Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012R0290

Verordening (EU) nr. 290/2012 van de Commissie van 30 maart 2012 houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1178/2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad

OJ L 100, 5.4.2012, p. 1–56 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 017 P. 255 - 310

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2012/290/oj

5.4.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 100/1


VERORDENING (EU) Nr. 290/2012 VAN DE COMMISSIE

van 30 maart 2012

houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1178/2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (1), en met name artikel 7, lid 6, artikel 8, lid 5, en artikel 10, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie (2) zijn gedetailleerde regels vastgelegd voor bepaalde bewijzen van bevoegdheid van piloten en voor de omzetting van nationale bewijzen van bevoegdheid van piloten en nationale bewijzen van bevoegdheid van boordwerktuigkundigen, alsook de voorwaarden voor de aanvaarding van bewijzen van bevoegdheid van derde landen. In die verordening zijn ook regels uiteengezet met betrekking tot medische certificaten van piloten, de voorwaarden voor de omzetting van nationale medische certificaten en de certificering van luchtvaartgeneeskundigen. Bovendien bevat Verordening (EU) nr. 1178/2011 bepalingen inzake de medische geschiktheid van cabinebemanning.

(2)

Volgens Verordening (EG) nr. 216/2008 moeten organisaties voor de opleiding van piloten en luchtvaartgeneeskundige centra houder zijn van een certificaat. Dit certificaat wordt afgegeven als aan bepaalde technische en administratieve eisen is voldaan. Daarom moeten regels betreffende de administratieve organisatie en het managementsysteem van deze organisaties worden opgesteld.

(3)

Vluchtnabootsers die worden gebruikt voor opleidingen, tests en het afnemen van proeven van bekwaamheid van piloten moeten worden gecertificeerd op basis van een reeks technische criteria. Deze technische eisen en administratieve procedures moeten derhalve worden opgesteld.

(4)

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 moet cabinebemanning voortdurend geschikt en bekwaam zijn om de hun toegewezen veiligheidstaken te vervullen. Degenen die betrokken zijn bij commerciële vluchtuitvoeringen dienen in het bezit te zijn van een attest zoals oorspronkelijk beschreven in bijlage III, subdeel O, onder d), van OPS 1.1005, zoals bepaald in Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad van 16 december 1991 inzake de harmonisatie van technische voorschriften en administratieve procedures op het gebied van de burgerluchtvaart (3). Daarom moeten regels inzake de erkenning van cabinebemanning en de bijbehorende attesten worden opgesteld.

(5)

De toezichtscapaciteit van de bevoegde autoriteiten komt niet aan bod in Verordening (EU) nr. 1178/2011. Deze verordening wijzigt dan ook Verordening (EU) nr. 1178/2011, teneinde de administratieve organisatie-eisen en het beheersysteem van bevoegde autoriteiten en organisaties erin op te nemen. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 moeten ook regels betreffende een informatienetwerk tussen de lidstaten, de Commissie en het Agentschap worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 1178/2011.

(6)

Het is van belang de luchtvaartindustrie en de autoriteiten in de lidstaten voldoende tijd te geven om zich aan het nieuwe regelgevingskader aan te passen en onder bepaalde voorwaarden de geldigheid van certificaten te erkennen, waaronder attesten inzake veiligheidsopleiding welke zijn afgegeven vóór deze verordening van toepassing wordt.

(7)

Om een soepele overgang en een hoog uniform niveau van burgerluchtvaartveiligheid in de Unie te waarborgen, dienen de uitvoeringsmaatregelen in overeenstemming te zijn met de laatste stand van de techniek, met inbegrip van de geldende huidige praktijk en de wetenschappelijke en technische vooruitgang, inzake de opleiding van vliegtuigbemanningen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met Verordening (EEG) nr. 3922/91, de technische eisen en administratieve procedures waarover de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (de ICAO) en de Europese gezamenlijke luchtvaartautoriteiten vóór 30 juni 2009 overeenstemming hebben bereikt, en bestaande wetgeving met betrekking tot een specifieke nationale omgeving.

(8)

Verordening (EU) nr. 1178/2011 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De maatregelen in bijlage III bij Verordening (EEG) nr. 3922/91 met betrekking tot het attest betreffende veiligheidsopleiding van cabinebemanning worden verwijderd overeenkomstig artikel 69, lid 3, van Verordening (EG) nr. 216/2008. De maatregelen die bij deze verordening worden vastgesteld, dienen als de overeenkomstige maatregelen te worden beschouwd.

(10)

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) heeft ontwerpuitvoeringsbepalingen opgesteld en als advies ingediend bij de Commissie overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 216/2008.

(11)

De in deze verordening vastgelegde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008 is opgericht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) nr. 1178/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 1 worden de volgende punten toegevoegd:

„6.

de voorwaarden voor de afgifte, continuering, wijziging, beperking, schorsing of intrekking van de attesten voor cabinebemanning, alsook de rechten en de verantwoordelijkheden van de houders van attesten voor cabinebemanning;

7.

de voorwaarden voor de afgifte, continuering, wijziging, beperking, schorsing of intrekking van certificaten van organisaties voor de opleiding van piloten en luchtvaartgeneeskundige centra die zijn betrokken bij de erkenning en luchtvaartgeneeskundige beoordeling van boordpersoneel in de burgerluchtvaart;

8.

de eisen voor de certificering van vluchtnabootsers en voor organisaties die deze toestellen exploiteren en gebruiken;

9.

de eisen inzake administratieve organisatie en het beheersysteem waaraan de lidstaten, het Agentschap en de organisaties moeten voldoen in verband met de regels in de punten 1 tot en met 8.”.

2)

Aan artikel 2 worden de volgende punten 11, 12 en 13 toegevoegd:

„11.   „cabinebemanningslid”: een naar behoren erkend bemanningslid dat geen lid van het cockpitpersoneel noch van de technische bemanning is en dat door een exploitant is aangewezen om taken uit te voeren die verband houden met de passagiers- en vliegveiligheid tijdens de vluchtuitvoering;

12.   „boordpersoneel”: cockpit- en cabinebemanning;

13.   „JAR-conforme certificaten, goedkeuringen of organisaties”: certificaten of goedkeuringen die zijn afgegeven of erkend of organisaties die zijn gecertificeerd, goedgekeurd, geregistreerd of erkend door een lidstaat die de ter zake geldende JAR’s heeft toegepast, overeenkomstig de nationale wetgeving die de JAR’s en procedures weergeeft, en die zijn aanbevolen voor wederzijdse erkenning in het systeem van de gezamenlijke luchtvaartautoriteiten met betrekking tot deze JAR’s.”.

3)

In artikel 4, lid 1:

de woorden „8 april 2012” worden vervangen door „deze verordening is van toepassing”;

de woorden „8 april 2017” worden vervangen door „8 april 2018”.

4)

De volgende artikelen 10 bis, 10 ter en 10 quater worden ingevoegd:

„Artikel 10 bis

Organisaties voor de opleiding van piloten

1.   Organisaties voor de opleiding van piloten moeten voldoen aan de technische eisen en administratieve procedures die zijn vastgesteld in de bijlagen VI en VII, en moeten worden gecertificeerd.

2.   Organisaties voor de opleiding van piloten die in het bezit zijn van een JAR-conform certificaat dat door een lidstaat is afgegeven of erkend vóór deze verordening van toepassing wordt, worden geacht in het bezit te zijn van een certificaat dat werd afgegeven in overeenstemming met deze verordening.

In dat geval zijn de rechten van deze organisaties beperkt tot die welke vermeld zijn in de door de lidstaat afgegeven goedkeuring.

Onverminderd artikel 2 brengen organisaties voor de opleiding van piloten uiterlijk op 8 april 2014 hun beheersysteem, opleidingsprogramma’s, procedures en handleidingen in overeenstemming met bijlage VII.

3.   JAR-conforme opleidingsorganisaties die in een lidstaat worden geregistreerd vóór deze verordening van toepassing wordt, mogen opleiding verzorgen voor een JAR-conform bewijs van bevoegdheid als privévlieger (PPL).

4.   Uiterlijk op 8 april 2017 vervangen de lidstaten de in de eerste alinea van lid 2 vermelde certificaten met certificaten die voldoen aan het in bijlage VI vastgestelde formaat.

Artikel 10 ter

Vluchtnabootsers

1.   Vluchtnabootsers (FSTD’s) die worden gebruikt voor opleidingen, tests en afnemen van proeven van bekwaamheid van piloten, met uitzondering van in de ontwikkelingsfase verkerende FSTD’s die worden gebruikt voor opleidingen voor vliegproeven, moeten voldoen aan de technische eisen en administratieve procedures die zijn vastgelegd in de bijlagen VI en VII, en moeten worden erkend.

2.   JAR-conforme FSTD-erkenningscertificaten die zijn afgegeven of erkend vóór deze verordening van toepassing wordt, worden beschouwd als zijnde afgegeven in overeenstemming met deze verordening.

3.   Uiterlijk op 8 april 2017 vervangen de lidstaten de in lid 2 vermelde certificaten door erkenningscertificaten die beantwoorden aan het in bijlage VI vastgestelde formaat.

Artikel 10 quater

Luchtvaartgeneeskundige centra

1.   Luchtvaartgeneeskundige centra moeten voldoen aan de technische eisen en administratieve procedures die zijn vastgesteld in de bijlagen VI en VII, en moeten worden gecertificeerd.

2.   Erkenningen van luchtvaartgeneeskundige centra die door een lidstaat zijn afgegeven of erkend vóór deze verordening van toepassing wordt, worden geacht te zijn afgegeven in overeenstemming met deze verordening.

Luchtvaartgeneeskundige centra brengen uiterlijk op 8 april 2014 hun beheersysteem, opleidingsprogramma’s, procedures en handleidingen in overeenstemming met bijlage VII.

3.   Uiterlijk op 8 april 2017 vervangen de lidstaten de in de eerste alinea van lid 2 vermelde erkenningen van luchtvaartgeneeskundige centra door certificaten die voldoen aan het in bijlage VI vastgestelde formaat.”.

5)

De volgende artikelen 11 bis, 11 ter en 11 quater worden ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Erkenningen van cabinebemanningsleden en bijbehorende attesten

1.   De cabinebemanningsleden die betrokken zijn bij de commerciële vluchtuitvoering met een luchtvaartuig als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 216/2008 dienen te zijn gekwalificeerd en in het bezit te zijn van het bijbehorende attest overeenkomstig de technische voorschriften en administratieve procedures die zijn vastgelegd in de bijlagen V en VI.

2.   Cabinebemanningsleden die vóór de datum waarop deze verordening van toepassing wordt in het bezit zijn van een attest inzake veiligheidsopleiding dat werd afgegeven overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3922/91 („EU-OPS”):

a)

worden geacht te voldoen aan deze verordening als zij voldoen aan de toepasselijke eisen van EU-OPS inzake opleiding, bekwaamheid en recentheid, of

b)

moeten, als zij niet voldoen aan de toepasselijke eisen van EU-OPS inzake opleiding, controle en recentheid, alle vereiste opleidingen en controles voltooien voordat zij worden geacht te voldoen aan deze verordening, of

c)

moeten, als zij meer dan vijf jaar geen commerciële vluchten hebben uitgevoerd op vleugelvliegtuigen, de basisopleidingscursus voltooien en met goed gevolg het desbetreffende examen afleggen zoals voorgeschreven in bijlage V, alvorens zij worden geacht te voldoen aan deze verordening.

3.   De attesten inzake veiligheidsopleidingen die overeenkomstig EU-OPS zijn afgegeven, worden uiterlijk op 8 april 2017 vervangen door attesten voor cabinebemanningsleden die beantwoorden aan het in bijlage VI vastgestelde formaat.

4.   Cabinebemanningsleden die betrokken zijn bij commerciële vluchtuitvoeringen met helikopters op de datum waarop deze verordening van toepassing wordt:

a)

worden geacht te voldoen aan de eisen inzake basisopleiding van bijlage V indien zij voldoen aan de toepasselijke bepalingen van de JAR’s inzake opleiding, bekwaamheid en recentheid voor commercieel luchtvervoer met helikopters, of

b)

moeten, als zij niet voldoen aan de toepasselijke eisen van de JAR’s inzake opleiding, bekwaamheid en recentheid voor commercieel luchtvervoer met helikopters, alle vereiste opleidingen en bekwaamheidstests voltooien om te vliegen met helikopers, met uitzondering van de basisopleiding, alvorens zij worden geacht te voldoen aan deze verordening, of

c)

moeten, als zij meer dan vijf jaar geen commerciële vluchtuitvoeringen met helikopters hebben verricht, de basisopleidingscursus voltooien en met goed gevolg het desbetreffende examen afleggen zoals voorgeschreven in bijlage V voordat zij worden geacht te voldoen aan deze verordening.

5.   Onverminderd artikel 2 worden uiterlijk op 8 april 2013 attesten voor cabinebemanning die beantwoorden aan het in bijlage VI vastgestelde formaat afgegeven aan alle cabinebemanningsleden die betrokken zijn bij commerciële vluchten met helikopters.

Artikel 11 ter

Toezichtscapaciteit

1.   De lidstaten dienen één of meer entiteiten aan te duiden als bevoegde autoriteit in die lidstaat met de nodige bevoegdheden en toegewezen verantwoordelijkheden voor de certificering van en het toezicht op personen en organisaties die vallen onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan.

2.   Indien een lidstaat meer dan één entiteit als bevoegde autoriteit aanduidt:

a)

dienen de bevoegdheidsgebieden van elke bevoegde autoriteit duidelijk te worden omschreven wat betreft verantwoordelijkheden en geografische beperking;

b)

dient te worden voorzien in coördinatie tussen deze entiteiten om een doeltreffend toezicht te garanderen op alle organisaties en personen die vallen onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, binnen hun respectieve bevoegdheden.

3.   De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit(en) over de nodige kennis en bekwaamheid beschikt (beschikken) om het toezicht te garanderen op alle personen en organisaties die vallen onder hun toezichtprogramma, en dat zij over de nodige middelen beschikt (beschikken) om de in deze verordening vastgestelde eisen na te leven.

4.   De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het personeel van de bevoegde autoriteit geen toezichtactiviteiten verricht wanneer er bewijzen zijn dat daardoor direct, dan wel indirect een belangenconflict kan ontstaan, in het bijzonder als er familiale of financiële belangen in het geding zijn.

5.   Personeel dat door de bevoegde autoriteit geautoriseerd is om certificerings- en/of toezichtstaken uit te oefenen, moet de bevoegdheid krijgen om minstens de volgende taken uit te voeren:

a)

de archieven, gegevens, procedures onderzoeken alsmede elk ander materiaal dat relevant is voor de uitvoering van de certificerings- en/of toezichtstaak;

b)

kopieën of uittreksels maken van dergelijke archieven, gegevens, procedures en ander materiaal;

c)

een mondelinge toelichting ter plaatse vragen;

d)

zich toegang verschaffen tot betrokken panden, exploitatieterreinen of vervoermiddelen;

e)

audits, onderzoeken, beoordelingen en inspecties uitvoeren, met inbegrip van platforminspecties en onaangekondigde inspecties, en

f)

voor zover nodig handhavingsmaatregelen nemen of op gang brengen.

6.   De in lid 5 vermelde taken worden verricht met inachtneming van de wetgeving van de betrokken lidstaat.

Artikel 11 quater

Overgangsmaatregelen

Met betrekking tot organisaties waarvoor het Agentschap, overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 216/2008, de bevoegde autoriteit is:

a)

geven de lidstaten uiterlijk op 8 april 2013 alle gegevens met betrekking tot het toezicht van dergelijke organisaties door aan het Agentschap;

b)

worden certificeringsprocessen die vóór 8 april 2012 door een lidstaat op gang zijn gebracht, in overleg met het Agentschap door die lidstaat voltooid. Nadat die lidstaat het certificaat heeft afgegeven, neemt het Agentschap alle verantwoordelijkheden op zich als bevoegde autoriteit voor deze organisatie.”.

6)

Aan artikel 12 wordt het volgende lid toegevoegd:

„1 ter.   Bij wijze van uitzondering op lid 1 mogen lidstaten beslissen de volgende bepalingen van de bijlagen I tot en met IV niet toe te passen tot 8 april 2013:”.

7)

In artikel 12, lid 7, worden de woorden „leden 2 tot en met 6” vervangen door „leden 1 ter tot en met zes”.

8)

De nieuwe bijlagen V, VI en VII, waarvan de tekst in de bijlage bij deze verordening is opgenomen, worden toegevoegd.

Artikel 2

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Ze is van toepassing met ingang van 8 april 2012.

2.   Bij wijze van uitzondering op de tweede alinea van lid 1 mogen lidstaten beslissen de volgende bepalingen niet toe te passen:

a)

bijlagen V tot en met VII tot uiterlijk 8 april 2013;

b)

punt ORA.GEN.200 a) 3) van bijlage VII voor houders van FSTD-erkenningscertificaten die geen goedgekeurde opleidingsorganisatie zijn en die niet in het bezit zijn van een Air Operator Certificate, tot uiterlijk 8 april 2014;

c)

bijlagen VI en VII voor niet-JAR-conforme goedgekeurde opleidingsorganisaties en luchtvaartgeneeskundige centra, tot uiterlijk 8 april 2014;

d)

punt CC.GEN.030 van bijlage V, tot uiterlijk 8 april 2015;

e)

bijlage V voor cabinebemanningsleden die betrokken zijn bij de commerciële exploitatie van helikopters, tot uiterlijk 8 april 2015;

f)

bijlagen VI en VII voor opleidingsorganisaties die alleen opleidingen verzorgen met het oog op het verkrijgen van het bewijs van bevoegdheid als recreatief vlieger, het bewijs van bevoegdheid als privévlieger, het bewijs van bevoegdheid als ballonvaarder of het bewijs van bevoegdheid als zweefvlieger, tot uiterlijk 8 april 2015;

g)

bijlagen VI en VII voor opleidingsorganisaties die opleidingen verzorgen met het oog op de verklaring van bevoegdheid voor het uitvoeren van testvluchten in overeenstemming met FCL.820 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, tot uiterlijk 8 april 2015.

3.   Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de bepalingen in lid 2, moet hij de Commissie en het Agentschap daarvan in kennis stellen. In deze kennisgeving worden niet alleen de duur van deze afwijking en de redenen ervoor beschreven, maar ook het uitvoeringsprogramma met geplande maatregelen en het daarmee samenhangende tijdschema.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Brussel, 30 maart 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 79 van 13.3.2008, blz. 1.

(2)  PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1.

(3)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 4.


BIJLAGE

BIJLAGE V

KWALIFICATIE VAN CABINEBEMANNINGSLEDEN DIE BETROKKEN ZIJN BIJ COMMERCIËLE LUCHTVERVOERSACTIVITEITEN

[DEEL-CC]

SUBDEEL GEN

ALGEMENE EISEN

CC.GEN.001 Bevoegde autoriteit

In dit deel wordt onder bevoegde autoriteit verstaan: de autoriteit die wordt aangeduid door de lidstaat waar een persoon een attest voor cabinebemanning aanvraagt.

CC.GEN.005 Toepassingsgebied

In dit deel worden de eisen vastgesteld voor de afgifte van attest voor cabinebemanning en de geldigheids- en gebruiksvoorwaarden voor de houders van deze attesten.

CC.GEN.015 Aanvraag voor een attest voor cabinebemanning

Een attest voor cabinebemanning dient te worden aangevraagd in de vorm en op de wijze zoals vastgelegd door de bevoegde autoriteit.

CC.GEN.020 Minimumleeftijd

Een kandidaat voor een attest voor cabinebemanning moet minstens 18 jaar oud zijn.

CC.GEN.025 Rechten en voorwaarden

a)

De houders van een attest voor cabinebemanning hebben het recht op te treden als cabinebemannigsleden bij commerciële luchtvervoersactiviteiten met luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 216/2008.

b)

Cabinebemanningsleden mogen de onder a) vermelde rechten alleen uitoefenen als zij:

1.

houder zijn van een geldig attest voor cabinebemanning als bedoeld in CC.CCA.105, en

2.

voldoen aan CC.GEN.030, CC.TRA.225 en de toepasselijke eisen van Deel-MED.

CC.GEN.030 Documenten en administratie

Om overeenstemming aan te tonen met de toepasselijke eisen als bedoeld in CC.GEN.025(b), dient elke houder het attest voor cabinebemanning, de lijst en de opleiding- en beoordelingsresultaten van zijn/haar luchtvaartuigtype of -varianten bij te houden en op verzoek te verstrekken, tenzij de exploitant die een beroep doet op zijn/haar diensten deze gegevens bijhoudt en deze zonder uitstel beschikbaar kan stellen op verzoek van een autoriteit of van de houder.

SUBDEEL CCA

SPECIFIEKE EISEN VOOR HET ATTEST VOOR CABINEBEMANNING

CC.CCA.100 Afgifte van het attest voor cabinebemanning

a)

Attesten voor cabinebemanning mogen alleen worden afgegeven aan aanvragers die met goed gevolg het examen hebben afgelegd na voltooiing van de basisopleidingscursus overeenkomstig dit deel.

b)

Attesten voor cabinebemanning worden afgegeven:

1.

door de bevoegde autoriteit, en/of

2.

door een organisatie die daarvoor toestemming heeft gekregen van de bevoegde autoriteit.

CC.CCA.105 Geldigheid van het attest voor cabinebemanning

Het attest voor cabinebemanning wordt voor onbepaalde tijd afgegeven en blijft geldig tenzij:

a)

het wordt geschorst of ingetrokken door de bevoegde autoriteit, of

b)

de houder tijdens de laatste 60 maanden de eraan verbonden rechten niet heeft uitgeoefend op minstens één luchtvaartuigtype.

CC.CCA.110 Schorsing en intrekking van het attest voor cabinebemanning

a)

Als de houders niet voldoen aan dit deel, kan de bevoegde autoriteit hun attest voor cabinebemanning schorsen of intrekken.

b)

De houders wier attest voor cabinebemanning wordt geschorst of ingetrokken door de bevoegde autoriteit:

1.

moeten schriftelijk in kennis worden gesteld van dit besluit, en van hun recht om daartegen in beroep te gaan overeenkomstig de nationale wetgeving;

2.

mogen de aan hun attest voor cabinebemanning verbonden rechten niet uitoefenen;

3.

moeten de exploitant(en) die een beroep doet (doen) op hun diensten daarvan zonder nodeloze vertraging in kennis stellen, en

4.

moeten hun attest teruggeven overeenkomstig de toepasselijke procedure die door de bevoegde autoriteit is vastgelegd.

SUBDEEL TRA

OPLEIDINGSEISEN VOOR AANVRAGERS EN HOUDERS VAN EEN ATTEST VOOR CABINEBEMANNING

CC.TRA.215 Verzorgen van opleidingen

De in dit deel voorgeschreven opleiding moet:

a)

worden verzorgd door opleidingsorganisaties of commerciële luchtvervoersondernemingen die daartoe een goedkeuring hebben gekregen van de bevoegde autoriteit;

b)

worden gegeven door voldoende ervaren personeel dat naar behoren is gekwalificeerd voor de te behandelen opleidingselementen, en

c)

plaatsvinden volgens een opleidingsprogramma en syllabus welke in de goedkeuring van de organisatie worden gedocumenteerd.

CC.TRA.220 Basisopleiding en examen

a)

Aanvragers van een attest voor cabinebemanning moeten een basisopleiding voltooien om zich vertrouwd te maken met de luchtvaartomgeving en om voldoende algemene kennis en basisvaardigheden te verwerven teneinde de taken uit te voeren en zich bewust te zijn van hun verantwoordelijkheden met betrekking tot de passagiers- en vliegveiligheid tijdens de vluchtuitvoering in normale, abnormale en noodsituaties.

b)

Het basisopleidingsprogramma behandelt minstens de in aanhangsel 1 van dit deel gespecificeerde elementen. Dit programma omvat een theoretische en praktische opleiding.

c)

Aanvragers van een attest voor cabinebemanning moeten een examen afleggen over alle elementen van het onder b) gespecificeerde opleidingsprogramma, met uitzondering van CRM-opleiding, om aan te tonen dat ze het onder a) vereiste kennis- en vaardigheidsniveau hebben bereikt.

CC.TRA.225 Kwalificaties van luchtvaartuigtypen of varianten

a)

Houders van een geldig attest voor cabinebemanning mogen alleen werkzaamheden aan boord van een luchtvaartuig uitvoeren als zij zijn gekwalificeerd in overeenstemming met de toepasselijke vereisten van Deel-ORO.

b)

Om gekwalificeerd te worden voor een luchtvaartuigtype of variant, moet de houder:

1.

voldoen aan de toepasselijke opleidings-, bekwaamheids- en geldigheidsvereisten die, al naargelang wat van toepassing is op het uitvoeren van werkzaamheden aan boord van het desbetreffende luchtvaartuig, het volgende omvatten:

i)

typespecifieke opleiding, conversieopleiding en familiarisatie;

ii)

verschillenopleiding;

iii)

herhalingsopleiding, en

2.

in de afgelopen zes maanden werkzaamheden hebben verricht aan boord van het luchtvaartuig van dat type of de toepasselijke opfriscursus en bekwaamheidsproef hebben voltooid alvorens opnieuw werkzaamheden aan boord van het luchtvaartuig van dat type uit te voeren.

Aanhangsel 1 van Deel-CC

Basisopleiding en examen

OPLEIDINGSPROGRAMMA

Het basisopleidingsprogramma dient minstens het volgende te omvatten:

1.   Algemene theoretische kennis van de luchtvaart en luchtvaartvoorschriften, met inbegrip van alle elementen die van belang zijn voor de taken en verantwoordelijkheden van cabinepersoneel:

1.1.

luchtvaartterminologie, vliegtheorie, passagiersverdeling, operatiegebieden, meteorologie en gevolgen van oppervlakteverontreiniging op het luchtvaartuig;

1.2.

luchtvaartvoorschriften voor cabinebemanning en de rol van de bevoegde autoriteit;

1.3.

taken en verantwoordelijkheden van cabinepersoneel tijdens vluchtuitvoeringen en de noodzaak om snel en efficiënt op noodsituaties te reageren;

1.4.

permanente bekwaamheid en fitheid om als cabinepersoneelslid te functioneren, met inachtneming van de voorschriften inzake het maximumaantal vlieg- en diensttijden en rusttijden;

1.5.

het belang van actualisering van de relevante documenten en handboeken door invoering van de van de maatschappij afkomstige wijzigingen;

1.6.

belangrijk is dat de cabinebemanningsleden hun taken volgens het vluchthandboek van de exploitant uitvoeren;

1.7.

het belang van briefing van het cabinepersoneel vóór de vlucht, en verstrekking van de nodige veiligheidsinformatie met betrekking tot hun specifieke taken, en

1.8.

het belang om aan te geven wanneer leden van het cabinepersoneel het gezag en de verantwoordelijkheid hebben om te beginnen met een evacuatie of andere noodprocedures.

2.   Communicatie:

Tijdens de opleiding wordt de nadruk gelegd op het belang van een goede communicatie tussen cabine- en cockpitbemanning, met aandacht voor communicatietechnieken en gebruik van gewone taal en vaktaal.

3.   Basiscursus over menselijke factoren (HF) in de luchtvaart en Crew Resource Management (CRM)

Deze cursus wordt gegeven door minstens één cabine-CRM-instructeur. De opleidingselementen worden diepgaand behandeld en omvatten minstens de volgende onderdelen:

3.1.

Algemeen: menselijke factoren in de luchtvaart, algemene instructies inzake CRM-beginselen en -doelstellingen, menselijke prestaties en beperkingen;

3.2.

Vanuit het oogpunt van het individuele cabinebemanningslid: persoonlijkheidsbewustzijn, menselijke fouten en betrouwbaarheid, houding en gedragswijzen, zelfbeoordeling; stress en omgaan met stress; vermoeidheid en alertheid; assertiviteit; situatiebewustzijn, verwerving en verwerking van informatie.

4.   Omgaan met passagiers en toezicht in de passagiersruimte:

4.1.

het belang van een correcte verdeling van de passagiers over de stoelen met het oog op een goede gewichtsverdeling in het vliegtuig, speciale categorieën passagiers en de noodzaak om de plaatsen naast onbewaakte uitgangen aan valide passagiers te geven;

4.2.

voorschriften voor het veilig opbergen van handbagage en voorwerpen voor dienstverlening in de passagiersruimte en het risico dat deze gevaar opleveren voor de passagiers, nooduitrusting of de nooduitgangen beschadigen;

4.3.

voorlichting over herkenning van en omgaan met passagiers die onder invloed van alcohol of drugs verkeren of agressief zijn;

4.4.

de te nemen voorzorgsmaatregelen wanneer levende dieren in de passagiersruimte worden vervoerd;

4.5.

de maatregelen die moeten worden genomen in geval van turbulentie, inclusief het beveiligen van de passagiersruimte, en

4.6.

methoden om passagiers te motiveren en de noodzakelijke beheersing van mensenmassa’s (crowd control) voor een snelle noodevacuatie van het vliegtuig.

5.   Luchtvaartgeneeskundige aspecten en eerste hulp bij ongelukken (EHBO):

5.1.

algemene instructie over luchtvaartgeneeskundige aspecten en overleving;

5.2.

de fysiologische effecten van vliegen, met speciale nadruk op zuurstofgebrek, zuurstofvereisten, de functie van de buis van Eustachius en barotrauma’s;

5.3.

basisbeginselen EHBO, inclusief verzorging van:

a)

luchtziekte;

b)

maag-darmklachten;

c)

hyperventilatie;

d)

brandwonden;

e)

wonden;

f)

bewustelozen, en

g)

breuken en verwondingen van zacht weefsel;

5.4.

medische spoedgevallen tijdens de vlucht en de bijbehorende eerste hulp, met inbegrip van ten minste:

a)

astma;

b)

stressreacties en allergische reacties;

c)

shock;

d)

diabetes;

e)

verstikking;

f)

epilepsie;

g)

geboorten;

h)

beroerte, en

i)

hartaanvallen;

5.5.

het gebruik van geschikte uitrusting met inbegrip van eerstehulpzuurstof, EHBO-verbandtrommels en de inhoud daarvan;

5.6.

praktische cardiopulmonaire reanimatie door ieder lid van de cabinebemanning, rekening houdend met de vliegtuigomgeving en gebruikmakende van een specifiek daartoe ontworpen pop, en

5.7.

reisgezondheid en -hygiëne, inclusief:

a)

hygiëne aan boord;

b)

het risico op contact met besmettelijke zieken en middelen om dergelijke risico’s te beperken;

c)

behandeling van klinisch afval;

d)

ontsmetting van het luchtvaartuig;

e)

overlijden aan boord, en

f)

alertheidsmanagement, fysiologische effecten van vermoeidheid, slaapfysiologie, circadiaans ritme en verandering van tijdszone.

6.   Gevaarlijke goederen overeenkomstig de toepasselijke technische instructies van de ICAO

7.   Algemene veiligheidsaspecten in de luchtvaart, inclusief kennisname van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 300/2008

8.   Brand- en rookopleiding:

8.1.

de nadruk ligt op de verantwoordelijkheid van de cabinebemanning om in noodsituaties waarbij brand en rook ontstaat, snel in te grijpen, met de nadruk op het opsporen van de vuurhaard;

8.2.

wanneer brand of rook wordt ontdekt, is het belangrijk de cockpitbemanning onmiddellijk te waarschuwen en de voor coördinatie en bijstand noodzakelijke specifieke acties te ondernemen;

8.3.

het is noodzakelijk potentieel brandgevaarlijke plaatsen, zoals de toiletten, en de bijbehorende rookdetectoren regelmatig te controleren;

8.4.

de classificatie van branden, de geschikte types blusmiddelen en de procedures voor specifieke brandsituaties;

8.5.

de technieken voor het gebruiken van blusmiddelen, de gevolgen van slecht gebruik en van gebruik in een afgesloten ruimte, inclusief praktische opleiding in het blussen en in het aantrekken en gebruiken van in de luchtvaart gebruikte rookbeschermingsapparatuur, en

8.6.

de algemene procedures die door hulpdiensten van luchthavens op de grond worden gevolgd.

9.   Overlevingstraining:

9.1.

beginselen van overlevingstraining in vijandige omgevingen (bv. poolgebied, woestijn, oerwoud, zee), en

9.2.

overlevingstraining in het water, inclusief het aantrekken en het gebruik in het water van reddingsvesten en het gebruik van reddingsvlotten of ander soortgelijk materiaal, alsook het opdoen van praktijkervaring in het water.

BIJLAGE VI

EISEN VAN DE AUTORITEIT MET BETREKKING TOT BOORDPERSONEEL

[DEEL-ARA]

SUBDEEL GEN

ALGEMENE EISEN

SECTIE I

Algemeen

ARA.GEN.105   Definities

Voor de toepassing van dit deel en Deel-ORA wordt verstaan onder:

1.   „aanvaardbare wijzen van naleving” (Acceptable Means of Compliance, AMC): niet-bindende normen die het Agentschap heeft aangenomen ter illustratie van methoden om overeenstemming te bereiken met de basisverordening en de uitvoeringsvoorschriften daarvan;

2.   „alternatieve wijzen van naleving”: wijzen die een alternatief voorstellen op een bestaande aanvaardbare wijze van naleving of die een nieuwe methode voorstellen om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan waarvoor het Agentschap geen bijbehorende aanvaardbare wijzen van naleving (AMC) heeft vastgesteld;

3.   „erkende opleidingsorganisatie” (Approved Training Organisation, ATO): een organisatie die gekwalificeerd is voor de uitvoering van opleidingen met het oog op het verkrijgen of verlengen van bewijzen van bevoegdheid als piloot en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen en certificaten;

4.   „model van basisinstrumentopleidingstoestel” (Basic Instrument Training Device, BITD): een combinatie van hardware en software die een BITD-kwalificatie heeft gekregen;

5.   „certificeringsspecificaties”: door het Agentschap vastgestelde technische normen waarin is aangegeven hoe de naleving van de basisverordening en de uitvoeringsvoorschriften daarvan kan worden aangetoond en die door een organisatie voor certificeringsdoeleinden kunnen worden gebruikt;

6.   „vlieginstructeur”: een instructeur die het recht heeft een opleiding te geven in een luchtvaartuig, in overeenstemming met Deel-FCL;

7.   „vluchtnabootser” (Flight Simulation Training Device, FSTD): een opleidingstoestel dat:

a)in het geval van vliegtuigen een volledige vluchtnabootser (FFS), een vluchtopleidingstoestel (FTD), een vlucht- en navigatieprocedureopleidingstoestel (FNPT) of een basisinstrumentopleidingstoestel (BITD) is;b)in het geval van helikopters een volledige vluchtnabootser (FFS), een vluchtopleidingstoestel (FTD) of een vlucht- en navigatieprocedureopleidingstoestel (FNPT) is;

8.   „FSTD-kwalificatie”: het technische capaciteitsniveau van een FSTD, zoals gedefinieerd in het conformiteitsdocument;

9.   „FSTD-gebruiker”: de organisatie of persoon die een opleiding, proeve van bekwaamheid of toetsing door middel van een FSTD vraagt aan een ATO;

10.   „vliegverbod”: formeel verbod voor een luchtvaartuig om op te stijgen en het nemen van de nodige maatregelen om het aan de grond te houden;

11.   „richtsnoeren”: niet-bindende informatie die door het Agentschap wordt opgesteld ter illustratie van de betekenis van een eis of specificatie en die dient om de interpretatie van de basisverordening, de uitvoeringsvoorschriften daarvan en de aanvaardbare wijzen van naleving te ondersteunen;

12.   „ARO.RAMP”: subdeel RAMP van bijlage II bij de verordening inzake vluchtuitvoering.

13.   „ander opleidingstoestel”: een ander hulpmiddel voor de opleiding van piloten dan een FSTD dat de mogelijkheid voor opleiding biedt zonder dat een volledige cockpit of cockpitomgeving noodzakelijk is;

14.   „Deel-ARA”: bijlage VI bij de verordening inzake boordpersoneel;

15.   „Deel-ORO”: bijlage III bij de verordening inzake vluchtuitvoering;

16.   „Deel-CC”: bijlage V bij de verordening inzake boordpersoneel;

17.   „Deel-FCL”: bijlage I bij de verordening inzake boordpersoneel;

18.   „Deel-MED”: bijlage IV bij de verordening inzake boordpersoneel;

19.   „Deel-ORA”: bijlage VII bij de verordening inzake boordpersoneel;

20.   „hoofdvestiging van de organisatie”: het hoofdkantoor of de maatschappelijke zetel van de organisatie waar de belangrijkste financiële taken en de operationele controle van de activiteiten, waarnaar in deze verordening wordt verwezen, worden uitgevoerd;

21.   „Qualification Test Guide” (QTG): een document om aan te tonen dat de prestatie- en besturingseigenschappen van een FSTD bij een simulatie binnen voorgeschreven grenzen overeenstemmen met die van het luchtvaartuig, de vliegtuigklasse of het helikoptertype, en dat alle toepasselijke eisen werden nageleefd. De QTG omvat zowel gegevens over het luchtvaartuig, de vliegtuigklasse of het helikoptertype als FSTD-gegevens ter ondersteuning van de validering.

ARA.GEN.115   Documentatie over het toezicht

De bevoegde autoriteit dient alle wetteksten, normen, voorschriften, technische publicaties en daarmee samenhangende documenten ter beschikking te stellen aan de betrokken personeelsleden zodat zij hun taken kunnen uitvoeren en zich van hun verantwoordelijkheden kunnen kwijten.

ARA.GEN.120   Wijzen van naleving

a)

Het Agentschap dient aanvaardbare wijzen van naleving op te stellen die mogen worden gebruikt om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften. Wanneer er sprake is van overeenstemming met de aanvaardbare wijzen van naleving, wordt ervan uitgegaan dat aan de gerelateerde eisen in de uitvoeringsvoorschriften is voldaan.

b)

Alternatieve wijzen van naleving mogen worden gebruikt om overeenstemming te bereiken met de uitvoeringsvoorschriften.

c)

De bevoegde autoriteit dient een systeem uit te werken om consequent te beoordelen of alle alternatieve wijzen van naleving die worden gebruikt door haarzelf of door organisaties en personen die onder haar toezicht staan het mogelijk maken overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften.

d)

De bevoegde autoriteit dient alle overeenkomstig ORA.GEN.120 door een organisatie voorgestelde alternatieve wijzen van naleving te beoordelen door de verstrekte documentatie te analyseren en, als zij dat nodig acht, de organisatie te inspecteren.

Oordeelt de bevoegde autoriteit dat de alternatieve wijzen van naleving in overeenstemming zijn met de uitvoeringsvoorschriften, dan dient zij zonder nodeloze vertraging:

1)

de aanvrager ervan in kennis te stellen dat de alternatieve wijzen van naleving mogen worden uitgevoerd en, voor zover van toepassing, de erkenning of het certificaat van de aanvrager dienovereenkomstig aan te passen, en

2)

het Agentschap in kennis te stellen van de inhoud ervan, met inbegrip van exemplaren van alle relevante documenten;

3)

de andere lidstaat in kennis stellen van aanvaarde alternatieve wijzen van naleving.

e)

Gebruikt de bevoegde autoriteit zelf alternatieve wijzen van naleving om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften, dan dient zij:

1)

die beschikbaar te stellen aan alle organisaties en personen die onder haar toezicht staan, en

2)

het Agentschap zonder nodeloze vertraging in kennis te stellen.

De bevoegde autoriteit dient het Agentschap een volledige beschrijving te geven van de alternatieve wijzen van naleving, inclusief herzieningen van procedures die van belang kunnen zijn, alsook een beoordeling waaruit blijkt dat de uitvoeringsvoorschriften worden nageleefd.

ARA.GEN.125   Informatieverstrekking aan het Agentschap

a)

De bevoegde autoriteit dient het Agentschap zonder nodeloze vertraging in kennis te stellen van alle significante problemen met de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften.

b)

De bevoegde autoriteit dient het Agentschap veiligheidsrelevante informatie te verstrekken afkomstig uit de door haar ontvangen meldingen van voorvallen.

ARA.GEN.135   Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem

a)

Onverminderd Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) dient de bevoegde autoriteit een systeem toe te passen om veiligheidsinformatie op adequate wijze te verzamelen, te analyseren en te verspreiden.

b)

Het Agentschap dient een systeem toe te passen om alle ontvangen relevante veiligheidsinformatie op adequate wijze te analyseren en de lidstaten en de Commissie zonder nodeloze vertraging alle informatie, met inbegrip van aanbevelingen of te nemen corrigerende maatregelen, te verstrekken die zij nodig hebben om tijdig te reageren op een veiligheidsprobleem met producten, onderdelen, uitrustingsstukken, personen of organisaties die onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan vallen.

c)

Bij ontvangst van de onder a) en b) bedoelde informatie dient de bevoegde autoriteit passende maatregelen te nemen om het veiligheidsprobleem aan te pakken.

d)

De onder c) genomen maatregelen moeten onmiddellijk ter kennis worden gebracht van alle personen of organisaties die daaraan moeten voldoen krachtens Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften. De bevoegde autoriteit dient ook het Agentschap in kennis te stellen van deze maatregelen, alsmede de andere betrokken lidstaten in zoverre gecombineerd optreden vereist is.

SECTIE II

Beheer

ARA.GEN.200   Managementsysteem

a)

De bevoegde autoriteit dient een managementsysteem op te zetten en in stand te houden met ten minste:

1)

gedocumenteerde beleidslijnen en procedures ter beschrijving van haar organisatie, wijzen en methoden om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften. De procedures moeten worden geactualiseerd en dienen bij deze bevoegde autoriteit te worden gebruikt als basiswerkdocumenten voor alle daarmee samenhangende taken;

2)

voldoende personeel om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten. Dit personeel moet over de nodige kwalificaties beschikken om de toegewezen taken te vervullen, de nodige kennis en ervaring hebben en een basisopleiding en regelmatige bijscholingen hebben gevolgd om de vaardigheden op peil te houden. Er dient een systeem te worden opgezet om de beschikbaarheid van het personeel te plannen teneinde alle taken naar behoren te volbrengen;

3)

adequate faciliteiten en kantoorruimte om de toegewezen taken uit te voeren;

4)

een functie om te controleren of het managementsysteem voldoet aan de toepasselijke eisen en te beoordelen of de procedures goed functioneren, waaronder de invoering van een intern auditproces en een proces voor het beheer van veiligheidsrisico’s. Het auditproces omvat een terugkoppelingssysteem van auditbevindingen naar de hoogste leiding van de bevoegde autoriteit om te waarborgen dat waar nodig corrigerende maatregelen worden uitgevoerd, en

5)

een persoon of groep personen die in laatste instantie verantwoording verschuldigd is aan de hoogste leiding van de bevoegde autoriteit wat betreft de functie van het auditproces.

b)

De bevoegde autoriteit dient voor elk werkterrein, inclusief het managementsysteem, één of meer personen aan te wijzen die de algehele verantwoordelijkheid dragen voor het beheer van de relevante taak of taken.

c)

De bevoegde autoriteit dient procedures vast te stellen om deel te nemen aan de wederzijdse uitwisseling van alle noodzakelijke informatie en assistentie met andere betrokken bevoegde autoriteiten, met inbegrip van alle vastgestelde bevindingen en genomen follow-upmaatregelen als gevolg van het toezicht op personen en organisaties die activiteiten uitoefenen op het grondgebied van een lidstaat, maar die zijn gecertificeerd door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of het Agentschap.

d)

Een kopie van de met het managementsysteem verband houdende procedures en wijzigingen daarvan moet voor standaardisatiedoeleinden aan het Agentschap ter beschikking worden gesteld.

ARA.GEN.205   Toewijzing van taken aan gekwalificeerde entiteiten

a)

Taken met betrekking tot de eerste certificering of het permanent toezicht op personen of organisaties die onder Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsbepalingen daarvan vallen, worden door de lidstaten uitsluitend toegewezen aan gekwalificeerde entiteiten. Bij het toewijzen van deze taken zorgt de bevoegde autoriteit ervoor toe dat zij:

1)

beschikt over een systeem om in het begin en op permanente basis te beoordelen of de gekwalificeerde entiteit voldoet aan bijlage V bij Verordening (EG) nr. 216/2008.

Dit systeem en de beoordelingsresultaten moeten worden gedocumenteerd;

2)

een gedocumenteerde overeenkomst heeft opgesteld met de gekwalificeerde entiteit. Deze overeenkomst moet door beide partijen zijn goedgekeurd op het passende beheersniveau en moet een duidelijke omschrijving bevatten van:

i)

de uit te voeren taken;

ii)

de te verstrekken verklaringen, rapporten en registers;

iii)

de technische voorwaarden waaraan moet worden voldaan bij de uitvoering van deze taken;

iv)

de daarmee samenhangende aansprakelijkheidsdekking, en

v)

de bescherming van bij de uitvoering van deze taken verworven informatie.

b)

De bevoegde autoriteit dient te waarborgen dat alle voor haar rekening verrichte taken inzake certificering of permanent toezicht vallen onder het interne controleproces en het risicobeoordelingsproces die krachtens AR.GEN.200 a) 4) moeten worden uitgevoerd.

ARA.GEN.210   Wijzigingen in het managementsysteem

a)

De bevoegde autoriteit dient over een systeem te beschikken dat wijzigingen in kaart brengt die haar vermogen beïnvloeden om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften. Dit systeem stelt haar in staat waar nodig maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat haar managementsysteem passend en doeltreffend blijft.

b)

De bevoegde autoriteit dient haar systeem te actualiseren om elke wijziging in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan tijdig weer te geven teneinde een effectieve tenuitvoerlegging te waarborgen.

c)

De bevoegde autoriteit dient het Agentschap in kennis te stellen van wijzigingen die haar vermogen beïnvloeden om haar taken uit te voeren en zich van haar verantwoordelijkheden te kwijten zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan.

ARA.GEN.220   Gegevensbeheer

a)

De bevoegde autoriteit dient een systeem voor het bijhouden van gegevens uit te werken dat voorziet in een adequate opslag, toegankelijkheid en betrouwbare traceerbaarheid van:

1)

de gedocumenteerde beleidslijnen en procedures van het managementsysteem;

2)

de opleiding, kwalificatie en autorisatie van haar personeel;

3)

de taakverdeling, waaronder de uit hoofde van ARA.GEN.205 vereiste elementen, alsook de bijzonderheden van de toegewezen taken;

4)

certificeringsprocessen en permanent toezicht op gecertificeerde organisaties;

5)

processen voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor personeel, bevoegdverklaringen, certificaten en attesten en voor het voortdurende toezicht op de houders van deze bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen, certificaten en attesten;

6)

processen voor de afgifte van FSTD-kwalificatiecertificaten en voor het permanente toezicht op de FSTD en de organisatie die de FSTD exploiteert;

7)

toezicht op personen en organisaties die activiteiten uitoefenen op het grondgebied van de lidstaat, maar die onder het toezicht staan van of die zijn gecertificeerd door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of door het Agentschap, zoals overeengekomen tussen deze autoriteiten;

8)

de beoordeling en kennisgeving aan het Agentschap van door organisaties voorgestelde alternatieve wijzen van naleving en de beoordeling van door de bevoegde autoriteit zelf gebruikte alternatieve wijzen van naleving;

9)

bevindingen, corrigerende maatregelen en datum van afhandeling van de maatregel;

10)

genomen handhavingsmaatregelen;

11)

veiligheidsinformatie en follow-upmaatregelen, en

12)

het gebruik van de flexibiliteitsregeling overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 216/2008;

b)

De bevoegde autoriteit dient een lijst bij te houden van alle organisatiecertificaten, FSTD-kwalificatiecertificaten en bewijzen van bevoegdheid voor personeel, certificaten en attesten die zij heeft afgegeven.

c)

Alle gegevens moeten worden bewaard gedurende de in deze verordening vermelde minimumtermijn. Indien die termijn niet is vermeld, moeten de gegevens gedurende minstens vijf jaar worden bewaard.

SECTIE III

Toezicht, certificering en handhaving

ARA.GEN.300   Toezicht

a)

De bevoegde autoriteit dient het volgende te controleren:

1)

de naleving van de eisen die, naargelang het geval, gelden voor organisaties of personen voorafgaand aan de afgifte van een organisatiecertificaat, erkenning, FSTD-kwalificatiecertificaat of bewijs van bevoegdheid voor personeel, certificaat, bevoegdverklaring of attest;

2)

de permanente naleving van de toepasselijke eisen voor organisaties die zij heeft gecertificeerd, personen en houders van FSTD-kwalificatiecertificaten;

3)

de toepassing van passende veiligheidsmaatregelen die door de bevoegde autoriteit worden voorgeschreven overeenkomstig ARA.GEN.135 c) en d).

b)

Deze controle:

1)

moet worden onderbouwd met documenten die specifiek tot doel hebben het met het veiligheidstoezicht belaste personeel te begeleiden bij de uitvoering van zijn taken;

2)

moet de resultaten van het veiligheidstoezicht kenbaar maken aan de betrokken personen en organisaties;

3)

moet gebaseerd zijn op controles en inspecties, waaronder platforminspecties en onaangekondigde inspecties, en

4)

moet de bevoegde autoriteit het benodigde bewijs verschaffen om verdere acties te motiveren, inclusief de maatregelen van ARA.GEN.350 en ARA.GEN.355.

c)

Bij het onder a) en b) vermelde toezicht moet rekening worden gehouden met de resultaten van toezichtsactiviteiten uit het verleden en met de veiligheidsprioriteiten.

d)

Onverminderd de bevoegdheden van de lidstaten en hun verplichtingen krachtens ARO.RAMP, wordt de reikwijdte van het toezicht op activiteiten die op het grondgebied van een lidstaat worden uitgeoefend door personen of organisaties die in een andere lidstaat zijn gevestigd of daar verblijven bepaald op basis van de veiligheidsprioriteiten en eerdere toezichtactiviteiten.

e)

Indien de activiteit van een persoon of organisatie betrekking heeft op meerdere lidstaten of op het Agentschap, kan de bevoegde autoriteit belast met het onder a) vermelde toezicht ermee instemmen dat toezichtsactiviteiten worden uitgeoefend door de bevoegde autoriteit(en) van de lidsta(a)t(en) waar de activiteit plaatsvindt of door het Agentschap. Elke persoon of organisatie waarop deze instemming van toepassing is, dient te worden geïnformeerd over het bestaan en de reikwijdte daarvan.

f)

De bevoegde autoriteit dient elke informatie te verzamelen en te verwerken die zij van nut acht voor toezichtsactiviteiten, inclusief platforminspecties en onaangekondigde inspecties.

ARA.GEN.305   Toezichtsprogramma

a)

De bevoegde autoriteit dient een toezichtprogramma op te stellen en in stand te houden dat de in ARA.GEN.300 en ARO.RAMP vereiste toezichtactiviteiten bestrijkt.

b)

Voor door de bevoegde autoriteit gecertificeerde organisaties en houders van FSTD-kwalificatiecertificaten moet bij de ontwikkeling van het toezichtprogramma rekening worden gehouden met de specifieke aard van de organisatie, de complexiteit van haar activiteiten, de resultaten van vroegere certificerings- en/of toezichtsactiviteiten en de beoordeling van bijbehorende risico’s. Dit programma omvat in elke planningcyclus van het toezicht:

1)

audits en inspecties, met inbegrip van platforminspecties en onaangekondigde inspecties, voor zover van toepassing, en

2)

vergaderingen tussen de verantwoordelijke manager en de bevoegde autoriteit om ervoor te zorgen dat zij allebei op de hoogte blijven van significante kwesties.

c)

Voor door de bevoegde autoriteit gecertificeerde organisaties en houders van FSTD-kwalificatiecertificaten duurt een planningcyclus van het toezicht hoogstens vierentwintig maanden.

De planningcyclus van het toezicht mag worden ingekort wanneer er bewijzen zijn dat de veiligheidsprestaties van de organisatie of houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat zijn afgenomen.

De planningcyclus van het toezicht mag worden verlengd tot hoogstens zesendertig maanden indien de bevoegde autoriteit heeft vastgesteld dat tijdens de afgelopen vierentwintig maanden:

1)

de organisatie heeft aangetoond dat de gevaren voor de luchtvaartveiligheid doeltreffend in kaart werden gebracht en dat de daarmee samenhangende risico’s worden beheerst;

2)

de organisatie voortdurende heeft aangetoond onder ORA.GEN.130 dat ze volledige controle uitoefent over alle wijzigingen;

3)

geen niveau 1-bevindingen zijn opgesteld, en

4)

alle corrigerende maatregelen zijn toegepast binnen de door de bevoegde autoriteit aanvaarde of verlengde tijdsperiode zoals gedefinieerd in ARA.GEN.350 d) 2).

De planningcyclus van het toezicht mag verder worden verlengd tot ten hoogste achtenveertig maanden indien de organisatie, in aanvulling op het bovenstaande, een doeltreffend systeem heeft opgezet — en de bevoegde autoriteit dit heeft aanvaard — om continu verslag uit te brengen aan de bevoegde autoriteit over de veiligheidsprestaties en de naleving van de regelgeving door de organisatie zelf.

d)

Voor houders van een door de bevoegde autoriteit afgegeven bewijs van bevoegdheid, certificaat, bevoegdverklaring of attest omvat het toezichtprogramma inspecties, met inbegrip van onaangekondigde inspecties, voor zover van toepassing.

e)

Het toezichtprogramma bevat gegevens over de data waarop audits, inspecties en vergaderingen verplicht zijn en wanneer deze audits, inspecties en vergaderingen werden uitgevoerd.

ARA.GEN.310   Initiële certificeringsprocedure — organisaties

a)

Bij ontvangst van een aanvraag tot initiële afgifte van een certificaat voor een organisatie dient de bevoegde autoriteit na te gaan of de organisatie voldoet aan de toepasselijke eisen.

b)

Wanneer zij overtuigd is dat de organisatie voldoet aan de toepasselijke eisen, dient de bevoegde autoriteit het (de) certifica(a)t(en) af te geven zoals bepaald in aanhangsel III en aanhangsel V van dit deel. Elk certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. De rechten en omvang van de activiteiten die de organisatie mag uitoefenen, worden vermeld in de bij het (de) certifica(a)t(en) gevoegde goedkeuringsvoorwaarden.

c)

De door de organisatie meegedeelde procedure die de reikwijdte van deze wijzigingen definieert en beschrijft hoe die wijzigingen worden beheerd en gemeld, moet door de bevoegde autoriteit worden goedgekeurd om de organisatie in staat te stellen de wijzigingen toe te passen zonder voorafgaande goedkeuring vanwege de bevoegde autoriteit overeenkomstig ORA.GEN.130.

ARA.GEN.315   Procedure voor afgifte, verlenging, hernieuwde afgifte of wijziging van bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen, certificaten of attesten — personen

a)

Bij ontvangst van een aanvraag tot afgifte, verlenging, hernieuwde afgifte of wijziging van een persoonlijk bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring, certificaat of attest en ondersteunende documentatie dient de bevoegde autoriteit na te gaan of de aanvrager voldoet aan de toepasselijke eisen.

b)

Wanneer zij overtuigd is dat de aanvrager voldoet aan de toepasselijke eisen, dient de bevoegde autoriteit het bewijs van bevoegdheid, het certificaat, de bevoegdverklaring of het attest af te geven, te verlengen, opnieuw af te geven of te wijzigen.

ARA.GEN.330   Wijzigingen — organisaties

a)

Bij ontvangst van een vooraf goed te keuren wijzigingsaanvraag dient de bevoegde autoriteit na te gaan of de organisatie voldoet aan de toepasselijke eisen alvorens toestemming te verlenen.

De bevoegde autoriteit dient te bepalen onder welke voorwaarden de organisatie mag werken tijdens de wijziging, tenzij de bevoegde autoriteit oordeelt dat het organisatiecertificaat moet worden opgeschort.

Wanneer zij overtuigd is dat de organisatie voldoet aan de toepasselijke eisen, dient de bevoegde autoriteit de wijziging goed te keuren.

b)

Onverminderd aanvullende handhavingsmaatregelen dient de bevoegde autoriteit het organisatiecertificaat te schorsen, te beperken of in te trekken wanneer de organisatie vooraf goed te keuren wijzigingen toepast zonder dat de bevoegde autoriteit toestemming daartoe heeft verleend zoals bepaald onder a).

c)

Voor niet vooraf goed te keuren wijzigingen dient de bevoegde autoriteit de informatie te beoordelen die vermeld staat in de door de organisatie verstuurde kennisgeving overeenkomstig ORA.GEN.130 om na te gaan of aan de toepasselijke eisen is voldaan. Als de eisen niet zijn nageleefd, dan dient de bevoegde autoriteit:

1)

de organisatie in kennis te stellen van de niet-naleving en aanvullende wijzigingen te vragen, en

2)

in geval van niveau 1- of niveau 2-bevindingen te handelen overeenkomstig ARA.GEN.350.

ARA.GEN.350   Bevindingen en corrigerende maatregelen — organisaties

a)

De overeenkomstig ARA.GEN.300 a) voor toezicht bevoegde autoriteit dient te beschikken over een systeem om de bevindingen te toetsen op hun belang voor de veiligheid.

b)

De bevoegde autoriteit geeft een niveau 1-bevinding af bij vaststelling van een significant geval van niet-naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, van de procedures en handboeken van de organisatie of van de voorwaarden voor een erkenning of certificaat, voor zover dat geval van niet-naleving de veiligheid vermindert of ernstig gevaar oplevert voor de vliegveiligheid.

Niveau 1-bevindingen zijn:

1)

ook na twee schriftelijke verzoeken de bevoegde autoriteit geen toegang geven tot de faciliteiten van de organisatie tijdens de normale werktijd, zoals gedefinieerd in ORA.GEN.140;

2)

het verkrijgen of behouden van de geldigheid van het organisatiecertificaat door vervalsing van voorgelegde documenten;

3)

bewijzen van wanpraktijken of frauduleus gebruik van het organisatiecertificaat, en

4)

het ontbreken van een verantwoordelijke manager.

c)

De bevoegde autoriteit geeft een niveau 2-bevinding af bij vaststelling van een geval van niet-naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, van de procedures en handboeken van de organisatie of van de voorwaarden van een erkenning of certificaat, voor zover dat geval van niet-naleving de veiligheid zou kunnen verlagen of een gevaar oplevert voor de vliegveiligheid.

d)

Wanneer tijdens het toezicht of anderszins een bevinding wordt vastgesteld, dient de bevoegde autoriteit, onverminderd aanvullende maatregelen die zijn vereist uit hoofde van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, de bevinding schriftelijk aan de organisatie mee te delen en te verzoeken corrigerende maatregelen te nemen om het vastgestelde geval van niet-naleving te verhelpen. De bevoegde autoriteit dient, voor zover van toepassing, de staat waarin het luchtvaartuig is geregistreerd in kennis te stellen.

1)

In het geval van niveau 1-bevindingen dient de bevoegde autoriteit onmiddellijk passende actie te ondernemen om activiteiten te verbieden of te beperken en, indien van toepassing, om het certificaat of de specifieke erkenning in te trekken, te beperken of te schorsen, geheel of gedeeltelijk en in verhouding met de niveau 1-bevinding, totdat de organisatie succesvolle correctieve actie heeft genomen.

2)

In het geval van niveau 2-bevindingen dient de bevoegde autoriteit:

i)

de organisatie een eerste uitvoeringsperiode van niet meer dan drie maanden toe te kennen voor correctieve actie die geschikt is voor de aard van de bevinding. Aan het einde van deze periode en afhankelijk van de aard van de bevinding, kan de bevoegde autoriteit de periode van drie maanden verlengen als de bevoegde autoriteit heeft ingestemd met een correctief actieplan, en

ii)

de correctieve actie en het uitvoeringsplan welke door de organisatie worden voorgesteld te beoordelen en te aanvaarden voor zover uit de beoordeling blijkt dat ze toereikend zijn om de niet-naleving te verhelpen.

3)

Indien een organisatie geen aanvaardbaar actieplan voor corrigerende maatregelen indient, of geen corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen de door de bevoegde autoriteit aanvaarde of verlengde periode, wordt de bevinding verhoogd tot niveau 1 en wordt de onder d), 1), hierboven bepaalde actie genomen.

4)

De bevoegde autoriteit dient alle bevindingen die zij heeft vastgesteld of die aan haar zijn meegedeeld en, voor zover van toepassing, de door haar toegepaste handhavingsmaatregelen en alle corrigerende maatregelen te registreren, alsook de datum van alle corrigerende acties en, voor bevindingen, de datum waarop de actie is gesloten.

e)

Wanneer de autoriteit van een lidstaat die handelt overeenkomstig ARA.GEN.300 d) vaststelt dat de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan niet worden nageleefd door een organisatie die werd gecertificeerd door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat of door het Agentschap, dient zij, onverminderd aanvullende handhavingsmaatregelen, de bevoegde autoriteit in kennis te stellen en een indicatie te geven van het niveau van de bevinding.

ARA.GEN.355   Bevindingen en handhavingsmaatregelen — personen

a)

Indien de bevoegde autoriteit belast met het toezicht overeenkomstig ARA.GEN.300 a) tijdens het toezicht of anderszins bewijzen vindt van de niet-naleving van de toepasselijke eisen door een houder van een bewijs van bevoegdheid, certificaat, bevoegdverklaring of attest, afgegeven overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan, dient de bevoegde autoriteit een bevinding vast te stellen, te registreren en schriftelijk mee te delen aan de houder van het bewijs van bevoegdheid, het certificaat, de bevoegdverklaring of het attest.

b)

Bij vaststelling van een dergelijke bevinding dient de bevoegde autoriteit een onderzoek uit te voeren. Wordt de bevinding bevestigd, dan dient de bevoegde autoriteit:

1)

het bewijs van bevoegdheid, het certificaat, de bevoegdverklaring of het attest, al naar het geval, te beperken, te schorsen of in te trekken wanneer een veiligheidskwestie werd ontdekt, en

2)

de nodige aanvullende handhavingsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat de niet-naleving voortduurt.

c)

De bevoegde autoriteit dient, voor zover van toepassing, de persoon of organisatie die de medische verklaring of het attest heeft afgegeven in kennis te stellen.

d)

Wanneer de autoriteit van een lidstaat die handelt overeenkomstig ARA.GEN.300 d) bewijzen vindt van de niet-naleving van de toepasselijke eisen door een houder van een door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat afgegeven bewijs van bevoegdheid, certificaat, bevoegdverklaring of attest, dient zij die bevoegde autoriteit in kennis te stellen, onverminderd aanvullende handhavingsmaatregelen.

e)

Wanneer tijdens het toezicht of anderszins bewijzen worden gevonden van de niet-naleving van de toepasselijke eisen door een persoon die onderworpen is aan de eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en uitvoeringsvoorschriften daarvan en die niet in het bezit is van een overeenkomstig die verordening en uitvoeringsvoorschriften daarvan afgegeven bewijs van bevoegdheid, certificaat, bevoegdverklaring of attest, dient de bevoegde autoriteit die de niet-naleving heeft vastgesteld de nodige handhavingsmaatregelen te nemen om te voorkomen dat die niet-naleving voortduurt.

SUBDEEL FCL

SPECIFIEKE EISEN INZAKE DE AFGIFTE VAN BEWIJZEN VAN BEVOEGDHEID AAN COCKPITPERSONEEL

SECTIE I

Algemeen

ARA.FCL.120   Gegevensbeheer

Naast de in ARA.GEN.220 a) voorgeschreven gegevens dient de bevoegde autoriteit in haar registratiesysteem de resultaten op te nemen van de theorie-examens en vaardigheidsbeoordelingen van piloten.

SECTIE II

Bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en certificaten

ARA.FCL.200   Procedure voor afgifte, verlenging of hernieuwde afgifte van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat

a)

Afgifte van bewijzen van bevoegdheid en bevoegdverklaringen. De bevoegde autoriteit dient een bewijs van bevoegdheid als piloot en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen af te geven met gebruikmaking van het formulier in aanhangsel I van dit deel.

b)

Afgifte van certificaten van instructeur en examinator. De bevoegde autoriteit dient een certificaat van instructeur en examinator af te geven:

1)

ter bekrachtiging van de toepasselijke rechten in het bewijs van bevoegdheid als piloot, zoals vastgelegd in aanhangsel I van dit deel, of

2)

als afzonderlijk document, in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

c)

Bekrachtiging van bewijs van bevoegdheid door examinatoren. Alvorens bepaalde examinatoren uitdrukkelijk te machtigen bevoegdverklaringen of certificaten te verlengen of opnieuw af te geven, dient de bevoegde autoriteit passende procedures op te stellen.

ARA.FCL.205   Toezicht op examinatoren

a)

De bevoegde autoriteit dient een toezichtprogramma uit te werken om toe te zien op het gedrag en de prestaties van examinatoren, rekening houdend met:

1)

het aantal door haar gecertificeerde examinatoren, en

2)

het aantal door andere bevoegde autoriteiten gecertificeerde examinatoren die hun rechten uitoefenen op het grondgebied waar de bevoegde autoriteit toezicht uitoefent.

b)

De bevoegde autoriteit dient een lijst bij te houden van door haar gecertificeerde examinatoren en door andere bevoegde autoriteiten gecertificeerde examinatoren die hun rechten uitoefenen op haar grondgebied en die een briefing hebben gekregen van de bevoegde autoriteit overeenkomstig FCL.1015 c) 2). In deze lijst worden de rechten van de examinatoren vermeld. De lijst wordt gepubliceerd en geactualiseerd door de bevoegde autoriteit.

c)

De bevoegde autoriteit ontwikkelt procedures voor de aanwijzing van examinatoren die vaardigheidstesten uitvoeren.

ARA.FCL.210   Informatieverstrekking aan examinatoren

De bevoegde autoriteit mag door haar gecertificeerde examinatoren en door andere bevoegde autoriteiten gecertificeerde examinatoren die hun rechten uitoefenen op haar grondgebied in kennis stellen van veiligheidscriteria die moeten worden nageleefd bij vaardigheidstests en vakbekwaamheidsproeven in een luchtvaartuig.

ARA.FCL.215   Geldigheidsperiode

a)

Bij afgifte of verlenging van een bevoegdverklaring of certificaat dient de bevoegde autoriteit of, in het geval van verlenging, een uitdrukkelijk door de bevoegde autoriteit gemachtigde examinator de geldigheidsperiode te verlengen tot het einde van de desbetreffende maand.

b)

Bij verlenging van een bevoegdverklaring, certificaat van instructeur of examinator dient de bevoegde autoriteit of een uitdrukkelijk door de bevoegde autoriteit gemachtigde examinator de geldigheidsperiode van de bevoegdverklaring of het certificaat te verlengen tot het einde van de desbetreffende maand.

c)

De bevoegde autoriteit of een uitdrukkelijk daartoe door de bevoegde autoriteit gemachtigde examinator dient de uiterste geldigheidsdatum te vermelden op het bewijs van bevoegdheid of het certificaat.

d)

De bevoegde autoriteit mag procedures uitwerken zodat de houder van het bewijs van bevoegdheid of het certificaat de daaraan verbonden rechten kan uitoefenen gedurende hoogstens acht weken na het met goed gevolg afleggen van het (de) toepasselijke examen(s), in afwachting dat de aantekening op het bewijs van bevoegdheid of het certificaat wordt vermeld.

ARA.FCL.220   Procedure voor het opnieuw afgeven van een bewijs van bevoegdheid als piloot

a)

De bevoegde autoriteit dient een bewijs van bevoegdheid opnieuw af te geven telkens als dat om administratieve redenen noodzakelijk is en:

1)

na de eerste afgifte van een bevoegdverklaring, of

2)

wanneer punt XII van het bewijs van bevoegdheid in aanhangsel I van dit deel is ingevuld en geen openstaande ruimte meer bevat.

b)

Alleen geldige bevoegdverklaringen en certificaten worden overgenomen in het nieuwe bewijs van bevoegdheid.

ARA.FCL.250   Beperking, schorsing of intrekking van bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen en certificaten

a)

Overeenkomstig ARA.GEN.355 dient de bevoegde autoriteit onder meer in de volgende omstandigheden een bewijs van bevoegdheid als piloot en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen of certificaten, al naar het geval, te beperken, te schorsen of in te trekken:

1)

het verkrijgen van het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of het certificaat door vervalsing van voorgelegde documenten;

2)

vervalsing van het logboek en gegevens van het bewijs van bevoegdheid of certificaat;

3)

de houder van het bewijs van bevoegdheid voldoet niet langer aan de toepasselijke eisen van Deel-FCL;

4)

uitoefenen van de rechten van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat onder invloed van alcohol of drugs;

5)

niet-naleving van de toepasselijke operationele eisen;

6)

bewijzen van wanpraktijken of frauduleus gebruik van het certificaat, of

7)

het door de examinator op onaanvaardbare wijze tekortschieten in zijn taken of verantwoordelijkheden, in welke fase dan ook.

b)

De bevoegde autoriteit mag een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat ook schorsen op schriftelijk verzoek van de houder van het bewijs van bevoegdheid of het certificaat.

c)

Alle vaardigheidstests, proeven van bekwaamheid of bekwaamheidsbeoordelingen die plaatsvinden tijdens de schorsing of na intrekking van een certificaat van examinator zijn nietig.

SECTIE III

Theorie-examens

ARA.FCL.300   Examenprocedures

a)

De bevoegde autoriteit dient de nodige regelingen en procedures in te voeren om aanvragers in staat te stellen theorie-examens af te leggen overeenkomstig de toepasselijke eisen van Deel-FCL.

b)

In het geval van het bewijs van bevoegdheid als verkeersvlieger (ATPL), het meervliegervliegbewijs (MPL), het bewijs van bevoegdheid als beroepsvlieger (CPL) en de bevoegdverklaring instrumentvliegen (IR), dienen deze procedures te voldoen aan elk van de volgende eisen:

1)

examens worden schriftelijk of met de computer gehouden;

2)

de bevoegde autoriteit dient de examenvragen te selecteren uit de Europese centrale vragenbank (ECQB), volgens een gangbare methode die de volledige syllabus voor elk studiegebied bestrijkt. De Europese centrale vragenbank (ECQB) is een database met meerkeuzevragen die door het Agentschap wordt bijgehouden;

3)

het examen communicatie mag afzonderlijk van andere studiegebieden worden gehouden. Een aanvrager die eerder met goed gevolg één of beide examens VFR-communicatie (zichtvliegvoorschriften) en IFR-communicatie (instrumentvliegvoorschriften) heeft afgelegd, behoeft daarover niet opnieuw een examen af te leggen.

c)

De bevoegde autoriteit dient de aanvragers in kennis te stellen van de beschikbare examentalen.

d)

De bevoegde autoriteit dient gepaste procedures uit te werken om de integriteit van de examens te waarborgen.

e)

Indien de bevoegde autoriteit vaststelt dat de aanvrager de examenprocedures niet in acht neemt tijdens het examen, dient dit te worden beoordeeld teneinde de aanvrager een onvoldoende te geven, ofwel voor het examen in een afzonderlijk studiegebied, ofwel voor het volledige examen.

f)

Aanvragers van wie bewezen is dat ze hebben gespiekt, wordt deelname aan elk ander examen verboden door de bevoegde autoriteit gedurende minstens twaalf maanden vanaf de datum van het examen waarvoor ze hebben gespiekt.

SUBDEEL CC

SPECIFIEKE EISEN MET BETREKKING TOT CABINEPERSONEEL

SECTIE I

Attest voor cabinebemanning

ARA.CC.100   Procedures inzake attesten voor cabinebemanning

a)

De bevoegde autoriteit stelt procedures vast voor de afgifte en registratie van en het toezicht op attesten voor cabinebemanning overeenkomstig ARA.GEN.315, ARA.GEN.220 en ARA.GEN.300.

b)

Attesten voor cabinebemanning moeten worden afgegeven met gebruikmaking van het formulier en overeenkomstig de voorschriften als bedoeld in aanhangsel II van dit deel,

ofwel

1)

door de bevoegde autoriteit;

en/of, indien een lidstaat dit beslist

2)

door een organisatie die daarvoor toestemming heeft verkregen van de bevoegde autoriteit.

c)

De bevoegde autoriteit maakt de volgende informatie openbaar:

1)

welke organisatie(s) attesten voor cabinebemanning afgeeft (afgeven) op haar (hun) grondgebied, en

2)

indien organisaties gemachtigd zijn dit te doen, de lijst van die organisaties.

ARA.CC.105   Schorsing of intrekking van attesten voor cabinebemanning

De bevoegde autoriteit dient ten minste in de volgende gevallen maatregelen overeenkomstig ARA.GEN.355 te nemen, waaronder het schorsen of intrekken van een attest voor cabinebemanning:

a)

niet-naleving van Deel-CC of van de toepasselijke eisen van Deel-ORO en Deel-CAT, wanneer een veiligheidskwestie werd ontdekt;

b)

het verkrijgen of behouden van de geldigheid van het attest voor cabinebemanning door vervalsing van voorgelegde documenten;

c)

uitoefenen van de rechten van het attest voor cabinebemanning onder invloed van alcohol of drugs, en

d)

bewijzen van wanpraktijken of frauduleus gebruik van het attest voor cabinebemanning.

SECTIE II

Organisaties die cabinepersoneel opleiden of attesten voor cabinebemanning afgeven

ARA.CC.200   Erkenning van organisaties om cabinepersoneel op te leiden of attesten voor cabinebemanning af te geven

a)

Alvorens een erkenning voor de opleiding van cabinepersoneel te verlenen aan een opleidingsorganisatie of commerciële luchtvervoersonderneming, dient de bevoegde autoriteit na te gaan of:

1)

de uitvoering, de syllabi en daarmee samenhangende programma’s van de door de organisatie verzorgde opleidingscursussen voldoen aan de ter zake geldende eisen van Deel-CC;

2)

de door de organisatie gebruikte opleidingstoestellen een getrouwe weergave vormen van de passagiersruimte van het (de) luchtvaartuigtype(n) en de technische kenmerken van de door het cabinepersoneel te bedienen uitrusting, en

3)

de opleiders en instructeurs die de opleidingssessies geven voldoende ervaring hebben en over de nodige kwalificaties beschikken voor het desbetreffende opleidingsonderwerp.

b)

Indien in een lidstaat organisaties kunnen worden gemachtigd om attesten voor cabinebemanning af te geven, mag de bevoegde autoriteit die machtiging uitsluitend verlenen aan organisaties die voldoen aan de eisen onder a). Alvorens een dergelijke erkenning te verlenen dient de bevoegde autoriteit:

1)

te beoordelen of de organisatie over de nodige bekwaamheid en verantwoordingsplicht beschikt om de desbetreffende taken uit te voeren;

2)

te waarborgen dat de organisatie gedocumenteerde procedures heeft ingevoerd om de desbetreffende taken uit te voeren, waaronder het afnemen van examen(s) door daartoe gekwalificeerd personeel dat geen belangenconflict heeft, en het afgeven van attesten voor cabinebemanning overeenkomstig ARA.GEN.315 en ARA.CC.100 b), en

3)

de organisatie te verplichten informatie en documentatie te verstrekken over de door haar afgegeven attesten voor cabinebemanning en de houders van deze attesten, voor zover de bevoegde autoriteit die nodig heeft om haar gegevensbeheer-, toezichts- en handhavingstaken uit te voeren.

SUBDEEL ATO

SPECIFIEKE EISEN MET BETREKKING TOT ERKENDE OPLEIDINGSORGANISATIES (ATO’s)

SECTIE I

Algemeen

ARA.ATO.105   Toezichtsprogramma

Het toezichtsprogramma van ATO’s dient te voorzien in de bewaking van opleidingsnormen, waaronder steekproefsgewijze oefenvluchten met cursisten, indien van toepassing voor het gebruikte luchtvaartuig.

ARA.ATO.120   Gegevensbeheer

Naast de in ARA.GEN.220 voorgeschreven gegevens dient de bevoegde autoriteit in haar registratiesysteem bijzonderheden bij te houden over door de ATO verzorgde opleidingscursussen en, voor zover van toepassing, gegevens over voor opleidingsdoeleinden gebruikte FSTD’s.

SUBDEEL FSTD

SPECIFIEKE EISEN INZAKE DE KWALIFICATIE VAN VLUCHTNABOOTSERS (FSTD’s)

SECTIE I

Algemeen

ARA.FSTD.100   Initiële evaluatieprocedure

a)

Bij ontvangst van een aanvraag voor een FSTD-kwalificatiecertificaat dient de bevoegde autoriteit:

1)

de FSTD die ter initiële evaluatie of aanpassing wordt voorgelegd te toetsen aan de toepasselijke kwalificatiebasis;

2)

de FSTD te beoordelen op de gebieden die van belang zijn om, naargelang het geval, het opleidings-, toetsings- en bekwaamheidsbeoordelingsproces van het cockpitpersoneelslid af te ronden;

3)

in overeenstemming met de kwalificatiebasis objectieve, subjectieve en functionele tests uit te voeren en de resultaten van deze tests te beoordelen om de Qualification Test Guide (QTG) vast te leggen, en

4)

na te gaan of de organisatie die de FSTD exploiteert, voldoet aan de toepasselijke eisen. Dat geldt niet voor de eerste evaluatie van basisinstrumentopleidingstoestellen (BITD’s).

b)

De bevoegde autoriteit mag de QTG alleen goedkeuren na voltooiing van de eerste evaluatie van de FSTD en nadat alle tegenstrijdigheden in de QTG naar tevredenheid van de bevoegde autoriteit werden weggewerkt. De QTG die resulteert uit de eerste evaluatieprocedure geldt als Master QTG (MQTG) die de basis vormt voor de FSTD-kwalificatie en latere terugkerende FSTD-evaluaties.

c)

Kwalificatiebasis en speciale voorwaarden.

1)

De bevoegde autoriteit mag speciale voorwaarden voorschrijven voor de FSTD-kwalificatiebasis mits is voldaan aan de eisen van ORA.FSTD.210 a) en in zoverre wordt aangetoond dat de speciale voorwaarden een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen als in de toepasselijke certificeringsspecificatie is vastgelegd.

2)

Indien de bevoegde autoriteit, niet zijnde het Agentschap, speciale voorwaarden heeft vastgelegd voor de kwalificatiebasis van een FSTD, dient zij het Agentschap zonder nodeloze vertraging daarvan in kennis te stellen. De kennisgeving moet vergezeld gaan van een volledige beschrijving van de vastgelegde speciale voorwaarden, en een veiligheidsbeoordeling bevatten waaruit blijkt dat een gelijkwaardig veiligheidsniveau wordt bereikt als in de toepasselijke certificeringsspecificatie is vastgelegd.

ARA.FSTD.110   Afgifte van een FSTD-kwalificatiecertificaat

a)

Na voltooiing van een beoordeling van de FSTD geeft de bevoegde autoriteit, als zij van oordeel is dat de FSTD beantwoordt aan de toepasselijke kwalificatiebasis overeenkomstig ORA.FSTD.210 en dat de organisatie die de FSTD exploiteert, voldoet aan de toepasselijke eisen om de kwalificatie van de FSTD te behouden overeenkomstig ORA.FSTD.100, het FSTD-kwalificatiecertificaat af voor onbeperkte duur, waarbij zij gebruikmaakt van het formulier in aanhangsel IV van dit deel.

ARA.FSTD.115   Voorlopige FSTD-kwalificatie

a)

Indien nieuwe programma’s voor luchtvaartuigen worden ingevoerd en het niet mogelijk is de eisen na te leven die in dit subdeel voor de FSTD-kwalificatie zijn vastgelegd, mag de bevoegde autoriteit een voorlopig FSTD-kwalificatieniveau toekennen.

b)

Voor volledige vluchtnabootsers (FFS) mag een voorlopig kwalificatieniveau uitsluitend op niveau A, B of C worden toegekend.

c)

Dit voorlopige kwalificatieniveau blijft geldig totdat een definitief kwalificatieniveau kan worden toegekend en in elk geval niet langer dan drie jaar.

ARA.FSTD.120   Voortzetting van een FSTD-kwalificatie

a)

De bevoegde autoriteit dient permanent toezicht uit te oefenen op de organisatie die de FSTD exploiteert om zeker te stellen dat:

1)

de volledige reeks tests in de MQTG gespreid wordt overgedaan over een periode van twaalf maanden;

2)

de resultaten van deze terugkerende evaluatie blijven voldoen aan de kwalificatienormen en worden gedateerd en bewaard, en

3)

een configuratiecontrolesysteem is opgezet ter waarborging van de voortdurende integriteit van de hardware en software van de gekwalificeerde FSTD.

b)

De bevoegde autoriteit dient terugkerende evaluaties van de FSTD uit te voeren in overeenstemming met de in ARA.FSTD.100 vastgestelde procedures. Deze evaluaties dienen plaats te vinden:

1)

ieder jaar in het geval van een volledige vluchtnabootser (FFS), een vluchtopleidingstoestel (FTD) of een vlucht- en navigatieprocedureopleidingstoestel (FNPT); elk terugkerend tijdvak van twaalf maanden gaat in op de datum van de eerste kwalificatie. De periodieke evaluatie van de FSTD dient plaats te vinden binnen zestig dagen voorafgaand aan het einde van dit terugkerende evaluatietijdvak van twaalf maanden;

2)

om de drie jaar in het geval van een BITD.

ARA.FSTD.130   Wijzigingen

a)

Bij ontvangst van een aanvraag tot wijziging van het FSTD-kwalificatiecertificaat dient de bevoegde autoriteit te voldoen aan de ter zake geldende eisen van de eerste evaluatieprocedure als beschreven in ARA.FSTD.100 a) en b).

b)

De bevoegde autoriteit mag een speciale evaluatie uitvoeren na grote wijzigingen of wanneer een FSTD schijnbaar niet presteert in overeenstemming met het eerste kwalificatieniveau.

c)

De bevoegde autoriteit dient altijd een speciale evaluatie uit te voeren alvorens een hoger kwalificatieniveau te verlenen aan de FSTD.

ARA.FSTD.135   Bevindingen en corrigerende maatregelen — FSTD-kwalificatiecertificaat

Overeenkomstig ARA.GEN.350 dient de bevoegde autoriteit onder meer in de volgende omstandigheden een FSTD-kwalificatiecertificaat, naargelang het geval, te beperken, op te schorten of in te trekken:

a)

het verkrijgen van een FSTD-kwalificatiecertificaat door vervalsing van voorgelegde documenten;

b)

de organisatie die de FSTD exploiteert, kan niet langer aantonen dat de FSTD voldoet aan de desbetreffende kwalificatiebasis, of

c)

de organisatie die de FSTD exploiteert, voldoet niet langer aan de toepasselijke eisen van Deel-ORA.

ARA.FSTD.140   Gegevensbeheer

Naast de bij ARA.GEN.220 vereiste gegevens dient de bevoegde autoriteit een lijst bij te houden en te actualiseren van de gekwalificeerde FSTD’s die onder haar toezicht staan, met opgave van de datums waarop evaluaties verplicht zijn en wanneer dergelijke evaluaties werden uitgevoerd.

SUBDEEL AeMC

SPECIFIEKE EISEN MET BETREKKING TOT LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE CENTRA (AeMC’s)

SECTIE I

Algemeen

ARA.AeMC.110   Initiële certificeringsprocedure

Voor de certificeringsprocedure van een AeMC gelden de bepalingen van ARA.GEN.310.

ARA.AeMC.150   Bevindingen en corrigerende maatregelen — AeMC

Onverminderd ARA.GEN.350 omvatten niveau 1-bevindingen ten minste, maar niet uitsluitend:

a)

het niet aanwijzen van een hoofd van het AeMC;

b)

het niet in acht nemen van het medisch beroepsgeheim met betrekking tot luchtvaartmedische gegevens, en

c)

het niet verstrekken van medische en statistische gegevens aan de bevoegde autoriteit voor toezichtdoeleinden.

SUBDEEL MED

SPECIFIEKE EISEN INZAKE LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE CERTIFICERING

SECTIE I

Algemeen

ARA.MED.120   Medische beoordelaars

De bevoegde autoriteit dient één of meer medische beoordelaars aan te stellen om de in deze sectie beschreven taken uit te voeren. De medische beoordelaar dient te beschikken over de bevoegdheid en een certificaat voor het uitoefenen van de geneeskunde en moet:

a)

minstens vijf jaar postuniversitaire werkervaring hebben in de geneeskunde;

b)

specifieke kennis en ervaring hebben opgedaan in de luchtvaartgeneeskunde, en

c)

specifiek zijn opgeleid in medische certificering.

ARA.MED.125   Verwijzing naar de vergunningverlenende autoriteit

Wanneer een AeMC of luchtvaartgeneeskundige keuringsarts (AME) het besluit over de geschiktheid van een aanvrager aan de vergunningverlenende autoriteit heeft voorgelegd:

a)

dient de medische beoordelaar of het medisch personeel dat is aangewezen door de bevoegde autoriteit de ter zake doende medische documenten te evalueren en zo nodig aanvullende medische documenten, onderzoeken en tests op te vragen, en

b)

dient de medische beoordelaar te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de afgifte van een medische verklaring, zo nodig met één of meer beperkingen.

ARA.MED.130   Model van medische verklaring

Het model van de medische verklaring dient overeen te stemmen met aanhangsel VI van dit deel.

ARA.MED.135   Luchtvaartmedische formulieren

De bevoegde autoriteit dient formulieren te gebruiken voor:

a)

de aanvraag van een medische verklaring;

b)

het onderzoeksverslag voor aanvragers van klasse 1 en klasse 2, en

c)

het onderzoeksverslag voor aanvragers van een bewijs van bevoegdheid als recreatief vlieger (LAPL).

ARA.MED.145   Kennisgeving aan huisartsen door de bevoegde autoriteit

De bevoegde autoriteit dient, voor zover van toepassing, een kennisgevingsproces voor huisartsen in te voeren om te waarborgen dat de huisarts op de hoogte is van de in MED.B.095 vervatte medische eisen.

ARA.MED.150   Gegevensbeheer

a)

Naast de in ARA.GEN.220 voorgeschreven gegevens dient de bevoegde autoriteit in haar registratiesysteem bijzonderheden op te nemen over luchtvaartmedische keuringen en beoordelingen die worden ingediend door AME’s, AeMC’s of huisartsen.

b)

Alle luchtvaartmedische gegevens van houders van bewijzen van bevoegdheid moeten worden bewaard gedurende minstens tien jaar na het vervallen van hun laatste medische verklaring.

c)

Met het oog op luchtvaartmedische keuringen en standaardisatie, worden alle luchtvaartmedische dossiers na schriftelijke toestemming van de aanvrager/houder van het bewijs van bevoegdheid beschikbaar gesteld aan:

1)

een AeMC, AME of huisarts teneinde een luchtvaartmedische keuring uit te voeren;

2)

een medische toetsingscommissie die de bevoegde autoriteit mag instellen voor een extra verificatie van grensgevallen;

3)

relevante medische vakspecialisten teneinde een luchtvaartmedische keuring uit te voeren;

4)

de medische beoordelaar van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat met het oog op een toezicht in onderlinge samenwerking;

5)

de betrokken aanvrager/houder van het bewijs van bevoegdheid wanneer die schriftelijk daarom verzoekt, en

6)

het Agentschap voor standaardisatiedoeleinden na het anonimiseren, dat wil zeggen het verwijderen van alle persoonlijke bijzonderheden over de aanvrager/houder van het bewijs van bevoegdheid.

d)

De bevoegde autoriteit mag luchtvaartmedische dossiers voor andere dan de onder c) vermelde doeleinden ter beschikking stellen, overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG, zoals ten uitvoer gelegd in de nationale wetgeving.

e)

De bevoegde autoriteit houdt lijsten bij:

1)

van alle luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen die houder zijn van een geldig certificaat dat door die autoriteit is afgegeven, en

2)

voor zover van toepassing, van alle huisartsen die op hun grondgebied optreden als luchtvaartgeneeskundig keuringsarts.

Desgevraagd moeten deze lijsten kenbaar worden gemaakt aan andere lidstaten en aan het Agentschap.

SECTIE II

Luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen (AME’s)

ARA.MED.200   Procedure voor de afgifte, verlenging, hernieuwde afgifte of wijziging van een certificaat van AME

a)

Voor de certificeringsprocedure van een AME gelden de bepalingen van ARA.GEN.315. Alvorens het certificaat af te geven, dient de bevoegde autoriteit te beschikken over het bewijs dat de praktijk van de AME volledig is toegerust om luchtvaartmedische onderzoeken uit te voeren die onder het toepassingsgebied van het aangevraagde AME-certificaat vallen.

b)

Als de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de AME voldoet aan de toepasselijke eisen, gaat zij over tot de afgifte, verlenging, hernieuwde afgifte of wijziging van het AME-certificaat voor een periode van drie jaar, waarbij zij gebruikmaakt van het in aanhangsel VII van dit deel vastgestelde formulier.

ARA.MED.240   Huisartsen die optreden als AME’s

De bevoegde autoriteit van een lidstaat dient het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten mee te delen of huisartsen luchtvaartmedische keuringen voor het bewijs van bevoegdheid als recreatief vlieger (LAPL) op hun grondgebied mogen uitvoeren.

ARA.MED.245   Voortdurend toezicht op AME’s en huisartsen

Bij het uitwerken van het in ARA.GEN.305 bedoelde programma inzake voortdurend toezicht dient de bevoegde autoriteit rekening te houden met het aantal AME’s en huisartsen dat hun rechten uitoefent op het grondgebied waar de bevoegde autoriteit toezicht uitoefent.

ARA.MED.250   Beperking, schorsing of intrekking van een AME-certificaat

a)

De bevoegde autoriteit dient een AME-certificaat te beperken, te schorsen of in te trekken indien:

1)

de AME niet langer voldoet aan de toepasselijke eisen;

2)

de criteria inzake certificering of voortdurend toezicht niet worden nageleefd;

3)

geen luchtvaartmedische administratie wordt gevoerd of onjuiste gegevens of informatie wordt verstrekt;

4)

medische dossiers, certificaten of documenten worden vervalst;

5)

feiten die verband houden met een aanvraag voor, of van de houder van een medische verklaring worden achtergehouden of in geval van valse of bedrieglijke verklaringen of voorstelling van zaken aan de bevoegde autoriteit;

6)

na een audit van de AME-praktijk vastgestelde bevindingen niet worden rechtgezet, en

7)

de gecertificeerde AME daarom verzoekt.

b)

Het AME-certificaat wordt automatisch ingetrokken in de volgende gevallen:

1)

intrekking van de vergunning om het artsenberoep uit te oefenen, of

2)

schrapping uit het artsenregister.

ARA.MED.255   Handhavingsmaatregelen

Indien tijdens het toezicht of anderszins bewijzen worden gevonden dat een luchtvaartmedisch centrum, luchtvaartmedische keuringsarts of huisarts de vereisten niet naleeft, dient de vergunningverlenende autoriteit te beschikken over een proces om de door dit luchtvaartmedisch centrum, die luchtvaartmedische keuringsarts of die huisarts afgegeven medische verklaringen opnieuw te bekijken en mag deze eventueel nietig verklaren in zoverre dat nodig is om de vliegveiligheid te waarborgen.

SECTIE III

Medische certificering

ARA.MED.315   Beoordeling van onderzoeksverslagen

De vergunningverlenende autoriteit dient te beschikken over een proces om:

a)

van de luchtvaartgeneeskundige centra, luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen en huisartsen ontvangen onderzoeks- en beoordelingsverslagen opnieuw te bekijken en eventuele tegenstrijdigheden, vergissingen of fouten in het beoordelingsproces aan hen te melden, en

b)

luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen en luchtvaartgeneeskundige centra desgevraagd te assisteren om, in geval van betwisting, een besluit te nemen over de luchtvaartmedische geschiktheid.

ARA.MED.325   Tweede beoordelingsprocedure

De bevoegde autoriteit dient een procedure in te voeren om grensgevallen en betwiste gevallen opnieuw te bekijken met onafhankelijke medische adviseurs die ervaren zijn in de uitoefening van de luchtvaartgeneeskunde teneinde de geschiktheid van een aanvrager voor medische certificering te beoordelen en advies daarover te geven.

Aanhangsel I van BIJLAGE VI DEEL-ARA

Bewijs van bevoegdheid voor cockpitbemanning

Het door een lidstaat overeenkomstig Deel-FCL afgegeven bewijs van bevoegdheid voor cockpitbemanning moet in overeenstemming zijn met de volgende specificaties:

a)

Inhoud. Het nummer van de vermelding moet altijd samen met het opschrift ervan worden gedrukt. Vermeldingen I tot XI zijn „vaste” vermeldingen en vermeldingen XII tot XIV zijn „variabele” vermeldingen die kunnen voorkomen op een afzonderlijk of uitneembaar deel van het hoofdformulier. Elk afzonderlijk of uitneembaar deel moet duidelijk identificeerbaar zijn als onderdeel van het bewijs van bevoegdheid.

1)

Vaste vermeldingen:

I)

staat die het bewijs van bevoegdheid afgeeft;

II)

benaming van het bewijs van bevoegdheid;

III)

serienummer van het bewijs van bevoegdheid, te beginnen met de VN-landcode van de staat die het bewijs van bevoegdheid afgeeft, gevolgd door „FCL” en een code bestaande uit Arabische cijfers en/of Latijnse letters;

IV)

naam van de houder (ook in Latijns schrift, indien het schrift van de nationale ta(a)l(en) niet Latijns is);

IVa)

geboortedatum;

V)

adres van de houder;

VI)

nationaliteit van de houder;

VII)

handtekening van de houder;

VIII)

bevoegde autoriteit en, zo nodig, de voorwaarden waaronder het bewijs van bevoegdheid werd afgegeven;

IX)

bewijs betreffende de geldigheid en de machtiging om de verleende rechten uit te oefenen;

X)

handtekening van de ambtenaar die het bewijs van bevoegdheid afgeeft en datum van afgifte, en

XI)

zegel of stempel van de bevoegde autoriteit.

2)

Variabele vermeldingen

XII)

bevoegdverklaringen en certificaten: klasse, type, certificaten van instructeur enz., met vervaldatums. Rechten inzake radiotelefonie (R/T) mogen op het bewijs van bevoegdheid of op een afzonderlijk certificaat worden vermeld;

XIII)

opmerkingen: d.w.z. bijzondere aantekeningen betreffende beperkingen en aantekeningen inzake rechten, met inbegrip van aantekeningen betreffende de talenkennis en bevoegdverklaringen voor luchtvaartuigen van bijlage II, wanneer deze voor commercieel luchtvervoer worden gebruikt, en

XIV)

eventuele andere bijzonderheden waar de bevoegde autoriteit om vraagt (bv. geboorteplaats/plaats van herkomst).

b)

Materiaal. Het papier of ander materiaal dat wordt gebruikt, moet van die aard zijn dat elke wijziging of uitwissing uitgesloten of direct zichtbaar is. De bevoegde autoriteit moet uitdrukkelijk toestemmen met elk gegeven dat aan het formulier wordt toegevoegd of eruit geschrapt.

c)

Taal. De bewijzen van bevoegdheid moeten worden geschreven in de nationale ta(a)l(en) en in het Engels alsook in andere talen die de bevoegde autoriteit passend acht.

Image

Image

Image

Aanhangsel II van BIJLAGE VI DEEL-ARA

EASA-standaardmodel voor attesten voor cabinebemanning

Attesten voor cabinebemanning die overeenkomstig Deel-CC in een lidstaat zijn afgegeven, moeten voldoen aan de volgende specificaties:

Image

Instructies:

a)

Het attest voor cabinebemanning dient alle hierna in punt 1 tot 12 opgegeven vermeldingen te bevatten die nader zijn bepaald in EASA-formulier 142.

b)

De paginagrootte is één achtste van een A4-formaat en het gebruikte materiaal moet van die aard zijn dat elke wijziging of schrapping uitgesloten of direct zichtbaar is.

c)

Het document wordt gedrukt in het Engels en in andere talen die de bevoegde autoriteit passend acht.

d)

Het document wordt afgegeven door de bevoegde autoriteit of door een organisatie die is erkend om cabinepersoneelattesten af te geven. In dat laatste geval wordt verwezen naar de erkenning door de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

e)

Het cabinepersoneelattest wordt in alle lidstaten erkend; het is dus niet nodig om het document om te wisselen wanneer in een andere lidstaat wordt gewerkt.

Vermelding 1

:

De benaming „ATTEST VOOR CABINEBEMANNING” en de verwijzing naar Deel-CC.

Vermelding 2

:

Het referentienummer van het attest, dat altijd begint met de VN-landcode van de lidstaat, gevolgd door minstens de twee laatste cijfers van het jaar van afgifte en een individuele referentie/individueel nummer waarvan de code door de bevoegde autoriteit wordt vastgelegd (bijvoorbeeld BE-08-xxxx).

Vermelding 3

:

De lidstaat waar het attest is afgegeven.

Vermelding 4

:

De volledige naam (achternaam en voornaam) die vermeld staat in het officiële identiteitsbewijs van de houder.

Vermelding 5 en 6

:

Geboortedatum en -plaats alsook de nationaliteit die vermeld staat in het officiële identiteitsbewijs van de houder.

Vermelding 7

:

De handtekening van de houder.

Vermelding 8

:

Identificatiegegevens van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het attest is afgegeven, inclusief volledige naam van de bevoegde autoriteit, postadres, officieel zegel en logo, indien van toepassing.

Vermelding 9

:

„Bevoegde autoriteit” als de bevoegde autoriteit de afgevende instantie is, alsook het officiële zegel of stempel.

Voor een erkende organisatie moeten identificatiegegevens worden vermeld, waaronder minstens de volledige naam van de organisatie, het postadres en, indien van toepassing, het logo en:

a)

in het geval van een commerciële luchtvervoersonderneming, het nummer van het bewijs luchtvaartexploitant (Air Operator Certificate, AOC) en een gedetailleerde verwijzing naar de erkenningen die door de bevoegde autoriteit werden verleend om cabinebemanning op te leiden en attesten af te geven, of

b)

in het geval van een erkende opleidingsorganisatie, het referentienummer van de desbetreffende erkenning door de bevoegde autoriteit.

Vermelding 10

:

De handtekening van de persoon die namens de afgevende instantie optreedt.

Vermelding 11

:

Standaarddatumnotatie gebruiken: dag/maand/viercijferig jaar (bijvoorbeeld 22.02.2008).

Vermelding 12

:

Dezelfde zin in het Engels en de volledige en nauwkeurige vertaling in andere talen die de bevoegde autoriteit passend acht.

Aanhangsel III van BIJLAGE VI DEEL-ARA

Image

Image

Aanhangsel IV van BIJLAGE VI DEEL-ARA

KWALIFICATIECERTIFICAAT VOOR VLUCHTNABOOTSER (FSTD)

Inleiding

EASA-formulier 145 dient te worden gebruikt voor het FSTD-kwalificatiecertificaat. Dit document bevat de FSTD-specificatie met inbegrip van eventuele beperking(en) en bijzondere toestemming(en) of erkenning(en), naargelang het geval, voor de desbetreffende FSTD. Het kwalificatiecertificaat wordt gedrukt in het Engels en in andere door de bevoegde autoriteit bepaalde talen.

Converteerbare FSTD’s moeten een afzonderlijk kwalificatiecertificaat voor elk luchtvaartuigtype hebben. Voor verschillende motoren en uitrustingen die op één en dezelfde FSTD passen, zijn geen afzonderlijke kwalificatiecertificaten vereist. Op alle kwalificatiecertificaten moet een serienummer worden vermeld, voorafgegaan door een lettercode die eigen is aan de desbetreffende FSTD. De lettercode is eigen aan de bevoegde autoriteit van afgifte.

Image

Image

Aanhangsel V van BIJLAGE VI DEEL-ARA

Image

Aanhangsel VI van BIJLAGE VI DEEL-ARA

STANDAARDMODEL MEDISCHE VERKLARING EASA

De medische verklaring dient te voldoen aan de volgende specificaties:

a)

Inhoud

1)

Staat waar het bewijs van bevoegdheid als piloot is afgegeven of aangevraagd (I),

2)

Klasse medische verklaring (II),

3)

Nummer van het bewijs van bevoegdheid, te beginnen met de VN-landcode van de staat waar het bewijs van bevoegdheid als piloot is afgegeven en gevolgd door een code bestaande uit Arabische cijfers en/of Latijnse letters (III),

4)

Naam van de houder (IV),

5)

Nationaliteit van de houder (VI),

6)

Geboortedatum van de houder: (dd/mm/jjjj) (XIV),

7)

Handtekening van de houder (VII),

8)

Beperking(en) (XIII),

9)

Vervaldatum van de medische verklaring (IX) voor:

 

Commerciële passagiersvluchten met één piloot van klasse 1,

 

Overige commerciële vluchtuitvoeringen van klasse 1,

 

Klasse 2,

 

LAPL,

10)

Datum van de medische keuring,

11)

Datum van het laatste elektrocardiogram,

12)

Datum van het laatste audiogram,

13)

Datum van afgifte en handtekening van de luchtvaartgeneeskundige keuringsarts (AME) of medische beoordelaar die de medische verklaring heeft afgegeven (X). In dit veld mag de huisarts worden vermeld indien hij bevoegd is om medische verklaringen af te geven overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat van afgifte,

14)

Zegel of stempel (XI).

b)

Materiaal. Behalve in het geval van een door een huisarts afgegeven LAPL moet het papier of ander materiaal dat wordt gebruikt van die aard zijn dat elke wijziging of uitwissing uitgesloten of direct zichtbaar is. De vergunningverlenende autoriteit moet uitdrukkelijk toestemmen met elk gegeven dat aan het formulier wordt toegevoegd of eruit geschrapt.

c)

Taal. De bewijzen van bevoegdheid moeten worden geschreven in de nationale ta(a)l(en) en in het Engels alsook in andere talen die de vergunningverlenende autoriteit passend acht.

d)

Alle datums in de medische verklaring worden vermeld in de notatie dd/mm/jjjj.

e)

In dit aanhangsel is een standaardmodel van medische verklaring opgenomen.

Image

Image

Image

Aanhangsel VII van BIJLAGE VI DEEL-ARA

Image

Image

BIJLAGE VII

ORGANISATORISCHE EISEN MET BETREKKING TOT BOORDPERSONEEL

[DEEL-ORA]

SUBDEEL GEN

ALGEMENE EISEN

SECTIE I

Algemeen

ORA.GEN.105   Bevoegde autoriteit

a)

In dit deel wordt verstaan onder de bevoegde autoriteit die toezicht uitoefent op:

1)

aan een certificeringsverplichting onderworpen organisaties:

i)

voor organisaties waarvan de hoofdzetel in een lidstaat is gevestigd, de door die lidstaat aangeduide autoriteit;

ii)

voor organisaties waarvan de hoofdzetel niet in een lidstaat is gevestigd, het Agentschap;

2)

FSTD’s:

i)

het Agentschap, voor FSTD’s die:

buiten het grondgebied van de lidstaten zijn gevestigd, of

op het grondgebied van de lidstaten gelegen FSTD’s die worden geëxploiteerd door organisaties waarvan de hoofdzetel in een derde land is gevestigd;

ii)

op het grondgebied van de lidstaten gelegen FSTD’s die worden geëxploiteerd door organisaties waarvan de hoofdzetel in een lidstaat is gevestigd, de autoriteit die werd aangeduid door de lidstaat waar de hoofdzetel is gevestigd van de organisatie die deze exploiteert, of het Agentschap op verzoek van die lidstaat.

b)

Wanneer buiten het grondgebied van de lidstaten gesitueerde FSTD’s worden geëxploiteerd door een organisatie die door een lidstaat is gecertificeerd, kwalificeert het Agentschap deze FSTD in overleg met de lidstaat die deze organisatie welke de FSTD exploiteert, heeft gecertificeerd.

ORA.GEN.115   Aanvraag voor een organisatiecertificaat

a)

Aanvragen voor een organisatiecertificaat of wijziging in een bestaand certificaat dienen te worden ingediend in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit is vastgesteld rekening houdend met de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften.

b)

Aanvragers van een eerste certificaat dienen de bevoegde autoriteit in het bezit te stellen van documenten die aantonen hoe zij zullen voldoen aan de eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften. In deze documenten moet een procedure worden opgenomen die beschrijft hoe niet vooraf goed te keuren wijzigingen worden beheerd en hoe de bevoegde autoriteit daarvan in kennis wordt gesteld.

ORA.GEN.120   Wijzen van naleving

a)

In plaats van de door het Agentschap aangenomen wijzen van naleving mag een organisatie alternatieve wijzen van naleving gebruiken om overeenstemming te bereiken met Verordening (EG) nr. 216/2008 en de daarin vervatte uitvoeringsvoorschriften.

b)

Als een organisatie alternatieve wijzen van naleving wenst te gebruiken, dient zij, alvorens deze toe te passen, een volledige beschrijving van deze alternatieve wijzen van naleving te verstrekken aan de bevoegde autoriteit. De beschrijving dient elke ter zake dienende herziening van handboeken of procedures te bevatten alsook een evaluatie waaruit blijkt dat aan Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan is voldaan.

De organisatie mag deze alternatieve wijzen van naleving toepassen mits de bevoegde autoriteit die vooraf goedkeurt en na ontvangst van de in ARA.GEN.120 d) bedoelde kennisgeving.

ORA.GEN.125   Goedkeuringsvoorwaarden en rechten van een organisatie

Een gecertificeerde organisatie dient zich te houden aan het toepassingsgebied en de rechten die zijn vastgelegd in de bij het organisatiecertificaat gevoegde goedkeuringsvoorwaarden.

ORA.GEN.130   Wijzigingen in organisaties

a)

Elke wijziging met betrekking tot:

1)

het toepassingsgebied van het certificaat of de goedkeuringsvoorwaarden van een organisatie, of

2.

elk onderdeel van het beheersysteem van de organisatie, als bedoeld in ORA.GEN.200 a) 1) en a) 2),

dient vooraf door de bevoegde autoriteit te worden goedgekeurd.

b)

Voor wijzigingen die vooraf moeten worden goedgekeurd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan dient de organisatie goedkeuring te vragen aan en te verkrijgen van de bevoegde autoriteit. De aanvraag dient te worden ingediend voordat deze wijziging wordt toegepast teneinde de bevoegde autoriteit de mogelijkheid te bieden vast te stellen dat Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan te allen tijde worden nageleefd en, zo nodig, het organisatiecertificaat en de desbetreffende daarbij gevoegde goedkeuringsvoorwaarden te wijzigen.

De organisatie dient de bevoegde autoriteit alle ter zake dienende documenten te bezorgen.

De wijziging wordt pas toegepast nadat die formeel werd goedgekeurd door de bevoegde autoriteit overeenkomstig ARA.GEN.330.

De organisatie dient bij de exploitatie te voldoen aan de voorwaarden die de bevoegde autoriteit in voorkomend geval voorschrijft tijdens dit wijzigingsproces.

c)

Alle niet vooraf goed te keuren wijzigingen moeten worden beheerd en ter kennis van de bevoegde autoriteit gebracht volgens de procedure die de bevoegde autoriteit heeft goedgekeurd overeenkomstig ARA.GEN.310 c).

ORA.GEN.135   Blijvende geldigheid

a)

Het organisatiecertificaat blijft geldig mits:

1)

de organisatie de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan blijft naleven, rekening houdend met de bepalingen betreffende de afhandeling van bevindingen zoals gespecificeerd onder ORA.GEN.150;

2)

de bevoegde autoriteit toegang wordt verleend tot de organisatie als bepaald in ORA.GEN.140 om de blijvende naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan vast te stellen, en

3)

er geen afstand wordt gedaan van het certificaat of dit niet wordt ingetrokken.

b)

In geval van afstand of intrekking moet het certificaat onverwijld worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit.

ORA.GEN.140   Toegang

Met als doel de naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan vast te stellen, dient de organisatie toegang te verlenen tot alle faciliteiten, luchtvaartuigen, documenten, archieven, gegevens, procedures alsmede elk ander materiaal dat relevant is voor haar certificeringsplichtige en al dan niet gecontracteerde activiteit, aan elke persoon die is gemachtigd door:

a)

de in ORA.GEN.105 vastgelegde bevoegde autoriteit, of

b)

de autoriteit die optreedt krachtens het bepaalde in ARA.GEN.300 d), ARA.GEN.300 e) of ARO.RAMP.

ORA.GEN.150   Bevindingen

Na ontvangst van een kennisgeving betreffende de bevindingen dient de organisatie:

a)

de fundamentele oorzaak van de niet-naleving te identificeren;

b)

een actieplan met corrigerende maatregelen op te stellen, en

c)

aan te tonen dat zij tot voldoening van de bevoegde autoriteit corrigerende maatregelen heeft getroffen binnen een met de bevoegde autoriteit overeengekomen periode als bedoeld in ARA.GEN.350 d).

ORA.GEN.155   Onmiddellijke reactie op een veiligheidsprobleem

De organisatie dient:

a)

alle veiligheidsmaatregelen uit te voeren die zijn voorgeschreven door de bevoegde autoriteit overeenkomstig ARA.GEN.135 c), en

b)

alle relevante verplichte veiligheidsinformatie toe te passen die door het Agentschap wordt verstrekt, met inbegrip van luchtwaardigheidsinstructies.

ORA.GEN.160   Melding van voorvallen

a)

De organisatie dient elk ongeluk, ernstig incident en voorval te melden aan de bevoegde autoriteit en aan elke andere organisatie die op grond van de voorschriften van de staat van de exploitant dient te worden ingelicht overeenkomstig Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) en Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

b)

Onverminderd punt a) dient de organisatie elk incident, elk defect, elke technische storing, elke overschrijding van technische begrenzingen, elk voorval waaruit blijkt dat de informatie die overeenkomstig Deel-21 is opgesteld onnauwkeurig, onvolledig of dubbelzinnig is of elke andere onregelmatigheid die een veilig gebruik van het luchtvaartuig in gevaar heeft of kan hebben gebracht, maar zonder ongeval of ernstig incident tot gevolg, te rapporteren aan de bevoegde autoriteit en de organisatie die verantwoordelijk is voor het ontwerp van het luchtvaartuig.

c)

Onverminderd Verordening (EU) nr. 996/2010, Richtlijn 2003/42/EG, Verordening (EG) nr. 1321/2007 van de Commissie (4) en Verordening (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (5), dienen de onder a) en b) bedoelde meldingen te geschieden in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld en alle relevante informatie te bevatten over de toestand die de organisatie bekend is.

d)

De melding moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden, maar in ieder geval binnen tweeënzeventig uur nadat de organisatie de omstandigheid, waarop de melding betrekking heeft, heeft waargenomen, tenzij buitengewone omstandigheden dit verhinderen.

e)

In voorkomend geval dient de organisatie een follow-upverslag over te leggen met bijzonderheden over de maatregelen die zij van plan is te nemen om soortgelijke voorvallen in de toekomst te vermijden, zodra deze maatregelen zijn geïdentificeerd. Dit verslag moet worden overgelegd in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit zijn vastgesteld.

SECTIE II

Management

ORA.GEN.200   Beheersysteem

a)

De organisatie dient een beheersysteem op te zetten, toe te passen en in stand te houden dat het volgende omvat:

1)

duidelijk afgebakende verantwoordelijkheden en verantwoordingsplichten binnen de organisatie, met inbegrip van een rechtstreekse verantwoordingsplicht van de verantwoordelijke manager op veiligheidsgebied;

2)

een beschrijving van de algemene visie en grondslagen van de organisatie op veiligheidsgebied, veiligheidsbeleid genoemd;

3)

de inventarisatie van (mogelijke) gevaren voor de luchtvaartveiligheid die worden veroorzaakt door de activiteiten van de organisatie, de beoordeling ervan en het beheer van de daarmee gepaard gaande risico’s, waaronder het nemen van risicobeperkende maatregelen en het controleren van de doeltreffendheid van deze maatregelen;

4)

het op peil houden van het opleidings- en vakbekwaamheidsniveau van het personeel met het oog op de taakuitvoering;

5)

het documenteren van alle centrale processen in het beheersysteem, met inbegrip van een proces om het personeel bewust te maken van hun verantwoordelijkheden en de procedure om deze documentatie te wijzigen;

6)

een functie die erop toeziet dat de organisatie de toepasselijke eisen naleeft. Het toezicht op de naleving dient een terugmeldingssysteem te omvatten naar de verantwoordelijke manager om te waarborgen dat corrigerende maatregelen waar nodig daadwerkelijk ten uitvoer worden gelegd, en

7)

eventuele aanvullende eisen die zijn vastgelegd in de desbetreffende subdelen van dit deel of in andere toepasselijke delen.

b)

Het managementsysteem dient te zijn afgestemd op de grootte van de organisatie en op de aard en complexiteit van haar activiteiten, rekening houdend met de gevaren en daarmee samenhangende risico’s die eigen zijn aan deze activiteiten.

ORA.GEN.205   Gecontracteerde activiteiten

a)

Gecontracteerde activiteiten omvatten alle activiteiten binnen de reikwijdte van de erkenning van de organisatie die worden uitgevoerd door een andere organisatie die zelf werd gecertificeerd om dergelijke activiteit uit te voeren of die, indien zij niet werd gecertificeerd, werkt met toestemming van de contracterende organisatie. Bij het contracteren of inkopen van enig onderdeel van haar activiteit dient de organisatie erop toe te zien dat de gecontracteerde of ingekochte diensten of producten voldoen aan de toepasselijke eisen.

b)

Indien de gecertificeerde organisatie een contract sluit om enig onderdeel van haar activiteit te laten uitvoeren door een organisatie die zelf niet overeenkomstig dit deel werd gecertificeerd om dergelijke activiteit uit te voeren, dient de gecontracteerde organisatie te werken met toestemming van de contracterende organisatie. De contracterende organisatie dient ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteit toegang wordt verleend tot de gecontracteerde organisatie om vast te stellen dat de toepasselijke eisen te allen tijde worden nageleefd.

ORA.GEN.210   Personeelseisen

a)

De organisatie dient een verantwoordelijke manager aan te stellen die bevoegd is om ervoor te zorgen dat alle activiteiten kunnen worden gefinancierd en uitgevoerd conform de toepasselijke eisen. De verantwoordelijke manager draagt de verantwoordelijkheid om een doeltreffend beheersysteem op te zetten en in stand te houden.

b)

De organisatie dient een persoon of groep van personen aan te stellen die de verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat de organisatie de toepasselijke eisen steeds naleeft. Die perso(o)n(en) zal (zullen) uiteindelijk verantwoordelijk zijn ten opzichte van de verantwoordelijke manager.

c)

De organisatie dient te beschikken over voldoende gekwalificeerd personeel om de geplande taken en activiteiten te laten uitvoeren met inachtneming van de toepasselijke eisen.

d)

De organisatie dient gepaste ervarings-, kwalificatie- en opleidingsgegevens bij te houden om aan te tonen dat het bepaalde onder c) hierboven wordt nageleefd.

e)

De organisatie dient ervoor te zorgen dat alle personeelsleden zich bewust zijn van de regels en procedures die gelden voor de uitvoering van hun taken.

ORA.GEN.215   Eisen inzake faciliteiten

De organisatie dient over de nodige faciliteiten te beschikken om alle geplande taken en activiteiten uit te voeren en te beheren met inachtneming van de toepasselijke eisen.

ORA.GEN.220   Gegevensbeheer

a)

De organisatie dient een registratiesysteem uit te werken dat het mogelijk maakt alle uitgevoerde activiteiten op adequate wijze op te slaan en betrouwbaar te traceren, en dat meer in het bijzonder alle in ORA.GEN.200 vermelde onderdelen bestrijkt.

b)

De vorm van de gegevens wordt gespecificeerd in de procedures van de organisatie.

c)

De gegevens worden zodanig opgeslagen dat bescherming tegen beschadiging, wijziging en diefstal gewaarborgd is.

SUBDEEL ATO

ERKENDE OPLEIDINGSORGANISATIES

SECTIE I

Algemeen

ORA.ATO.100   Toepassingsgebied

In dit subdeel worden de eisen vastgelegd die moeten worden nageleefd door organisaties die opleidingen verzorgen met het oog op het verkrijgen van bewijzen van bevoegdheid als piloot en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen en certificaten.

ORA.ATO.105   Aanvraag

a)

Aanvragers van een certificaat als erkende opleidingsorganisatie (ATO) dienen de bevoegde autoriteit in het bezit te stellen van:

1)

de volgende informatie:

i)

naam en adres van de opleidingsorganisatie;

ii)

begindatum van de beoogde activiteit;

iii)

persoonsgegevens en kwalificaties van het hoofd opleidingen (HT), de vlieginstructeur(s), de instructeurs vluchtnabootsing en de theorie-instructeur(s);

iv)

naam en adres van het (de) luchtvaartterrein(en) en/of de exploitatievestiging(en) waar de opleiding zal plaatsvinden;

v)

lijst van luchtvaartuigen die zullen worden gebruikt voor de opleiding, met inbegrip van hun groep, klasse of type, registratie, eigenaars en categorie van het luchtwaardigheidsbewijs, indien van toepassing;

vi)

lijst van vluchtnabootsers (FSTD’s) die de opleidingsorganisatie in voorkomend geval van plan is te gebruiken;

vii)

opleidingstype dat de opleidingsorganisatie wil verzorgen en het bijbehorende opleidingsprogramma, en

2)

vlucht- en opleidingshandboeken.

b)

Opleidingsorganisaties voor testvliegen. Onverminderd het bepaalde in a), 1), iv) en v), dienen opleidingsorganisaties die opleidingen voor testvliegen verzorgen alleen de volgende informatie te verstrekken:

1)

naam en adres van het (de) belangrijkste luchtvaartterrein(en) en/of de belangrijkste exploitatievestiging(en) waar de opleiding zal plaatsvinden, en

2)

een lijst van de luchtvaartuigtypen of -categorieën die voor de opleiding voor testvliegen zullen worden gebruikt.

c)

In geval van een wijziging in het certificaat dienen de aanvragers de bevoegde autoriteit de relevante onderdelen te bezorgen van de onder a) bedoelde informatie en documenten.

ORA.ATO.110   Personeelseisen

a)

Er dient een hoofd opleidingen (HT) te worden aangewezen. De HT dient te beschikken over een ruime ervaring als instructeur in de gebieden die van belang zijn voor de door de ATO verzorgde opleiding en moet degelijke leidinggevende capaciteiten hebben.

b)

De HT heeft onder meer de volgende verantwoordelijkheden:

1)

ervoor zorgen dat de aangeboden opleiding in overeenstemming is met Deel-FCL en, wat opleidingen voor testvliegen betreft, dat de desbetreffende eisen van Deel-21 en het opleidingsprogramma werden vastgesteld;

2)

zorgen voor de behoorlijke integratie van de vliegopleiding in een luchtvaartuig of een vluchtnabootser (FSTD) en theoretische instructie, en

3)

de voortgang van individuele cursisten volgen.

c)

Theorie-instructeurs moeten:

1)

beschikken over praktijkgerichte achtergrondkennis op luchtvaartgebied in de onderwerpen die van belang zijn voor de aangeboden opleiding en een opleidingscursus in instructietechnieken hebben gevolgd, of

2)

ervaring hebben opgedaan in theoretische instructie en beschikken over gepaste theoretische achtergrondkennis in het onderwerp waarover zij theorielessen zullen geven.

d)

Vlieginstructeurs en instructeurs vluchtnabootsing moeten in het bezit zijn van de door Deel-FCL voorgeschreven kwalificaties voor het gegeven type van opleiding.

ORA.ATO.120   Gegevensbeheer

De volgende gegevens moeten gedurende minstens drie jaar na de opleiding worden bewaard:

a)

bijzonderheden over aan individuele cursisten gegeven opleidingen op de grond, in de lucht of in een vluchtnabootser;

b)

gedetailleerde en periodieke voortgangsverslagen van instructeurs, met inbegrip van beoordelingen, en periodieke voortgangsverslagen over vliegproeven en examens op de grond, en

c)

informatie over bewijzen van bevoegdheid en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen en certificaten van de cursisten, met inbegrip van de vervaldatums van medische verklaringen en bevoegdverklaringen.

ORA.ATO.125   Opleidingsprogramma

a)

Voor elk aangeboden cursustype moet een opleidingsprogramma worden uitgewerkt.

b)

Het opleidingsprogramma dient te voldoen aan de eisen van Deel-FCL en, wat opleidingen voor testvliegen betreft, aan de ter zake geldende eisen van Deel-21.

ORA.ATO.130   Opleidings- en vluchthandboek

a)

De ATO dient een opleidings- en vluchthandboek op te stellen en bij te houden met informatie en instructies om personeelsleden te helpen hun taken uit te voeren en cursisten bij te staan in het naleven van de cursuseisen.

b)

De ATO moet de informatie in het opleidings- en vluchthandboek en in de erkenningsdocumenten van de ATO beschikbaar stellen aan personeel en, indien van toepassing, aan cursisten.

c)

In het geval van ATO’s die opleidingen voor testvliegen verzorgen, dient het vluchthandboek te voldoen aan de in Deel-21 vastgelegde eisen betreffende het handboek voor testvliegen.

d)

Het vluchthandboek dient regelingen inzake werk- en rusttijden vast te leggen voor vlieginstructeurs, met inbegrip van de maximale vliegtijd, de maximale vliegdienstperioden en de minimale rusttijd tussen instructietaken overeenkomstig Deel-ORO.

ORA.ATO.135   Opleidingsluchtvaartuigen en FSTD’s

a)

De ATO dient gebruik te maken van een gepaste vloot opleidingsluchtvaartuigen of FSTD’s die geschikt zijn voor de aangeboden opleidingscursussen.

b)

De ATO mag uitsluitend opleidingen in FSTD’s verzorgen indien zij de bevoegde autoriteit het bewijs levert dat:

1)

de FSTD-specificaties geschikt zijn voor het desbetreffende opleidingsprogramma;

2)

de gebruikte FSTD’s voldoen aan de toepasselijke eisen van Deel-FCL;

3)

in het geval van een volledige vluchtnabootser (FFS), deze in voldoende mate overeenkomt met het desbetreffende luchtvaartuigtype, en

4)

een systeem is opgezet om op adequate wijze wijzigingen in de FSTD te monitoren en te waarborgen dat deze wijzigingen de geschiktheid van het opleidingsprogramma niet in het gedrang brengen.

c)

Indien het voor de vaardigheidstest gebruikte luchtvaartuig van een ander type is dan de FFS die voor de opleiding in zichtvliegen wordt gebruikt, moet de vrijstelling voor vliegtijd beperkt blijven tot het maximum dat is toegekend voor de vlucht- en navigatieprocedureopleidingstoestel II (FNPT II) voor vleugelvliegtuigen en FNPT II/III voor helikopters in het desbetreffende vliegopleidingsprogramma.

d)

Opleidingsorganisaties voor testvliegen. Luchtvaartuigen die voor opleidingen voor testvliegen worden gebruikt, moeten naar behoren zijn uitgerust met testvlieginstrumentatie die is afgestemd op de opleidingsdoelstelling.

ORA.ATO.140   Luchtvaartterreinen en exploitatievestigingen

Om vliegopleidingen in een luchtvaartuig te verzorgen, dient de ATO gebruik te maken van luchtvaartterreinen of exploitatievestigingen die gepaste faciliteiten en kenmerken hebben voor een opleiding in relevante vliegmanoeuvres, rekening houdend met de aangeboden opleiding en de categorie en het type van het gebruikte luchtvaartuig.

ORA.ATO.145   Voorafgaande opleidingsvereisten

a)

De ATO dient ervoor te zorgen dat de cursisten voldoen aan alle voorafgaande opleidingsvereisten die zijn vastgelegd in Deel-Medisch, Deel-FCL, en, voor zover van toepassing, in de overeenkomstig Deel-21 vastgelegde gegevens.

b)

In het geval van ATO’s die opleidingen voor testvliegen verzorgen, dienen de cursisten te voldoen aan alle voorafgaande opleidingsvereisten die zijn vastgelegd in Deel-21.

ORA.ATO.150   Opleiding in derde landen

Indien de ATO een erkenning heeft om opleidingen te verzorgen met het oog op de bevoegdverklaring instrumentvliegen (IR) in derde landen:

a)

dient het opleidingsprogramma te voorzien in gewenningsvluchten in een van de lidstaten voordat de IR-vaardigheidstest wordt afgelegd, en

b)

dient de IR-vaardigheidstest in een van de lidstaten te worden afgelegd.

SECTIE II

Aanvullende eisen voor ATO’s die opleidingen verzorgen voor CPL, MPL en ATPL, en de daarmee samenhangende bevoegdverklaringen en certificaten

ORA.ATO.210   Personeelseisen

a)

Hoofd opleidingen (HT). Behalve in het geval van ATO’s die opleidingen voor testvliegen aanbieden, dient de aangewezen HT ruime ervaring te hebben opgedaan met opleidingen als instructeur voor professionele bewijzen van bevoegdheid als piloot en daarmee samenhangende bevoegdverklaringen of certificaten.

b)

Chef vlieginstructeur (CFI). De ATO die de vlieginstructie verzorgt, dient een CFI aan te stellen die verantwoordelijk is voor het toezicht op de vlieginstructeurs en instructeurs vluchtnabootsing alsmede voor de standaardisering van elke vlieginstructie en instructie in een vluchtnabootser. De CFI dient houder te zijn van het hoogste bewijs van bevoegdheid als beroepsvlieger en de daarmee samenhangende bevoegdverklaringen met betrekking tot de aangeboden vliegopleidingscursussen, en dient eveneens in het bezit te zijn van een certificaat van instructeur met instructiebevoegdheid voor minstens een van de aangeboden opleidingscursussen.

c)

Chef theorie-instructeur (CTKI). De ATO die theoretische instructie geeft, dient een CTKI aan te stellen die verantwoordelijk is voor het toezicht op alle theorie-instructeurs en voor de standaardisering van de theoretische instructie. De CTKI dient ruime ervaring te hebben opgedaan als theorie-instructeur op alle gebieden die van belang zijn voor de door de ATO aangeboden opleiding.

ORA.ATO.225   Opleidingsprogramma

a)

Het opleidingsprogramma is onderverdeeld in een vlieginstructie en theoretische instructie, op weekbasis of gefaseerd, alsook in een lijst van standaardoefeningen en een syllabusoverzicht.

b)

De inhoud en volgorde van het opleidingsprogramma worden in het opleidingshandboek gespecificeerd.

ORA.ATO.230   Opleidings- en vluchthandboek

a)

In het opleidingshandboek worden voor elke opleidingsfase de normen, doelstellingen en opleidingsdoeleinden vermeld waaraan de cursisten dienen te voldoen, waarbij de volgende onderwerpen aan bod komen:

opleidingsplan,

informatieverstrekking en vliegoefeningen,

vliegopleiding in een FSTD, voor zover van toepassing,

theoretische instructie.

b)

Het operationeel handboek bevat relevante informatie voor specifieke groepen van personeelsleden, zoals vlieginstructeurs, instructeurs vluchtnabootsing, theorie-instructeurs, vlucht- en onderhoudspersoneel, en bevat algemene en technische informatie, route-informatie en informatie over personeelsopleidingen.

SECTIE III

Aanvullende eisen voor ATO’s die specifieke opleidingstypen verzorgen

Hoofdstuk 1

Leren op afstand

ORA.ATO.300   Algemeen

De ATO mag een erkenning krijgen om in de volgende gevallen modulaire cursusprogramma’s te verzorgen via leren op afstand:

a)

modulaire cursussen theoretische instructie;

b)

aanvullende theoriecursussen voor een klasse- of typeaantekening, of

c)

erkende theoretische toelatingscursussen voor een eerste typeaantekening voor een meermotorige helikopter.

ORA.ATO.305   Klassikaal onderricht

a)

In alle leervakken van modulaire cursussen gebaseerd op leren op afstand dient een onderdeel klassikaal onderricht te worden opgenomen.

b)

De aan klassikaal onderricht bestede tijd mag niet minder bedragen dan 10 % van de totale cursusduur.

c)

Daartoe moeten de nodige klaslokalen beschikbaar zijn in de hoofdzetel van de ATO of op een geschikte locatie elders.

ORA.ATO.310   Instructeurs

Alle instructeurs moeten de eisen van het cursusprogramma voor leren op afstand goed kennen.

Hoofdstuk 2

Vlieguurloze opleiding

ORA.ATO.330   Algemeen

a)

Een erkenning voor een vlieguurloze opleiding (ZFTT), als bedoeld in Deel-FCL, mag uitsluitend worden gegeven aan ATO’s die ook het recht hebben commerciële vluchten uit te voeren of aan ATO’s die specifieke regelingen hebben met commerciële luchtvervoersondernemingen.

b)

Een erkenning voor ZFTT mag uitsluitend worden toegekend indien de exploitant minstens negentig dagen operationele ervaring heeft met het desbetreffende luchtvaartuigtype.

c)

Indien de ZFTT wordt verzorgd door een ATO die een specifieke regeling heeft met een exploitant, is de eis van negentig dagen operationele ervaring niet van toepassing indien de instructeur voor een typebevoegdverklaring (TRI(A)) die is betrokken bij de extra starts en landingen, zoals voorgeschreven in Deel-ORO, operationele ervaring heeft opgedaan met het vliegtuigtype.

ORA.ATO.335   Volledige vluchtnabootser (FFS)

a)

De voor ZFTT erkende FFS dient in bruikbare toestand te verkeren overeenkomstig de criteria inzake het beheersysteem van de ATO.

b)

Het voortbewegings- en visueel systeem van de FFS moeten volledig gebruiksklaar zijn overeenkomstig de geldende certificeringsspecificaties voor FSTD’s als bedoeld in ORA.FSTD.205.

Hoofdstuk 3

Cursussen voor een meervliegervliegbewijs (MPL)

ORA.ATO.350   Algemeen

De rechten om geïntegreerde opleidingscursussen voor MPL en cursussen voor MPL-instructeur te verzorgen mogen uitsluitend aan de ATO worden verleend indien die ook het recht heeft commerciële vluchten uit te voeren of een specifieke regeling heeft met een commerciële luchtvervoersonderneming.

Hoofdstuk 4

Opleiding voor testvliegen

ORA.ATO.355   Opleidingsorganisaties voor testvliegen

a)

Indien de ATO een erkenning heeft gekregen om opleidingen voor testvliegen aan te bieden met het oog op de afgifte van een bevoegdverklaring voor testvliegen van categorie 1 of 2 overeenkomstig Deel-FCL, mogen haar rechten worden uitgebreid tot het verzorgen van opleidingen voor andere categorieën testvliegen en andere personeelscategorieën, mits:

1)

de desbetreffende eisen van Deel-21 worden nageleefd, en

2)

een specifieke regeling bestaat tussen de ATO en Deel-21-conforme organisatie die dit personeel in dienst neemt of van plan is dat te doen.

b)

De opleidingsregisters dienen de schriftelijke rapporten van de cursist te bevatten, zoals voorgeschreven door het opleidingsprogramma, waar nodig met inbegrip van de gegevensverwerking en analyse van de opgenomen parameters die van belang zijn voor het type testvlucht.

SUBDEEL FSTD

EISEN VOOR ORGANISATIES DIE VLUCHTNABOOTSERS (FSTD’S) EXPLOITEREN EN DE KWALIFICATIE VAN FSTD’S

SECTIE I

Eisen voor organisaties die FSTD’s exploiteren

ORA.FSTD.100   Algemeen

a)

De aanvrager van een FSTD-kwalificatiecertificaat dient de bevoegde autoriteit aan te tonen dat een beheersysteem werd opgezet overeenkomstig sectie II van ORA.GEN. Daardoor wordt gewaarborgd dat de aanvrager, rechtstreeks of door middel van contracten, in staat is de voor het FSTD-kwalificatieniveau voorgeschreven prestaties, functies en andere kenmerken in stand te houden en de installatie van de FSTD te controleren.

b)

Indien de aanvrager houder is van een kwalificatiecertificaat dat overeenkomstig dit deel werd afgegeven, moeten de FSTD-specificaties in detail worden uiteengezet:

1)

in de voorwaarden van het ATO-certificaat, of

2)

wat de houder van een bewijs luchtvaartexploitant (AOC) betreft, in het opleidingshandboek.

ORA.FSTD.105   Handhaving van de FSTD-kwalificatie

a)

Teneinde de FSTD-kwalificatie te handhaven moet de houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat de volledige reeks tests in de Master Qualification Test Guide (MQTG), samen met de functionele en subjectieve tests gespreid over een periode van twaalf maanden, uitvoeren.

b)

De resultaten dienen te worden gedateerd, als geanalyseerd gemarkeerd en geëvalueerd, en moeten worden bewaard overeenkomstig ORA.FSTD.240 teneinde aan te tonen dat de FSTD-normen in stand worden gehouden.

c)

Er dient een configuratiecontrolesysteem te worden opgezet ter waarborging van de voortdurende integriteit van de hardware en software van de gekwalificeerde FSTD.

ORA.FSTD.110   Wijzigingen

a)

De houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat dient een systeem op te zetten en in stand te houden om elke ingrijpende wijziging in de door hem geëxploiteerde FSTD’s te identificeren, te beoordelen en te integreren, meer in het bijzonder:

1)

wijzigingen in luchtvaartuigen die van essentieel belang zijn voor opleidings-, test- en bekwaamheidsdoeleinden, al dan niet verplicht gesteld door een luchtwaardigheidsinstructie, en

2)

elke wijziging van een FSTD, met inbegrip van voortbewegings- en visuele systemen, in zoverre die van essentieel belang is voor opleidings-, test- en bekwaamheidsdoeleinden, zoals in het geval van bijstellingen van gegevens.

b)

Wijzigingen in de FSTD-hardware en -software die gevolgen hebben voor de besturings- en prestatie-eigenschappen of voor de systeemwerking alsmede ingrijpende wijzigingen in het voortbewegings- of visueel systeem dienen te worden geëvalueerd om de gevolgen voor de oorspronkelijke kwalificatiecriteria vast te leggen. De organisatie dient wijzigingen voor te bereiden voor alle beïnvloede valideringsproeven. De organisatie dient de FSTD te toetsen aan de nieuwe criteria.

c)

De organisatie dient de bevoegde autoriteit op voorhand in kennis te stellen van alle ingrijpende wijzigingen om na te gaan of de uitgevoerde proeven tevredenstellend zijn. De bevoegde autoriteit dient te bepalen of het nodig is de FSTD aan een bijzondere evaluatie te onderwerpen alvorens die na de wijziging opnieuw voor opleiding beschikbaar te stellen.

ORA.FSTD.115   Installaties

a)

De houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat dient ervoor te zorgen dat:

1)

de FSTD is opgesteld in een geëigende omgeving die een veilige en bedrijfszekere werking mogelijk maakt;

2)

alle inzittenden van de FSTD en het voltallige onderhoudspersoneel worden voorgelicht over de FSTD-veiligheid om te waarborgen dat zij zich bewust zijn van alle veiligheidsvoorzieningen en -procedures in de FSTD in noodgevallen, en

3)

de FSTD en bijbehorende installaties voldoen aan de plaatselijke veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.

b)

De FSTD-veiligheidsvoorzieningen, zoals noodstops en noodverlichting, dienen minstens ieder jaar te worden nagezien en geregistreerd.

ORA.FSTD.120   Aanvullende uitrusting

Indien aanvullende uitrusting werd toegevoegd aan de FSTD, ook al is die niet vereist voor kwalificatie, dient die te worden beoordeeld door de bevoegde autoriteit om zeker te stellen dat de opleidingskwaliteit daardoor niet in het gedrang wordt gebracht.

SECTIE II

Kwalificatie-eisen voor FSTD’s

ORA.FSTD.200   Aanvraag voor FSTD-kwalificatie

a)

Een FSTD-kwalificatiecertificaat dient te worden aangevraagd in een vorm en op een wijze die door de bevoegde autoriteit is vastgesteld:

1)

in het geval van basisinstrumentopleidingstoestellen (BITD’s), door de BITD-fabrikant;

2)

in alle andere gevallen door de organisatie die van plan is de FSTD te exploiteren.

b)

Aanvragers van een eerste kwalificatie dienen de bevoegde autoriteit in het bezit te stellen van documenten die aantonen hoe zij zullen voldoen aan de eisen van deze verordening. In deze documenten dient de procedure te worden opgenomen die werd vastgesteld om overeenstemming te bereiken met ORA.GEN.130 en ORA.FSTD.230.

ORA.FSTD.205   Certificeringsspecificaties voor FSTD’s

a)

Het Agentschap dient overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 216/2008 certificeringsspecificaties uit te vaardigen als standaard om aan te tonen dat FSTD’s voldoen aan de essentiële vereisten van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 216/2008.

b)

Deze certificeringsspecificaties moeten voldoende gedetailleerd en specifiek zijn, zodat de aanvragers weten onder welke voorwaarden kwalificaties worden afgegeven.

ORA.FSTD.210   Kwalificatiebasis

a)

De kwalificatiebasis voor de afgifte van een FSTD-kwalificatiecertificaat omvat:

1)

de door het Agentschap vastgelegde toepasselijke certificeringsspecificaties die gelden op de datum waarop de eerste kwalificatie wordt aangevraagd;

2)

de valideringsgegevens van het luchtvaartuig, zoals gedefinieerd door de overeenkomstig Deel-21 goedgekeurde gegevens, indien van toepassing, en

3)

door de bevoegde autoriteit voorgeschreven speciale voorwaarden indien de desbetreffende certificeringsspecificaties geen gepaste of adequate normen voor de FSTD bevatten omdat de FSTD nieuwe of andere eigenschappen heeft dan die waarop de toepasselijke certificeringsspecificaties zijn gebaseerd.

b)

De kwalificatiebasis geldt voor toekomstige periodieke kwalificaties van de FSTD, tenzij die in een andere categorie wordt ondergebracht.

ORA.FSTD.225   Geldigheidsduur en blijvende geldigheid

a)

De kwalificatie voor de volledige vluchtnabootser (FFS), het vluchtopleidingstoestel (FTD) of de vlucht- en navigatieprocedureopleidingstoestel (FNPT) blijft geldig voor zover:

1)

de FSTD en de exploiterende organisatie blijven voldoen aan de toepasselijke eisen;

2)

de bevoegde autoriteit toegang wordt verleend tot de organisatie als bepaald in ORA.GEN.140 om de blijvende naleving van de toepasselijke eisen van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan vast te stellen, en

3)

er geen afstand wordt gedaan van het kwalificatiecertificaat of het kwalificatiecertificaat niet wordt ingetrokken.

b)

Het tijdvak van twaalf maanden als bedoeld in ARA.FSTD.120 b) 1) mag in de volgende gevallen worden verlengd tot hoogstens zesendertig maanden:

1)

de FSTD heeft een eerste en minstens één periodieke evaluatie ondergaan waaruit bleek dat is voldaan aan de kwalificatiebasis;

2)

de houder van het FSTD-kwalificatiecertificaat heeft een bevredigende staat van dienst wat betreft geslaagde reglementaire FSTD-evaluaties over de vorige zesendertig maanden;

3)

de bevoegde autoriteit voert iedere twaalf maanden een formele audit uit op het systeem van nalevingscontrole van de organisatie, zoals gedefinieerd in ORA.GEN.200 a) 6), en

4)

een aangewezen persoon van de organisatie die over gepaste ervaring beschikt, controleert de periodieke hertoetsing van de Qualification Test Guide (QTG) en voert iedere twaalf maanden de desbetreffende functies en subjectieve tests uit en verstuurt een verslag over de resultaten naar de bevoegde autoriteit.

c)

Een BITD-kwalificatie blijft geldig mits de bevoegde autoriteit de naleving van de toepasselijke kwalificatiebasis periodiek controleert overeenkomstig ARA.FSTD.120.

d)

In geval van afstand of intrekking moet het FSTD-kwalificatiecertificaat worden ingeleverd bij de bevoegde autoriteit.

ORA.FSTD.230   Wijzigingen in de gekwalificeerde FSTD

a)

De houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat dient de bevoegde autoriteit in kennis te stellen van voorgenomen wijzigingen in de FSTD, waaronder:

1)

ingrijpende wijzigingen;

2)

verplaatsing van de FSTD, en

3)

deactivering van de FSTD.

b)

In geval van aanpassing van het FSTD-kwalificatieniveau dient de organisatie een evaluatie voor aanpassing te vragen aan de bevoegde autoriteit. De organisatie dient alle valideringsproeven voor het gevraagde kwalificatieniveau uit te voeren. Resultaten van vorige evaluaties mogen niet worden gebruikt om de FSTD-prestaties te valideren voor de huidige aanpassing.

c)

Indien een FSTD naar een andere locatie wordt overgebracht, dient de organisatie de bevoegde autoriteit in kennis te stellen voorafgaand aan de geplande verplaatsing, met inbegrip van een tijdschema van de desbetreffende gebeurtenissen.

Alvorens de FSTD opnieuw in bedrijf te stellen op de nieuwe locatie, dient de organisatie minstens één derde van de valideringsproeven uit te voeren, alsmede functies en subjectieve tests om te waarborgen dat de FSTD-prestaties voldoen aan de oorspronkelijke kwalificatienorm. Een kopie van de testdocumentatie wordt samen met de FSTD-gegevens bewaard voor toetsing door de bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteit mag de FSTD na verplaatsing evalueren. De evaluatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met de oorspronkelijke kwalificatiebasis van de FSTD.

d)

Indien een organisatie van plan is een FSTD gedurende een langere periode te deactiveren, dient de bevoegde autoriteit in kennis te worden gesteld en moeten geëigende controles worden uitgevoerd zolang de FSTD is gedeactiveerd.

De organisatie dient met de bevoegde autoriteit een regeling overeen te komen voor de deactivering, opslag en heractivering om ervoor te zorgen dat de FSTD overeenkomstig het oorspronkelijke kwalificatieniveau opnieuw kan worden geactiveerd.

ORA.FSTD.235   Overdraagbaarheid van een FSTD-kwalificatie

a)

Bij een verandering van organisatie die een FSTD exploiteert, dient de nieuwe organisatie de bevoegde autoriteit op voorhand te informeren teneinde een regeling overeen te komen om de FSTD over te dragen.

b)

De bevoegde autoriteit mag een evaluatie uitvoeren in overeenstemming met de oorspronkelijke kwalificatiebasis van de FSTD.

c)

Indien de FSTD niet langer voldoet aan de eerste kwalificatiebasis, dient de organisatie een nieuw FSTD-kwalificatiecertificaat aan te vragen.

ORA.FSTD.240   Gegevensbeheer

De houder van een FSTD-kwalificatiecertificaat dient een administratie bij te houden van:

a)

alle documenten waarin de eerste kwalificatiebasis en het kwalificatieniveau van de FSTD worden beschreven en aangetoond tijdens de levensduur van de FSTD, en

b)

periodieke documenten en verslagen met betrekking tot elke FSTD en de activiteiten inzake nalevingscontrole gedurende een periode van minstens vijf jaar.

SUBDEEL AeMC

LUCHTVAARTGENEESKUNDIGE CENTRA

SECTIE I

Algemeen

ORA.AeMC.105   Toepassingsgebied

Dit subdeel bevat aanvullende eisen waaraan een organisatie moet voldoen om zich te kwalificeren voor de afgifte of verlenging van een erkenning als luchtvaartgeneeskundig centrum (AeMC) om medische verklaringen af te geven, waaronder eerste medische verklaringen van klasse 1.

ORA.AeMC.115   Aanvraag

Aanvragers van een AeMC-certificaat dienen:

a)

te voldoen aan MED.D.005, en

b)

in aanvulling op de in ORA.GEN.115 voorgeschreven documenten voor de erkenning van een organisatie, bijzonderheden te verstrekken over de klinische referentiestukken of contacten te onderhouden met aangewezen ziekenhuizen of medische instellingen met het oog op gespecialiseerde medische onderzoeken.

ORA.AeMC.135   Blijvende geldigheid

Het AeMC-certificaat wordt afgegeven voor onbepaalde tijd. Het certificaat blijft geldig mits de houder en de luchtvaartgeneeskundige keuringsartsen van de organisatie:

a)

voldoen aan MED.D.030, en

b)

ervoor zorgen dat hun kennis en ervaring op peil blijft door ieder jaar een passend aantal medische keuringen van klasse 1 uit te voeren.

SECTIE II

Management

ORA.AeMC.200   Managementsysteem

Het AeMC dient een managementsysteem op te zetten en in stand te houden. Dit systeem moet naast de in ORA.GEN.200 vermelde onderdelen ook processen bevatten:

a)

voor medische certificering met naleving van Deel-MED, en

b)

om het medisch beroepsgeheim te allen tijde in acht te nemen.

ORA.AeMC.210   Personeelseisen

a)

Het AeMC dient:

1)

een luchtvaartmedische keuringsarts (AME) aan te wijzen als hoofd van het AeMC, met de bevoegdheid om medische verklaringen van klasse 1 af te geven en voldoende ervaring in de luchtvaartgeneeskunde om zijn taken uit te voeren, en

2)

voldoende volledig gekwalificeerde AME’s in dienst te hebben alsmede ander ondersteunend personeel en deskundigen.

b)

Het hoofd van het AeMC is verantwoordelijk voor de coördinatie van de beoordeling van onderzoeksresultaten en de ondertekening van de verslagen, certificaten en eerste afgifte van medische verklaringen klasse 1.

ORA.AeMC.215   Eisen inzake faciliteiten

Het AeMC dient te zijn uitgerust met geneeskundig-technische voorzieningen die zijn afgestemd op de uitvoering van de luchtvaartmedische keuringen teneinde de bevoegdheden uit te oefenen die vallen binnen de reikwijdte van de erkenning.

ORA.AeMC.220   Gegevensbeheer

In aanvulling op de bij ORA.GEN.220 vereiste gegevens dient het AeMC:

a)

gegevens bij te houden met bijzonderheden over uitgevoerde medische keuringen en beoordelingen met het oog op de afgifte, verlenging of hernieuwde afgifte van medische verklaringen en de daarmee samenhangende resultaten, gedurende een minimumperiode van tien jaar vanaf de laatste keuringsdatum, en

b)

alle medische dossiers zodanig bij te houden dat het medisch beroepsgeheim te allen tijde in acht wordt genomen.


(1)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.

(2)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35.

(3)  PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23.

(4)  PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3.

(5)  PB L 295 van 14.11.2007, blz. 7.


Top