Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0036

Richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider

OJ L 94, 28.3.2014, p. 375–390 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/36/oj

28.3.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 94/375


RICHTLIJN 2014/36/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 26 februari 2014

betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 2, onder a) en b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht is in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied van asiel, immigratie en de bescherming van de rechten van onderdanen van derde landen.

(2)

Het VWEU bepaalt dat de Unie een gemeenschappelijk immigratiebeleid moet ontwikkelen dat erop gericht is in alle stadia te zorgen voor een efficiënt beheer van de migratiestromen en een billijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven. Daartoe dienen het Europees Parlement en de Raad maatregelen te nemen aangaande de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen en de vaststelling van hun rechten.

(3)

In het Haags programma, dat door de Europese Raad van 4 november 2004 is vastgesteld, wordt erkend dat legale migratie een belangrijke rol speelt bij de bevordering van economische ontwikkeling, en wordt de Commissie verzocht een beleidsplan over legale migratie in te dienen waarin toelatingsprocedures zijn opgenomen waarmee snel kan worden ingespeeld op wisselingen in de vraag naar arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt.

(4)

Tijdens de Europese Raad van 14 en 15 december 2006 is een stappenplan afgesproken voor 2007. Dat stappenplan omvat de ontwikkeling van een goed aangestuurd immigratiebeleid dat de lidstaten helpt in de bestaande en de toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt te voorzien, en dat daarbij de nationale bevoegdheden volledig in acht neemt. De Europese Raad riep ook op te zoeken naar middelen om tijdelijke migratie te vergemakkelijken.

(5)

Het Europees pact inzake immigratie en asiel, dat op 16 oktober 2008 door de Europese Raad werd goedgekeurd, geeft uiting aan het vaste voornemen van de Unie en haar lidstaten om een eerlijk, doeltreffend en samenhangend beleid te voeren ten aanzien van de uitdagingen en kansen die uit migratie voortvloeien. Het pact vormt de basis voor een gemeenschappelijk immigratiebeleid dat geïnspireerd is door een geest van solidariteit tussen de lidstaten en samenwerking met derde landen en dat stoelt op een correct beheer van de migratiestromen, niet alleen in het belang van de gastlanden maar ook van de herkomstlanden en van de migranten zelf.

(6)

Het programma van Stockholm, dat door de Europese Raad op 11 december 2009 is vastgesteld, erkent dat arbeidsimmigratie kan bijdragen tot meer concurrentievermogen en economische vitaliteit en dat een flexibel immigratiebeleid, in de context van de grote demografische uitdagingen waarvoor de Unie zal komen te staan met een stijgende vraag naar arbeid, een belangrijke bijdrage zal leveren tot de economische ontwikkeling en prestaties van de Unie op lange termijn. In dit programma wordt ook onderstreept hoe belangrijk het is te zorgen voor een eerlijke behandeling van onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van de lidstaten verblijven, en voor het optimaliseren van de koppeling tussen migratie en ontwikkeling. De Commissie en de Raad wordt verzocht het beleidsplan betreffende legale migratie, uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 21 december 2005 te blijven uitvoeren.

(7)

Deze richtlijn beoogt bij te dragen tot een doeltreffend beheer van de migratiestromen voor de specifieke categorie van tijdelijke seizoenmigratie en tot het garanderen van behoorlijke arbeidsvoorwaarden en levensomstandigheden voor seizoenarbeiders, door de invoering van eerlijke en transparante regels voor toelating en verblijf en het vaststellen van de rechten van seizoenarbeiders, terwijl in de regeling tegelijk stimulansen en waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat hun verblijf langer duurt dan is toegestaan of dat een tijdelijk verblijf permanent wordt. Bovendien zullen ook de bepalingen van Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) helpen voorkomen dat een dergelijk tijdelijk verblijf na het seizoen overgaat in een onrechtmatig verblijf.

(8)

De lidstaten dienen deze richtlijn toe te passen zonder onderscheid te maken naar geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid, in het bijzonder overeenkomstig Richtlijn 2000/43/EG van de Raad (5) en Richtlijn 2000/78/EG van de Raad (6).

(9)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het beginsel van preferentie voor burgers van de Unie wat de toegang tot de arbeidsmarkt van de lidstaten betreft, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke toetredingsakten.

(10)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaten zelf te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen, afkomstig uit derde landen, tot hun grondgebied worden toegelaten met het oog op seizoenarbeid, zoals in het VWEU is voorgeschreven.

(11)

Deze richtlijn mag niet van invloed zijn op de voorwaarden voor het verrichten van diensten in het kader van artikel 56 VWEU. Met name mag deze richtlijn niet van invloed zijn op arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) van toepassing zijn op werknemers die door een in een lidstaat gevestigde onderneming ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verrichten van een dienst op het grondgebied van een andere lidstaat.

(12)

Deze richtlijn dient van toepassing te zijn op de rechtstreekse arbeidsverhouding tussen seizoenarbeiders en werkgevers. Indien het nationale recht van een lidstaat het echter toelaat om onderdanen van derde landen als seizoenarbeiders toe te laten via op het grondgebied van die lidstaat gevestigde bemiddelings- en uitzendbureaus die een rechtstreekse arbeidsovereenkomst met de seizoenarbeider hebben, mogen deze bureaus niet buiten de werkingssfeer van deze richtlijn vallen.

(13)

Bij de omzetting van deze richtlijn dienen de lidstaten, waar nodig, in overleg met de sociale partners, een lijst op te stellen van de sectoren waar seizoenafhankelijke activiteiten voorkomen. Seizoenafhankelijke activiteiten komen hoofdzakelijk voor in sectoren zoals de land- en tuinbouw, in het bijzonder tijdens het plantseizoen of de oogst, of het toerisme, in het bijzonder tijdens de vakantie.

(14)

De lidstaten mogen, indien daarin in het nationale recht is voorzien, conform het non-discriminatiebeginsel dat is neergelegd in artikel 10 VWEU, bij de uitvoering van de facultatieve bepalingen van deze richtlijn onderdanen van bepaalde derde landen gunstiger behandelen dan onderdanen van andere derde landen.

(15)

Het indienen van een aanvraag tot toelating als seizoenarbeider mag alleen worden toegestaan aan onderdanen van derde landen die buiten het grondgebied van de lidstaten verblijven.

(16)

Toelating voor de in deze richtlijn uiteengezette doeleinden moet op grond van naar behoren gemotiveerde redenen kunnen worden geweigerd. Met name moet het mogelijk zijn om toelating te weigeren indien een lidstaat op basis van een beoordeling van de feiten tot het oordeel is gekomen dat de betrokken onderdaan van een derde land een potentiële bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid.

(17)

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad (8).

(18)

Deze richtlijn mag geen ongunstige invloed hebben op de rechten toegekend aan onderdanen van derde landen die reeds legaal in een lidstaat verblijven om er te werken.

(19)

Voor de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen, zijn Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad (9) (Visumcode), Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad (10) (Schengengrenscode) en Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad (11) volledig van toepassing. Voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen worden de voorwaarden voor de toelating van seizoenarbeiders op het grondgebied van de lidstaten die het Schengenacquis volledig toepassen derhalve geregeld door die instrumenten; deze richtlijn heeft alleen betrekking op de criteria en de vereisten voor de toegang tot arbeid. Voor de lidstaten die het Schengenacquis niet volledig toepassen, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, geldt uitsluitend de Schengengrenscode. De in deze richtlijn genoemde bepalingen van het Schengenacquis behoren tot het deel van het Schengenacquis waaraan Ierland en het Verenigd Koninkrijk niet deelnemen, en derhalve zijn die bepalingen niet op hen van toepassing.

(20)

Deze richtlijn dient de criteria en vereisten vast te stellen voor de toelating tot arbeid als seizoenarbeider voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen, alsmede de gronden voor afwijzing, intrekking en niet-verlenging/-hernieuwing van deze toelating. Op de afgifte van visa voor kort verblijf ten behoeve van seizoenarbeid zijn de desbetreffende bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot de voorwaarden voor toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van overeenkomstige toepassing, evenals de gronden voor afwijzing, verlenging, nietigverklaring of intrekking van die visa. In het bijzonder moeten beslissingen tot afwijzing, nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop zij zijn gebaseerd overeenkomstig artikel 32, lid 2, en artikel 34, lid 6, van de Visumcode aan de aanvrager kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode.

(21)

Voor de seizoenarbeiders die toegelaten worden voor een verblijf van meer dan 90 dagen dienen in deze richtlijn de voorwaarden voor de toelating tot en het verblijf op het grondgebied en de criteria en vereisten voor de toegang tot arbeid in de lidstaten te worden vastgesteld.

(22)

Deze richtlijn beoogt te voorzien in een soepele, door vraag gestuurde toegangsregeling, gebaseerd op objectieve criteria zoals een geldige arbeidsovereenkomst of een bindend werkaanbod, waarin de belangrijkste gegevens van de arbeidsovereenkomst of -verhouding zijn vastgelegd.

(23)

Het moet de lidstaten vrijstaan aan de hand van een onderzoek aan te tonen dat in een bepaalde vacature niet kan worden voorzien uit de binnenlandse arbeidsmarkt.

(24)

De lidstaten moeten een toelatingsaanvraag kunnen afwijzen, met name wanneer de onderdaan van een derde land niet heeft voldaan aan de uit een eerdere beslissing tot toelating als seizoenarbeider voortvloeiende verplichting om het grondgebied van de betrokken lidstaat te verlaten na het verstrijken van de geldigheid van een vergunning met het oog op seizoenarbeid.

(25)

De lidstaten moeten van de werkgever kunnen verlangen dat hij met de bevoegde autoriteiten samenwerkt en alle relevante informatie verstrekt die nodig is ter voorkoming van mogelijk misbruik of verkeerd gebruik van de bij deze richtlijn vastgestelde procedure.

(26)

De invoering van één enkele procedure voor het verkrijgen van een gecombineerde vergunning die zowel verblijf als arbeid omvat, dient de thans in de lidstaten geldende regels te helpen vereenvoudigen. Daarbij mag geen afbreuk worden gedaan aan het recht van de lidstaten om, met inachtneming van de eigenheden van de nationale administratieve organisatie en praktijk, de bevoegde autoriteiten aan te wijzen en op welke wijze zij dienen te worden betrokken in die ene procedure.

(27)

De aanwijzing van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze richtlijn dient de rol en de taken die met betrekking tot de behandeling van en het besluit over de aanvraag door andere autoriteiten en, in voorkomend geval, door de sociale partners overeenkomstig het nationale rechten/of de nationale praktijk, worden vervuld, onverlet te laten.

(28)

Deze richtlijn moet de lidstaten een zekere flexibiliteit bieden bij het afgeven van vergunningen voor toelating (toegang, verblijf en werk) van seizoenarbeiders. De afgifte van een visum voor verblijf van langere duur overeenkomstig artikel 12, lid 2, onder a), doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de lidstaten om een voorafgaande toestemming om in de betrokken lidstaat te werken af te geven. Niettemin moet in die vergunningen duidelijk worden vermeld dat zij met het oog op seizoenarbeid zijn afgegeven, teneinde te waarborgen dat de bij deze richtlijn vastgestelde arbeidsvoorwaarden zijn gecontroleerd en dat eraan wordt voldaan. Wanneer zij uitsluitend visa voor kort verblijf afgeven, moeten de lidstaten daarvoor de rubriek „opmerkingen” op de visumsticker gebruiken.

(29)

Voor alle verblijven van ten hoogste 90 dagen dienen de lidstaten een keuze te maken tussen de afgifte van een visum voor kort verblijf of van een visum voor kort verblijf in combinatie met een arbeidsvergunning indien de onderdaan van een derde land in het bezit moet zijn van een visum overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001. Indien de onderdaan van een derde land niet onderworpen is aan de visumplicht en indien de lidstaat artikel 4, lid 3, van die verordening niet heeft toegepast, dienen de lidstaten een arbeidsvergunning als zijnde een vergunning met het oog op seizoenarbeid af te geven. Voor alle verblijven van meer dan 90 dagen dienen de lidstaten een keuze te maken voor de afgifte van een van de volgende vergunningen met het oog op seizoenarbeid: een visum voor verblijf van langere duur; een seizoenarbeidersvergunning; of een seizoenarbeidersvergunning vergezeld van een visum voor verblijf van langere duur indien krachtens het nationale recht een visum voor verblijf van langere duur vereist is om het grondgebied te betreden. Niets in deze richtlijn mag de lidstaten ervan beletten om de arbeidsvergunning rechtstreeks aan de werkgever te bezorgen.

(30)

Wanneer een visum vereist is om het grondgebied van een lidstaat te betreden en de onderdaan van een derde land voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een seizoenarbeidersvergunning, dient de betrokken lidstaat de betrokkene alle faciliteiten te bieden om het vereiste visum te verkrijgen en er zorg voor te dragen dat de bevoegde autoriteiten daartoe doelmatig samenwerken.

(31)

De maximale duur van het verblijf dient te worden vastgesteld door de lidstaten en beperkt te zijn tot een periode tussen de vijf en negen maanden, hetgeen, samen met de definitie van seizoenarbeid, moet garanderen dat het werk ook echt een seizoengebonden karakter heeft. De mogelijkheid moet daarom open worden gelaten om binnen de maximale verblijfsduur de arbeidsovereenkomst te verlengen of te veranderen van werkgever, mits de toelatingscriteria nog steeds vervuld zijn. Dat moet het risico op misbruik verminderen dat seizoenarbeiders lopen indien zij gebonden zijn aan één enkele werkgever, en tegelijk de mogelijkheid bieden om soepel in te spelen op de daadwerkelijke personeelsbehoeften van de werkgevers. De aan de seizoenarbeider geboden mogelijkheid om door een andere werkgever tewerkgesteld te worden onder de in deze richtlijn vastgelegde voorwaarden mag niet inhouden dat de betrokkene werk kan zoeken op het grondgebied van de lidstaat terwijl hij werkloos is.

(32)

Bij het nemen van een beslissing over de verlenging van het verblijf of de hernieuwing van de vergunning met het oog op seizoenarbeid moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om rekening te houden met de arbeidsmarktsituatie.

(33)

Wanneer een seizoenarbeider is toegelaten voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen en de lidstaat heeft besloten het verblijf tot meer dan 90 dagen te verlengen, moet het visum voor kort verblijf worden vervangen door hetzij een visum voor verblijf van langere duur hetzij door een seizoenarbeidersvergunning.

(34)

Rekening houdend met bepaalde aspecten van circulaire migratie, alsook met de arbeidsvooruitzichten van seizoenarbeiders uit derde landen die verder gaan dan één seizoen en met het belang van werkgevers in de Unie die moeten kunnen putten uit een stabieler bestand van reeds opgeleide arbeidskrachten, dient te worden voorzien in de mogelijkheid van vereenvoudigde toelatingsprocedures met betrekking tot bonafide onderdanen van derde landen die in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal als seizoenarbeider in een lidstaat zijn toegelaten en die altijd hebben voldaan aan alle uit hoofde van deze richtlijn vastgestelde criteria en voorwaarden voor toegang tot en verblijf in de betrokken lidstaat. Die procedures mogen geen afbreuk doen aan het seizoengebonden karakter van het werk en mogen evenmin een manier zijn om deze vereiste te omzeilen.

(35)

De lidstaten dienen al het mogelijke te doen om er zorg voor te dragen dat potentiële seizoenarbeiders beschikken over informatie betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf, onder meer de in deze richtlijn vastgelegde rechten en verplichtingen en procedurele waarborgen en over alle bewijsstukken die moeten worden gevoegd bij een aanvraag om op het grondgebied van een lidstaat als seizoenarbeider te verblijven en te werken.

(36)

De lidstaten moeten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties voor werkgevers vaststellen voor het geval dat inbreuk wordt gemaakt op hun uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Het kan daarbij gaan om maatregelen overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2009/52/EG en deze dienen, in voorkomend geval, de verplichting te omvatten dat de werkgever de seizoenarbeiders schadevergoeding betaalt. Er dient een mechanisme te zijn dat seizoenarbeiders in staat stelt de schadevergoeding waarop zij recht hebben te verkrijgen, ook wanneer zij zich niet meer op het grondgebied van de betrokken lidstaat bevinden.

(37)

Er moeten procedurevoorschriften worden vastgesteld voor het behandelen van aanvragen tot toelating als seizoenarbeider. Die procedures moeten niet alleen doeltreffend zijn en in het kader van de normale werklast van de overheidsinstanties van de lidstaten kunnen worden afgewikkeld, maar zij moeten ook transparant en billijk zijn, teneinde de betrokken personen voldoende rechtszekerheid te bieden.

(38)

Voor visa voor kort verblijf zijn de procedurele waarborgen geregeld door de desbetreffende bepalingen van het Schengenacquis.

(39)

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dienen zo spoedig mogelijk na de indiening van de aanvraag te beslissen over die aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid. Met betrekking tot verzoeken om verlenging of hernieuwing van een vergunning die tijdens de geldigheidsduur ervan worden ingediend, dienen de lidstaten al het redelijk mogelijke te doen om ervoor te zorgen dat de seizoenarbeider niet verplicht wordt zijn arbeidsrelatie met de betrokken werkgever te onderbreken of niet verhinderd wordt van werkgever te veranderen omdat bepaalde administratieve procedures niet afgerond zijn. Aanvragers dienen hun aanvraag om verlenging of hernieuwing zo spoedig mogelijk in te dienen. In ieder geval dient de seizoenarbeider de mogelijkheid te hebben op het grondgebied van de betrokken lidstaat te blijven en, in voorkomend geval, zijn werk voor te zetten tot de bevoegde autoriteiten een definitieve beslissing tot verlenging of hernieuwing hebben genomen over de aanvraag.

(40)

Gezien de aard van seizoenarbeid moeten de lidstaten worden aangemoedigd om geen leges in rekening te brengen voor de behandeling van de aanvragen. Indien een lidstaat toch besluit leges te heffen, mogen deze niet onevenredig of buitensporig zijn.

(41)

Seizoenarbeiders dienen te worden gehuisvest in omstandigheden die een passende levensstandaard garanderen. Elke verandering van huisvesting dient aan de bevoegde autoriteit te worden gemeld. Wanneer de huisvesting door of via de werkgever wordt geregeld, mag de huur niet buitensporig zijn in vergelijking met het nettoloon van de seizoenarbeider en in vergelijking met de kwaliteit van de huisvesting, mag de huur van de seizoenarbeider niet automatisch in mindering worden gebracht op zijn of haar loon, dient de werkgever de seizoenarbeider een huurovereenkomst of een gelijkwaardig document te verstrekken waarin de huurvoorwaarden worden vermeld en dient de werkgever erop toe te zien dat de huisvesting voldoet aan de in de betrokken lidstaat geldende algemene gezondheids- en veiligheidsvoorschriften.

(42)

Onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldig reisdocument en van een vergunning met het oog op seizoenarbeid die uit hoofde van deze richtlijn is afgegeven door een lidstaat die het Schengenacquis volledig toepast, moet worden toegestaan het grondgebied van de lidstaten die het Schenegenacquis volledig toepassen binnen te komen en zich daar vrij te verplaatsen gedurende een periode van maximaal 90 dagen binnen elke periode van 180 dagen, overeenkomstig de Schengengrenscode en artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord van 14 juni 1985 tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (12) (Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen).

(43)

Gelet op de bijzonder kwetsbare positie van seizoenarbeiders uit derde landen en het tijdelijke karakter van hun dienstbetrekking, is het noodzakelijk de rechten van seizoenarbeiders uit derde landen daadwerkelijk te beschermen, mede op het gebied van de sociale zekerheid, de naleving regelmatig te controleren en volledig te garanderen dat het beginsel van een gelijke behandeling als de werknemers die onderdanen van de gastlidstaat zijn, wordt geëerbiedigd op basis van gelijke beloning voor gelijk werk op dezelfde arbeidsplaats, door het toepassen van collectieve arbeidsovereenkomsten en andere regelingen inzake arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die op elk niveau zijn gesloten of waarin wettelijk wordt voorzien in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk van de gastlidstaat, op dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de burgers van de gastlidstaat.

(44)

De toepassing van deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de rechten en beginselen zoals vervat in het Europees Sociaal Handvest van 18 oktober 1961 en het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers van 24 november 1977.

(45)

Voor de seizoenarbeiders uit derde landen dienen, naast de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op de werknemers die onderdaan zijn van de gastlidstaat, ook de scheidsrechterlijke uitspraken en de collectieve arbeidsovereenkomsten en contracten te gelden die op welk niveau ook zijn gesloten, in overeenstemming met het nationale recht en de nationale praktijk van de gastlidstaat, op dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de burgers van de gastlidstaat.

(46)

Seizoenarbeiders uit derde landen moeten gelijkwaardig worden behandeld met betrekking tot de takken van sociale zekerheid die zijn vermeld in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad (13). Deze richtlijn mag niet strekken tot harmonisatie van de socialezekerheidswetgeving van de lidstaten en mag zich niet uitstrekken tot de sociale bijstand. Zij is beperkt tot de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling inzake sociale zekerheid op de personen die binnen haar werkingssfeer vallen. Deze richtlijn mag aan de betrokkenen niet meer rechten toekennen dan die waarin de bestaande Uniewetgeving op het gebied van sociale zekerheid al voorziet voor onderdanen van derde landen die grensoverschrijdende belangen hebben in verschillende lidstaten.

Gezien het tijdelijke karakter van het verblijf van seizoenarbeiders en onverminderd Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad (14) dienen de lidstaten de mogelijkheid te hebben de gezinsbijslagen en werkloosheidsuitkeringen uit te sluiten van een gelijke behandeling tussen seizoenarbeiders en hun eigen onderdanen en dienen zij de mogelijkheid te hebben de toepassing van een gelijke behandeling te beperken met betrekking tot onderwijs en beroepsopleiding, en voor belastingvoordelen.

Deze richtlijn voorziet niet in gezinshereniging. Voorts verleent deze richtlijn geen rechten met betrekking tot situaties die buiten de werkingssfeer van het recht van de Unie vallen, zoals situaties waarin gezinsleden in een derde land verblijven. Dat mag echter niet het recht aantasten van nabestaanden die aan de seizoenarbeider rechten ontlenen op nabestaandenpensioenen wanneer zij in een derde land wonen. Dit doet geen afbreuk aan de niet-discriminerende toepassing door de lidstaten van nationaal recht dat voorziet in de-minimisregels voor de bijdragen aan het pensioenstelsel. Er dienen mechanismen te bestaan die ervoor zorgen dat seizoenarbeiders tijdens hun verblijf een effectieve socialezekerheidsdekking hebben en, in voorkomend geval, de rechten die zij opgebouwd hebben, kunnen meenemen naar het buitenland.

(47)

Het recht van de Unie houdt geen beperking in van de bevoegdheid van de lidstaten om hun socialezekerheidsstelsels te organiseren. Bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie moet elke lidstaat de voorwaarden vaststellen waaronder socialezekerheidsuitkeringen worden toegekend, alsook het bedrag van deze uitkeringen en de periode gedurende welke zij worden verstrekt. Bij de uitoefening van die bevoegdheid moeten de lidstaten evenwel het recht van de Unie naleven.

(48)

Beperkingen op een gelijke behandeling op het gebied van sociale zekerheid uit hoofde van deze richtlijn mogen niet afdoen aan de rechten ontleend aan toepassing van Verordening (EU) nr. 1231/2010.

(49)

Om de goede naleving van deze richtlijn te verzekeren, met name van de bepalingen inzake rechten, arbeidsvoorwaarden en huisvesting, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat er goede mechanismen voor de controle van werkgevers bestaan en dat, in voorkomend geval, op hun respectievelijke grondgebied passende, doeltreffende en adequate inspecties worden uitgevoerd. De te inspecteren werkgevers dienen primair geselecteerd te worden op basis van een risicobeoordeling door de bevoegde autoriteiten in de lidstaten, waarbij rekening moet worden gehouden met factoren zoals de sector waarin een bedrijf actief is en met eerdere overtredingen.

(50)

Om de handhaving van deze richtlijn te vergemakkelijken dienen de lidstaten te voorzien in doeltreffende mechanismen waarmee seizoenarbeiders gebruik van rechtsmiddelen kunnen maken en klachten kunnen indienen, hetzij rechtstreeks, hetzij via relevante derden zoals vakbonden of andere verenigingen. Dat wordt noodzakelijk geacht om situaties te kunnen aanpakken waarin seizoenarbeiders niet op de hoogte zijn van het bestaan van handhavingsmechanismen of terughoudend zijn om er in eigen naam gebruik van te maken, uit vrees voor de mogelijke gevolgen. Tevens moeten seizoenarbeiders toegang hebben tot rechtsbescherming tegen represailles als gevolg van het indienen van een klacht.

(51)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk de invoering van een bijzondere toelatingsprocedure, de vaststelling van voorwaarden voor toegang en verblijf met het oog op seizoenarbeid door onderdanen van derde landen en de vaststelling van hun rechten als seizoenarbeiders, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen, rekening houdend met het immigratie- en werkgelegenheidsbeleid op nationaal en Europees niveau. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel vervatte evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken.

(52)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name in artikel 7, artikel 15, lid 3, de artikelen 17, 27, 28 en 31 alsmede artikel 33, lid 2, overeenkomstig artikel 6 VEU.

(53)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (15) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(54)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het VEU en het VWEU, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.

(55)

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaat,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

1.   Deze richtlijn bepaalt de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op de tewerkstelling als seizoenarbeider en legt de rechten van seizoenarbeiders vast.

2.   Voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen geldt deze richtlijn onverminderd het Schengenacquis en met name de Visumcode, de Schengengrenscode en Verordening (EG) nr. 539/2001.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op onderdanen van derde landen die buiten het grondgebied van de lidstaten verblijven en die een aanvraag indienen om tot het grondgebied van een lidstaat te worden toegelaten, of die onder de bij deze richtlijn gestelde voorwaarden zijn toegelaten, met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.

Behoudens in de in artikel 15 bedoelde gevallen is deze richtlijn niet van toepassing op onderdanen van derde landen die bij de indiening van hun aanvraag op het grondgebied van een lidstaat verblijven.

2.   Bij de omzetting van deze richtlijn stellen de lidstaten, waar nodig, in overleg met de sociale partners, een lijst op van de sectoren waar seizoenafhankelijke activiteiten voorkomen. De lidstaten kunnen die lijst aanpassen, waar nodig in overleg met de sociale partners. De lidstaten stellen de Commissie op de hoogte van iedere wijziging van dien aard.

3.   Deze richtlijn is niet van toepassing op onderdanen van derde landen die:

a)

voor rekening van in een andere lidstaat gevestigde ondernemingen werkzaamheden verrichten in het kader van het verrichten van diensten in de zin van artikel 56 VWEU, met inbegrip van onderdanen van derde landen die door in een lidstaat gevestigde ondernemingen ter beschikking zijn gesteld met het oog op het verrichten van diensten overeenkomstig Richtlijn 96/71/EG;

b)

gezinsleden zijn van burgers van de Unie die hun recht van vrij verkeer binnen de Unie hebben uitgeoefend overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad (16);

c)

samen met hun gezinsleden, en ongeacht hun nationaliteit, rechten van vrij verkeer genieten die gelijkwaardig zijn met die van de burgers van de Unie uit hoofde van overeenkomsten tussen de Unie en haar lidstaten of tussen de Unie en derde landen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „onderdaan van een derde land”: eenieder die geen burger van de Unie is in de zin van artikel 20, lid 1, VWEU;

b)   „seizoenarbeider”: een onderdaan van een derde land die zijn of haar hoofdverblijfplaats in een derde land heeft, maar legaal tijdelijk op het grondgebied van een lidstaat verblijft om een seizoenafhankelijke activiteit uit te oefenen, op basis van één of meer arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die rechtstreeks tussen die onderdaan van een derde land en de in die lidstaat gevestigde werkgever zijn gesloten;

c)   „seizoenafhankelijke activiteit”: een activiteit die vanwege een zich herhalende gebeurtenis of een zich herhalend patroon van gebeurtenissen, die samenhangen met seizoenomstandigheden, gebonden is aan een bepaalde tijd van het jaar waarin het aantal benodigde arbeidskrachten significant uitstijgt boven het aantal dat nodig is voor de gewoonlijk te verrichten werkzaamheden;

d)   „seizoenarbeidersvergunning”: een vergunning, afgegeven met gebruikmaking van het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad (17), die een verwijzing naar seizoenarbeid bevat en die de houder het recht geeft op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen volgens de voorwaarden van deze richtlijn;

e)   „visum voor kort verblijf”: een vergunning die door een lidstaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 2, punt 2, onder a), van de Visumcode of die wordt afgegeven overeenkomstig het nationale recht van lidstaten die het Schengenacquis niet volledig toepassen;

f)   „visum voor verblijf van langere duur”: een vergunning die door een lidstaat wordt afgegeven overeenkomstig artikel 18 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen of die wordt afgegeven overeenkomstig het nationale recht van een lidstaat die het Schengenacquis niet volledig toepast;

g)   „één aanvraagprocedure”: een procedure die op grond van één aanvraag van een onderdaan van een derde land tot het verkrijgen van een vergunning om op het grondgebied van een lidstaat te verblijven en te werken, leidt tot een besluit over de aanvraag van een seizoenarbeidersvergunning;

h)   „vergunning met het oog op seizoenarbeid”: iedere in artikel 12 bedoelde vergunning die de houder ervan het recht geeft op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven te verblijven en te werken uit hoofde van deze richtlijn;

i)   „arbeidsvergunning”: een vergunning die door een lidstaat overeenkomstig het nationale recht met het oog op het verrichten van arbeid op het grondgebied van die lidstaat wordt afgegeven.

Artikel 4

Gunstiger bepalingen

1.   Deze richtlijn is van toepassing onverminderd gunstiger bepalingen van:

a)

het recht van de Unie, met inbegrip van bilaterale en multilaterale overeenkomsten tussen de Unie of de Unie en haar lidstaten enerzijds, en één of meer derde landen anderzijds;

b)

bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen één of meer lidstaten en één of meer derde landen.

2.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaten om met betrekking tot de artikelen 18, 19, 20, 23 en 25 bepalingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de onderdanen van derde landen die onder het toepassingsgebied ervan vallen.

HOOFDSTUK II

TOELATINGSVOORWAARDEN

Artikel 5

Criteria en vereisten voor de toelating voor tewerkstelling als seizoenarbeider voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen

1.   Bij aanvragen om toelating tot een lidstaat voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen op grond van deze richtlijn worden de volgende documenten gevoegd:

a)

een geldige arbeidsovereenkomst of, indien daarin is voorzien in het nationale recht, de nationale bestuursrechtelijke regelgeving, of praktijk, een bindend werkaanbod om in de betrokken lidstaat als seizoenarbeider te werken voor een werkgever die in die lidstaat is gevestigd, waarin het volgende is bedongen:

i)

de plaats van tewerkstelling en de aard van het werk;

ii)

de duur van de tewerkstelling;

iii)

de bezoldiging;

iv)

het aantal werkuren per week of per maand;

v)

de lengte van het betaald verlof;

vi)

in voorkomend geval, andere relevante arbeidsvoorwaarden, en

vii)

indien mogelijk, de datum waarop het werk wordt aangevangen;

b)

het bewijs dat de betrokkene beschikt over of, indien het nationale recht zulks vereist, een aanvraag heeft ingediend voor, een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die normaliter voor de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn gedekt, voor de perioden waarin deze dekking en de bijbehorende rechten niet zijn geregeld in verband met of uit hoofde van het in die lidstaat verrichte werk;

c)

het bewijs dat de seizoenarbeider beschikt over passende huisvesting of dat voor passende huisvesting zal worden gezorgd, overeenkomstig artikel 20.

2.   De lidstaten eisen dat de in lid 1, onder a), genoemde voorwaarden voldoen aan het toepasselijke recht, collectieve arbeidsovereenkomsten en/of praktijk.

3.   Op basis van de krachtens lid 1 overgelegde documenten eisen de lidstaten dat seizoenarbeiders geen beroep zullen doen op hun socialebijstandsstelsel.

4.   Ingeval de arbeidsovereenkomst of het bindend werkaanbod bepaalt dat de onderdaan van het derde land een gereglementeerd beroep in de zin van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad (18) moet uitoefenen, kan de lidstaat eisen dat de aanvrager documentatie overlegt waaruit blijkt dat de onderdaan van het derde land voldoet aan de bij het nationale recht vastgestelde voorwaarden voor het uitoefenen van dat gereglementeerde beroep.

5.   Bij het behandelen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 12, lid 1, vergewissen de lidstaten die het Schengenacquis niet volledig toepassen zich ervan dat de onderdaan van het derde land:

a)

geen risico op illegale immigratie vormt, en dat hij of zij

b)

voornemens is het grondgebied van de lidstaten uiterlijk op de datum waarop de vergunning verstrijkt, te verlaten.

Artikel 6

Criteria en vereisten voor de toelating als seizoenarbeider voor een verblijf van meer dan 90 dagen

1.   Bij aanvragen om toelating tot een lidstaat voor een verblijf van meer dan 90 dagen op grond van deze richtlijn worden de volgende documenten gevoegd:

a)

een geldige arbeidsovereenkomst of, indien daarin is voorzien in het nationale recht, de nationale bestuursrechtelijke regelgeving of praktijk, een bindend werkaanbod om in de betrokken lidstaat als seizoenarbeider te werken voor een werkgever die in die lidstaat is gevestigd, waarin het volgende is bedongen:

i)

de plaats van tewerkstelling en de aard van het werk;

ii)

de duur van de tewerkstelling;

iii)

de bezoldiging;

iv)

het aantal werkuren per week of per maand;

v)

de lengte van het betaald verlof;

vi)

in voorkomend geval, andere relevante arbeidsvoorwaarden, en

vii)

indien mogelijk, de datum waarop het werk wordt aangevangen;

b)

het bewijs dat de betrokkene beschikt over of, indien het nationale recht zulks vereist, een aanvraag heeft ingediend voor, een ziektekostenverzekering die alle risico’s dekt die normaliter voor de onderdanen van de betrokken lidstaat zijn gedekt, voor de perioden waarin deze dekking en de bijbehorende rechten niet zijn geregeld in verband met of uit hoofde van het in die lidstaat verrichte werk;

c)

het bewijs dat de seizoenarbeider beschikt over een passende huisvesting of dat voor passende huisvesting zal worden gezorgd, overeenkomstig artikel 20.

2.   De lidstaten eisen dat de in lid 1, onder a), genoemde voorwaarden voldoen aan het toepasselijke recht, collectieve arbeidsovereenkomsten en/of praktijk.

3.   Op basis van de overeenkomstig lid 1 verstrekte documenten eisen de lidstaten dat seizoenarbeiders gedurende hun verblijf over voldoende middelen van bestaan zullen beschikken om zichzelf te onderhouden zonder een beroep te hoeven doen op hun bijstandsstelsel.

4.   Onderdanen van derde landen die geacht worden een bedreiging te vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid, worden niet toegelaten.

5.   Bij het behandelen van een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in artikel 12, lid 2, vergewissen de lidstaten zich ervan dat de onderdaan van het derde land geen risico op illegale immigratie vormt, en dat hij of zij voornemens is het grondgebied van de lidstaten uiterlijk op de datum van verstrijken van de vergunning te verlaten.

6.   Ingeval de arbeidsovereenkomst of het bindend werkaanbod bepaalt dat de onderdaan van het derde land een gereglementeerd beroep in de zin van Richtlijn 2005/36/EG moet uitoefenen, kunnen de lidstaten eisen dat de aanvrager documentatie overlegt waaruit blijkt dat de onderdaan van het derde land voldoet aan de bij het nationale recht vastgestelde voorwaarden voor het uitoefenen van dat gereglementeerde beroep.

7.   De lidstaten eisen dat de onderdanen van derde landen in het bezit moeten zijn van een geldig reisdocument, conform het nationale recht. De lidstaten eisen dat het reisdocument ten minste even lang geldig is als de geldigheidsduur van de vergunning met het oog op seizoenarbeid.

De lidstaten kunnen eisen:

a)

dat de geldigheidsduur ten hoogste drie maanden langer is dan de voorgenomen verblijfsduur;

b)

dat het reisdocument is afgegeven binnen de voorbije tien jaar;

c)

dat het reisdocument ten minste twee blanco pagina’s bevat.

Artikel 7

Aantal toegelatenen

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan het recht van een lidstaat om te bepalen hoeveel onderdanen van derde landen hij met het oog op seizoenarbeid tot zijn grondgebied toelaat. Om die reden kan een aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid als niet-ontvankelijk worden beschouwd of worden afgewezen.

Artikel 8

Gronden tot afwijzing van een aanvraag

1.   De lidstaten wijzen een aanvraag om een vergunning met het oog op seizoenarbeid af indien:

a)

niet is voldaan aan artikel 5 of artikel 6, of

b)

de voor de toepassing van artikel 5 of artikel 6 overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen dan wel vervalst of veranderd zijn.

2.   In voorkomend geval, wijzen de lidstaten een aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid af indien:

a)

de werkgever reeds bestraft is overeenkomstig het nationale recht wegens zwartwerk en/of illegale arbeid;

b)

de onderneming van de werkgever op grond van het nationale insolventierecht in staat van faillissement verkeert of waarvan het faillissement reeds is afgerond, of indien er geen economische activiteit plaatsvindt, of

c)

de werkgever is bestraft uit hoofde van artikel 17.

3.   De lidstaten kunnen nagaan of de betrokken vacature kan worden ingevuld door onderdanen van de betrokken lidstaat of door andere burgers van de Unie, dan wel door onderdanen van derde landen die legaal in die lidstaat verblijven, in welk geval zij de aanvraag kunnen afwijzen. Dit lid geldt onverminderd het beginsel van preferentie voor burgers van de Unie, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke toetredingsakten.

4.   De lidstaten kunnen een aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid afwijzen indien:

a)

de werkgever niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers en arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden, die zijn vastgelegd in de toepasselijke wetgeving en/of collectieve arbeidsovereenkomsten;

b)

de werkgever binnen de twaalf maanden die onmiddellijk aan de aanvraagdatum voorafgingen, een volledige betrekking heeft afgeschaft teneinde de vacature die de werkgever tracht in te vullen door middel van deze richtlijn te creëren, of

c)

de onderdaan van een derde land heeft niet voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit een eerdere beslissing tot toelating als seizoenarbeider.

5.   Onverminderd lid 1 dient in elke beslissing tot afwijzing van een aanvraag rekening te worden met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de belangen van de seizoenarbeider en de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

6.   De gronden voor het weigeren van de afgifte van een visum voor kort verblijf zijn vastgesteld in de desbetreffende bepalingen van de Visumcode.

Artikel 9

Intrekking van de vergunning met het oog op seizoenarbeid

1.   De lidstaten trekken de vergunning met het oog op seizoenarbeid in, indien:

a)

de voor de toepassing van artikel 5 en artikel 6 overgelegde documenten op frauduleuze wijze zijn verkregen, dan wel vervalst of veranderd zijn, of

b)

de houder om andere redenen dan waarvoor hij of zij werd toegelaten, op het grondgebied verblijft.

2.   In voorkomend geval, trekken de lidstaten de vergunning met het oog op seizoenarbeid in, indien:

a)

de werkgever overeenkomstig het nationale recht reeds bestraft is wegens zwartwerk en/of illegale arbeid;

b)

de onderneming van de werkgever op grond van het nationale insolventierecht in staat van faillissement verkeert of waarvan het faillissement reeds is afgerond, of indien er geen economische activiteit plaatsvindt, of

c)

de werkgever is bestraft uit hoofde van artikel 17.

3.   De lidstaten kunnen de vergunning met het oog op seizoenarbeid intrekken indien:

a)

niet of niet langer voldaan is aan artikel 5 of artikel 6;

b)

de werkgever niet heeft voldaan aan zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot sociale zekerheid, belastingen, rechten van werknemers en arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden die zijn vastgelegd in de toepasselijke wetgeving en/of collectieve arbeidsovereenkomsten;

c)

de werkgever zijn verplichtingen krachtens de arbeidsovereenkomst niet is nagekomen, of

d)

de werkgever binnen de twaalf maanden die onmiddellijk aan de aanvraagdatum voorafgingen, een volledige betrekking heeft afgeschaft teneinde de vacature die de werkgever tracht in te vullen door middel van deze richtlijn te creëren.

4.   De lidstaten kunnen de vergunning met het oog op seizoenarbeid intrekken indien de onderdaan van het derde land verzoekt om internationale bescherming op grond van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad (19) of verzoekt om bescherming overeenkomstig het nationale recht, de internationale verplichtingen of de praktijk van de betrokken lidstaat.

5.   Onverminderd lid 1 dient bij elke beslissing tot intrekking van een vergunning rekening te worden gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de belangen van de seizoenarbeider en de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

6.   De gronden voor de nietigverklaring of intrekking van een visum voor kort verblijf zijn vastgesteld in de desbetreffende bepalingen van de Visumcode.

Artikel 10

Verplichting tot samenwerking

De lidstaten kunnen eisen dat de werkgever alle relevante informatie verstrekt die nodig is voor het verlenen, verlengen of hernieuwen van de vergunning met het oog op seizoenarbeid.

HOOFDSTUK III

PROCEDURE EN VERGUNNINGEN MET HET OOG OP SEIZOENARBEID

Artikel 11

Toegang tot informatie

1.   De lidstaten maken de informatie over alle bewijsstukken die bij een aanvraag moeten worden gevoegd en over toegang en verblijf, waaronder de rechten en plichten en de procedurele waarborgen van de seizoenarbeider gemakkelijk toegankelijk voor de aanvragers.

2.   Wanneer de lidstaten aan onderdanen van derde landen een vergunning met het oog op seizoenarbeid verlenen, verstrekken zij hen ook schriftelijke informatie over hun rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, met inbegrip van klachtenprocedures.

Artikel 12

Vergunningen met het oog op seizoenarbeid

1.   Voor een verblijf van ten hoogste 90 dagen verlenen de lidstaten aan de onderdanen van derde landen die voldoen aan artikel 5 en voor wie de in artikel 8 vermelde gronden tot afwijzing niet gelden, een van de volgende vergunningen met het oog op seizoenarbeid, onverminderd de voorschriften betreffende de afgifte van visa voor kort verblijf als vervat in de Visumcode en in Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad (20):

a)

een visum voor kort verblijf met de vermelding dat het visum is afgegeven met het oog op seizoenarbeid;

b)

een visum voor kort verblijf en een arbeidsvergunning met de vermelding dat die zijn afgegeven met het oog op seizoenarbeid, of

c)

indien de onderdaan van een derde land vrijgesteld is van de visumplicht overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 539/2001 en de betrokken lidstaat op de betrokkene artikel 4, lid 3, van die verordening niet toepast, een arbeidsvergunning met de vermelding dat deze is afgegeven met het oog op seizoenarbeid.

Bij de omzetting van deze richtlijn voorzien de lidstaten in de onder a) en c), dan wel onder b) en c), genoemde vergunningen.

2.   Voor een verblijf van meer dan 90 dagen verlenen de lidstaten aan onderdanen van derde landen die voldoen aan artikel 6 en voor wie de in artikel 8 vermelde gronden tot afwijzing niet gelden, een van de volgende vergunningen met het oog op seizoenarbeid:

a)

een visum voor verblijf van langere duur met de vermelding dat het visum is afgegeven met het oog op seizoenarbeid;

b)

een seizoenarbeidersvergunning, of

c)

een seizoenarbeidersvergunning en een visum voor verblijf van langere duur indien krachtens het nationale recht een visum voor verblijf van langere duur vereist is om het grondgebied te betreden.

Bij de omzetting van deze richtlijn voorzien de lidstaten in slechts één van de onder a), b) en c), genoemde vergunningen.

3.   Onverminderd het Schengenacquis bepalen de lidstaten of een aanvraag moet worden ingediend door de onderdaan van een derde land en/of door de werkgever.

De verplichting voor de lidstaten om te bepalen of de aanvraag door een onderdaan van een derde land dan wel door zijn werkgever moet worden ingediend, laat regelingen waarbij vereist is dat de beide partijen bij de procedure betrokken zijn, onverlet.

4.   De seizoenarbeidersvergunning als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder b) en c), die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt afgegeven, beantwoordt aan het model dat wordt beschreven in Verordening (EG) nr. 1030/2002. De lidstaten brengen op de vergunning de vermelding aan dat de vergunning is afgegeven met het oog op seizoenarbeid.

5.   In het geval van visa voor verblijf van langere duur voegen de lidstaten op de visumsticker in de rubriek „opmerkingen” de vermelding toe dat het visum is afgegeven met het oog op seizoenarbeid overeenkomstig punt 12 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1683/95.

6.   De lidstaten kunnen aanvullende informatie over de arbeidsverhouding van de seizoenarbeider op papier vermelden of in elektronisch formaat opslaan, als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1030/2002 en punt 16, onder a), van de bijlage.

7.   Wanneer een visum vereist is om het grondgebied van een lidstaat te betreden en de onderdaan van een derde land voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een seizoenarbeidersvergunning overeenkomstig lid 2, eerste alinea, onder c), biedt de betrokken lidstaat de onderdaan van een derde land alle faciliteiten om het vereiste visum te verkrijgen.

8.   De afgifte van een visum voor verblijf van langere duur bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder a), doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van de lidstaten om een voorafgaande toestemming om in de betrokken lidstaat te werken, af te geven.

Artikel 13

Aanvragen voor een seizoenarbeidersvergunning

1.   De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn om aanvragen voor een seizoenarbeidersvergunning in ontvangst te nemen, dienaangaande een besluit te nemen en de vergunningen af te geven.

2.   Een aanvraag voor een seizoenarbeidersvergunning wordt via één aanvraagprocedure ingediend.

Artikel 14

Duur van het verblijf

1.   De lidstaten stellen voor het verblijf van seizoenarbeiders een maximumduur vast die per periode van twaalf maanden niet minder bedraagt dan vijf maanden en niet meer bedraagt dan negen maanden. Na het verstrijken van die periode moet de onderdaan van een derde land het grondgebied van de lidstaat verlaten tenzij de betrokken lidstaat uit hoofde van het nationale recht of uit hoofde van het Unierecht een verblijfsvergunning voor andere doeleinden dan seizoenarbeid heeft afgegeven.

2.   De lidstaten kunnen per periode van twaalf maanden een maximumperiode bepalen gedurende welke een werkgever seizoenarbeiders in dienst mag nemen. Die periode mag niet korter zijn de overeenkomstig lid 1 vastgestelde maximumverblijfsduur.

Artikel 15

Verlenging of hernieuwing van de vergunning met het oog op seizoenarbeid

1.   Binnen de overeenkomstig artikel 14, lid 1, vastgestelde maximumperiode en mits is voldaan aan artikel 5 of artikel 6, en de in artikel 8, lid 1, onder b), artikel 8, lid 2, alsmede, indien van toepassing, artikel 8, lid 4, vermelde gronden tot afwijzing niet van toepassing zijn, staan de lidstaten de seizoenarbeiders één verlenging van hun verblijf toe ingeval zij hun arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever verlengen.

2.   De lidstaten kunnen overeenkomstig hun nationale recht besluiten dat seizoenarbeiders hun arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever en hun verblijf meer dan eens mogen verlengen mits de in artikel 14, lid 1, bedoelde maximumduur daardoor niet wordt overschreden.

3.   Binnen de in artikel 14, lid 1, bedoelde maximumperiode en mits is voldaan aan artikel 5 of artikel 6, en de in artikel 8, lid 1, onder b), artikel 8, lid 2, alsmede, indien van toepassing, artikel 8, lid 4, vermelde gronden tot afwijzing niet van toepassing zijn, staan de lidstaten de seizoenarbeiders één verlenging van hun verblijf toe om voor een andere werkgever te werken.

4.   De lidstaten kunnen overeenkomstig hun nationale recht besluiten dat seizoenarbeiders hun arbeidsovereenkomst met een andere werkgever en hun verblijf meer dan eens mogen verlengen mits de in artikel 14, lid 1, bedoelde maximumduur daardoor niet wordt overschreden.

5.   Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 aanvaarden de lidstaten de indiening van een aanvraag door een krachtens deze richtlijn toegelaten seizoenarbeider die op het grondgebied van de betrokken lidstaat is.

6.   De lidstaten kunnen weigeren het verblijf te verlengen of de vergunning met het oog op seizoenarbeid te hernieuwen wanneer in de betrokken vacature kan worden voorzien door onderdanen van de betrokken lidstaat of door andere burgers van de Unie, dan wel door onderdanen van derde landen die legaal in de lidstaat verblijven. Dit lid geldt onverminderd het beginsel van preferentie voor burgers van de Unie, dat is neergelegd in de desbetreffende bepalingen van de toepasselijke toetredingsakten.

7.   De lidstaten weigeren het verblijf te verlengen of de vergunning met het oog op seizoenarbeid te hernieuwen indien de in artikel 14, lid 1, omschreven maximale verblijfsduur is bereikt.

8.   De lidstaten kunnen weigeren het verblijf te verlengen of de vergunning met het oog op seizoenarbeid te hernieuwen indien de onderdaan van een derde land een verzoek om internationale bescherming overeenkomstig Richtlijn 2011/95/EU of om bescherming overeenkomstig het nationale recht, de internationale verplichtingen of de praktijk van de betrokken lidstaat indient.

9.   Artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 3, onder b), c) en d), zijn niet van toepassing op een seizoenarbeider die overeenkomstig lid 3 van dit artikel een aanvraag indient om in dienst te treden van een andere werkgever indien die bepalingen van toepassingen zijn op de vorige werkgever.

10.   De gronden voor de verlenging van een visum voor kort verblijf zijn vastgesteld in de desbetreffende bepalingen van de Visumcode.

11.   Onverminderd artikel 8, lid 1, wordt in de beslissing over een aanvraag tot verlenging of hernieuwing rekening gehouden met de specifieke omstandigheden van het geval, waaronder de belangen van de seizoenarbeider en de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel.

Artikel 16

Faciliteren van een hernieuwde binnenkomst

1.   De lidstaten faciliteren de hernieuwde binnenkomst van onderdanen van derde landen die in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal als seizoenarbeider in de betrokken lidstaat werden toegelaten en die tijdens elk van hun verblijven de voorwaarden die gelden voor seizoenarbeiders krachtens deze richtlijn volledig hebben nageleefd.

2.   De in lid 1 bedoelde facilitering kan één of meer van de volgende maatregelen omvatten als:

a)

het verlenen van een vrijstelling van de vereiste voor het indienen van één of meer van de in artikel 5 of artikel 6 bedoelde stukken;

b)

de afgifte van meerdere seizoenarbeidersvergunningen in één administratief besluit;

c)

een versnelde procedure die leidt tot een besluit over de aanvraag van een seizoenarbeidersvergunning of een visum voor verblijf van langere duur;

d)

het verlenen van voorrang bij de behandeling van aanvragen tot toelating als seizoenarbeider waarbij onder meer rekening wordt gehouden met eerdere toelatingen bij het nemen van een besluit op de aanvraag wanneer de ruimte voor toelatingen is uitgeput.

Artikel 17

Sancties tegen werkgevers

1.   De lidstaten voorzien in sancties tegen werkgevers die hun verplichtingen krachtens deze richtlijn niet zijn nagekomen, waaronder het ontnemen van de mogelijkheid om seizoenarbeiders in dienst te nemen aan werkgevers die ernstige inbreuken plegen op de uit deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen. Die sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de werkgever, indien de vergunning met het oog op seizoenarbeid is ingetrokken overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 9, lid 3, onder b), c) en d), aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van een vergoeding aan de seizoenarbeider volgens de procedures van het nationale recht. De aansprakelijkheid dekt alle resterende verplichtingen die de werkgever had moeten nakomen indien de vergunning met het oog op seizoenarbeid niet was ingetrokken.

3.   Wanneer de werkgever een onderaannemer is die deze richtlijn heeft overtreden, en wanneer de hoofdaannemer en iedere intermediaire onderaannemer niet de nodige zorgvuldigheid hebben betracht overeenkomstig het nationale recht, kunnen de hoofdaannemer en iedere intermediaire onderaannemer:

a)

onderworpen worden aan de in lid 1 bedoelde sancties;

b)

naast of in plaats van de werkgever aansprakelijk worden gesteld voor de betaling van een vergoeding aan de seizoenarbeider overeenkomstig lid 2;

c)

naast of in plaats van de werkgever aansprakelijk worden gesteld voor de achterstallige betalingen aan de seizoenarbeider overeenkomstig het nationale recht.

De lidstaten kunnen in hun nationale recht voorzien in strengere aansprakelijkheidsregelingen.

Artikel 18

Procedurele waarborgen

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten beslissen over de aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid. De bevoegde autoriteiten stellen de aanvrager overeenkomstig de nationale kennisgevingsprocedures zo snel mogelijk en uiterlijk 90 dagen nadat de volledige aanvraag is ingediend, schriftelijk in kennis van hun besluit.

2.   In het geval van aanvragen voor een verlenging van het verblijf of voor de hernieuwing van de vergunning overeenkomstig artikel 15 doen de lidstaten al het redelijk mogelijke om ervoor te zorgen dat de seizoenarbeider niet verplicht wordt zijn arbeidsrelatie met zijn werkgever te onderbreken of niet verhinderd wordt van werkgever te veranderen omdat bepaalde administratieve procedures niet afgerond zijn.

Indien de geldigheidsduur van de vergunning met het oog op seizoenarbeid verstrijkt tijdens de verlengings- of hernieuwingsprocedure overeenkomstig hun nationale recht, staan de lidstaten de seizoenarbeider toe op hun grondgebied te blijven totdat de bevoegde autoriteiten een besluit over de aanvraag hebben genomen, mits de aanvraag is ingediend tijdens de geldigheidsduur van die vergunning en de in artikel 14, lid 1, bedoelde termijn niet is verstreken.

Wanneer de tweede alinea van toepassing is, kunnen de lidstaten onder meer besluiten:

a)

een nationale tijdelijke verblijfsvergunning of een gelijkwaardige vergunning af te geven tot er een besluit is genomen;

b)

de seizoenarbeider toe te laten te werken totdat er een besluit is genomen.

Gedurende de periode waarin de aanvraag tot verlenging of hernieuwing wordt behandeld, zijn de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn van toepassing.

3.   Indien de ter staving van de aanvraag verstrekte informatie of documentatie onvolledig is, delen de bevoegde autoriteiten de aanvrager binnen een redelijke termijn mee welke aanvullende informatie vereist is en stellen zij voor de verstrekking daarvan een redelijke termijn vast. De in lid 1 bedoelde termijn wordt opgeschort totdat de bevoegde autoriteiten de vereiste aanvullende informatie hebben ontvangen.

4.   De motivering van het besluit tot onontvankelijkverklaring of tot afwijzing van een aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid of tot weigering van een verlenging van het verblijf of van hernieuwing van de vergunning met het oog op seizoenarbeid wordt schriftelijk aan de aanvrager meegedeeld. De motivering van het besluit tot intrekking van vergunning met het oog op seizoenarbeid wordt schriftelijk meegedeeld aan de seizoenarbeider en, indien het nationale recht daarin voorziet, aan de werkgever.

5.   Een besluit tot onontvankelijkverklaring of tot afwijzing van een aanvraag voor een vergunning met het oog op seizoenarbeid of tot weigering van een verlenging van het verblijf of van hernieuwing van de vergunning met het oog op seizoenarbeid of tot intrekking van de vergunning met het oog op seizoenarbeid kan in de betrokken lidstaat juridisch worden aangevochten volgens de regels van het nationale recht. De rechterlijke of bestuursrechtelijke instantie waarbij een beroep kan worden ingesteld en de beroepstermijnen worden in de schriftelijke kennisgeving vermeld.

6.   De procedurele waarborgen betreffende visa voor kort verblijf zijn geregeld in de relevante bepalingen van de Visumcode.

Artikel 19

Vergoedingen en kosten

1.   De lidstaten kunnen betaling van een vergoeding verlangen voor de behandeling van aanvragen overeenkomstig deze richtlijn. De hoogte van die vergoedingen mag niet onevenredig of buitensporig zijn. De vergoedingen voor visa voor kort verblijf zijn geregeld in de relevante bepalingen van het Schengenacquis. Indien die vergoedingen door de onderdaan van een derde land worden betaald, kunnen de lidstaten bepalen dat de betrokkene recht heeft op terugbetaling door de werkgever overeenkomstig de nationale wetgeving.

2.   De lidstaten kunnen van werkgevers van seizoenarbeiders eisen dat zij betalen voor:

a)

de reiskosten van de plaats van herkomst van de seizoenarbeider naar de plaats van tewerkstelling in de betrokken lidstaat en de terugreis;

b)

de kosten van een ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b), en artikel 6, lid 1, onder b).

Indien de werkgevers dergelijke kosten betalen, kunnen zij deze niet van de seizoenarbeider terugvorderen.

Artikel 20

Huisvesting

1.   De lidstaten verlangen een bewijs dat de seizoenarbeider tijdens zijn verblijf op een volgens het nationale recht en/of de nationale praktijk passende wijze zal worden gehuisvest, zodat hij een gepaste levensstandaard geniet. De bevoegde autoriteit wordt in kennis gesteld van iedere verandering van huisvesting van de seizoenarbeider.

2.   Indien de huisvesting door of via de werkgever wordt geregeld:

a)

kunnen de seizoenarbeiders verplicht worden huur te betalen die niet buitensporig mag zijn in vergelijking met hun nettobezoldiging en in vergelijking met de kwaliteit van de huisvesting. De huur mag niet automatisch in mindering worden gebracht op het loon van de seizoenarbeider;

b)

verstrekt de werkgever de seizoenarbeider een huurovereenkomst of een gelijkwaardig document waarin de huurvoorwaarden duidelijk staan vermeld;

c)

ziet de werkgever erop toe dat de huisvesting voldoet aan de in de betrokken lidstaat geldende algemene gezondheids- en veiligheidsvoorschriften.

Artikel 21

Plaatsing door openbare diensten voor arbeidsvoorziening

De lidstaten kunnen bepalen dat alleen openbare diensten voor arbeidsvoorziening de plaatsing van seizoenarbeiders uit derde landen mogen verrichten.

HOOFDSTUK IV

RECHTEN

Artikel 22

Rechten ontleend aan de vergunning met het oog op seizoenarbeid

Tijdens de geldigheidsduur van de in artikel 12 bedoelde vergunning kan de houder ten minste de volgende rechten doen gelden:

a)

het recht van toegang tot en verblijf op het grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven;

b)

het recht van vrije toegang tot het gehele grondgebied van de lidstaat die de vergunning heeft afgegeven overeenkomstig het nationale recht;

c)

het recht om de specifieke beroepsbezigheid uit te oefenen waarvoor de vergunning overeenkomstig het nationale recht geldt.

Artikel 23

Recht op gelijke behandeling

1.   Seizoenarbeiders hebben recht op dezelfde behandeling als de onderdanen van de gastlidstaat, op zijn minst met betrekking tot:

a)

tewerkstellingsvoorwaarden, zoals de minimumleeftijd om te werken, en arbeidsvoorwaarden, met inbegrip van salaris en ontslag, werktijden, verlof en vakantie, alsmede de voorschriften inzake veiligheid en gezondheid op het werk;

b)

het recht om te staken en vakbondsactie te voeren, overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijk van de gastlidstaat, en de vrijheid van vereniging en aansluiting bij of lidmaatschap van een werknemersorganisatie of een andere organisatie waarvan de leden een bepaald beroep uitoefenen, met inbegrip van aanspraak op de door deze organisaties verschafte rechten en voordelen en onder meer het recht om over collectieve arbeidsovereenkomsten te onderhandelen en deze te sluiten, onverminderd de nationale bepalingen inzake openbare orde en openbare veiligheid;

c)

achterstallige betalingen door werkgevers van het aan de onderdaan van een derde land nog verschuldigde loon;

d)

de takken van de sociale zekerheid als omschreven in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004;

e)

de toegang tot goederen en diensten en de levering van voor het publiek beschikbare goederen en diensten, met uitzondering van huisvesting, onverminderd de contractvrijheid naar Unierecht en het nationale recht;

f)

adviserende diensten verleend door arbeidsbureaus betreffende seizoenarbeid;

g)

onderwijs en beroepsopleiding;

h)

erkenning van diploma’s, certificaten en andere beroepskwalificaties, overeenkomstig de geldende nationale procedures;

i)

belastingvoordelen, mits de seizoenarbeider in de lidstaat in kwestie wordt beschouwd als ingezetene voor belastingdoeleinden.

Seizoenarbeiders die naar een derde land verhuizen, of de nabestaanden van dergelijke seizoenarbeiders die in een derde land verblijven en die rechten aan de seizoenarbeider ontlenen, ontvangen onder dezelfde voorwaarden en tegen dezelfde tarieven als onderdanen van de betrokken lidstaten wanneer die naar een derde land verhuizen, wettelijke pensioenen gebaseerd op de vroegere arbeid van de seizoenarbeider en verworven overeenkomstig de in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 883/2004 vermelde wetgeving.

2.   De lidstaten mogen beperkingen stellen aan de gelijke behandeling:

i)

in lid 1, eerste alinea, onder d), door het uitsluiten van gezinsbijslagen en werkloosheidsuitkeringen, onverminderd Verordening (EU) nr. 1231/2010;

ii)

in lid 1, eerste alinea, onder g), door de toepassing daarvan te beperken tot onderwijs en beroepsopleiding die rechtstreeks verband houdt met de specifieke beroepsbezigheid en door uitsluiting van studiebeurzen en onderhoudsuitkeringen en -leningen of andere beurzen en leningen;

iii)

in lid 1, eerste alinea, onder i), ten aanzien van belastingvoordelen, door de toepassing daarvan te beperken tot gevallen waarin de officiële of gebruikelijke woonplaats van de gezinsleden van de seizoenarbeider voor wie deze op uitkeringen aanspraak maakt, op het grondgebied van de betrokken lidstaat gelegen is.

3.   Het recht op gelijke behandeling waarin lid 1 voorziet, doet geen afbreuk aan het recht van de lidstaat om overeenkomstig de artikelen 9 en 15 de vergunning met het oog op seizoenarbeid in te trekken dan wel de verlenging of hernieuwing ervan te weigeren.

Artikel 24

Toezicht, beoordeling en inspectie

1.   De lidstaten voorzien in maatregelen teneinde mogelijk misbruik te voorkomen en inbreuken op deze richtlijn te bestraffen. De maatregelen voorzien daarbij in monitoring, beoordeling en, in voorkomend geval, inspectie, overeenkomstig hun nationale recht of administratieve praktijk.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de diensten voor arbeidsinspectie of bevoegde instanties en, indien het nationale recht daarin voorziet voor nationale werknemers, de organisaties die de belangen van werknemers vertegenwoordigen, toegang hebben tot de werkplek en, met instemming van de werknemer, tot de huisvesting.

Artikel 25

Faciliteren van klachten

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende instrumenten zijn die seizoenarbeiders kunnen gebruiken om klachten tegen hun werkgevers in te dienen, hetzij rechtsreeks, hetzij via derden die er overeenkomstig de door het nationale recht vastgelegde criteria een rechtmatig belang bij hebben toe te zien op de naleving van deze richtlijn, dan wel via een bevoegde autoriteit van de lidstaat, voor zover bepaald in het nationale recht.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat derden die er overeenkomstig de door het nationale recht vastgelegde criteria een rechtmatig belang bij hebben toe te zien op de naleving van deze richtlijn, namens of samen met een seizoenarbeider, met diens instemming, elke mogelijke civiele of administratieve procedure, uitgezonderd de procedures en besluiten inzake visa voor kort verblijf, kunnen aanspannen om de uitvoering van deze richtlijn af te dwingen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat seizoenarbeiders dezelfde toegang hebben als andere werknemers in een vergelijkbare situatie tot maatregelen ter bescherming tegen ontslag of enige andere nadelige behandeling waarmee de werkgever reageert op een klacht binnen de onderneming of op een juridische procedure gericht op het doen naleven van deze richtlijn.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Statistische gegevens

1.   De lidstaten delen aan de Commissie statistische gegevens mee over het aantal voor het eerst afgegeven vergunningen met het oog op seizoenarbeid en, voor zover mogelijk, over het aantal onderdanen van derde landen wier vergunning met het oog op seizoenarbeid is verlengd, hernieuwd of ingetrokken. Die statistische gegevens worden uitgesplitst naar staatsburgerschap en, voor zover mogelijk, naar geldigheidsduur van de vergunning en naar de economische sector.

2.   De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistische gegevens bedraagt één kalenderjaar en de statistische gegevens worden binnen zes maanden na het einde van het referentiejaar bij de Commissie ingediend. Het eerste referentiejaar is 2017.

3.   De in lid 1 bedoelde statistische gegevens worden meegedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad (21).

Artikel 27

Verslaglegging

De Commissie brengt om de drie jaar, en voor het eerst uiterlijk op 30 september 2019 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn in de lidstaten en stelt daarbij eventuele noodzakelijke wijzigingen voor.

Artikel 28

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 september 2016 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie onverwijld de tekst van die bepalingen mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 29

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 30

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Straatsburg, 26 februari 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 218 van 23.7.2011, blz. 97.

(2)  PB C 166 van 7.6.2011, blz. 59.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 5 februari 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 februari 2014.

(4)  Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen (PB L 168 van 30.6.2009, blz. 24).

(5)  Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming (PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22).

(6)  Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep (PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16).

(7)  Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98).

(9)  Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1).

(11)  Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 81 van 21.3.2001, blz. 1).

(12)  PB L 239 van 22.9.2000, blz. 19.

(13)  Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).

(14)  Verordening (EU) nr. 1231/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot uitbreiding van Verordening (EG) nr. 883/2004 en Verordening (EG) nr. 987/2009 tot onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze verordeningen vallen (PB L 344 van 29.12.2010, blz. 1).

(15)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.

(16)  Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).

(17)  Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).

(18)  Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22).

(19)  Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9).

(20)  Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1).

(21)  Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers (PB L 199 van 31.7.2007, blz. 23).


Top