Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009R0874

Verordening (EG) nr. 874/2009 van de Commissie van 17 september 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad wat betreft de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen

OJ L 251, 24.9.2009, p. 3–28 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 038 P. 222 - 247

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/874/oj

24.9.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 251/3


VERORDENING (EG) Nr. 874/2009 VAN DE COMMISSIE

van 17 september 2009

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad wat betreft de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen

(herschikking)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht (1), en met name op artikel 114,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie van 31 mei 1995 houdende voorschriften ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad, betreffende de procedures voor het Communautair Bureau voor plantenrassen (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad („de basisverordening”) voert een nieuw communautair stelsel van kwekersrechten in die in de gehele Gemeenschap gelden.

(3)

Dat stelsel moet op doeltreffende wijze worden toegepast door het Communautair Bureau voor Plantenrassen („het Bureau”), dat voor de uitvoering van het technische onderzoek van de plantenrassen door onderzoeksbureaus wordt bijgestaan en een beroep kan doen op nationale organen die met dat doel met bepaalde taken worden belast, of op eigen diensten die met dat doel worden opgericht. Het is noodzakelijk de betrekkingen tussen het Bureau, zijn eigen diensten, de onderzoeksbureaus en de nationale organen te regelen.

(4)

Het Bureau moet de onderzoeksbureaus een vergoeding voor het uitvoeren van het technische onderzoek op basis van volledige terugbetaling van de werkelijke kosten betalen. De raad van bestuur moet op eenvormige wijze methoden ter berekening van de kosten vaststellen.

(5)

Tegen de beslissingen van het Bureau kan beroep worden ingesteld bij de Kamer van beroep. Er moeten voorschriften voor de procedures van de Kamer van beroep worden vastgesteld. De raad van bestuur kan, zo nodig, meer Kamers van beroep oprichten.

(6)

Onderzoeksverslagen die worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van een lidstaat of van een derde land dat lid is van de Internationale Unie ter bescherming van kweekproducten (UPOV) moeten als voldoende grondslag voor een beslissing worden aangemerkt.

(7)

Het gebruik van elektronische communicatiemiddelen voor de indiening van aanvragen, bezwaarschriften en beroepen en de betekening door het Bureau van stukken moet worden toegestaan. Bovendien moet het Bureau de mogelijkheid worden geboden om certificaten voor communautaire kwekersrechten in elektronische vorm af te geven. De bekendmaking van informatie betreffende communautaire kwekersrechten moet eveneens met behulp van elektronische middelen mogelijk worden gemaakt. Ten slotte moet de elektronische archivering van dossiers betreffende procedures worden toegestaan.

(8)

De voorzitter van het Bureau moet de bevoegdheid worden verleend om alle noodzakelijke voorschriften ten aanzien van het gebruik van elektronische middelen voor communicatie of archivering vast te stellen.

(9)

In de artikelen 23, 29, 34, 35, 36, 42, 45, 46, 49, 50, 58, 81, 85, 87, 88 en 100 van de basisverordening is reeds uitdrukkelijk bepaald dat uitvoeringsbepalingen moeten of kunnen worden vastgesteld. Ook in andere gevallen moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld wanneer zulks voor de duidelijkheid nodig is.

(10)

In de voorschriften betreffende de inschrijvingen in de registers moet worden bepaald op welk ogenblik de overdracht van een communautair kwekersrecht of van de aanspraak op een communautair kwekersrecht van kracht wordt.

(11)

De raad van bestuur van het Communautair Bureau voor plantenrassen is geraadpleegd.

(12)

De voorschriften van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor kwekersrechten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

DE PARTIJEN IN DE PROCEDURE; HET BUREAU; DE ONDERZOEKSBUREAUS

HOOFDSTUK I

De partijen in de procedure

Artikel 1

De partijen in de procedure

1.   De volgende personen kunnen partij zijn in een procedure voor het Communautair Bureau voor Plantenrassen, hierna „het Bureau” genoemd:

a)

de aanvrager van een communautair kwekersrecht;

b)

degene die bezwaar maakt als bedoeld in artikel 59, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2100/94, hierna „de basisverordening” genoemd;

c)

de houder of houders van het communautaire kwekersrecht, hierna „de houder” genoemd;

d)

eenieder wiens aanvraag of verzoek noodzakelijk is voor een door het Bureau te nemen beslissing.

2.   Het Bureau kan andere personen dan die, genoemd in lid 1, welke rechtstreeks en individueel worden geraakt, op hun schriftelijk verzoek toestaan als partij aan de procedure deel te nemen.

3.   Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon en elk lichaam dat volgens het daarop toepasselijke recht met een rechtspersoon wordt gelijkgesteld, wordt als een persoon in de zin van de leden 1 en 2 beschouwd.

Artikel 2

Aanduiding van de partijen in de procedure

1.   Een partij in de procedure wordt aangeduid met naam en adres.

2.   De naam van een natuurlijke persoon bestaat uit zijn familienaam en voornamen. De naam van een rechtspersoon, vennootschap of onderneming bestaat uit zijn (haar) officiële aanduiding.

3.   Adressen moeten alle relevante administratieve gegevens bevatten, met inbegrip van de naam van de staat waar de partij in de procedure haar woonplaats, haar plaats van vestiging of een vaste inrichting heeft. Er wordt bij voorkeur voor elke partij slechts één adres opgegeven; wanneer meer adressen worden opgegeven, wordt slechts het eerst vermelde adres in aanmerking genomen, tenzij de partij op een van de andere adressen domicilie kiest.

De voorzitter van het Bureau stelt de nadere voorschriften met betrekking tot het adres vast, waaronder relevante voorschriften betreffende datacommunicatieverbindingen.

4.   Wanneer een partij in de procedure een rechtspersoon is, moeten ook de naam en het adres worden opgegeven van de natuurlijke persoon die krachtens de toepasselijke nationale wetgeving deze partij wettelijk vertegenwoordigt. Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op deze natuurlijke persoon.

Het Bureau kan afwijkingen van de eerste alinea toestaan.

5.   Wanneer de Commissie of een lidstaat partij in procedures is, stelt zij (hij) een vertegenwoordiger aan voor elke procedure waaraan zij (hij) deelneemt.

Artikel 3

Talen van de partijen in de procedure

1.   Een partij in de procedure moet, totdat het Bureau een eindbeslissing neemt, de officiële taal van de Europese Unie gebruiken die zij heeft gekozen in het eerste stuk dat zij bij het Bureau heeft ingediend en te dien einde heeft ondertekend.

2.   Wanneer een partij in de procedure een stuk indient, en te dien einde ondertekent, in een andere officiële taal van de Europese Unie dan zij krachtens lid 1 moet gebruiken, wordt dit stuk geacht eerst te zijn ontvangen op het ogenblik waarop het Bureau over een door andere diensten bezorgde vertaling ervan beschikt. Het Bureau kan afwijkingen van deze bepaling toestaan.

3.   Wanneer een partij in de procedure tijdens de mondelinge behandeling een andere taal gebruikt dan de officiële taal van de Europese Unie die door de bevoegde personeelsleden van het Bureau en/of andere partijen wordt gebruikt en door haar moet worden gebruikt, moet zij voor simultaanvertolking naar deze laatste taal zorgen. Geschiedt dit niet, dan mag de mondelinge behandeling worden voortgezet in de talen die door de bevoegde personeelsleden van het Bureau en andere partijen in de procedure worden gebruikt.

Artikel 4

Talen tijdens de mondelinge behandeling en bij de bewijsvoering

1.   Een partij in de procedure, getuige of deskundige, die ter verkrijging van bewijs tijdens de mondelinge behandeling wordt gehoord, mag een van de officiële talen van de Europese Unie gebruiken.

2.   Wanneer op verzoek van een partij in de procedure tot een maatregel ter verkrijging van bewijs als bedoeld in lid 1 wordt besloten, kan, wanneer een partij in de procedure, getuige of deskundige niet in staat is zich behoorlijk in een van de officiële talen van de Europese Unie uit te drukken, deze slechts worden gehoord, mits de partij die om de maatregel heeft verzocht, zorgt voor vertolking naar de talen die door alle partijen in de procedure gezamenlijk of, bij gebreke hiervan, door de personeelsleden van het Bureau worden gebruikt.

Het Bureau kan afwijkingen van de eerste alinea toestaan.

3.   Verklaringen die door de personeelsleden van het Bureau, door partijen in de procedure, getuigen en deskundigen tijdens de mondelinge behandeling of bij de bewijsvoering in een van de officiële talen van de Europese Unie worden afgelegd, worden in deze taal genotuleerd. Verklaringen die in een andere taal worden afgelegd, worden in de door de personeelsleden van het Bureau gebruikte taal genotuleerd.

Artikel 5

Vertaling van stukken van de partijen in de procedure

1.   Wanneer een partij in de procedure een stuk indient in een taal die geen officiële taal van de Europese Unie is, kan het Bureau deze partij om een vertaling van dit stuk verzoeken in de taal die door haar moet worden gebruikt of door de bevoegde personeelsleden van het Bureau wordt gebruikt.

2.   Wanneer een partij in de procedure een vertaling van een stuk moet overleggen of overlegt, kan het Bureau haar verzoeken om binnen de termijn die het vaststelt, een verklaring over te leggen ten bewijze dat de vertaling met het origineel overeenstemt.

3.   Wanneer wordt verzuimd de in lid 1 bedoelde vertaling en de in lid 2 bedoelde verklaring over te leggen, wordt het stuk geacht niet te zijn ontvangen.

HOOFDSTUK II

Het Bureau

Afdeling 1

De comités van het Bureau

Artikel 6

Kwalificaties van de leden van de comités

1.   De in artikel 35, lid 2, van de basisverordening bedoelde comités bestaan naargelang van het besluit van de voorzitter van het Bureau uit technische leden en/of rechtsgeleerde leden.

2.   Een technisch lid moet een diploma hebben behaald of erkende ervaring hebben verworven op het gebied van de plantkunde.

3.   Een rechtsgeleerd lid moet een diploma in de rechtsgeleerdheid hebben behaald of erkende ervaring op het gebied van de intellectuele eigendom of de registratie van plantenrassen hebben verworven.

Artikel 7

Beslissingen van de comités

1.   Een comité neemt, behalve de in artikel 35, lid 2, van de basisverordening bedoelde beslissingen, beslissingen over:

de niet-schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing overeenkomstig artikel 67, lid 2, van de basisverordening;

de prejudiciële herziening overeenkomstig artikel 70 van de basisverordening;

het herstel in de vorige toestand overeenkomstig artikel 80 van de basisverordening, en

de verdeling van de kosten overeenkomstig artikel 85, lid 2, van de basisverordening en artikel 75 van deze verordening.

2.   Een beslissing van een comité wordt door de meerderheid van de leden genomen.

Artikel 8

Bevoegdheden van individuele leden van de comités

1.   Het comité wijst een van de leden aan om namens het comité als rapporteur op te treden.

2.   De rapporteur is met name bevoegd:

a)

de in artikel 25 bedoelde taken te verrichten en toezicht te houden op de indiening van de verslagen van de in de artikelen 13 en 14 bedoelde onderzoeksbureaus;

b)

de procedure voor het Bureau te voeren en onder meer eventuele gebreken aan de partijen in de procedure mee te delen, zodat deze kunnen worden verholpen, en termijnen vast te stellen, en

c)

te zorgen voor nauw overleg en uitwisseling van informatie met de partijen in de procedure.

Artikel 9

Taak van de voorzitter

De voorzitter van het Bureau draagt zorg voor de eenvormigheid van de onder zijn gezag genomen beslissingen. Hij bepaalt met name onder welke voorwaarden, tezamen met de beslissingen uit hoofde van artikel 61, 62, 63 of 66 van de basisverordening, beslissingen over bezwaren overeenkomstig artikel 59 van de basisverordening worden genomen.

Artikel 10

Raadplegingen

De personeelsleden van het Bureau mogen kosteloos gebruik maken van de ruimten van de in artikel 30, lid 4, van de basisverordening bedoelde nationale organen en van de in de artikelen 13 en 14 van deze verordening bedoelde onderzoeksbureaus, teneinde op geregelde tijdstippen raadplegingen ten behoeve van de partijen in de procedures en derden te houden.

Afdeling 2

De Kamers van beroep

Artikel 11

De Kamers van beroep

1.   Er wordt een Kamer van beroep opgericht om te beslissen over de beroepen tegen de in artikel 67 van de basisverordening bedoelde beslissingen. De raad van bestuur kan, indien nodig, op voorstel van het Bureau meer Kamers van beroep oprichten. In dit geval regelt hij de werkverdeling tussen de Kamers van beroep.

2.   Elke Kamer van beroep bestaat uit technische en rechtsgeleerde leden. Artikel 6, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing. De voorzitter moet een rechtsgeleerd lid met rechtskundige bevoegdheid zijn.

3.   De voorzitter van de Kamer van beroep belast een van de leden als rapporteur met het onderzoek van het beroep. Deze opdracht omvat in voorkomend geval de bewijsvoering.

4.   De beslissingen van de Kamer van beroep worden door de meerderheid van de leden genomen.

Artikel 12

De griffie van de Kamers van beroep

1.   De voorzitter van het Bureau richt bij de Kamer van beroep een griffie in; personeelsleden van het Bureau komen hiervoor niet in aanmerking, indien zij betrokken zijn geweest bij de procedure waarin de beslissing is genomen waartegen beroep wordt ingesteld.

2.   De personeelsleden van de griffie zijn met name belast met:

de opstelling van het verslag van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering overeenkomstig artikel 63 van deze verordening;

de vaststelling van de kosten overeenkomstig artikel 85, lid 5, van de basisverordening en artikel 76 van deze verordening, en

de bekrachtiging van de kostenregeling als bedoeld in artikel 77 van deze verordening.

HOOFDSTUK III

De onderzoeksbureaus

Artikel 13

Aanwijzing van een onderzoeksbureau overeenkomstig artikel 55, lid 1, van de basisverordening

1.   Wanneer de raad van bestuur het bevoegde bureau in een lidstaat met het technische onderzoek belast, brengt de voorzitter van het Bureau deze aanwijzing ter kennis van dit bureau, hierna „het onderzoeksbureau” genoemd. De aanwijzing geldt vanaf de dag van deze kennisgeving. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de beëindiging van de aanwijzing van een onderzoeksbureau, onverminderd artikel 15, lid 6, van deze verordening.

2.   Een personeelslid van een onderzoeksbureau dat aan het technische onderzoek deelneemt, mag van de feiten, documenten en informatie waarvan het tijdens of in verband met de uitvoering van dit onderzoek kennis krijgt, geen ongeoorloofd gebruik maken, noch deze aan onbevoegden bekendmaken. Deze verplichting blijft voor de personeelsleden gelden na afloop van het technische onderzoek, nadat zij de dienst hebben verlaten en na de beëindiging van de aanwijzing van het betrokken onderzoeksbureau.

3.   Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op materiaal van het ras, dat door de aanvrager ter beschikking van het onderzoeksbureau is gesteld.

4.   Het Bureau ziet toe op de naleving van de leden 2 en 3 en beslist over de verschoning of wraking van personeelsleden van de onderzoeksbureaus overeenkomstig artikel 81, lid 2, van de basisverordening.

Artikel 14

Aanwijzing van een onderzoeksbureau overeenkomstig artikel 55, lid 2, van de basisverordening

1.   Wanneer het Bureau voornemens is overeenkomstig artikel 55, lid 2, van de basisverordening andere organen met het technische onderzoek van plantenrassen te belasten, legt het een verslag over de technische geschiktheid van deze organen als onderzoeksbureau ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor.

2.   Wanneer het Bureau voornemens is overeenkomstig artikel 55, lid 2, van de basisverordening een eigen dienst voor het technische onderzoek van plantenrassen op te richten, legt het een verslag over de technische en economische opportuniteit van de oprichting van een dergelijke dienst en de vestigingsplaats ervan ter goedkeuring aan de raad van bestuur voor.

3.   Wanneer de raad van bestuur zijn goedkeuring aan de in leden 1 en 2 bedoelde verslagen hecht, brengt de voorzitter van het Bureau de aanwijzing ter kennis van de in lid 1 bedoelde organen of maakt hij de aanwijzing van de in lid 2 bedoelde dienst in het Publicatieblad van de Europese Unie bekend. De aanwijzing kan slechts met de goedkeuring van de raad van bestuur worden beëindigd. Artikel 13, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing op de personeelsleden van het in lid 1 van dit artikel bedoelde orgaan.

Artikel 15

Uitvoering van de aanwijzing

1.   Ter uitvoering van de aanwijzing van een onderzoeksbureau wordt tussen het Bureau en het onderzoeksbureau een schriftelijke overeenkomst gesloten waarin wordt bepaald dat het onderzoeksbureau het technische onderzoek van plantenrassen zal uitvoeren en dat het Bureau hiervoor een vergoeding zal betalen zoals bedoeld in artikel 58 van de basisverordening. In het geval van een eigen dienst als bedoeld in artikel 14, lid 2, van deze verordening worden ter uitvoering van de aanwijzing interne regels inzake werkmethoden door het Bureau vastgesteld.

2.   De sluiting van de schriftelijke overeenkomst heeft tot gevolg dat de door de personeelsleden van het onderzoeksbureau ingevolge deze overeenkomst verrichte of te verrichten handelingen ten aanzien van derden als handelingen van het Bureau worden beschouwd.

3.   Wanneer het onderzoeksbureau voornemens is overeenkomstig artikel 56, lid 3, van de basisverordening een beroep op andere gespecialiseerde instellingen te doen, moeten deze instellingen reeds in de schriftelijke overeenkomst met het Bureau worden vermeld. Artikel 81, lid 2, van de basisverordening en artikel 13, leden 2 en 3, van deze verordening is van overeenkomstige toepassing op de betrokken personeelsleden, die schriftelijk de verbintenis moeten aangaan zich aan de geheimhoudingsplicht te houden.

4.   Het Bureau betaalt het onderzoeksbureau een vergoeding voor het uitvoeren van het technische onderzoek op basis van volledige terugbetaling van de werkelijke kosten. De raad van bestuur stelt op eenvormige wijze de methoden ter berekening van de kosten en de bestanddelen van de kosten vast; deze gelden voor alle aangewezen onderzoeksbureaus.

5.   Het onderzoeksbureau legt op geregelde tijdstippen een gedetailleerd overzicht van de kosten van de uitvoering van het technische onderzoek en de instandhouding van de referentieverzamelingen aan het Bureau voor. In het in lid 3 bedoelde geval legt het onderzoeksbureau een afzonderlijk accountantsverslag van de andere instellingen aan het Bureau voor.

6.   De aanwijzing van een onderzoeksbureau geldt eerst als beëindigd vanaf de dag waarop de in lid 1 bedoelde schriftelijke overeenkomst ophoudt van kracht te zijn.

TITEL II

BIJZONDERE PROCEDURES VOOR HET BUREAU

HOOFDSTUK I

Aanvraag van een communautair kwekersrecht

Afdeling 1

Verrichtingen van de aanvrager

Artikel 16

Indiening van de aanvraag

1.   Een aanvraag van een communautair kwekersrecht wordt schriftelijk hetzij bij het Bureau, hetzij bij een nationaal orgaan of de dienst als bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening ingediend.

Wanneer de aanvraag bij het Bureau wordt ingediend, kan dit op papier of via elektronische middelen geschieden. Als de aanvraag bij een nationaal orgaan of een dienst wordt ingediend, gebeurt dit schriftelijk in tweevoud.

2.   De overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder b), van de basisverordening tot het Bureau gerichte kennisgeving moet bevatten:

gegevens betreffende de identiteit van de aanvrager en in voorkomend geval zijn vertegenwoordiger voor de procedure;

de vermelding van het nationale orgaan of de dienst, waarbij de aanvraag van een communautair kwekersrecht is ingediend, en

de voorlopige omschrijving van het betrokken ras.

3.   Het Bureau stelt kosteloos de volgende formulieren ter beschikking:

a)

een aanvraagformulier en een technische vragenlijst voor het indienen van een aanvraag van een communautair kwekersrecht;

b)

een formulier voor het verrichten van de in lid 2 bedoelde kennisgeving, waarin op de gevolgen van het verzuim van deze kennisgeving wordt gewezen.

4.   De aanvrager vult de in lid 3 bedoelde formulieren in en ondertekent deze. Als de aanvraag via elektronische middelen wordt ingediend, voldoet deze aan het bepaalde ten aanzien van de ondertekening in artikel 57, lid 3, tweede alinea.

Artikel 17

Ontvangst van de aanvraag

1.   Wanneer een nationaal orgaan of dienst als bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening een aanvraag ontvangt, zendt dit orgaan of deze dienst het Bureau overeenkomstig artikel 49, lid 2, van de basisverordening tezamen met de aanvraag een ontvangstbevestiging toe. In deze ontvangstbevestiging worden ten minste het door het nationale orgaan of de dienst toegekende dossiernummer, het aantal toegezonden stukken en de datum van ontvangst door het nationale orgaan of de dienst vermeld. Het nationale orgaan of de dienst geeft de aanvrager een afschrift van de ontvangstbevestiging af.

2.   Wanneer het Bureau rechtstreeks van de aanvrager of door tussenkomst van een nationaal orgaan of dienst een aanvraag ontvangt, brengt het, onverminderd andere bepalingen, op de stukken waaruit de aanvraag bestaat, een dossiernummer en de datum van ontvangst door het Bureau aan en geeft het een ontvangstbevestiging aan de aanvrager af. In deze ontvangstbevestiging worden ten minste het door het Bureau toegekende dossiernummer, het aantal ontvangen stukken, de datum van ontvangst door het Bureau en de datum van aanvraag in de zin van artikel 51 van de basisverordening vermeld. Het Bureau geeft het nationale orgaan of de dienst, door tussenkomst waarvan het de aanvraag heeft ontvangen, een afschrift van de ontvangstbevestiging af.

3.   Wanneer op het ogenblik waarop het Bureau door tussenkomst van een nationaal orgaan of dienst een aanvraag ontvangt, sinds de indiening ervan door de aanvrager, meer dan een maand is verstreken, kan de datum van aanvraag in de zin van artikel 51 van de basisverordening niet vroeger zijn dan de datum van ontvangst door het Bureau, tenzij het Bureau aan de hand van voldoende bewijsstukken vaststelt dat de aanvrager het overeenkomstig artikel 49, lid 1, onder b), van de basisverordening en artikel 16, lid 2, van deze verordening van de indiening in kennis heeft gesteld.

Artikel 18

De vereisten van artikel 50, lid 1, van de basisverordening

1.   Wanneer het Bureau vaststelt dat de aanvraag niet aan de vereisten van artikel 50, lid 1, van de basisverordening voldoet, deelt het de vastgestelde gebreken aan de aanvrager mee en maakt het hem erop attent dat eerst de datum waarop voldoende gegevens worden ontvangen om de meegedeelde gebreken te verhelpen, als de datum van aanvraag in de zin van artikel 51 van de basisverordening zal worden beschouwd.

2.   Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel 50, lid 1, onder i), van de basisverordening, indien de datum en het land van een eventuele eerste afstand in de zin van artikel 10, lid 1, van de basisverordening worden vermeld of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, een verklaring in die zin in de aanvraag wordt opgenomen.

3.   Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel 50, lid 1, onder j), van de basisverordening, indien de aanvrager naar zijn beste weten de datum en de staat vermeldt van elke eventuele eerdere aanvraag voor het ras die betrekking heeft op:

de verlening van een eigendomsrecht voor het ras, of

de officiële toelating tot certificering en verhandeling van het ras, voor zover de officiële toelating een officiële beschrijving van het ras omvat,

in een lidstaat of een staat die lid is van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten.

Artikel 19

De vereisten van artikel 50, lid 2, van de basisverordening

1.   Wanneer het Bureau vaststelt dat de aanvraag niet aan de leden 2, 3 en 4 van dit artikel of artikel 16 van deze verordening voldoet, handelt het overeenkomstig artikel 17, lid 2, maar verzoekt het de aanvrager, binnen de termijn die het bepaalt, de vastgestelde gebreken te verhelpen. Wanneer deze gebreken niet tijdig worden verholpen, wijst het Bureau overeenkomstig artikel 61, lid 1, onder a), van de basisverordening de aanvraag onverwijld af.

2.   De aanvraag moet de volgende nadere gegevens bevatten:

a)

de nationaliteit van de aanvrager, indien hij een natuurlijke persoon is, zijn aanduiding als partij in de procedure overeenkomstig artikel 2 van deze verordening en, indien hij niet de kweker is, de naam en het adres van de kweker;

b)

de Latijnse naam van het geslacht, de soort of de ondersoort, waartoe het ras behoort, en de gewone naam;

c)

de vermelding van in het bijzonder die uitingsvormen van de eigenschappen van het ras waardoor dit naar het oordeel van de aanvrager duidelijk van andere rassen te onderscheiden is; facultatief, de vermelding van deze andere rassen als referentierassen voor testdoeleinden;

d)

gegevens betreffende de kweek, instandhouding en vermeerdering van het ras; deze gegevens moeten in het bijzonder informatie omvatten betreffende:

de eigenschappen, de rasbenaming of, bij gebreke hiervan, de voorlopige omschrijving en de teelt van een ander ras of andere rassen, wanneer materiaal daarvan bij herhaling moet worden gebruikt voor de voortbrenging van het ras, of

de eigenschappen die genetisch gemodificeerd zijn, wanneer het ras een genetisch gemodificeerd organisme is in de zin van artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2001/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (4);

e)

het gebied en het land, waar het ras is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld;

f)

de datum en het land van een eventuele eerste afstand van componenten of oogstmateriaal van het ras voor het beoordelen van de nieuwheid overeenkomstig artikel 10 van de basisverordening of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, een verklaring in die zin;

g)

de aanduiding van de instanties waarbij aanvragen als bedoeld in artikel 18, lid 3, van deze verordening zijn ingediend, en de dossiernummers van die aanvragen;

h)

gegevens betreffende eventuele bestaande nationale kwekersrechten of octrooien voor het ras in de Gemeenschap.

3.   Het Bureau kan verzoeken dat binnen de termijn die het vaststelt, alle vereiste gegevens en bescheiden alsook, indien nodig, voldoende tekeningen of foto's ter uitvoering van het technische onderzoek worden verstrekt.

4.   Wanneer het ras een genetisch gemodificeerd organisme is in de zin van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2001/18/EG, verzoekt het Bureau de aanvrager om overlegging van een afschrift van de schriftelijke toestemming van de bevoegde instanties waaruit blijkt dat een technisch onderzoek van het ras overeenkomstig de artikelen 55 en 56 van de basisverordening volgens de bepalingen van die richtlijn geen risico's voor het milieu inhoudt.

Artikel 20

Beroep op voorrang

Wanneer de aanvrager een beroep doet op een recht van voorrang bedoeld in artikel 52, lid 2, van de basisverordening voor een aanvraag die niet de vroegste van de overeenkomstig artikel 18, lid 3, eerste streepje, van deze verordening te vermelden aanvragen is, maakt het Bureau hem erop opmerkzaam dat enkel voor de vroegste aanvraag een voorrangsdatum kan worden toegekend. Wanneer het Bureau een ontvangstbewijs heeft afgegeven waarin de datum van indiening van een aanvraag die niet de vroegste van de te vermelden aanvragen is, is vermeld, wordt de ter kennis van de aanvrager gebrachte voorrangsdatum als nietig beschouwd.

Artikel 21

Aanspraak op een communautair kwekersrecht tijdens de procedure

1.   Wanneer een vordering als bedoeld in artikel 98, lid 4, van de basisverordening tegen de aanvrager is ingesteld en dit in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten is ingeschreven, kan het Bureau de aanvraagprocedure schorsen. Het Bureau kan een datum vaststellen waarop het voornemens is de procedure te hervatten.

2.   Wanneer de in lid 1 bedoelde vordering tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft geleid of de desbetreffende procedure op een andere wijze is beëindigd en hiervan in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten aantekening is gedaan, hervat het Bureau de aanvraagprocedure. Het kan de procedure eerder hervatten, maar niet vóór de reeds overeenkomstig lid 1 vastgestelde datum.

3.   Wanneer de aanspraak op een communautair kwekersrecht op een voor het Bureau verbindende wijze op een andere persoon is overgegaan, kan deze de door de oorspronkelijke aanvrager ingeleide aanvraagprocedure in eigen naam voortzetten, mits hij het Bureau hiervan in kennis stelt binnen een maand nadat de desbetreffende in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten is ingeschreven. Wanneer de oorspronkelijke aanvrager reeds rechten uit hoofde van artikel 83 van de basisverordening heeft betaald, worden deze geacht te zijn betaald door de persoon die als aanvrager in zijn plaats treedt.

Afdeling 2

Uitvoering van het technische onderzoek

Artikel 22

Besluit inzake testrichtsnoeren

1.   De raad van bestuur stelt op voorstel van de voorzitter van het Bureau een besluit inzake testrichtsnoeren vast. De datum van het besluit en de soort of soorten waarop het betrekking heeft, worden in het in artikel 87 bedoelde Mededelingenblad bekendgemaakt.

2.   Bij gebreke van een besluit van de raad van bestuur inzake testrichtsnoeren kan de voorzitter van het Bureau dienaangaande een voorlopig besluit vaststellen. Het voorlopige besluit treedt buiten werking op de datum waarop de raad van bestuur zijn besluit vaststelt. Wanneer het voorlopige besluit van de voorzitter van het Bureau afwijkt van het besluit van de raad van bestuur, heeft dit geen gevolgen voor een technisch onderzoek dat is begonnen voordat de raad van bestuur zijn besluit vaststelt. De raad van bestuur mag anders beslissen, indien de omstandigheden zulks vereisen.

Artikel 23

Machtiging van de voorzitter van het Bureau

1.   Wanneer de raad van bestuur een besluit inzake testrichtsnoeren vaststelt, machtigt hij de voorzitter van het Bureau, daaraan andere eigenschappen van een ras en de uitingsvormen ervan toe te voegen.

2.   Wanneer de voorzitter van het Bureau van de in lid 1 bedoelde machtiging gebruik maakt, is artikel 22, lid 2, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24

Door het Bureau aan het onderzoeksbureau te verstrekken informatie

Overeenkomstig artikel 55, lid 3, van de basisverordening doet het Bureau met betrekking tot het ras een exemplaar van de volgende stukken aan het onderzoeksbureau toekomen:

a)

het aanvraagformulier, de technische vragenlijst en alle andere door de aanvrager ingediende bescheiden met de voor de uitvoering van het technische onderzoek noodzakelijke informatie;

b)

de door de aanvrager overeenkomstig artikel 86 van deze verordening ingevulde formulieren;

c)

de bescheiden betreffende een bezwaar dat op de bewering is gebaseerd dat niet aan de voorwaarden van de artikelen 7, 8 en 9 van de basisverordening is voldaan.

Artikel 25

Samenwerking tussen het Bureau en het onderzoeksbureau

De met een technisch onderzoek belaste personeelsleden van het onderzoeksbureau en de overeenkomstig artikel 8, lid 1, aangewezen rapporteur moeten in alle stadia van dit onderzoek met elkaar samenwerken. Deze samenwerking houdt ten minste het volgende in:

a)

de rapporteur moet toezicht houden op de uitvoering van het technische onderzoek en daarbij onder meer de ligging van de proefvelden nagaan en de gebruikte testmethoden controleren;

b)

onverminderd andere onderzoekingen door het Bureau, moet het onderzoeksbureau nadere gegevens betreffende een eventuele eerdere afstand van het ras verstrekken, en

c)

het onderzoeksbureau moet voor elke teeltperiode een tussentijds verslag bij het Bureau indienen.

Artikel 26

Vorm van het onderzoeksverslag

1.   Het in artikel 57 van de basisverordening bedoelde onderzoeksverslag wordt door het bevoegde personeelslid van het onderzoeksbureau ondertekend en vermeldt dat het Bureau krachtens artikel 57, lid 4, van de basisverordening het uitsluitende beschikkingsrecht over dit verslag heeft.

2.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de bij het Bureau in te dienen tussentijdse verslagen. Het onderzoeksbureau zendt de aanvrager rechtstreeks een afschrift van elk tussentijds verslag.

Artikel 27

Andere onderzoeksverslagen

1.   Een onderzoeksverslag van de resultaten van een technisch onderzoek dat in een lidstaat voor officiële doeleinden door één van de krachtens artikel 55, lid 1, van de basisverordening voor het betreffende ras bevoegde instanties is of wordt uitgevoerd, mag door het Bureau als een voldoende grondslag voor een beslissing worden aangemerkt, op voorwaarde dat:

a)

het voor het technische onderzoek ter beschikking gestelde materiaal naar hoeveelheid en vorm aan de overeenkomstig artikel 55, lid 4, van de basisverordening vastgestelde normen voldeed;

b)

het technische onderzoek is verricht op een wijze die verenigbaar is met de overeenkomstig artikel 55, lid 1, van de basisverordening door de raad van bestuur aan de onderzoeksbureaus opgedragen taken, en met inachtneming van de overeenkomstig artikel 56, lid 2, van de basisverordening en de artikelen 22 en 23 van deze verordening vastgestelde testrichtsnoeren en algemene instructies;

c)

het Bureau in de gelegenheid is gesteld de uitvoering van het betrokken technische onderzoek te controleren, en

d)

voor zover het eindverslag niet onmiddellijk beschikbaar is, de tussentijdse verslagen betreffende elke teeltperiode vóór het onderzoeksverslag bij het Bureau worden ingediend.

2.   Wanneer het Bureau van oordeel is dat het in lid 1 bedoelde onderzoeksverslag onvoldoende grondslag voor een beslissing vormt, kan het, na raadpleging van de aanvrager en het betrokken onderzoeksbureau, handelen overeenkomstig de procedure van artikel 55 van de basisverordening.

3.   Het Bureau en elk bevoegd nationaal bureau voor kwekersrechten in een lidstaat verlenen elkaar administratieve bijstand door elkaar, op verzoek, de reeds bestaande onderzoeksverslagen betreffende het ras ter beschikking te stellen met het oog op de beoordeling van de onderscheidbaarheid, de homogeniteit en de bestendigheid van dit ras. Het Bureau of het bevoegde nationale bureau voor kwekersrechten rekenen voor de overlegging van een dergelijk verslag een bepaald bedrag aan, dat door de betrokken bureaus is overeengekomen.

4.   Een onderzoeksverslag over de resultaten van een technisch onderzoek dat voor officiële doeleinden is of wordt uitgevoerd in een derde land dat lid is van de Internationale Unie ter bescherming van kweekproducten (UPOV), mag door het Bureau als voldoende grondslag voor een beslissing worden aangemerkt, op voorwaarde dat het technisch onderzoek voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in een schriftelijke overeenkomst tussen het Bureau en de bevoegde autoriteiten van dat derde land. De voorwaarden hebben ten minste betrekking op:

a)

het materiaal, als bedoeld in lid 1, onder a);

b)

de bepaling dat een technisch onderzoek is verricht op een wijze die in overeenstemming is met de overeenkomstig artikel 56, lid 2, van de basisverordening vastgestelde testrichtsnoeren en algemene instructies;

c)

de bepaling dat het Bureau in de gelegenheid is gesteld de geschiktheid te evalueren van de voorzieningen voor het uitvoeren van een technisch onderzoek betreffende de betrokken soort in dat derde land, en de uitvoering van het betrokken technisch onderzoek te controleren, en

d)

de bepalingen inzake het beschikbaar zijn van de verslagen, overeenkomstig lid 1, onder d).

Afdeling 3

Rasbenaming

Artikel 28

Voorstel voor een rasbenaming

Het voorstel voor een rasbenaming wordt ondertekend en wordt hetzij schriftelijk bij het Bureau, hetzij tezamen met de aanvraag van een communautair kwekersrecht schriftelijk in tweevoud bij een nationaal orgaan of dienst als bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening ingediend.

Het Bureau stelt kosteloos een formulier voor het indienen van een voorstel voor een rasbenaming ter beschikking.

Wanneer het voorstel voor een rasbenaming via elektronische middelen wordt ingediend, voldoet dit aan het bepaalde ten aanzien van de ondertekening in artikel 57, lid 3, tweede alinea, van deze verordening.

Artikel 29

Onderzoek van het voorstel

1.   Wanneer geen voorstel voor een rasbenaming bij de aanvraag van een communautair kwekersrecht is gevoegd of wanneer het Bureau de voorgestelde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt het Bureau de aanvrager hiervan onverwijld in kennis, verzoekt het hem een voorstel respectievelijk een nieuw voorstel in te dienen, en maakt het hem op de gevolgen van een verzuim opmerkzaam.

2.   Wanneer het Bureau op het ogenblik waarop het overeenkomstig artikel 57, lid 1, van de basisverordening de resultaten van het technische onderzoek ontvangt, vaststelt dat de aanvrager nog geen voorstel voor een rasbenaming heeft ingediend, wijst het de aanvraag van een communautair kwekersrecht ingevolge artikel 61, lid 1, onder c), van de basisverordening onmiddellijk af.

Artikel 30

Richtsnoeren inzake rasbenamingen

In door de raad van bestuur aan te nemen richtsnoeren worden voor de verschillende soorten eenvormige en definitieve criteria vastgelegd met betrekking tot de beletsels voor de vaststelling van rasbenamingen, als bedoeld in artikel 63, leden 3 en 4, van de basisverordening.

HOOFDSTUK II

Bezwaar

Artikel 31

Indiening van een bezwaarschrift

1.   Een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 59 van de basisverordening moet bevatten:

a)

de naam van de aanvrager en het dossiernummer van de aanvraag waartegen het bezwaar is gericht;

b)

de aanduiding van degene die bezwaar maakt als partij in de procedure overeenkomstig artikel 2 van deze verordening;

c)

wanneer degene die bezwaar maakt een vertegenwoordiger voor de procedure heeft aangewezen, diens naam en adres;

d)

een uiteenzetting van de grond van het bezwaar, als bedoeld in artikel 59, lid 3, van de basisverordening, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het bezwaar worden aangevoerd.

2.   Wanneer met betrekking tot eenzelfde aanvraag van een communautair kwekersrecht verschillende bezwaarschriften worden ingediend, kan het Bureau deze in één procedure behandelen.

Artikel 32

Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar

1.   Wanneer het Bureau vaststelt dat het bezwaar niet aan artikel 59, leden 1 en 3, van de basisverordening of artikel 31, lid 1, onder d), van deze verordening voldoet of dat onvoldoende duidelijk is tegen welke aanvraag het is gericht, verklaart het dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken binnen een door het Bureau gestelde termijn worden verholpen.

2.   Wanneer het Bureau vaststelt dat het bezwaar niet aan andere bepalingen van de basisverordening of deze verordening voldoet, verklaart het dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken vóór het verstrijken van de bezwaartermijn worden verholpen.

HOOFDSTUK III

Instandhouding van het communautaire kwekersrecht

Artikel 33

Verplichtingen van de houder uit hoofde van artikel 64, lid 3, van de basisverordening

1.   De houder moet toestaan dat materiaal van het betrokken ras en de plaats waar het ras in stand wordt gehouden, worden geïnspecteerd, zodat de nodige informatie kan worden verkregen ter beoordeling of het ras overeenkomstig artikel 64, lid 3, van de basisverordening in ongewijzigde vorm blijft bestaan.

2.   De houder moet schriftelijke aantekeningen houden, zodat kan worden gecontroleerd of de noodzakelijke maatregelen als bedoeld in artikel 64, lid 3, van de basisverordening zijn genomen.

Artikel 34

Technische controle van het beschermde ras

Onverminderd artikel 87, lid 4, van de basisverordening, wordt de technische controle van het beschermde ras verricht overeenkomstig de testrichtsnoeren die op regelmatige wijze moeten zijn toegepast toen het communautaire kwekersrecht voor dit ras werd verleend. De artikelen 22 en 24 tot en met 27 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op het Bureau, het onderzoeksbureau en de houder.

Artikel 35

Ander voor de technische controle te gebruiken materiaal

Wanneer de houder overeenkomstig artikel 64, lid 3, van de basisverordening materiaal van het ras ter beschikking heeft gesteld, kan het onderzoeksbureau met de toestemming van het Bureau het ter beschikking gestelde materiaal toetsen aan ander materiaal dat afkomstig is van bedrijven waar door de houder of met diens toestemming materiaal wordt voortgebracht, van door de houder of met diens toestemming verhandeld materiaal, of van binnen hun bevoegdheid handelende officiële instanties in een lidstaat.

Artikel 36

Wijziging van de rasbenaming

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 66 van de basisverordening de rasbenaming dient te worden gewijzigd, deelt het Bureau de houder de redenen hiervan mee, stelt het een termijn vast waarbinnen de houder een passend voorstel voor een gewijzigde rasbenaming moet indienen, en maakt het hem erop opmerkzaam dat wanneer hij dit niet doet, het communautaire kwekersrecht overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening vervallen kan worden verklaard.

2.   Wanneer het Bureau het voorstel voor een gewijzigde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt het de houder hiervan onverwijld in kennis, stelt het andermaal een termijn vast waarbinnen de houder een passend voorstel moet indienen, en maakt het hem erop opmerkzaam dat, wanneer hij dit niet doet, het communautaire kwekersrecht overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening vervallen kan worden verklaard.

3.   De artikelen 31 en 32 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing op een bezwaar op grond van artikel 66, lid 3, van de basisverordening

4.   Wanneer het voorstel voor een wijziging van een rasbenaming via elektronische middelen wordt ingediend, voldoet dit aan het bepaalde ten aanzien van de ondertekening in artikel 57, lid 3, tweede alinea.

HOOFDSTUK IV

Door het Bureau te verlenen communautaire licenties

Afdeling 1

Dwanglicenties overeenkomstig artikel 29 van de basisverordening

Artikel 37

Verzoek om een dwanglicentie

1.   Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, leden 1, 2 en 5, van de basisverordening moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;

d)

een uiteenzetting van het openbaar belang waarop het verzoek berust, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het gestelde openbaar belang worden aangevoerd;

e)

in het geval van een verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening, een voorstel inzake de categorie van personen aan wie de dwanglicentie moet worden verleend, en in voorkomend geval de specifieke eisen waaraan die personen moeten voldoen;

f)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor deze vergoeding.

2.   Het verzoek om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, lid 5a, van de basisverordening moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een gewaarmerkte kopie van het octrooibewijs waarin het nummer van de biotechnologische uitvinding en de desbetreffende aanspraken en de octrooiverlenende instantie worden vermeld;

d)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de dwanglicentie betrekking moet hebben;

e)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor de vergoeding;

f)

een uiteenzetting van de reden waarom de biotechnologische uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras, met inbegrip van een gedetailleerde toelichting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;

g)

een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

3.   Het verzoek om een in artikel 29, lid 5a, tweede alinea, van de basisverordening bedoelde wederkerige dwanglicentie moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en de weigerachtige houder van het betrokken ras als partijen in de procedure;

b)

de rasbenaming van het betrokken plantenras en de soort waartoe het behoort;

c)

een gewaarmerkte kopie van het octrooibewijs waarin het nummer van de biotechnologische uitvinding en de desbetreffende aanspraken en de octrooiverlenende instantie worden vermeld;

d)

een officieel document waarin wordt verklaard dat een dwanglicentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het kwekersrecht is verleend;

e)

een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking moet hebben;

f)

een voorstel voor een billijke vergoeding en de berekeningsgrondslag voor de vergoeding;

g)

een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat niet het territoriale toepassingsgebied van het onder c) bedoelde octrooi mag overschrijden.

4.   Bij een verzoek om een dwanglicentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht. Wanneer de Commissie of een lidstaat overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening om een dwanglicentie verzoekt, kan het Bureau in geval van overmacht ontheffing van deze bepaling verlenen.

5.   Een verzoek om een contractuele licentie wordt geacht te zijn afgewezen in de zin van lid 4, wanneer:

a)

de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven, of

b)

de houder heeft geweigerd, de persoon die aanspraak maakt op dit recht een contractuele licentie te verlenen, of

c)

de houder de persoon die aanspraak maakt op dit recht een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de wezenlijke voorwaarden van het aanbod, waaronder die betreffende de te betalen royalty, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.

Artikel 38

Onderzoek van het verzoek om een dwanglicentie

1.   De mondelinge behandeling en de bewijsvoering vinden in beginsel tezamen tijdens één zitting plaats.

2.   Een verzoek om een nadere zitting is slechts ontvankelijk, indien het op omstandigheden berust waarin zich tijdens of na de zitting een wijziging heeft voorgedaan.

3.   Alvorens een beslissing te nemen, verzoekt het Bureau de partijen in de procedure tot een minnelijke regeling inzake een contractuele licentie te komen. Het Bureau doet in voorkomend geval een voorstel voor een dergelijke minnelijke regeling.

Artikel 39

Houderschap van een communautair kwekersrecht tijdens de procedure

1.   Wanneer een vordering als bedoeld in artikel 98, lid 1, van de basisverordening tegen de houder is ingesteld en dit in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven, kan het Bureau de procedure tot verlening van een dwanglicentie schorsen. Het mag de procedure eerst hervatten, nadat de vordering tot een in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing heeft geleid of de desbetreffende procedure op een andere wijze is beëindigd en dit in het register is ingeschreven.

2.   Wanneer het communautaire kwekersrecht op een voor het Bureau verbindende wijze op een andere persoon wordt overgedragen, treedt de nieuwe houder op verzoek van de verzoeker als partij tot de procedure toe, indien de verzoeker binnen twee maanden nadat hij door het Bureau van de inschrijving van de nieuwe houder in het register van communautaire kwekersrechten in kennis is gesteld, deze vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht. De verzoeker moet bij zijn verzoek voldoende bewijsstukken betreffende zijn vergeefse poging en in voorkomend geval de handelwijze van de nieuwe houder voegen.

3.   In het geval van een verzoek als bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening treedt de nieuwe houder als partij tot de procedure toe. Lid 1 van dit artikel is in dit geval niet van toepassing.

Artikel 40

Inhoud van de beslissing op het verzoek om een dwanglicentie

De schriftelijke beslissing wordt door de voorzitter van het Bureau ondertekend. De beslissing moet bevatten:

a)

de vermelding dat zij door het Bureau is genomen;

b)

de datum waarop zij is genomen;

c)

de namen van de leden van het comité die aan de procedure hebben deelgenomen;

d)

de namen van de partijen in de procedure en hun vertegenwoordigers voor de procedure;

e)

een verwijzing naar het advies van de raad van bestuur;

f)

een uiteenzetting van het onderwerp van het beroep;

g)

een samenvatting van de feiten;

h)

de gronden van de beslissing;

i)

de uitspraak van het Bureau; in deze uitspraak wordt in voorkomend geval vastgesteld op welke handelingen de dwanglicentie betrekking heeft, welke bijzondere voorwaarden eraan zijn verbonden, aan welke categorie van personen zij wordt verleend, en aan welke specifieke eisen die personen moeten voldoen.

Artikel 41

Verlening van een dwanglicentie

1.   De beslissing om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, leden 1, 2 en 5, van de basisverordening te verlenen, moet een uiteenzetting bevatten van het openbaar belang dat in aanmerking is genomen.

2.   Als openbaar belang geldt met name:

a)

de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;

b)

de noodzaak, materiaal met bepaalde eigenschappen op de markt te brengen;

c)

de noodzaak, het kweken van verbeterde rassen te blijven aanmoedigen.

3.   De beslissing om een dwanglicentie overeenkomstig artikel 29, lid 5a, van de basisverordening te verlenen, moet een uiteenzetting bevatten van de redenen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt. De volgende gronden kunnen in het bijzonder redenen zijn waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras:

a)

verbetering van de teelttechnieken;

b)

verbetering van het milieu;

c)

verbetering van de technieken ter bevordering van het gebruik van genetische biodiversiteit;

d)

verbetering van de kwaliteit;

e)

verbetering van de opbrengst;

f)

verbetering van de weerstand;

g)

verbetering van de aanpassing aan bijzondere klimatologische en/of milieuomstandigheden.

4.   De dwanglicentie is niet uitsluitend.

5.   De dwanglicentie mag niet worden overgedragen, tenzij tezamen met het deel van een onderneming dat van deze licentie gebruik maakt, of in het in artikel 29, lid 5, van de basisverordening bedoelde geval, wanneer tegelijkertijd het houderschap van een hoofdzakelijk afgeleid ras wordt overgedragen.

Artikel 42

Voorwaarden ten aanzien van de persoon aan wie een dwanglicentie wordt verleend

1.   Onverminderd andere voorwaarden als bedoeld in artikel 29, lid 3, van de basisverordening, moet de persoon aan wie de dwanglicentie wordt verleend, over de nodige financiële middelen en technische bekwaamheden beschikken om gebruik van deze licentie te kunnen maken.

2.   Het voldoen aan de voorwaarden die aan de dwanglicentie zijn verbonden en in de desbetreffende beslissing zijn vastgesteld, wordt als een omstandigheid in de zin van artikel 29, lid 4, van de basisverordening beschouwd.

3.   Het Bureau bepaalt dat de persoon aan wie de dwanglicentie wordt verleend geen rechtsvordering wegens inbreuk op het betrokken communautaire kwekersrecht mag instellen, tenzij de houder weigert of nalaat dit binnen twee maanden nadat hij daarom wordt verzocht, te doen.

Artikel 43

Categorie van personen die aan specifieke eisen overeenkomstig artikel 29, lid 2, van de basisverordening voldoen

1.   Elke persoon die voornemens is gebruik te maken van een dwanglicentie en behoort tot een categorie van personen die voldoet aan specifieke eisen zoals bedoeld in artikel 29, lid 2, van de basisverordening, moet dit bij aangetekende brief met verzoek om ontvangstbevestiging ter kennis van het Bureau en de houder brengen. Deze kennisgeving moet met name bevatten:

a)

de naam en het adres van de betrokken persoon overeenkomstig de bepalingen die op de partijen in een procedure van toepassing zijn overeenkomstig artikel 2 van deze verordening;

b)

een uiteenzetting van de feiten waaruit blijkt dat hij aan de specifieke eisen voldoet;

c)

een beschrijving van de te verrichten handelingen, en

d)

een verklaring dat de betrokken persoon over de nodige financiële middelen beschikt om van de dwanglicentie gebruik te kunnen maken, alsook gegevens over de technische bekwaamheden die hij daartoe bezit.

2.   Wanneer een persoon de voorwaarden inzake de in lid 1 bedoelde kennisgeving heeft vervuld, schrijft het Bureau hem op zijn verzoek in het register van communautaire kwekersrechten in. Hij mag eerst nadat hij is ingeschreven van de dwanglicentie gebruikmaken. De ingeschreven persoon en de houder worden van de inschrijving in kennis gesteld.

3.   Artikel 42, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op een persoon die krachtens lid 2 van dit artikel in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven. De rechterlijke beslissing waartoe de rechtsvordering wegens inbreuk leidt, is verbindend voor de andere personen die zijn of zullen worden ingeschreven; hetzelfde geldt, wanneer de desbetreffende procedure op een andere wijze wordt beëindigd.

4.   De in lid 2 bedoelde inschrijving kan slechts worden doorgehaald, indien zich meer dan een jaar na de verlening van de dwanglicentie en vóór het verstrijken van de eventueel vastgestelde geldigheidsduur een verandering heeft voorgedaan in de specifieke eisen die in de beslissing tot verlening van deze licentie waren vastgesteld, of in de overeenkomstig lid 2 aangetoonde financiële middelen en technische bekwaamheden. De ingeschreven persoon en de houder worden van de doorhaling in kennis gesteld.

Afdeling 2

Licenties overeenkomstig artikel 100, lid 2, van de basisverordening

Artikel 44

Licenties overeenkomstig artikel 100, lid 2, van de basisverordening

1.   Een verzoek om een niet-uitsluitende contractuele licentie van een nieuwe houder, als bedoeld in artikel 100, lid 2, van de basisverordening, moet in het geval van de vroegere houder binnen twee maanden of in het geval van een vroegere licentiehouder binnen vier maanden na ontvangst van de kennisgeving door het Bureau dat de naam van de nieuwe houder in het register van communautaire kwekersrechten is ingeschreven, worden gedaan.

2.   Bij een verzoek om een overeenkomstig artikel 100, lid 2, van de basisverordening door het Bureau te verlenen licentie moeten de stukken worden gevoegd waaruit blijkt dat het in lid 1 van dit artikel bedoelde verzoek is afgewezen. Artikel 37, lid 1, onder a), b) en c), en lid 5, artikel 38, artikel 39, lid 3, artikel 40 met uitzondering van het bepaalde onder f), artikel 41, leden 3 en 4, en artikel 42 van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.

TITEL III

PROCEDURE VOOR DE KAMER VAN BEROEP

Artikel 45

Inhoud van het beroepschrift

Het beroepschrift moet bevatten:

a)

de aanduiding van de verzoeker als partij in de beroepsprocedure overeenkomstig artikel 2;

b)

het dossiernummer van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, en een uiteenzetting in welke mate wijziging of nietigverklaring van de beslissing wordt gevorderd.

Artikel 46

Ontvangst van het beroepschrift

Wanneer het Bureau een beroepschrift ontvangt, brengt het daarop het dossiernummer van de beroepsprocedure en de datum van ontvangst door het Bureau aan en deelt het de verzoeker mee binnen welke termijn hij zijn uiteenzetting van de beroepsgronden moet indienen; de verzoeker kan zich niet op het achterwege blijven van deze mededeling beroepen.

Artikel 47

Deelneming als partij in de beroepsprocedure

1.   Het Bureau doet onverwijld een afschrift van het beroepschrift, waarop het dossiernummer en de datum van ontvangst zijn vermeld, aan de partijen toekomen die aan de procedure voor het Bureau hebben deelgenomen.

2.   De in lid 1 bedoelde partijen kunnen binnen twee maanden nadat hun een afschrift van het beroepschrift is toegezonden, als partij aan de beroepsprocedure deelnemen.

Artikel 48

Taken van het Bureau

1.   De in artikel 70, lid 1, van de basisverordening bedoelde instantie van het Bureau en de voorzitter van de Kamer van beroep dragen er door middel van interne voorbereidende maatregelen zorg voor dat de Kamer van beroep de zaak kan onderzoeken zodra deze aan haar is voorgelegd; de voorzitter kiest met name overeenkomstig artikel 46, lid 2, van de basisverordening de twee andere leden van de Kamer van beroep en wijst, voordat de zaak aan de Kamer van beroep wordt voorgelegd, een rapporteur aan.

2.   Voordat de zaak aan de Kamer van beroep wordt voorgelegd, doet de in artikel 70, lid 1, van de basisverordening bedoelde instantie van het Bureau onverwijld een exemplaar van de van elke partij in de beroepsprocedure ontvangen stukken aan elke andere partij in de beroepsprocedure toekomen.

3.   De voorzitter van het Bureau draagt er zorg voor dat, voordat de zaak aan de Kamer van beroep wordt voorgelegd, de in artikel 89 bedoelde bekendmaking geschiedt.

Artikel 49

Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep

1.   Wanneer het beroep niet aan de bepalingen van de basisverordening, met name de artikelen 67, 68 en 69, of aan de bepalingen van deze verordening, met name artikel 45, voldoet, stelt de Kamer van beroep de verzoeker hiervan in kennis en verzoekt zij hem, zo mogelijk, de vastgestelde gebreken binnen een door haar te bepalen termijn te verhelpen. Indien deze gebreken niet tijdig worden verholpen, verklaart de Kamer van beroep het beroep niet-ontvankelijk.

2.   Wanneer beroep wordt ingesteld tegen een beslissing van het Bureau waartegen ook een rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 74 van de basisverordening is ingesteld, legt de Kamer van beroep met de instemming van de verzoeker het beroep onverwijld als een rechtstreeks beroep aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voor; wanneer de verzoeker hiermee niet instemt, verklaart de Kamer het beroep niet-ontvankelijk. Indien het beroep aan het Hof van Justitie wordt voorgelegd, wordt het geacht op de in artikel 46 van deze verordening bedoelde datum van ontvangst door het Bureau bij het Hof van Justitie te zijn ingesteld.

Artikel 50

Mondelinge behandeling

1.   Nadat de zaak aan de Kamer van beroep is voorgelegd, roept de voorzitter van de Kamer van beroep de partijen in de beroepsprocedure onverwijld voor de in artikel 77 van de basisverordening bedoelde mondelinge behandeling op en wijst hij hen op artikel 59, lid 2, van deze verordening.

2.   De mondelinge behandeling en de bewijsvoering vinden in beginsel tezamen tijdens één zitting plaats.

3.   Een verzoek om een nadere zitting is niet-ontvankelijk, tenzij het op omstandigheden berust waarin zich sindsdien een wijziging heeft voorgedaan.

Artikel 51

Onderzoek van het beroep

Tenzij anders wordt bepaald, zijn de bepalingen betreffende de procesvoering voor het Bureau van overeenkomstige toepassing op de beroepsprocedure; onder de partijen in de procedure worden in dit geval de partijen in de beroepsprocedure verstaan.

Artikel 52

Beslissing op het beroep

1.   Binnen drie maanden na de afsluiting van de mondelinge behandeling worden de partijen in de beroepsprocedure op een van de in artikel 64, lid 3, voorziene wijzen schriftelijk van de beslissing op het beroep in kennis gesteld.

2.   De schriftelijke beslissing wordt door de voorzitter van de Kamer van beroep en de overeenkomstig artikel 48, lid 1, aangewezen rapporteur ondertekend. De beslissing moet bevatten:

a)

de vermelding dat zij door de Kamer van beroep is genomen;

b)

de datum waarop zij is genomen;

c)

de namen van de voorzitter en de andere leden van de Kamer van beroep, die aan de beroepsprocedure hebben deelgenomen;

d)

de namen van de partijen in de beroepsprocedure en hun vertegenwoordigers voor de procedure;

e)

een uiteenzetting van het onderwerp van het beroep;

f)

een samenvatting van de feiten;

g)

de gronden van de beslissing;

h)

de uitspraak van de Kamer van beroep, met in voorkomend geval een beslissing inzake de verdeling van de kosten of de terugbetaling van rechten.

3.   De schriftelijke beslissing van de Kamer van beroep gaat vergezeld van de mededeling dat verder beroep kan worden ingesteld; in deze mededeling wordt vermeld binnen welke termijn dit moet geschieden. De partijen in de beroepsprocedure kunnen zich niet op het achterwege blijven van deze mededeling beroepen.

TITEL IV

ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE DE PROCEDURES

HOOFDSTUK I

Beslissingen; kennisgevingen en mededelingen; stukken

Artikel 53

Beslissingen

1.   Elke beslissing van het Bureau draagt de handtekening en de naam van het personeelslid dat overeenkomstig artikel 35 van de basisverordening onder het gezag van de voorzitter van het Bureau daarvoor bevoegd is.

2.   De beslissingen die tijdens een mondelinge behandeling voor het Bureau worden genomen, kunnen ter zitting worden uitgesproken. Zij worden vervolgens op schrift gesteld en overeenkomstig artikel 64 ter kennis van de partijen in de procedure gebracht.

3.   De beslissingen van het Bureau waartegen beroep krachtens artikel 67 van de basisverordening of rechtstreeks beroep krachtens artikel 74 van de basisverordening kan worden ingesteld, gaan vergezeld van een mededeling waarin op deze mogelijkheid wordt gewezen en de in acht te nemen termijnen worden vermeld. De partijen in de procedure kunnen zich niet op het achterwege blijven van deze mededeling beroepen.

4.   Taal- en schrijffouten en andere kennelijke onjuistheden in beslissingen van het Bureau worden gecorrigeerd.

Artikel 54

Certificaat voor het communautaire kwekersrecht

1.   Wanneer het Bureau een communautair kwekersrecht verleent, geeft het, tezamen met de desbetreffende beslissing, ten bewijze van de verlening een certificaat voor het communautaire kwekersrecht af.

2.   Het Bureau geeft het certificaat voor het communautaire kwekersrecht in de door de houder gewenste officiële talen van de Europese Unie af.

3.   Het Bureau kan, op verzoek, een afschrift van het certificaat aan de rechthebbende afgeven, indien wordt aangetoond dat het origineel verloren of vernietigd is.

Artikel 55

Kennisgevingen en mededelingen

Tenzij anders wordt bepaald, vermeldt elke kennisgeving of mededeling van het Bureau of een onderzoeksbureau ten minste de naam van het bevoegde personeelslid.

Artikel 56

Het recht om te worden gehoord

1.   Wanneer het Bureau vaststelt dat geen beslissing overeenkomstig de aanvraag of het verzoek kan worden genomen, deelt het de vastgestelde gebreken aan de betrokken partij in de procedure mee en verzoekt het haar deze binnen een door hem te bepalen termijn te verhelpen. Indien de vastgestelde en meegedeelde gebreken niet tijdig worden verholpen, neemt het Bureau zijn beslissing.

2.   Wanneer het Bureau opmerkingen van een partij in de procedure ontvangt, deelt het deze aan de andere partijen in de procedure mee en verzoekt het hun, zo het dit noodzakelijk acht, hierop binnen een door hem te bepalen termijn te antwoorden. Indien het Bureau niet tijdig een antwoord ontvangt, neemt het later ingediende stukken niet in aanmerking.

Artikel 57

Door de partijen in de procedure ingediende stukken

1.   De door een partij in de procedure ingediende stukken worden per post toegezonden, persoonlijk bezorgd of via elektronische middelen doorgegeven.

De voorzitter van het Bureau stelt de nadere voorschriften betreffende indiening langs elektronische weg vast.

2.   Als datum van ontvangst van een door een partij in de procedure ingediend stuk geldt de datum waarop dit stuk daadwerkelijk ten kantore van het Bureau of, in het geval van een elektronisch ingediend stuk, elektronisch bij het Bureau inkomt.

3.   Met uitzondering van bijlagen moet elk stuk dat door een partij in de procedure wordt ingediend, door haar of haar vertegenwoordiger voor de procedure zijn ondertekend.

Wanneer een stuk langs elektronische weg inkomt, is het voorzien van een elektronische handtekening.

4.   Wanneer een stuk niet op regelmatige wijze is ondertekend of onvolledig of onleesbaar is, of indien het Bureau redenen heeft om aan de nauwkeurigheid van het stuk te twijfelen, stelt het Bureau de afzender daarvan in kennis en verzoekt het hem, binnen een termijn van één maand, het overeenkomstig lid 3 ondertekende origineel in te dienen of een afschrift van het origineel opnieuw toe te zenden.

Wanneer binnen de gestelde termijn aan het verzoek wordt voldaan, geldt als datum van ontvangst van het ondertekende stuk of het afschrift van het opnieuw toegezonden stuk de datum van ontvangst van het eerste stuk. Indien binnen de gestelde termijn niet aan het verzoek wordt voldaan, wordt het stuk als niet ontvangen beschouwd.

5.   Van stukken die aan andere partijen in de procedure of aan het betrokken onderzoeksbureau moeten worden meegedeeld, en stukken die betrekking hebben op twee of meer aanvragen van een communautair kwekersrecht of twee of meer verzoeken om een licentie, moet een voldoende aantal exemplaren worden ingediend. Wanneer er exemplaren te kort zijn, wordt op kosten van de betrokken partij voor extra exemplaren gezorgd.

De eerste alinea is niet van toepassing op langs elektronische weg ingediende stukken.

Artikel 58

Bewijsstukken

1.   Andere beslissingen of eindbeslissingen dan die van het Bureau of andere door de partijen in de procedure over te leggen bewijsstukken, kunnen in de vorm van een niet voor eensluidend gewaarmerkt afschrift worden ingediend.

2.   Wanneer het Bureau redenen heeft om aan de echtheid van de in lid 1 genoemde bewijsstukken te twijfelen, kan het de overlegging van het origineel of van een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift verlangen.

HOOFDSTUK II

Mondelinge behandeling en bewijsvoering

Artikel 59

Oproeping voor de mondelinge behandeling

1.   De partijen in de procedure worden voor de in artikel 77 van de basisverordening bedoelde mondelinge behandeling opgeroepen; zij worden in de oproeping opmerkzaam gemaakt op lid 2 van het onderhavige artikel. De oproeping wordt ten minste een maand van tevoren gedaan, tenzij de partijen met het Bureau een kortere termijn overeenkomen.

2.   Wanneer een partij in de procedure die op regelmatige wijze voor de mondelinge behandeling is opgeroepen, niet overeenkomstig de oproeping voor het Bureau verschijnt, kan de procedure in haar afwezigheid worden voortgezet.

Artikel 60

Bewijsvoering

1.   Wanneer het Bureau het noodzakelijk acht partijen in de procedure, getuigen of deskundigen te horen of een inspectie te verrichten, neemt het dienaangaande een beslissing waarin het de te nemen maatregelen ter verkrijging van bewijs, de relevante feiten waarvan het bewijs moet worden geleverd, en de dag, tijd en plaats van de hoorzitting of de inspectie vermeldt. Wanneer een partij in de procedure om het horen van getuigen of deskundigen verzoekt, stelt het Bureau in zijn beslissing dienaangaande de termijn vast waarbinnen deze partij aan het Bureau de namen en adressen moet opgeven van de getuigen of deskundigen die zij wil doen horen.

2.   De te horen partij in de procedure, getuige of deskundige wordt ten minste een maand van tevoren opgeroepen tenzij zij (hij) met het Bureau een kortere termijn overeenkomt. De oproeping moet bevatten:

a)

een uittreksel van de in lid 1 bedoelde beslissing, waarin met name wordt vermeld op welke dag, tijd en plaats het onderzoek zal plaatsvinden en over welke feiten de partij, getuige of deskundige zal worden gehoord;

b)

de namen van de partijen in de procedure en de vermelding van de rechten van getuigen en deskundigen uit hoofde van artikel 62, leden 2, 3 en 4;

c)

de vermelding dat de partij, getuige of deskundige kan verzoeken te worden gehoord door de bevoegde rechterlijke of andere instantie van de staat waar zij (hij) haar (zijn) woonplaats heeft, en een verzoek om het Bureau binnen de termijn die het vaststelt, te laten weten of zij (hij) bereid is voor het Bureau te verschijnen.

3.   Voordat een partij in de procedure, getuige of deskundige wordt gehoord, wordt haar (hem) meegedeeld dat het Bureau de bevoegde rechterlijke of andere instantie van de staat waar zij (hij) haar (zijn) woonplaats heeft, kan verzoeken haar (hem) onder ede of in een andere bindende vorm opnieuw te horen.

4.   Wanneer een getuige of deskundige door een bevoegde rechterlijke of andere instantie zal worden gehoord, wordt dit aan de partijen in de procedure meegedeeld. Zij hebben het recht, de zitting bij te wonen en de partij, getuige of deskundige die verklaringen aflegt, te ondervragen, hetzij door tussenkomst van genoemde instantie, hetzij rechtstreeks.

Artikel 61

Aanwijzing van deskundigen

1.   Wanneer het Bureau een deskundige aanwijst, bepaalt het in welke vorm deze zijn verslag moet indienen.

2.   De aan de deskundige verstrekte opdracht moet bevatten:

a)

een nauwkeurige taakomschrijving;

b)

de termijn waarbinnen hij zijn verslag moet indienen;

c)

de namen van de partijen in de procedure;

d)

de vermelding van zijn rechten uit hoofde van artikel 62, leden 2, 3 en 4.

3.   Het Bureau kan met het oog op de opstelling van het deskundigenverslag het onderzoeksbureau dat het technische onderzoek heeft verricht, verzoeken overeenkomstig de gegeven instructies materiaal ter beschikking te stellen. Het Bureau kan, zo nodig, ook partijen in de procedure of derden om materiaal verzoeken.

4.   De partijen in de procedure ontvangen een exemplaar van het schriftelijke verslag, zo nodig met een vertaling.

5.   De partijen in de procedure kunnen een deskundige wraken. Artikel 48, lid 3, en artikel 81, lid 2, van de basisverordening zijn van overeenkomstige toepassing.

6.   Artikel 13, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de door het Bureau aangewezen deskundige. Wanneer het Bureau een deskundige aanwijst, wijst het hem op zijn geheimhoudingsplicht.

Artikel 62

Kosten van de bewijsvoering

1.   Het Bureau kan bepalen dat, wanneer een partij in de procedure om maatregelen ter verkrijging van bewijs verzoekt, zij eerst een waarborgsom aan het Bureau moet overmaken die het Bureau op grond van een raming van de kosten vaststelt.

2.   De getuigen en deskundigen, die worden opgeroepen door en verschijnen voor het Bureau hebben recht op een passende vergoeding van hun reis- en verblijfkosten. Er kan hun een voorschot worden toegekend.

3.   De getuigen die recht hebben op een vergoeding als bedoeld in lid 2, hebben ook recht op een passende vergoeding wegens inkomstenderving; de deskundigen hebben recht op een honorarium, tenzij zij personeelslid van een onderzoeksbureau zijn. De vergoeding wordt aan de getuigen betaald, nadat zij zijn gehoord; het honorarium wordt aan de deskundigen betaald, nadat zij hun opdracht hebben voltooid.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde vergoedingen worden overeenkomstig de nadere voorschriften en binnen de grenzen van de in bijlage I vastgestelde schalen, door het Bureau betaald.

Artikel 63

Verslag van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering

1.   Van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering wordt een verslag opgesteld dat de hoofdzaken hiervan, de ter zake dienende verklaringen van de partijen in de procedure, de verklaringen van de partijen, getuigen en deskundigen, die zijn gehoord, en in voorkomend geval de tijdens een inspectie gedane vaststellingen, bevat.

2.   Het verslag van de verklaringen van een partij in de procedure, getuige of deskundige die is gehoord, wordt haar (hem) voorgelegd of ter kennisneming overhandigd. In het verslag wordt aangetekend dat deze formaliteit is vervuld en dat degene die de verklaringen heeft afgelegd, het verslag heeft goedgekeurd. Wanneer deze het verslag niet goedkeurt, wordt melding gemaakt van zijn bezwaren.

3.   Het verslag wordt ondertekend door het personeelslid dat het heeft opgesteld en het personeelslid dat de mondelinge behandeling of de bewijsvoering heeft geleid.

4.   De partijen in de procedure ontvangen een exemplaar van het verslag, zo nodig met een vertaling.

HOOFDSTUK III

Betekening

Artikel 64

Algemene bepalingen betreffende de betekening

1.   De betekening van stukken door het Bureau aan een partij in een procedure voor het Bureau geschiedt in de vorm van hetzij het origineel, een niet voor eensluidend gewaarmerkt afschrift daarvan of een computeruitdraai. De betekening van door andere partijen in de procedure ingediende stukken kan geschieden in de vorm van niet voor eensluidend gewaarmerkte afschriften.

2.   Wanneer een of meer partijen in de procedure een vertegenwoordiger voor de procedure hebben aangewezen, geschiedt de betekening overeenkomstig lid 1 aan deze laatste.

3.   De betekening geschiedt:

a)

per post overeenkomstig artikel 65;

b)

door terhandstelling overeenkomstig artikel 66;

c)

door middel van een bericht in een periodieke publicatie overeenkomstig artikel 67, of

d)

via elektronische of andere technische middelen overeenkomstig de tweede alinea.

De voorzitter van het Bureau stelt de nadere voorschriften betreffende betekening langs elektronische weg vast.

4.   De betekening van stukken, of afschriften van stukken, die betrekking hebben op handelingen waarvoor in artikel 79 van de basisverordening betekening is voorgeschreven, geschiedt bij aangetekende brief met verzoek om ontvangstbevestiging; deze betekening kan eveneens via door de voorzitter van het Bureau vast te stellen elektronische middelen plaatsvinden.

Artikel 65

Betekening per post

1.   De betekening van stukken aan personen die niet hun woonplaats of plaats van vestiging, noch een vaste inrichting in de Gemeenschap hebben en die niet overeenkomstig artikel 82 van de basisverordening een vertegenwoordiger voor de procedure hebben aangewezen, geschiedt bij gewone brief aan het bij het Bureau laatst bekende adres van de betrokken persoon. De betekening wordt geacht te zijn geschied, ook al wordt de brief als onbestelbaar aan de afzender teruggezonden.

2.   Wanneer de betekening bij aangetekende brief met of zonder verzoek om ontvangstbevestiging geschiedt, wordt deze brief geacht door de geadresseerde te zijn ontvangen op de tiende dag nadat hij is gepost, tenzij hij de geadresseerde niet of op een latere dag heeft bereikt; bij betwisting moet het Bureau naargelang van het geval bewijzen dat de brief ter bestemming is aangekomen of op een bepaalde datum aan de geadresseerde is overhandigd.

3.   De betekening bij aangetekende brief met of zonder verzoek om ontvangstbevestiging wordt geacht te zijn geschied, ook al weigert de geadresseerde de brief te aanvaarden of voor ontvangst ervan te tekenen.

4.   Voor zover de betekening per post niet in de leden 1, 2 en 3 is geregeld, is het recht van de staat waar de betekening geschiedt, van toepassing.

Artikel 66

Betekening door terhandstelling

De betekening van een stuk kan ten kantore van het Bureau geschieden door terhandstelling daarvan aan de persoon voor wie het is bestemd, die voor ontvangst tekent. De betekening wordt geacht te zijn geschied, ook al weigert deze persoon het stuk te aanvaarden of voor ontvangst te tekenen.

Artikel 67

Betekening door middel van een bericht in een periodieke publicatie

Wanneer het adres van de persoon voor wie een stuk is bestemd, niet kan worden achterhaald of wanneer betekening overeenkomstig artikel 64, lid 4, ook na een tweede poging door het Bureau onmogelijk is gebleken, geschiedt de betekening door plaatsing van een bericht in de in artikel 89 van de basisverordening bedoelde periodieke publicatie. De voorzitter van het Bureau stelt dienaangaande nadere voorschriften vast.

Artikel 68

Onregelmatigheden bij de betekening

Wanneer het Bureau niet kan bewijzen dat een stuk dat de geadresseerde heeft bereikt op regelmatige wijze is betekend, of wanneer de bepalingen betreffende de betekening niet in acht zijn genomen, wordt het stuk geacht te zijn betekend op de datum die door het Bureau als datum van ontvangst is vastgesteld.

HOOFDSTUK IV

Termijnen; onderbreking van de procedure

Artikel 69

Berekening van de termijnen

1.   De termijnen worden vastgesteld in volle jaren, maanden, weken of dagen.

2.   Een termijn wordt berekend vanaf de dag volgende op die waarop het feit dat voor het ingaan van die termijn bepalend is (hierna „het relevante feit” genoemd), zich voordoet; dit feit is hetzij een handeling, hetzij het verstrijken van een andere termijn. Tenzij anders wordt bepaald, geldt, wanneer de handeling een betekening is, de ontvangst van het betekende stuk als het relevante feit.

3.   In afwijking van lid 2, wordt een termijn berekend vanaf de vijftiende dag volgende op die waarop de bekendmaking van de relevante handeling geschiedt; deze handeling is hetzij een bericht als bedoeld in artikel 67, hetzij een beslissing van het Bureau, voor zover deze niet aan de betrokken persoon wordt betekend, hetzij een handeling van een partij in de procedure, waarvoor bekendmaking is voorgeschreven.

4.   Een termijn die in één of meer jaren is uitgedrukt, loopt in het kalenderjaar waarin hij eindigt, af in de maand en op de dag die dezelfde naam en cijferaanduiding hebben als de maand waarin en de dag waarop het relevante feit zich heeft voorgedaan; wanneer in bedoelde maand geen dag met dezelfde cijferaanduiding voorkomt, loopt de termijn op de laatste dag van die maand af.

5.   Een termijn die in één of meer maanden is uitgedrukt, loopt in de kalendermaand waarin hij eindigt, af op de dag die dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop het relevante feit zich heeft voorgedaan; wanneer in bedoelde maand geen dag met dezelfde cijferaanduiding voorkomt, loopt de termijn op de laatste dag van die maand af.

6.   Een termijn die in één of meer weken is uitgedrukt, loopt in de kalenderweek waarin hij eindigt, af op de dag die dezelfde naam heeft als de dag waarop het relevante feit zich heeft voorgedaan.

Artikel 70

Duur van de termijnen

De overeenkomstig de basisverordening of deze verordening door het Bureau vast te stellen termijnen bedragen ten minste één maand en ten hoogste drie maanden. In bepaalde bijzondere gevallen kan de termijn tot ten hoogste zes maanden worden verlengd, indien daartoe vóór het verstrijken ervan een verzoek wordt ingediend.

Artikel 71

Verlenging van de termijnen

1.   Wanneer een termijn afloopt op een dag waarop het Bureau niet voor het in ontvangst nemen van stukken is geopend, of op een dag waarop om andere dan de in lid 2 genoemde redenen in de plaats waar het Bureau gevestigd is geen normale postbestelling plaatsvindt, wordt deze termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het Bureau voor het in ontvangst nemen van stukken is geopend en de normale postbestelling plaatsvindt. De in de eerste zin bedoelde dagen worden vóór het begin van elk kalenderjaar door de voorzitter van het Bureau vastgesteld en bekendgemaakt.

2.   Wanneer een termijn afloopt op een dag waarop de postbestelling in een lidstaat of het postverkeer tussen een lidstaat en het Bureau algemeen onderbroken of ten gevolge van een onderbreking verstoord is, wordt ten aanzien van de partijen in de procedure die hun woonplaats, hun plaats van vestiging of een vaste inrichting in die lidstaat hebben of die vertegenwoordigers voor de procedure hebben aangewezen welke hun kantoor in die lidstaat hebben, deze termijn verlengd tot de eerstvolgende dag na het einde van de periode van onderbreking of verstoring. Wanneer de betrokken lidstaat de lidstaat is waar het Bureau is gevestigd, is deze bepaling op alle partijen in de procedure van toepassing. De duur van de periode van onderbreking of verstoring wordt door de voorzitter van het Bureau vastgesteld en bekendgemaakt.

Ten aanzien van langs elektronische weg ingediende stukken is de eerste alinea van overeenkomstige toepassing in gevallen waarin de verbinding met het Bureau via elektronische communicatiemiddelen onderbroken is.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de nationale organen en de diensten, bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening, en op de onderzoeksbureaus.

Artikel 72

Onderbreking van de procedure

1.   De procedure voor het Bureau wordt onderbroken:

a)

in het geval van overlijden of handelingsonbekwaamheid van de aanvrager of de houder van een communautair kwekersrecht, de persoon die om een door het Bureau te verlenen licentie verzoekt of de persoon die tot een dergelijke licentie gerechtigd is, dan wel de vertegenwoordiger voor de procedure van een van deze partijen, of

b)

ingeval een dergelijke persoon als gevolg van beslag op zijn vermogen de procedure voor het Bureau niet kan voortzetten.

2.   Zodra de vereiste gegevens betreffende de identiteit van de persoon die bevoegd is om de procedure als partij of als vertegenwoordiger voort te zetten, in het betrokken register zijn ingeschreven, deelt het Bureau deze persoon en de andere partijen mee dat de procedure zal worden hervat op de datum die het vaststelt.

3.   De termijnen beginnen opnieuw te lopen op de dag waarop de procedure wordt hervat.

4.   Het technische onderzoek of de technische controle van het betrokken ras door een onderzoeksbureau wordt ondanks de onderbreking van de procedure voortgezet, indien de daarvoor verschuldigde rechten reeds aan het Bureau zijn betaald.

HOOFDSTUK V

Vertegenwoordigers voor de procedure

Artikel 73

Aanstelling van een vertegenwoordiger voor de procedure

1.   Wanneer een vertegenwoordiger voor de procedure wordt aangesteld, moet dit aan het Bureau worden meegedeeld. In deze mededeling moeten de naam en het adres van de vertegenwoordiger worden vermeld; artikel 2, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing.

2.   Onverminderd artikel 2, lid 4, moet, wanneer de vertegenwoordiger een werknemer van de betrokken partij is, dit eveneens in de in lid 1 bedoelde mededeling worden vermeld. Een door een partij overeenkomstig artikel 82 van de basisverordening aan te stellen vertegenwoordiger mag geen werknemer van haar zijn.

3.   Wanneer niet aan de leden 1 en 2 is voldaan, wordt de mededeling geacht niet te zijn ontvangen.

4.   Wanneer een vertegenwoordiger ophoudt vertegenwoordiger te zijn, wordt hij nog als zodanig beschouwd, totdat aan het Bureau wordt meegedeeld dat zijn volmacht is beëindigd. Tenzij in de volmacht anders is bepaald, eindigt deze echter ten aanzien van het Bureau bij het overlijden van de volmachtgever.

5.   Wanneer er twee of meer partijen in de procedure zijn die gezamenlijk handelen, wordt, indien zij niet aan het Bureau hebben meegedeeld dat een vertegenwoordiger is aangesteld, de partij die in de aanvraag van een communautair kwekersrecht, in het verzoek om een door het Bureau te verlenen licentie of in het bezwaarschrift als eerste wordt genoemd, geacht als vertegenwoordiger van de andere partij of partijen te zijn aangesteld.

Artikel 74

Bewijs van volmacht van de vertegenwoordiger voor de procedure

1.   Wanneer aan het Bureau wordt meegedeeld dat een vertegenwoordiger voor de procedure is aangesteld, moet binnen de door het Bureau vastgestelde termijn een bewijs van volmacht bij het Bureau worden ingediend dat aan het dossier wordt toegevoegd, tenzij anders wordt bepaald. Wanneer het bewijs van volmacht niet tijdig wordt ingediend, worden de door de vertegenwoordiger verrichte procedurehandelingen geacht niet te zijn verricht.

2.   Er kan een volmacht voor één of meer procedures worden verstrekt; naargelang hiervan moet het bewijs van volmacht in één of meer exemplaren worden ingediend. Er kan ook een algemene volmacht worden verstrekt om in alle procedures waarin de volmachtgever partij is, als zijn vertegenwoordiger op te treden. In dit geval volstaat het dat het bewijs van volmacht in één exemplaar wordt ingediend.

3.   De voorzitter van het Bureau kan bepalen welke gegevens het bewijs van volmacht, met inbegrip van de in lid 2 bedoelde algemene volmacht, moet bevatten en daarvoor kosteloos formulieren ter beschikking te stellen.

HOOFDSTUK VI

Verdeling en vaststelling van de kosten

Artikel 75

Verdeling van de kosten

1.   De beslissing over de verdeling van de kosten wordt opgenomen in de beslissing op het verzoek tot nietigverklaring of vervallenverklaring van een communautair kwekersrecht of in de beslissing op het beroep.

2.   In het geval van een verdeling van de kosten overeenkomstig artikel 85, lid 1, van de basisverordening vermeldt het Bureau deze verdeling in de uiteenzetting van de gronden van de beslissing op het verzoek tot nietigverklaring of vervallenverklaring van een communautair kwekersrecht of van de beslissing op het beroep. De partijen in de procedure kunnen zich niet op het ontbreken van deze vermelding beroepen.

Artikel 76

Vaststelling van de kosten

1.   Een verzoek tot vaststelling van de kosten is slechts ontvankelijk, nadat het Bureau de beslissing heeft genomen waarop dit verzoek betrekking heeft, en in het geval van een beroep tegen deze beslissing, nadat de Kamer van beroep op dit beroep heeft beslist. Een kostenstaat met bewijsstukken moet bij het verzoek worden gevoegd.

2.   De kosten kunnen worden vastgesteld, zodra zij aannemelijk zijn gemaakt.

3.   Wanneer een partij in de procedure de kosten van een andere partij in de procedure moet dragen, kan van haar geen betaling van andere kosten worden verlangd dan die bedoeld in lid 4. Wanneer de in het gelijk gestelde partij door meer dan één gemachtigde, raadsman of advocaat wordt vertegenwoordigd, behoeft de in het ongelijk gestelde partij de in lid 4 bedoelde kosten slechts voor één van die vertegenwoordigers te dragen.

4.   De voor de procedure noodzakelijke kosten omvatten:

a)

de kosten van getuigen en deskundigen, die door het Bureau aan hen zijn vergoed;

b)

de reis- en verblijfkosten van een partij in de procedure en van een gemachtigde, raadsman of advocaat, die op regelmatige wijze als vertegenwoordiger voor het Bureau is aangesteld, binnen de grenzen van de in bijlage I vastgestelde schalen;

c)

het honorarium van een gemachtigde, raadsman of advocaat, die op regelmatige wijze als vertegenwoordiger van een partij in de procedure voor het Bureau is aangesteld, binnen de grenzen van de in bijlage I vastgestelde schalen.

Artikel 77

Kostenregeling

In het geval van een kostenregeling als bedoeld in artikel 85, lid 4, van de basisverordening bekrachtigt het Bureau deze regeling in een tot de betrokken partijen in de procedure gerichte mededeling. Wanneer in deze mededeling tevens een regeling inzake het bedrag van de te betalen kosten wordt bekrachtigd, is een verzoek tot vaststelling van de kosten niet-ontvankelijk.

TITEL V

VOORLICHTING VAN HET PUBLIEK

HOOFDSTUK I

Registers; openbare inzage en inspectie; bekendmakingen

Afdeling 1

Registers

Artikel 78

In de registers in te schrijven gegevens betreffende procedures en communautaire kwekersrechten

1.   De volgende „andere gegevens” als bedoeld in artikel 87, lid 3, van de basisverordening worden in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten ingeschreven:

a)

de datum van bekendmaking, wanneer deze bekendmaking een relevant feit voor de berekening van termijnen is;

b)

bezwaren, met vermelding van de datum van indiening van het bezwaarschrift, de naam en het adres van degene die bezwaar maakt, en van zijn vertegenwoordiger voor de procedure;

c)

gegevens inzake voorrang (datum en staat van de vroegere aanvraag);

d)

het feit dat met betrekking tot een aanspraak op een communautair kwekersrecht een vordering als bedoeld in artikel 98, lid 4, of artikel 99 van de basisverordening is ingesteld, alsook de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing over deze vordering of het feit dat de desbetreffende procedure op een andere wijze is beëindigd.

2.   De volgende „andere gegevens” als bedoeld in artikel 87, lid 3, van de basisverordening worden op verzoek in het register van communautaire kwekersrechten ingeschreven:

a)

de vestiging van een zekerheidsrecht of een zakelijk recht op een communautair kwekersrecht, of

b)

het feit dat met betrekking tot een communautair kwekersrecht een vordering als bedoeld in artikel 98, leden 1 en 2, of artikel 99 van de basisverordening is ingesteld, alsook de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing over deze vordering of het feit dat de desbetreffende procedure op een andere wijze is beëindigd.

3.   De voorzitter van het Bureau stelt nadere voorschriften inzake de inschrijving vast en kan bepalen dat met het oog op de goede werking van het Bureau andere gegevens in de registers worden ingeschreven.

De voorzitter van het Bureau stelt de vorm van de registers vast. De registers mogen in de vorm van een elektronisch gegevensbestand worden bijgehouden.

Artikel 79

Inschrijving van de overdracht van een communautair kwekersrecht

1.   Elke overdracht van een communautair kwekersrecht wordt in het register van communautaire kwekersrechten ingeschreven na overlegging van de akte van overdracht, van officiële bescheiden die de overdracht bevestigen of van uittreksels uit deze akte of bescheiden, die op voldoende wijze de overdracht aantonen. Het Bureau bewaart een afschrift van deze bewijsstukken in zijn archief.

De voorzitter bepaalt in welke vorm en onder welke voorwaarden deze bewijsstukken in het archief van het Bureau worden bewaard.

2.   De inschrijving van een overdracht kan slechts worden geweigerd, wanneer niet aan de in lid 1 en in artikel 23 van de basisverordening vastgestelde voorwaarden is voldaan.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op de overdracht van de aanspraak op een communautair kwekersrecht met betrekking tot hetwelk een aanvraag in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten is ingeschreven. De verwijzing naar het register van communautaire kwekersrechten wordt in dit geval gelezen als een verwijzing naar het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten.

Artikel 80

Algemene voorwaarden betreffende inschrijvingen in de registers

Onverminderd andere bepalingen van de basisverordening of deze verordening, kan elke belanghebbende een verzoek om inschrijving of doorhaling van een inschrijving in de registers doen. Het verzoek moet schriftelijk worden gedaan, onder bijvoeging van de nodige bewijsstukken.

Artikel 81

Voorwaarden betreffende bijzondere inschrijvingen in de registers

1.   Wanneer een aangevraagd of verleend communautair kwekersrecht in een faillissementsprocedure of soortgelijke procedure is betrokken, wordt dit op verzoek van de bevoegde nationale instantie kosteloos in het register van de aanvragen tot verlening van communautaire kwekersrechten, respectievelijk het register van communautaire kwekersrechten ingeschreven. Deze inschrijving wordt ook op verzoek van de bevoegde nationale instantie doorgehaald; de inschrijving en doorhaling zijn in dit geval kosteloos.

2.   Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op de instelling van vorderingen als bedoeld in de artikelen 98 en 99 van de basisverordening, en de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen over deze vorderingen of de beëindiging van de desbetreffende procedures op een andere wijze.

3.   In het geval van een identificatie van rassen als oorspronkelijk en hoofdzakelijk afgeleid, kunnen de partijen in de procedure gezamenlijk of afzonderlijk een verzoek om inschrijving indienen. Wanneer slechts één partij een verzoek indient, moeten daarbij voldoende bewijsstukken inzake de in artikel 87, lid 2, onder h), van de basisverordening bedoelde handelingen worden gevoegd, ter vervanging van het verzoek van de andere partij.

4.   Bij een verzoek om inschrijving van een exclusieve contractuele licentie of van de vestiging van een zekerheidsrecht of een zakelijk recht op een communautair kwekersrecht moeten voldoende bewijsstukken worden gevoegd.

Artikel 82

Openbare inzage van de registers

1.   De registers kunnen ten kantore van het Bureau door het publiek worden ingezien.

Toegang tot de registers en de aldaar gedeponeerde stukken wordt verleend overeenkomstig dezelfde voorwaarden die gelden voor de toegang tot documenten in het bezit van het Bureau in de zin van artikel 84.

2.   Inzage van de registers ter plaatse is kosteloos.

Voor de vervaardiging en afgifte van uittreksels uit de registers waarvoor andere vormen van gegevensbehandeling nodig zijn dan slechts de reproductie van een stuk of delen daarvan, wordt een vergoeding betaald.

3.   De voorzitter van het Bureau kan voorzien in de mogelijkheid van openbare inzage van de registers ten kantore van de nationale organen of de diensten, bedoeld in artikel 30, lid 4, van de basisverordening.

Afdeling 2

Bewaring van stukken; openbare inzage van stukken; inspectie van geteelde rassen

Artikel 83

Bewaring van dossiers

1.   Alle stukken, hetzij in de vorm van originelen, of van afschriften, betreffende een procedure worden in een genummerd dossier bewaard, met uitzondering van de stukken betreffende de verschoning of wraking van leden van de Kamer van beroep of personeelsleden van het Bureau of van het betrokken onderzoeksbureau, die afzonderlijk worden bewaard.

2.   Het Bureau bewaart één exemplaar van het in lid 1 bedoelde dossier („het archiefexemplaar”), dat als het authentieke, complete exemplaar van het dossier geldt. De onderzoeksbureaus mogen een exemplaar van de stukken betreffende procedures bewaren („het onderzoeksexemplaar”), maar zijn gehouden tot afgifte van de originelen die niet in het bezit van het Bureau zijn.

3.   De door de partijen in de procedure ingediende originelen, waarop elektronische bestanden gebaseerd zijn, kunnen na een bepaalde termijn volgende op hun ontvangst door het Bureau worden vernietigd.

4.   De voorzitter van het Bureau stelt nadere voorschriften vast inzake de vorm van de te bewaren dossiers, de bewaringstermijn van de dossiers en de in lid 3 bedoelde termijn.

Artikel 84

Toegang tot de documenten die bij het Bureau berusten

1.   De raad van bestuur stelt de praktische regelingen vast voor de toegang tot de documenten die bij het Bureau berusten, met inbegrip van de registers.

2.   De raad van bestuur besluit welke categorieën documenten van het Bureau door middel van een bekendmaking, waaronder een bekendmaking via elektronische weg, rechtstreeks voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.

Artikel 85

Inspectie van de teelt van de rassen

1.   Een verzoek om inspectie van de teelt van de rassen moet schriftelijk bij het Bureau worden gedaan. Het bevoegde onderzoeksbureau regelt na verkregen toestemming van het Bureau de toegang tot de proefvelden.

2.   Onverminderd artikel 88, lid 3, van de basisverordening, laat deze verordening de algemene toegang van bezoekers tot de proefvelden onverlet, mits alle geteelde rassen worden gecodeerd, het bevoegde onderzoeksbureau passende, door het Bureau goedgekeurde, maatregelen treft om het wegnemen van materiaal te voorkomen en alle nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van de aanvragers en houders van communautaire kwekersrechten worden genomen.

3.   De voorzitter van het Bureau kan nadere voorschriften vaststellen inzake de procedures voor de inspectie van de teelt van de rassen en het toezicht op de in lid 2 bedoelde maatregelen.

Artikel 86

Vertrouwelijke informatie

Met het oog op de vertrouwelijke behandeling van informatie stelt het Bureau kosteloos formulieren ter beschikking, waarvan de aanvrager van een communautair kwekersrecht gebruik moet maken voor de indiening van een verzoek geen inzage in de gegevens betreffende componenten te verlenen overeenkomstig artikel 88, lid 3, van de basisverordening.

Afdeling 3

Bekendmakingen

Artikel 87

Mededelingenblad

1.   De ten minste om de twee maanden uit te geven publicatie, bedoeld in artikel 89 van de basisverordening, draagt de titel „Mededelingenblad van het Communautair Bureau voor Plantenrassen”, hierna „het Mededelingenblad” genoemd.

2.   In het Mededelingenblad worden ook de gegevens bekendgemaakt die overeenkomstig artikel 78, lid 1, onder c) en d), en lid 2, en artikel 79 in de registers zijn ingeschreven.

3.   De voorzitter van het Bureau bepaalt de wijze waarop het Mededelingenblad wordt uitgegeven.

Artikel 88

Bekendmaking van verzoeken om door het Bureau te verlenen licenties en de beslissingen over die verzoeken

De datum van ontvangst van een verzoek om een door het Bureau te verlenen licentie en de datum waarop de beslissing over dat verzoek is genomen, de namen en adressen van de partijen in de procedure en de verlangde of gedane uitspraak worden in het Mededelingenblad bekendgemaakt. Indien is beslist een dwanglicentie te verlenen, wordt de inhoud van die beslissing eveneens bekendgemaakt.

Artikel 89

Bekendmaking van beroepen en de beslissingen daarop

De datum van ontvangst van het beroepschrift en de datum waarop de beslissing op het beroep is genomen, de namen en adressen van de partijen in de procedure en de verlangde of gedane uitspraak worden in het Mededelingenblad bekendgemaakt.

HOOFDSTUK II

Administratieve samenwerking en rechtshulp

Artikel 90

Verstrekking van informatie

1.   De in artikel 90 van de basisverordening bedoelde uitwisseling van informatie geschiedt rechtstreeks tussen de in die bepaling genoemde instanties.

2.   De in artikel 91, lid 1, van de basisverordening bedoelde verstrekking van informatie door of aan het Bureau kan geschieden door tussenkomst van de bevoegde bureaus voor kwekersrechten in de lidstaten; deze tussenkomst is kosteloos.

3.   Lid 2 is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 91, lid 1, van de basisverordening bedoelde verstrekking van informatie door of aan een onderzoeksbureau. Het Bureau ontvangt in dit geval een afschrift.

Artikel 91

Inzage van dossiers door of door tussenkomst van een rechterlijke instantie of openbaar ministerie van een lidstaat

1.   De in artikel 91, lid 1, van de basisverordening bedoelde inzage van dossiers geschiedt aan de hand van afschriften van het archiefexemplaar die het Bureau uitsluitend te dien einde verstrekt.

2.   Een rechterlijke instantie of openbaar ministerie van een lidstaat kan in een daarbij aanhangige procedure derden inzage van de door het Bureau verstrekte stukken verlenen. Artikel 88 van de basisverordening is op deze inzage van toepassing; het Bureau rekent hiervoor geen recht aan.

3.   Het Bureau maakt bij de verstrekking van het dossier de rechterlijke instantie of het openbaar ministerie van de lidstaat opmerkzaam op de beperkingen waaraan de inzage van stukken betreffende aanvragen om communautaire kwekersrechten of verleende communautaire kwekersrechten krachtens artikel 88 van de basisverordening is onderworpen.

Artikel 92

Procedure inzake verzoeken om rechtshulp

1.   Elke lidstaat wijst een centrale instantie aan die ermee belast is verzoeken om rechtshulp van het Bureau in ontvangst te nemen en door te zenden aan de rechterlijke of andere instanties die voor de behandeling ervan bevoegd zijn.

2.   Het Bureau stelt het verzoek om rechtshulp op in de taal van de bevoegde rechterlijke of andere instantie of voegt daarbij een vertaling in die taal.

3.   Onverminderd de leden 4 en 5, passen de bevoegde rechterlijke of andere instanties bij de behandeling van een verzoek om rechtshulp hun nationale wetgeving toe. Zij passen met name de passende dwangmiddelen toe waarin deze wetgeving voorziet.

4.   Het Bureau wordt in kennis gesteld van de datum waarop en de plaats waar de maatregelen van instructie of andere gerechtelijke handelingen zullen worden verricht, en deelt deze aan de betrokken partijen in de procedure, getuigen en deskundigen mee.

5.   Op verzoek van het Bureau geeft de bevoegde rechterlijke of andere instantie de betrokken personeelsleden van het Bureau toestemming de procedure bij te wonen en elke persoon die verklaringen aflegt, te ondervragen, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van genoemde instantie.

6.   Voor de behandeling van verzoeken om rechtshulp worden geen vergoedingen of kosten van welke aard ook aangerekend. De lidstaat waartoe het verzoek is gericht, kan evenwel verlangen dat het Bureau de aan deskundigen en tolken betaalde vergoedingen en de kosten van de in lid 5 bedoelde procedure, vergoedt.

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 93

Verordening (EG) nr. 1239/95 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 94

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 september 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 227 van 1.9.1994, blz. 1.

(2)  PB L 121 van 1.6.1995, blz. 37.

(3)  Zie bijlage II.

(4)  PB L 106 van 17.4.2001, blz. 1.


BIJLAGE I

1.

De in artikel 62, lid 2, bedoelde vergoeding van de reis- en verblijfkosten van getuigen en deskundigen wordt als volgt berekend:

1.1.

Reiskosten:

De kosten van de heen- en terugreis tussen de woonplaats of plaats van vestiging en de plaats waar de mondelinge behandeling of de bewijsvoering plaatsvindt, worden vergoed:

a)

ten bedrage van het spoortarief eerste klasse, vermeerderd met de overige normale vervoerkosten, wanneer de totale afstand langs de kortste spoorverbinding ten hoogste 800 km bedraagt;

b)

ten bedrage van de prijs van een vlucht in de toeristenklasse, wanneer de totale afstand langs de kortste spoorverbinding meer dan 800 km bedraagt of wanneer de kortste route een traject over zee omvat.

1.2.

De verblijfkosten worden vergoed ten bedrage van de dagvergoeding voor ambtenaren, vastgesteld in artikel 13 van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen.

1.3.

Een getuige of deskundige, die voor een procedure voor het Bureau wordt opgeroepen, ontvangt tezamen met de oproeping een reisopdracht met gedetailleerde gegevens betreffende de in de punten 1.1 en 1.2 bedoelde vergoedingen, alsook een formulier voor het indienen van een verzoek om een voorschot. Er kan slechts een voorschot aan een getuige of deskundige worden toegekend na goedkeuring door het personeelslid van het Bureau dat de maatregel ter verkrijging van bewijs heeft bevolen, of in het geval van een beroepsprocedure, door de voorzitter van de bevoegde Kamer van beroep. Het formulier moet te dien einde aan het Bureau worden teruggezonden.

2.

De in artikel 62, lid 3, bedoelde vergoeding wegens inkomstenderving voor getuigen wordt als volgt berekend:

2.1.

In geval van afwezigheid gedurende ten hoogste twaalf uur in totaal heeft de getuige recht op een vergoeding, gelijk aan één zestigste van het maandelijkse basissalaris van een personeelslid van het Bureau in de laagste salaristrap van rang AD 12.

2.2.

In geval van afwezigheid gedurende meer dan twaalf uur in totaal heeft de getuige voor elke begonnen periode van twaalf uur na de eerste twaalf uur nog eens recht op een vergoeding, gelijk aan één zestigste van het in punt 2.1 bedoelde salaris.

3.

De in artikel 62, lid 3, bedoelde vergoedingen voor deskundigen worden van geval tot geval vastgesteld, met inachtneming van een voorstel van de betrokken deskundige. Het Bureau kan de partijen in de procedure verzoeken hun opmerkingen over het voorgestelde bedrag te maken. Er kan slechts een vergoeding aan een deskundige worden betaald na overlegging van bewijsstukken waaruit blijkt dat hij geen personeelslid van een onderzoeksbureau is.

4.

De in de punten 2 en 3 bedoelde vergoedingen voor getuigen en deskundigen worden betaald na goedkeuring door het personeelslid van het Bureau dat de maatregel ter verkrijging van bewijs heeft bevolen, of, in het geval van een beroepsprocedure, door de voorzitter van de bevoegde Kamer van beroep.

5.

Het in artikel 76, lid 3 en lid 4, onder c), bedoelde honorarium van een gemachtigde, raadsman of advocaat die als vertegenwoordiger van een partij in de procedure optreedt, wordt door de andere partij in de procedure vergoed overeenkomstig de volgende maximumtarieven:

a)

voor een beroepsprocedure, met uitzondering van de bewijsvoering wanneer deze een getuigenverhoor, deskundigenbericht of inspectie omvat: 500 EUR;

b)

voor de bewijsvoering in een beroepsprocedure, wanneer deze een getuigenverhoor, deskundigenbericht of inspectie omvat: 250 EUR;

c)

voor een procedure tot nietigverklaring of vervallenverklaring van een communautair kwekersrecht: 250 EUR.


BIJLAGE II

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 1239/95 van de Commissie

(PB L 121 van 1.6.1995, blz. 37)

Verordening (EG) nr. 448/96 van de Commissie

(PB L 62 van 13.3.1996, blz. 3)

Verordening (EG) nr. 2181/2002 van de Commissie

(PB L 331 van 7.12.2002, blz. 14)

Verordening (EG) nr. 1002/2005 van de Commissie

(PB L 170 van 1.7.2005, blz. 7)

Verordening (EG) nr. 355/2008 van de Commissie

(PB L 110 van 22.4.2008, blz. 3)


BIJLAGE III

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1239/95

Deze verordening

Artikelen 1 t/m 14

Artikelen 1 t/m 14

Artikel 15, leden 1, 2 en 3

Artikel 15, leden 1, 2 en 3

Artikel 15, lid 4

Artikel 15, leden 5 en 6

Artikel 15, leden 5 en 6

Artikelen 16 t/m 26

Artikelen 16 t/m 26

Artikel 27, lid 1, eerste t/m vierde streepje

Artikel 27, lid 1, onder a) t/m d)

Artikel 27, leden 2 en 3

Artikel 27, leden 2 en 3

Artikel 27, lid 4, eerste t/m vierde streepje

Artikel 27, lid 4, onder a) t/m d)

Artikelen 28 t/m 40

Artikelen 28 t/m 40

Artikel 41, eerste zin

Artikel 41, lid 1

Artikel 41, leden 1 t/m 4

Artikel 41, leden 2 t/m 5

Artikelen 42 t/m 64

Artikelen 42 t/m 64

Artikel 65, leden 2 t/m 5

Artikel 65, leden 1 t/m 4

Artikelen 66 t/m 92

Artikelen 66 t/m 92

Artikel 93, lid 1

Artikel 15, lid 4

Artikel 93, leden 2 en 3

Artikel 94

Artikel 93

Artikel 95

Artikel 94

Bijlage

Bijlage I

Bijlagen II en III


Top