in de plaats komt van een baan. Indien nationalerechtsbepalingen, collectieve overeenkomsten of praktijksituaties voor stagiairs reeds voorzien in specifieke voorwaarden, dienen de lidstaten van derdelanders die een aanvraag indienen om als stagiair te worden toegelaten, te kunnen verlangen dat zij aan deze specifieke voorwaarden voldoen.

(19)

Stagiair-werknemers die zich voor een stage naar de Unie begeven in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming vallen niet onder deze richtlijn, aangezien Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad (8) op hen van toepassing is.

(20)

Deze richtlijn dient de doelstellingen van het Europees vrijwilligerswerk voor de ontwikkeling van solidariteit, wederzijds begrip en verdraagzaamheid onder jonge mensen en de samenlevingen waarin zij leven, te ondersteunen en tegelijkertijd de sociale cohesie en het actief burgerschap van jonge mensen te bevorderen. Om de toegang tot het Europees vrijwilligerswerk op consistente wijze in de hele Unie te waarborgen, dienen de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn toe te passen op derdelanders die met het oog op Europees vrijwilligerswerk een aanvraag indienen.

(21)

De lidstaten dienen over mogelijkheid te beschikken de bepalingen van deze richtlijn toe te passen op scholieren, andere vrijwilligers dan die in het kader van het Europees vrijwilligerswerk en au pairs, teneinde voor hen de toegang en het verblijf te vergemakkelijken en hun rechten te waarborgen.

(22)

Indien lidstaten besluiten deze richtlijn op scholieren toe te passen, worden zij aangemoedigd ervoor te zorgen dat de nationale toelatingsprocedure voor leerkrachten die uitsluitend scholieren in het kader van een scholierenuitwisseling of een educatief project begeleiden, overeenstemt met de in deze richtlijn voorziene procedure voor scholieren.

(23)

Au-pairactiviteiten helpen de contacten tussen mensen te stimuleren door derdelanders een gelegenheid te bieden hun talenkennis te verbeteren en hun kennis van en culturele banden met de lidstaten te verruimen. Tegelijkertijd lopen au pairs het risico uitgebuit te worden. Teneinde een eerlijke behandeling van au pairs te waarborgen en in hun specifieke behoeften te voorzien dienen de lidstaten de in deze richtlijn opgenomen bepalingen inzake de toegang en het verblijf van au pairs te kunnen toepassen.

(24)

Indien onderdanen van een derde land kunnen aantonen dat zij gedurende hun verblijf in de betrokken lidstaat middelen ontvangen die voortvloeien uit een subsidie, toelage of beurs, een geldige arbeidsovereenkomst, een bindend werkaanbod, dan wel dat zij financiële ondersteuning genieten van een organisatie voor scholierenuitwisseling, een entiteit die stagiairs ontvangt, een organisatie voor vrijwilligerswerk, een gastgezin of een au-pairbemiddelingsbureau, dienen de lidstaten deze middelen in aanmerking te nemen bij het beoordelen van de vraag of er voldoende middelen beschikbaar zijn. De lidstaten kunnen een indicatief referentiebedrag vaststellen dat zij als „voldoende middelen” beschouwen en dat voor elke categorie van derdelanders kan verschillen.

(25)

De lidstaten worden aangemoedigd de aanvrager documenten en informatie te laten voorleggen in een andere officiële Unietaal dan hun eigen officiële taal/talen en die door de betrokken lidstaat wordt bepaald.

(26)

De lidstaten dienen de mogelijkheid te hebben een erkenningsprocedure op te zetten voor publieke of private onderzoeksinstellingen of beide, die onderzoekers uit een derde land wensen te ontvangen met het oog op het verrichten van een onderzoeksactiviteit of voor hogeronderwijsinstellingen die studenten uit een derde land wensen te ontvangen. Deze erkenning dient in overeenstemming met de in het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken van de betrokken lidstaat voorgeschreven procedures te geschieden. Aanvragen bij erkende onderzoeksinstellingen of hogeronderwijsinstellingen dienen te worden vergemakkelijkt en dienen de toegang tot de Unie van onderzoekers of studenten uit derde landen, die naar de Unie komen met het oog op onderzoek of studie, sneller mogelijk te maken.

(27)

De lidstaten dienen de mogelijkheid te hebben een erkenningsprocedure op te zetten voor gastentiteiten die scholieren, stagiairs of vrijwilligers uit derde landen wensen te ontvangen. De lidstaten dienen de mogelijkheid te hebben deze procedure op sommige of alle categorieën van gastentiteiten toe te passen. Deze erkenning dient in overeenstemming met de in het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken van de betrokken lidstaat voorgeschreven procedures te geschieden. Aanvragen bij erkende gastentiteiten dienen de toegang van onderdanen van derde landen, die naar de Unie komen met het oog op stages, vrijwilligerswerk of scholierenuitwisselingsprogramma's of educatieve projecten sneller mogelijk te maken.

(28)

Indien de lidstaten erkenningsprocedures voor gastentiteiten opzetten, dienen zij te kunnen beslissen ofwel uitsluitend indiening van aanvragen door erkende gastentiteiten toe te laten, ofwel een erkenningsprocedure op te zetten en daarbij ook indiening van aanvragen door niet-erkende gastentiteiten toe te laten.

(29)

Deze richtlijn dient geen afbreuk te doen aan het recht van de lidstaten om vergunningen met het oog op niet door deze richtlijn geregelde studies, onderzoeken of stages af te geven aan derdelanders die niet onder deze richtlijn vallen.

(30)

Wanneer aan alle algemene en specifieke toelatingsvoorwaarden is voldaan, dienen de lidstaten binnen een bepaalde termijn een vergunning te af te geven. Indien een lidstaat uitsluitend verblijfsvergunningen op het eigen grondgebied afgeeft en aan alle toelatingsvoorwaarden van deze richtlijn is voldaan, dient die lidstaat de betrokken derdelander het vereiste visum te verstrekken en ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten daartoe efficiënt samenwerken. Indien de lidstaat geen visa afgeeft, dient hij aan de betrokken derdelander een gelijkwaardige toegangsvergunning af te geven.

(31)

Vergunningen dienen de status van de betrokken derdelander te vermelden. De lidstaten dienen aanvullende informatie te kunnen verstrekken op papier of deze in elektronische vorm op te slaan, mits daarmee geen aanvullende voorwaarden worden gesteld.

(32)

De geldigheidsduur van de verschillende op grond van deze richtlijn afgegeven vergunningen dient in overeenstemming te zijn met de specifieke aard van het verblijf van elke categorie van onderdanen van een derde land die onder deze richtlijn vallen.

(33)

De lidstaten dienen het recht te hebben te bepalen dat de totale duur van het verblijf voor studie niet langer mag zijn dan de maximale studieduur volgens het nationale recht. In dit verband kan de mogelijke verlenging van de studie met het oog op de herhaling van een of meer studiejaren, indien het nationale recht van de betrokken lidstaat die mogelijkheid biedt, ook deel uitmaken van de maximale studieduur.

(34)

De lidstaten dienen van de aanvragers een vergoeding te kunnen vragen voor de behandeling van de vergunnings- en kennisgevingsaanvragen. Het niveau van de vergoeding mag niet buitenproportioneel of buitensporig zijn, zodat deze geen belemmering vormt voor de doelstellingen van de richtlijn.

(35)

De rechten die worden toegekend aan derdelanders die onder deze richtlijn vallen, dienen niet afhankelijk te zijn van de vorm van de vergunning die elke lidstaat aflevert.

(36)

Toelating voor de in deze richtlijn uiteengezette doeleinden dient op naar behoren verantwoorde gronden te kunnen worden geweigerd. Met name dient toelating te kunnen worden geweigerd indien een lidstaat, in een individueel geval, op basis van feiten en rekening houdend met het evenredigheidsbeginsel tot het oordeel is gekomen dat de betrokken derdelander een potentiële bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

(37)

Deze richtlijn strekt niet tot regulering van de toelating en het verblijf van derdelanders met het oog op werk en streeft niet naar de harmonisatie van de nationale wetten of praktijken in verband met de status van de werknemer. Het is evenwel mogelijk dat in sommige lidstaten wordt geoordeeld dat specifieke onder deze richtlijn vallende categorieën van derdelanders zich in een arbeidsverhouding bevinden op grond van het nationale recht, collectieve overeenkomsten of praktijken. Indien een lidstaat meent dat onderzoekers, vrijwilligers, stagiairs en au pairs uit derde landen zich in een arbeidsverhouding bevinden, dient die lidstaat het recht te behouden om te bepalen hoeveel derdelanders van de betrokken categorie of categorieën worden toegelaten overeenkomstig artikel 79, lid 5, VWEU.

(38)

Indien een onderzoeker, vrijwilliger, stagiair of au pair uit een derde land een aanvraag indient om te worden toegelaten teneinde in een lidstaat een arbeidsverhouding te mogen aangaan, dient deze lidstaat de mogelijkheid te hebben om aan de hand van een onderzoek aan te tonen dat in een bepaalde vacature niet kan worden voorzien vanuit de binnenlandse arbeidsmarkt.

(39)

Voor studenten dienen geen getalsmatige beperkingen te gelden, aangezien zij, zelfs indien zij tijdens hun studie mogen werken overeenkomstig de voorwaarden van deze richtlijn, toelating tot het grondgebied van de lidstaten vragen om als hoofdactiviteit een voltijdse opleiding te volgen die een verplichte stage kan omvatten.

(40)

Indien een onderzoeker, vrijwilliger, stagiair of au pair, na op het grondgebied van de betrokken lidstaat te zijn toegelaten, een aanvraag indient om de vergunning om een arbeidsverhouding in de betrokken lidstaat aan te gaan of voort te zetten, te verlengen, met uitzondering van een onderzoeker die de arbeidsverhouding met dezelfde gastentiteit voortzet, moet het voor deze lidstaat mogelijk zijn aan de hand van een onderzoek aan te tonen dat een bepaalde vacature niet kan worden ingevuld vanuit de binnenlandse arbeidsmarkt.

(41)

Indien er twijfel bestaat over de redenen van de aanvraag tot toelating, dienen de lidstaten passende controles te kunnen uitvoeren of bewijzen te kunnen verlangen om, voor elk afzonderlijk geval, te oordelen over het onderzoek, de studie, de stages, het vrijwilligerswerk, het scholierenuitwisselingsprogramma, het educatief project of de au-pairactiviteiten die de aanvrager beoogt, en om misbruik en verkeerd gebruik van de procedure van deze richtlijn tegen te gaan.

(42)

Indien de verstrekte gegevens onvolledig zijn, dienen de lidstaten de aanvrager binnen een redelijke termijn mee te delen welke aanvullende informatie vereist is en een redelijke termijn voor de verstrekking hiervan vast te stellen. Indien de aanvullende informatie niet binnen die termijn wordt verstrekt, kan de aanvraag worden afgewezen.

(43)

De nationale autoriteiten dienen hun beslissing over de aanvraag mee te delen aan de aanvrager. Zij dienen dat zo snel mogelijk schriftelijk te doen, binnen de in deze richtlijn vastgestelde termijn.

(44)

Het doel van deze richtlijn is de mobiliteit binnen de Unie van onderzoekers en studenten te bevorderen, onder meer door een vermindering van de administratieve lasten die in verscheidene lidstaten met mobiliteit gepaard gaan. Te dien einde wordt bij deze richtlijn een specifieke regeling voor mobiliteit binnen de Unie ingesteld waarbij een derdelander die houder is van een door de eerste lidstaat afgegeven vergunning met het oog op onderzoek of studie, wordt gemachtigd om overeenkomstig de bepalingen inzake mobiliteit van deze richtlijn een of meerdere tweede lidstaten binnen te gaan, er te verblijven en er een deel van zijn onderzoek of studie te verrichten.

(45)

Om het voor onderzoekers mogelijk te maken gemakkelijk van de ene naar de andere onderzoeksinstelling over te gaan voor hun onderzoeksactiviteiten, dient onder kortetermijnmobiliteit te worden verstaan elk verblijf in tweede lidstaten voor een periode, per lidstaat, van hoogstens 180 dagen in elke periode van 360 dagen. Onder langetermijnmobiliteit voor onderzoekers dient te worden verstaan elk verblijf in een of meerdere tweede lidstaten voor een periode van meer dan 180 dagen per lidstaat. Gezinsleden van onderzoekers dienen het recht te hebben de onderzoeker tijdens zijn mobiliteit te vergezellen. De procedure voor gezinsleden dient te worden afgestemd op die van de onderzoeker die zij vergezellen.

(46)

Met het oog op de waarborging van de continuïteit van de studies van studenten die vallen onder uniale of multilaterale programma's of een overeenkomst tussen twee of meer hogeronderwijsinstellingen, dient deze richtlijn de gelegenheid te bieden tot mobiliteit in een of meerdere tweede lidstaten voor een periode van hoogstens 360 dagen per lidstaat.

(47)

Indien een onderzoeker of student op basis van een kennisgevingsprocedure naar een tweede lidstaat verhuist, en een document nodig is om zijn toegang tot diensten en rechten gemakkelijker te maken, dient de tweede lidstaat een document te kunnen afgeven om te staven dat de onderzoeker of de student gemachtigd is om op het grondgebied van die lidstaat te verblijven. Een dergelijk document dient geen bijkomende voorwaarde te vormen voor het genieten van de in deze richtlijn vervatte rechten en zou louter declaratoir zijn.

(48)

In het kader van de specifieke regeling voor mobiliteit in deze richtlijn dienen autonome regels te worden opgesteld inzake toegang en verblijf met het oog op het onderzoek of studie in andere lidstaten dan die welke de oorspronkelijke vergunning heeft afgegeven, maar alle andere regels betreffende de overschrijding van de grenzen door personen, zoals neergelegd in de bepalingen ter zake van het Schengenacquis, blijven gelden.

(49)

Indien de vergunning wordt afgegeven door een lidstaat die het Schengenacquis niet volledig toepast en de onderzoeker, diens gezinsleden of de student, in het kader van de mobiliteit binnen de Unie, een buitengrens overschrijdt in de zin van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad (9), dient een lidstaat het recht te hebben te verlangen dat wordt aangetoond dat de onderzoeker of de student naar zijn grondgebied verhuist met het oog op onderzoek of studie of dat de gezinsleden naar zijn grondgebied verhuizen om de onderzoeker in het kader van de mobiliteit te vergezellen. Voorts dienen, in het geval van overschrijding van een buitengrens als bedoeld in Verordening (EU) 2016/399, de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen het Schengeninformatiesysteem te raadplegen en de toegang te weigeren aan of bezwaar te maken tegen de mobiliteit van personen die in dat systeem gesignaleerd staan met het oog op weigering van toegang of verblijf, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad (10).

(50)

Krachtens deze richtlijn dienen tweede lidstaten het recht te hebben te verlangen dat een onderzoeker of student die op basis van een door de eerste lidstaat afgegeven vergunning verhuist en niet langer aan de voorwaarden voor mobiliteit voldoet, hun grondgebied verlaat. Wanneer de onderzoeker of de student over een geldige door de eerste lidstaat afgegeven vergunning beschikt, dient de tweede lidstaat die onderzoeker of student te kunnen verzoeken naar de eerste lidstaat terug te keren, in overeenstemming met Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (11). Indien de mobiliteit door de tweede lidstaat is toegestaan op basis van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning en deze vergunning tijdens de mobiliteitsperiode is ingetrokken of verstreken, dient de tweede lidstaat de mogelijkheid te hebben ofwel te beslissen de onderzoeker of de student naar een derde land te doen terugkeren, in overeenstemming met Richtlijn 2008/115/EG, ofwel de eerste lidstaat onverwijld te verzoeken de onderzoeker of student opnieuw op zijn grondgebied toe te laten. In dat laatste geval dient de eerste lidstaat de onderzoeker of de student een document dat hem opnieuw toegang tot zijn grondgebied verleent, af te geven.

(51)

Het beleid en de voorschriften inzake migratie van Unie, enerzijds, en de Europese beleidsmaatregelen en programma's ter bevordering van de mobiliteit van onderzoekers en studenten op Unieniveau, anderzijds, dienen elkaar beter aan te vullen. Bij de vaststelling van de geldigheidsduur van vergunningen die aan onderzoekers en studenten worden afgegeven, dienen de lidstaten rekening te houden met de voorgenomen mobiliteit naar andere lidstaten, overeenkomstig de bepalingen inzake mobiliteit. Onderzoekers en studenten die vallen onder uniale of multilaterale programma's met mobiliteitsmaatregelen of -overeenkomsten tussen twee of meer hogeronderwijsinstellingen dienen het recht te hebben op vergunningen voor minstens twee jaar, mits zij aan de desbetreffende toelatingsvoorwaarden voor die periode voldoen.

(52)

Om studenten in staat te stellen een deel van hun studiekosten zelf te betalen en, indien mogelijk, praktische ervaring op te doen, dienen zij tijdens hun studie toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt van de lidstaat waar de studie wordt gevolgd, onder de in deze richtlijn gestelde voorwaarden. Studenten dienen in de gelegenheid te worden gesteld een bepaald minimumaantal uren, zoals in deze richtlijn bepaald, te werken. Als algemene regel zou moeten gelden dat studenten in beginsel tot de arbeidsmarkt worden toegelaten. In uitzonderlijke omstandigheden dienen de lidstaten echter de mogelijkheid te hebben om rekening te houden met de situatie op hun nationale arbeidsmarkt.

(53)

In het kader van het streven naar een toekomstige hooggekwalificeerde beroepsbevolking dienen studenten die in de Unie afstuderen de mogelijkheid te hebben om gedurende de in deze richtlijn bepaalde periode op het grondgebied van de lidstaat te blijven om de arbeidsmogelijkheden te verkennen of een bedrijf op te richten. Ook onderzoekers dienen die mogelijkheid te hebben wanneer zij hun onderzoeksactiviteit overeenkomstig de gastovereenkomst hebben afgerond. Om de daarvoor bedoelde verblijfsvergunning te verkrijgen, kan studenten en onderzoekers worden verzocht bewijsmateriaal voor te leggen overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn. Zodra de lidstaten aan hen een dergelijke verblijfsvergunning hebben afgegeven, worden zij niet langer beschouwd als onderzoekers of studenten in de zin van deze richtlijn. De lidstaten dienen, na een in deze richtlijn bepaalde minimumperiode, te kunnen nagaan of de onderzoekers of studenten een gerede kans maken om door een werkgever te worden aangenomen of een bedrijf op te richten. Deze mogelijkheid doet geen afbreuk aan andere, in het nationale recht opgenomen rapportageverplichtingen voor andere doeleinden. De vergunning die met het oog op het verkennen van arbeidsmogelijkheden of het oprichten van een bedrijf is afgegeven, dient niet automatisch recht te geven op toegang tot de arbeidsmarkt, noch automatisch recht te geven om een bedrijf op te richten. De lidstaten dienen het recht te behouden rekening te kunnen houden met de situatie op de eigen arbeidsmarkt wanneer de derdelander die een vergunning heeft gekregen om op het grondgebied te verblijven om werk te zoeken of een bedrijf op te richten, een arbeidsvergunning aanvraagt om een betrekking te vervullen.

(54)

De eerlijke behandeling van onder deze richtlijn vallende derdelanders dient te worden gewaarborgd overeenkomstig artikel 79 VWEU. Onderzoekers dienen op dezelfde manier te worden behandeld als onderdanen van de betrokken lidstaat wat betreft artikel 12, leden 1 en 4, van Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad (12), onverminderd de mogelijkheid voor die lidstaat om de gelijke behandeling te beperken in de specifieke gevallen die in deze richtlijn worden geregeld. Richtlijn 2011/98/EU, inclusief de daarin opgenomen beperkingen, dient van toepassing te blijven op studenten. Richtlijn 2011/98/EU dient van toepassing te zijn op stagiairs, vrijwilligers en au pairs wanneer wordt geoordeeld dat deze zich in de betrokken lidstaat in een arbeidsverhouding bevinden. Stagiairs, vrijwilligers en au pairs van wie niet wordt geoordeeld dat zij zich in de betrokken lidstaat in een arbeidsverhouding bevinden, alsmede scholieren, dienen op dezelfde manier te worden behandeld als onderdanen van de betrokken lidstaat wat betreft een minimumpakket van rechten die in deze richtlijn worden geregeld. Dit omvat de toegang tot goederen en diensten, waartoe subsidies of leningen voor studie of beroepsopleidingen niet behoren.

(55)

De gelijke behandeling van onderzoekers en studenten, alsook van stagiairs, vrijwilligers en au pairs die worden geacht zich in de betrokken lidstaat in een arbeidsverhouding te bevinden, omvat gelijke behandeling met betrekking tot de takken van sociale zekerheid die worden vermeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13). Deze richtlijn strekt niet tot harmonisatie van het socialezekerheidsrecht van de lidstaten. Zij is beperkt tot de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling inzake sociale zekerheid op de derdelanders die binnen haar werkingssfeer vallen. Voorts verleent deze richtlijn geen rechten met betrekking tot situaties die buiten het toepassingsgebied van het Unierecht vallen, zoals met betrekking tot gezinsleden die in een derde land verblijven. Dat dient evenwel geen afbreuk te doen aan het recht van nabestaanden die rechten ontlenen aan binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende derdelanders, om, in voorkomend geval, een nabestaandenpensioen te ontvangen wanneer zij in een derde land verblijven.

(56)

In veel lidstaten is het recht op gezinstoelagen gekoppeld aan een zekere verbondenheid met de lidstaat die deze verstrekt, aangezien deze toelagen bedoeld zijn ter ondersteuning van een positieve demografische ontwikkeling die ertoe leidt dat die lidstaat ook in de toekomst over voldoende arbeidskrachten kan beschikken. Daarom dient deze richtlijn geen afbreuk te doen aan het recht van een lidstaat om de gelijke behandeling met betrekking tot gezinstoelagen onder bepaalde voorwaarden te beperken wanneer onderzoekers en de hen vergezellende gezinsleden tijdelijk in die lidstaat verblijven.

(57)

In geval van mobiliteit tussen lidstaten is Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad (14), van toepassing. Deze richtlijn dient niet meer rechten te verlenen dan die welke reeds zijn vastgesteld in het bestaande Unierecht op het gebied van de sociale zekerheid voor derdelanders die belangen in meerdere lidstaten hebben.

(58)

Deze richtlijn dient onverminderd gunstigere bepalingen van het Unierecht en toepasselijke internationale instrumenten te worden uitgevoerd.

(59)

De in deze richtlijn geregelde verblijfsvergunningen dienen door de bevoegde instanties van de lidstaat te worden afgegeven met gebruikmaking van het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad (15) bepaalde uniforme model.

(60)

Iedere lidstaat dient ervoor te zorgen dat het publiek, met name via internet, kan beschikken over passende en regelmatig geactualiseerde informatie over de uit hoofde van deze richtlijn erkende gastentiteiten en de uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde voorwaarden en procedures voor de toelating van derdelanders tot het grondgebied van de lidstaten.

(61)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name worden erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

(62)

De lidstaten dienen aan de bepalingen van deze richtlijn uitvoering te geven zonder discriminatie op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of maatschappelijke achtergrond, genetische kenmerken, taal, godsdienstige of andere overtuiging, politieke en andere opvattingen, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, afkomst, handicaps, leeftijd of seksuele geaardheid.

(63)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken van 28 september 2011 (16) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(64)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het bepalen van de voorwaarden voor toegang en verblijf van derdelanders met het oog op onderzoek, studie, stages en Europees vrijwilligerswerk, als verplichte bepalingen, en scholierenuitwisseling, ander vrijwilligerswerk dan het Europees vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten, als facultatieve bepalingen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(65)

Overeenkomstig artikel 1, artikel 2 en artikel 4a, lid 1, van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.

(66)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.

(67)

De verplichting tot omzetting van deze richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de Richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG materieel zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit die richtlijnen.

(68)

Deze richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassing van de richtlijnen als bedoeld in bijlage I, deel B onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel

Deze richtlijn is bedoeld ter bepaling van:

a)

de voorwaarden voor toegang tot en verblijf gedurende langer dan 90 dagen op het grondgebied van de lidstaten, alsmede de rechten, van derdelanders en, indien van toepassing, van hun gezinsleden met het oog op onderzoek, studie, stages of vrijwilligerswerk in het kader van het Europees vrijwilligerswerk en, indien de lidstaten daartoe besluiten, scholierenuitwisselingsprogramma's of educatieve projecten, ander vrijwilligerswerk dan Europees vrijwilligerswerk of au-pairactiviteiten;

b)

de voorwaarden voor toegang en verblijf, alsmede de rechten, van de onder a) bedoelde onderzoekers en, indien van toepassing, van hun gezinsleden, en studenten, in een andere lidstaat dan de eerste lidstaat die deze derdelanders een vergunning op basis van deze richtlijn geeft.

Artikel 2

Werkingssfeer

1.   Deze richtlijn geldt voor derdelanders die verzoeken te worden toegelaten of die zijn toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat voor onderzoek, studie, stages of vrijwilligerswerk in het kader van het Europees vrijwilligerswerk. De lidstaten mogen ook besluiten de bepalingen van deze richtlijn te laten gelden voor derdelanders die met het oog op scholierenuitwisseling of een educatief project, ander vrijwilligerswerk dan Europees vrijwilligerswerk, of au-pairactiviteiten, verzoeken te worden toegelaten.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op derdelanders:

a)

die internationale bescherming zoeken of die in een lidstaat internationale bescherming genieten overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (17), of tijdelijke bescherming in overeenstemming met Richtlijn 2001/55/EG van de Raad (18);

b)

wier uitzetting op feitelijke of juridische gronden is opgeschort;

c)

die gezinsleden van burgers van de Unie zijn die hun recht van vrij verkeer binnen de Unie hebben uitgeoefend;

d)

die de status van langdurig ingezetene in een lidstaat hebben overeenkomstig Richtlijn 2003/109/EG van de Raad (19);

e)

die, evenals hun gezinsleden en ongeacht hun nationaliteit, krachtens overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten en derde landen of overeenkomsten tussen de Unie en derde landen, rechten van vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn aan die van de burgers van de Unie;

f)

die als stagiair-werknemer naar de Unie komen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming overeenkomstig Richtlijn 2014/66/EU;

g)

die worden toegelaten als hoogopgeleide werknemers in overeenstemming met Richtlijn 2009/50/EG van de Raad (20).

Artikel 3

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „derdelander”: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU;

2.   „onderzoeker”: een derdelander die een doctorsgraad heeft of een passend diploma van het hoger onderwijs dat deze derdelander toegang geeft tot doctoraatsprogramma's en die door een onderzoeksinstelling is geselecteerd en tot het grondgebied van een lidstaat is toegelaten om een onderzoeksproject uit te voeren waarvoor die graad of dat diploma doorgaans vereist zijn;

3.   „student”: derdelander die door een instelling voor hoger onderwijs is aangenomen en is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om bij wijze van hoofdactiviteit een voltijdse studie te volgen die wordt afgesloten met een door die lidstaat erkend getuigschrift van hoger onderwijs, waaronder een diploma, titel of doctorsgraad aan een instelling voor hoger onderwijs, eventueel voorafgegaan door een opleiding ter voorbereiding op dergelijk onderwijs overeenkomstig het nationale recht of verplichte opleiding;

4.   „scholier”: derdelander die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om daar, in het kader van een scholierenuitwisselingsprogramma of een educatief project dat wordt uitgevoerd door een daartoe overeenkomstig het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken erkende organisatie, een erkend nationaal of regionaal programma van voortgezet onderwijs te volgen dat gelijkwaardig is aan niveau 2 of 3 van de internationale standaardclassificatie van het onderwijs;

5.   „stagiair”: derdelander die in het bezit is van een diploma van het hoger onderwijs of een opleiding volgt in een derde land die leidt tot een diploma van hoger onderwijs en die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat voor een opleidingsprogramma met het oog op het opdoen van kennis, praktijk en ervaring in de beroepswereld;

6.   „vrijwilliger”: een derdelander die is toegelaten tot het grondgebied van een lidstaat om deel te nemen aan een vrijwilligersprogramma;

7.   „vrijwilligersprogramma”: programma voor concrete solidariteitsactiviteiten op basis van een door de betrokken lidstaat of de Unie als zodanig erkend programma dat zonder winstoogmerk doelstellingen van algemeen belang nastreeft, waarin de activiteiten niet worden vergoed, met uitzondering van onkostenvergoeding en/of zakgeld;

8.   „au pair”: een derdelander die op het grondgebied van een lidstaat wordt toegelaten teneinde tijdelijk te worden opgenomen in een gezin, met als doel zijn talenkennis en kennis van de lidstaat in kwestie te verbeteren in ruil voor licht huishoudelijk werk en verzorging van kinderen;

9.   „onderzoek”: stelselmatig verricht creatief werk ter vergroting van het kennisbestand, waaronder de kennis van mens, cultuur en samenleving, alsmede de aanwending van dit kennisbestand voor nieuwe toepassingen;

10.   „onderzoeksinstelling”: openbare of particuliere instelling die onderzoek verricht;

11.   „onderwijsinstelling”: een publieke of particuliere instelling voor voortgezet onderwijs die door de betrokken lidstaat wordt erkend of waarvan de studies overeenkomstig het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken aan de hand van transparante criteria worden erkend en die deelneemt aan een scholierenuitwisselingsprogramma of een educatief project voor de in deze richtlijn uiteengezette doeleinden;

12.   „educatief project”: een reeks educatieve acties, die door een onderwijsinstelling van een lidstaat in samenwerking met soortgelijke instellingen in een derde land zijn ontwikkeld, met als doel het uitwisselen van culturen en kennis;

13.   „instelling voor hoger onderwijs”: elke soort instelling voor hoger onderwijs, als zodanig aangemerkt of erkend volgens het nationale recht, die, in overeenstemming met het nationale recht of gebruik, erkende graden van hoger onderwijs biedt of andere erkende kwalificaties op tertiair niveau, ongeacht de naam die dergelijke instellingen dragen, of elke instelling die, overeenkomstig het nationale recht of gebruik, beroepsonderwijs of -opleiding op tertiair niveau verzorgt;

14.   „gastentiteit”: een onderzoeksinstelling, een instelling voor hoger onderwijs, een onderwijsinstelling, een organisatie die verantwoordelijk voor een vrijwilligersprogramma, of een gastentiteit voor stagiairs waar de onderdaan uit een derde land is ondergebracht voor de toepassing van deze richtlijn en die gevestigd is op het grondgebied van de betrokken lidstaat, ongeacht haar rechtsvorm, overeenkomstig het nationale recht;

15.   „gastgezin”: een gezin in een lidstaat dat een au pair tijdelijk opneemt en het dagelijkse gezinsleven op het grondgebied van een lidstaat met de au pair deelt op grond van een tussen dat gezin en de au pair gesloten overeenkomst;

16.   „beroepsbezigheid”: het verrichten van activiteiten die bestaan uit een vorm van arbeid of werk die overeenkomstig het nationale recht of toepasselijke collectieve overeenkomsten of de gevestigde praktijk is geregeld, voor of onder leiding of toezicht van een werkgever;

17.   „werkgever”: een natuurlijke persoon of een rechtspersoon voor wie of onder wiens leiding of toezicht de beroepsbezigheid wordt uitgeoefend;

18.   „eerste lidstaat”: de lidstaat die als eerste op grond van deze richtlijn een vergunning afgeeft aan een derdelander;

19.   „tweede lidstaat”: elke andere lidstaat dan de eerste lidstaat;

20.   „Uniale of multilaterale programma's met mobiliteitsmaatregelen”: door de Unie of door lidstaten gefinancierde programma's ter stimulering van de mobiliteit, in de Unie of in de lidstaten, van derdelanders die deelnemen aan de betrokken programma's;

21.   „vergunning”: een verblijfstitel of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, een visum voor verblijf van langere duur, afgegeven uit hoofde van deze richtlijn;

22.   „verblijfsvergunning”: een vergunning, afgegeven met gebruikmaking van het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1030/2002 die de houder het recht geeft op legaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat;

23.   „visum voor verblijf van langere duur”: een vergunning die door een lidstaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst (21) of die wordt afgegeven overeenkomstig het nationale recht van lidstaten die het Schengenacquis niet volledig toepassen;

24.   „gezinsleden”: derdelanders als bedoeld in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2003/86/EG;

Artikel 4

Gunstiger bepalingen

1.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan gunstiger bepalingen van:

a)

bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen de Unie of de Unie en haar lidstaten enerzijds, en een of meer derde landen anderzijds, of

b)

bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen een of meer lidstaten en een of meer derde landen.

2.   Deze richtlijn laat onverlet dat de lidstaten bepalingen kunnen invoeren of handhaven die gunstiger zijn voor de derdelanders die onder deze richtlijn vallen wat betreft de artikelen 10, lid 2, onder a), en de artikelen 18, 22, 23, 24, 25, 26, 34 en 35.

HOOFDSTUK II

TOELATING

Artikel 5

Beginselen

1.   Toelating van een derdelander in de zin van deze richtlijn is alleen mogelijk indien na controle van het dossier blijkt dat hij voldoet aan:

a)

de algemene voorwaarden die zijn gesteld in artikel 7, en

b)

de relevante specifieke voorwaarden die zijn gesteld in artikel 8, 11, 12, 13, 14 of 16.

2.   De lidstaten mogen van de aanvrager verlangen dat hij de in lid 1 bedoelde bewijsstukken indient in een officiële taal van de betrokken lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

3.   Wanneer aan alle algemene en aan de relevante specifieke voorwaarden is voldaan, heeft de derdelander recht op een vergunning.

Indien een lidstaat verblijfstitels alleen op het eigen grondgebied afgeeft en aan alle toelatingsvoorwaarden van deze richtlijn is voldaan, verstrekt de betrokken lidstaat de derdelander het vereiste visum.

Artikel 6

Aantal toelatingen

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van een lidstaat om, in overeenstemming met artikel 79, lid 5, VWEU, te bepalen hoeveel derdelanders als bedoeld in artikel 2, lid 1, van deze richtlijn, met uitzondering van studenten, worden toegelaten, indien de betrokken lidstaat van oordeel is dat deze onderdanen zich in een arbeidsverhouding bevinden of zullen bevinden. Op die basis kan een aanvraag voor een vergunning als niet-ontvankelijk worden beschouwd of worden afgewezen.

Artikel 7

Algemene voorwaarden

1.   Bij de toelating van een derdelander op grond van deze richtlijn geldt voor een verzoeker het volgende:

a)

hij moet een volgens het nationale recht geldig reisdocument overleggen, alsmede, indien vereist, een aanvraag voor een visum of een geldig visum of, waar van toepassing, een geldige verblijfstitel of een geldig visum voor verblijf van langere duur; de lidstaten mogen verlangen dat het reisdocument geldig is voor ten minste de duur van het geplande verblijf;

b)

hij legt, indien hij volgens het nationale recht van de betrokken lidstaat minderjarig is, een bewijs over van toestemming van de ouders of voogd of een gelijkwaardig document voor het beoogde verblijf;

c)

hij toont aan dat de derdelander in het bezit is van of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, een aanvraag heeft ingediend voor een ziektekostenverzekering die alle risico's dekt die normaal voor de onderdanen van die lidstaat gedekt zijn; de verzekering is geldig voor de duur van het voorgenomen verblijf.

d)

hij legt, indien de lidstaat daarom verzoekt, een bewijs over van betaling van de vergoeding van de behandeling van de aanvraag krachtens artikel 36;

e)

hij toont op verzoek van de betrokken lidstaat aan dat de derdelander gedurende het geplande verblijf zal beschikken over voldoende middelen om de kosten te dekken van zijn levensonderhoud zonder een beroep te doen op het bijstandssysteem van de lidstaat, alsmede de kosten van de terugreis. De beoordeling of hij beschikt over voldoende middelen moet gebaseerd zijn op een individueel onderzoek van het geval en houdt rekening met de middelen die, onder meer, afkomstig zijn van een subsidie, een beurs, een toelage, een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend aanbod van een baan of een financiële toezegging door een organisatie voor scholierenuitwisseling, een entiteit die stagiairs ontvangt, een organisatie voor vrijwilligerswerk, een gastgezin of een organisatie die bemiddelt voor au pairs.

2.   De lidstaten mogen van de aanvrager verlangen dat hij het adres geeft van de betrokken derdelander op hun grondgebied.

Indien het nationale recht van een lidstaat vereist dat er een adres wordt opgegeven op het moment van de aanvraag en de betrokken derdelander zijn toekomstige adres nog niet kent, aanvaarden de lidstaten een tijdelijk adres. In dat geval moet de derdelander zijn vast adres uiterlijk op het moment van de afgifte van een vergunning als bedoeld in artikel 17 opgeven.

3.   De lidstaten kunnen een referentiebedrag aangeven dat zij beschouwen als „voldoende middelen”, zoals bedoeld in lid 1, onder e). De beoordeling of de aanvrager beschikt over voldoende middelen moet gebaseerd zijn op een individueel onderzoek van het geval.

4.   De aanvraag wordt ingediend en behandeld wanneer de betrokken derdelander verblijft buiten het grondgebied van de lidstaat tot welke hij wenst te worden toegelaten, of wanneer hij al legaal in die lidstaat verblijft als houder van een geldige verblijfstitel of van een visum voor verblijf van langere duur.

Bij wijze van afwijking kan een lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht een aanvraag aanvaarden die wordt ingediend terwijl de betrokkene niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning of geldig visum voor verblijf van langere duur, maar wel legaal op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft.

5.   De lidstaten bepalen of aanvragen moeten worden ingediend door de derdelander, door de gastentiteit of door een van beiden.

6.   Derdelanders die geacht worden een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, worden niet toegelaten.

Artikel 8

Specifieke voorwaarden voor onderzoekers

1.   Indien het de toelating betreft van een derdelander met het oog op onderzoek, moet de aanvrager naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden een gastovereenkomst of een contract overleggen, indien dit is vereist op grond van het nationale recht overleggen, overeenkomstig artikel 10.

2.   Overeenkomstig het nationale recht kunnen de lidstaten van de onderzoeksinstelling een schriftelijke verklaring eisen om, in geval van illegaal verblijf van een onderzoeker op het grondgebied van de betrokken lidstaat, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten van diens verblijf en terugreis terug te betalen. De financiële aansprakelijkheid van de onderzoeksinstelling verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de gastovereenkomst.

Indien het recht op verblijf van de onderzoeker overeenkomstig de bepalingen van artikel 25 is uitgebreid, loopt de aansprakelijkheid van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde onderzoeksinstelling af op de datum waarop de verblijfsvergunning voor het zoeken naar een baan of voor ondernemerschap ingaat.

3.   Een lidstaat die een erkenningsprocedure voor onderzoeksinstellingen heeft ingesteld overeenkomstig artikel 9 moet aanvragers vrijstellen van het overleggen van een of meer van de documenten of bewijsstukken als bedoeld in lid 2 van dit artikel of in artikel 7, lid 1, onder c), d) of e) en in artikel 7, lid 2, indien het derdelanders betreft die door erkende onderzoeksinstellingen wensen te worden ontvangen.

Artikel 9

Erkenning van onderzoeksinstellingen

1.   De lidstaten kunnen besluiten een erkenningsprocedure vast te stellen voor publieke en/of private onderzoeksinstellingen die een onderzoeker wensen te ontvangen in het kader van de ingevolge deze richtlijn vastgestelde toelatingsprocedure.

2.   De erkenning van onderzoeksinstellingen geschiedt in overeenstemming met de procedures die in het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken van de betrokken lidstaten zijn voorgeschreven. Verzoeken om erkenning van onderzoeksinstellingen worden overeenkomstig die procedures gedaan, en zijn gebaseerd op hun wettelijke opdracht of maatschappelijk doel en op bewijs dat zij zich met onderzoeksactiviteiten bezighouden.

De aan een onderzoekinstelling verleende erkenning geldt voor ten minste vijf jaar. In uitzonderlijke gevallen kunnen de lidstaten die erkenning voor een kortere termijn verlenen.

3.   De lidstaten kunnen onder meer weigeren de erkenning van een onderzoeksinstelling te verlengen of deze intrekken indien:

a)

de instelling niet meer voldoet aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel, artikel 8, lid 2, of artikel 10, lid 7;

b)

de erkenning op frauduleuze wijze is verkregen, of

c)

een onderzoeksinstelling op frauduleuze of nalatige wijze een gastovereenkomst met een derdelander heeft gesloten.

Indien een verzoek om verlenging is geweigerd of de erkenning is ingetrokken, kan het de betrokken instelling voor een periode van maximaal vijf jaar na de bekendmaking van de beslissing tot intrekking of niet-verlenging worden verboden opnieuw erkenning aan te vragen.

Artikel 10

Gastovereenkomst

1.   Een onderzoeksinstelling die een derdelander wenst te ontvangen voor onderzoeksdoeleinden, sluit met deze derdelander een gastovereenkomst. De lidstaten kunnen bepalen dat contracten met de gegevens zoals bedoeld in lid 2 en, indien van toepassing, lid 3, voor de toepassing van deze richtlijn worden beschouwd als gelijkwaardig aan gastovereenkomsten.

2.   De gastovereenkomst bevat:

a)

de titel of het doel van de onderzoeksactiviteit of het onderzoeksgebied;

b)

een verklaring van de derdelander dat hij zal trachten de onderzoeksactiviteit volledig uit te voeren;

c)

een verklaring van de onderzoeksinstelling dat zij de derdelander ontvangt met het oog op de voltooiing van het onderzoek;

d)

de begindatum en de einddatum of de geschatte duur van de onderzoeksactiviteit;

e)

informatie over de voorgenomen mobiliteit in een of meerdere tweede lidstaten indien die mobiliteit op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat bekend is.

3.   De lidstaten mogen ook verlangen dat de gastovereenkomst informatie bevat over:

a)

de rechtsbetrekking tussen de onderzoeksinstelling en de onderzoeker;

b)

de arbeidsvoorwaarden van de onderzoeker.

4.   Onderzoeksinstellingen mogen alleen gastovereenkomsten tekenen indien de onderzoeksactiviteit door de betrokken instanties van de onderzoeksinstelling is goedgekeurd na toetsing van:

a)

het doel en de geschatte duur van de onderzoeksactiviteit en de beschikbaarheid van de hiervoor benodigde financiële middelen;

b)

de kwalificaties van de derdelander in het licht van de onderzoeksdoelstellingen, gestaafd met een gewaarmerkte kopie van de diploma's;

5.   De gastovereenkomst verstrijkt automatisch wanneer de derdelander niet wordt toegelaten of wanneer de rechtsbetrekking tussen de onderzoeker en de onderzoeksinstelling wordt beëindigd.

6.   Onderzoeksinstellingen stellen de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat zo spoedig mogelijk in kennis van gebeurtenissen die de uitvoering van de gastovereenkomst verhinderen.

7.   De lidstaten mogen voorschrijven dat de onderzoeksinstelling binnen twee maanden nadat een gastovereenkomst afloopt, bij de daartoe aangewezen bevoegde autoriteiten moet bevestigen dat de onderzoeksactiviteit is verricht.

8.   De lidstaten mogen in hun nationale recht bepalen welke gevolgen de intrekking of de weigering van een verlenging van de erkenning inhoudt voor de bestaande, overeenkomstig dit artikel gesloten gastovereenkomsten, en voor de vergunningen van de betrokken onderzoekers.

Artikel 11

Specifieke voorwaarden voor studenten

1.   Indien het de toelating betreft van een derdelander met het oog op studie, moet de aanvrager naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden:

a)

aantonen dat de derdelander is aangenomen door een instelling voor hoger onderwijs om daar een studieprogramma te volgen;

b)

indien de lidstaat dat vereist, aantonen dat het door de instelling voor hoger onderwijs gevraagde inschrijfgeld is betaald;

c)

indien de lidstaat dat vereist, bewijzen dat de derdelander over voldoende kennis beschikt van de taal van het studieprogramma;

d)

indien de lidstaat dat vereist, aantonen dat de derdelander over voldoende middelen beschikt om de studiekosten te dragen.

2.   Derdelanders die automatisch in aanmerking komen voor een ziektekostenverzekering voor alle risico's die voor de eigen onderdanen in de betrokken lidstaat normaliter zijn gedekt, omdat die is gekoppeld aan hun inschrijving bij een instelling voor hoger onderwijs, worden geacht te voldoen aan de in artikel 7, lid 1, onder c), gestelde voorwaarde.

3.   Indien het derdelanders betreft die door erkende instellingen voor hoger onderwijs willen worden ontvangen, moet een lidstaat die een erkenningsprocedure voor instellingen voor hoger onderwijs heeft ingesteld overeenkomstig artikel 15, aanvragers vrijstellen van het overleggen van een of meer van de documenten of bewijsstukken als bedoeld in lid 1, onder b), c) of d) van dit artikel, in artikel 7, lid 1, onder d), of in artikel 7, lid 2.

Artikel 12

Specifieke voorwaarden voor scholieren

1.   Indien het de toelating van een derdelander betreft in het kader van een scholierenuitwisseling of een educatief project, moet de aanvragernaast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden kunnen aantonen dat:

a)

de derdelander zich bevindt tussen de door de betrokken lidstaat vastgestelde minimum- en maximumleeftijd en tussen het door de betrokken lidstaat vastgestelde minimum- en maximumopleidingsniveau;

b)

zij zijn toegelaten tot een onderwijsinstelling;

c)

zij deelnemen aan een erkend nationaal of regionaal onderwijsprogramma in het kader van een scholierenuitwisselingsprogramma of educatief project dat ten uitvoer wordt gelegd door een onderwijsinstelling overeenkomstig het nationale recht of de nationale gebruiken;

d)

de onderwijsinstelling of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, een derde partij de aansprakelijkheid voor de derdelander op zich neemt gedurende zijn gehele verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat, in het bijzonder wat betreft de studiekosten;

e)

de derdelander gedurende het gehele verblijf bij een gezin verblijft of in een speciaal onderkomen binnen de onderwijsinstelling of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, in enige andere faciliteit die voldoet aan de door de betrokken lidstaat gestelde voorwaarden en die is geselecteerd conform de regels van het scholierenuitwisselingsprogramma of het educatieve project waaraan de derdelander deelneemt.

2.   De lidstaten mogen de toelating van scholieren die deelnemen aan een scholierenuitwisselingsprogramma beperken tot derdelanders die dezelfde mogelijkheid bieden aan onderdanen van de lidstaten.

Artikel 13

Specifieke voorwaarden voor stagiairs

1.   Indien het de toelating betreft van een derdelander die als stagiair wil worden toegelaten, moet de aanvrager naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden:

a)

een stageovereenkomst tonen, die voorziet in een theoretische en praktische stage, met een gastentiteit. De lidstaten mogen verlangen dat deze stageovereenkomst door de bevoegde autoriteit is erkend en dat de voorwaarden waarop de overeenkomst is gebaseerd voldoen aan de eisen in het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken van de betrokken lidstaat. De stageovereenkomst bevat:

i)

een beschrijving van het stageprogramma, met inbegrip van de educatieve doelstelling of de leercomponenten;

ii)

de duur van de stage;

iii)

de voorwaarden voor plaatsing en voor het toezicht op de stage;

iv)

de stage-uren, en

v)

de rechtsbetrekking tussen de stagiair en de gastentiteit;

b)

aantonen dat de derdelander een diploma van het hoger onderwijs heeft verkregen in de twee jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag of aantonen dat hij een studie volgt die leidt tot een diploma van hoger onderwijs;

c)

indien de lidstaat dat eist, aantonen dat de derdelander gedurende het verblijf over voldoende middelen zal beschikken om de kosten van de stage te dekken;

d)

indien de lidstaat dat eist, aantonen dat de derdelander een taalcursus heeft gevolgd of zal volgen om over voldoende kennis te beschikken voor het volgen van de stage;

e)

indien de lidstaat dat eist, aantonen dat de gastentiteit de aansprakelijkheid voor de derdelander op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat, in het bijzonder voor de kosten van levensonderhoud en accommodatie;

f)

indien de lidstaat dat eist, aantonen dat, indien de derdelander gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, de huisvesting voldoet aan de door de betrokken lidstaat gestelde voorwaarden.

2.   De lidstaten mogen verlangen dat de stage hetzelfde gebied bestrijkt en zich op hetzelfde kwalificatieniveau situeert als de hoger-onderwijsgraad of de studie bedoeld in lid 1, onder b).

3.   De lidstaten mogen verlangen dat de gastentiteit verklaart dat de stage niet in de plaats komt van een baan.

4.   Overeenkomstig hun nationale recht mogen de lidstaten van de gastentiteit een schriftelijke verbintenis eisen dat zij, in geval van illegaal verblijf van een stagiair op het grondgebied van de betrokken lidstaat, de uit overheidsmiddelen betaalde kosten voor diens verblijf en terugreis zal terugbetalen. De financiële aansprakelijkheid van de gastentiteit verstrijkt uiterlijk zes maanden na de beëindiging van de stageovereenkomst.

Artikel 14

Specifieke voorwaarden voor vrijwilligers

1.   Indien het de toelating betreft van een derdelander die als vrijwilliger wenst te worden toegelaten, moet de aanvrager naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden:

a)

een overeenkomst overleggen die is gesloten met de gastentiteit of, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, met een andere instantie in de betrokken lidstaat die verantwoordelijk is voor het vrijwilligersprogramma waaraan de derdelander deelneemt. De overeenkomst bevat:

i)

een beschrijving van het vrijwilligersprogramma;

ii)

de duur van het vrijwilligerswerk;

iii)

de voorwaarden voor plaatsing en voor het toezicht op het vrijwilligerswerk;

iv)

het aantal uren dat de vrijwilliger aan het vrijwilligerswerk moet besteden;

v)

de beschikbare middelen ter dekking van de kosten van levensonderhoud en onderkomen van de derdelander en een minimumbedrag aan zakgeld voor de duur van het verblijf, en

vi)

in voorkomend geval, de opleiding die de derdelander zal ontvangen om hem te helpen bij het verrichten van zijn vrijwilligerswerk;

b)

aantonen, indien de lidstaat dit verlangt, dat, indien de derdelander gedurende het gehele verblijf bij de gastentiteit verblijft, de huisvesting voldoet aan de door de lidstaten gestelde voorwaarden;

c)

aantonen dat de gastentiteit of, indien het nationale recht van een betrokken lidstaat die mogelijkheid biedt, een andere instantie die verantwoordelijk is voor het vrijwilligersprogramma een aansprakelijkheidsverzekering heeft afgesloten;

d)

aantonen, indien de lidstaat dit verlangt, dat de derdelander een basisinleiding tot de taal, de geschiedenis en de politieke en maatschappelijke structuren van die lidstaat heeft gevolgd of zal volgen.

2.   De lidstaten mogen minimum- en maximumleeftijdsgrenzen stellen voor derdelanders die verzoeken om als vrijwilliger te worden toegelaten, zonder afbreuk te doen aan de voorschriften in het kader van het Europese vrijwilligerswerk.

3.   Vrijwilligers die deelnemen aan het Europese vrijwilligerswerk zijn niet verplicht het bewijsmateriaal als bedoeld in lid 1, onder c) en, in voorkomend geval, onder d), over te leggen.

Artikel 15

Erkenning van instellingen voor hoger onderwijs, scholen, organisaties die verantwoordelijk zijn voor vrijwilligerswerk of entiteiten die stagiairs ontvangen

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn mogen de lidstaten besluiten een erkenningsprocedure op te zetten voor instellingen voor hoger onderwijs, scholen, organisaties die verantwoordelijk zijn voor vrijwilligerswerk of entiteiten die stagiairs ontvangen.

2.   De erkenning geschiedt in overeenstemming met de procedures die in het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken van de lidstaat in kwestie zijn voorgeschreven.

3.   Wanneer een lidstaat besluit een erkenningsprocedure op te zetten overeenkomstig de leden 1 en 2, wordt er aan de gastentiteiten duidelijke en transparante informatie verstrekt over onder meer de voorwaarden en criteria voor de erkenning, de geldigheidsduur, de gevolgen van niet-naleving, met inbegrip van de eventuele intrekking of niet-verlenging, alsmede over iedere toepasselijke sanctie.

Artikel 16

Specifieke voorwaarden voor au pairs

1.   Indien het de toelating betreft van een derdelander die verzoekt om voor au-pairactiviteiten te worden toegelaten, moet de derdelander naast de in artikel 7 gestelde algemene voorwaarden:

a)

een overeenkomst overleggen tussen de derdelander en het gastgezin, waarin de rechten en plichten van de derdelander als au pair worden omschreven, met inbegrip van een opgave van het te ontvangen zakgeld, passende regelingen die de au pair in staat stellen cursussen te volgen en het maximale aantal uren dat wordt besteed aan dagelijkse verplichtingen;

b)

aantonen dat de derdelander tussen 18 en 30 jaar oud is. In uitzonderlijke gevallen mogen de lidstaten toestaan dat een derdelander die ouder is dan 30 jaar, als au pair wordt toegelaten;

c)

aantonen dat het gastgezin of een organisatie die bemiddelt voor au pairs, indien het nationale recht die mogelijkheid biedt, de aansprakelijkheid voor de derdelander op zich neemt gedurende het gehele verblijf op het grondgebied van de betrokken lidstaat, in het bijzonder in verband met kosten voor levensonderhoud, huisvesting en ongevallenrisico's;

2.   De lidstaten mogen verlangen dat een derdelander die verzoekt als au pair te worden toegelaten aantoont

a)

basiskennis te hebben van de taal van de betrokken lidstaat, of

b)

voortgezet onderwijs te hebben genoten, alsmede beroepskwalificaties of, indien van toepassing, te voldoen aan de voorwaarden voor het uitoefenen van een gereglementeerd beroep, zoals voorgeschreven door het nationale recht.

3   De lidstaten mogen bepalen dat au pairs alleen worden geplaatst door een organisatie die bemiddelt voor au pairs onder de in het nationale recht vastgelegde voorwaarden.

4.   De lidstaten mogen verlangen dat de leden van het gastgezin een andere nationaliteit hebben dan de derdelanders die verzoeken te worden toegelaten met het oog op au-pairactiviteiten, en dat zij geen familiebanden hebben met de betrokken derdelanders.

5.   De au pair mag niet meer dan 25 uur per week werken. De au pair heeft ten minste één vrije dag per week.

6.   De lidstaten kunnen een minimumbedrag vaststellen dat de au pair als zakgeld moet krijgen.

HOOFDSTUK III

VERGUNNINGEN EN DUUR VAN HET VERBLIJF

Artikel 17

Vergunningen

1.   Wanneer de vergunning de vorm aanneemt van een verblijfstitel, gebruiken de lidstaten het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 bepaalde model en vermelden zij op die verblijfstitel de termen „onderzoeker”, „student”, „scholier”, „stagiair”, „vrijwilliger” of „au pair”.

2.   Wanneer de vergunning de vorm aanneemt van een visum voor verblijf van langere duur, vermelden de lidstaten onder de rubriek „opmerkingen” op de visumsticker dat het visum is afgegeven aan de „onderzoeker”, „student”, „scholier”, „stagiair”, „vrijwilliger” of „au pair”.

3.   Voor onderzoekers en studenten die naar de Unie komen in het kader van een specifiek uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of een overeenkomst tussen twee of meer erkende instellingen voor hoger onderwijs, wordt in de vergunning verwezen naar dat specifieke programma of die overeenkomst.

4.   Wanneer aan een onderzoeker een vergunning voor langetermijnmobiliteit wordt afgegeven in de vorm van een verblijfstitel, gebruiken de lidstaten het in Verordening (EG) nr. 1030/2002 bepaalde model en vermelden zij op die verblijfstitel „onderzoekersmobiliteit”. Wanneer de vergunning voor langetermijnmobiliteit aan een onderzoeker wordt afgegeven in de vorm van een visum voor verblijf van langere duur, vermelden de lidstaten in de rubriek „opmerkingen” op de visumsticker „onderzoekersmobiliteit”.

Artikel 18

Vergunningsduur

1.   Een vergunning voor onderzoekers is ten minste één jaar geldig, of geldt voor de duur van de gastovereenkomst, indien die korter is. De vergunning wordt verlengd indien artikel 21 niet van toepassing is.

De vergunning voor onderzoekers die gedekt zijn door uniale of multilaterale programma's met mobiliteitsmaatregelen, is ten minste twee jaar geldig, of net zo lang als de looptijd van de gastovereenkomst, indien die korter is. Indien aan de algemene voorwaarden van artikel 7 niet wordt voldaan voor de twee jaar of voor de volledige looptijd van de gastovereenkomst, geldt de eerste alinea van dit lid. De lidstaten behouden het recht om zich er van te verzekeren dat de in artikel 21 vermelde redenen voor intrekking niet bestaan.

2.   Een vergunning voor studenten is ten minste één jaar geldig, of geldt voor de duur van de studie, indien die korter is. De vergunning wordt verlengd indien artikel 21 niet van toepassing is.

De vergunning voor studenten die gedekt zijn door uniale of multilaterale programma's met mobiliteitsmaatregelen, of door een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, is ten minste twee jaar geldig, of net zo lang als de duur van hun studie, indien die korter is. Indien aan de algemene voorwaarden van artikel 7 niet wordt voldaan gedurende de twee jaar of tijdens de volledige duur van de studie, geldt de eerste alinea van dit lid. De lidstaten behouden het recht om zich er van te verzekeren dat de in artikel 21 vermelde redenen voor intrekking niet bestaan

3.   De lidstaten mogen bepalen dat de totale duur van het verblijf voor studie niet langer mag zijn dan de maximale studieduur volgens hun nationale recht.

4.   De geldigheidsduur van een vergunning voor scholieren is gelijk aan de duur van het scholierenuitwisselingsprogramma of het educatieve project, indien dat minder is dan één jaar, of maximaal één jaar. De lidstaten mogen beslissen om toe te staan dat de vergunning eenmalig wordt verlengd met de tijd die noodzakelijk is voor de voltooiing van het scholierenuitwisselingsprogramma of het educatieve project, indien artikel 21 niet van toepassing is.

5.   De geldigheidsduur van een vergunning voor au pairs is gelijk aan de looptijd van de overeenkomst tussen de au pair en het gastgezin, indien die minder is dan één jaar, of is maximaal één jaar. De lidstaten mogen beslissen om toe te staan dat de vergunning eenmalig met hooguit zes maanden wordt verlengd, na een met redenen omkleed verzoek van het gastgezin, indien artikel 21 niet van toepassing is.

6.   De geldigheidsduur van een vergunning voor stagiairs is gelijk aan de looptijd van de stageovereenkomst indien die minder is dan zes maanden, of is maximaal één jaar. Indien de looptijd van de overeenkomst meer dan zes maanden bedraagt, mag de geldigheidsduur van de vergunning gelijk zijn aan de periode in kwestie volgens het nationale recht.

De lidstaten mogen beslissen om toe te staan dat de vergunning eenmalig wordt verlengd met de tijd die nodig is voor de voltooiing van de stage, indien artikel 21 niet van toepassing is.

7.   De geldigheidsduur van een vergunning voor vrijwilligers is gelijk aan de looptijd van de overeenkomst bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), indien die minder is dan één jaar, of is maximaal één jaar. Indien de looptijd van de overeenkomst meer dan één jaar bedraagt, mag de geldigheidsduur van de vergunning gelijk zijn aan de periode in kwestie volgens het nationale recht.

8.   De lidstaten mogen bepalen dat, indien het reisdocument van de derdelander minder dan één jaar geldig is of minder dan twee jaar in de gevallen bedoeld in de leden 1 en 2, de verlangde vergunning niet langer geldig mag zijn dan het reisdocument.

9.   Indien lidstaten tijdens het eerste jaar binnenkomst en verblijf toestaan op basis van een visum voor verblijf van langere duur, wordt een aanvraag voor een verblijfstitel ingediend voordat het visum voor verblijf van langere duur verstrijkt. De verblijfstitel wordt afgegeven indien artikel 21 niet van toepassing is.

Artikel 19

Aanvullende informatie

1.   De lidstaten mogen aanvullende informatie opnemen op papier dan wel in elektronische vorm, zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en in artikel 16, onder a), van de bijlage daarbij. Deze informatie kan betrekking hebben op het verblijf en, in de in artikel 24 van deze richtlijn bedoelde gevallen, de economische activiteiten van de student en kan met name de volledige lijst omvatten van lidstaten die de onderzoeker of de student in het kader van mobiliteit voornemens is te bezoeken, of relevante informatie over een specifiek uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs.

2.   De lidstaten mogen ook bepalen dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie wordt vermeld op een visum voor verblijf van langere duur, als bedoeld in punt 12 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad (22).

HOOFDSTUK IV

REDENEN VOOR WEIGERING, INTREKKING OF NIET-VERLENGING VAN VERGUNNINGEN

Artikel 20

Redenen voor weigering

1.   De lidstaten weigeren een aanvraag wanneer:

a)

niet is voldaan aan de algemene voorwaarden van artikel 7 of aan de toepasselijke specifieke voorwaarden van artikel 8, 11, 12, 13, 14 of 16;

b)

de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of ongeoorloofd gewijzigd;

c)

de betrokken lidstaat alleen indiening via een erkende gastentiteit toelaat, en de gastentiteit niet wordt erkend.

2.   De lidstaten kunnen een aanvraag weigeren wanneer:

a)

de gastentiteit of een ander orgaan als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), of een derde als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder d), of het gastgezin of het au-pairbemiddelingsbureau niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;

b)

indien van toepassing, de gastentiteit die of het gastgezin dat de derdelander in dienst wil nemen niet voldoet aan de arbeidsvoorwaarden zoals voorzien in het nationale recht of collectieve overeenkomsten of gebruiken in de betrokken lidstaat;

c)

de gastentiteit, een ander orgaan als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), een derde als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder d), het gastgezin of het au-pairbemiddelingsbureau overeenkomstig het nationale recht bestraft is wegens zwartwerk of illegale arbeid;

d)

de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel derdelanders die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, toegang tot het gastland te verschaffen;

e)

in voorkomend geval, de bedrijfsactiviteiten van de gastentiteit overeenkomstig het nationale insolventierecht worden of zijn vereffend, of indien er geen economische activiteit plaatsvindt;

f)

de lidstaat bewijs of ernstige en objectieve redenen heeft om vast te stellen dat het verblijf van de derdelander andere doelen zou dienen dan die waarvoor hij verzoekt te worden toegelaten.

3.   Indien een derdelander verzoekt te worden toegelaten om in een lidstaat een arbeidsverhouding aan te gaan, kan die lidstaat nagaan of de betrokken vacature door onderdanen van die lidstaat of door andere burgers van de Unie kan worden vervuld, dan wel door derdelanders die legaal in die lidstaat verblijven, in welk geval zij de aanvraag kan afwijzen. Dit lid geldt onverminderd het beginsel van preferentie voor burgers van de Unie, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke toetredingsakten.

4.   Onverminderd lid 1 wordt in elk besluit tot afwijzing van een aanvraag rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd.

Artikel 21

Redenen voor intrekking of niet-verlenging van een vergunning

1.   De lidstaten trekken een vergunning in of weigeren deze, in voorkomend geval, te verlengen wanneer:

a)

de derdelander niet meer voldoet aan de algemene voorwaarden van artikel 7, met uitzondering van artikel 7, lid 6, of aan de toepasselijke specifieke voorwaarden van artikel 8, 11, 12, 13, 14, 16 of de voorwaarden van artikel 18;

b)

de overgelegde vergunningen of documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen of zijn vervalst of ongeoorloofd gewijzigd;

c)

de betrokken lidstaat alleen indiening via een erkende gastentiteit toelaat, en de gastentiteit niet wordt erkend;

d)

het verblijf van de derdelander andere doeleinden dient dan die waarvoor de vergunning was afgegeven.

2.   De lidstaten kunnen een vergunning intrekken of, in voorkomend geval, weigeren deze te verlengen wanneer:

a)

de gastentiteit of een ander orgaan als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), of een derde partij als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder d), of het gastgezin of het au-pairbemiddelingsbureau niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers of de arbeidsomstandigheden;

b)

indien van toepassing, de gastentiteit die of het gastgezin dat de derdelander in dienst wil nemen niet voldoet aan de arbeidsvoorwaarden zoals voorzien in het nationale recht, collectieve overeenkomsten of gebruiken in de betrokken lidstaat.

c)

de gastentiteit, een ander orgaan als bedoeld in artikel 14, lid 1, onder a), een derde als bedoeld in artikel 12, lid 1, onder d), of het gastgezin of het au-pairbemiddelingsbureau overeenkomstig het nationale recht bestraft is wegens zwartwerk of illegale arbeid;

d)

de gastentiteit is opgericht of opereert met als voornaamste doel derdelanders die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, toegang te verschaffen tot het gastland;

e)

in voorkomend geval, de bedrijfsactiviteiten van de gastentiteit overeenkomstig het nationale insolventierecht worden of zijn vereffend, of indien er geen economische activiteit plaatsvindt;

f)

voor studenten: indien de student zich niet houdt aan de tijdsbeperkingen die krachtens artikel 24 aan de toegang tot economische activiteiten zijn gesteld of volgens het nationale recht of de bestuurlijke gebruiken onvoldoende voortgang boekt bij zijn studie.

3.   In geval van intrekking kan een lidstaat bij de beoordeling van het gebrek aan voortgang bij de betreffende studie, zoals bedoeld in lid 2, onder f), de gastentiteit raadplegen.

4.   De lidstaten kunnen een vergunning intrekken of weigeren te verlengen om redenen die verband houden met de openbare orde, de openbare veiligheid, of de volksgezondheid.

5.   Indien een derdelander verzoekt om verlenging van zijn vergunning om in een lidstaat in een arbeidsverhouding te blijven of er een arbeidsverhouding aan te gaan, met uitzondering van een onderzoeker die met dezelfde gastentiteit in een arbeidsverhouding blijft, kan die lidstaat nagaan of de betrokken vacature door onderdanen van die lidstaat of door andere burgers van de Unie kan worden vervuld, dan wel door derdelanders die in die lidstaat de status van langdurig ingezetene bezitten, in welk geval zij de vergunning kunnen weigeren te verlengen. Dit lid geldt onverminderd het beginsel van preferentie voor burgers van de Unie, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke toetredingsakten.

6.   Indien de lidstaat van plan is de vergunning van een student in te trekken of niet te verlengen overeenkomstig lid 2, onder a), c), d) of e), mag de student een aanvraag indienen om bij een andere instelling voor hoger onderwijs een gelijkwaardige studie te voltooien. De student mag op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijven totdat de bevoegde autoriteiten een besluit hebben genomen over de aanvraag.

7.   Onverminderd lid 1 wordt in elk besluit tot intrekking of niet-verlenging van een vergunning rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval en wordt het evenredigheidsbeginsel geëerbiedigd.

HOOFDSTUK V

RECHTEN

Artikel 22

Gelijke behandeling

1.   Onderzoekers hebben recht op dezelfde behandeling als de onderdanen van de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 12, leden 1 en 4, van Richtlijn 2011/98/EU.

2.   De lidstaten mogen beperkingen stellen aan deze gelijke behandeling van onderzoekers:

a)

wat betreft artikel 12, lid 1, onder c), van Richtlijn 2011/98/EU, door beurzen, uitkeringen en leningen voor studie en onderhoud — of andere beurzen en leningen — uit te sluiten;

b)

wat betreft artikel 12, lid 1, onder e), van Richtlijn 2011/98/EU, door onderzoekers die ten hoogste zes maanden op het grondgebied van de betrokken lidstaat mogen verblijven geen gezinstoelagen toe te kennen;

c)

wat betreft artikel 12, lid 1, onder f), van Richtlijn 2011/98/EU, door de toepassing ervan te beperken tot gevallen waarin de geregistreerde of gebruikelijke verblijfplaats van de gezinsleden van de onderzoeker voor wie hij aanspraak maakt op uitkeringen zich op het grondgebied van de betrokken lidstaat bevindt;

(d)

wat betreft artikel 12, lid 1, onder g), van Richtlijn 2011/98/EU, door de toegang tot huisvesting te beperken.

3.   Stagiairs, vrijwilligers en au pairs die worden geacht in de betrokken lidstaat een arbeidsverhouding te zijn aangegaan, en studenten hebben recht op dezelfde behandeling als onderdanen van de betrokken lidstaat als bedoeld in artikel 12, leden 1 en 4, van Richtlijn 2011/98/EU, met inachtneming van de beperkingen als bedoeld in lid 2 van dat artikel.

4.   Stagiairs, vrijwilligers en au pairs die worden geacht in de betrokken lidstaat geen arbeidsverhouding te zijn aangegaan, en scholieren hebben recht op dezelfde behandeling met betrekking tot de toegang tot goederen en diensten en het aanbod van goederen en diensten dat volgens het nationale recht aan het publiek beschikbaar wordt gesteld, alsook, in voorkomend geval, met betrekking tot de erkenning van diploma's, certificaten en andere beroepskwalificaties, overeenkomstig de geldende nationale procedures.

De lidstaten kunnen overeenkomstig het nationale recht besluiten hun geen gelijke behandeling toe te kennen met betrekking tot procedures voor het verkrijgen van huisvesting en/of de gebruikmaking van diensten van arbeidsbureaus.

Artikel 23

Onderwijs door onderzoekers

Onderzoekers mogen, in overeenstemming met het nationale recht, naast hun onderzoeksactiviteiten lesgeven. De lidstaten kunnen een maximumaantal uren of dagen voor het lesgeven vaststellen.

Artikel 24

Economische activiteiten van studenten

1.   Buiten de studie-uren en onder voorbehoud van de regels en voorwaarden die voor de gekozen activiteit in de betrokken lidstaat gelden, mogen studenten in loondienst werken en als zelfstandige een economische activiteit uitoefenen, met inachtneming van de beperkingen als bedoeld in lid 3.

2.   Indien noodzakelijk verlenen de lidstaten aan studenten en/of werkgevers overeenkomstig hun nationale recht voorafgaande toestemming.

3.   Elke lidstaat stelt voor zo'n activiteit een maximumaantal toegelaten uren per week of dagen of maanden per jaar vast, van minimaal 15 uur per week of het equivalent ervan in dagen of maanden per jaar. Er kan rekening worden gehouden met de situatie op de arbeidsmarkt in de betrokken lidstaat.

Artikel 25

Verblijf voor onderzoekers en studenten met het oog op ondernemerschap of het zoeken naar werk

1.   Na de voltooiing van een onderzoek of een studie hebben onderzoekers en studenten de mogelijkheid om gedurende ten minste negen maanden op het grondgebied van de lidstaat die, overeenkomstig artikel 17 en op basis van de in lid 3 van dit artikel bedoelde verblijfsvergunning, een vergunning heeft verleend, te verblijven om werk te zoeken of een bedrijf op te richten.

2.   De lidstaten kunnen besluiten met betrekking tot het diploma een minimumniveau vast te stellen dat studenten moeten halen om voor de toepassing van dit artikel in aanmerking te komen. Dit niveau mag niet hoger zijn dan niveau 7 van het Europees kwalificatiekader (23).

3.   Voor verblijf als bedoeld in lid 1 geven de lidstaten, op basis van een aanvraag van de onderzoeker of de student, aan de derdelander een verblijfsvergunning af overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1030/2002, mits nog aan de voorwaarden van artikel 7, lid 1, onder a), c), d) en e), en artikel 7, lid 6, en, indien van toepassing, van artikel 7, lid 2, van deze richtlijn is voldaan. Voor onderzoekers verlangen de lidstaten een bevestiging van de onderzoeksinstelling dat de onderzoeksactiviteiten zijn voltooid, en voor studenten een bewijs van het behalen van een diploma of certificaat in het hoger onderwijs of een ander bewijs van opleidingstitels. In voorkomend geval, en indien nog aan de bepalingen van artikel 26 is voldaan, wordt de in dit artikel bedoelde verblijfsvergunning dienovereenkomstig verlengd.

4.   De lidstaten kunnen een aanvraag krachtens dit artikel afwijzen indien:

a)

niet is voldaan aan de voorwaarden van lid 3 en, indien van toepassing, van de leden 2 en 5;

b)

de overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of ongeoorloofd zijn gewijzigd.

5.   De lidstaten kunnen eisen dat de aanvraag krachtens dit artikel van onderzoekers of studenten, en, in voorkomend geval, van de gezinsleden van onderzoekers ten minste 30 dagen voor het einde van de geldigheid van de in krachtens artikel 17 of 26 verleende vergunningen worden ingediend.

6.   Indien het bewijs van het behalen van een diploma of certificaat in het hoger onderwijs of een ander bewijs van opleidingstitels, of de bevestiging van de onderzoeksinstelling dat de onderzoeksactiviteit is voltooid niet vóór het verstrijken van de krachtens artikel 17 verleende vergunning beschikbaar is, en aan alle andere voorwaarden is voldaan, dan staan de lidstaten toe dat de derdelander op hun grondgebied mag blijven om binnen een redelijke termijn en in overeenstemming met het nationale recht dergelijk bewijs over te kunnen leggen.

7.   Indien ten minste drie maanden verlopen zijn na de afgifte van de verblijfsvergunning krachtens dit artikel door de betrokken lidstaat, kan deze eisen dat derdelanders kunnen aantonen dat zij een gerede kans maken om te worden aangenomen of een bedrijf te beginnen.

De lidstaten kunnen eisen dat het werk dat de derdelander zoekt of het bedrijf dat hij aan het opstarten is, overeenstemt met het niveau van de afgeronde studie of het voltooide onderzoek.

8.   Wanneer niet meer aan de voorwaarden van de leden 3 of 7 wordt voldaan, kunnen de lidstaten overeenkomstig hun nationale recht de verblijfsvergunning van de derdelander en, in voorkomend geval, die van zijn gezinsleden intrekken.

9.   Tweede lidstaten kunnen dit artikel toepassen op onderzoekers en, in voorkomend geval, hun gezinsleden, of studenten die in de betrokken tweede lidstaat wonen of hebben gewoond, overeenkomstig de artikelen 28, 29, 30 en 31.

Artikel 26

Gezinsleden van onderzoekers

1.   Om het de gezinsleden van onderzoekers mogelijk te maken zich bij de onderzoeker in de eerste lidstaat te voegen, of, in het geval van langetermijnmobiliteit, in de tweede lidstaten, passen de lidstaten de bepalingen van Richtlijn 2003/86/EG met de in dit artikel neergelegde afwijkingen toe.

2.   In afwijking van artikel 3, lid 1, en van artikel 8 van Richtlijn 2003/86/EG wordt aan het afgeven van een verblijfsvergunning aan de gezinsleden niet de voorwaarde verbonden dat de onderzoeker reden heeft om te verwachten dat hem een permanent verblijfsrecht zal worden toegekend en dat hij al ten minste gedurende een bepaalde periode in het land verblijft.

3.   In afwijking van artikel 4, lid 1, laatste alinea, en van artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/86/EG kunnen de daarin bedoelde integratievoorwaarden en -maatregelen alleen worden toegepast nadat de betrokken personen een verblijfsvergunning hebben verkregen.

4.   In afwijking van artikel 5, lid 4, eerste alinea, van Richtlijn 2003/86/EG worden de verblijfsvergunningen voor gezinsleden door een lidstaat afgegeven binnen 90 dagen na de datum van indiening van de volledige aanvraag, mits aan de voorwaarden voor gezinshereniging is voldaan. De bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat behandelt de aanvraag voor gezinsleden tegelijk met de aanvraag voor de toelating of de langetermijnmobiliteit van de onderzoeker, indien de aanvraag voor gezinsleden op hetzelfde moment wordt ingediend. De verblijfsvergunning voor gezinsleden wordt slechts verleend wanneer de onderzoeker een vergunning heeft verkregen overeenkomstig artikel 17.

5.   In afwijking van artikel 13, leden 2 en 3, van Richtlijn 2003/86/EG, loopt de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen van gezinsleden, als algemene regel, af op de datum dat de vergunning van de onderzoeker verstrijkt. Dit omvat tevens, in voorkomend geval, vergunningen die aan de onderzoeker zijn afgegeven met het oog op ondernemerschap of het zoeken naar werk overeenkomstig artikel 25. De lidstaten kunnen verlangen dat de reisdocumenten van gezinsleden geldig zijn voor ten minste de duur van het geplande verblijf.

6.   In afwijking van artikel 14, lid 2, tweede zin, van Richtlijn 2003/86/EG, past de eerste lidstaat, of, in het geval van langetermijnmobiliteit, passen de tweede lidstaten, geen tijdslimiet toe voor toegang tot de arbeidsmarkt voor gezinsleden, behalve in uitzonderlijke omstandigheden zoals ongewoon hoge werkloosheid.

HOOFDSTUK VI

MOBILITEIT TUSSEN LIDSTATEN

Artikel 27

Mobiliteit binnen de Unie

1.   Een derdelander met een geldige vergunning die door de eerste lidstaat voor een studie in het kader van een uniaal of multilateraal of programma met mobiliteitsmaatregelen, voor een studie in het kader van een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs, of voor onderzoek is afgegeven, mag op basis van die vergunning en van een geldig reisdocument, onder de voorwaarden van de artikelen 28, 29 en 31 en behoudens artikel 32, één of meerdere tweede lidstaten binnengaan en er verblijven om een deel van zijn studie of onderzoek uit te voeren.

2.   Tijdens de in lid 1 bedoelde mobiliteit mogen onderzoekers en studenten overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 23 en 24 in één of meer tweede lidstaten naast hun onderzoeksactiviteiten doceren, respectievelijk naast hun studie werken.

3.   Indien een onderzoeker overeenkomstig artikel 28 of 29 ter naar een tweede lidstaat verhuist, wordt gezinsleden die houder zijn van een verblijfsvergunning die overeenkomstig artikel 26 is afgegeven, toegestaan de onderzoeker te vergezellen in het kader van zijn mobiliteit onder de voorwaarden van artikel 30.

Artikel 28

Kortetermijnmobiliteit van onderzoekers

1.   Onderzoekers die houder zijn van een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning, hebben, overeenkomstig de voorwaarden in dit artikel, het recht om — binnen een periode van 360 dagen per lidstaat — ten hoogste 180 dagen in een onderzoeksinstelling in een of meerdere tweede lidstaten te verblijven om een deel van hun onderzoek aldaar uit te voeren.

2.   De tweede lidstaat kan verlangen dat de onderzoeker, de onderzoeksinstelling in de eerste lidstaat of de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat de bevoegde instanties van de eerste en de tweede lidstaat in kennis stelt van het voornemen van de onderzoeker om een deel van zijn onderzoek in de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat uit te voeren.

In zulke gevallen zorgt de tweede lidstaat ervoor dat de kennisgeving kan plaatsvinden:

a)

op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat, indien er in dat stadium al een voornemen tot mobiliteit naar de tweede lidstaat bestaat, of

b)

nadat de onderzoeker in de eerste lidstaat is toegelaten, zodra de voorgenomen mobiliteit naar de tweede lidstaat bekend is.

3.   Indien de kennisgeving overeenkomstig lid 2, onder a), is geschied, en de tweede lidstaat geen bezwaar heeft gemaakt bij de eerste lidstaat overeenkomstig lid 7, kan de mobiliteit van de onderzoeker naar de tweede lidstaat plaatsvinden op ieder moment binnen de geldigheidsduur van de vergunning.

4.   Indien de kennisgeving overeenkomstig lid 2, onder b), is geschied, kan de mobiliteit ingaan onmiddellijk na de kennisgeving aan de tweede lidstaat, of op enig ander moment daarna binnen de geldigheidsduur van de vergunning.

5.   De kennisgeving gaat vergezeld van een geldig reisdocument, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a), en de door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning die de duur van de mobiliteit bestrijkt.

6.   De tweede lidstaat kan verlangen dat de kennisgeving de toezending van onderstaande documenten en informatie omvat:

a)

de gastovereenkomst in de eerste lidstaat als bedoeld in artikel 10 of, indien de tweede lidstaat dit vereist, een met de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat gesloten gastovereenkomst;

b)

de beoogde duur en data van de mobiliteit, indien die niet in de gastovereenkomst worden genoemd;

c)

bewijs dat de onderzoeker over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's dekt die doorgaans voor de onderdanen van de betrokken lidstaat gedekt zijn, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c);

d)

bewijs dat de onderzoeker tijdens zijn verblijf over voldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder in de lidstaat een beroep te hoeven doen op het bijstandssysteem, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder e), alsmede om de reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 32, lid 4, onder b), bedoelde gevallen.

De tweede lidstaat kan de kennisgever ertoe verplichten om, vóór het begin van de mobiliteit, het adres van de betrokken onderzoeker op het grondgebied van de tweede lidstaat te verstrekken.

De tweede lidstaat kan van de kennisgever verlangen dat hij de documenten indient in een officiële taal van die lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

7.   Naar aanleiding van de kennisgeving bedoeld in lid 2 kan de tweede lidstaat binnen 30 dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving bezwaar maken tegen de mobiliteit van de onderzoeker naar zijn grondgebied, indien:

a)

niet aan de voorwaarden van lid 5 of, in voorkomend geval, lid 6, is voldaan;

b)

een van de gronden voor weigering als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder b) of c), of in lid 2 van dit artikel van toepassing is;

c)

de maximumduur van het verblijf, zoals bedoeld in lid 1, is verstreken.

8.   Onderzoekers die worden beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid wordt niet toegestaan het grondgebied van de tweede lidstaat binnen te komen of er te verblijven.

9.   De bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat stellen de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat en de kennisgever onverwijld schriftelijk in kennis van hun bezwaar tegen de mobiliteit. Indien de tweede lidstaat tegen de mobiliteit bezwaar maakt overeenkomstig lid 7 en de mobiliteit nog niet heeft plaatsgevonden, is het de onderzoeker niet toegestaan een deel van zijn onderzoek in de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat uit te voeren. Indien de mobiliteit reeds heeft plaatsgevonden, geldt artikel 32, lid 4.

10.   Nadat de bezwaartermijn is verstreken, kan de tweede lidstaat een document aan de onderzoeker afgeven waaruit blijkt dat hij het recht heeft op zijn grondgebied te verblijven en de rechten te genieten waarin deze richtlijn voorziet.

Artikel 29

Langetermijnmobiliteit van onderzoekers

1.   Met betrekking tot onderzoekers die houder zijn van een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning en van plan zijn om meer dan 180 dagen per lidstaat in een onderzoeksinstelling in een of meerdere tweede lidstaten te verblijven om een deel van hun onderzoek aldaar uit te voeren, zal de tweede lidstaat:

a)

artikel 28 toepassen en de onderzoeker toestaan op zijn grondgebied te verblijven op basis van en gedurende de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning, dan wel

b)

de procedure in de leden 2 tot en met 7 toepassen.

De tweede lidstaat kan een grens stellen aan de duur van de langetermijnmobiliteit van een onderzoeker — deze is niet minder dan 360 dagen.

2.   Wanneer een aanvraag voor langetermijnmobiliteit wordt ingediend, geldt onderstaande:

a)

de tweede lidstaat kan van de onderzoeker, de onderzoeksinstelling in de eerste lidstaat of de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat verlangen de volgende documenten toe te zenden:

i)

een geldig reisdocument, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder a), en een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning;

ii)

bewijs dat de onderzoeker over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's dekt die doorgaans voor de onderdanen van de betrokken lidstaat gedekt zijn, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c);

iii)

bewijs dat de onderzoeker tijdens zijn verblijf over voldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder in de lidstaat een beroep te hoeven doen op het bijstandssysteem, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder e), alsmede om de reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 32, lid 4, onder b), bedoelde gevallen;

iv)

de gastovereenkomst in de eerste lidstaat als bedoeld in artikel 10 of, indien de tweede lidstaat dit vereist, een met de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat gesloten gastovereenkomst;

v)

de beoogde duur en data van de mobiliteit, indien die niet in de door de aanvrager overlegde documenten worden genoemd.

De tweede lidstaat kan van de aanvrager verlangen dat hij het adres geeft van de onderzoeker op zijn grondgebied. Wanneer het nationale recht van de tweede lidstaat vereist dat er een adres wordt opgegeven op het moment van de aanvraag en de betrokken onderzoeker zijn toekomstige adres nog niet kent, aanvaardt die lidstaat een tijdelijk adres. In dat geval moet de onderzoeker zijn vaste adres uiterlijk op het moment van de afgifte van de vergunning voor langetermijnmobiliteit verstrekken.

De tweede lidstaat kan van aanvragers verlangen dat zij de documenten indienen in een officiële taal van die lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

b)

de tweede lidstaat neemt een besluit over de aanvraag voor langetermijnmobiliteit en stelt de aanvragers zo spoedig mogelijk en uiterlijk 90 dagen na de datum waarop de volledige aanvraag bij de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat is ingediend, schriftelijk in kennis van het besluit.

c)

van de onderzoeker wordt niet verlangd dat hij het grondgebied van de lidstaten verlaat om een aanvraag in te dienen en hij is ook niet visumplichtig.

d)

de onderzoeker mag een deel van zijn onderzoek in de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat verrichten totdat door de bevoegde autoriteiten een besluit over de aanvraag voor langetermijnmobiliteit genomen is, mits:

i)

de in artikel 28, lid 1, bedoelde periode noch de geldigheidsperiode van de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning zijn verstreken, en

ii)

indien de tweede lidstaat dat verlangt, de gehele aanvraag minstens 30 dagen voor aanvang van de langetermijnmobiliteit van de onderzoeker bij de tweede lidstaat is ingediend;

e)

een aanvraag voor langetermijnmobiliteit mag niet tegelijk met een kennisgeving voor kortetermijnmobiliteit worden ingediend. Wanneer de noodzaak van langetermijnmobiliteit zich aandient nadat de kortetermijnmobiliteit van de onderzoeker is ingegaan, kan de tweede lidstaat verlangen dat de aanvraag van langetermijnmobiliteit minstens 30 dagen voor de afloop van de kortetermijnmobiliteit wordt ingediend.

3.   De tweede lidstaat kan een aanvraag voor langetermijnmobiliteit afwijzen indien:

a)

niet aan de voorwaarden van lid 2, onder a), wordt voldaan;

b)

een van de gronden voor weigering als bedoeld in artikel 20, met uitzondering van lid 1, onder a) van dat artikel van toepassing is;

c)

de vergunning van de onderzoeker in de eerste lidstaat tijdens de procedure verstrijkt, of

d)

in voorkomend geval, de maximumduur van het verblijf, zoals vastgelegd in lid 1, tweede alinea, is verstreken.

4.   Onderzoekers die worden beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid wordt niet toegestaan het grondgebied van de tweede lidstaat binnen te komen of er te verblijven.

5.   Wanneer de tweede lidstaat een positief besluit neemt over de aanvraag voor langetermijnmobiliteit als bedoeld in lid 2 van dit artikel, wordt aan de onderzoeker een vergunning afgegeven overeenkomstig artikel 17, lid 4. De tweede lidstaat brengt de bevoegde autoriteiten in de eerste lidstaat op de hoogte van de afgifte van een vergunning voor langetermijnmobiliteit.

6.   De tweede lidstaat kan de vergunning voor langetermijnmobiliteit intrekken indien:

a)

niet of niet langer aan de voorwaarden van lid 2, onder a), of lid 4 van dit artikel wordt voldaan, of

b)

een van de gronden voor intrekking van een vergunning als bedoeld in artikel 21, met uitzondering van lid 1, onder a), lid 2, onder f), en de leden 3, 5 en 6 van dit artikel, van toepassing is.

7.   Wanneer een lidstaat een besluit neemt over langetermijnmobiliteit, zijn de leden 2 tot en met 5 van artikel 34 dienovereenkomstig van toepassing.

Artikel 30

Mobiliteit van gezinsleden van onderzoekers

1.   Gezinsleden van een onderzoeker die in het bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning die is afgegeven door de eerste lidstaat hebben het recht in een of meerdere andere lidstaten binnen te komen en te verblijven om de onderzoeker te vergezellen.

2.   Wanneer de tweede lidstaat de in artikel 28, lid 2, bedoelde kennisgevingsprocedure toepast, eist hij de toezending van de volgende documenten en informatie:

a)

de documenten en informatie die vereist zijn krachtens artikel 28, lid 5 en lid 6, onder b), c) en d), betreffende de gezinsleden die de onderzoeker vergezellen.

b)

een bewijs dat het gezinslid overeenkomstig artikel 26 als zodanig in de eerste lidstaat heeft verbleven.

De tweede lidstaat kan van de kennisgever verlangen dat hij de bovengenoemde documenten indient in een officiële taal van die lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

De tweede lidstaat kan bezwaar maken tegen de mobiliteit van een gezinslid op zijn grondgebied indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden inde eerste alinea. Artikel 28, lid 7, onder b) en c) en lid 9, zijn dienovereenkomstig op deze gezinsleden van toepassing.

3.   Wanneer de tweede lidstaat de procedure van artikel 29, lid 1, onder b), toepast, moet bij de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat door de onderzoeker of de gezinsleden van de onderzoeker een aanvraag worden ingediend. De tweede lidstaat verlangt van de aanvrager dat hij de volgende documenten en informatie met betrekking tot de gezinsleden toezendt:

a)

de documenten en informatie die vereist zijn volgens artikel 29, lid 2, onder a), i), ii), iii) en v), betreffende de gezinsleden die de onderzoeker vergezellen;

b)

een bewijs dat het gezinslid van de onderzoeker overeenkomstig artikel 26 als zodanig in de eerste lidstaat heeft verbleven.

De tweede lidstaat kan van de aanvrager verlangen dat hij de bovengenoemde documenten indient in een officiële taal van die lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

De tweede lidstaat kan de aanvraag voor langetermijnmobiliteit van een gezinslid op zijn grondgebied weigeren indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden van lid 1. Artikel 29, lid 2, onder b) en c), lid 3, onder b), c) en d), lid 5, lid 6, onder b), en lid 7, zijn dienovereenkomstig op deze gezinsleden van toepassing.

De geldigheidsduur van de vergunning voor langetermijnmobiliteit van gezinsleden loopt, als algemene regel, af op de datum dat de door de tweede lidstaat afgegeven vergunning van de onderzoeker verstrijkt.

De vergunning voor langetermijnmobiliteit van gezinsleden kan ingetrokken of niet verlengd worden indien de vergunning voor langetermijnmobiliteit van de onderzoeker die zij vergezellen ingetrokken of niet verlengd wordt en zij geen autonoom verblijfsrecht genieten.

4.   Gezinsleden die worden beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid wordt niet toegestaan het grondgebied van de tweede lidstaat binnen te komen of er te verblijven.

Artikel 31

Mobiliteit van studenten

1.   Studenten met een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning die onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs vallen, hebben het recht voor een periode van ten hoogste 360 dagen per lidstaat één of meerdere tweede lidstaten binnen te gaan en er te verblijven om een deel van hun studie in een instelling voor hoger onderwijs te voltooien, met inachtneming van de voorwaarden in de leden 2 tot en met 10.

Een student die niet onder een uniaal of multilateraal programma met mobiliteitsmaatregelen, of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs valt, moet overeenkomstig artikelen 7 en 11 bij een tweede lidstaat een aanvraag voor een vergunning voor toegang en verblijf indienen om een deel van zijn studie in een instelling voor hoger onderwijs te voltooien.

2.   De tweede lidstaat kan verlangen dat de instelling voor hoger onderwijs in de eerste lidstaat, de instelling voor hoger onderwijs in de tweede lidstaat of de student de bevoegde instanties van de eerste en de tweede lidstaat in kennis stelt van het voornemen van de student om een deel van zijn studie in de instelling voor hoger onderwijs in de tweede lidstaat te voltooien.

In zulke gevallen zorgt de tweede lidstaat ervoor dat de kennisgeving kan plaatsvinden:

a)

op het moment van de aanvraag in de eerste lidstaat, indien er in dat stadium al een voornemen tot mobiliteit naar de tweede lidstaat bestaat, of

b)

nadat de student in de eerste lidstaat is toegelaten, zodra de voorgenomen mobiliteit naar de tweede lidstaat bekend is.

3.   Indien de kennisgeving overeenkomstig lid 2, onder a), is geschied, en de tweede lidstaat geen bezwaar heeft gemaakt bij de eerste lidstaat overeenkomstig lid 7, kan de mobiliteit van de student naar de tweede lidstaat plaatsvinden op ieder moment binnen de geldigheidsduur van de vergunning.

4.   Indien de kennisgeving overeenkomstig lid 2, onder b), is geschied, en de tweede lidstaat geen schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen de mobiliteit van de student overeenkomstig de leden 7 en 9, wordt de mobiliteit geacht te zijn goedgekeurd en kan deze in de tweede lidstaat plaatsvinden.

5.   De kennisgeving gaat vergezeld van een geldig reisdocument, zoals bedoeld in artikel 7, lid 1, onder a), en de door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning voor de totale periode van de mobiliteit.

6.   De tweede lidstaat kan verlangen dat de kennisgeving de toezending van onderstaande documenten en informatie omvat:

a)

het bewijs dat de student een deel van zijn studie in de tweede lidstaat onder een uniaal of multilateraal of programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs doet, en het bewijs dat de student in de tweede lidstaat door een instelling voor hoger onderwijs is aangenomen;

b)

de beoogde duur en data van de mobiliteit, indien die niet onder punt, onder a) worden genoemd;

c)

bewijs dat de student over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's dekt die doorgaans voor de onderdanen van de betrokken lidstaat gedekt zijn, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder c);

d)

bewijs dat de student tijdens zijn verblijf over voldoende middelen beschikt om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder in de lidstaat een beroep te hoeven doen op het bijstandsysteem, overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder e), om zijn studiekosten te kunnen betalen, alsmede om de reiskosten naar de eerste lidstaat te kunnen dragen in de in artikel 32, lid 4, onder b), bedoelde gevallen;

e)

bewijs dat hij, in voorkomend geval, het inschrijfgeld voor de instelling voor hoger onderwijs heeft betaald.

De tweede lidstaat kan de kennisgever ertoe verplichten om, vóór het begin van de mobiliteit, het adres van de betrokken student op het grondgebied van de tweede lidstaat te verstrekken.

De tweede lidstaat kan van de kennisgever verlangen dat hij de documenten indient in een officiële taal van die lidstaat of in een van de officiële talen van de Unie, zoals bepaald door die lidstaat.

7.   Naar aanleiding van de kennisgeving bedoeld in lid 2 kan de tweede lidstaat binnen 30 dagen na ontvangst van de volledige kennisgeving bezwaar maken tegen de mobiliteit van de student naar zijn grondgebied, indien:

a)

niet aan de voorwaarden van lid 5 of lid 6 wordt voldaan;

b)

een van de gronden voor weigering als bedoeld in artikel 20, lid 1, onder b) of c), of in lid 2 van dat artikel, van toepassing is;

c)

de maximumduur van het verblijf, zoals bedoeld in lid 1, is verstreken.

8.   Studenten die worden beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid wordt niet toegestaan het grondgebied van de tweede lidstaat binnen te komen of er te verblijven.

9.   De bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat stellen de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat en de kennisgever onverwijld schriftelijk in kennis van hun bezwaar tegen de mobiliteit. Indien de tweede lidstaat tegen de mobiliteit bezwaar maakt overeenkomstig lid 7, is het de student niet toegestaan een deel van zijn studie in de instelling voor hoger onderwijs in de tweede lidstaat te voltooien.

10.   Nadat de bezwaartermijn is verstreken, kan de tweede lidstaat een document aan de student afgeven waaruit blijkt dat hij het recht heeft op zijn grondgebied te verblijven en de rechten te genieten waarin deze richtlijn voorziet.

Artikel 32

Waarborgen en sancties bij mobiliteit

1.   Wanneer de vergunning voor onderzoek of studie wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat die het Schengenacquis niet volledig toepast en de onderzoeker of student in het kader van de mobiliteit een buitengrens naar een tweede lidstaat overschrijdt, kunnen de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat de door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning verlangen als bewijsmateriaal voor de mobiliteit, alsmede:

a)

een kopie van de kennisgeving overeenkomstig artikel 28, lid 2, dan wel artikel 31, lid 2, dan wel

b)

indien de tweede lidstaat mobiliteit zonder kennisgeving toestaat, een bewijs dat de student een deel van zijn studie in de tweede lidstaat onder een uniaal of multilateraal of programma met mobiliteitsmaatregelen of onder een overeenkomst tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs voltooit, of voor onderzoekers, een kopie van de gastovereenkomst met de details van de mobiliteit van de onderzoeker of, indien de details van de mobiliteit niet in de gastovereenkomst worden beschreven, een brief van de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat met daarin op zijn minst de duur van de mobiliteit binnen de Unie en de locatie van de onderzoeksinstelling in de tweede lidstaat.

In het geval van de gezinsleden van de onderzoeker, kunnen de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat als bewijs van de mobiliteit een door de eerste lidstaat afgegeven geldige vergunning verlangen en een kopie van de kennisgeving als bedoeld in artikel 30, lid 2, dan wel een bewijs dat zij de onderzoeker vergezellen.

2.   Wanneer de bevoegde autoriteiten van de eerste lidstaat de vergunning intrekken, stellen zij, in voorkomende gevallen, de autoriteiten van de tweede lidstaat daar onmiddellijk van op de hoogte.

3.   De tweede lidstaat kan verlangen door de gastentiteit van de tweede lidstaat, de onderzoeker of de student in kennis te worden gesteld van alle wijzigingen die van invloed zijn op de voorwaarden die ten grondslag liggen aan de goedkeuring van de mobiliteit.

4.   Indien de onderzoeker of, indien van toepassing, zijn gezinsleden, of de student niet of niet langer voldoet aan de voorwaarden voor mobiliteit:

a)

kan de tweede lidstaat verlangen dat de onderzoeker en, indien van toepassing, zijn gezinsleden, of de student, onmiddellijk ophoudt met alle activiteiten en zijn grondgebied verlaat;

b)

laat de eerste lidstaat op verzoek van de tweede lidstaat de onderzoeker en, indien van toepassing, diens gezinsleden, of de student zonder formaliteiten en onverwijld weer toe op zijn grondgebied. Dat geldt ook indien de door de eerste lidstaat afgegeven vergunning tijdens de periode van mobiliteit in de tweede lidstaat is verstreken of ingetrokken.

5.   Wanneer een onderzoeker, zijn gezinsleden of een student de buitengrens van een lidstaat die het Schengenacquis volledig uitvoert, overschrijdt, raadpleegt die lidstaat het Schengeninformatiesysteem. Die lidstaat weigert de toegang of maakt bezwaar tegen de mobiliteit van personen die in het Schengeninformatiesysteem gesignaleerd staan met het oog op weigering van toegang en verblijf.

HOOFDSTUK VII

PROCEDURE EN TRANSPARANTIE

Artikel 33

Sancties tegen gastentiteiten

De lidstaten kunnen gastentiteiten of, in de in artikel 24 bedoelde gevallen, werkgevers die niet aan hun door deze richtlijn voorgeschreven verplichtingen hebben voldaan, sancties opleggen. De sancties hebben een doeltreffend, evenredig en afschrikkend karakter.

Artikel 34

Procedurele waarborgen en transparantie

1.   De bevoegde instanties van de betrokken lidstaat nemen een besluit over de aanvraag voor een vergunning of voor verlenging ervan en stellen de aanvrager, overeenkomstig de nationale wettelijke kennisgevingsprocedures van de betrokken lidstaat, zo spoedig mogelijk en uiterlijk 90 dagen na de datum waarop de volledige aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis van hun besluit.

2.   In afwijking van lid 1 van dit artikel wordt, indien het bij de toelatingsprocedure een goedgekeurde gastentiteit als bedoeld in de artikelen 9 en 15 betreft, het besluit over de volledige aanvraag zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 60 dagen genomen.

3.   Indien de ter staving van de aanvraag verstrekte informatie of documentatie onvolledig is, delen de bevoegde instanties de aanvrager binnen een redelijke termijn mee welke aanvullende gegevens vereist zijn en stellen zij voor de verstrekking hiervan een redelijke termijn vast. De in de leden 1 en 2 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de autoriteiten de gevraagde aanvullende informatie hebben ontvangen. Indien de aanvullende informatie of documenten niet binnen de gestelde termijn worden verstrekt, kan de aanvraag worden afgewezen.

4.   De redenen voor een besluit tot niet-ontvankelijk verklaren, afwijzing van een aanvraag of weigering van een verlenging worden de aanvrager schriftelijk meegedeeld. De redenen voor een besluit tot intrekking van een vergunning worden de derdelander schriftelijk meegedeeld. De redenen voor een besluit tot intrekking van een vergunning kunnen ook schriftelijk aan de gastentiteit worden meegedeeld.

5.   Een besluit tot niet-ontvankelijk verklaren, afwijzing van de aanvraag, of niet-verlenging of intrekking van een vergunning kan juridisch worden aangevochten in de betrokken lidstaat, overeenkomstig het nationale recht. De rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie waar een beroep kan worden ingesteld en de beroepstermijn worden in de schriftelijke kennisgeving vermeld.

Artikel 35

Transparantie en toegang tot informatie

De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over alle bewijsstukken die bij een aanvraag moeten worden gevoegd en over de voorwaarden voor toegang en verblijf, ook wat betreft de rechten en plichten en de procedurele waarborgen van de derdelander die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn valt en, indien van toepassing, zijn gezinsleden, gemakkelijk toegankelijk is voor de aanvragers. Deze informatie omvat, in voorkomend geval, wat wordt verstaan onder voldoende middelen per maand, met inbegrip van de middelen die nodig zijn om de studie- of de stagekosten te dekken, onverminderd de individuele behandeling van elk geval, en de verschuldigde vergoedingen.

De bevoegde instanties in elke lidstaat publiceren lijsten van de uit hoofde van deze richtlijn erkende gastentiteiten. Bijgewerkte versies van dergelijke lijsten worden na wijzigingen zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.

Artikel 36

Vergoedingen

De lidstaten kunnen van derdelanders en, indien van toepassing, hun gezinsleden of gastentiteiten een vergoeding verlangen voor de behandeling van in deze richtlijn bedoelde aanvragen en kennisgevingen. De hoogte van deze vergoedingen mag niet buitensporig of onevenredig zijn.

HOOFDSTUK VIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 37

Samenwerking tussen contactpunten

1.   De lidstaten benoemen contactpunten die doeltreffend zullen samenwerken en verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en doorgeven van de informatie die nodig is voor de uitvoering van de artikelen 28 tot en met 32. De lidstaten wisselen de informatie bij voorkeur elektronisch uit.

2.   Elke lidstaat informeert de overige lidstaten via de in lid 1 bedoelde nationale contactpunten:

a)

over de in de artikelen 28 tot en met 31 bedoelde procedures die op mobiliteit worden toegepast;

b)

of die lidstaat studenten en onderzoekers enkel toelaat via erkende onderzoeksinstellingen of instellingen voor hoger onderwijs;

c)

over multilaterale programma's voor studenten en onderzoekers met mobiliteitsmaatregelen en overeenkomsten tussen twee of meer instellingen voor hoger onderwijs.

Artikel 38

Statistieken

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van statistische gegevens over het aantal vergunningen dat in het kader van deze richtlijn is afgegeven, over het aantal ontvangen kennisgevingen overeenkomstig artikel 28, lid 2, of artikel 31, lid 2, en, voor zover mogelijk, over het aantal derdelanders van wie de vergunningen zijn verlengd of ingetrokken. Op dezelfde wijze verstrekken zij statistische gegevens over het aantal gezinsleden van onderzoekers. Deze statistische gegevens worden uitgesplitst naar staatsburgerschap en, voor zover mogelijk, naar geldigheidsduur van de vergunning.

2.   De in lid 1 bedoelde statistische gegevens hebben betrekking op referentieperioden van één kalenderjaar en worden binnen zes maanden na het einde van het referentiejaar aan de Commissie medegedeeld. Het eerste referentiejaar is 2019.

3.   De in lid 1 bedoelde statistische gegevens worden meegedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad (24).

Artikel 39

Verslaglegging

Periodiek, en voor het eerst uiterlijk op 23 mei 2023, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten en stelt zij in voorkomend geval de nodige wijzigingen voor.

Artikel 40

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 23 mei 2018 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor deze verwijzing en de formulering van deze vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 41

Intrekking

Richtlijnen 2004/114/EG en 2005/71/EG worden met ingang van 24 mei 2018 ingetrokken voor de door deze richtlijnen gebonden lidstaten, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage I, deel B, bij deze richtlijn genoemde termijn voor omzetting in nationaal recht van die richtlijnen.

Voor de door deze richtlijn gebonden lidstaten gelden verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden deze gelezen volgens de concordantietabellen in bijlage II.

Artikel 42

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 43

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 11 mei 2016.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

J.A. HENNIS-PLASSCHAERT


(1)  PB C 341 van 21.11.2013, blz. 50.

(2)  PB C 114 van 15.4.2014, blz. 42.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 25 februari 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en standpunt van de Raad in eerste lezing van 10 maart 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12).

(5)  Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15).

(6)  Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PB L 251 van 3.10.2003, blz. 12).

(7)  PB C 372 van 20.12.2011, blz. 36.

(8)  Richtlijn 2014/66/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen in het kader van een overplaatsing binnen een onderneming (PB L 157 van 27.5.2014, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB L 381 van 28.12.2006, blz. 4).

(11)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(12)  Richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven (PB L 343 van 23.12.2011, blz. 1).

(13)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen (PB L 344 van 29.12.2010, blz. 1).

(15)  Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).

(16)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(17)  Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(18)  Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (PB L 212 van 7.8.2001, blz. 12).

(19)  Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (PB L 16 van 23.1.2004, blz. 44).

(20)  Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan (PB L 155 van 18.6.2009, blz. 17).

(21)  Overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19).

(22)  Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1).

(23)  Aanbeveling van het Europees Parlement en van de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1).

(24)  Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).


BIJLAGE I

Deel A

Ingetrokken richtlijnen

(bedoeld in artikel 41)

Richtlijn 2004/114/EG van de Raad

(PB L 375 van 23.12.2004, blz. 12)

Richtlijn 2005/71/EG van de Raad

(PB L 289 van 3.11.2005, blz. 15)

Deel B

Termijnen voor omzetting in nationaal recht en toepassingsdata

(bedoeld in artikel 41)

Richtlijn

Omzettingstermijn

Toepassingsdatum

2004/114/EG

12.1.2007

 

2005/71/EG

12.10.2007

 


BIJLAGE II

Concordantietabellen

Richtlijn 2004/114/EG

Onderhavige richtlijn

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder a)

Artikel 1, onder b)

Artikel 1, onder b)

Artikel 2, aanhef

Artikel 3, aanhef

Artikel 2, onder a)

Artikel 3, lid 1

Artikel 2, onder b)

Artikel 3, lid 3

Artikel 2, onder c)

Artikel 3, lid 4

Artikel 2, onder d)

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 6

Artikel 2, onder e)

Artikel 3, leden 11 en 13

Artikel 2, onder f)

Artikel 3, lid 7

Artikel 2, onder g)

Artikel 3, lid 22

Artikel 3, lid 8

Artikel 3, lid 12

Artikel 3, leden 14 tot en met 21

Artikel 3, leden 23 en 24

Artikel 3, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d)

Artikel 2, lid 2, onder a) tot en met d)

Artikel 3, lid 2, onder e)

Artikel 2, lid 2, onder e) tot en met g)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5, lid 1

Artikel 5, leden 2 en 3

Artikel 6

Artikel 6, lid 1, onder a) tot en met c) en e)

Artikel 7, lid 1, onder a) tot en met d)

Artikel 6, lid 1, onder d)

Artikel 7, lid 6

Artikel 6, lid 2

Artikel 7, leden 2 en 3

Artikel 7, lid 1, aanhef

Artikel 11, lid 1, aanhef

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 11, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, onder b)

Artikel 7, lid 1, onder e) en artikel 11, lid 1, onder d)

Artikel 7, lid 1, onder c)

Artikel 11, lid 1, onder c)

Artikel 7, lid 1, onder d)

Artikel 11, lid 1, onder b)

Artikel 7, lid 2

Artikel 11, lid 2

Artikel 11, lid 3

Artikel 8

Artikel 31

Artikel 9, leden 1 en 2

Artikel 12, leden 1 en 2

Artikel 10, aanhef

Artikel 13, lid 1, aanhef

Artikel 10, onder a)

Artikel 13, lid 1, onder a)

Artikel 13, lid 1, onder b)

Artikel 10, onder b)

Artikel 7, lid 1, onder e) en artikel 13, lid 1, onder c)

Artikel 10, onder c)

Artikel 13, lid 1, onder d)

Artikel 13, lid 1, onder e) en f)

Artikel 13, leden 2 tot en met 4

Artikel 11, aanhef

Artikel 14, lid 1, aanhef

Artikel 11, onder a)

Artikel 14, lid 2

Artikel 11, onder b)

Artikel 14, lid 1, onder a)

Artikel 14, lid 1, onder b)

Artikel 11, onder c)

Artikel 14, lid 1, onder c)

Artikel 11, onder d)

Artikel 14, lid 1, onder d)

Artikel 12, lid 1

Artikel 18, lid 2

Artikel 12, lid 2

Artikel 21, lid 2, onder f)

Artikel 13

Artikel 18, lid 4

Artikel 14

Artikel 18, lid 6

Artikel 15

Artikel 18, lid 7

Artikel 18 leden 3, 5, 8 en 9

Artikelen 16, 17 en 19

Artikel 16, lid 1

Artikel 21, lid 1, onder a) en b)

Artikel 21, lid 1, onder c) en d)

Artikel 16, lid 2

Artikel 21, lid 4

Artikel 21, lid 2, onder a) tot en met e)

Artikel 21, lid 3

Artikel 21, leden 5 tot en met 7

Artikel 22, leden 3 en 4

Artikel 17, lid 1, eerste alinea, eerste volzin

Artikel 24, lid 1

Artikel 17, lid 1, eerste alinea, tweede volzin

Artikel 24, lid 3

Artikel 17, lid 1, tweede alinea

Artikel 24, lid 2

Artikel 17, lid 2

Artikel 24, lid 3

Artikel 17, leden 3 en 4

Artikel 24

Artikel 27

Artikel 30

Artikelen 32 en 33

Artikel 18, lid 1

Artikel 34, lid 1

Artikel 34, lid 2

Artikel 18, leden 2, 3 en 4

Artikel 34, leden 3, 4 en 5

Artikel 19

Artikel 35, eerste lid

Artikel 20

Artikel 36

Artikelen 37 en 38

Artikel 21

Artikel 39

Artikelen 22 tot en met 25

Artikelen 40 tot en met 42

Artikel 26

Artikel 43

Bijlagen I en II


Richtlijn 2005/71/EG

Onderhavige richtlijn

Artikel 1

Artikel 1, onder a)

Artikel 2, aanhef

Artikel 3, aanhef

Artikel 2, onder a)

Artikel 3, lid 1

Artikel 2, onder b)

Artikel 3, lid 9

Artikel 2, onder c)

Artikel 3, lid 10

Artikel 2, onder d)

Artikel 3, lid 2

Artikel 2, onder e)

Artikel 3, lid 22

Artikelen 3, lid 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 3, lid 2, onder a)

Artikel 2, lid 2, onder a)

Artikel 3, lid 2, onder b)

Artikel 3, lid 2, onder c)

Artikel 2, lid 2, onder b)

Artikel 3, lid 2, onder d)

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5, lid 1

Artikel 9, lid 1

Artikel 5, lid 2

Artikel 9, lid 2

Artikel 5, lid 3

Artikel 8, lid 2

Artikel 5, lid 4

Artikel 10, lid 7

Artikel 5, lid 5

Artikel 35, tweede lid

Artikel 5, lid 6

Artikel 9, lid 3

Artikel 5, lid 7

Artikel 10, lid 8

Artikel 6, lid 1

Artikel 10, lid 1

Artikel 10, lid 2

Artikel 6, lid 2, onder a)

Artikel 10, lid 4

Artikel 6, lid 2, onder b)

Artikel 7, lid 1, onder e)

Artikel 6, lid 2, onder c)

Artikel 7, lid 1, onder c)

Artikel 6, lid 2, onder d)

Artikel 10, lid 3

Artikel 6, lid 3

Artikel 6, leden 4 en 5

Artikel 10, leden 5 en 6

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, onder a)

Artikel 7, lid 1, onder b)

Artikel 8, lid 1

Artikel 7, lid 1, onder c)

Artikel 8, lid 2

Artikel 7, lid 1, onder d)

Artikel 7, lid 6

Artikel 7, lid 1, laatste alinea

Artikel 7, lid 2

Artikel 7, lid 3

Artikel 5, lid 3

Artikel 8

Artikel 18, lid 1

Artikel 9

Artikel 26

Artikel 10, lid 1

Artikel 21, lid 1, onder a), onder b) en, onder d)

Artikel 10, lid 2

Artikel 21, lid 4

Artikel 11, leden 1 en 2

Artikel 23

Artikel 12

Artikel 22, leden 1 en 2

Artikel 13

Artikelen 28 en 29

Artikel 14, lid 1

Artikel 7, lid 5

Artikel 14, leden 2 en 3

Artikel 7, lid 4

Artikel 14, lid 4

Artikel 5, lid 3

Artikel 15, lid 1

Artikel 34, lid 1

Artikel 34, lid 2

Artikel 15, lid 2

Artikel 34, lid 3

Artikel 15, lid 3

Artikel 34, lid 4

Artikel 15, lid 4

Artikel 34, lid 5

Artikel 16

Artikel 39

Artikel 17 tot en met 20

Artikel 21

Artikel 43


Top