Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R0167

Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen Voor de EER relevante tekst

OJ L 60, 2.3.2013, p. 1–51 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 063 P. 115 - 165

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/167/oj

2.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 60/1


VERORDENING (EU) Nr. 167/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 februari 2013

inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ter bevordering van de interne markt is bij Richtlijn 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan (3) een uitgebreid Unie-typegoedkeuringsstelsel voor trekkers, aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken ingesteld.

(2)

Voor de ontwikkeling en de werking van de interne markt van de Unie is het wenselijk de goedkeuringssystemen van de lidstaten te vervangen door een typegoedkeuringsprocedure van de Unie die gebaseerd is op het beginsel van volledige harmonisatie, terwijl tegelijkertijd de nodige rekening wordt gehouden met kosten-batenoverwegingen, met bijzondere aandacht voor het midden- en kleinbedrijf.

(3)

Op verzoek van het Europees Parlement en met als doel de goedkeuring van typegoedkeuringswetgeving te vereenvoudigen en te versnellen is op het gebied van de EU-typegoedkeuringswetgeving voor voertuigen een nieuwe regelgevingsaanpak ingevoerd, volgens welke de wetgever van de gewone wetgevingsprocedure slechts de fundamentele regels en beginselen vaststelt en de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de nadere technische bijzonderheden aan de Commissie overdraagt. Wat de materiële voorschriften betreft, moeten in deze verordening daarom alleen fundamentele bepalingen inzake functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieuprestaties worden vastgesteld en moet de bevoegdheid om de technische specificaties in gedelegeerde handelingen vast te leggen aan de Commissie worden overgedragen.

(4)

De voorschriften van deze verordening zijn in overeenstemming met de principes die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie van 5 juni 2002 met als titel „Actieplan „Vereenvoudiging en verbetering van de regelgeving” ’.

(5)

Het is van bijzonder belang dat toekomstige maatregelen die op grond van deze verordening worden voorgesteld of procedures die als toepassing ervan moeten worden gevolgd, stroken met deze principes, die in het verslag dat de Commissie in 2006 heeft gepubliceerd met als titel „CARS 21: Een concurrerend regelgevingskader voor de automobielindustrie voor de 21e eeuw” („CARS 21”) nog zijn herhaald. Met het oog op een betere regelgeving en vereenvoudiging en teneinde voortdurende actualisering van de bestaande EU-wetgeving op het gebied van technische specificaties te voorkomen, moet in deze verordening worden verwezen naar bestaande, internationale normen en voorschriften die voor het publiek toegankelijk zijn zonder dat zij in het EU-regelgevingskader volledig worden weergegeven.

(6)

Aangezien Richtlijn 97/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1997 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door inwendige verbrandingsmotoren die worden gemonteerd in niet voor de weg bestemde mobiele machines (4), noch Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines (5), noch deze verordening ontwerp- en constructievoorschriften ter waarborging van de veiligheid op de weg van niet voor de weg bestemde mobiele machines met eigen aandrijving voor gebruik in met name de land- en bosbouw bevatten, moet de Commissie de noodzaak van harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten op dat gebied beoordelen en overwegen een wetgevingsmaatregel voor te stellen met het oog op het waarborgen van een hoog veiligheidsniveau, met inachtneming van de uniale wetgeving.

(7)

Deze verordening moet maatregelen op nationaal en uniaal niveau inzake het gebruik van landbouw- en bosbouwvoertuigen op de weg, zoals specifieke vereisten voor rijbewijzen, beperkingen van de maximumsnelheid, of de regeling van de toegang tot bepaalde wegen, onverlet laten.

(8)

Richtlijn 2003/37/EG beperkte in eerste instantie de verplichte toepassing van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor gehele voertuigen tot de voertuigcategorieën T1, T2 en T3, en voorzag niet in alle nodige voorschriften om het mogelijk te maken op vrijwillige basis voor andere categorieën een aanvraag tot EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen in te dienen. Om de interne markt te voltooien en ervoor te zorgen dat deze naar behoren functioneert, moet deze verordening fabrikanten de mogelijkheid bieden op vrijwillige basis voor alle categorieën die onder deze verordening vallen EU-typegoedkeuring van gehele voertuigen aan te vragen, zodat zij via de EU-typegoedkeuring van de voordelen van de interne markt kunnen profiteren.

(9)

Richtlijn 2003/37/EG betrof de EG-typegoedkeuring voor gehele voertuigen voor alle terreinwagens en „side-by-side”-voertuigen als tractoren Deze typen voertuigen moeten derhalve ook onder deze verordening vallen, op voorwaarde dat het betreffende type voertuig onder een in deze verordening bedoelde voertuigcategorie valt en aan alle vereisten van deze verordening voldoet.

(10)

De verplichtingen van de nationale autoriteiten die in de bepalingen inzake markttoezicht van deze verordening zijn vastgelegd, zijn specifieker dan de overeenkomstige bepalingen van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten (6).

(11)

Om een hoog niveau van functionele veiligheid, inzittendenveiligheid en milieubescherming te waarborgen, moeten de technische voorschriften en milieunormen die in het kader van de typegoedkeuring van toepassing zijn op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden worden geharmoniseerd.

(12)

Het is wenselijk het beginsel vast te stellen dat voertuigen zodanig moeten zijn ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere weggebruikers zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen. Daartoe moeten de fabrikanten ervoor zorgen dat hun voertuigen voldoen aan de desbetreffende voorschriften van deze verordening. Die bepalingen moeten onder meer voorschriften omvatten met betrekking tot de integriteit van de voertuigstructuur, systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, verlichtingssystemen, beschermingssystemen voor inzittenden, de buitenkant en de toebehoren aan het voertuig, massa’s en afmetingen van voertuigen en banden van voertuigen.

(13)

Om te garanderen dat de procedure voor de controle van de overeenstemming van de productie, die een van de hoekstenen van het EU-typegoedkeuringssysteem vormt, juist wordt toegepast en naar behoren functioneert, moet een bevoegde instantie of een voldoende gekwalificeerde technische dienst die daartoe is aangewezen, geregeld verificaties verrichten bij de fabrikanten.

(14)

In een beperkt aantal gevallen moet er een nationale typegoedkeuringsprocedure voor in kleine series gebouwde voertuigen kunnen zijn. Die zou echter beperkt moeten zijn tot geringe aantallen voertuigen. Het begrip kleine series dient dan ook nauwkeurig te worden gedefinieerd door het aantal te produceren voertuigen aan te geven.

(15)

Het hoofddoel van de Uniewetgeving van de Unie inzake de goedkeuring van voertuigen is ervoor te zorgen dat nieuwe voertuigen, onderdelen en technische eenheden die in de handel worden gebracht een hoog niveau van veiligheid en milieubescherming bieden. Het bereiken van dat doel mag niet in het gedrang worden gebracht doordat bepaalde voertuigdelen of uitrustingsstukken worden gemonteerd nadat voertuigen op de markt of in het verkeer zijn gebracht. Daarom moeten passende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat voertuigdelen of uitrustingsstukken die op voertuigen kunnen worden gemonteerd en die de werking van voor de veiligheid of de milieubescherming essentiële systemen in aanzienlijke mate nadelig kunnen beïnvloeden, door een goedkeuringsinstantie vooraf worden gecontroleerd voordat zij in de handel worden gebracht. Die maatregelen moeten technische bepalingen bevatten betreffende de voorschriften waaraan die voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

(16)

Dergelijke maatregelen moeten slechts betrekking hebben op een beperkt aantal voertuigdelen en uitrustingsstukken, die door de Commissie na raadpleging van de belanghebbenden in een lijst in een uitvoeringshandeling moeten worden opgenomen. De maatregelen moeten ervoor zorgen dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken de veiligheid of de milieuprestaties van het voertuig niet nadelig beïnvloeden en moeten tegelijkertijd waar mogelijk de concurrentie op de vervangingsmarkt in stand houden.

(17)

De Unie is partij bij de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en voertuigdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene Overeenkomst van 1958”) (7). Om de typegoedkeuringswetgeving volgens de aanbevelingen van CARS 21 te vereenvoudigen, is het wenselijk alle afzonderlijke richtlijnen in te trekken zonder daarmee het beschermingsniveau te verminderen. De voorschriften die in die richtlijnen zijn neergelegd, moeten in deze verordening of in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, worden overgenomen en moeten, daar waar van toepassing, vervangen worden door verwijzingen naar de desbetreffende reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) die de Unie bij stemming heeft goedgekeurd of waartoe de Unie is toegetreden en die als bijlage zijn gevoegd bij de Herziene Overeenkomst van 1958. Om de administratieve lasten als gevolg van de typegoedkeuringsprocedure te verlichten, moet het voor automobielfabrikanten mogelijk zijn typegoedkeuring aan te vragen overeenkomstig deze verordening, in voorkomend geval, rechtstreeks door het verkrijgen van een goedkeuring krachtens een van de desbetreffende VN/ECE-reglementen die zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening en in de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

(18)

VN/ECE-reglementen en wijzigingen daarop waaraan de Unie, in het kader van de toepassing van Besluit 97/836/EG, haar goedkeuring heeft gehecht, moeten derhalve in de EU-typegoedkeuringswetgeving worden opgenomen. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen de nodige aanpassingen aan bijlage I bij deze verordening of de gedelegeerde handelingen die zijn vastgesteld op grond van deze verordening, vast te stellen.

(19)

Bij wijze van alternatief kan in de gedelegeerde handelingen naar door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) vastgestelde codes of naar rechtstreeks voor het publiek toegankelijke CEN/Cenelec- of ISO-normen die daarin worden vermeld, worden verwezen.

(20)

Het is van belang dat de fabrikanten de eigenaars van voertuigen relevante informatie verstrekken om verkeerd gebruik van veiligheidsvoorzieningen te voorkomen.

(21)

Om fabrikanten van onderdelen en technische eenheden in staat te stellen EU-typegoedkeuring vooronderdelen en technische eenheden of voor een vergunning voor voertuigdelen of uitrustingsstukken aan te vragen, is het ook van belang dat deze toegang hebben tot bepaalde informatie die alleen de voertuigfabrikant kan verstrekken, zoals technische informatie en tekeningen die nodig zijn om voertuigdelen voor de vervangingsmarkt te ontwikkelen.

(22)

Niet-discriminatoire toegang tot reparatie-informatie — via een gestandaardiseerd formaat voor het vinden van technische informatie — en effectieve concurrentie op de markt voor reparatie- en onderhoudsinformatiediensten is nodig om de werking van de interne markt te verbeteren, met name wat het vrije verkeer van goederen, het recht van vestiging en het vrij verrichten van diensten betreft. Een groot deel van deze informatie betreft boorddiagnosesystemen en de interactie daarvan met andere voertuigsystemen. Het is wenselijk vast te stellen aan welke technische specificaties de websites van fabrikanten moeten voldoen, naast gerichte maatregelen om een redelijke toegang voor het midden- en kleinbedrijf te waarborgen.

(23)

Fabrikanten van voertuigen moeten ook kunnen voldoen aan hun verplichtingen om toegang te verlenen tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreffende de communicatieprotocollen tussen trekkers en getrokken of gemonteerde uitrustingsstukken, zoals bedoeld in ISO 11783, door op hun websites een link te voorzien naar een door meerdere fabrikanten of een groep fabrikanten gecreëerde website.

(24)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (8).

(25)

Ter aanvulling van deze verordening met verdere technische details moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen inzake functionele veiligheid, constructie-eisen, milieu- en aandrijfprestaties, toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie en aanwijzing en bevoegdheden van technische diensten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij de voorbereiding passend overleg pleegt, onder meer met deskundigen. De Commissie dient bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor te zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

(26)

De lidstaten moeten regels vaststellen inzake sancties wegens inbreuken op deze verordening en de gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld en erop toezien dat deze worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(27)

Hoewel niets in deze verordening verhindert dat de lidstaten hun respectieve systemen voor individuele goedkeuringen blijven toepassen, moet de Commissie, op basis van door de lidstaten verstrekte informatie, aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de werking van deze nationale systemen, teneinde te overwegen of zij een wetgevingsvoorstel moet indienen betreffende de harmonisatie van het systeem voor individuele goedkeuringen op Unieniveau.

(28)

Als gevolg van de toepassing van het nieuwe regelgevingskader dat door deze verordening wordt ingevoerd, moeten de volgende richtlijnen worden ingetrokken:

Richtlijn 2003/37/EG,

Richtlijn 74/347/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (9),

Richtlijn 76/432/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (10),

Richtlijn 76/763/EEG van de Raad van 27 juli 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de zitplaatsen voor meerijders op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (11),

Richtlijn 77/537/EEG van de Raad van 28 juni 1977 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen tegen de verontreiniging door dieselmotoren, bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (12),

Richtlijn 78/764/EEG van de Raad van 25 juli 1978 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de bestuurderszitplaats op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (13),

Richtlijn 80/720/EEG van de Raad van 24 juni 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bedieningsruimte, de toegankelijkheid van de cabine alsmede deuren en ramen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (14),

Richtlijn 86/297/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake aftakassen en de beveiliging daarvan bij land- en bosbouwtrekkers op wielen (15),

Richtlijn 86/298/EEG van de Raad van 26 mei 1986 betreffende kantelbeveiligingsinrichtingen aan de achterzijde op land- of bosbouwsmalspoortrekkers (16),

Richtlijn 86/415/EEG van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de installatie, plaats, werking en identificatie van de bedieningsorganen van land- en bosbouwtrekkers op wielen (17),

Richtlijn 87/402/EEG van de Raad van 25 juni 1987 betreffende vóór de bestuurderszitplaats bevestigde kantelbeveiligingsinrichtingen voor land- of bosbouwsmalspoortrekkers op wielen (18),

Richtlijn 2000/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2000 inzake maatregelen tegen de uitstoot van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren bestemd voor het aandrijven van landbouw- of bosbouwtrekkers (19),

Richtlijn 2009/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (20),

Richtlijn 2009/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de sleepinrichting en de achteruitrijinrichting van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (21),

Richtlijn 2009/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende achteruitkijkspiegels van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (22),

Richtlijn 2009/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en de laadplatforms van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (23),

Richtlijn 2009/61/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (24),

Richtlijn 2009/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende bepaalde onderdelen en eigenschappen van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (25),

Richtlijn 2009/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdrukking van radiostoringen, veroorzaakt door landbouw- of bosbouwtrekkers (elektromagnetische compatibiliteit) (26),

Richtlijn 2009/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de stuurinrichting van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (27),

Richtlijn 2009/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de onderdeelgoedkeuring van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (28),

Richtlijn 2009/75/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de kantelbeveiligingsinrichtingen op landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (statische proeven) (29),

Richtlijn 2009/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende het geluidsniveau op oorhoogte van bestuurders van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (30),

Richtlijn 2009/144/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 betreffende bepaalde onderdelen en kenmerken van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (31).

(29)

Het is van belang dat alle belanghebbenden een duidelijk begrip hebben van het verband tussen deze verordening en Richtlijn 2006/42/EG, om overlapping te voorkomen en duidelijk vast te stellen aan welke voorschriften een bepaald product moet voldoen.

(30)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vastleggen van geharmoniseerde regels inzake administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van en inzake het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, gelet op de omvang en de gevolgen ervan, beter verwezenlijkt kan worden op het niveau van de Unie, kan de Unie in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel als vervat in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

1.   In deze verordening worden de administratieve en technische voorschriften voor de typegoedkeuring van alle in artikel 2, lid 1, bedoelde nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden vastgesteld.

Deze verordening is niet van toepassing op de goedkeuring van individuele voertuigen. lidstaten die dergelijke individuele goedkeuringen verlenen, aanvaarden echter alle typegoedkeuringen van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die krachtens deze verordening zijn verleend in plaats van krachtens de desbetreffende nationale bepalingen.

2.   In deze verordening worden ook de voorschriften vastgesteld voor het markttoezicht op voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die overeenkomstig deze verordening moeten worden goedgekeurd. In deze verordening worden tevens de voorschriften voor markttoezicht op voertuigdelen en uitrustingsstukken voor dergelijke voertuigen vastgesteld.

3.   Deze verordening laat de toepassing van wetgeving inzake verkeersveiligheid onverlet.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing opin een of meer fasen ontworpen en gebouwde landbouw- en bosbouwvoertuigen, zoals beschreven in artikel 4, en op systemen, onderdelen en technische eenheden, alsook voertuigdelen en uitrustingsstukken, die voor dergelijke voertuigen zijn ontworpen en gebouwd.

Deze verordening is specifiek van toepassing op de volgende voertuigen:

a)

trekkers (categorieën T en C);

b)

aanhangwagens (categorie R), en

c)

verwisselbare getrokken uitrustingsstukken (categorie S).

2.   Deze verordening is niet van toepassing op verwisselbare machines die in het wegverkeer volledig vrij van de grond zijn of niet rond een verticale as kunnen draaien.

3.   Voor de volgende voertuigen mag de fabrikant naar eigen keuze een aanvraag indienen voor goedkeuring krachtens deze verordening, dan wel om te voldoen aan de desbetreffende nationale voorschriften:

a)

aanhangwagens (categorie R) en verwisselbare getrokken werktuigen (categorie S);

b)

trekkers op rupsbanden (categorie C);

c)

trekkers voor speciale doeleinden op wielen (categorieën T4.1 en T4.2).

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening en van de in de lijst van bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij daarin anders is bepaald, gelden de onderstaande definities:

1.   „typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

2.   „typegoedkeuring van een geheel voertuig”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een incompleet, compleet of voltooid voertuigtype aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

3.   „typegoedkeuring van een systeem”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een in een specifiek voertuigtype ingebouwd systeem aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

4.   „typegoedkeuring van een onderdeel”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een onderdeel onafhankelijk van een voertuig aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

5.   „typegoedkeuring van een technische eenheid”: een typegoedkeuring waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een technische eenheid in samenhang met een of meer specifieke voertuigtypen aan de van toepassing zijnde administratieve bepalingen en technische voorschriften voldoet;

6.   „nationale typegoedkeuring”: een in de nationale wetgeving van een lidstaat vastgestelde typegoedkeuringsprocedure waarvan de geldigheid beperkt is tot het grondgebied van die lidstaat;

7.   „EU-typegoedkeuring”: de procedure waarbij een goedkeuringsinstantie certificeert dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan de relevante administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet;

8.   „trekker”: een landbouw- of bosbouwvoertuig op wielen of rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens of uitrustingsstukken voor de land- of bosbouw; het kan zijn aangepast om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en kan zijn uitgerust met een of meer zitplaatsen voor meerijders;

9.   „aanhangwagen”: een landbouw- of bosbouwvoertuig dat voornamelijk is bestemd door een trekker te worden getrokken en voornamelijk is bedoeld voor het vervoeren van ladingen of het bewerken van materialen en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig gelijk is aan of groter is dan 3,0;

10.   „verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk”: een in de landbouw of bosbouw gebruikt voertuig dat is ontworpen om getrokken te worden door een trekker en die trekker een andere of extra functie geeft, van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of is ontworpen om materiaal te bewerken, en die een laadplatform kan omvatten dat is ontworpen en gebouwd om de voor deze doeleinden benodigde gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan, en waarbij de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig kleiner is dan 3,0;

11.   „voertuig”: trekker, aanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, zoals gedefinieerd in de punten 8, 9 en 10;

12.   „basisvoertuig”: een voertuig dat in de eerste fase van een meerfasentypegoedkeuringsprocedure wordt gebruikt;

13.   „incompleet voertuig”: een voertuig dat nog minstens één voltooiingsfase moet ondergaan om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

14.   „voltooid voertuig”: een voertuig dat na de meerfasentypegoedkeuringsprocedure te hebben doorlopen aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening voldoet;

15.   „compleet voertuig”: een voertuig dat niet hoeft te worden voltooid om aan de van toepassing zijnde technische voorschriften van deze verordening te voldoen;

16.   „voertuig uit restantvoorraad”: een voertuig dat deel uitmaakt van een voorraad en dat niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden, kan worden geregistreerd of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor het niet is goedgekeurd;

17.   „systeem”: een geheel van voorzieningen die gecombineerd zijn om in een voertuig een of meer specifieke functies te vervullen, en dat aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen;

18.   „onderdeel”: een voorziening die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend, in overeenstemming met deze verordening en de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;

19.   „technische eenheid”: een inrichting die aan de voorschriften van deze verordening of een van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die volgens deze verordening zijn vastgesteld, moet voldoen, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig en waarvoor afzonderlijk, maar alleen met betrekking tot een of meer specifieke voertuigtypes, typegoedkeuring kan worden verleend indien deze handelingen daarin uitdrukkelijk voorzien;

20.   „voertuigdelen”: goederen die worden gebruikt voor de montage van een voertuig alsmede reserveonderdelen;

21.   „uitrustingsstukken”: andere goederen dan voertuigdelen, die kunnen worden toegevoegd aan of geïnstalleerd in of op een voertuig;

22.   „originele voertuigdelen of uitrustingsstukken”: voertuigdelen of uitrustingsstukken die worden geproduceerd volgens specificaties en productienormen die de voertuigfabrikant heeft verstrekt voor de productie van voertuigdelen of uitrustingsstukken die bestemd zijn voor de montage van het betrokken motorvoertuig; dit is met inbegrip van voertuigdelen en uitrustingsstukken die in dezelfde productielijn als de betrokken voertuigdelen of uitrustingsstukken geproduceerd zijn; er is een weerlegbaar vermoeden, dat voertuigdelen of uitrustingsstukken originele voertuigdelen of uitrustingsstukken zijn indien de fabrikant certificeert dat zij van gelijke kwaliteit zijn als de voertuigdelen die voor de montage van het betrokken motorvoertuig zijn gebruikt en dat zij volgens de specificaties en productienormen van de fabrikant van het voertuig zijn vervaardigd;

23.   „reserveonderdelen”: goederen die ter vervanging van de originele voertuigdelen van het voertuig in of op het voertuig worden gemonteerd, met inbegrip van goederen zoals smeermiddelen, die voor het gebruik van het voertuig noodzakelijk zijn, met uitzondering van brandstof;

24.   „functionele veiligheid”: het ontbreken van een onaanvaardbaar risico van lichamelijk letsel of van schade aan de menselijke gezondheid of eigendom als gevolg van ondeugdelijk gedrag van mechanische, hydraulische, pneumatische, elektrische of elektronische systemen, onderdelen of technische eenheden veroorzaakte gevaren;

25.   „fabrikant”: de natuurlijke of rechtspersoon die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeuring, de vergunningsprocedure en de overeenstemming van de productie en die tevens verantwoordelijk is voor kwesties met betrekking tot het markttoezicht op de door hem geproduceerde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, ongeacht of deze natuurlijke of rechtspersoon direct betrokken is bij alle fasen van het ontwerp en de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd;

26.   „vertegenwoordiger van de fabrikant”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die door de fabrikant is aangewezen om de fabrikant te vertegenwoordigen bij de goedkeuringsinstantie of de markttoezichtautoriteit en namens de fabrikant op te treden bij onder deze verordening vallende aangelegenheden;

27.   „goedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die door de lidstaat is opgericht of aangewezen en door de lidstaat is aangemeld bij de Commissie en die bevoegd is voor alle aspecten van de typegoedkeuring van een type voertuig, systeem, component of technische eenheid, voor de vergunningsprocedure, voor de afgifte en eventuele intrekking of weigering van goedkeuringscertificaten, en die bevoegd is om op te treden als contactpunt voor de goedkeuringsinstanties van andere lidstaten, om de technische diensten aan te wijzen en om te waarborgen dat de fabrikant voldoet aan zijn verplichtingen inzake de overeenstemming van de productie;

28.   „technische dienst”: een organisatie of instantie die door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat is aangewezen om namens haar als testlaboratorium tests of als overeenstemmingsbeoordelingsinstantie de initiële beoordeling en andere tests of inspecties te verrichten; de goedkeuringsinstantie mag deze functies ook zelf vervullen;

29.   „zelftesten”: het uitvoeren van tests in zijn eigen faciliteiten, de registratie van de testresultaten en de indiening van een verslag met conclusies bij de goedkeuringsinstantie door een fabrikant die als technische dienst is aangewezen om de naleving van bepaalde voorschriften te beoordelen;

30.   „virtuele testmethode”: computersimulatie, daaronder begrepen berekeningen om aan te tonen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet aan de technische voorschriften van de op grond van artikel 27, lid 6, vastgestelde gedelegeerde handeling zonder dat daarvoor gebruik hoeft te worden gemaakt van fysieke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden;

31.   „typegoedkeuringscertificaat”: het document waarmee de goedkeuringsinstantie officieel certificeert dat voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid goedkeuring is verleend;

32.   „EU-typegoedkeuringscertificaat”: het op het model in de uitvoeringshandeling die krachtens deze verordening is vastgesteld, gebaseerde certificaat, dan wel het inlichtingenformulier in de relevante VN/ECE-reglementen als bedoeld in deze verordening of de gedelegeerde handelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld;

33.   „certificaat van overeenstemming”: het document dat door de fabrikant wordt afgegeven en dat certificeert dat het geproduceerde voertuig conform was met het goedgekeurde voertuigtype;

34.   „boorddiagnosesysteem” of „OBD-systeem”: een systeem dat bij een storing door middel van in een computergeheugen opgeslagen foutcodes kan aangeven in welk gebied de storing waarschijnlijk is opgetreden;

35.   „reparatie- en onderhoudsinformatie”: alle informatie die nodig is voor diagnose, onderhoud, inspectie, periodieke controle, reparatie, herprogrammering of re-initialisatie van het voertuig en die de fabrikanten aan hun erkende handelaren en reparatiebedrijven verstrekken, met inbegrip van alle latere wijzigingen van en aanvullingen op deze informatie; deze informatie omvat alle gegevens over het monteren van voertuigdelen en uitrustingsstukken op voertuigen;

36.   „onafhankelijke marktdeelnemer”: ondernemingen, met uitzondering van erkende handelaren en reparatiebedrijven, die direct of indirect bij de reparatie en het onderhoud van voertuigen betrokken zijn, met name reparateurs, fabrikanten of distributeurs van reparatieapparatuur, -gereedschap of reserveonderdelen, uitgevers van technische informatie, automobielclubs, wegenwachtdiensten, bedrijven die keurings- en controlediensten aanbieden en bedrijven die opleidingen aanbieden voor installateurs, fabrikanten en reparateurs van uitrustingsstukken voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden;

37.   „nieuw voertuig”: een voertuig dat nooit eerder is geregistreerd of in het verkeer is gebracht;

38.   „registratie”: de permanente, voorlopige dan wel tijdelijke administratieve goedkeuring voor het in het verkeer brengen van een voertuig, wat de identificatie ervan en de afgifte van een serienummer (het kenteken) impliceert;

39.   „in de handel brengen”: het voor het eerst aanbieden in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk;

40.   „in het verkeer brengen”: het eerste gebruik in de Unie van een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk overeenkomstig het gebruiksdoel;

41.   „importeur”: een in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk uit een derde land in de handel brengt;

42.   „distributeur”: een andere natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen dan de fabrikant of de importeur, die een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk op de markt aanbiedt;

43.   „marktdeelnemer”: de fabrikant, de vertegenwoordiger van de fabrikant, de importeur of de distributeur;

44.   „markttoezicht”: activiteiten en maatregelen van de nationale autoriteiten om ervoor te zorgen dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden, voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende harmonisatiewetgeving van de Unie en geen gevaar opleveren voor gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang;

45.   „markttoezichtautoriteit”: de autoriteit of autoriteiten van een lidstaat verantwoordelijk voor het uitvoeren van markttoezicht op het eigen grondgebied;

46.   „nationale autoriteit”: een goedkeuringsautoriteit of enige andere autoriteit betrokken bij en verantwoordelijk voor markttoezicht, grenscontroles of registratie in een lidstaat met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, voertuigdelen of uitrustingsstukken;

47.   „op de markt aanbieden”: een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid leveren voor distributie of gebruik op de markt in het kader van een commerciële activiteit, ongeacht of dit tegen betaling dan wel gratis gebeurt;

48.   „voertuigtype”: een groep voertuigen, met inbegrip van varianten en uitvoeringen, van een bepaalde categorie die op de volgende essentiële punten onderling niet verschillen:

categorie;

fabrikant;

typeaanduiding door de fabrikant;

essentiële aspecten van de constructie en het ontwerp;

chassis met centrale buis/chassis met langsbalken/geleed chassis (duidelijke en fundamentele verschillen);

voor categorie T: assen (aantal) of, voor categorie C: assen/rupsbanden (aantal);

in het geval van in meerdere fasen gebouwde voertuigen, de fabrikant en het type van het voertuig van de voorafgaande fase;

49.   „variant”: tot een type behorende voertuigen die ten minste op de volgende punten niet van elkaar verschillen:

a)

voor trekkers:

structureel concept van het koetswerk of het type koetswerk;

stadium van voltooiing;

motor (interneverbranding/hybride/elektrisch/hybride-elektrisch);

werkingsprincipe;

aantal en opstelling van de cilinders;

vermogensverschil van niet meer dan 30 % (het hoogste vermogen is niet meer dan 1,3 maal het laagste vermogen);

verschil in cilinderinhoud van niet meer dan 20 % (de grootste cilinderinhoud is niet meer dan 1,2 maal de kleinste cilinderinhoud);

aangedreven assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

gestuurde assen (aantal en plaats);

verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

transmissie (soort);

kantelbeveiliging;

geremde assen (aantal);

b)

voor trekkers of uitwisselbare getrokken uitrustingsstukken:

gestuurde assen (aantal, plaats en onderlinge verbinding);

verschillen in maximummassa in beladen toestand van niet meer dan 10 %;

geremde assen (aantal);

50.   „hybride voertuig”: een gemotoriseerd voertuig met ten minste twee verschillende energieomzetters en twee verschillende, in het voertuig aanwezige energieopslagsystemen voor de aandrijving van het voertuig;

51.   „hybride elektrisch voertuig”: een voertuig dat voor mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

a)

een verbruiksbrandstof;

b)

een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen.

Deze definitie omvat ook voertuigen die alleen energie van een verbruiksbrandstof krijgen voor het opladen van het systeem voor de opslag van elektrische energie/vermogen;

52.   „zuiver elektrisch voertuig”: een voertuig dat zijn vermogen verkrijgt van een systeem bestaande uit één of meer systemen voor de opslag van elektrische energie, één of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en één of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die deze aan de wielen leveren voor de aandrijving van het voertuig;

53.   „uitvoering van een variant”: een voertuig dat bestaat uit een combinatie van punten in het informatiepakket bedoeld in artikel 24, lid 10.

Verwijzingen in de verordening naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening gelden als verwijzingen naar voorschriften, procedures of regelingen die zijn vastgelegd in deze verordening en in de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld.

Artikel 4

Voertuigcategorieën

Voor de toepassing van deze verordening worden de volgende voertuigcategorieën gehanteerd:

1.   „categorie T”: alle trekkers op wielen; elke in de punten 2 tot en met 8 beschreven categorie trekkers op wielen wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang de snelheid waarvoor deze is ontworpen:

a)

„a” voor trekkers op wielen die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor trekkers op wielen die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

2.   „categorie T1”: trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een bodemvrijheid van ten hoogste 1 000 mm;

3.   „categorie T2”: trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg, met een bodemvrijheid van ten hoogste 600 mm; indien de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, moet de door de constructie bepaalde maximumsnelheid worden beperkt tot 30 km/h;

4.   „categorie T3”: trekkers op wielen met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;

5.   „categorie T4”: trekkers voor speciale doeleinden op wielen;

6.   „categorie T4.1” (trekkers met grote bodemvrijheid): trekkers voor het bewerken van hoge, in rijen geplante gewassen, bijvoorbeeld in de wijnbouw. Zij worden gekenmerkt door een (gedeeltelijk) verhoogd chassis dat zodanig is gebouwd dat zij zich parallel aan de rijen planten kunnen voortbewegen, waarbij de linker- en rechterwielen zich aan weerszijden van een of meer rijen planten bevinden. Zij zijn ontworpen om werktuigen te dragen of aan te drijven die zich aan de voorzijde, tussen de assen, aan de achterzijde of op een platform bevinden. In de werkpositie bedraagt de verticaal gemeten bodemvrijheid op de plaats van de rijen planten meer dan 1 000 mm. Wanneer de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten), gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van alle assen, meer dan 0,90 bedraagt, mag de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet hoger zijn dan 30 km/h;

7.   „categorie T4.2” (extra brede trekkers): trekkers die door hun grote afmetingen worden gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd zijn om grote landbouwarealen te bewerken;

8.   „categorie T4.3” (trekkers met kleine bodemvrijheid): trekkers met vierwielaandrijving, waarvan de verwisselbare uitrustingsstukken bestemd zijn voor gebruik in de land- of bosbouw en die gekenmerkt worden door een dragend frame, met een of meer aftakassen zijn uitgerust, een technisch toelaatbare massa van ten hoogste 10 ton hebben en waarbij de verhouding tussen deze massa en de maximale onbeladen massa in rijklare toestand minder dan 2,5 bedraagt en waarvan de waarde van de hoogte van het zwaartepunt, (ten opzichte van de grond en met de normaal gemonteerde banden gemeten) minder dan 850 mm bedraagt;

9.   „categorie C”: trekkers op rupsbanden die door rupsbanden of door een combinatie van wielen en rupsbanden worden voortbewogen, waarvan de subcategorieën worden gedefinieerd naar analogie van categorie T;

10.   „categorie R”: aanhangwagens; elke in de punten 11 tot en met 14 beschreven categorie aanhangwagens wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang de snelheid waarvoor deze is ontworpen:

a)

„a” voor aanhangwagens die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor aanhangwagens die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

11.   „categorie R1”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as ten hoogste 1 500 kg bedraagt;

12.   „categorie R2”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 1 500 kg maar niet meer dan 3 500 kg bedraagt;

13.   „categorie R3”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 3 500 kg maar niet meer dan 21 000 kg bedraagt;

14.   „categorie R4”: aanhangwagens waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 21 000 kg bedraagt;

15.   „categorie S”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.

Elke categorie verwisselbare getrokken uitrustingsstukken wordt op het einde aangevuld met de letter a of b, al naar gelang van de snelheid waarvoor deze zijn ontworpen:

a)

„a” voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van ten hoogste 40 km/h zijn ontworpen;

b)

„b” voor verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die voor een snelheid van meer dan 40 km/h zijn ontworpen;

16.   „categorie S1”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as ten hoogste 3 500 kg bedraagt;

17.   „categorie S2”: verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvan het totaal van de technisch toelaatbare massa’s per as meer dan 3 500 kg bedraagt.

HOOFDSTUK II

ALGEMENE VERPLICHTINGEN

Artikel 5

Verplichtingen van de lidstaten

1.   De lidstaten richten overeenkomstig deze verordening de voor goedkeuringsaangelegenheden bevoegde goedkeuringsinstanties en de voor markttoezichtaangelegenheden bevoegde markttoezichtautoriteiten op of wijzen deze aan. De lidstaten stellen de Commissie van de oprichting en aanwijzing van dergelijke autoriteiten op de hoogte.

De kennisgeving betreffende de goedkeurings- en markttoezichtautoriteiten bevat hun naam, adres, inclusief elektronisch adres, alsmede hun bevoegdheidsgebied. De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de goedkeuringsinstanties en de technische diensten op haar website.

2.   De lidstaten staan alleen toe dat voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen, in de handel worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht.

3.   De lidstaten mogen het in de handel brengen, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden niet verbieden, beperken of belemmeren op grond van aspecten die verband houden met de constructie of de werking ervan welke onder deze verordening vallen, indien zij aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

4.   De lidstaten organiseren en verrichten overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 765/2008 markttoezicht en controles met betrekking tot voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden gebracht.

Artikel 6

Verplichtingen van goedkeuringsinstanties

1.   De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat fabrikanten die een typegoedkeuring aanvragen, hun verplichtingen krachtens deze verordening nakomen.

2.   De goedkeuringsinstanties verlenen alleen goedkeuring voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die aan de voorschriften van deze verordening voldoen.

Artikel 7

Markttoezichtmaatregelen

1.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden die een typegoedkeuring hebben gekregen, voeren de markttoezichtautoriteiten op toereikende schaal passende documentencontroles uit, daarbij rekening houdend met gevestigde beginselen van risicobeoordeling, klachten en andere informatie.

De markttoezichtautoriteiten kunnen van marktdeelnemers verlangen dat deze de documenten en informatie beschikbaar stellen die de autoriteiten noodzakelijk achten om hun activiteiten uit te voeren.

Indien marktdeelnemers certificaten van overeenstemming overleggen, houden de markttoezichtautoriteiten daarmee naar behoren rekening.

2.   Op andere voertuigdelen en uitrustingsstukken dan die welke onder lid 1 van dit artikel vallen, is artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 765/2008 in zijn geheel van toepassing.

Artikel 8

Verplichtingen van fabrikanten

1.   Fabrikanten zorgen ervoor dat wanneer hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel of in het verkeer worden gebracht, deze overeenkomstig de voorschriften van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen zijn geproduceerd en goedgekeurd.

2.   Bij meerfasentypegoedkeuring is elke fabrikant verantwoordelijk voor de goedkeuring en de overeenstemming van de productie van de systemen, onderdelen en technische eenheden die tijdens de door hem uitgevoerde voltooiingsfase van het voertuig worden toegevoegd. Iedere fabrikant die reeds in eerdere fasen goedgekeurde onderdelen of systemen wijzigt, is verantwoordelijk voor de goedkeuring en overeenstemming van de productie van de gewijzigde onderdelen en systemen.

3.   Fabrikanten die het incomplete voertuig zodanig wijzigen dat dit wordt aangemerkt als behorende tot een andere voertuigcategorie en dat bijgevolg de reeds in een eerste goedkeuringsfase beoordeelde wettelijke voorschriften zijn gewijzigd, zijn ook verantwoordelijk voor de naleving van de van toepassing zijnde voorschriften met betrekking tot de voertuigcategorie waartoe het gewijzigde voertuig behoort.

4.   Voor de goedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die onder deze verordening vallen, wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd, een binnen de Unie gevestigde gemachtigde aan om hen voor de goedkeuringsinstantie te vertegenwoordigen.

5.   Voorts wijzen fabrikanten die buiten de Unie zijn gevestigd een binnen de Unie gevestigde vertegenwoordiger aan voor het markttoezicht, hetzij dezelfde vertegenwoordiger als in lid 4 is bedoeld, hetzij een andere vertegenwoordiger.

6.   Fabrikanten zijn jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk voor alle aspecten van de goedkeuringsprocedure en voor het waarborgen van de overeenstemming van de productie, ongeacht of zij al dan niet rechtstreeks bij alle fasen van de bouw van een voertuig, systeem, component of technische eenheid betrokken zijn.

7.   Overeenkomstig deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen zorgen fabrikanten ervoor dat zij beschikken over procedures om de conformiteit van hun serieproductie met het goedgekeurde type te blijven waarborgen. Er wordt overeenkomstig hoofdstuk VI rekening gehouden met wijzigingen in het ontwerp van een voertuig, systeem, component of technische eenheid of in de kenmerken daarvan, en met wijzigingen in de voorschriften waarmee een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is verklaard.

8.   In aanvulling op de overeenkomstig artikel 34 op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden aangebrachte voorgeschreven opschriften en typegoedkeuringsmerken, vermelden fabrikanten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres in de Unie op hun voertuigen, onderdelen of technische eenheden die op de markt worden aangeboden of, wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het onderdeel of bij de technische eenheid gevoegd document.

9.   De fabrikanten zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 9

Verplichtingen van fabrikanten betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden dat of die in de handel of in het verkeer is gebracht, niet conform is met deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

De fabrikant stelt de goedkeurende instantie die de goedkeuring heeft verleend hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij hij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijft.

2.   Als het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid een ernstig risico vormt, brengen de fabrikanten de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid op de markt is aangeboden of in het verkeer is gebracht, hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de non-conformiteit en alle genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden fabrikanten het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket en houdt de voertuigfabrikant een kopie van de in artikel 33 bedoelde certificaten van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties.

4.   Fabrikanten verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze autoriteit via de goedkeuringsinstantie een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat of de in artikel 46, lid 1, en lid 2, bedoelde vergunning waaruit de conformiteit van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid blijkt, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Fabrikanten verlenen de instantie van de lidstaat hun medewerking aan eventueel overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico’s van hun voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht, geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht, weg te nemen.

Artikel 10

Verplichtingen van de vertegenwoordigers van de fabrikant met betrekking tot markttoezicht

De vertegenwoordiger van de fabrikant op het gebied van markttoezicht voert de taken uit die gespecificeerd zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. Dit mandaat staat een vertegenwoordiger toe ten minste de volgende taken te verrichten:

a)

toegang hebben tot het in artikel 22 bedoelde informatiedossier en tot de in artikel 33 bedoelde certificaten van overeenstemming, zodat deze gedurende tien jaar nadat een voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, ter beschikking van de goedkeuringsinstanties kunnen worden gesteld;

b)

op een met redenen omkleed verzoek van een goedkeuringsinstantie aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie verstrekken om de overeenstemming van de productie van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen;

c)

op verzoek van de goedkeuringsinstanties of markttoezichtautoriteiten medewerking verlenen aan eventueel getroffen maatregelen om de ernstige risico’s van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden voertuigdelen of uitrustingsstukken die onder hun mandaat vallen, weg te nemen.

Artikel 11

Verplichtingen van importeurs

1.   Importeurs brengen alleen voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in de handel waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend of die voldoen aan de voorschriften voor nationale goedkeuring, of voertuigdelen of uitrustingsstukken die volledig voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 765/2008.

2.   Voordat het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor EU-typegoedkeuring is verleend, in de handel wordt gebracht, zien de importeurs erop toe dat er een informatiepakket voorhanden is dat voldoet aan artikel 24, lid 10, en dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid voorzien is van het voorgeschreven typegoedkeuringsmerk en aan artikel 8, lid 8, voldoet. Bij een voertuig controleert de importeur of dit vergezeld gaat van het vereiste certificaat van overeenstemming.

3.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk niet conform is met de voorschriften van deze verordening, en met name niet overeenstemt met de typegoedkeuring ervan, staan zij het in de handel brengen, het in het verkeer brengen of het registreren van dit voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid pas toe nadat het conform is gemaakt. Als zij van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid, of het onderdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen zij de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte. In het geval van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden waaraan typegoedkeuring is verleend, informeren zij tevens de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend.

4.   Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en contactadres op het voertuig, systeem, onderdeel of op de technische eenheid, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het systeem, onderdeel of technische eenheid gevoegd document.

5.   Importeurs zorgen ervoor dat het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid vergezeld gaat van instructies en informatie, zoals overeenkomstig artikel 51 voorgeschreven, in de officiële taal of talen van de betreffende lidstaten.

6.   Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met de voorschriften van deze verordening niet in het gedrang komt.

7.   Indien dit gezien de ernstige risico’s van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk passend wordt geacht, stellen importeurs met het oog op de bescherming van de gezondheid en veiligheid van de consumenten een onderzoek in naar en houden zij zo nodig een register bij van klachten en terugroepacties van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden, en voertuigdelen of uitrustingsstukken, en houden zij de distributeurs van dit toezicht op de hoogte.

Artikel 12

Verplichtingen van importeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij in de handel hebben gebracht niet conform is met deze verordening nemen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen of terug te roepen.

2.   Als een voertuig, systeem, onderdeel, technische eenheid, voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de importeurs de fabrikant, de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij dit in de handel hebben gebracht hiervan onmiddellijk op de hoogte. De importeurs brengen hen ook op de hoogte van elke ondernomen actie, waarbij zij in het bijzonder de ernst van het risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

3.   Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden importeurs een kopie van het certificaat van overeenstemming ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten en zorgen zij ervoor dat het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.

4.   De importeurs verstrekken op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit aan deze instantie alle benodigde informatie en documentatie, in een taal die gemakkelijk kan worden begrepen door die autoriteit, om de conformiteit van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid aan te tonen. De importeurs werken op verzoek van die instantie met die autoriteit samen met betrekking tot alle genomen maatregelen met de bedoeling het risico van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk, dat zij in de handel hebben gebracht, te elimineren.

Artikel 13

Verplichtingen van distributeurs

1.   Bij het op de markt aanbieden van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk nemen distributeurs de nodige zorgvuldigheid in acht ten aanzien van de voorschriften van deze verordening.

2.   Alvorens een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid op de markt aan te bieden, te registreren of in het verkeer te brengen, verifiëren de distributeurs of het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid voorzien is van de vereiste voorgeschreven markering of het vereiste typegoedkeuringsmerk, vergezeld gaat van de voorgeschreven documenten en van instructies en veiligheidsinformatie in de officiële taal of talen van de lidstaat waarin het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid op de markt zal worden aangeboden, en of de importeur en de fabrikant hebben voldaan aan de in artikel 11, leden 2 en 4, en artikel 34, leden 1 en 2, gestelde voorschriften.

3.   De distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit ervan met de voorschriften van deze verordening niet in het gedrang komt.

Artikel 14

Verplichtingen van distributeurs betreffende hun producten die niet conform zijn of een ernstig risico vormen

1.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet conform is met de voorschriften van deze verordening, mogen dit voertuig, systeem of onderdeel of deze technische eenheid niet aanbieden, registreren of in het verkeer brengen, totdat het of hij conform is gemaakt.

2.   Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die zij op de markt hebben aangeboden of hebben geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan zij verantwoordelijk zijn, niet conform is met deze verordening, stellen de fabrikant of de vertegenwoordiger van de fabrikant hiervan op de hoogte om ervoor te zorgen dat de nodige corrigerende maatregelen worden genomen om dat voertuig, systeem of onderdeel of die technische eenheid conform te maken of zo nodig terug te roepen, in overeenstemming met artikel 9, lid 1, of artikel 12, lid 1.

3.   Als het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk een ernstig risico vormt, brengen de distributeurs de fabrikant, de importeur en de goedkeuringsinstanties en de markttoezichtautoriteiten van de lidstaten waarin zij het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk op de markt hebben aangeboden, onmiddellijk op de hoogte. De distributeurs brengen hen eveneens op de hoogte van alle ondernomen acties, waarbij zij in het bijzonder de ernst van het risico en alle door de fabrikant genomen corrigerende maatregelen in detail beschrijven.

4.   Op een met redenen omkleed verzoek van een nationale autoriteit zorgen de distributeurs ervoor dat de fabrikant de nationale autoriteit de in artikel 9, lid 4, genoemde informatie verstrekt of dat de importeur de nationale autoriteit de in artikel 12, lid 3, genoemde informatie verstrekt. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 getroffen maatregelen om de risico’s van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid, of voertuigdeel of uitrustingsstuk dat of die zij op de markt hebben aangeboden, te elimineren.

Artikel 15

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze verordening beschouwd als een fabrikant en moet aan de in de artikelen 8 tot en met 10 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen wanneer deze importeur of distributeur een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid onder zijn eigen naam of handelsmerk op de markt aanbiedt of registreert of verantwoordelijk is voor het in het verkeer brengen daarvan, of een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid zodanig wijzigt dat de conformiteit met de van toepassing zijnde voorschriften in het gedrang kan komen.

Artikel 16

Identificatie van marktdeelnemers

Marktdeelnemers delen, op verzoek, aan de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten gedurende vijf jaar mee:

a)

welke marktdeelnemer een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk aan hen heeft geleverd;

b)

aan welke marktdeelnemer zij een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, of onderdeel of uitrustingsstuk heeft geleverd.

HOOFDSTUK III

MATERIËLE VOORSCHRIFTEN

Artikel 17

Voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de inzittenden en andere personen in de omgeving van het voertuig zo weinig mogelijk risico van verwondingen lopen.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

integriteit van de voertuigstructuur;

b)

systemen om de bestuurder de controle over zijn voertuig te helpen behouden, in het bijzonder de stuur- en remsystemen, (met inbegrip van geavanceerde remsystemen) en elektronische stabiliteitscontrolesystemen;

c)

systemen om de bestuurder een goed gezichtsveld te bieden en hem informatie over de staat van het voertuig en de omgeving te verstrekken, daaronder begrepen ruiten, spiegels en informatiesystemen voor de bestuurder;

d)

voertuigverlichtingssystemen;

e)

bescherming van de inzittenden van het voertuig, met inbegrip van binnenuitrusting, hoofdsteunen, veiligheidsgordels en deuren van het voertuig;

f)

buitenkant en accessoires van het voertuig;

g)

elektromagnetische compatibiliteit;

h)

geluidssignaalinrichtingen;

i)

verwarmingssystemen;

j)

voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik;

k)

voertuigidentificatiesystemen;

l)

massa’s en afmetingen;

m)

veiligheid van elektrisch materiaal, met inbegrip van statische elektriciteit;

n)

beschermingsinrichtingen aan de achterzijde;

o)

zijdelingse bescherming;

p)

laadplatforms;

q)

sleepinrichtingen;

r)

banden;

s)

opspatafschermingssystemen;

t)

achteruitrijrichting;

u)

rupsbanden;

v)

mechanische koppelingen, met inbegrip van bescherming tegen verkeerde aansluitingen.

3.   Onderdelen van voertuigen, waarvan de risico’s van elektrische aard zijn afgedekt in de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, vallen niet onder Richtlijn 2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften van de lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (32).

4.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien zij overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

5.   Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 van dit artikel genoemde onderwerpen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze gedetailleerde technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het niveau van functionele veiligheid dat de in artikel 76, lid 1, en artikel 77 genoemde richtlijnen bieden, en waarborgen het onderstaande:

a)

voertuigen met een maximumsnelheid van meer dan 40 km/h bieden met betrekking tot de remprestaties en, indien van toepassing, antiblokkeersystemen een even hoog verkeersveiligheidsniveau als motorvoertuigen en aanhangwagens;

b)

de maximale contactdruk op harde wegoppervlakken van banden of rupsbanden bedraagt 0,8 MPa.

Artikel 18

Voorschriften inzake de inzittendenveiligheid

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de personen die in of met het voertuig werken zo min mogelijk risico’s op verwondingen lopen.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

kantelbeveiligingsvoorzieningen (hierna „ROPS” genoemd);

b)

voorzieningen ter bescherming tegen vallende voorwerpen (hierna „FOPS” genoemd);

c)

zitplaatsen voor meerijders;

d)

blootstelling van de bestuurder aan geluidsniveaus;

e)

zitplaats van de bestuurder;

f)

bedieningsruimte en toegankelijkheid van de cabine, met inbegrip van bescherming tegen uitglijden, struikelen of vallen;

g)

aftakassen;

h)

bescherming van aandrijfelementen;

i)

gordelverankeringspunten;

j)

veiligheidsgordels;

k)

bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen (hierna „OPS” genoemd);

l)

bescherming van de bestuurder tegen gevaarlijke stoffen;

m)

bescherming tegen blootstelling aan zeer hete voertuigdelen of materialen;

n)

operators manual;

o)

bedieningsinstrumenten, met inbegrip van de veiligheid en betrouwbaarheid van controlesystemen, en nood- en automatische stopvoorzieningen;

p)

bescherming tegen mechanische gevaren, andere dan die welke worden genoemd onder a), b), g) en k), met inbegrip van bescherming tegen ruwe oppervlakken, scherpe kanten en hoeken, het scheuren van buizen met vloeistoffen en ongecontroleerde bewegingen van het voertuig;

q)

werking en onderhoud, met inbegrip van het veilig schoonmaken van het voertuig;

r)

afschermingen en beschermingsmiddelen;

s)

informatie, waarschuwingen en markeringen;

t)

materialen en producten;

u)

batterijen.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien zij overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

4.   Om voor een hoog niveau van functionele veiligheid te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde technische voorschriften, in voorkomend geval met inbegrip van testprocedures en grenswaarden, voor de in lid 2 van dit artikel genoemde onderwerpen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze gedetailleerde technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het niveau van functionele veiligheid dat de in artikel 76, lid 1, en artikel 77 genoemde richtlijnen bieden, met inachtneming van ergonomie (met inbegrip van bescherming tegen voorzienbaar verkeerd gebruik, de gebruiksvriendelijkheid van controlesystemen, de toegankelijkheid van bedieningsinstrumenten om onbedoelde activering te voorkomen, aanpassing van de interface bestuurder/voertuig aan de te voorziene kenmerken van de bestuurder, trillingen en interventie van de bediener), stabiliteit en brandveiligheid.

Artikel 19

Voorschriften voor milieuprestaties

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen zodanig worden ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat er zo weinig mogelijk gevolgen zijn voor het milieu.

2.   De fabrikanten zorgen ervoor dat de voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de relevante voorschriften van deze verordening, met inbegrip van die met betrekking tot:

a)

emissies van verontreinigende stoffen;

b)

extern geluidsniveau.

3.   De in Richtlijn 97/68/EG voor mobiele machines vastgestelde specifieke grenswaarden, testprocedures en voorschriften voor emissies van verontreinigende stoffen zijn van toepassing.

4.   De grenswaarden voor de specifieke externe geluidsniveaus zijn ten hoogste:

a)

89 dB(A) voor trekkers met een massa in onbeladen, rijklare toestand van meer dan 1 500 kg;

b)

85 dB(A) voor trekkers met een massa in onbeladen, rijklare toestand van ten hoogste 1 500 kg.

Ze worden gemeten in overeenstemming met de testprocedures zoals bedoeld in de in lid 6 vermelde gedelegeerde handelingen.

5.   De in de leden 1 en 2 bedoelde voorschriften zijn van toepassing op voertuigen en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden, indien deze voorschriften overeenkomstig bijlage I van toepassing zijn.

6.   Om voor een hoog milieuprestatieniveau te kunnen zorgen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 betreffende gedetailleerde technische voorschriften gedelegeerde handelingen vast te stellen, met inbegrip van testprocedures voor het externe geluidsniveau en voor de installatie in een voertuig van wat verontreinigende emissies betreft goedgekeurde motoren en de daarmee samenhangende flexibiliteitsbepalingen. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Deze specifieke technische voorschriften zorgen voor een verhoging of ten minste voor het behoud van het milieuprestatieniveau dat de in artikel 76, lid 1, en, in voorkomend geval, artikel 77 genoemde richtlijnen bieden.

HOOFDSTUK IV

EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 20

Procedures voor de EU-typegoedkeuring

1.   Bij de aanvraag voor typegoedkeuring van een geheel voertuig mag de fabrikant een van de volgende procedures kiezen:

a)

stapsgewijze typegoedkeuring;

b)

eenstapstypegoedkeuring;

c)

gemengde typegoedkeuring.

Bovendien mag de fabrikant kiezen voor de meerfasentypegoedkeuring.

Alleen de eenstapstypegoedkeuringsprocedure is van toepassing voor de typegoedkeuring van systemen, onderdelen of technische eenheden.

2.   De stapsgewijze typegoedkeuring omvat het stapsgewijs verzamelen van de hele reeks EU-typegoedkeuringscertificaten voor de systemen, onderdelen en technische eenheden die onderdeel uitmaken van het voertuig en resulteert uiteindelijk in de typegoedkeuring van het gehele voertuig.

3.   De eenstapstypegoedkeuring omvat de goedkeuring van een voertuig in zijn geheel in één handeling.

4.   De gemengde typegoedkeuring is een stapsgewijze goedkeuringsprocedure waarbij in de laatste fase van de goedkeuring van het gehele voertuig een of meer systemen worden goedgekeurd zonder dat voor deze systemen een EU-typegoedkeuringscertificaat moet worden afgegeven.

5.   Bij een meerfasentypegoedkeuringsprocedure certificeren een of meer goedkeuringsinstanties dat een incompleet of voltooid type voertuig, al naar gelang de staat van voltooiing, aan de desbetreffende administratieve bepalingen en technische voorschriften van deze verordening voldoet.

Meerfasentypegoedkeuring wordt verleend voor een type incompleet of voltooid voertuig dat conform is met de gegevens van het in artikel 22 bedoelde informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de desbetreffende, in bijlage I vastgestelde van toepassing zijnde regelgevingen, al naargelang de voltooiingsfase waarin het voertuig zich bevindt.

6.   De typegoedkeuring voor de laatste voltooiingsfase wordt pas verleend nadat de goedkeuringsinstantie heeft geverifieerd dat het voertuig waarvoor tijdens de laatste fase een typegoedkeuring is verleend op dat moment voldoet aan alle van toepassing zijnde technische voorschriften. Dit houdt in dat een documentencontrole wordt uitgevoerd voor alle voorschriften van een typegoedkeuring voor een incompleet voertuig die tijdens een meerfasenprocedure is verleend, zelfs als deze is verleend voor een andere voertuigcategorie of -subcategorie.

7.   De keuze voor een bepaalde goedkeuringsprocedure heeft geen gevolgen voor de van toepassing zijnde inhoudelijke voorschriften waaraan het goedgekeurde voertuigtype ten tijde van de afgifte van de typegoedkeuring voor een geheel voertuig moet voldoen.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen betreffende gedetailleerde regelingen met betrekking tot typegoedkeuringsprocedures. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 21

Typegoedkeuringsaanvraag

1.   De fabrikant dient de typegoedkeuringsaanvraag bij de goedkeuringsinstantie in.

2.   Voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid mag slechts in één lidstaat één aanvraag worden ingediend.

3.   Voor ieder goed te keuren type moet een afzonderlijke aanvraag worden ingediend.

Artikel 22

Informatiedossier

1.   De aanvrager legt een informatiedossier over aan de goedkeuringsinstantie.

2.   Het informatiedossier bevat de volgende elementen:

a)

een inlichtingenformulier;

b)

alle gegevens, tekeningen, foto’s en andere informatie;

c)

voor voertuigen, een vermelding van de overeenkomstig artikel 20, lid 1, gekozen procedure(s);

d)

alle aanvullende informatie waar door de typegoedkeuringsinstantie in het kader van de aanvraagprocedure om wordt gevraagd.

3.   Het informatiedossier mag zowel in papieren worden verstrekt, als in een elektronische vorm die aanvaard is door de technische dienst en de goedkeuringsinstantie.

4.   De Commissie stelt door middel van gedelegeerde handelingen modellen vast voor het inlichtingenformulier en het informatiedossier. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 23

Specifieke voorschriften voor de gegevens die bij de verschillende typegoedkeuringsprocedures moeten worden verstrekt

1.   Een aanvraag voor stapsgewijze goedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier overeenkomstig artikel 22 en van alle typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de van toepassing zijnde regelgevingen die in bijlage I worden vermeld.

Voor de typegoedkeuring van een systeem, onderdeel of technische eenheid overeenkomstig de in bijlage I vermelde van toepassing zijnde regelgevingen heeft de goedkeuringsinstantie toegang tot het desbetreffende informatiedossier totdat de goedkeuring is verleend of geweigerd.

2.   Een aanvraag voor een eenstapstypegoedkeuring gaat vergezeld van een informatiedossier als bedoeld in artikel 22 dat de relevante informatie bevat overeenkomstig de op grond van deze verordening vastgestelde uitvoeringshandelingen met betrekking tot die van toepassing zijnde regelgevingen.

3.   Bij een gemengde goedkeuringsprocedure gaat het informatiedossier vergezeld van een of meer typegoedkeuringscertificaten die vereist zijn overeenkomstig elk van de in bijlage I opgesomde van toepassing zijnde regelgevingen, en bevat het, voor zover er geen typegoedkeuringscertificaat wordt overgelegd, de overeenkomstig de uitvoeringsmaatregelen die op grond van deze verordening zijn vastgesteld, relevante informatie met betrekking tot die van toepassing zijnde regelgevingen.

4.   Onverminderd het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 wordt voor meerfasentypegoedkeuring het volgende verstrekt:

a)

in de eerste fase: de delen van het informatiedossier en van de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de voltooiingsfase waarin het basisvoertuig zich bevindt;

b)

in de tweede en daaropvolgende fasen: de delen van het informatiedossier en de EU-typegoedkeuringscertificaten die relevant zijn voor de lopende bouwfase, samen met een kopie van het in de vorige bouwfase voor het voertuig afgegeven EU-typegoedkeuringscertificaat en alle gegevens over eventuele wijzigingen of toevoegingen die de fabrikant heeft aangebracht aan het voertuig.

De onder a) en b) van de eerste alinea van dit lid genoemde informatie mag overeenkomstig lid 3 worden verstrekt.

5.   In een met redenen omkleed verzoek kan de goedkeuringsinstantie van de fabrikant verlangen dat hij haar de nodige aanvullende informatie verstrekt om te kunnen beslissen welke tests moeten worden verricht of om de uitvoering van die tests te vergemakkelijken.

HOOFDSTUK V

VERLOOP VAN DE EU-TYPEGOEDKEURINGSPROCEDURES

Artikel 24

Algemene bepalingen

1.   Goedkeuringsinstanties verlenen pas EU-typegoedkeuring nadat zij de in artikel 28 bedoelde regelingen voor de overeenstemming van de productie en de overeenstemming van het type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid met de van toepassing zijnde voorschriften hebben geverifieerd.

2.   EU-typegoedkeuringen worden overeenkomstig dit hoofdstuk verleend.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie van oordeel is dat een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid, ook al voldoet het of zij aan de wettelijke voorschriften, een ernstig gevaar voor de veiligheid vormt dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kan schaden, of een ernstig gevaar voor de inzittendenveiligheid betekent, kan zij de EU-typegoedkeuring ervan weigeren. Zij zendt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie dan onmiddellijk een gedetailleerd dossier met opgave van de redenen voor haar besluit en bewijsmateriaal voor haar bevindingen.

4.   De EU-typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens een geharmoniseerd systeem dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

5.   Binnen een maand na afgifte van het EU-typegoedkeuringscertificaat zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een afschrift toe van het EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen, voor ieder voertuigtype waaraan zij goedkeuring heeft verleend. Het afschrift mag ook de vorm van een elektronisch bestand hebben.

6.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld in kennis van de door haar geweigerde of ingetrokken goedkeuringen van voertuigen, met opgave van de redenen voor haar besluit.

7.   Om de drie maanden zendt de goedkeuringsinstantie de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten een lijst van de EU-typegoedkeuringen van systemen, onderdelen of technische eenheden die zij in de voorafgaande periode heeft verleend, gewijzigd, geweigerd of ingetrokken.

8.   Op verzoek van een goedkeuringsinstantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens een afschrift van het aangevraagde EU-typegoedkeuringscertificaat, inclusief de bijlagen. Het afschrift mag ook de vorm van een elektronisch bestand hebben.

9.   Indien de Commissie hierom verzoekt, verstrekt de goedkeuringsinstantie de in de leden 5 tot en met 8 bedoelde gegevens ook aan de Commissie.

10.   De goedkeuringsinstantie stelt een informatiepakket samen dat bestaat uit het informatiedossier plus de testrapporten en alle andere documenten die de technische dienst of de goedkeuringsinstantie tijdens de uitvoering van hun taken aan het informatiedossier hebben toegevoegd. Het informatiepakket bevat een inhoudsopgave, genummerd of voorzien van andere tekens zodat alle pagina’s en de opzet van ieder document duidelijk worden aangegeven; dit document geeft een overzicht geeft van de opeenvolgende stappen in het beheer van de EU-typegoedkeuringsprocedure, met name de data van herzieningen en bijwerkingen. De goedkeurende instantie houdt de informatie in het informatiepakket ter beschikking gedurende een periode van tien jaar na afloop van de geldigheid van de desbetreffende goedkeuring.

Artikel 25

Specifieke bepalingen voor het EU-typegoedkeuringscertificaat

1.   De volgende stukken worden als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat gevoegd:

a)

het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket;

b)

de testresultaten;

c)

naam en handtekening van de persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) certificaten van overeenstemming te ondertekenen met vermelding van zijn (hun) positie in het bedrijf;

d)

in het geval van een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig, een ingevuld model van het certificaat van overeenstemming.

2.   Het EU-typegoedkeuringscertificaat wordt afgegeven op basis van het model dat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen is vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Voor elk voertuigtype moet de goedkeuringsinstantie:

a)

alle relevante rubrieken van het EU-typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het daarbij gevoegde formulier met testresultaten invullen;

b)

de inhoudsopgave bij het informatiepakket samenstellen;

c)

het ingevulde certificaat en de bijlagen onverwijld aan de aanvrager verstrekken.

De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor het onder a) van dit lid genoemde formulier met testresultaten vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

4.   In het geval van een EU-typegoedkeuring waarvan de geldigheid overeenkomstig artikel 35 beperkt is of die van de toepassing van sommige bepalingen van deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen is ontheven, worden deze beperkingen of ontheffingen in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

5.   Indien de fabrikant voor de gemengde goedkeuringsprocedure kiest, vult de goedkeuringsinstantie het informatiepakket in met de referenties van de uit hoofde van de in artikel 27, lid 1, bedoelde uitvoeringshandeling opgestelde testrapporten waarvoor geen EU-typegoedkeuringscertificaat beschikbaar is.

6.   Indien de fabrikant de eenstapstypegoedkeuringsprocedure kiest, stelt de goedkeuringsinstantie een lijst van van toepassing zijnde voorschriften of regelgevingen op en voegt deze lijst bij het EU-typegoedkeuringscertificaat. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen het model voor een dergelijke lijst vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

Artikel 26

Specifieke bepalingen voor systemen, onderdelen en technische eenheden

1.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een type systeem dat conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

2.   Er wordt EU-typegoedkeuring verleend voor een onderdeel of technische eenheid die conform is met de gegevens van het informatiedossier en voldoet aan de technische voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

3.   Wanneer onderdelen of technische eenheden, die al dan niet bedoeld zijn voor reparatie, service of onderhoud, ook onder een typegoedkeuring van een systeem vallen met betrekking tot een voertuig, wordt daarvoor geen aanvullende goedkeuring verlangd, tenzij in bijlage I vermelde relevante regelgevingen zulks vereisen.

4.   Wanneer een onderdeel of technische eenheid zijn of haar functie slechts vervult of een bijzonder kenmerk slechts vertoont in combinatie met andere voertuigdelen en daarom de naleving van de voorschriften slechts kan worden geverifieerd wanneer het onderdeel of de technische eenheid in combinatie met die andere voertuigdelen functioneert, wordt de geldigheid van de EU-typegoedkeuring van het onderdeel of de technische eenheid dienovereenkomstig beperkt.

In dat geval worden de eventuele beperkingen van het gebruik van het onderdeel of de technische eenheid en de bijzondere montagevoorwaarden in het EU-typegoedkeuringscertificaat vermeld.

Als een dergelijk onderdeel of een dergelijke technische eenheid door de voertuigfabrikant wordt gemonteerd, wordt bij de goedkeuring van het voertuig nagegaan of de beperkingen van het gebruik en de montagevoorwaarden in acht zijn genomen.

Artikel 27

Voor EU-typegoedkeuring vereiste tests

1.   Door middel van passende tests die door aangewezen technische diensten worden uitgevoerd, wordt aangetoond dat aan de technische voorschriften van deze verordening en van de in bijlage I vermelde regelgevingen is voldaan.

De in de eerste alinea bedoelde testprocedures en de specifieke uitrustingsstukken en instrumenten die voor de uitvoering van deze tests nodig zijn, worden vastgesteld in de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen.

De opzet van het testverslag voldoet aan de algemene voorschriften die door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen worden vastgelegd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

2.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie zo veel voertuigen, onderdelen of technische eenheden ter beschikking als volgens de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen nodig zijn voor de uitvoering van de voorgeschreven tests.

3.   De voorgeschreven tests worden uitgevoerd op voertuigen, onderdelen en technische eenheden die representatief zijn voor het goed te keuren type.

De fabrikant kan evenwel na toestemming van de goedkeuringsinstantie een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid kiezen dat of die niet representatief is voor het goed te keuren type, maar dat of die een aantal van de meest ongunstige kenmerken ten aanzien van het vereiste prestatieniveau bezit. Tijdens de selectieprocedure mogen ter ondersteuning van de besluitvorming virtuele testmethoden worden gebruikt.

4.   Als alternatief voor de in lid 1 bedoelde testprocedures mogen op verzoek van de fabrikant en na toestemming van de goedkeuringsinstantie virtuele testmethoden worden gebruikt ten aanzien van de voorschriften die zijn vastgesteld in de op grond van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

5.   Virtuele testmethoden moeten voldoen aan de voorwaarden in de op grond van lid 6 vastgestelde gedelegeerde handelingen.

6.   Om ervoor te zorgen dat de met virtueel testen verkregen resultaten even inzichtelijk zijn als de met fysiek testen verkregen resultaten, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waarvoor virtueel testen mogelijk is en de voorwaarden waaronder het virtueel testen moet plaatsvinden. Bij het vaststellen van die gedelegeerde handelingen baseert de Commissie zich zo nodig op de voorschriften en procedures zoals bedoeld in bijlage XVI bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen (33) zijn bestemd.

Artikel 28

Regelingen inzake de overeenstemming van de productie

1.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring verleent, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of afdoende regelingen zijn getroffen om te waarborgen dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie, conform zijn met het goedgekeurde type.

2.   Een goedkeuringsinstantie die een typegoedkeuring voor een compleet voertuig verleent neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat door de fabrikant afgegeven certificaten van overeenstemming voldoen aan artikel 33. Daartoe controleert de goedkeuringsinstantie of een voldoende aantal monsters van certificaten van overeenstemming aan artikel 33 voldoet en of de fabrikant adequate stappen heeft genomen om de juistheid van de gegevens op de certificaten van overeenstemming te waarborgen.

3.   Een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, neemt met betrekking tot die goedkeuring de nodige maatregelen om, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten, te verifiëren of de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen nog steeds afdoende zijn zodat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog steeds conform zijn met het goedgekeurde type en de certificaten van overeenstemming nog steeds aan artikel 33 voldoen.

4.   Om te verifiëren dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid conform is met het goedgekeurde type, mag de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle controles of tests die vereist zijn voor de EU-typegoedkeuring uitvoeren op monsters die in de bedrijfsgebouwen, inclusief de productiefaciliteiten, van de fabrikant zijn genomen.

5.   Indien een goedkeuringsinstantie die een EU-typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat de in de leden 1 en 2 bedoelde regelingen niet worden toegepast, aanzienlijk afwijken van de overeengekomen regelingen en controleplannen, niet meer worden toegepast of niet langer als afdoende worden beschouwd, terwijl de productie wel wordt voortgezet, neemt zij de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de procedure voor de overeenstemming van de productie correct wordt nageleefd, of trekt zij de typegoedkeuring in.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot gedetailleerde regelingen met betrekking tot de overeenstemming van de productie. De eerste van deze gedelegeerde handelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK VI

WIJZIGINGEN VAN EU-TYPEGOEDKEURINGEN

Artikel 29

Algemene bepalingen

1.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van elke wijziging van de gegevens in het informatiepakket.

Die goedkeuringsinstantie besluit welke van de procedures van artikel 30 moet worden gevolgd.

Zo nodig kan de goedkeuringsinstantie na overleg met de fabrikant besluiten dat een nieuwe EU-typegoedkeuring moet worden verleend.

2.   Een aanvraag tot wijziging van een EU-typegoedkeuring wordt uitsluitend ingediend bij de goedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke EU-typegoedkeuring heeft verleend.

3.   Indien de goedkeuringsinstantie van oordeel is dat voor het aanbrengen van een wijziging inspecties of tests moeten worden herhaald, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis.

De in artikel 30 bedoelde procedures zijn alleen van toepassing als de goedkeuringsinstantie op grond van die inspecties of tests tot de conclusie komt dat nog steeds aan de voorwaarden voor EU-typegoedkeuring wordt voldaan.

Artikel 30

Herzieningen en uitbreidingen van EU-typegoedkeuringen

1.   Indien gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen, zijn gewijzigd zonder dat daarvoor inspecties of tests hoefden te worden herhaald, wordt de wijziging een „herziening” genoemd.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie de herziene bladzijden van het informatiepakket af, waarbij op iedere herziene bladzijde duidelijk de aard van de wijziging en de nieuwe afgiftedatum zijn vermeld. Met een geconsolideerde, bijgewerkte versie van het informatiepakket, vergezeld van een gedetailleerde beschrijving van de wijzigingen, wordt geacht aan deze eis te zijn voldaan.

2.   Een wijziging wordt een „uitbreiding” genoemd, als gegevens die in het informatiepakket zijn opgenomen zijn gewijzigd en een of meer van de volgende situaties optreden:

a)

er zijn aanvullende inspecties of nieuwe tests nodig;

b)

een gegeven op het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen uitgezonderd, is gewijzigd;

c)

krachtens in bijlage I vermelde regelgevingen die op het goedgekeurde voertuigtype of het goedgekeurde systeem of onderdeel of de goedgekeurde technische eenheid van toepassing zijn, worden van toepassing.

In het geval van een uitbreiding geeft de goedkeuringsinstantie een bijgewerkt EU-typegoedkeuringscertificaat af, voorzien van een uitbreidingsnummer dat één nummer hoger is dan het laatst toegekende uitbreidingsnummer. Op dat goedkeuringscertificaat worden duidelijk de reden voor de uitbreiding en de afgiftedatum vermeld.

3.   Bij iedere afgifte van gewijzigde bladzijden of van een geconsolideerde, bijgewerkte versie wordt in de bij het goedkeuringscertificaat gevoegde inhoudsopgave bij het informatiepakket de datum van de laatste uitbreiding of herziening of die van de laatste consolidering van de bijgewerkte versie vermeld.

4.   Indien de in lid 2, onder c), bedoelde nieuwe voorschriften uit technisch oogpunt irrelevant zijn voor het voertuigtype of betrekking hebben op andere voertuigcategorieën dan die waartoe het voertuig behoort, wordt geen wijziging van de typegoedkeuring vereist.

Artikel 31

Afgifte en kennisgeving van wijzigingen

1.   In geval van een uitbreiding worden alle relevante delen van het EU-typegoedkeuringscertificaat, de bijlagen ervan en de inhoudsopgave bij het informatiepakket bijgewerkt. Het bijgewerkte certificaat en de bijlagen ervan worden onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

2.   In geval van een herziening worden de herziene documenten of in voorkomend geval de geconsolideerde, bijgewerkte versie, inclusief de herziene inhoudsopgave bij het informatiepakket, door de goedkeuringsinstantie onverwijld aan de aanvrager toegezonden.

3.   De goedkeuringsinstantie stelt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten volgens de in artikel 24 bedoelde procedures van alle wijzigingen van EU-typegoedkeuringen in kennis.

HOOFDSTUK VII

GELDIGHEID VAN EU-TYPEGOEDKEURING

Artikel 32

Einde van de geldigheid

1.   Een EU-typegoedkeuring wordt afgegeven voor onbepaalde tijd.

2.   In de volgende gevallen wordt een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig:

a)

voor het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen treden nieuwe voorschriften in werking die op het goedgekeurde voertuigtype van toepassing zijn, en de typegoedkeuring kan niet dienovereenkomstig worden bijgewerkt;

b)

de productie van het goedgekeurde voertuig wordt vrijwillig definitief stopgezet;

c)

de geldigheid van de goedkeuring loopt af ingevolge een beperking overeenkomstig artikel 35, lid 6;

d)

de goedkeuring is ingetrokken overeenkomstig artikel 28, lid 5, artikel 44, lid 1, of artikel 47, lid 4.

3.   Indien slechts één variant van een type of één uitvoering van een variant ongeldig wordt, verliest de EU-typegoedkeuring van het betrokken voertuig alleen voor die variant of uitvoering haar geldigheid.

4.   Indien de productie van een bepaald voertuigtype definitief wordt stopgezet, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan in kennis.

Uiterlijk een maand na ontvangst van de in de eerste alinea bedoelde kennisgeving stelt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor het voertuig heeft verleend de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten hiervan in kennis.

5.   Wanneer een EU-typegoedkeuring van een voertuig ongeldig wordt, stelt de fabrikant, onverminderd het bepaalde in lid 4, de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verstrekt de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten onverwijld alle van toepassing zijnde informatie om eventueel artikel 39 toe te kunnen passen.

De in de tweede alinea bedoelde informatie omvat met name de productiedatum en het voertuigidentificatienummer van het laatste geproduceerde voertuig.

HOOFDSTUK VIII

CERTIFICAAT VAN OVEREENSTEMMING EN MARKERINGEN

Artikel 33

Certificaat van overeenstemming

1.   Als houder van een typegoedkeuring van een voertuig geeft de fabrikant een certificaat van overeenstemming in papieren vorm af waarvan elk compleet, incompleet of voltooid voertuig dat conform het goedgekeurde voertuigtype is gebouwd, vergezeld gaat.

Dit certificaat wordt gratis bij het voertuig aan de koper geleverd. De levering ervan mag niet afhankelijk worden gesteld van een uitdrukkelijk verzoek daartoe of het verstrekken van aanvullende gegevens aan de fabrikant.

Op verzoek van de eigenaar van het voertuig verstrekt de fabrikant van het voertuig, gedurende een periode van tien jaar na de productiedatum van het voertuig, een duplicaat van het certificaat van overeenstemming aan de eigenaar van het voertuig, tegen betaling van een bedrag dat niet hoger is dan de hieraan verbonden kosten. Op de voorzijde van het duplicaat is het woord „duplicaat” duidelijk zichtbaar.

2.   De fabrikant maakt gebruik van het model voor het certificaat van overeenstemming dat door de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen is vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Het certificaat van overeenstemming wordt zodanig ontworpen dat vervalsing wordt voorkomen. Hiertoe wordt in de uitvoeringshandelingen bepaald dat het voor het certificaat gebruikte papier door verscheidene druktechnische beveiligingen wordt beschermd. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

3.   Het certificaat van overeenstemming wordt opgesteld in ten minste een van de officiële talen van de Unie. Een lidstaat mag voorschrijven dat het certificaat van overeenstemming naar zijn eigen officiële taal of talen wordt vertaald.

4.   De persoon (personen) die gemachtigd is (zijn) om de certificaten van overeenstemming te ondertekenen, maken deel uit van de organisatie van de fabrikant en worden door de directie naar behoren gemachtigd om volledig de wettelijke verantwoordelijkheid van de fabrikant te dragen ten aanzien van het ontwerp en de constructie of de overeenstemming van de productie van een voertuig.

5.   Het certificaat van overeenstemming wordt volledig ingevuld en bevat geen andere beperkingen op het gebruik van het voertuig dan die welke in deze verordening of een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn toegestaan.

6.   In geval van een incompleet of voltooid voertuig vult de fabrikant alleen de punten van het certificaat van overeenstemming in die in de lopende goedkeuringsfase toegevoegd of gewijzigd zijn, en voegt hij in voorkomend geval alle in de vorige fasen afgegeven certificaten van overeenstemming bij.

7.   Het opschrift van het certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 35, lid 2, goedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (voorlopige goedkeuring) typegoedkeuring is verleend.”.

8.   Het opschrift van het in de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandelingen beschreven certificaat van overeenstemming van voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 37 typegoedkeuring is verleend, luidt als volgt: „Voor complete/voltooide voertuigen waarvoor in kleine series typegoedkeuring is verleend”; in de onmiddellijke nabijheid daarvan wordt het jaar van productie gevolgd door een volgnummer tussen 1 en het in de tabel van bijlage II vermelde maximum aangebracht, waaruit voor elk productiejaar blijkt welke plaats het voertuig in de voor dat jaar toegewezen productie inneemt.

9.   Onverminderd lid 1 mag de fabrikant het certificaat van overeenstemming met elektronische middelen aan de registratie-instantie van een lidstaat doorgeven.

Artikel 34

Voorgeschreven plaat met de juiste opschriften van voertuigen en typegoedkeuringsmerken van onderdelen of technische eenheden

1.   De fabrikant van een voertuig brengt op elk voertuig dat conform het goedgekeurde type is vervaardigd, de door de desbetreffende uitvoeringshandeling die op grond van lid 3 is vastgesteld voorgeschreven plaat met de vereiste opschriften aan.

2.   De fabrikant van een onderdeel of technische eenheid, ongeacht of het of zij deel uitmaakt van een systeem, brengt op alle onderdelen en technische eenheden die conform het goedgekeurde type zijn vervaardigd, het door de relevante uitvoeringshandeling die op grond van deze verordening is vastgesteld, of het relevante VN/ECE-reglement of de relevante OESO-code vereiste typegoedkeuringsmerk aan.

Als een dergelijk typegoedkeuringsmerk niet is vereist, brengt de fabrikant ten minste zijn handelsnaam of handelsmerk, het typenummer of een identificatienummer aan.

3.   De voorgeschreven plaat en het EU-typegoedkeuringsmerk wordt opgesteld volgens het model dat de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen heeft vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. De eerste van deze uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 december 2014 vastgesteld.

HOOFDSTUK IX

ONTHEFFINGEN VOOR NIEUWE TECHNOLOGIEËN OF NIEUWE CONCEPTEN

Artikel 35

Ontheffingen voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten

1.   De fabrikant kan EU-typegoedkeuring aanvragen voor een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen.

2.   De goedkeuringsinstantie verleent de in lid 1 bedoelde EU-typegoedkeuring indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de aanvraag zijn de redenen vermeld waarom de desbetreffende technologieën of concepten tot gevolg hebben dat het systeem, het onderdeel of de technische eenheid onverenigbaar is met een of meer van de in bijlage I vermelde regelgevingen;

b)

in de aanvraag zijn de veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om ervoor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als door de voorschriften waarvan ontheffing wordt aangevraagd wordt geboden;

c)

er worden testbeschrijvingen en -resultaten aangevoerd die aantonen dat aan de voorwaarde onder b) is voldaan.

3.   Voor het verlenen van een dergelijke EU-typegoedkeuringsontheffing voor nieuwe technologieën of nieuwe concepten is goedkeuring door de Commissie vereist. Die goedkeuring wordt gegeven door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   In afwachting van het goedkeuringsbesluit van de Commissie mag de goedkeuringsinstantie reeds de EU-typegoedkeuring verlenen, die echter voorlopig is en alleen op het grondgebied van die lidstaat geldig is, voor een voertuigtype waarop de aangevraagde ontheffing betrekking heeft. De goedkeuringsinstantie stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan onverwijld in kennis door middel van een dossier dat de in lid 2 bedoelde gegevens bevat.

In het opschrift van het typegoedkeuringscertificaat en het opschrift van het certificaat van overeenstemming wordt aangegeven dat het hierbij om een voorlopige goedkeuring met een beperkt geldigheidsgebied gaat. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om te voorzien in geharmoniseerde modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming voor de toepassing van dit lid. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Andere goedkeuringsinstanties mogen besluiten schriftelijk de in lid 4 bedoelde voorlopige goedkeuring binnen hun grondgebied te aanvaarden.

6.   Indien van toepassing wordt in de in lid 3 bedoelde goedkeuring door de Commissie ook aangegeven of er op de geldigheid beperkingen van toepassing zijn. De geldigheidsduur van de typegoedkeuring bedraagt in elk geval ten minste 36 maanden.

7.   Als de Commissie de goedkeuring weigert, stelt de goedkeuringsinstantie de houder van de in lid 3 bedoelde voorlopige typegoedkeuring er onverwijld van in kennis dat de voorlopige goedkeuring zes maanden na de datum van de weigering van de Commissie zal worden ingetrokken.

Voertuigen die echter conform de voorlopige goedkeuring worden vervaardigd voordat deze ongeldig is geworden, mogen worden in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht in elke lidstaat die de voorlopige goedkeuring had aanvaard.

Artikel 36

Latere aanpassing van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen

1.   Wanneer de Commissie een goedkeuring voor de verlening van een ontheffing overeenkomstig artikel 35 verleent, neemt zij onmiddellijk de nodige maatregelen om de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen in kwestie aan de technologische ontwikkelingen aan te passen.

Wanneer de ontheffing krachtens artikel 35 betrekking heeft op een VN/ECE-reglement, stelt de Commissie een wijziging van dat VN/ECE-reglement voor volgens de procedure krachtens de Herziene Overeenkomst van 1958.

2.   Zodra de relevante regelgevingen zijn gewijzigd, wordt elke aan het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de ontheffing inherente beperking onmiddellijk opgeheven.

Indien de nodige stappen voor de aanpassing van de gedelegeerde of uitvoeringshandelingen niet zijn ondernomen, kan de Commissie, op verzoek van de lidstaat die de goedkeuring heeft verleend, middels een besluit in de vorm van een uitvoeringshandeling vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoekprocedure de lidstaat machtigen de typegoedkeuring te verlengen.

HOOFDSTUK X

IN KLEINE SERIES GEPRODUCEERDE VOERTUIGEN

Artikel 37

Nationale typegoedkeuring van kleine series

1.   De fabrikant kan binnen de in bijlage II vermelde jaarlijkse kwantitatieve beperkingen verzoeken om een nationale typegoedkeuring van kleine series van een voertuigtype. Deze beperkingen zijn van toepassing op het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen van voertuigen van het goedgekeurde type op de markt van elke lidstaat in een bepaald jaar.

Voor de nationale typegoedkeuring van kleine series kan de goedkeuringsinstantie, indien daarvoor goede redenen zijn, vrijstelling van een of meer van de in deze verordening en van een of meer van de bijlage I vermelde regelgevingen verlenen, mits zij alternatieve voorschriften aangeeft.

2.   De in lid 1 bedoelde alternatieve voorschriften moeten een functioneel veiligheids- en milieubeschermings- en inzittendenveiligheidsniveau waarborgen dat, voor zover praktisch haalbaar, gelijkwaardig is met het door de desbetreffende, in bijlage I vermelde regelgevingen geboden niveau.

3.   Voor de nationale typegoedkeuring van voertuigen krachtens dit artikel worden systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor overeenkomstig de in bijlage I vermelde regelgevingen typegoedkeuring is verleend, aanvaard.

4.   Het typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen waarvoor overeenkomstig dit artikel typegoedkeuring wordt verleend, wordt opgesteld volgens het in artikel 25, lid 2, bedoelde model, maar zonder het opschrift „EU-typegoedkeuringscertificaat voor voertuigen”, en geeft inhoudelijk aan welke vrijstellingen overeenkomstig lid 1 van dit artikel zijn verleend. De typegoedkeuringscertificaten worden genummerd volgens het in artikel 24, lid 4, bedoelde geharmoniseerde systeem.

5.   De geldigheid van een nationale typegoedkeuring van kleine series is beperkt tot het grondgebied van de lidstaat waarvan de goedkeuringsinstantie de goedkeuring heeft verleend.

6.   Op verzoek van de fabrikant wordt echter een kopie van het typegoedkeuringscertificaat en de bijbehorende bijlagen per aangetekend schrijven of per e-mail aan de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten toegezonden.

7.   Uiterlijk drie maanden na ontvangst van het in lid 6 bedoelde verzoek besluiten de goedkeuringsinstanties van de door de fabrikant aangewezen lidstaten of zij de typegoedkeuring wel of niet aanvaarden. Zij delen hun beslissing formeel mede aan de goedkeuringinstantie die de nationale typegoedkeuring voor kleine series heeft toegekend.

8.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaten accepteren de nationale typegoedkeuring tenzij zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de nationale technische voorschriften volgens welke het voertuig is goedgekeurd, niet gelijkwaardig zijn aan hun eigen technische voorschriften.

9.   Op verzoek van een aanvrager die een voertuig met een nationale typegoedkeuring van kleine series in de handel wil brengen of registreren in een andere lidstaat, verstrekt de goedkeuringsinstantie die de nationale typegoedkeuring van kleine series heeft verleend aan de nationale autoriteit van de andere lidstaat een afschrift te verlenen van het typegoedkeuringscertificaat, met inbegrip van het informatiepakket. De leden 7 en 8 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK XI

OP DE MARKT AANBIEDEN, REGISTRATIE OF IN HET VERKEER BRENGEN

Artikel 38

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen

1.   Onverminderd de artikelen 41 en 44 worden voertuigen waarvoor typegoedkeuring voor gehele voertuigen verplicht is of waarvoor de fabrikant krachtens deze verordening een dergelijke typegoedkeuring heeft verkregen, alleen op de markt aangeboden of geregistreerd, en in het verkeer gebracht als zij vergezeld gaan van een geldig certificaat van overeenstemming overeenkomstig artikel 33.

In het geval van incomplete voertuigen wordt het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen ervan toegestaan, maar de instanties van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor de registratie van voertuigen kunnen de registratie en het gebruik op de weg ervan weigeren.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer of de ordediensten, noch op voertuigen waarvoor overeenkomstig artikel 37 typegoedkeuring is verleend.

Artikel 39

Op de markt aanbieden, registratie of in het verkeer brengen van voertuigen uit restantvoorraad

1.   Met inachtneming van de in de leden 2 en 4 vastgelegde beperkingen betreffende voertuigen uit een restantvoorraad en termijn, mogen voertuigen die conform zijn met een voertuigtype waarvan de EU-typegoedkeuring ingevolge artikel 32 ongeldig is geworden, niet op de markt worden aangeboden, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden, zijn geregistreerd of in het verkeer gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.

2.   Lid 1 geldt gedurende 24 maanden voor complete voertuigen en gedurende 30 maanden voor voltooide voertuigen, telkens gerekend vanaf de datum waarop de EU-typegoedkeuring ongeldig is geworden.

3.   De fabrikant die van lid 1 gebruik wil maken, dient bij de nationale autoriteiten van elke lidstaat waar deze voertuigen op de markt worden aangeboden, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht, een verzoek in. In dat verzoek worden de technische of economische redenen vermeld waarom deze voertuigen niet aan de nieuwe typegoedkeuringsvoorschriften kunnen voldoen.

De betrokken nationale autoriteit besluit binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag of en, zo ja, voor hoeveel exemplaren zij de registratie van deze voertuigen op haar grondgebied toestaat.

4.   Het aantal voertuigen uit een restantvoorraad mag niet meer bedragen dan 10 % van het aantal voertuigen dat tijdens de twee voorafgaande jaren is geregistreerd, of niet meer dan 20 per lidstaat, als dat meer is.

5.   Op het certificaat van overeenstemming van de voertuigen die volgens deze procedure in het verkeer worden gebracht, wordt speciaal vermeld dat deze voertuigen als „voertuigen uit een restantvoorraad” worden aangemerkt.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat het krachtens de procedure van dit artikel op de markt aan te bieden, te registreren of in het verkeer te brengen aantal voertuigen effectief wordt gecontroleerd.

7.   Dit artikel is alleen van toepassing in geval van stopzetting in verband met het einde van de geldigheid van de typegoedkeuring in het in artikel 32, lid 2, onder a), bedoelde geval.

Artikel 40

Op de markt aanbieden of in het verkeer brengen van onderdelen en technische eenheden

1.   Onderdelen of technische eenheden mogen alleen op de markt worden aangeboden of in het verkeer worden gebracht indien zij aan de voorschriften van de in bijlage I vermelde relevante regelgevingen voldoen en overeenkomstig artikel 34 naar behoren zijn gemerkt.

2.   Lid 1 is niet van toepassing in het geval van onderdelen of technische eenheden die speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen die niet onder deze verordening vallen.

3.   In afwijking van lid 1 mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die onder artikel 35 van een of meer bepalingen van deze verordening zijn vrijgesteld of die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor krachtens artikel 37 goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid.

4.   In afwijking van lid 1, en tenzij in deze verordening of in een van de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen anders is bepaald, mogen de lidstaten het op de markt aanbieden of het in het verkeer brengen van onderdelen of technische eenheden toestaan die bestemd zijn voor montage op voertuigen waarvoor, op het moment dat zij op de markt worden aangeboden of in het verkeer werden gebracht, geen typegoedkeuring was vereist op grond van deze verordening of Richtlijn 2003/37/EG.

HOOFDSTUK XII

VRIJWARINGSCLAUSULES

Artikel 41

Procedures op nationaal niveau voor de omgang met voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Wanneer de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat maatregelen hebben genomen krachtens artikel 20 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of voldoende redenen hebben om aan te nemen dat een onder deze verordening vallend voertuig of systeem of een onder deze verordening vallend onderdeel of technische eenheid een ernstig risico voor de gezondheid of veiligheid van personen of voor andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen vormt, voert de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend een beoordeling van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid uit in het licht van alle in deze verordening vastgestelde voorschriften. De desbetreffende marktdeelnemers verlenen volledige medewerking aan de goedkeuringsinstanties en/of markttoezichtautoriteiten.

Wanneer de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend bij deze beoordeling vaststelt dat het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet aan de voorschriften van deze verordening voldoet, verlangt zij onverwijld van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid met deze voorschriften conform te maken, of dat hij het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.   Wanneer de goedkeuringsinstanties van mening zijn dat de non-conformiteit niet tot hun nationale grondgebied beperkt is, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.   De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle passende corrigerende maatregelen worden toegepast op alle betrokken niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij in de Unie in de handel heeft gebracht of geregistreerd of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk is.

4.   Wanneer de marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, tweede alinea, bedoelde termijn doeltreffende corrigerende maatregelen neemt, nemen de nationale autoriteiten alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden, de registratie of het in het verkeer brengen op hun nationale markt van niet-conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden te verbieden of te beperken, dan wel deze in de betrokken lidstaat uit de handel te nemen of terug te roepen.

5.   De nationale autoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van de in lid 4 bedoelde maatregelen op de hoogte.

De verstrekte informatie omvat alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, systeem, onderdeel of de technische eenheid die niet conform is te identificeren en om de oorsprong, de aard van de beweerde niet-conformiteit en van het risico, en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die worden aangevoerd door de desbetreffende marktdeelnemer. De goedkeuringsinstanties vermelden met name of de non-conformiteit een van de volgende redenen heeft:

a)

het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid voldoet niet aan de voorschriften met betrekking tot de gezondheid of veiligheid van personen, de bescherming van het milieu of andere onder deze verordening vallende aspecten van de bescherming van algemene belangen;

b)

de in bijlage I vermelde desbetreffende regelgevingen vertonen tekortkomingen.

6.   De lidstaten brengen de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van door hen genomen maatregelen en van aanvullende informatie waarover zij beschikken met betrekking tot de non-conformiteit van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid in kwestie, en van hun bezwaren indien zij het niet eens zijn met de aangemelde nationale maatregel.

7.   Indien binnen een maand na de ontvangst van de in lid 6 van dit artikel bedoelde informatie bezwaar tegen een maatregel van een lidstaat is ingebracht door een andere lidstaat of de Commissie, wordt die maatregel door de Commissie overeenkomstig artikel 42 geëvalueerd.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid in kwestie onmiddellijk de passende beperkende maatregelen worden genomen zoals het uit de handel nemen van dit voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid.

Artikel 42

Vrijwaringsmaatregel van de Unie

1.   Wanneer tijdens de procedure van artikel 41, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht, of de Commissie van mening is dat de nationale maatregel in strijd is met de wetgeving van de Unie, voert de Commissie onmiddellijk een evaluatie van de nationale maatregel uit na raadpleging van de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s). Aan de hand van de resultaten van die evaluatie besluit de Commissie volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedures of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd wordt geacht.

De Commissie brengt alle lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) op de hoogte van haar besluit.

2.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, nemen alle lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het niet-conforme voertuig, systeem of onderdeel of de niet-conforme technische eenheid uit de handel genomen wordt, en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet-gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in of past hij deze aan, in overeenstemming met het in lid 1 bedoelde besluit.

3.   Indien de nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en wordt toegerekend aan tekortkomingen in deze verordening of op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen, stelt de Commissie als volgt passende maatregelen voor:

a)

wanneer het op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen betreft, stelt de Commissie de vereiste wijzigingen van de desbetreffende handeling voor;

b)

wanneer het VN/ECE-reglementen betreft, stelt de Commissie de vereiste ontwerpwijzigingen van de betrokken VN/ECE-reglementen voor volgens de procedure die krachtens de Herziene Overeenkomst van 1958 van toepassing is.

Artikel 43

Conforme voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die een ernstig risico vormen

1.   Indien een lidstaat, na krachtens artikel 41, lid 1, een evaluatie te hebben uitgevoerd, van oordeel is dat voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, ook al voldoen zij aan de van toepassing zijnde voorschriften of zijn zij naar behoren gemerkt, een ernstig gevaar vormen voor de veiligheid, dan wel het milieu of de volksgezondheid ernstig kunnen schaden, verlangt deze lidstaat van de betrokken marktdeelnemer dat hij alle passende corrigerende maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid op het moment van het in de handel brengen of de registratie of na het in het verkeer brengen ervan niet langer een risico vormt, of dat hij het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid uit de handel neemt of binnen een redelijke termijn, die evenredig is met de aard van het risico, terugroept. De lidstaat mag de registratie van dergelijke voertuigen weigeren, totdat de voertuigfabrikant al die passende maatregelen heeft genomen.

2.   Voor voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden als bedoeld in lid 1, zorgt de marktdeelnemer ervoor dat corrigerende maatregelen worden toegepast op al deze voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in de Unie in de handel worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht.

3.   De in lid 1 bedoelde lidstaat brengt de Commissie en de andere lidstaten binnen een maand op de hoogte van alle bekende bijzonderheden, met name de gegevens die nodig zijn om het voertuig, systeem of onderdeel of de technische eenheid in kwestie te identificeren en de oorsprong en de toeleveringsketen van het voertuig, systeem of onderdeel of van de technische eenheid, de aard van het risico en de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen.

4.   De Commissie raadpleegt onverwijld de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s), en met name de goedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring heeft verleend, en voert een evaluatie van de getroffen nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de in lid 1 bedoelde nationale maatregelen al dan niet gerechtvaardigd worden geacht, en stelt zij zo nodig passende maatregelen voor.

5.   De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) er onmiddellijk van op de hoogte.

Artikel 44

Voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die niet conform zijn met het goedgekeurde type

1.   Indien nieuwe voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming vergezeld gaan of van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform te maken met het goedgekeurde type.

2.   Voor de toepassing van lid 1 worden afwijkingen van de gegevens op het EU-typegoedkeuringscertificaat of in het informatiepakket beschouwd als gebrek aan conformiteit met het goedgekeurde type.

3.   Indien een goedkeuringsinstantie aantoont dat nieuwe voertuigen, onderdelen of technische eenheden die van een certificaat van overeenstemming vergezeld gaan of van een in een andere lidstaat afgegeven goedkeuringsmerk zijn voorzien, niet conform zijn met het goedgekeurde type, kan zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, verzoeken te verifiëren of de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie nog conform zijn met het goedgekeurde type. De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend voert deze verificatie zo spoedig mogelijk uit en uiterlijk drie maanden na de datum van het verzoek.

4.   De goedkeuringsinstantie verzoekt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring voor een systeem, onderdeel, technische eenheid of incompleet voertuig heeft verleend, in de volgende gevallen de nodige maatregelen te nemen om de voertuigen in productie opnieuw conform te maken met het goedgekeurde type:

a)

in geval van een EU-typegoedkeuring van een voertuig, indien de niet-conformiteit van een voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, component of technische eenheid kan worden toegeschreven;

b)

in geval van een meerfasentypegoedkeuring, indien de niet-conformiteit van een voltooid voertuig uitsluitend aan de niet-conformiteit van een systeem, onderdeel of technische eenheid dat of die deel uitmaakt van het incomplete voertuig, of aan de niet-conformiteit van het incomplete voertuig zelf kan worden toegeschreven.

5.   De betrokken goedkeuringsinstantie neemt de nodige maatregelen, zo nodig in samenwerking met de goedkeuringsinstantie die het verzoek heeft gedaan, zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen drie maanden na de datum van het verzoek.

6.   Wanneer niet-conformiteit wordt vastgesteld, neemt de goedkeuringsinstantie van de lidstaat die de EU-typegoedkeuring voor het systeem, onderdeel of technische eenheid dan wel voor het incomplete voertuig heeft verleend, de in lid 1 genoemde maatregelen.

De goedkeuringsinstanties stellen elkaar binnen een maand in kennis van de intrekking van een EU-typegoedkeuring en van de redenen daarvoor.

7.   Indien de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, de haar ter kennis gebrachte niet-conformiteit betwist, trachten de betrokken lidstaten het geschil op te lossen. De Commissie wordt op de hoogte gehouden en pleegt zo nodig passend overleg om tot een vergelijk te komen.

Artikel 45

Het in de handel en in het verkeer brengen van voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen

1.   Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties worden niet in de handel gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht, tenzij daarvoor een vergunning is verleend door een goedkeuringsinstantie overeenkomstig artikel 46, leden 1, 2 en 4.

2.   Teneinde voor de uniforme toepassing van lid 1 te zorgen, kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om een lijst van dergelijke voertuigdelen en uitrustingsstukken op te stellen op basis van de beschikbare informatie, en in het bijzonder informatie van de lidstaten met betrekking tot:

a)

de ernst van het risico voor de veiligheid of de milieuprestaties van voertuigen waarop de betrokken voertuigdelen en uitrustingsstukken zijn gemonteerd;

b)

de mogelijke gevolgen die het uit hoofde van dit artikel opleggen van een eventuele vergunningsplicht voor voertuigdelen of uitrustingsstukken met zich meebrengt voor de consumenten en de fabrikanten op de vervangingsmarkt.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de onderzoeksprocedure bedoeld in artikel 69, lid 2.

3.   Lid 1 is niet van toepassing op originele voertuigdelen of uitrustingsstukken, noch op voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor een typegoedkeuring is verleend overeenkomstig een van de in bijlage I vermelde regelgevingen, tenzij de goedkeuring betrekking heeft op andere aspecten dan die welke onder lid 1 vallen.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot de voorschriften waaraan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten voldoen.

5.   Deze voorschriften kunnen worden gebaseerd op de in bijlage I vermelde regelgevingen of kunnen een vergelijking opleggen van de voertuigdelen of uitrustingsstukken met de milieu- of veiligheidsprestaties van het originele voertuig of, naargelang het geval, van een onderdeel daarvan. In beide gevallen zorgen de voorschriften ervoor dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken geen nadelige invloed hebben op de werking van de systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of voor zijn milieuprestaties.

Artikel 46

Voertuigdelen of uitrustingsstukken die een ernstig risico kunnen vormen voor de correcte werking van essentiële systemen — bijkomende voorschriften

1.   Voor de toepassing van artikel 45, lid 1, dient de fabrikant van voertuigdelen of uitrustingsstukken bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag met een door een aangewezen technische dienst opgesteld testverslag in waarin wordt gecertificeerd dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken waarvoor vergunning wordt gevraagd, voldoen aan de in artikel 45, lid 4, bedoelde voorschriften. De fabrikant kan slechts één aanvraag per type per onderdeel bij slechts één goedkeuringsinstantie indienen.

Op verzoek van de bevoegde instantie van een andere lidstaat zendt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft verleend de eerstgenoemde instantie binnen een maand na ontvangst van dat verzoek een afschrift van het aangevraagde toestemmingscertificaat, inclusief de bijlagen, door middel van een gemeenschappelijk beveiligd systeem voor de elektronische uitwisseling van gegevens. Het afschrift mag de vorm van een elektronisch bestand hebben.

2.   In de aanvraag worden gegevens vermeld betreffende de fabrikant van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, de type-, identificatie- en onderdeelnummers van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, alsmede de naam van de fabrikant van het voertuig, het voertuigtype en, in voorkomend geval, het bouwjaar of enige andere informatie aan de hand waarvan het voertuig waarop deze voertuigdelen of uitrustingsstukken moeten worden aangebracht, kan worden geïdentificeerd.

Wanneer de goedkeuringsinstantie, rekening houdend met het testrapport en ander bewijsmateriaal, ervan overtuigd is dat de desbetreffende voertuigdelen of uitrustingsstukken voldoen aan de in artikel 45, lid 4, bedoelde voorschriften, geeft zij een vergunning af voor het in de handel of in het verkeer brengen van de voertuigdelen of uitrustingsstukken, onder voorbehoud van lid 4, tweede alinea, van dit artikel.

De goedkeuringsinstantie verstrekt de fabrikant onverwijld een certificaat.

3.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om een model en een nummeringsysteem vast te stellen voor het in lid 2, derde alinea, van dit artikel bedoelde certificaat. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie die de vergunning heeft afgegeven, onverwijld in kennis van alle wijzigingen die van invloed zijn op de afgiftevoorwaarden. Deze goedkeuringsinstantie besluit of de vergunning opnieuw moet worden bezien of opnieuw moet worden afgegeven, en of aanvullende tests noodzakelijk zijn.

Het is de verantwoordelijkheid van de fabrikant ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of de uitrustingsstukken vervaardigd worden en blijven worden volgens de voorwaarden waaronder de vergunning is afgegeven.

5.   Alvorens een vergunning af te geven, gaat de goedkeuringsinstantie na of er bevredigende regelingen en procedures voorhanden zijn om een effectieve controle van de overeenstemming van de productie te waarborgen.

Wanneer de goedkeuringsinstantie oordeelt dat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de afgifte van de vergunning, verzoekt zij de fabrikant de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de voertuigdelen of uitrustingsstukken opnieuw conform worden gemaakt. Indien nodig trekt zij de vergunning in.

6.   De goedkeuringsinstanties van de verschillende lidstaten brengen elke onenigheid met betrekking tot de in lid 2, tweede alinea, bedoelde vergunning ter kennis van de Commissie. Na overleg met de goedkeuringsinstanties neemt de Commissie passende maatregelen om een einde te maken aan de onenigheid, waarbij zij zelfs, waar nodig, de intrekking van de vergunning kan eisen.

7.   Zolang de in artikel 45, lid 2, bedoelde lijst nog niet is opgesteld, kunnen de lidstaten nationale bepalingen handhaven in verband met voertuigdelen of uitrustingsstukken die een nadelige invloed kunnen hebben op de correcte werking van systemen die essentieel zijn voor de veiligheid van het voertuig of zijn milieuprestaties.

Artikel 47

Terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden

1.   Wanneer een fabrikant aan wie een EU-typegoedkeuring voor een geheel voertuig is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 in de handel gebrachte, geregistreerde of onder zijn verantwoordelijkheid in het verkeer gebrachte voertuigen moet terugroepen omdat een op het voertuig gemonteerd systeem of onderdeel of een op het voertuig gemonteerde technische eenheid, al dan niet overeenkomstig deze verordening goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, of omdat een onderdeel waarvoor uit hoofde van de typegoedkeuringswetgeving geen specifieke voorschriften gelden, een ernstig risico voor de veiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormt, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring voor het voertuig heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

2.   Wanneer een fabrikant van systemen, onderdelen of technische eenheden aan wie een EU-typegoedkeuring is verleend, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 systemen, onderdelen of technische eenheden die in de handel zijn gebracht of voor het in het verkeer brengen waarvan hij verantwoordelijk was, moet terugroepen omdat deze, ongeacht of zij al dan niet overeenkomstig deze verordening zijn goedgekeurd, een ernstig risico voor de veiligheid, de inzittendenveiligheid, de volksgezondheid of het milieu vormen, stelt hij de goedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, hiervan onmiddellijk in kennis.

3.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie een reeks maatregelen voor om het in de leden 1 en 2 bedoelde ernstige risico weg te nemen. De goedkeuringsinstantie deelt de voorgestelde maatregelen onverwijld aan de goedkeuringsinstanties van de andere lidstaten mee.

De goedkeuringsinstanties zien erop toe dat deze maatregelen in hun lidstaten effectief worden uitgevoerd.

4.   Indien de maatregelen door de betrokken goedkeuringsinstantie ontoereikend worden geacht of deze van mening is dat ze niet snel genoeg zijn uitgevoerd, stelt zij de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis.

De goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend stelt vervolgens de fabrikant in kennis. Wanneer de fabrikant geen effectieve corrigerende maatregelen voorstelt en uitvoert, neemt de goedkeuringsinstantie die de EU-typegoedkeuring heeft verleend alle vereiste beschermingsmaatregelen, die kunnen gaan tot de intrekking van de EU-typegoedkeuring. Bij intrekking van de EU-typegoedkeuring, stelt de goedkeuringsinstantie binnen een maand na deze intrekking de fabrikant, de goedkeuringsinstanties van de overige lidstaten en de Commissie hiervan per aangetekend schrijven of equivalente elektronische middelen in kennis.

Artikel 48

Kennisgeving van besluiten en beschikbare rechtsmiddelen

1.   Elk besluit dat uit hoofde van deze verordening wordt genomen en elk besluit tot weigering of intrekking van een EU-typegoedkeuring, tot weigering van de registratie, tot het verbieden of beperken van het in de handel brengen, registreren of in het verkeer brengen van een voertuig, dan wel tot het verplicht uit de handel nemen van een voertuig, wordt uitvoerig met redenen omkleed.

2.   Het besluit wordt ter kennis gebracht van de belanghebbende onder vermelding van de rechtsmiddelen waarover hij krachtens de geldende wettelijke voorschriften van de betrokken lidstaat beschikt en van de termijnen waarbinnen deze rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

HOOFDSTUK XIII

INTERNATIONALE REGELGEVING

Artikel 49

VN/ECE-reglementen die deel uitmaken van de EU-typegoedkeuring

1.   De VN/ECE-reglementen of de wijzigingen daarop waar de Unie voor heeft gestemd of waartoe de Unie is toegetreden, en die in bijlage I bij deze verordening of in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn vermeld, maken deel uit van de voorschriften voor de EU-typegoedkeuring van een voertuig.

2.   De goedkeuringsinstanties van de lidstaten aanvaarden de krachtens de in lid 1 bedoelde VN/ECE-reglementen afgegeven goedkeuringen en, in voorkomend geval, de desbetreffende goedkeuringsmerken in plaats van de overeenkomstige goedkeuringen en goedkeuringsmerken die op grond van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn afgegeven.

3.   Wanneer de Unie voor een VN/ECE-reglement of de wijzigingen daarop heeft gestemd met het oog op de EU-typegoedkeuring van voertuigen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 71 een gedelegeerde handeling vast om het VN/ECE-reglement of de wijzigingen daarop verplicht te stellen en, in voorkomend geval, bijlage I bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen te wijzigen, al naargelang het geval.

In die gedelegeerde handeling wordt vermeld vanaf welke data de toepassing van het VN/ECE-reglement of van de wijzigingen daarop verplicht is en worden in voorkomend geval overgangsbepalingen opgenomen.

De Commissie stelt afzonderlijke gedelegeerde handelingen vast ten aanzien van de verplichte toepassing van VN/ECE-reglementen.

Artikel 50

Erkenning van de testrapporten van de OESO voor EU-typegoedkeuringen

1.   Onverminderd de andere voorschriften van deze verordening kunnen, wanneer in deze verordening naar OESO-codes wordt verwezen, EU-typegoedkeuringen stoelen op het complete testrapport dat is opgesteld op basis van de standaardcodes van de OESO, als alternatief voor de testrapporten die krachtens deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen zijn opgesteld.

2.   Het OESO-testrapport waarnaar in lid 1 wordt verwezen, mag alleen voor EU-typegoedkeuring worden gebruikt als het is goedgekeurd conform bijlage 1 bij het besluit van de OESO-Raad van februari 2012 waarin de OESO-standaardcodes voor de officiële keuring van landbouw- en bosbouwtrekkers worden herzien, als gewijzigd.

HOOFDSTUK XIV

HET VERSTREKKEN VAN TECHNISCHE INFORMATIE

Artikel 51

Informatie voor gebruikers

1.   De fabrikant mag geen technische informatie over de bij deze verordening of de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen voorgeschreven gegevens verstrekken, die afwijkt van de gegevens die door de goedkeuringsinstantie zijn goedgekeurd.

2.   Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling of uitvoeringshandeling hierin voorziet, stelt de fabrikant de gebruikers alle relevante informatie en vereiste instructies ter beschikking waarin de bijzondere voorwaarden voor of de beperkingen op het gebruik van een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid worden beschreven.

3.   De in lid 2 bedoelde informatie wordt verstrekt in de officiële taal of talen van de lidstaten waar het voertuig in de handel zal worden gebracht, geregistreerd of in het verkeer gebracht. Na aanvaarding door de goedkeuringsinstantie wordt zij in de gebruikershandleiding opgenomen.

Artikel 52

Informatie voor fabrikanten van onderdelen of technische eenheden

1.   De voertuigfabrikant verstrekt de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden alle gegevens die voor de EU-typegoedkeuring van onderdelen of technische eenheden zijn vereist of om een vergunning krachtens artikel 45 te verkrijgen, inclusief, in voorkomend geval, de in de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen vermelde tekeningen.

De voertuigfabrikant kan de fabrikanten van onderdelen of technische eenheden een verbindende overeenkomst opleggen ter bescherming van de vertrouwelijkheid van alle informatie die niet openbaar is, met inbegrip van informatie die verband houdt met intellectuele-eigendomsrechten.

2.   De fabrikant van onderdelen of technische eenheden in zijn hoedanigheid van houder van een EU-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig artikel 26, lid 4, beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bevat, verstrekt alle informatie hierover aan de voertuigfabrikant.

Indien een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling hierin voorziet, verstrekt de fabrikant van onderdelen of technische eenheden instructies over beperkingen op het gebruik en/of bijzondere montagevoorschriften bij de geproduceerde onderdelen of technische eenheden.

HOOFDSTUK XV

TOEGANG TOT REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Artikel 53

Verplichtingen van de fabrikanten

1.   De fabrikanten bieden erkende handelaren, reparateurs en onafhankelijke marktdeelnemers op websites middels een gestandaardiseerd format snel en makkelijk niet-discriminatoire toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie. Deze verplichting is niet van toepassing in het geval dat een voertuig wordt goedgekeurd als een in kleine series gebouwd voertuig.

Software die essentieel is voor de goede werking van het veiligheids- en milieucontrolesysteem mag worden beschermd tegen niet-geautoriseerde manipulatie. Elke manipulatie van deze systemen die nodig is voor reparatie- of onderhoudsdoeleinden, of die toegankelijk is voor erkende handelaren of reparateurs, wordt ook op niet-discriminatoire wijze toegankelijk gemaakt voor onafhankelijke marktdeelnemers.

2.   Tot het moment dat de Commissie een gemeenschappelijke format vaststelt ten aanzien van de levering van de in lid 1 bedoelde informatie, dient deze informatie beschikbaar te worden gemaakt op een samenhangende manier die onafhankelijke marktdeelnemers in staat stelt deze met behulp van een redelijke inspanning te verwerken.

De fabrikant stelt erkende handelaren, reparateurs en onafhankelijke marktdeelnemers op niet-discriminatoire wijze opleidingsdocumentatie en relevant gereedschap ter beschikking. Deze toegang omvat, in voorkomend geval, passende opleiding met betrekking tot het downloaden van software, het beheer van diagnostische foutcodes en het gebruik van gereedschap.

3.   Onverminderd lid 1 omvat de aldaar bedoelde informatie het volgende:

a)

het type en model van de trekker;

b)

een eenduidig voertuigidentificatienummer;

c)

servicehandboeken met reparatie- en onderhoudsgegevens en serviceschema’s;

d)

technische handleidingen en technische servicebulletins;

e)

informatie over onderdelen en diagnose (zoals de theoretische minimale en maximale meetwaarden);

f)

bedradingsschema’s;

g)

de diagnostische foutcodes (met inbegrip van de eigen codes van de fabrikant);

h)

alle informatie die nodig is voor het installeren van nieuwe of geactualiseerde software in een nieuw voertuig of voertuigtype (bijvoorbeeld onderdeelnummer software);

i)

informatie over, en verstrekt door middel van, eigen instrumenten en apparatuur;

j)

informatie over gegevensregistratie, testgegevens en alle andere technische informatie (zoals bidirectionele bewakingsgegevens, indien van toepassing op de gebruikte technologie);

k)

standaardarbeidseenheden of de aan reparatie- en onderhoudswerkzaamheden bestede tijd, indien beschikbaar gesteld, hetzij direct, hetzij via een derde partij, aan de erkende handelaren en reparateurs van de fabrikant.

4.   Erkende handelaren en reparatiebedrijven die deel uitmaken van het distributienet van een bepaalde voertuigfabrikant, worden als onafhankelijke marktdeelnemers in de zin van deze verordening beschouwd voor zover zij reparatie- of onderhoudsdiensten verrichten voor voertuigen van een fabrikant van wiens distributienet zij geen deel uitmaken.

5.   De reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig is altijd beschikbaar, uitgezonderd tijdens noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan het informatiesysteem.

6.   Voor de fabricage en het onderhoud van OBD-compatibele vervangings- of onderhoudsonderdelen en diagnose- en testapparatuur verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD-, reparatie- en onderhoudsinformatie aan belangstellende fabrikanten en reparateurs van onderdelen en diagnose- en testapparatuur.

7.   Ten behoeve van het ontwerp en de fabricage van auto-onderdelen voor voertuigen die op alternatieve brandstof rijden, verstrekken de fabrikanten zonder daarbij te discrimineren de relevante OBD en de reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig aan iedere belangstellende installateur, fabrikant of reparateur van uitrustingstukken voor op alternatieve brandstof rijdende voertuigen.

8.   Wanneer een fabrikant een EU-typegoedkeuring of een nationale typegoedkeuring aanvraagt, levert hij aan de goedkeuringsinstantie het bewijs dat hij wat de in dit artikel voorgeschreven informatie betreft aan deze verordening voldoet.

Indien deze informatie op dat moment niet beschikbaar is of niet voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringsmaatregelen die van toepassing zijn wanneer een aanvraag voor een EU-typegoedkeuring of een nationale typegoedkeuring wordt ingediend, verstrekt de fabrikant deze informatie binnen zes maanden na de datum van goedkeuring.

De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen voor het vaststellen van een model voor een certificaat betreffende toegang tot OBD en reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, waarmee dit bewijs van naleving aan de goedkeuringsinstantie wordt geleverd. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

9.   Indien bovengenoemd bewijs van naleving niet binnen de in de tweede alinea van lid 8 genoemde termijn wordt geleverd, neemt de goedkeuringsinstantie de nodige maatregelen om op de naleving toe te zien.

10.   De fabrikant stelt latere wijzigingen van en aanvullingen op de reparatie- en onderhoudsinformatie op zijn websites ter beschikking zodra deze ter beschikking worden gesteld van erkende reparateurs.

11.   Indien de reparatie- en onderhoudsgegevens van een voertuig in een door of namens de voertuigfabrikant beheerde centrale databank worden opgeslagen, krijgen onafhankelijke reparatiebedrijven gratis toegang tot deze gegevens en worden zij in staat gesteld gegevens over de door hen uitgevoerde reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in te voeren.

12.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met gedetailleerde voorschriften voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, en met name technische specificaties voor de manier waarop reparatie- en onderhoudsinformatie beschikbaar wordt gesteld.

13.   De Commissie past de informatievoorschriften in dit artikel, inclusief de technische specificaties betreffende de wijze waarop informatie moet worden verstrekt, door middel van de in lid 12 bedoelde gedelegeerde handelingen aan, teneinde deze evenredig te maken, in het bijzonder rekening houdend met het relatief kleine productievolume van dit type voertuig en met de in bijlage II vastgestelde maximale aantallen voor in kleine series gebouwde voertuigen. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan deze aanpassing resulteren in vrijstelling van het voorschrift betreffende het in een gestandaardiseerd format verstrekken van de informatie. Bij aanpassing of vrijstelling dient er hoe dan ook op te worden toegezien dat aan de doelstellingen van dit artikel kan worden voldaan.

Artikel 54

Verplichtingen met betrekking tot verschillende houders van typegoedkeuring

Bij stapsgewijze typegoedkeuring, gemengde goedkeuring en meerfasentypegoedkeuring, is de fabrikant die verantwoordelijk is voor de respectieve typegoedkeuring tevens verantwoordelijk voor het leveren van reparatie-informatie betreffende het specifieke systeem, onderdeel of de specifieke technische eenheid of voor de specifieke fase aan zowel de eindfabrikant als onafhankelijke marktdeelnemers.

De eindfabrikant is verantwoordelijk voor het verstrekken van informatie betreffende het hele voertuig aan onafhankelijke marktdeelnemers.

Artikel 55

Vergoedingen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig

1.   De fabrikanten mogen een redelijke en evenredige vergoeding vragen voor de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie van het voertuig, werkinstrumenten en scholing waarop deze verordening van toepassing is. Een vergoeding is niet redelijk of evenredig indien deze ontmoedigend werkt doordat geen rekening wordt gehouden met de mate waarin de onafhankelijke marktdeelnemer deze gebruikt.

2.   De fabrikanten stellen de reparatie- en onderhoudsinformatie op dag-, maand- of jaarbasis ter beschikking, waarbij de vergoeding voor de toegang tot deze informatie afhankelijk is van de periode waarvoor toegang wordt verleend.

Artikel 56

Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie

Het werkterrein van het Forum betreffende toegang tot voertuiginformatie dat is ingesteld krachtens artikel 13, lid 9, van Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (34) wordt uitgebreid met de voertuigen die onder deze verordening vallen.

Op grond van bewijs van al dan niet opzettelijk misbruik van OBD- en reparatie- en onderhoudsinformatie van voertuigen adviseert het in de eerste alinea bedoelde Forum de Commissie over maatregelen om dergelijk misbruik van informatie te voorkomen.

HOOFDSTUK XVI

AANWIJZING EN AANMELDING VAN TECHNISCHE DIENSTEN

Artikel 57

Voorschriften met betrekking tot technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstanties zien erop toe dat voordat zij een technische dienst aanwijzen overeenkomstig artikel 59 deze technische dienst voldoet aan de voorschriften in de leden 2 tot en met 9 van dit artikel.

2.   Onverminderd artikel 60, lid 1, wordt een technische dienst naar het nationale recht van een lidstaat opgericht en bezit deze rechtspersoonlijkheid.

3.   Een technische dienst is een onafhankelijke organisatie die niet betrokken is bij het ontwerp, de productie, de levering of het onderhoud van het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid die door deze dienst wordt beoordeeld.

Een instantie die lid is van een organisatie van ondernemers of van een vakorganisatie die ondernemingen vertegenwoordigt die betrokken zijn bij het ontwerp, de vervaardiging, de beschikbaarstelling, de assemblage, het gebruik of het onderhoud van de door haar beoordeelde, geteste of geïnspecteerde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden, kan geacht worden aan de eerste alinea te voldoen, op voorwaarde dat haar onafhankelijkheid en de afwezigheid van belangenconflicten worden aangetoond.

4.   Een technische dienst, zijn hoogste leidinggevenden en het personeel ervan dat belast is met het uitvoeren van de categorieën taken waarvoor zij overeenkomstig artikel 59, lid 1, zijn aangewezen, zijn niet de ontwerper, fabrikant, leverancier of voor het onderhoud verantwoordelijke persoon van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die zij beoordelen, en vertegenwoordigen niet partijen die bij deze activiteiten betrokken zijn. Dit belet echter niet het gebruik van beoordeelde voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel, die nodig zijn voor de activiteiten van de technische dienst of het gebruik van dergelijke voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden voor persoonlijke doeleinden.

Een technische dienst zorgt ervoor dat de activiteiten van zijn dochterondernemingen of onderaannemers niet van invloed zijn op de vertrouwelijkheid, de objectiviteit of de onpartijdigheid van de categorieën activiteiten waarvoor dienst werd aangewezen.

5.   Een technische dienst en zijn personeel voeren de categorieën activiteiten waarvoor de dienst werd aangewezen uit met de grootste mate van beroepsintegriteit en met de vereiste technische bekwaamheid op het specifieke gebied, en zij zijn vrij van elke druk en beïnvloeding, met name van financiële aard, die hun oordeel of de resultaten van hun beoordelingsactiviteiten kunnen beïnvloeden, in het bijzonder van druk en beïnvloeding van de kant van personen of groepen van personen die belang hebben bij de resultaten van deze activiteiten.

6.   Een technische dienst is in staat alle categorieën activiteiten uit te voeren waarvoor hij in overeenstemming met artikel 59, lid 1, is aangewezen door tot tevredenheid van zijn aanwijzende goedkeuringsinstantie aan te tonen dat hij beschikt over:

a)

personeel met passende vaardigheden, specifieke technische kennis en beroepsopleiding, alsook voldoende en passende ervaring om de taken uit te voeren;

b)

beschrijvingen van de relevante procedures voor de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, met waarborgen betreffende de transparantie en de reproduceerbaarheid van die procedures;

c)

procedures voor het uitvoeren van de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, terdege rekening houdend met de mate van complexiteit van de technologie van het voertuig, systeem of onderdeel of van de technische eenheid in kwestie, en met het massa- of seriële karakter van het productieproces, en

d)

de benodigde middelen voor het op een passende wijze uitvoeren van de taken die verband houden met de categorieën activiteiten waarvoor hij aangewezen wenst te worden, en toegang heeft tot alle benodigde apparatuur en faciliteiten.

Daarnaast toont de technische dienst tegenover de aanwijzende goedkeuringsinstantie aan dat hij voldoet aan de normen die zijn vastgesteld in de op grond van artikel 61 vastgestelde gedelegeerde handelingen en relevant zijn voor de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen.

7.   De onpartijdigheid van de technische diensten, hun hoogste leidinggevenden en het beoordelingspersoneel moet worden gewaarborgd. Zij oefenen geen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen.

8.   Technische diensten sluiten een aansprakelijkheidsverzekering voor hun activiteiten af, tenzij de wettelijke aansprakelijkheid op basis van hun nationale recht door de lidstaat wordt gedekt of de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is voor de conformiteitsbeoordeling.

9.   Het personeel van een technische dienst is gebonden aan het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie waarvan het kennisneemt bij de uitoefening van zijn taken uit hoofde van deze verordening of bepalingen van nationaal recht die daaraan uitvoering geven, behalve ten opzichte van de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op grond van het Unierecht of het nationale recht. De eigendomsrechten worden beschermd.

Artikel 58

Dochterondernemingen van en uitbesteding door technische diensten

1.   Technische diensten mogen uitsluitend met instemming van hun aanwijzende goedkeuringsinstantie een deel van de activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen overeenkomstig artikel 59, lid 1, uitbesteden of door een dochteronderneming laten uitvoeren.

2.   Wanneer een technische dienst specifieke taken in verband met de categorieën activiteiten waarvoor hij is aangewezen, uitbesteed of door een dochteronderneming laat uitvoeren, waarborgt hij dat de onderaannemer of dochteronderneming voldoet aan artikel 57, en stelt hij de aanwijzende goedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte.

3.   Technische diensten dragen de volledige verantwoordelijkheid voor de taken die worden verricht door hun onderaannemers of dochterondernemingen, ongeacht waar deze zijn gevestigd.

4.   Technische diensten houden de relevante documenten over de beoordeling van de kwalificaties van de onderaannemer of de dochteronderneming en over de door hen uitgevoerde taken ter beschikking van de aanwijzende goedkeuringsinstantie.

Artikel 59

Aanwijzing van technische diensten

1.   Technische diensten worden aangewezen voor een of meer van de volgende activiteitencategorieën, afhankelijk van hun competentiegebied:

a)

categorie A, technische diensten die de tests als bedoeld in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen, in hun eigen voorzieningen uitvoeren;

b)

categorie B, technische diensten die toezien op de in deze verordening en in de in bijlage I vermelde handelingen bedoelde tests, indien de uitvoering plaatsvindt in de voorzieningen van de fabrikant of in de voorzieningen van een derde;

c)

categorie C, technische diensten die de door de fabrikant toegepaste procedures voor de controle van de overeenstemming van de productie geregeld evalueren en controleren;

d)

categorie D, technische diensten die tests of inspecties uitvoeren of hierop toezien voor de controle van de overeenstemming van de productie.

2.   Een goedkeuringsinstantie kan worden aangewezen als technische dienst voor een of meer van de in lid 1 bedoelde activiteiten.

3.   Technische diensten van een derde land welke niet overeenkomstig artikel 60 zijn aangewezen, kunnen voor de toepassing van artikel 63 worden aangemeld, maar uitsluitend indien in een dergelijke aanvaarding van technische diensten is voorzien in een bilaterale overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land. Dit belet een technische dienst die naar het nationale recht van een lidstaat is opgericht overeenkomstig artikel 57, lid 2, niet in derde landen dochterondernemingen op te richten, op voorwaarde dat de dochterondernemingen rechtstreeks geleid en gecontroleerd worden door de aangewezen technische dienst.

Artikel 60

Geaccrediteerde interne technische diensten van de fabrikant

1.   Een geaccrediteerde interne technische dienst van een fabrikant kan alleen worden aangewezen voor activiteiten van categorie A met betrekking tot de technische voorschriften waarvoor zelftesten in een op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handeling wordt toegestaan. Deze technische dienst vormt een afzonderlijk en te onderscheiden deel van de onderneming en is niet betrokken bij het ontwerp, de vervaardiging, de levering of het onderhoud van de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die hij beoordeelt.

2.   Een geaccrediteerde interne technische dienst voldoet aan de volgende voorschriften:

a)

behalve dat hij is aangewezen door de goedkeuringsinstantie van een lidstaat, is hij geaccrediteerd door een nationale accreditatie-instantie zoals bedoeld in artikel 2, punt 11, van Verordening (EG) nr. 765/2008 en overeenkomstig de normen en procedures zoals bedoeld in artikel 61 van deze verordening;

b)

de geaccrediteerde interne technische dienst en zijn personeel zijn organisatorisch te onderscheiden en beschikken binnen de onderneming waarvan zij deel uitmaken over rapportagemethoden die hun onpartijdigheid waarborgen en aan de relevante nationale accreditatie-instantie aantonen;

c)

de geaccrediteerde interne technische dienst, noch zijn personeel oefenen activiteiten uit die hun onafhankelijk oordeel of hun integriteit met betrekking tot de categorieën activiteiten waarvoor zij zijn aangewezen, in het gedrang kunnen brengen;

d)

de geaccrediteerde interne technische dienst verleent zijn diensten uitsluitend aan de onderneming waarvan hij deel uitmaakt.

3.   Een geaccrediteerde interne technische dienst hoeft niet bij de Commissie te worden aangemeld voor de toepassing van artikel 63, maar op verzoek van de aanwijzende goedkeuringsinstantie wordt door de onderneming waarvan zij deel uitmaken of door de nationale accreditatie-instantie informatie over hun accreditatie aan die instantie verstrekt.

Artikel 61

Procedures voor prestatienormen en de evaluatie van technische diensten

Om ervoor te zorgen dat technische diensten in alle lidstaten aan dezelfde hoge standaarden voor het prestatieniveau voldoen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen inzake de normen waar de technische diensten aan moeten voldoen en voor de procedure voor hun beoordeling overeenkomstig artikel 62 en voor hun accreditatie overeenkomstig artikel 60.

Artikel 62

Beoordeling van de vaardigheden van de technische diensten

1.   De aanwijzende goedkeuringsinstantie stelt een beoordelingsverslag op waaruit blijkt dat de kandidaat-technische dienst is beoordeeld op de naleving van de voorschriften van deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen. Dit verslag kan een door een accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat omvatten.

2.   De beoordeling waarop het in lid 1 bedoelde verslag wordt gebaseerd, wordt uitgevoerd volgens een op grond van artikel 61 vastgestelde gedelegeerde handeling. Het beoordelingsverslag wordt ten minste elke drie jaar opnieuw bezien.

3.   Het beoordelingsverslag wordt desgevraagd aan de Commissie verstrekt. In dergelijke gevallen en als de beoordeling niet is gebaseerd op een door een nationale accreditatie-instantie afgegeven accreditatiecertificaat waarin wordt verklaard dat de technische dienst aan deze verordening voldoet, stelt de aanwijzende instantie aan de Commissie schriftelijke bewijsstukken ter beschikking waaruit de bekwaamheid van de technische dienst blijkt, alsmede de regelingen die zijn getroffen om te waarborgen dat de technische dienst regelmatig wordt gecontroleerd door de aanwijzende goedkeuringsinstantie en voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

4.   De goedkeuringsinstantie die als technische dienst aangewezen wenst te worden overeenkomstig artikel 59, lid 2, toont aan dat zij aan de voorwaarden voldoet middels een beoordeling door van de beoordeelde activiteit onafhankelijke beoordelaars. Deze beoordelaars kunnen uit dezelfde organisatie komen, mits zij afzonderlijk van het personeel dat de beoordeelde activiteit uitoefent, worden bestuurd.

5.   Een geaccrediteerde interne technische dienst voldoet aan de relevante bepalingen van dit artikel.

Artikel 63

Aanmeldingsprocedures

1.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam, het adres, inclusief het elektronische adres, de verantwoordelijke personen en de activiteitencategorie van elke technische dienst die zij hebben aangewezen, alsook van latere wijzigingen in deze aanwijzingen. In de aanmelding wordt vermeld voor welke van de in bijlage I genoemde onderwerpen de technische diensten zijn aangewezen.

2.   Een technische dienst kan de in artikel 59, lid 1, bedoelde activiteiten voor de typegoedkeuring namens de voor de typegoedkeuring verantwoordelijke aanwijzende goedkeuringsinstantie alleen verrichten als hij van tevoren bij de Commissie is aangemeld overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

3.   Dezelfde technische dienst kan door verschillende aanwijzende goedkeuringsinstantie worden aangewezen en aangemeld door de lidstaten van deze aanwijzende goedkeuringsinstanties, ongeacht de categorie of categorieën van activiteiten die deze dienst uitoefent overeenkomstig artikel 59, lid 1.

4.   De Commissie wordt in kennis gesteld van alle latere relevante wijzigingen in de aanwijzing.

5.   Wanneer een specifieke organisatie of een bevoegd orgaan dat een activiteit verricht die niet onder artikel 59, lid 1, valt, moet worden aangewezen voor de toepassing van een in bijlage I vermelde regelgeving, vindt de aanmelding plaats overeenkomstig dit artikel.

6.   De Commissie publiceert de lijst en de gegevens van de technische diensten die overeenkomstig dit artikel zijn aangemeld op haar website.

Artikel 64

Wijzigingen van de aanwijzing

1.   Wanneer een aanwijzende goedkeuringsinstantie heeft geconstateerd of vernomen dat een door haar aangewezen technische dienst niet meer aan de eisen van deze verordening voldoet of zijn verplichtingen niet nakomt, wordt de aanwijzing door de aanwijzende goedkeuringsinstantie beperkt, opgeschort of, in voorkomend geval, ingetrokken, afhankelijk van de ernst van het niet-voldoen aan deze eisen of het niet-nakomen van deze verplichtingen. De lidstaat die deze technische dienst heeft aangemeld stelt de Commissie onverwijld op de hoogte. De Commissie wijzigt de in artikel 63, lid 6, bedoelde informatie dienovereenkomstig.

2.   Wanneer de aanwijzing wordt beperkt, opgeschort of ingetrokken, of de technische dienst zijn activiteiten heeft gestaakt, doet de aanwijzende goedkeuringsinstantie het nodige om ervoor te zorgen dat de dossiers van die technische dienst hetzij door een andere technische dienst worden behandeld, hetzij aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie of op hun verzoek de markttoezichtautoriteiten ter beschikking kunnen worden gesteld.

Artikel 65

Betwisting van de bekwaamheid van technische diensten

1.   De Commissie onderzoekt alle gevallen waarin zij twijfelt of in kennis wordt gesteld van twijfels omtrent de bekwaamheid van een technische dienst of omtrent de vraag of een technische dienst nog aan de voorschriften voldoet en zijn verantwoordelijkheden nakomt.

2.   De lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie verstrekt de Commissie, op verzoek, alle informatie met betrekking tot de grondslag van de aanwijzing of de instandhouding van de aanwijzing van de betrokken technische dienst.

3.   Alle gevoelige informatie die de Commissie in het kader van haar onderzoek ontvangt, wordt door haar vertrouwelijk behandeld.

4.   Wanneer de Commissie vaststelt dat een technische dienst niet of niet meer aan de aanwijzingsvoorschriften voldoet, stelt zij de lidstaat van de aanwijzende goedkeuringsinstantie daarvan op de hoogte, teneinde samen met die lidstaat de noodzakelijke corrigerende maatregelen vast te stellen, en verzoekt zij die lidstaat deze corrigerende maatregelen, inclusief, in voorkomend geval, de intrekking van de aanwijzing, te nemen.

Artikel 66

Operationele verplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten voeren de categorieën activiteiten uit waarvoor zij zijn aangewezen namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie volgens de beoordelings- en testprocedures zoals bedoeld in deze verordening en in de in bijlage I vermelde regelgevingen.

Technische diensten houden toezicht op de in deze verordening of in een van de in bijlage I vermelde regelgevingen voor de goedkeuring noodzakelijke tests of inspecties of voeren deze zelf uit, tenzij alternatieve procedures zijn toegestaan. De technische diensten voeren geen tests, beoordelingen of inspecties uit waarvoor zij niet naar behoren door hun goedkeuringsinstantie zijn aangewezen.

2.   Technische diensten:

a)

stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde in staat in voorkomend geval getuige te zijn tijdens de conformiteitsbeoordeling door de technische dienst, en

b)

onverminderd het bepaalde in artikel 57, lid 9, en artikel 67, verstrekken hun aanwijzende goedkeuringsinstantie te allen tijde de informatie over hun onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende activiteitencategorieën waarom verzocht wordt.

3.   Als een technische dienst vaststelt dat een fabrikant niet aan voorschriften in deze verordening heeft voldaan, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie zodat deze laatste de fabrikant kan verzoeken passende corrigerende maatregelen te nemen en vervolgens geen typegoedkeuringscertificaat afgeeft, tenzij de passende corrigerende maatregelen ten genoegen van de goedkeuringsinstantie zijn genomen.

4.   Wanneer een technische dienst die namens de aanwijzende goedkeuringsinstantie optreedt bij de controle van de overeenstemming van de productie en na de afgifte van een typegoedkeuringscertificaat constateert dat een voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid niet langer aan deze verordening voldoet, meldt hij dit aan de aanwijzende goedkeuringsinstantie. De goedkeuringsinstantie neemt de in artikel 28 bepaalde passende maatregelen.

Artikel 67

Informatieverplichtingen van technische diensten

1.   Technische diensten stellen hun aanwijzende goedkeuringsinstantie op de hoogte van:

a)

elke geconstateerde non-conformiteit die een weigering, beperking, opschorting of intrekking van een typegoedkeuringscertificaat nodig kan maken;

b)

alle omstandigheden die van invloed zijn op de werkingssfeer van en de voorwaarden voor hun aanwijzing;

c)

alle informatieverzoeken die zij van markttoezichtautoriteiten ontvangen over hun activiteiten.

2.   Op verzoek van hun aanwijzende goedkeuringsinstanties verstrekken technische diensten informatie over de activiteiten binnen het toepassingsgebied van hun aanwijzingen over alle andere verrichte activiteiten, inclusief grensoverschrijdende activiteiten en uitbestedingen.

HOOFDSTUK XVII

UITVOERINGSHANDELINGEN EN GEDELEGEERDE HANDELINGEN

Artikel 68

Uitvoeringshandelingen

Met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening en om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast te leggen, stelt de Commissie, overeenkomstig de in artikel 69, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, uitvoeringshandelingen met de volgende uitvoeringsmaatregelen vast:

a)

modellen voor het inlichtingenformulier en voor het informatiedossier zoals bedoeld in artikel 22;

b)

het nummeringssysteem voor EU-typegoedkeuringscertificaten zoals bedoeld in artikel 24, lid 4;

c)

het model voor de EU-typegoedkeuringscertificaten zoals bedoeld in artikel 25, lid 2;

d)

het model voor het formulier met testresultaten bij het EU-typegoedkeuringscertificaat zoals bedoeld in punt a) van artikel 25, lid 3;

e)

het model voor de lijst van van toepassing zijnde voorschriften of handelingen zoals bedoeld in artikel 25, lid 6;

f)

de algemene voorschriften voor het model voor het in artikel 27, lid 1, bedoelde testrapport;

g)

het model voor een certificaat van overeenstemming zoals bedoeld in artikel 33, lid 2;

h)

het model voor het EU-typegoedkeuringsmerk zoals bedoeld in artikel 34;

i)

een toestemming om EU-typegoedkeuringen te verlenen met ontheffingen betreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten zoals bedoeld in artikel 35, lid 3;

j)

de modellen voor het typegoedkeuringscertificaat en het certificaat van overeenstemming betreffende nieuwe technologieën of nieuwe concepten zoals bedoeld in artikel 35, lid 4;

k)

de toestemming voor lidstaten om de typegoedkeuring te verlengen zoals bedoeld in artikel 36, lid 2;

l)

de lijst van voertuigdelen of uitrustingsstukken zoals bedoeld in artikel 45, lid 2;

m)

het model en het nummeringsysteem voor het certificaat zoals bedoeld in artikel 46, lid 3, alsook alle aspecten met betrekking tot de in dat artikel bedoelde goedkeuringsprocedure;

n)

het model voor het certificaat dat de goedkeuringsinstantie conformiteit aantoont zoals bedoeld in artikel 53, lid 8.

Artikel 69

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het technisch comité landbouwvoertuigen (TC-AV). Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   In de gevallen waarin naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 70

Wijziging van de bijlagen

1. Onverminderd de andere bepalingen van deze verordening met betrekking tot het wijzigen van zijn bijlagen, is de Commissie ook bevoegd overeenkomstig artikel 71 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van bijlage I om verwijzingen naar regelgevingen op te nemen en rekening te houden met correcties.

Artikel 71

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 22 maart 2013.

3.   De bevoegdheidsdelegatie bedoeld in artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij daar tegelijkertijd het Europees Parlement en de Raad van in kennis.

5.   Een overeenkomstig artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de bekendmaking van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad kan deze termijn met twee maanden worden verlengd.

HOOFDSTUK XVIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 72

Sancties

1.   De lidstaten stellen sancties vast voor inbreuken door marktdeelnemers op deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde of uitvoeringshandelingen. Zij nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat die sancties worden uitgevoerd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 23 maart 2015 van deze bepalingen in kennis en delen haar onverwijld alle latere wijzigingen van die bepalingen mee.

2.   De soorten inbreuken die aanleiding geven tot een sanctie zijn:

a)

valse verklaringen afleggen tijdens goedkeuringsprocedures of procedures die tot terugroeping leiden;

b)

testresultaten voor typegoedkeuring of conformiteit onder bedrijfsomstandigheden vervalsen;

c)

het achterhouden van gegevens of technische specificaties die tot terugroeping, weigering of intrekking van de typegoedkeuring zouden kunnen leiden;

d)

manipulatie-instrumenten gebruiken;

e)

toegang tot informatie weigeren;

f)

het zonder goedkeuring op de markt aanbieden, door marktdeelnemers, van voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden waarvoor een goedkeuring vereist is, of het met die intentie vervalsen van documenten of opschriften.

Artikel 73

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd andere bepalingen van deze verordening leidt deze verordening niet tot ongeldigverklaring van EU-typegoedkeuringen die vóór 1 januari 2016 voor voertuigen of systemen, onderdelen of technische eenheden zijn verleend.

2.   De goedkeuringsinstanties blijven uitbreidingen van goedkeuringen voor de in lid 1 bedoelde voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden verlenen overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG en alle in artikel 76, lid 1, vermelde richtlijnen. Dergelijke goedkeuringen worden evenwel niet gebruikt voor het verkrijgen van typegoedkeuringen voor complete voertuigen op grond van deze verordening.

3.   In afwijking van deze verordening kunnen nieuwe systemen, onderdelen, technische eenheden of voertuigen van een type waaraan overeenkomstig Richtlijn 2003/37/EG een typegoedkeuring voor een compleet voertuig is verleend tot 31 december 2017 worden geregistreerd, in de handel of in het verkeer gebracht. Nieuwe voertuigen van een type waarvoor geen typegoedkeuring krachtens Richtlijn 2003/37/EG nodig was, kunnen eveneens tot die datum worden geregistreerd of in het verkeer gebracht overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat waar de registratie of het in het verkeer brengen plaatsvindt.

Nationale autoriteiten verbieden, beperken of verhinderen in dat geval niet de registratie, het in de handel of in het verkeer brengen van voertuigen die conform het goedgekeurde type zijn.

Artikel 74

Verslag

1.   Uiterlijk 31 december 2019 informeren de lidstaten de Commissie over de toepassing van de in deze verordening vastgestelde typegoedkeuringsprocedures en met name over de toepassing van de meerfasenprocedure.

2.   Op basis van de krachtens lid 1 verstrekte informatie brengt de Commissie uiterlijk 31 december 2020 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van deze verordening.

Artikel 75

Herziening

1.   Uiterlijk 31 december 2022 legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de in lid 3 vermelde onderwerpen.

2.   Het verslag is gebaseerd op een raadpleging van de relevante belanghebbenden en houdt rekening met bestaande aanverwante Europese en internationale normen.

3.   Uiterlijk 31 december 2021 brengen de lidstaten bij de Commissie verslag uit over:

a)

het aantal individuele goedkeuringen dat door hen sinds 1 januari 2016 per jaar is toegekend aan voertuigen die onder deze verordening vallen vóór hun eerste registratie;

b)

de nationale criteria waarop deze goedkeuringen stoelen, voor zover deze afwijken van de verplichte voorschriften voor EU-typegoedkeuring.

4.   Het verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van wetgevingsvoorstellen, en gaat in op de opname van individuele goedkeuringen in deze verordening op basis van geharmoniseerde voorschriften.

Artikel 76

Intrekking

1.   Onverminderd artikel 73, lid 2, van deze verordening, worden Richtlijn 2003/37/EG alsmede de Richtlijnen 74/347/EEG, 76/432/EEG, 76/763/EEG, 77/537/EEG, 78/764/EEG, 80/720/EEG, 86/297/EEG, 86/298/EEG, 86/415/EEG, 87/402/EEG, 2000/25/EG, 2009/57/EG, 2009/58/EG, 2009/59/EG, 2009/60/EG, 2009/61/EG, 2009/63/EG, 2009/64/EG, 2009/66/EG, 2009/68/EG; 2009/75/EG, 2009/76/EG en 2009/144/EG ingetrokken met ingang van 1 januari 2016.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de deze verordening en worden, wat Richtlijn 2003/37/EG betreft, gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 77

Wijziging van Richtlijn 2006/42/EG

Artikel 1, lid 2, punt e), eerste streepje, van Richtlijn 2006/42/EG wordt vervangen door:

„—

landbouw- en bosbouwtrekkers, met uitzondering van uitrustingsstukken die op deze voertuigen zijn aangebracht,”.

Artikel 78

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Vanaf 22 maart 2013 weigeren nationale autoriteiten niet EU-typegoedkeuringen of nationale typegoedkeuringen te verlenen voor een nieuw type voertuig, of de registratie, het in de handel brengen of het in het verkeer brengen van een nieuw voertuig weigeren indien het betrokken voertuig voldoet aan deze verordening en de op grond van deze verordening vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, indien een fabrikant daarom vraagt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 5 februari 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)  PB C 54 van 19.2.2011, blz. 42.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 20 november 2012 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 28 januari 2013.

(3)  PB L 171 van 9.7.2003, blz. 1.

(4)  PB L 59 van 27.2.1998, blz. 1.

(5)  PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.

(6)  PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(7)  Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).

(8)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(9)  PB L 191 van 15.7.1974, blz. 5.

(10)  PB L 122 van 8.5.1976, blz. 1.

(11)  PB L 262 van 27.9.1976, blz. 135.

(12)  PB L 220 van 29.8.1977, blz. 38.

(13)  PB L 255 van 18.9.1978, blz. 1.

(14)  PB L 194 van 28.7.1980, blz. 1.

(15)  PB L 186 van 8.7.1986, blz. 19.

(16)  PB L 186 van 8.7.1986, blz. 26.

(17)  PB L 240 van 26.8.1986, blz. 1.

(18)  PB L 220 van 8.8.1987, blz. 1.

(19)  PB L 173 van 12.7.2000, blz. 1.

(20)  PB L 261 van 3.10.2009, blz. 1.

(21)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 4.

(22)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 9.

(23)  PB L 198 van 30.7.2009, blz. 15.

(24)  PB L 203 van 5.8.2009, blz. 19.

(25)  PB L 214 van 19.8.2009, blz. 23.

(26)  PB L 216 van 20.8.2009, blz. 1.

(27)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 11.

(28)  PB L 203 van 5.8.2009, blz. 52.

(29)  PB L 261 van 3.10.2009, blz. 40.

(30)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 18.

(31)  PB L 27 van 30.1.2010, blz. 33.

(32)  PB L 374 van 27.12.2006, blz. 10.

(33)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(34)  PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.


BIJLAGE I

LIJST VAN VOORSCHRIFTEN VOOR EU-TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN

Nr.

Artikel

Onderwerp

Verwijzing naar regelgeving

Motorvoertuigen

Voertuigcategorie

T1a

T1b

T2a

T2b

T3a

T3b

T4.1a

T4.1b

(+)

T4.2a

T4.2b

(+)

T4.3a

T4.3b

Ca

Cb

(++)

Ra

Rb

Sa

Sb

1

17, lid 2, onder a)

Integriteit van de voertuigstructuur

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

2

17, lid 2, onder b)

Maximum ontwerpsnelheid, snelheidsregulateur en snelheidsbegrenzers

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

3

17, lid 2, onder b)

Reminrichtingen en remverbinding met de aanhangwagen

RVBR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

4

17, lid 2, onder b)

Stuursystemen voor snelle trekkers

(op basis van ECE 79 Rev (nieuw nummer))

Y

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

I

NA

NA

NA

NA

5

17, lid 2, onder b)

Stuursystemen

RVFSR

Y

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

I

NA

NA

NA

NA

NA

6

17, lid 2, onder b)

Speedometer

 

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

7

17, lid 2, onder c)

Gezichtsveld en ruitenwissers

RVFSR (op basis van ECE 71 Rev.1)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

8

17, lid 2, onder c)

Ruiten

RVFSR (op basis van ECE 43 Rev.2 Am3 Sup11)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

9

17, lid 2, onder c)

Achteruitkijkspiegels

RVFSR

Y

X

X

X

X

NA

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

10

17, lid 2, onder c)

Informatiesystemen voor de bestuurder

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

11

17, lid 2, onder d)

Verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen en hun lichtbronnen

RVFSR (op basis van

ECE 3 Rev.3 Am.1 Sup.11; ECE 4 Rev.4 Sup.14;

ECE 5 Supplement7 tot de 02 series van amendementen; ECE 6 Rev.4 Sup.17; ECE 7 Rev.4 Sup.15;

ECE 19 Rev.5 Sup.1; ECE 23 Rev.2 Sup.15;

ECE 31 Supplement 7 tot de 02 series van amendementen;

ECE 37 Supplement 36 tot de 03 series van amendementen;

ECE 38 Rev.2 Sup.14; ECE 98 Rev1 Sup11;

ECE 99 Supplement 6 op de oorspronkelijke versie van de verordening;

ECE 112 01 series van amendementen;

ECE 113 Supplement 9 op de oorspronkelijke versie van de verordening;)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

12

17, lid 2, onder d)

Installatie verlichting

RVFSR (op basis van ECE 86 Am (nieuw nummer))

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

13

17, lid 2, onder e)

Bescherming van de inzittenden van het voertuig, met inbegrip van binnenuitrusting, hoofdsteunen, veiligheidsgordels en deuren van het voertuig

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

14

17, lid 2, onder f)

Buitenkant en accessoires van het voertuig

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

15

17, lid 2, onder g)

Elektromagnetische compatibiliteit

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

16

17, lid 2, onder h)

Geluidssignaalinrichting

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

17

17, lid 2, onder i)

Verwarmingssystemen

RVFSR

Y

X

X

X

X

X

NA

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

18

17, lid 2, onder j)

Voorzieningen ter beveiliging tegen onrechtmatig gebruik

RVFSR

Y (uitsluitend voor categorieën T en C)

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

19

17, lid 2, onder k)

Kentekenplaat

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

20

17, lid 2, onder k)

Voorgeschreven plaat en opschriften

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

21

17, lid 2, onder l)

Afmetingen en massa aanhangwagen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

22

17, lid 2, onder l)

Maximummassa in beladen toestand

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

23

17, lid 2, onder l)

Extra gewichten

RVFSR

 

X

X

X

X

NA

NA

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

24

17, lid 2, onder m)

Veiligheid van elektrische systemen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

25

17, lid 2, onder a),17, lid 2, onder m), 18, lid 2, onder l)

Brandstoftank

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

26

17, lid 2, onder n)

Beschermingsinrichting aan de achterzijde

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

27

17, lid 2, onder o)

Zijdelingse bescherming

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

NA

NA

28

17, lid 2, onder p)

Laadplatforms

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

29

17, lid 2, onder q)

Koppelingen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

30

17, lid 2, onder r)

Banden

RVFSR (op basis van ECE 106 Am5 Sup6)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

X

X

X

X

31

17, lid 2, onder s)

Opspatafschermingssystemen

RVFSR

Y

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

X

NA

NA

NA

X

NA

NA

32

17, lid 2, onder t)

Achteruitrijinrichting

RVFSR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

33

17, lid 2, onder u)

Rupsbanden

RVFSR

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

34

17, lid 2, onder v)

Mechanische verbindingen

RVFSR

 

X

X

X

X

X

 

X

X

X

X

X

X

I

I

X

X

X

X

35

18, lid 2, onder a)

ROPS

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 3, als gewijzigd)

 

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

36

18, lid 2, onder a)

ROPS (met rupsbanden)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 8, als gewijzigd)

 

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

37

18, lid 2, onder a)

ROPS (statische tests)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 4, als gewijzigd)

 

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

38

18, lid 2, onder a)

ROPS, vooraan gemonteerd (smalspoortrekkers)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 6, als gewijzigd)

 

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

39

18, lid 2, onder a)

ROPS, achteraan gemonteerd (smalspoortrekkers)

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 7, als gewijzigd)

 

NA

NA

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

X

X

NA

NA

NA

NA

NA

NA

40

18, lid 2, onder b)

FOPS, structuur ter bescherming tegen vallende voorwerpen

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-code 10, als gewijzigd)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

41

18, lid 2, onder c)

Zitplaatsen voor passagiers

RVCR

 

X

X

NA

NA

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

42

18, lid 2, onder d)

Blootstelling van de bestuurder aan geluidsniveaus

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

43

18, lid 2, onder e)

Bestuurderszitplaats en -positie

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

44

18, lid 2, onder f)

Bedieningsruimte, toegankelijkheid van de cabine;

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

45

18, lid 2, onder g)

Aftakassen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

46

18, lid 2, onder h)

Bescherming van aandrijfelementen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

47

18, lid 2, onder i)

Gordelverankeringen

RVCR (alternatief testrapport voor het rapport in het vakje van OESO-codes 3, 4, 6, 7, 8; als gewijzigd)

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

48

18, lid 2, onder j)

Veiligheidsgordels

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

49

18, lid 2, onder k)

OPS, bescherming van de bestuurder tegen binnendringende voorwerpen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

50

18, lid 2, onder l)

Uitlaatsysteem

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

51

18, lid 2, onder l), 18, lid 2, onder n), 18, lid 2, onder q), 18, lid 4

Gebruikershandleiding

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

52

18, lid 2, onder o)

Bedieningsinstrumenten, inclusief met name nood- en automatische stopvoorzieningen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

53

18, lid 2, onder p)

Bescherming tegen mechanische gevaren, andere dan die welke worden genoemd in artikel 18, lid 2, onder a), b), g) en k), met inbegrip van bescherming tegen het scheuren van buizen met vloeistoffen en ongecontroleerde bewegingen van het voertuig

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

54

18, lid 2, onder r), 18, lid 2, onder p)

Afschermingen en beschermingsmiddelen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

55

18, lid 2, onder l), 18, lid 2, onder s), 18, lid 2, onder q), 18, lid 4

Informatie, waarschuwingen en markeringen

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

Z

Z

X

X

56

18, lid 2, onder t)

Materialen en producten

RVCR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

57

18, lid 2, onder u)

Batterijen

RVCR

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

58

18, lid 4

Nooduitgang

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

 

59

18, lid 2, onder t), 18, lid 4

Ventilatie- en filtratiesysteem voor de cabine

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

60

18, lid 4

Brandsnelheid van het cabinemateriaal

RVCR

 

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

61

19, lid 2, onder a)

Emissies van verontreinigende stoffen

REPPR (emissiefasen van 2000/25/EG en 97/68/EG)

 

X

X

X

X

X

Indien onder het toepassingsgebied van de richtlijn

X

Indien onder het toepassingsgebied van de richtlijn

X

X

X

X

X

X

X

X

NA

NA

NA

NA

62

19, lid 2, onder b)

Geluidsniveau (extern)

REPPR (grenswaarden van 2009/63/EG)

Y

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

X

I

I

NA

NA

NA

NA

(+)= indien onder de categorie een dergelijke subcategorie is gecreëerd

(++)= uitsluitend voor de subcategorieën die overeenkomen met de als b geïndexeerde categorieën onder categorie T

X= van toepassing

I= identiek aan T al naar gelang de categorie

Y= de relevante regelgevingen voor motorvoertuigen worden als gelijkwaardig aanvaard, zoals aangegeven in de gedelegeerde handeling

Z= alleen van toepassing op verwisselbare getrokken machines die vanwege het bepaalde in artikel 3, definitie 9 (namelijk de verhouding tussen de totale technisch toelaatbare massa in beladen toestand en de massa in onbeladen toestand van dit voertuig is gelijk aan of groter dan 3,0) onder categorie R vallen

NA= niet van toepassing

RVFSR= Verordening voorschriften inzake de functionele voertuigveiligheid (gedelegeerde handeling)

RVCR= Verordening constructie-eisen (gedelegeerde handeling)

REPPR= Verordening voorschriften milieu- en aandrijfprestaties (gedelegeerde handeling)

RVBR= Verordening remvoorschriften (gedelegeerde handeling)


BIJLAGE II

GRENSWAARDEN VOOR KLEINE SERIES

Het aantal eenheden van één type dat per jaar in een lidstaat in de handel wordt gebracht, geregistreerd, of in het verkeer gebracht mag niet groter zijn dan hieronder voor de betrokken voertuigcategorie is aangegeven.

Categorie

Eenheden (voor ieder type)

T

150

C

50


BIJLAGE III

Concordantietabel

(bedoeld in artikel 76)

Richtlijn 2003/37/EG

Deze verordening

Artikel 1

Artikelen 1 en 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikelen 20 tot en met 23

Artikel 4

Artikelen 22, 24 en 26

Artikel 5

Artikelen 29 tot en met 31

Artikel 6

Artikelen 33 en 34

Artikel 7

Artikelen 5, 38 en 40

Artikel 8, lid 1

Artikel 8, lid 2

Artikel 38, lid 2

Artikelen 35 tot en met 37 en artikel 39

Artikel 9

Artikel 37

Artikel 10

Artikel 39

Artikel 11

Artikelen 35 en 36

Artikel 12

Artikelen 49 en 50

Artikel 13

Artikelen 8 en 28

Artikel 14

Artikel 24

Artikel 15

Artikelen 41 tot en met 48

Artikel 16

Artikelen 41 en 44

Artikel 17

Artikel 44

Artikel 18

Artikel 48

Artikel 19

Artikelen 68, 70 en 71

Artikel 20

Artikel 69

Artikel 21

Artikel 5 en artikelen 57 tot en met 67

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 26


Top