Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009R0428

Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

OJ L 134, 29.5.2009, p. 1–269 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 02 Volume 007 P. 10 - 263

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/428/oj

29.5.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 134/1


VERORDENING (EG) Nr. 428/2009 VAN DE RAAD

van 5 mei 2009

tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

(Herschikking)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 133,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1334/2000 van de Raad van 22 juni 2000 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer van producten en technologie voor tweeërlei gebruik (1) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd. Nu deze richtlijn opnieuw wordt gewijzigd, dient ter wille van de duidelijkheid tot herschikking te worden overgegaan.

(2)

Producten voor tweeërlei gebruik (met inbegrip van programmatuur en technologie) dienen bij uitvoer uit de Europese Gemeenschap aan een doeltreffende controle te worden onderworpen.

(3)

Ter naleving van de internationale verplichtingen en verantwoordelijkheden van de lidstaten, met name wat non-proliferatie betreft, en van de Europese Unie (EU) is een doeltreffend gemeenschappelijk controlesysteem voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik noodzakelijk.

(4)

Voor de totstandbrenging van het vrije verkeer van producten voor tweeërlei gebruik in de Gemeenschap is het bestaan van een gemeenschappelijk controlesysteem en van geharmoniseerde beleidsvormen voor de handhaving en de bewaking in alle lidstaten een noodzakelijke voorwaarde.

(5)

Voor beslissingen over aanvragen van individuele, globale of nationale algemene uitvoervergunningen, over vergunningen voor tussenhandeldiensten, over de doorvoer van niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik of over vergunningen voor de overbrenging binnen de Gemeenschapsmarkt van de in de lijst in bijlage IV opgenomen producten voor tweeërlei gebruik zijn in beginsel de nationale autoriteiten verantwoordelijk. De nationale bepalingen en besluiten in verband met de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik moeten worden vastgesteld in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name van Verordening (EEG) nr. 2603/69 van de Raad van 20 december 1969 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke regeling voor de uitvoer (2).

(6)

Besluiten tot het actualiseren van de gemeenschappelijke lijst van aan uitvoercontrole onderworpen producten voor tweeërlei gebruik moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen en verbintenissen waarmee de lidstaten als partij bij de desbetreffende internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen hebben ingestemd.

(7)

Voor een doeltreffende regeling voor uitvoercontrole zijn gemeenschappelijke lijsten van producten voor tweeërlei gebruik, van bestemmingen en van richtsnoeren essentiële elementen.

(8)

De overdracht van programmatuur en technologie door middel van elektronische media, faxapparaten en telefoon naar bestemmingen buiten de Gemeenschap dient eveneens te worden gecontroleerd.

(9)

Bijzondere aandacht moet worden besteed aan vraagstukken in verband met de wederuitvoer en de eindbestemming.

(10)

Op 22 september 1998 hebben vertegenwoordigers van de lidstaten en van de Commissie aanvullende protocollen ondertekend bij de respectieve veiligheidscontroleovereenkomsten tussen de lidstaten, de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Internationaal Agentschap voor Atoomenergie, waarin, naast andere maatregelen, de lidstaten worden verplicht informatie te verstrekken over overbrengingen van nader gespecificeerde apparatuur en niet-nucleair materiaal.

(11)

De Gemeenschap heeft bij Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek (3) (hierna het „communautaire douanewetboek” genoemd), en bij Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (4), een corpus douanevoorschriften vastgesteld dat onder meer bepalingen bevat betreffende de uitvoer en wederuitvoer van goederen. De onderhavige verordening laat de uit het communautaire douanewetboek en de uitvoeringsbepalingen daarvan voortvloeiende bevoegdheden onverlet.

(12)

Krachtens artikel 30 van het Verdrag en binnen de grenzen van dat artikel, behouden de lidstaten, in afwachting van een sterkere harmonisering, het recht controles te verrichten op de overdracht van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik binnen de Gemeenschap teneinde het overheidsbeleid en de openbare veiligheid te waarborgen. Indien deze controles verband houden met de doelmatigheid van de controle op uitvoer uit de Gemeenschap, moeten ze door de Raad regelmatig worden geëvalueerd.

(13)

Om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen, dient elke lidstaat maatregelen te nemen om de bevoegde autoriteiten passende bevoegdheden te verlenen.

(14)

De staatshoofden en regeringsleiders van de Europese Unie hebben in juni 2003 een Actieplan non-proliferatie van massavernietigingswapens (actieplan van Thessaloniki) aangenomen. Als aanvulling op dit actieplan heeft de Europese Raad op 12 december 2003 de Strategie van de Europese Unie ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (EU WMD Strategy) aangenomen. Overeenkomstig hoofdstuk III van deze Strategie moet de Europese Unie gebruikmaken van al haar instrumenten om verontrustende proliferatieprogramma’s wereldwijd te voorkomen, te ontmoedigen, tegen te houden en waar mogelijk volledig te elimineren. In punt 30, A), 4), van dat hoofdstuk wordt specifiek verwezen naar de intensivering van exportcontrolebeleid en -praktijk.

(15)

De Veiligheidsraad van de Verenigde naties heeft in Resolutie 1540 van 28 april 2004 besloten dat alle staten doeltreffende maatregelen moeten nemen en handhaven om nationale controles in te voeren ter voorkoming van de verspreiding van nucleaire, chemische of biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen, onder meer door adequate controles op gerelateerde materialen in te stellen, en daartoe onder andere controles op doorvoer en tussenhandel moeten vaststellen. Onder gerelateerde materialen wordt verstaan, materialen, uitrusting en technologie die onder de toepasselijke multilaterale verdragen en regelingen vallen, of op nationale controlelijsten zijn opgenomen, en die kunnen worden gebruikt voor het ontwerpen, ontwikkelen, vervaardigen of gebruiken van nucleaire, chemische of biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen.

(16)

Deze verordening geldt ook voor producten die alleen over het grondgebied van de Gemeenschap worden doorgevoerd, dit wil zeggen producten die geen andere douanebestemming dan extern douanevervoer hebben of die uitsluitend in een vrije zone of een vrij entrepot worden opgeslagen en waarvan geen erkend voorraadregister hoeft te worden bijgehouden. Dienovereenkomstig moet er voor de autoriteiten van de lidstaten een mogelijkheid worden gecreëerd om op ad-hocbasis de doorvoer van niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik te verbieden, indien zij op grond van inlichtingen of op basis van informatie uit andere bronnen redenen hebben om te vermoeden dat de producten volledig of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor de verspreiding van massavernietigingswapens of hun overbrengingsmiddelen.

(17)

Er moeten ook controles op de terbeschikkingstelling van tussenhandeldiensten worden ingesteld wanneer de tussenhandelaar er door de bevoegde nationale autoriteiten van op de hoogte is gebracht of zich ervan bewust is dat deze terbeschikkingstelling kan leiden tot de productie of de aflevering van MVW in een derde land.

(18)

Het is wenselijk te komen tot een eenvormige en consequente toepassing van controles in de hele Europese Unie om de communautaire en internationale veiligheid te bevorderen en gelijke spelregels te creëren voor EU-exporteurs. Overeenkomstig de aanbevelingen van het actieplan van Thessaloniki en de oproep in de Europese Unie WMD Strategy, is het dan ook passend het voorwerp van het overleg dat de lidstaten onderling voeren alvorens een uitvoervergunning wordt verleend, te verruimen. Een van de voordelen van deze benadering is bijvoorbeeld dat wordt gegarandeerd dat de wezenlijke veiligheidsbelangen van een andere lidstaat niet in gevaar worden gebracht door een uitvoer uit een andere lidstaat. Grotere convergentie van voorwaarden voor de toepassing van de nationale controles op niet in de verordening opgenomen producten voor tweeërlei gebruik en harmonisatie van de gebruiksvoorwaarden van de verschillende typen vergunningen die krachtens de verordening kunnen worden verleend, zou voor meer eenvormigheid en samenhang bij de toepassing van de controles zorgen. Een betere definitie van immateriële overdracht van technologie, zodat zij ook de beschikbaarstelling van gecontroleerde technologie aan personen buiten de Europese Unie omvat, zou de inspanningen ter bevordering van de veiligheid ten goede komen. Dit geldt ook voor een verdere afstemming van de modaliteiten voor de uitwisseling van gevoelige informatie tussen de lidstaten op die van de internationale regelingen voor uitvoercontrole, met name door te voorzien in de mogelijkheid om een veilig elektronisch systeem voor de uitwisseling van informatie tussen lidstaten tot stand te brengen.

(19)

Elke lidstaat dient doeltreffende, evenredige en afschrikwekkende sancties vast te stellen die van toepassing zijn bij inbreuk op de bepalingen van deze verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

VOORWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Bij deze verordening wordt een communautaire regeling ingesteld voor de controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.

Artikel 2

In deze verordening wordt verstaan onder:

1.

„producten voor tweeërlei gebruik”: producten, met inbegrip van programmatuur en technologie, die zowel een civiele als een militaire bestemming kunnen hebben, met inbegrip van alle goederen die voor niet-explosieve doeleinden gebruikt kunnen worden en op enige manier bijdragen in de vervaardiging van nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen;

2.

„uitvoer”:

i)

een uitvoerregeling in de zin van artikel 161 van van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (het communautaire douanewetboek);

ii)

wederuitvoer in de zin van artikel 182 van het communautaire douanewetboek; maar met uitsluiting van producten in doorvoer, en

iii)

de overdracht van programmatuur of technologie door middel van elektronische media, met inbegrip van faxapparaten, telefoon, elektronische post of elk ander elektronisch middel, naar een bestemming buiten de Europese Gemeenschap; dit omvat het in elektronische vorm beschikbaar stellen van deze programmatuur en technologie aan natuurlijke personen of rechtspersonen of partnerschappen buiten de Gemeenschap. Onder uitvoer wordt ook verstaan, mondelinge overdracht van technologie wanneer de technologie via de telefoon wordt beschreven;

3.

„exporteur”: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon of elk partnerschap:

i)

namens welke of welk een douaneaangifte bij uitvoer wordt gedaan, d.w.z. de persoon die op het tijdstip dat de aangifte wordt aanvaard, het contract met de ontvanger in het derde land heeft en die het recht heeft te beslissen dat het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap wordt verzonden. Indien geen uitvoercontract is gesloten of indien de houder van het contract niet namens zichzelf handelt, wordt onder de exporteur de persoon verstaan die het recht heeft om te beslissen het product naar een bestemming buiten het douanegebied van de Gemeenschap te verzenden;

ii)

die of dat besluit via elektronische media, daaronder begrepen fax, telefoon en e-mail, of via enig ander elektronisch middel programmatuur of technologie naar een bestemming buiten de Gemeenschap te zenden of daaraan beschikbaar te stellen.

Indien het recht over de producten voor tweeërlei gebruik te beschikken toekomt aan een persoon die blijkens het contract waarop de uitvoer berust, buiten de Gemeenschap is gevestigd, wordt de exporteur geacht de in de Gemeenschap gevestigde contracterende partij te zijn;

4.

„uitvoeraangifte”: de handeling waarmee een persoon in de vorm en op de wijze die zijn voorgeschreven, de wens te kennen geeft producten voor tweeërlei gebruik onder een uitvoerregeling te brengen;

5.

„tussenhandeldiensten”:

het onderhandelen over of regelen van transacties met het oog op de aankoop, verkoop of levering van producten voor tweeërlei gebruik door een derde land van/aan een ander derde land, of

het verkopen of aankopen van producten voor tweeërlei gebruik in derde landen met het oog op de overbrenging ervan naar een ander derde land.

Voor de toepassing van deze verordening geldt deze definitie niet voor het louter verstrekken van nevendiensten. Nevendiensten zijn vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering dan wel algemene reclame of promotie;

6.

„tussenhandelaar”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon of partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat van de Gemeenschap, die of dat vanuit de Gemeenschap diensten als gedefinieerd in punt 5, verricht die gericht zijn op het grondgebied van een derde land;

7.

„doorvoer”: vervoer van niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik die in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht en door dat gebied worden vervoerd met een bestemming buiten de Gemeenschap;

8.

„individuele uitvoervergunning”: vergunning die aan één specifieke exporteur voor één eindgebruiker of ontvanger in een derde land wordt verleend en betrekking heeft op één of meer producten voor tweeërlei gebruik;

9.

„communautaire algemene uitvoervergunning”: uitvoervergunning die voor uitvoer naar bepaalde landen van bestemming beschikbaar is voor alle exporteurs die zich houden aan de gebruiksvoorwaarden ervan zoals vermeld in bijlage II;

10.

„globale uitvoervergunning”: vergunning die aan één specifieke exporteur voor een type of categorie producten voor tweeërlei gebruik wordt verleend en die voor uitvoer naar één of meer met naam genoemde eindgebruikers en/of in één of meer met naam genoemde landen geldig kan zijn;

11.

„nationale algemene uitvoervergunning”: uitvoervergunning die wordt verleend overeenkomstig artikel 9, lid 2, en in de nationale wetgeving wordt gedefinieerd, conform artikel 9 en bijlage III quater;

12.

„douanegebied van de Europese Unie”: het grondgebied, bedoeld in artikel 3 van het communautaire douanewetboek;

13.

„niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik”: producten die de status hebben van niet-communautaire producten in de zin van artikel 4, lid 8, van het communautaire douanewetboek.

HOOFDSTUK II

TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 3

1.   Voor de uitvoer van de producten voor tweeërlei gebruik die voorkomen op de lijst in bijlage I is een vergunning vereist.

2.   Overeenkomstig artikel 4 of artikel 8 kan ook een vergunning worden geëist voor de uitvoer naar alle of bepaalde bestemmingen van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.

Artikel 4

1.   Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien de exporteur door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij is gevestigd, is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik in verband met de ontwikkeling, de productie, de behandeling, de bediening, het onderhoud, de opslag, de opsporing, de herkenning of de verspreiding van chemische, biologische of nucleaire wapens of andere nucleaire explosiemiddelen, of voor de ontwikkeling, de productie, het onderhoud of de opslag van raketten die dergelijke wapens naar hun doel kunnen voeren.

2.   Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is een uitvoervergunning vereist indien op het kopende land of het land van bestemming een wapenembargo rust waartoe besloten is in een door de Raad aangenomen gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden of een besluit van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE), dan wel een wapenembargo uit hoofde van een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, en indien de exporteur door de in lid 1 bedoelde autoriteiten is meegedeeld dat de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor militair eindgebruik. In dit lid wordt verstaan onder „militair eindgebruik”:

a)

de verwerking in militaire producten die voorkomen op de militaire lijsten van de lidstaten;

b)

het gebruik van productie-, test- of onderzoeksapparatuur en onderdelen daarvan, voor de ontwikkeling, de productie of het onderhoud van militaire producten die op de voornoemde lijsten voorkomen;

c)

het gebruik van onafgewerkte producten in een fabriek voor de fabricage van militaire producten die op de voornoemde lijsten voorkomen.

3.   Voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst in bijlage I voorkomen, is eveneens een vergunning vereist indien de exporteur door de in lid 1 bedoelde autoriteiten is meegedeeld dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn om te worden gebruikt als onderdelen of componenten van militaire producten die op de nationale militaire lijst voorkomen en die vanaf het grondgebied van die lidstaat zijn uitgevoerd zonder vergunning of met schending van de in de nationale wetgeving van die lidstaat voorgeschreven vergunning.

4.   Indien een exporteur er kennis van draagt dat producten voor tweeërlei gebruik welke hij wenst uit te voeren en die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, geheel of ten dele bestemd zijn voor een van de in de leden 1, 2 en 3 genoemde doeleinden, dient hij dit mee te delen aan de in lid 1 bedoelde autoriteiten, die besluiten of het dienstig is dat voor de betrokken uitvoer een vergunning wordt vereist.

5.   Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen, een vergunning wordt vereist indien de exporteur een gefundeerd vermoeden heeft dat de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een of meer van de in lid 1 genoemde gebruiken.

6.   Een lidstaat die overeenkomstig het bepaalde in de leden 1 tot en met 5 een vergunning eist voor de uitvoer van een niet op de lijst in bijlage I voorkomend product voor tweeërlei gebruik stelt de andere lidstaten en de Commissie daarvan in voorkomend geval in kennis. De andere lidstaten houden terdege rekening met deze informatie en stellen hun douaneadministratie en andere ter zake bevoegde nationale autoriteiten daarvan in kennis.

7.   Artikel 13, leden 1, 2 en 5 tot en met 7, zijn van toepassing in gevallen van niet op de lijst in bijlage I voorkomende producten voor tweeërlei gebruik.

8.   Deze verordening laat onverlet het recht van een lidstaat om nationale maatregelen vast te stellen krachtens artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 2603/69.

Artikel 5

1.   Voor de tussenhandeldiensten betreffende producten voor tweeërlei gebruik die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I is een vergunning vereist indien de tussenhandelaar door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar hij ingezetene of gevestigd is, ervan in kennis is gesteld dat de betrokken producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden. Indien een tussenhandelaar ervan op de hoogte is dat de in de lijst in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik waarvoor hij diensten op het gebied van tussenhandel voorstelt, geheel of gedeeltelijk bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, moet hij de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis stellen, zodat deze kunnen beslissen of voor de beoogde tussenhandeldiensten een vergunning vereist is.

2.   Een lidstaat kan de toepassing van lid 1 uitbreiden tot niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik voor de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, alsook tot producten voor tweeërlei gebruik voor militair eindgebruik of militaire bestemmingen als bedoeld in artikel 4, lid 2.

3.   Een lidstaat kan nationale wetgeving aannemen of handhaven waarbij een vergunningsplicht wordt opgelegd voor de tussenhandel in producten voor tweeërlei gebruik, indien de tussenhandelaar redenen heeft om te vermoeden dat de betrokken producten bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.

4.   Artikel 8, leden 2, 3 en 4, is van toepassing op de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen.

Artikel 6

1.   De doorvoer van niet-communautaire, in de lijst in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik kan worden verboden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de doorvoer plaatsvindt, indien de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden. Bij hun besluit over een dergelijk verbod leven de lidstaten de verplichtingen en toezeggingen na die op hen rusten als partij bij internationale verdragen of als lid van internationale regimes op het gebied van non-proliferatie.

2.   Alvorens een besluit te nemen over het al dan niet verbieden van doorvoer, kan een lidstaat bepalen dat zijn bevoegde autoriteiten in individuele gevallen een vergunningsplicht kunnen opleggen voor een specifiek geval van doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I, indien de producten geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden.

3.   Indien goederen bestemd zijn voor een van de in artikel 4, lid 1, genoemde doeleinden, kan een lidstaat de toepassing van lid 1 uitbreiden tot niet in de lijst opgenomen producten voor tweeërlei gebruik en tot producten voor tweeërlei gebruik voor militair eindgebruik of militaire bestemmingen als bedoeld in artikel 4, lid 2.

4.   Op de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde nationale maatregelen is het bepaalde in artikel 8, leden 2, 3 en 4, van toepassing.

Artikel 7

Deze verordening is niet van toepassing op het verrichten van diensten noch op de overdracht van technologie indien deze verrichting of overdracht gepaard gaat met een grensoverschrijding door personen.

Artikel 8

1.   Een lidstaat kan om redenen van openbare veiligheid of uit mensenrechtenoverwegingen een verbod instellen op of een vergunning verplicht stellen voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik die niet op de lijst van bijlage I voorkomen.

2.   De lidstaten brengen de krachtens lid 1 genomen maatregelen, zodra deze zijn aangenomen, ter kennis van de Commissie, onder vermelding van de exacte redenen daarvoor.

3.   De lidstaten stellen de Commissie tevens onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen van de krachtens lid 1 genomen maatregelen.

4.   De Commissie maakt de maatregelen waarvan haar overeenkomstig de leden 2 en 3 kennis is gegeven, bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

HOOFDSTUK III

UITVOERVERGUNNING EN VERGUNNING VOOR TUSSENHANDELDIENSTEN

Artikel 9

1.   Bij deze verordening wordt voor bepaalde soorten uitvoer een communautaire algemene uitvoervergunning als bedoeld in bijlage II ingesteld.

2.   Voor elke andere uitvoer waarvoor uit hoofde van deze verordening een vergunning vereist is, wordt de vergunning in kwestie afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de exporteur gevestigd is. Onder voorbehoud van de beperkingen in lid 4 kan de vergunning een individuele, een globale of een algemene vergunning zijn.

Alle vergunningen zijn in de gehele Gemeenschap geldig.

Exporteurs verstrekken de bevoegde autoriteiten alle informatie die vereist is voor hun aanvragen van individuele en algemene uitvoervergunningen, zodat de nationale bevoegde autoriteiten over volledige informatie beschikken over met name de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van het uitgevoerde product. Aan de vergunning kan in voorkomend geval een verplichting worden verbonden om een verklaring betreffende het eindgebruik af te geven.

3.   De lidstaten behandelen aanvragen voor individuele of algemene vergunningen binnen een volgens de nationale wetgeving of op grond van de nationale praktijk te bepalen termijn.

4.   Nationale algemene uitvoervergunningen:

a)

sluiten van hun toepassingsgebied producten uit die op de lijst in deel 2 van bijlage II voorkomen;

b)

worden gedefinieerd in de nationale wetgeving of in de nationale praktijk. Zij kunnen worden gebruikt door alle exporteurs die gevestigd zijn of verblijven in de lidstaat van afgifte van de vergunning, indien zij voldoen aan de voorschriften van deze verordening en van de aanvullende nationale wetgeving. Zij worden afgegeven overeenkomstig bijlage III quater, en overeenkomstig de nationale wetgeving of de nationale praktijk.

De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van de afgifte of wijziging van nationale algemene uitvoervergunningen. De Commissie maakt deze kennisgevingen bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie;

c)

mogen niet worden gebruikt indien de exporteur door zijn autoriteiten is meegedeeld dat de producten in kwestie geheel of gedeeltelijk bestemd zijn of kunnen zijn voor gebruik als bedoeld in artikel 4, leden 1 en 3, of in artikel 4, lid 2, in een land ten aanzien waarvan een wapenembargo is ingesteld bij gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden van de Raad of bij besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, of indien de exporteur er kennis van draagt dat de producten bestemd zijn voor de bovengenoemde doeleinden.

5.   De lidstaten handhaven of scheppen in hun nationale wetgeving de mogelijkheid om een globale uitvoervergunning te verlenen.

6.   De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van de autoriteiten die gemachtigd zijn om:

a)

uitvoervergunningen voor producten voor tweeërlei gebruik af te geven;

b)

te besluiten de doorvoer van niet-communautaire producten voor tweeërlei gebruik te verbieden op grond van deze verordening.

De Commissie maakt de lijst van deze autoriteiten bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 10

1.   Vergunningen voor tussenhandeldiensten op grond van deze verordening worden afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de tussenhandelaar ingezetene of gevestigd is. Deze vergunningen worden afgegeven voor een bepaalde hoeveelheid specifieke producten die tussen twee of meer derde landen worden verplaatst. De plaats van de producten in het derde land van herkomst, de eindgebruiker en de precieze plaats waar die zich bevindt, moeten duidelijk vaststaan. De vergunningen zijn in de gehele Gemeenschap geldig.

2.   Tussenhandelaars verstrekken de bevoegde autoriteiten alle informatie die vereist is voor een aanvraag van een vergunning op grond van deze verordening met het oog op het verlenen van tussenhandeldiensten, en met name nadere bijzonderheden over de plaats waar de producten voor tweeërlei gebruik zich in het derde land van herkomst bevinden, een duidelijke beschrijving van de aard en het aantal producten, de bij de transactie betrokken derde partijen, het derde land van bestemming, de eindgebruiker in dat land en de precieze plaats waar die zich bevindt.

3.   De lidstaten behandelen aanvragen voor vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten binnen een volgens de nationale wetgeving of op grond van de nationale praktijk te bepalen termijn.

4.   De lidstaten verstrekken de Commissie een lijst van de autoriteiten die gemachtigd zijn om op grond van deze verordening vergunningen af te geven met het oog op het verlenen van tussenhandeldiensten. De Commissie maakt de lijst van deze autoriteiten bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 11

1.   Indien de producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een individuele uitvoervergunning wordt aangevraagd voor een niet in de lijst van bijlage II vermelde bestemming of, in het geval van in de lijst van bijlage IV vermelde producten voor tweeërlei gebruik, voor een willekeurige bestemming, zich in een of meer andere lidstaten bevinden of zullen bevinden dan die waar de vergunning wordt aangevraagd, wordt dat gegeven in de aanvraag vermeld. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de vergunning wordt aangevraagd, treden onverwijld in overleg met de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat of lidstaten en verstrekken alle ter zake dienende informatie. De geraadpleegde lidstaat of lidstaten maken eventuele bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke vergunning binnen tien werkdagen kenbaar. Deze bezwaren zijn bindend voor de lidstaat waar de vergunning is aangevraagd.

Indien binnen tien werkdagen geen bezwaren worden ontvangen, wordt de geraadpleegde lidstaat of worden de geraadpleegde lidstaten geacht geen bezwaar te hebben.

In uitzonderlijke gevallen kan een geraadpleegde lidstaat om verlenging van de termijn van tien dagen verzoeken. De verlenging mag evenwel niet meer dan dertig werkdagen bedragen.

2.   Indien een uitvoer zijn wezenlijke veiligheidsbelangen zou kunnen schaden, kan een lidstaat een andere lidstaat verzoeken geen uitvoervergunning te verlenen of, indien deze reeds is verleend, die vergunning nietig te verklaren, te schorsen, te wijzigen of in te trekken. De lidstaat die een dergelijk verzoek ontvangt, treedt met de verzoekende lidstaat onverwijld in overleg van niet bindende aard, welk overleg binnen tien werkdagen dient te worden afgerond. Indien de lidstaat waaraan het verzoek wordt gericht, besluit de vergunning te verlenen, moeten de Commissie en de andere lidstaten daarvan in kennis worden gesteld met gebruikmaking van het in artikel 13, lid 6, genoemde elektronische systeem.

Artikel 12

1.   Bij hun besluit om al dan niet een individuele of globale uitvoervergunning te verlenen of om een vergunning voor de tussenhandeldiensten uit hoofde van deze verordening te verlenen, houden de lidstaten rekening met alle ter zake dienende overwegingen, waaronder:

a)

de verplichtingen en verbintenissen waarmee ieder van hen heeft ingestemd als partij bij de internationale regimes inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van de desbetreffende internationale verdragen;

b)

hun verplichtingen in het kader van sancties uit hoofde van een door de Raad vastgesteld gemeenschappelijk standpunt of gemeenschappelijk optreden of uit hoofde van een besluit van de OVSE, dan wel krachtens een bindende resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

c)

overwegingen van nationaal buitenlands en veiligheidsbeleid, met inbegrip van overwegingen uit hoofde van Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (5);

d)

overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar.

2.   De lidstaten houden bij de beoordeling van een aanvraag om een globale uitvoervergunning niet alleen rekening met de in lid 1 vermelde criteria, maar ook met de toepassing door de exporteur van evenredige en passende middelen en procedures om de inachtneming van de bepalingen en de doelstellingen van deze verordening en van de voorwaarden van de vergunning te waarborgen.

Artikel 13

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen, overeenkomstig deze verordening handelend, weigeren een uitvoervergunning te verlenen en een reeds verleende uitvoervergunning nietig verklaren, schorsen, wijzigen of intrekken. Wanneer zij een uitvoervergunning weigeren, nietig verklaren, schorsen, wezenlijk beperken of intrekken, of wanneer zij besloten hebben dat de voorgenomen uitvoer niet mag worden toegestaan, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekken zij hun de relevante gegevens Indien de bevoegde autoriteiten van een lidstaat een uitvoervergunning hebben geschorst, wordt aan het eind van de schorsingsperiode de evaluatie aan de lidstaten en de Commissie meegedeeld.

2.   Weigeringen van vergunningen waarvan overeenkomstig lid 1 kennis is gegeven, worden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten binnen drie jaar na de kennisgeving opnieuw bekeken en ingetrokken, gewijzigd of verlengd. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie zo spoedig mogelijk in kennis van de resultaten van deze toetsing. Weigeringen die niet worden ingetrokken, blijven geldig.

3.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten stellen de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van hun op grond van artikel 6 genomen besluit om de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik die zijn opgenomen in de lijst in bijlage I te weigeren. Deze kennisgeving bevat alle benodigde informatie, met inbegrip van de indeling van de betrokken producten, de technische kenmerken ervan, het land van bestemming en de eindgebruiker.

4.   De leden 1 en 2 zijn ook van toepassing op vergunningen voor het verlenen van tussenhandeldiensten.

5.   Alvorens de bevoegde autoriteiten van een lidstaat, overeenkomstig deze verordening handelend, een vergunning voor uitvoer of voor tussenhandeldiensten verlenen of een besluit nemen over een doorvoer, gaan zij op basis van alle geldige weigeringen of besluiten betreffende een verbod op de doorvoer van in de lijst in bijlage I opgenomen producten voor tweeërlei gebruik op grond van deze verordening na of een vergunning of doorvoer door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat of lidstaten voor een wezenlijk identieke transactie (waarmee wordt bedoeld een product met wezenlijk identieke parameters of technische kenmerken met dezelfde eindgebruiker of ontvanger, is geweigerd). Zij plegen eerst overleg met de bevoegde autoriteiten van de lidstaat of lidstaten die vergunning(en) hebben geweigerd of het besluit hebben genomen de doorvoer te verbieden, als bedoeld in de leden 1 en 3. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaat na dit overleg besluiten een vergunning te verlenen of de doorvoer toe te staan, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en de Commissie daarvan in kennis en verstrekken zij daarbij alle relevante informatie om het besluit toe te lichten.

6.   De op grond van dit artikel voorgeschreven kennisgevingen worden gedaan via beveiligde elektronische middelen, met inbegrip van een beveiligd systeem overeenkomstig artikel 19, lid 4.

7.   Bij informatie die op grond van dit artikel wordt uitgewisseld, wordt het in artikel 19, leden 3, 4 en 6 bepaalde, betreffende de vertrouwelijkheid van dergelijke informatie in acht genomen.

Artikel 14

1.   Alle individuele en globale uitvoervergunningen en vergunningen voor tussenhandeldiensten worden schriftelijk of langs elektronische weg afgegeven op formulieren die ten minste alle elementen, in dezelfde volgorde, van de modellen in bijlagen IIIa en IIIb bevatten.

2.   Op verzoek van de exporteurs worden globale uitvoervergunningen die kwantitatieve beperkingen inhouden, gesplitst.

HOOFDSTUK IV

BIJWERKING VAN LIJSTEN VAN PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK

Artikel 15

1.   De lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I wordt bijgewerkt overeenkomstig de desbetreffende verplichtingen en verbintenissen en alle wijzigingen daarin waarmee de lidstaten hebben ingestemd als partij bij de internationale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen.

2.   Bijlage IV, die een onderdeel is van bijlage I, wordt bijgewerkt in het licht van artikel 30 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name de openbare-orde- en openbareveiligheidsbelangen van de lidstaten.

HOOFDSTUK V

DOUANEPROCEDURES

Artikel 16

1.   Bij het vervullen van de formaliteiten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik bij het voor de behandeling voor de uitvoeraangifte bevoegde douanekantoor levert de exporteur het bewijs dat voor de uitvoer naar behoren een vergunning is verleend.

2.   Van de exporteur kan van de als bewijs verstrekte bescheiden een vertaling worden geëist in een officiële taal van de lidstaat waar de aangifte wordt overgelegd.

3.   Onverminderd de bevoegdheden die hem uit hoofde van en overeenkomstig het communautaire douanewetboek zijn verleend, kan een lidstaat tevens voor een periode van ten hoogste de in lid 4 vermelde perioden de uitvoer vanaf zijn grondgebied van de in bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik waarvoor een geldige uitvoervergunning werd afgegeven, schorsen of, indien nodig, op andere wijze verhinderen dat deze producten de Gemeenschap via zijn grondgebied verlaten, indien hij een gegrond vermoeden heeft dat:

a)

bij de vergunningverlening geen rekening is gehouden met relevante gegevens, of

b)

sedert de vergunningverlening de omstandigheden wezenlijk zijn veranderd.

4.   In het in lid 3 bedoelde geval worden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die de uitvoervergunning hebben verleend, onverwijld geraadpleegd, zodat zij overeenkomstig artikel 13, lid 1, maatregelen kunnen treffen. Indien deze bevoegde autoriteiten besluiten de vergunning te handhaven, antwoorden zij binnen tien werkdagen, welke termijn in uitzonderlijke omstandigheden op hun verzoek mag worden verlengd tot dertig werkdagen. In dat geval, of indien, naar gelang van het geval, binnen tien of dertig werkdagen geen antwoord is ontvangen, worden de producten voor tweeërlei gebruik onverwijld vrijgegeven. De lidstaat welke de vergunning heeft verleend stelt de andere lidstaten en de Commissie hiervan in kennis.

Artikel 17

1.   De lidstaten kunnen bepalen dat douaneformaliteiten voor de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik slechts bij daartoe bevoegd verklaarde douanekantoren mogen worden vervuld.

2.   Wanneer zij gebruikmaken van de in lid 1 geboden mogelijkheid, delen de lidstaten de Commissie mee welke douanekantoren aldus bevoegd zijn verklaard. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 18

Het bepaalde in artikel 843 en de artikelen 912 bis tot en met 912 octies van Verordening (EEG) nr. 2454/93 is van toepassing op de beperkingen ten aanzien van de uitvoer, de wederuitvoer en het vertrek uit het douanegebied van producten voor tweeërlei gebruik voor de uitvoer waarvan uit hoofde van deze verordening een vergunning vereist is.

HOOFDSTUK VI

ADMINISTRATIEVE SAMENWERKING

Artikel 19

1.   De lidstaten treffen in samenwerking met de Commissie alle dienstige maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te bewerkstelligen, in het bijzonder om te voorkomen dat als gevolg van eventuele verschillen bij de toepassing van de controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik het handelsverkeer wordt verlegd, waardoor voor één of meer lidstaten moeilijkheden zouden kunnen ontstaan.

2.   De lidstaten nemen alle dienstige maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten tot stand te brengen, teneinde de efficiëntie van de communautaire uitvoercontroleregeling te verbeteren. Deze informatie kan het volgende omvatten:

a)

nadere gegevens met betrekking tot de exporteurs aan wie, op grond van nationale sanctiemaatregelen, het recht is ontzegd nationale algemene uitvoervergunningen of communautaire algemene uitvoervergunningen te gebruiken;

b)

gegevens over gevoelige eindgebruikers, actoren die bij verdachte aankoopactiviteiten zijn betrokken en, voor zover deze beschikbaar zijn, gevolgde routes.

3.   Onverminderd artikel 23 van deze verordening zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 515/97 van de Raad van 13 maart 1997 betreffende de wederzijdse bijstand tussen de administratieve autoriteiten van de lidstaten en de samenwerking tussen deze autoriteiten en de Commissie met het oog op de juiste toepassing van de douane- en landbouwvoorschriften (6), en met name de bepalingen betreffende het vertrouwelijke karakter van bepaalde gegevens, van overeenkomstige toepassing.

4.   De Commissie kan, in overleg met de op grond van artikel 23 opgerichte coördinatiegroep tweeërlei gebruik een beveiligd en versleuteld systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en in voorkomend geval de Commissie tot stand brengen.

5.   Het verstrekken van raadgeving aan exporteurs en tussenhandelaars is een verantwoordelijkheid van de lidstaten waar deze ingezetene of gevestigd zijn. De Commissie en de Raad kunnen ook raadgevingen en/of aanbevelingen beschikbaar stellen voor beste praktijken met betrekking tot het toepassingsgebied van deze verordening.

6.   De verwerking van persoonsgegevens vindt plaats overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (7) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (8).

HOOFDSTUK VII

CONTROLEMAATREGELEN

Artikel 20

1.   De exporteurs van producten voor tweeërlei gebruik houden volgens de nationale wetgeving of de in hun lidstaat gebruikelijke methoden gedetailleerde registers of dossiers van hun uitvoer bij. Deze registers of dossiers bevatten met name de handelsbescheiden, zoals facturen, manifesten, vrachtbrieven of andere vervoersdocumenten, waarin voldoende gegevens voorkomen voor de vaststelling van:

a)

de omschrijving van de producten voor tweeërlei gebruik,

b)

de hoeveelheid producten voor tweeërlei gebruik,

c)

naam en adres van de exporteur en van de ontvanger,

d)

indien bekend, het eindgebruik en de eindgebruiker van de producten voor tweeërlei gebruik.

2.   Overeenkomstig de nationale wetgeving of volgens de in hun lidstaat gebruikelijke methoden, houden tussenhandelaars registers of dossiers betreffende tussenhandeldiensten die vallen onder de toepassing van artikel 5, zodat zij op verzoek een beschrijving kunnen geven van de producten voor tweeërlei gebruik die het voorwerp vormden van de tussenhandeldiensten, de periode gedurende welke de producten het voorwerp vormden van die diensten en hun bestemming en de landen waar die diensten plaatsvonden.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde registers of dossiers en bescheiden worden bewaard gedurende ten minste drie jaar na het einde van het kalenderjaar waarin de uitvoer is geschied dan wel die tussenhandelsdiensten worden verleend. Zij worden op verzoek voorgelegd aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de exporteur gevestigd is of de tussenhandelaar gevestigd is of verblijft.

Artikel 21

Om de correcte toepassing van deze verordening te waarborgen, nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om hun bevoegde autoriteiten in staat te stellen:

a)

gegevens te verzamelen over elke, met producten voor tweeërlei gebruik verband houdende order of transactie;

b)

na te gaan of de uitvoercontrolemaatregelen op de juiste wijze worden toegepast, hetgeen met name de bevoegdheid kan omvatten tot betreding van de bedrijfsruimten van de bij een uitvoertransactie belang hebbende personen of van tussenhandelaars die bij de verlening van tussenhandeldiensten in de in artikel 5 bedoelde situaties betrokken zijn.

HOOFDSTUK VIII

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 22

1.   Voor de intracommunautaire overbrenging van producten voor tweeërlei gebruik van de lijst in bijlage IV is een vergunning vereist. Producten van de lijst in deel 2 van bijlage IV vallen niet onder een algemene vergunning.

2.   Een lidstaat kan een vergunningsvereiste instellen voor de overbrenging van andere producten voor tweeërlei gebruik van zijn grondgebied naar een andere lidstaat indien op het tijdstip van de overbrenging:

de exporteur weet dat de eindbestemming van die producten buiten de Gemeenschap ligt;

voor de uitvoer van de producten naar die eindbestemming in de lidstaat waaruit de producten moeten worden uitgevoerd een vergunning vereist is op grond van artikel 3, 4 of 8, en deze export, rechtstreeks vanaf zijn grondgebied, niet is toegestaan bij een algemene of globale vergunning;

de goederen niet worden verwerkt of bewerkt in de zin van artikel 24 van het communautaire douanewetboek in de lidstaat waarnaar zij worden overgebracht.

3.   De overbrengingsvergunning moet worden aangevraagd in de lidstaat waaruit de producten voor tweeërlei gebruik zullen worden overgebracht.

4.   In gevallen waarin de export van producten voor tweeërlei gebruik reeds door de lidstaat van waaruit de producten zullen worden uitgevoerd, is aanvaard in de overlegprocedures van artikel 11, wordt de overbrengingsvergunning onmiddellijk aan de exporteur afgegeven, tenzij de omstandigheden drastisch zijn veranderd.

5.   Een lidstaat die wetgeving aanneemt welke in een dergelijk vereiste voorziet, brengt de Commissie en de overige lidstaten op de hoogte van de maatregelen die hij heeft genomen. De Commissie maakt deze informatie bekend in de C-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie.

6.   De maatregelen krachtens de leden 1 en 2 geven geen aanleiding tot controles aan de binnengrenzen van de Gemeenschap, maar vergen slechts controles die in het kader van de normale, op niet-discriminerende wijze over het gehele grondgebied van de Gemeenschap uitgevoerde controleprocedures passen.

7.   De toepassing van de maatregelen van de leden 1 en 2 mag er in geen geval toe leiden dat voor overbrenging van de ene lidstaat naar de andere strengere voorwaarden gelden dan voor de export van dezelfde producten naar derde landen.

8.   De bescheiden en dossiers in verband met intracommunautaire overbrengingen van de in de lijst in bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik worden gedurende ten minste drie jaar na afloop van het jaar waarin de overbrenging is geschied, bewaard en dienen op verzoek van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van waaruit die producten werden overgebracht, aan hen te worden voorgelegd.

9.   Een lidstaat kan bij nationale wetgeving vereisen dat voor intracommunautaire overbrengingen vanuit die lidstaat van producten van bijlage I, categorie 5, deel 2, die niet in bijlage IV voorkomen, aan de bevoegde autoriteiten van die lidstaat aanvullende informatie over de betrokken producten wordt verstrekt.

10.   In relevante handelsbescheiden die betrekking hebben op de overbrenging binnen de Gemeenschap van in de lijst van bijlage I vermelde producten voor tweeërlei gebruik dient duidelijk te worden vermeld dat die producten bij uitvoer uit de Gemeenschap aan controle worden onderworpen. De relevante handelsbescheiden omvatten met name een verkoopcontract, een orderbevestiging, een factuur of een verzendingsborderel.

Artikel 23

1.   Er wordt een coördinatiegroep tweeërlei gebruik ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst in deze groep een vertegenwoordiger aan.

De groep heeft tot taak elk vraagstuk in verband met de toepassing van deze verordening te onderzoeken dat door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde wordt gesteld.

2.   De voorzitter van de coördinatiegroep tweeërlei gebruik of de coördinatiegroep zelf raadpleegt telkens wanneer hij of zij dit nodig acht de bij deze verordening betrokken exporteurs, tussenhandelaars en andere relevante belanghebbenden.

Artikel 24

Elke lidstaat treft passende maatregelen om de correcte toepassing van alle bepalingen van deze verordening te waarborgen en stelt met name de bij inbreuk op deze verordening en de bepalingen ter uitvoering daarvan op te leggen sancties vast. Deze sancties dienen doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn.

Artikel 25

Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de voor de uitvoering van deze verordening vastgestelde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, met inbegrip van de in artikel 24 bedoelde maatregelen. De Commissie deelt deze inlichtingen aan de andere lidstaten mee.

Om de drie jaar beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing ervan, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die zij voor de opstelling van dit verslag behoeft.

Artikel 26

Deze verordening laat onverlet:

de toepassing van artikel 296 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

de toepassing van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

Artikel 27

Verordening (EG) nr. 1334/2000 wordt met ingang van 27 augustus 2009 ingetrokken.

Voor vergunningsaanvragen die vóór 27 augustus 2009 werden ingediend, blijven evenwel de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG) nr. 1334/2000 van toepassing.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de in bijlage VI opgenomen concordantietabel.

Artikel 28

Deze verordening treedt in werking 90 dagen na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 mei 2009.

Voor de Raad

De voorzitter

M. KALOUSEK


(1)  PB L 159 van 30.6.2000, blz. 1.

(2)  PB L 324 van 27.12.1969, blz. 25.

(3)  PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.

(4)  PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.

(5)  PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.

(6)  PB L 82 van 22.3.1997, blz. 1.

(7)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(8)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE I

Lijst bedoeld in artikel 3 van deze verordening

LIJST VAN PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK

Deze lijst is een technische implementatie van internationaal overeengekomen vergunningsregelingen voor goederen voor tweeërlei gebruik, waaronder het Wassenaar Arrangement, het "Missile Technology Control Regime", de Groep van Nucleaire Exportlanden, de Australiëgroep en het Verdrag inzake chemische wapens.

INHOUD

Noten

Definities

Acroniemen en afkortingen

Categorie 0

Nucleaire goederen

Categorie 1

Speciale materialen en aanverwante apparatuur

Categorie 2

Materiaalbewerking

Categorie 3

Elektronica

Categorie 4

Computers

Categorie 5

Telecommunicatie en "informatiebeveiliging"

Categorie 6

Sensoren en lasers

Categorie 7

Navigatie en vliegtuigelektronica

Categorie 8

Zeewezen en schepen

Categorie 9

Ruimtevaart en voortstuwing

ALGEMENE NOTEN BIJ BIJLAGE I

1.

Voor de controle op de uitvoer van goederen die zijn ontworpen of aangepast voor militair gebruik zij verwezen naar de desbetreffende lijst(en) van aan vergunningsplicht onderworpen militaire goederen van de afzonderlijke lidstaten. Verwijzingen in deze bijlage naar de "Lijst militaire goederen" hebben betrekking op deze lijst.

2.

De doelstelling van de controle op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die één of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

Bij de beoordeling van de vraag of de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische know-how alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

3.

Met goederen worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

NUCLEAIRE TECHNOLOGIENOOT (NTN)

(Te lezen in samenhang met sectie E van categorie 0)

De "technologie" die rechtstreeks samenhangt met goederen die in categorie 0 vallen, valt onder de bepalingen van categorie 0.

"Technologie" voor de "ontwikkeling", de "productie" of het "gebruik" van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

Het verlenen van een uitvoervergunning voor goederen houdt tevens in dat de uitvoer naar dezelfde eindgebruiker van de minimaal noodzakelijke "technologie" voor installatie, bediening, onderhoud en reparatie van de goederen is toegestaan.

Vergunningsregelingen voor overdracht van "technologie" zijn niet van toepassing op informatie die "voor iedereen beschikbaar" is, en op "fundamenteel wetenschappelijk onderzoek".

ALGEMENE TECHNOLOGIENOOT (ATN)

(Te lezen als onderdeel van sectie E van de categorieën 1 tot en met 9)

De uitvoer van "technologie" die "noodzakelijk" is voor de "ontwikkeling", "productie" of het "gebruik" van in de categorieën 1 tot en met 9 bedoelde goederen is onderworpen aan de op de categorieën 1 tot en met 9 van toepassing zijnde bepalingen.

"Technologie" die "noodzakelijk" is voor de "ontwikkeling", de "productie" of het "gebruik" van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke "technologie" voor installatie, bediening, onderhoud en reparatie van niet onder de vergunningsplicht vallende goederen of op de goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Deze bepaling laat de embargostatus van de in 1E002.e, 1E002.f, 8E002.a en 8E002.b bedoelde "technologie" onverlet.

Vergunningsregelingen voor overdracht van "technologie" zijn niet van toepassing op informatie die "voor iedereen beschikbaar" is, op "fundamenteel wetenschappelijk onderzoek" en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

ALGEMENE PROGRAMMATUURNOOT (APN)

(Deze noot heeft voorrang boven het bepaalde in sectie D van de categorieën 0 tot en met 9)

De categorieën 0 tot en met 9 van deze lijst zijn niet van toepassing op programmatuur die:

a.

algemeen voor het publiek verkrijgbaar is doordat de "programmatuur":

1.

via de detailhandel zonder beperkingen uit voorraad wordt verkocht via:

a.

winkelverkoop;

b.

postorderverkoop;

c.

elektronische transacties, of

d.

telefonische verkoop, en

2.

is ontworpen voor installatie door de gebruiker zonder wezenlijke ondersteuning van de leverancier, of

Punt a) van de Algemene programmatuurnoot laat de embargostatus van de in categorie 5 — deel 2 ("Informatiebeveiliging") bedoelde "programmatuur" onverlet.

b.

"voor iedereen beschikbaar" is.

DEFINITIES VAN IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE TERMEN

De definitie van termen tussen ‧enkele aanhalingstekens‧ wordt gegeven in een technische noot bij de betrokken post.

De definitie van de termen tussen "dubbele aanhalingstekens" luidt als volgt (1):

Na elke gedefinieerde term wordt tussen haakjes verwezen naar de betrokken categorie(ën).

 

"Aangepast piekvermogen" (4): een aangepaste pieksnelheid waarbij "digitale computers" drijvende-kommaoptellingen en -vermenigvuldigingen van 64 bit of meer uitvoeren, die wordt uitgedrukt in gewogen TeraFLOPS (<Weighted TeraFLOPS (WT)>), in eenheden van 1012 aangepaste drijvende-kommabewerkingen per seconde.

Zie categorie 4, Technische noot.

 

"Aangepast voor gebruik in oorlogssituaties" (1): iedere aanpassing of selectie (zoals een wijziging van de zuiverheid, houdbaarheid, virulentie, verspreidingskenmerken, of weerstand tegen UV-straling) die tot doel heeft de werkzaamheid te verhogen ten aanzien van menselijke of dierlijke slachtoffers, schade aan uitrusting of aan gewassen, en aantasting van het milieu.

 

"Actieve pixel" (6 8): het kleinste (afzonderlijke) element van de halfgeleider-"array" dat nog een foto-elektrische overdrachtsfunctie vervult bij blootstelling aan elektromagnetische straling (licht).

 

"Actieve vluchtregelsystemen" (7): actieve vluchtregelsystemen werken zodanig dat ongewenste bewegingen of structurele belastingen van "vliegtuig" of raket kunnen worden voorkomen door de onafhankelijke verwerking van signalen van meerdere sensoren waarna preventieve commando's voor automatische regeling worden gegeven.

 

"Aërodynamische vlakken met variabel profiel" (7): deze worden verkregen door flappen aan de achterrand of aan de voorrand of door een naar beneden knikkende voorrand, welke tijdens de vlucht bestuurd kunnen worden.

 

"Afstembaar" (6): het vermogen van een "laser" om binnen een gebied van verschillende "laser"-overgangen bij elke golflengte een continu-vermogen op te wekken. Een laser die slechts kan werken op een beperkt aantal vaste golflengten ‹line selectable› wekt discrete golflengten op binnen één "laser"-overgang en wordt niet beschouwd als "afstembaar".

 

"<Angle random walk>" (7): de foutenontwikkeling bij hoekversnellingsmeting in tijd door witte ruis in de snelheid van de hoekbeweging (IEEE STD 528-2001).

 

"APP" (4): ("Adjusted Peak Performance") "Aangepast piekvermogen"

 

"Asymmetrisch algoritme" (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie een andere wiskundige sleutel wordt gebruikt dan voor decryptie.

Voor sleutelbeheer worden gewoonlijk "asymmetrische algoritmen" gebruikt.

 

"Automatisch volgen van het doel" (6): een verwerkingstechniek waarbij automatisch en tijdgebonden een geëxtrapoleerde waarde van de meest waarschijnlijke positie van het doel wordt bepaald en als uitgangssignaal afgegeven.

 

"Axiale slag" (2): axiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil, gemeten in een vlak loodrecht op de stelplaat van de spil aan een punt dat grenst aan de omtrek van de stelplaat van de spil. (Referentie: ISO 230, deel 1-1986, paragraaf 5.63)

 

"Band" (1): een materiaal dat bestaat uit in elkaar gevlochten of in één richting liggende "monofilamenten", ‧strengen‧, "‹rovings›", "linten" of "garens", enz., gewoonlijk geïmpregneerd met hars.

‧streng‧: een bundel "monofilamenten" (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

 

"Beeldverbetering" (4): het verwerken van elders verkregen informatiedragende beelden met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bijvoorbeeld de snelle Fourier-transformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh transformatie (‹Walsh transform›)). Hieronder zijn niet begrepen algoritmen die slechts lineaire of draaiende omzettingen op een enkel beeld toepassen, zoals verschuivingen, extractie van specifieke kenmerken, registratie of het vals kleuren.

 

"Bias" (versnellingsmeters) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een versnellingsmeter over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden, zonder correlatie met een aanzetversnelling of rotatie. "Bias" wordt uitgedrukt in g of in meter per secondekwadraat (g of m/s2). (IEEE Std 528-2001) (Micro g = 1x10-6 g).

 

"Bias" (gyroscoop) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een gyroscoop over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden, zonder correlatie met een aanzetrotatie of versnelling. "Bias" wordt typisch uitgedrukt in graden per uur (g/u). (IEEE Std 528-2001).

 

"Binnenbekleding" (9): de hechtlaag tussen de vaste stuwstof en de omhulling of isolerende bekleding. Doorgaans een op vloeibare polymeren gebaseerde dispersie van hittebestendige of isolerende materialen, bijvoorbeeld polybutadieen met hydroxy-eindgroep (HTPB) met koolstof als vulmateriaal of een andere polymeer waaraan hardingsmiddelen zijn toegevoegd, waarmee het inwendige van een omhulling wordt gespoten of bestreken.

 

"Broncode" (of brontaal) (4 6 7 9): een geschikte expressie van één of meer processen, die door een programmeersysteem kan worden omgezet in een door apparatuur uitvoerbare vorm ("objectcode" (of doeltaal)).

 

"CE": rekenelement (computing element).

 

"CEP" (circle of equal probability — 50 %-trefkanscirkel) (7): een maat voor de nauwkeurigheid; de straal van de cirkel met het doel in het middelpunt bij een bepaald bereik waarbinnen 50 % van de nuttige ladingen terechtkomen.

 

"Chemische laser" (6): een "laser" waarin de geëxciteerde stof wordt geproduceerd door de door een chemische reactie voortgebrachte energie.

 

"Chemisch mengsel" (1): een vast, vloeibaar of gasvormig product dat bestaat uit twee of meer bestanddelen die niet samen reageren onder de omstandigheden waarin het mengsel is opgeslagen.

 

"Civiele vliegtuigen" (1 7 9): die types "vliegtuigen" die als zodanig zijn aangeduid in gepubliceerde overzichten van luchtwaardigheidsbewijzen van de civiele luchtvaartautoriteiten voor het vliegen van commerciële binnenlandse en buitenlandse lijnen of voor wettig civiel, privé of zakelijk gebruik.

Zie ook "vliegtuigen".

 

"Communicatiekanaalbesturingseenheid" (4): de fysieke verbinding die de stroom synchrone of asynchrone digitale informatie bestuurt. Deze bestaat uit een samenstelling die in de computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd ten einde toegang tot de communicatie te verschaffen.

 

"Compensatiesystemen" (6): bestaan uit de primaire scalaire sensor, een of meer referentiesensoren (bv. vectormagnetometers), alsmede programmatuur, waardoor het reduceren van starlichaamrotatieruis van het platform mogelijk wordt.

"Composiet" (1 2 6 8 9): een "matrix" en één of meer toegevoegde fasen bestaande uit deeltjes, whiskers, vezels of iedere combinatie daarvan, aanwezig voor een specifiek doel of voor specifieke doelen.

 

"Contourbesturen" (2): twee of meer "numeriek bestuurde" bewegingen volgens instructies die de eerstvolgende vereiste positie en de vereiste voedingssnelheden naar die positie specificeren. Deze snelheden worden in afhankelijkheid van elkaar gevarieerd, zodat een gewenste contour wordt verkregen (Referentie: ISO/DIS 2806-1980).

 

"Cryptografie" (5): de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de grondbeginselen, instrumenten en methoden voor het omzetten van gegevens teneinde de inhoud daarvan te verbergen, te voorkomen dat deze inhoud ongemerkt wordt gewijzigd of zonder toestemming wordt gebruikt. "Cryptografie" is beperkt tot het omzetten van gegevens met gebruikmaking van één of meer ‧geheime parameters‧ (b.v. cryptovariabelen) of aanverwante sleutels.

Een ‧geheime parameter‧ is een constante of sleutel die voor anderen geheim wordt gehouden of slechts binnen een groep bekend wordt gemaakt.

 

"CW-laser" (6): een "laser" die langer dan 0,25 seconden een nominaal constante energie voortbrengt.

 

"DBRN" staat voor "navigatie met als referentie een gegevensbestand" ("Data-Based Referenced Navigation") (zie aldaar).

 

"Deelnemende staat" (7 9): een staat die deelneemt aan het "Wassenaar Arrangement". (zie www.wassenaar.org)

 

"Diffusielassen" (1 2 9): het in de vaste fase (‹solid-state›) moleculair met elkaar verbinden van tenminste twee aparte metalen tot één stuk met een bindingssterkte tenminste gelijk aan die van het zwakste materiaal.

 

"Digitale computer" (4 5): een apparaat dat, in de vorm van één of meer discrete variabelen, alle volgende functies kan verrichten:

a.

gegevens opnemen;

b.

gegevens of opdrachten in onuitwisbare of wijzigbare (beschrijfbare) geheugens opslaan;

c.

gegevens met behulp van een opgeslagen veranderbare reeks opdrachten kan verwerken;

d.

gegevens afgeven.

Onder veranderen van een opgeslagen reeks opdrachten wordt mede verstaan het vervangen van onuitwisbare geheugenelementen, doch hieronder valt niet het in fysieke zin wijzigen van bedrading of onderlinge verbindingen.

 

"Digitale elektronische motorregelapparatuur welke volledig zelfstandig in de motorregeling kan ingrijpen" ("FADEC") (7 9): elektronische regelapparatuur voor gasturbinemotoren of motoren met een gecombineerde thermodynamische cyclus waarbij gebruik wordt gemaakt van een digitale computer voor de regeling van de variabelen die nodig zijn ter regeling van de stuwkracht of het afgegeven effectieve vermogen over het hele werkbereik van de motor vanaf het begin van de meting van de brandstoftoevoer tot het afsluiten van de brandstoftoevoer.

 

"Digitale overbrengsnelheid" (5): de totale bitsnelheid van de informatie die direct wordt overgebracht op ieder type medium.

Zie ook "totale digitale overbrengsnelheid"

 

"Direct hydraulisch persen" (2): een vervormingsproces, waarbij gebruik wordt gemaakt van een flexibele, met vloeistof gevulde blaas die in direct contact staat met het werkstuk.

 

"Door de ITU toegewezen" (3 5): toewijzing van de frequentiebanden overeenkomstig de huidige uitgave van het Radioreglement van de ITU voor primaire, toegelaten en secundaire diensten.

Extra en alternatieve toewijzingen vallen hier niet onder.

 

"Door opwerking verkregen" (0 1): het toepassen van ieder procédé dat tot doel heeft het gehalte van het betrokken isotoop te doen toenemen.

 

"Drukomzetters" (2): inrichtingen die de gemeten druk omzetten in een elektrisch signaal.

 

"Dynamische adaptieve routebepaling" (5): automatische aanpassing van de route van verkeer op basis van de waarneming en analyse van actuele feitelijke netwerkomstandigheden.

Hieronder vallen niet de beslissingen ten aanzien van routebepaling aan de hand van vooraf vastgelegde gegevens.

 

"Dynamische signaalanalysatoren" (3): "Signaalanalysatoren" waarbij gebruik wordt gemaakt van digitale bemonsterings- en omzettingstechnieken ter verkrijging van een Fourier-spectrumafbeelding van een gegeven golfvorm met inbegrip van gegevens betreffende amplitude en fase.

Zie ook "signaalanalysatoren"

 

"Eénkanaalsignalering" (‹common channel signalling›) (5): een methode van signalering, waarbij met behulp van berichten met label via een enkel kanaal signaleringsinformatie die betrekking heeft op een veelheid van lijnen of oproepen alsmede andere informatie, b.v. informatie gebruikt bij het beheer van netwerken, tussen schakelcentrales wordt overgebracht.

 

"Effectieve gram" (0 1). Onder een "effectieve gram" (0 1) van "speciale splijtstoffen" wordt verstaan:

a.

voor plutoniumisotopen en uraan-233: het gewicht van de isotoop in gram;

b.

voor uraan dat 1 % of meer verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met het kwadraat van de verrijking, uitgedrukt in decimalen als gewichtsverhouding;

c.

voor uraan dat minder dan 1 % verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met 0,0001.

 

"Eindeffectors" (2): grijpers, ‧actieve gereedschapseenheden‧ en alle andere gereedschappen die zijn verbonden met de grondplaat aan het uiteinde van de manipulatiearmen van een "robot".

Een ‧actieve gereedschapseenheid‧ is een voorziening die beweegkracht of procesenergie op het werkstuk overbrengt of waarnemingen daarvan verzorgt.

 

"Elektronisch bestuurbare fase-gestuurde antennesystemen, opgebouwd uit een groot aantal identieke antennes" (‹phased array antenna›) (5 6)

 

Een antenne waarbij de bundel wordt gevormd door middel van fase-koppeling, d.w.z. de bundelrichting wordt gestuurd door de complexe opwekkingscoëfficiënten van de uitstralende elementen en de richting van die bundel kan in azimut of hellingshoek worden gewijzigd door toepassing van een elektrisch signaal bij zowel uitzending als ontvangst.

 

"Equivalente dichtheid" (6): de massa van een optisch element per optische oppervlakte-eenheid, geprojecteerd op het optisch oppervlak.

 

"Expert systemen" (7): systemen die hun resultaten verkrijgen door het toepassen van regels op onafhankelijk van het "programma" opgeslagen gegevens en die één of meer van de volgende functies kunnen vervullen:

a.

automatisch wijzigen van de door de gebruiker ingevoerde "broncode";

b.

verschaffen van kennis betreffende een categorie problemen in een quasi-natuurlijke taal,

c.

verwerven van de kennis die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van het systeem (symbolische training).

 

"FADEC" staat voor "digitale elektronische motorregelapparatuur welke volledig zelfstandig in de motorregeling kan ingrijpen" (‹full authority digital engine control›).

 

"‹Focal plane array›" (6): een lineaire of tweedimensionale vlakke laag of combinatie van vlakke lagen met afzonderlijke detectorelementen, met of zonder uitlees-elektronica, die in het brandvlak worden geplaatst.

Stapels afzonderlijke detectorelementen of detectoren met twee, drie of vier elementen vallen hier niet onder, op voorwaarde dat in het element geen tijdvertraging en integratie plaatsvindt.

 

"Fractionele bandbreedte" (3 5): de momentele bandbreedte gedeeld door de centrale frequentie, uitgedrukt in procenten.

 

"‹Frequency hopping›" (5): een vorm van "spread spectrum" waarbij de zendfrequentie van één enkel communicatiekanaal wordt verschoven in een willekeurige of pseudo-willekeurige reeks discrete stappen.

"Frequentiesynthesizer" (3): elke soort frequentiebron of signaalgenerator, ongeacht de feitelijk daarin toegepaste techniek, die een veelheid aan uitgangsfrequenties afgeeft, gelijktijdig of naar keuze, aan één of meer uitgangen, en die worden bepaald door, afgeleid van of beheerst door een geringer aantal standaard- (of basis-)frequenties.

 

"Frequentiewisseltijd" (3 5): de maximale tijd (d.w.z. vertraging) welke bij het overschakelen van de ene gekozen uitgangsfrequentie naar een andere benodigd is voor het bereiken van:

a.

een frequentie binnen 100 Hz van de uiteindelijke frequentie;

b.

een uitgangsniveau liggende binnen 1 dB van het uiteindelijke uitgangsniveau.

 

"Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek" (ATN NTN). Experimenteel of theoretisch werk dat hoofdzakelijk wordt gedaan om nieuwe kennis te verkrijgen over de fundamentele beginselen van verschijnselen of waarneembare feiten, en dat in eerste instantie niet is gericht op een bepaald praktisch doel of oogmerk.

 

"Garen" (1): een bundel getwijnde "strengen"

"streng": een bundel "monofilamenten" (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

 

"Gebruik" (ATN NTN Alle). Bediening, installatie (met inbegrip van installatie ter plaatse), onderhoud (controle), reparatie, revisie en opknappen.

 

"Geïnstrumenteerd bereik" (6): het gespecificeerde ondubbelzinnige beeldbereik van een radar.

 

"Geïntegreerde schakeling van het filmtype" (3): een reeks ‧schakelelementen‧ en metallieke doorverbindingen, die gevormd zijn door afzetting van een dikke of dunne laag op een isolerend "substraat".

Een ‧schakelelement‧ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

 

"Geïsoleerde levende culturen" (1): hieronder vallen levende culturen waarvan de organismen zich in een ruststadium bevinden en levende culturen in gedroogde preparaten.

 

"Gekwalificeerd voor gebruik in de ruimte" (3 6): producten die zijn ontworpen, vervaardigd en getest volgens speciale elektrische, mechanische en omgevingseisen voor gebruik bij het lanceren en opstellen van satellieten of vluchtsystemen die opereren op hoogten van 100 km of meer.

 

"Geleidingssysteem" (7): systemen waarin de meting en berekening van de positie en snelheid van een voertuig (navigatie) worden gecombineerd met de berekening en verzending van opdrachten naar de vluchtregelsystemen van het voertuig om de baan te corrigeren.

 

"Gemiddeld uitgangsvermogen" (6): de totale uitgangsenergie van een "laser" in joules, gedeeld door de "laserduur" in seconden.

 

"Geografisch gespreid" (6): sensoren worden geacht "geografisch gespreid" te zijn wanneer elke sensor zich in alle richtingen op een afstand van meer dan 1 500 m van iedere andere sensor bevindt. Mobiele sensoren worden altijd beschouwd als "geografisch gespreid".

 

"Gepulseerde laser" (6): een "laser" met een "pulsduur" korter dan of gelijk aan 0,25 seconden.

 

"Halffabricaten (‹preforms›) voor koolstofvezels" (1): een geordende verzameling vezels, met of zonder deklaag, bestemd om een raamwerk van een deel te vormen alvorens de "matrix" wordt ingebracht, teneinde een "composiet" te vormen;

 

"Heet isostatisch verdichten" (2): een proces waarbij op een gietstuk bij een temperatuur van meer dan 375 K (102 °C) in een gesloten holte door middel van een bepaalde stof (een gas, een vloeistof, vaste deeltjes, enz.) in alle richtingen gelijke druk wordt uitgeoefend, waardoor holten in het gietstuk worden verminderd of geëlimineerd.

 

"Herhaalbaarheid" (7): de nauwkeurigheid van overeenstemming tussen herhaalde metingen van dezelfde variabele onder dezelfde gebruiksomstandigheden wanneer zich tussen metingen veranderingen in de omstandigheden of perioden zonder gebruik voordoen. (Referentie: IEEE STD 528-2001 (standaardafwijking van 1 sigma))

 

"Hoekafwijking" (2): het maximale verschil tussen de aangegeven hoekpositie en de feitelijke, zeer nauwkeurig gemeten hoekpositie nadat de houder van het werkstuk op de tafel uit zijn oorspronkelijke positie is weggedraaid. (Referentie: VDI/VDE 2617, concept

 

"Draaitafels op coördinaten-meetmachines".)

 

"Hybride computer" (4): apparatuur die alle volgende functies kan verrichten:

a.

gegevens opnemen;

b.

gegevens verwerken, zowel analoge als digitale voorstelling,

c.

gegevens afgeven.

 

"Hybride geïntegreerde schakeling" (3): elke willekeurige combinatie van geïntegreerde schakelingen, ‧schakelelementen‧ of ‧discrete onderdelen‧ die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en met alle volgende kenmerken:

a.

met tenminste één niet-omhuld element;

b.

onderling verbonden met gebruikmaking van kenmerkende productiemethoden voor geïntegreerde schakelingen;

c.

als eenheid vervangbaar;

d.

gewoonlijk niet demonteerbaar.

Een ‧schakelelement‧ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

Een ‧discreet onderdeel‧ is een afzonderlijk omhuld ‧schakelelement‧ met eigen uitwendige aansluitingen.

 

"Immunotoxine" (1): een samenvoeging van een celspecifieke monoklonale antistof en een "toxine" of een "sub-eenheid van een toxine" die zieke cellen selectief aantast.

 

"Impulscompressie" (6): codering en verwerking van een radarsignaalimpuls met een lange duur tot een kortstondige impuls, met behoud van de voordelen van een hoge impulsenergie.

 

"Inclusief alle compensaties" (2): nadat alle uitvoerbare maatregelen waarover de fabrikant beschikt om alle systematische instelfouten voor het betrokken werktuigmachinemodel tot een minimum te beperken, bekeken zijn.

 

"Informatiebeveiliging" (4 5): alle middelen en functies ter verzekering van de toegankelijkheid, geheimhouding of integriteit van gegevens of communicaties, zonder inbegrip van de middelen en functies die zijn bedoeld als beveiliging tegen storingen. Het begrip omvat o.a. "cryptografie", ‧cryptanalyse‧, bescherming tegen confidentiële uitstralingen en computerbeveiliging.

‧Cryptanalyse‧: de analyse van een cryptografisch systeem of de in- en uitvoer daarvan om daaraan vertrouwelijke variabelen of gevoelige gegevens te ontlenen, met inbegrip van niet-gecodeerde tekst.

 

"Intrinsieke magnetische gradiëntmeter" (6): één enkel waarnemingselement voor de gradiënt van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

Zie ook "magnetische gradiëntmeter".

 

"Isolatie" (9): de isolatie van de onderdelen van een raketmotor, d.w.z. omhulling, straalpijp, inlaten en afdichtingen van de omhulling, waaronder gevulkaniseerd of half-gevulkaniseerd samengesteld rubber plaatmateriaal dat een isolerend of hittebestendig materiaal omvat. Isolatie kan ook zijn aangebracht in de vorm van moffen of flappen om spanningen te ontlasten.

 

"Isostatische persen" (2): apparatuur, geschikt voor het onder druk brengen van een gesloten holte door middel van een bepaalde stof (een gas, een vloeistof, vaste deeltjes, enz.) teneinde te bereiken dat binnen de holte op een werkstuk of materiaal gelijke druk in alle richtingen wordt uitgeoefend.

 

"Kantelspil" (2): een spil met gereedschap die gedurende het bewerkingsproces de hoek van zijn hartlijn ten opzichte van een andere as kan wijzigen.

 

"Kernreactor" (0): een volledige reactor die in staat is om een beheerste zichzelf onderhoudende kettingreactie van kernsplijting te handhaven. Een "kernreactor" omvat de delen in of rechtstreeks bevestigd aan het reactorvat, de uitrusting die het vermogensniveau in de kern regelt, alsmede de onderdelen die gewoonlijk het primaire koelmiddel van de reactorkern bevatten, daarmee in rechtstreeks contact komen of dit reguleren.

 

"Kritische temperatuur" (1 3 6): de "kritische temperatuur" (ook wel overgangstemperatuur genoemd) van een bepaald "supergeleidend" materiaal is de temperatuur waarbij de gelijkstroomweerstand van het materiaal nul wordt.

 

"Laser" (0 2 3 5 6 9): een samenstelling van componenten welke zowel in de ruimte als in de tijd coherent licht produceert dat is versterkt door de gestimuleerde emissie van straling.

zie ook:

 

"chemische laser",

 

"Q-switched laser",

 

"Super High Power Laser",

 

"Transfer laser".

 

"Laserduur" (6): de tijd gedurende welke een "laser""laser"-straling afgeeft, die voor "gepulseerde lasers" overeenstemt met de tijd gedurende welke één enkele puls of een reeks opeenvolgende pulsen wordt uitgezonden.

 

"Lichter dan luchttoestellen" (9): ballons of luchtschepen die voor het creëren van lift gebruik maken van hete lucht of andere gassen die lichter zijn dan lucht, bijvoorbeeld helium of waterstof.

 

"Lineariteit" (2) (gewoonlijk gemeten als niet-lineariteit): dit is de maximale positieve of negatieve afwijking van het feitelijke kenmerk (gemiddelde van naar boven en naar beneden gemeten waarden) van een rechte lijn die zo is geplaatst dat de maximale afwijkingen gelijk worden gemaakt en geminimaliseerd.

 

"Lint" (1): een bundel "monofilamenten", die gewoonlijk ongeveer parallel lopen.

 

"Lokaal netwerk" (4 5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande kenmerken combineert:

a.

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke ‧datatoestellen‧ in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan;

b.

het is beperkt tot een geografisch betrekkelijk klein gebied (bijvoorbeeld een kantoorgebouw, een fabriek, een universiteitscomplex of een magazijn).

Een ‧datatoestel‧ is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

 

"Luchtstroom-beheerste antitorsie of richtingsregelsystemen" (7): systemen die gebruik maken van lucht die over aërodynamische vlakken wordt geblazen om de door deze oppervlakken gegenereerde krachten te verhogen en te beheersen.

 

"Magnetische gradiëntmeters" (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van de ruimtelijke variaties van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit verscheidene "magnetometers" en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

Zie ook "intrinsieke magnetische gradiëntmeter".

 

"Magnetometers" (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit één enkel sensorelement voor het waarnemen van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van het magnetisch veld.

 

"Materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6" (O): koper, roestvrij staal, aluminium, aluminiumoxide, aluminiumlegeringen, nikkel of een legering met 60 of meer gewichtspercenten nikkel en UF6-bestendige gefluoreerde koolwaterstofpolymeren, naar gelang van het soort scheidingsproces.

 

"Matrix" (1 2 8 9): een in hoofdzaak continue fase die de ruimte tussen deeltjes, whiskers of vezels vult.

 

"Mechanisch legeren" (1): een legeringsproces door middel van het binden, breken en opnieuw binden van elementaire of moederlegeringspoeders met behulp van mechanische krachten. Niet-metaaldeeltjes kunnen in de legering worden opgenomen door toevoeging van de geschikte poeders.

 

"Meetonzekerheid" (2): de kenmerkende parameter die specificeert binnen welk bereik rond de uitvoerwaarde de juiste waarde van de te meten variabele ligt met een betrouwbaarheidsniveau van 95 procent. Deze omvat de ongecorrigeerde systematische afwijkingen, de ongecorrigeerde speling en de willekeurige afwijkingen. (Referentie: ISO 10360-2, of VDI/VDE 2617)

 

"Microcomputer-microschakeling" (3): een "monolithische geïntegreerde schakeling" of "multichip geïntegreerde schakeling" met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een intern geheugen algemene opdrachten uit te voeren op basis van gegevens opgeslagen in het interne geheugen.

Het interne geheugen kan worden uitgebreid met een extra geheugen.

 

"Micro-organismen" (1 2): bacteriën, virussen, mycoplasma's, rickettsiae, chlamydiae of schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van "geïsoleerde levende culturen" of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet.

 

"Microprocessor-microschakeling" (3): een "monolithische geïntegreerde schakeling" of "multichip geïntegreerde schakeling" met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een extern geheugen een reeks algemene opdrachten uit te voeren.

De "microprocessor-microschakeling" bevat gewoonlijk geen toegankelijkheid van het interne geheugen voor de gebruiker, hoewel op de "chip" aanwezig geheugen kan worden gebruikt voor uitvoering van de logische functie.

Hieronder vallen tevens "chip sets" die zijn ontworpen om samen de functie van een "microprocessor microschakeling" te leveren.

 

"Momentele bandbreedte" (3 5 7): de bandbreedte waarover het uitgangsvermogen binnen 3 dB constant blijft zonder bijstelling van andere werkparameters.

 

"Monofilament" (1) of filament: de kleinste maat vezel, gewoonlijk enkele micrometers in diameter.

 

"Monolithische geïntegreerde schakeling" (3): een combinatie van passieve en/of actieve ‧schakelelementen‧ welke:

a.

wordt gevormd door middel van diffusie, implanteren of opdampen in of op één enkel halfgeleidend stukje materiaal, een zogenaamde ‹chip›;

b.

wordt beschouwd als een ondeelbaar iets;

c.

de functie(s) uitvoer(t)(en) van een schakeling.

Een ‧schakelelement‧ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

 

"Monospectrale beeldsensoren" (6): deze zijn geschikt voor het vergaren van beeldgegevens van één afzonderlijke spectrumband.

 

"Multichip geïntegreerde schakeling" (3): twee of meer "monolithische geïntegreerde schakelingen", verbonden op een gemeenschappelijk "substraat".

 

"Multispectrale beeldsensoren" (6): deze zijn geschikt voor het gelijktijdig of serieel vergaren van beeldgegevens van twee of meer afzonderlijke spectrumbanden. Sensoren met meer dan twintig afzonderlijke spectrumbanden worden ook wel hyperspectrale beeldsensoren genoemd.

 

"Natuurlijk uraan" (0): uraan met dezelfde isotopensamenstelling als in de natuur voorkomt.

 

"Navigatiesystemen met als referentie een gegevensbestand" ("DBRN-systemen"): systemen die gebruik maken van verschillende bronnen van eerder gemeten gegevens die aan een geografische referentie zijn toegewezen, welke zijn geïntegreerd om onder dynamische omstandigheden accurate navigatie-informatie te verstrekken. De gegevensbronnen omvatten bathymetrische kaarten, sterrenkaarten, zwaartekrachtkaarten, magnetische kaarten of 3-D digitale terreinkaarten.

 

"Nauwkeurigheid" (6) (gewoonlijk uitgedrukt in mate van onnauwkeurigheid): de maximale positieve of negatieve afwijking van een aangegeven waarde ten opzichte van een erkende norm of zuivere waarde.

 

"Netwerktoegangsbesturingseenheid" (4): een fysieke verbinding met een gedistribueerd schakelnetwerk. Deze verbinding maakt gebruik van een gemeenschappelijk medium dat steeds met dezelfde "digitale overbrengsnelheid" werkt en voor de transmissie gebruikt maakt van ‹arbitration› (bijvoorbeeld ‹token› of ‹carrier sense›). (Dit houdt in dat het systeem zelf zorg draagt voor de toegang tot het medium, zodanig dat de apparaten elkaar niet hinderen, bv. door onderlinge toewijzing van toegang of door aftasten of het kanaal vrij is). Geheel onafhankelijk selecteert de eenheid aan haar geadresseerde gegevenspakketten of gegevensgroepen (bv. IEEE 802). Het is een samenstelling die in computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd om toegang tot de communicatie te verschaffen.

 

"Neurale computer" (4): een rekentoestel dat is ontworpen of aangepast voor nabootsing van het gedrag van een neuron of een verzameling neuronen, d.w.z. een rekentoestel dat zich onderscheidt door het vermogen van zijn apparatuur om aan de hand van eerdere gegevens het gewicht en aantal van de onderlinge verbindingen van een grote hoeveelheid rekencomponenten te wijzigen.

 

"Noodzakelijk" (ATN 1-9): met betrekking tot "technologie" wordt hieronder verstaan uitsluitend dat deel van de "technologie" dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor het bereiken of te boven gaan van de onder embargo vallende prestatieniveaus, kenmerken of functies. Verschillende producten kunnen dergelijke "noodzakelijke""technologie" gemeen hebben.

 

"Numerieke besturing" (2): de automatische besturing van een proces, uitgevoerd door een apparaat dat gebruik maakt van numerieke gegevens die gewoonlijk worden ingevoerd tijdens de voortgang van het proces. (Referentie ISO 2382)

 

"Objectcode" (4 5 9): een door apparatuur uitvoerbare vorm van een geschikte expressie van één of meer processen ("broncode" (brontaal) die door een programmeersysteem is omgezet).

 

"Onafgewerkte substraten" (6): monolithische verbindingen met afmetingen die geschikt zijn voor de productie van optische elementen zoals spiegels of optische vensters.

 

"Onbemande luchtvaartuigen" ("UAV") (9): luchtvaartuigen zonder menselijke aanwezigheid aan boord die kunnen opstijgen en zonder onderbreking gecontroleerde vluchten kunnen uitvoeren en navigatie kunnen aanhouden.

 

"Onderling verbonden radarsensoren" (6): twee of meer radarsensoren zijn onderling verbonden wanneer zij tijdgebonden onderling gegevens uitwisselen.

 

"Ontwikkeling" (ATN NTN Alle). Dit bestrijkt alle fasen voorafgaand aan serieproductie, zoals ontwerp, ontwerponderzoek, ontwerpanalyse, ontwerpideeën, assemblage en testen van prototypen, proefproductieplannen, ontwerpgegevens, het vertalen van ontwerpgegevens in een product, ontwerp van configuraties, integratieontwerp, opmaak.

 

"Onvertraagde verwerking" (‹real time processing›) (6 7): het verwerken van gegevens door een computersysteem dat afhankelijk van de beschikbare middelen een bepaalde prestatie levert binnen een gewaarborgde responsietijd als reactie op een externe gebeurtenis, ongeacht de belasting van het systeem.

 

"Optimalisering van de vliegroute" (7): een procedure waarmee afwijkingen van een vierdimensionale gewenste vliegroute (tijd en ruimte), gebaseerd op de maximalisering van de prestaties of doeltreffendheid van de taken van een missie, zo klein mogelijk worden gehouden.

 

"Optisch sensor-array voor vluchtregeling" (7): met elkaar verbonden optische sensoren waarbij "laser"-bundels worden gebruikt om real-time vluchtregelingsgegevens te verkrijgen, die aan boord worden verwerkt.

 

"Optische computer" (4): een computer, ontworpen of aangepast voor het gebruik van licht voor de weergave van gegevens en waarvan de logische rekenelementen zijn gebaseerd op direct gekoppelde optische elementen.

"Optische geïntegreerde schakeling" (3): een "monolithische geïntegreerde schakeling" of "hybride geïntegreerde schakeling" die één of meer delen bevat die zijn ontworpen om als een fotosensor of foto-emitter te werken of om één of meer optische of elektro-optische functies te vervullen.

 

"Optische versterking" (5): een bij optische communicatie gebruikte versterkingstechniek die een versterking bewerkstelligt van optische signalen die zijn voortgebracht door een afzonderlijke optische bron, zonder omzetting in elektrische signalen, bijvoorbeeld door gebruik te maken van optische halfgeleiderversterkers, of luminescerende versterkers van glasvezels.

 

"Optisch schakelen" (5): bepaling van de route of schakelen van optische signalen zonder omzetting in elektrische signalen.

 

"Persoonsgebonden slimme kaart" (5): een slimme kaart of een machineleesbaar persoonlijk document (bv. e-paspoort) die of dat een microschakeling bevat die voor een specifieke toepassing is geprogrammeerd en door de gebruiker niet opnieuw kan worden geprogrammeerd voor een andere toepassing.

 

"Persoonlijk lokaal netwerk" (5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande kenmerken combineert:

a.

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke "datatoestellen" in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan;

b.

het is beperkt tot communicatie tussen toestellen in de onmiddellijke nabijheid van een persoon of toestelbeheerder (één kamer, een kantoor of voertuig).

Technische noot:

Een "datatoestel" is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

 

"Piekvermogen" (6): het hoogste vermogensniveau dat tijdens de "laserduur" wordt bereikt.

 

"Primaire vluchtregeling" (7): een voorziening voor het regelen van de stabiliteit of de besturing van een vliegtuig waarbij gebruik wordt gemaakt van kracht-/moment-generatoren, d.w.z. aërodynamische stuurvlakken of koersbepaling door middel van stuwkrachtregeling.

 

"Productie" (ATN NTN Alle): hieronder vallen alle productiestadia, zoals bouw, productie, ‹engineering›, fabricage, integratie, assemblage (monteren), inspectie, testen, kwaliteitsborging.

 

"Productieapparatuur" (1 7 9): gereedschap, mallen, kalibers, mandrellen, matrijzen, bevestigingsmiddelen, uitlijnmiddelen, testapparatuur, andere apparatuur en componenten daarvoor, beperkt tot datgene dat speciaal is ontworpen of aangepast voor de "ontwikkeling" of voor een of meer fasen van de "productie".

 

"Productiefaciliteiten" (7 9): apparatuur en speciaal ontworpen "programmatuur", samengesteld tot installaties voor de "ontwikkeling" of voor een of meer fasen van de "productie".

 

"Programma" (2 6): een reeks opdrachten voor het volbrengen van een handeling in een vorm, of om om te zetten in een vorm, die voor de uitvoering door een elektronische computer geschikt is.

 

"Programmatuur" (APN Alle): een verzameling van één of meer "programma's" of ‧microprogramma's‧, vastgelegd op enig tastbaar medium.

"Microprogramma": een reeks elementaire instructies die in een speciaal geheugen wordt bewaard en waarvan de uitvoering wordt gestart door de invoer van de bijbehorende verwijsopdracht in het instructieregister.

 

"Pulsduur" (6): duur van een "laser" impuls, gemeten over volle breedte bij halve intensiteit (‹Full Width Half Intensity› — FWHI).

 

"Kwantumcryptografie": (5) een groep technieken voor het opstellen van een gemeenschappelijke encryptiesleutel door meting van de kwantummechanische eigenschappen van een fysisch systeem (met inbegrip van de fysische eigenschappen die expliciet beheerst worden door kwantumoptica, de kwantumveldtheorie en de kwantumelektrodyamica)

 

"Q-switched laser" (6): een "laser" waarbij de energie wordt opgeslagen in de populatie-inversie of in de optische resonator en vervolgens wordt uitgezonden in een impuls.

 

"Radar ‹frequency agility›" (6): iedere techniek waarbij de draaggolffrequentie van een gepulseerde radarzender in een pseudo-willekeurige volgorde van impuls tot impuls of van de ene groep impulsen tot de volgende groep kan veranderen met een hoeveelheid gelijk aan of groter dan de bandbreedte van de impuls.

 

"Radar ‹spread spectrum›" (6): iedere modulatietechniek voor het spreiden van energie afkomstig van een signaal met een relatief smalle frequentieband over een veel bredere frequentieband, met gebruikmaking van willekeurige of pseudo-willekeurige codering.

 

"Raketten" (1 3 6 7 9): complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen die een nuttige last van tenminste 500 kg kunnen vervoeren over een afstand van ten minste 300 km.

 

"Reactietijdconstante" (6): de tijd vanaf het toepassen van een lichtprikkel totdat de stroomtoename een waarde heeft bereikt van 1-1/e maal de eindwaarde (d.w.z. 63 % van de eindwaarde).

 

"Rekenelement" (CE) (4): de kleinste rekeneenheid die een rekenkundig of logisch resultaat voortbrengt.

 

"Resolutie" (2): de kleinste stap van een meettoestel; op digitale instrumenten het minst significante bit. (Referentie: ANSI B-89.1.12).

 

"Robot" (2 8): een manipulatiemechanisme, dat kan zijn van een type dat een continu pad aflegt of van een type dat van punt naar punt gaat, eventueel voorzien van "sensoren", en dat alle volgende kenmerken heeft:

a.

multifunctioneel;

b.

geschikt voor het positioneren of oriënteren van materialen, onderdelen, gereedschappen of speciale elementen door middel van regelbare bewegingen in de driedimensionale ruimte;

c.

met drie of meer servomechanismen met open of gesloten lus waarbij inbegrepen kunnen zijn stappenmotoren;

d.

met "toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker" door middel van de leer-en-terugspeelmethode (teach/playback) of door middel van een elektronische computer die een programmeerbare logische regeleenheid kan zijn (PLC), d.w.z. zonder mechanische interventie.

Bovenstaande definitie slaat niet op de volgende toestellen:

1.

manipulatiemechanismen die alleen met de hand of met een mechanisme voor afstandbediening te regelen zijn;

2.

manipulatiemechanismen die in een vaste volgorde werken en geautomatiseerde bewegende toestellen zijn, die mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van trajecten of hoeken mag niet op mechanische, elektronische of elektrische wijze beïnvloedbaar zijn;

3.

mechanisch geregelde manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van de trajecten of hoeken kan binnen het vaste programmapatroon worden gevarieerd. Variaties of wijzigingen in het programmapatroon (bv. verwisselen van pennen of uitwisselen van nokschijven) in één of meer bewegingsassen mogen alleen langs mechanische weg bewerkstelligd worden;

4.

niet van een servomechanisme voorziene manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma mag variabel zijn maar de volgorde mag slechts op grond van het binaire signaal van mechanisch vaste elektrische binaire voorzieningen of verplaatsbare aanslagen verlopen;

5.

stapelkranen, waaronder te verstaan met Cartesische coördinaten werkende manipulatiesystemen, vervaardigd als integraal onderdeel van een verticale opstelling van opslagbakken en ontworpen voor het bereiken van de inhoud van deze bakken voor opslag of leeghalen.

 

"Rondloopnauwkeurigheid" (‹run-out›) (2): radiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil gemeten in een vlak loodrecht op de hartlijn van de spil aan een punt op het te testen uitwendige of inwendige omwentelingsoppervlak. (Referentie ISO 230, deel 1-1986, paragraaf 5.61)

 

"Roterend verstuiven" (1): een proces voor het verdelen van een stroom of een plas gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 micrometer of minder door middel van centrifugale kracht.

 

"Roving" (1): een bundel (normaal 12-120) van ongeveer evenwijdige ‧strengen‧.

‧Streng‧: een bundel monofilamenten (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

 

"Ruimtevaartuig" (7 9): actieve en passieve satellieten en ruimtesondes.

 

"Samengestelde draaitafel (2): een tafel waarop het werkstuk kan draaien en kantelen rond twee niet parallelle assen, die tegelijkertijd kunnen samenwerken voor" contourbesturen.

 

"Samenstelling" (2 3 4 5): een aantal elektronische componenten (bijvoorbeeld ‧schakelelementen‧, ‧discrete onderdelen‧, geïntegreerde schakelingen, enz.) die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en die als een eenheid vervangbaar en gewoonlijk demonteerbaar is.

Een ‧schakelelement‧ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bv. één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

een ‧discreet onderdeel‧ is een afzonderlijk omhuld ‧schakelelement‧ met eigen uitwendige aansluitingen.

 

"Schaalfactor" (gyroscoop of versnellingsmeter) (7): de verhouding tussen de uitvoerverandering en de te meten invoerverandering. De schaalfactor wordt gewoonlijk gegeven als de hellingshoek van de rechte lijn die volgens de kleinstekwadraten-methode past bij de invoer-uitvoergegevens, verkregen door cyclische variatie van de invoer over het ingangstraject.

 

"SHPL" staat voor "Super High Power Laser".

 

"Signaalanalysatoren" (3): instrumenten, geschikt voor het meten en afbeelden van de basiseigenschappen van de individuele frequentiecomponenten van meervoudige-frequentiesignalen.

 

"Signaalverwerking" (3 4 5 6): het verwerken van elders verkregen informatiedragende signalen met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bv. de snelle Fourier-transformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh-transformatie (‹Walsh transform›)).

 

"Smeltbaar" (1): in staat zijn om door verhitting, straling, catalyse, enz., te vernetten of verder te polymeriseren, dan wel zonder pyrolyse te smelten (verkolen).

 

"Smeltextractie" (1): een proces voor het "snel stollen" en extraheren van een lintvormig legeringsproduct door een kort segment van een ronddraaiend gekoeld blok in een bad met een gesmolten metaallegering te brengen.

"Snel stollen" is het stollen van gesmolten materiaal bij een koelsnelheid van meer dan 1 000 K/sec.

 

"Speciale splijtstoffen" (0): plutonium-239, uraan-233, "uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233", en elk materiaal dat het voorgaande bevat.

 

"Specifieke modulus" (0 1 9): Youngs modulus in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortgelijke gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van 296 ±2 K (23 ±2 °C) en een relatieve vochtigheid van 50 ±5 %.

 

"Specifieke treksterkte" (0 1 9): de breeksterkte in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortgelijk gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van 296 ±2 K (23 ±2 °C) en een relatieve vochtigheid van 50 ±5 %.

 

"Spinnen uit de smelt" (1): een proces voor het ‧snel stollen‧ van een stroom gesmolten metaal die botst op een ronddraaiend gekoeld blok, waardoor een schilfer-, lint- of staafvormig product ontstaat.

‧snel stollen‧ is het stollen van gesmolten materiaal bij een koelsnelheid van meer dan 1 000 K/seconde.

 

"Spread spectrum" (5): de techniek waarbij de energie in een communicatiekanaal met een relatief smalle band wordt gespreid over een veel breder energiespectrum.

 

"Spread spectrum" radar (6): zie "Radar ‹spread-spectrum›".

 

"Springstoffen" (1): stoffen in vaste, vloeibare of gasvorm of mengsels van stoffen die moeten detoneren als primaire, aanjaag- of hoofdlading in koppen, bij sloopwerkzaamheden of bij andere toepassingen.

 

"Stabilisatietijd" (‹settling time›) (3): de tijd die nodig is om binnen een halve bit van de uitgangseindwaarde te komen bij het schakelen tussen twee willekeurige niveaus van de omzetter.

 

"Stabiliteit" (7): standaardafwijking (1 sigma) van de miswijzing van een bepaalde parameter van de ijkwaarde, gemeten bij stabiele temperatuuromstandigheden. Deze kan worden uitgedrukt als een functie van de tijd.

 

"Stapel- en continuvezelmateriaal" (0 1 2 8).

Dit omvat:

a.

continumonofilamenten;

b.

continugarens en "‹rovings›";

c.

banden, weefsels en onregelmatig gelaagde matten en gevlochten banden;

d.

op lengte gesneden vezels, stapelvezels en samenhangende vezeldekens;

e.

whiskers, hetzij monokristallijn hetzij polykristallijn, ongeacht hun lengte;

f.

aromatische polyamidepulp.

 

"Staten die (geen) partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens": staten waarvoor het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens (niet) in werking is getreden. (Zie www.opcw.org)

 

"Stoffen voor oproerbeheersing": stoffen die, onder de verwachte gebruiksomstandigheden van het gebruik voor oproerbeheersing, bij mensen snel sensoriële irritatie of fysiek onvermogen veroorzaken, welke effecten echter korte tijd na beëindiging van de blootstelling verdwijnen.

Technische noot:

Traangas is een subklasse van "stoffen voor oproerbeheersing".

 

"Storingstolerantie" (4): het vermogen van een computersysteem om, na een storing in een onderdeel van zijn apparatuur of "programmatuur", zonder ingrijpen van de mens te blijven functioneren op een bepaald niveau waardoor de ononderbroken werking, gegevensintegriteit en herstel van alle functies binnen een bepaalde tijd worden gegarandeerd.

 

"Substraat" (3): een laag basismateriaal met of zonder een onderlinge verbindingsstructuur waarop of waarin ‧discrete onderdelen‧ of geïntegreerde schakelingen of beide aanwezig kunnen zijn.

Een ‧discreet onderdeel‧ is een afzonderlijk omhuld ‧schakelelement‧ met eigen uitwendige aansluitingen.

Een‧schakelelement‧ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronisch circuit, bv. één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

 

"Sub-eenheid van toxine" (1): een structureel en functioneel losstaand bestanddeel van een hele "toxine.

 

"Supergeleidend" (1 3 6 8): materialen, d.w.z. metalen, legeringen of verbindingen waarvan de elektrische weerstand nul kan worden, d.w.z. dat zij een oneindige elektrische geleidbaarheid kunnen bereiken en zeer grote stromen kunnen geleiden zonder joule-opwarming.

De "supergeleidende" toestand van elk afzonderlijk materiaal wordt gekenmerkt door een "kritische temperatuur", een kritisch magnetisch veld, dat een functie is van de temperatuur, en een kritische stroomdichtheid, die echter een functie is van zowel het magnetisch veld als de temperatuur.

 

"Super High Power Laser" (SHPL) (6): een "laser" die geschikt is voor het afgeven van (het totaal of een gedeelte van) de uitgangsenergie van meer dan 1 kJ binnen 50 ms of met een gemiddeld of CW-(continugolf-)vermogen van meer dan 20 kW.

 

"Superlegeringen" (2 9): legeringen op basis van nikkel, kobalt of ijzer, met sterkten hoger dan de standaardwaarden volgens de AISI 300 bij temperaturen boven 922 K (649 °C) onder zware omgevings- en gebruiksomstandigheden.

 

"Superplastisch vormen" (1 2): een vervormingsproces waarbij warmte wordt gebruikt om voor metalen die gewoonlijk weinig rek (minder dan 20 %) hebben bij de breeksterktegrens als bepaald bij kamertemperatuur door middel van een conventionele trekproef, tijdens het verwerken minstens tweemaal hogere rekwaarden te bereiken dan genoemde waarden.

 

"Symmetrisch algoritme" (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie dezelfde sleutel gebruikt wordt als voor decryptie.

"Symmetrische algoritmen" worden vaak voor vertrouwelijke gegevens gebruikt.

 

"Systeemsporen" (6): verwerkt, gecorreleerd (samenvoeging van radardoelgegevens en vliegplanpositie) en met de laatste informatie bijgewerkt rapport dat ter beschikking staat van de verkeersleiders van het Luchtverkeersleidingscentrum.

 

"‹Systolic array›-computer" (4): een computer waarbij de gegevensstroom en wijziging van de gegevens dynamisch kan worden bestuurd door de gebruiker op het niveau van de logische poort.

"Technologie" (ATN NTN Alle): specifieke informatie die nodig is voor de "ontwikkeling", de "productie" of het "gebruik" van een product. De informatie is in de vorm van ‧technische gegevens‧ of ‧technische bijstand‧.

‧Technische bijstand‧ kan zijn in de vorm van instructie, vaardigheden, opleiding, praktijkkennis, advies e.d. en kan gepaard gaan met de overdracht van ‧technische gegevens‧.

‧Technische gegevens‧ kunnen o.m. bestaan uit blauwdrukken, tekeningen, schema's, modellen, formules, tabellen, technische ontwerpen en specificaties, handboeken en instructies, in geschreven vorm of vastgelegd op andere media of apparaten zoals schijf, magneetband, leesgeheugens (ROM's).

 

"Tijdgebonden bandbreedte" (real time bandwidth) (3): voor "dynamische signaalanalysatoren" is dit het grootste frequentiebereik dat de analysator kan uitvoeren naar beeldscherm of massageheugen zonder dat daardoor de analyse van de invoergegevens wordt onderbroken. Bij analysatoren met meer dan één kanaal dient bij de berekening die kanaalconfiguratie te worden gehanteerd die de breedste "tijdgebonden bandbreedte" oplevert.

 

"Toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker" (6): de mogelijkheid voor de gebruiker om "programma's" in te voegen, te veranderen of te vervangen anders dan door middel van:

a.

een fysieke wijziging in de bedrading of andere onderlinge verbindingen;

b.

het instellen van functiekeuzen, het inbrengen van parameters daarbij inbegrepen.

 

"Totale digitale overbrengsnelheid" (5): het aantal bits, met inbegrip van regelcodering, organisatorische bits enz., dat per tijdseenheid wordt overgebracht tussen overeenkomstige apparatuur in een digitaal transmissiesysteem.

Zie ook "digitale overbrengsnelheid"

 

"Totale stroomdichtheid" (3): het totale aantal ampèrewikkelingen in de spoel (d.w.z. de som van het aantal wikkelingen vermenigvuldigd met de maximale stroom die door elke wikkeling wordt gevoerd), gedeeld door de totale doorsnede van de spoel (met inbegrip van de supergeleidende draden, de metalen matrix waarin de supergeleidende draden zijn ingebed, het omgevende materiaal, eventuele koelkanalen, enz.).

 

"Totale vluchtregeling" (7): een geautomatiseerde regeling van de toestandsvariabelen en de vliegbaan van een "vliegtuig om te voldoen aan de doelstellingen van een missie, waarbij wordt gereageerd op real-time veranderingen in de gegevens betreffende doelstellingen, gevaren en andere "vliegtuigen".

 

"Toxinen" (1 2): toxinen in de vorm van opzettelijk geïsoleerde preparaten of mengsels, ongeacht de wijze van bereiding, anders dan toxinen die als contaminant aanwezig zijn in andere materialen zoals pathologische monsters, gewassen, levensmiddelen of culturen van "micro-organismen".

 

"Transfer laser" (6): een "laser" waarbij het lasermedium wordt geëxciteerd door de overdracht van energie door middel van botsing van een niet-stralend atoom of molecuul op een atoom of molecuul dat laserstraling uitzendt.

 

"Uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233" (0): uraan dat de isotopen 235 of 233 of beide bevat in een zodanige hoeveelheid, dat de verhouding tussen de som van de hoeveelheden van deze isotopen en de hoeveelheid van de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de hoeveelheden van de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uraan (isotoopverhouding: 0,71 %).

 

"Vaccin" (1): een medisch preparaat volgens een chemische formule waarvoor een vergunning is afgegeven of waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen of voor klinische proeven is afgegeven door de regelgevende instanties van hetzij het land waar het wordt gefabriceerd, hetzij het land waar het wordt gebruikt, en dat strekt tot stimulering van een beschermende immunorespons ter voorkoming van ziekten in de mens of het dier aan wie of waaraan het wordt toegediend.

 

"Vast" (5): het coderings- of comprimeringsalgoritme kan geen parameters van buitenaf ontvangen (bv. cryptografische of sleutelvariabelen) noch gewijzigd worden door de gebruiker.

 

"Verarmd uraan" (0): uraan met een gehalte aan het uraan-235-isotoop dat lager is dan in de natuur voorkomt.

 

"III/V verbindingen": polykristallijne, binaire of complexe monokristallijne producten bestaande uit elementen uit de groepen IIIA en VA van het periodieke systeem van Mendelejev (galliumarsenide, gallium aluminiumarsenide, indiumfosfide, enz.).

 

"Vergruizing" (1): een procédé voor het tot deeltjes verdelen van materiaal door stampen of malen.

 

"Verloopsnelheid" (gyroscopen) (7): de component van de gyroscoopuitvoer die functioneel onafhankelijk is van de invoerrotatie. Wordt uitgedrukt als snelheid van hoekbeweging (IEEE STD 528-2001).

 

"Vermengd" (commingled) (1): het mengen van filamenten van thermoplastische vezels en versterkingsvezels voor de productie van een vezelversterking/-"matrixmengsel in totaalvezelvorm.

 

"Vermogensaanpassing" (7): een zodanige aanpassing van het uitgezonden vermogen van het hoogtemetersignaal dat het ontvangen signaal op "vliegtuig"hoogte altijd het minimale vermogen heeft dat nodig is om de hoogte te bepalen.

 

"Versplintering door snelle afkoeling" (‹splat quenching›) (1): een proces voor het ‧snel stollen‧ van een gesmolten stroom metaal die botst op een gekoeld blok, waardoor ‧flakes‧ worden gevormd.

‧Snel stollen‧ is het stollen van gesmolten materiaal bij een koelsnelheid van meer dan 1.000 K/seconde.

 

"Verstuiving in gas" (1): een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaallegering tot druppeltjes met een diameter van 500 micrometer of minder door middel van een onder hoge druk staande gasstroom.

 

"Verstuiving in vacuüm" (1): een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 micrometer of minder door middel van de snelle uiteenzetting van een opgelost gas bij blootstelling aan een vacuüm.

 

"Vervormbare spiegels" (6): (ook bekend als adaptieve optische spiegels).

Spiegels met:

a.

één enkel continu optisch reflecterend oppervlak dat dynamisch wordt vervormd door afzonderlijke momenten of krachten uit te oefenen om de vervormingen van de op de spiegel invallende optische golfvorm te compenseren; of

b.

verscheidene optische reflecterende elementen die afzonderlijk dynamisch kunnen worden verplaatst door momenten of krachten uit te oefenen om vervormingen van de op de spiegel invallende optische golfvorm te compenseren.

 

"Vliegtuigen" (1 7 9): luchtvaartuigen met vaste, draaibare of roterende (hefschroefvliegtuig) vleugel en verticaal opstijgende luchtvaartuigen (met kantelende rotor of vleugel).

Zie ook "civiele vliegtuigen".

 

"Voortplantingsvertragingstijd van de basispoort" (3): de waarde van de voortplantingsvertragingstijd die overeenkomt met die van de basispoort binnen een "monolitische geïntegreerde schakeling". Deze kan voor een bepaalde ‧familie‧ van "monolithische geïntegreerde schakelingen" gespecificeerd zijn als de voortplantingsvertragingstijd per typerende poort binnen die ‧familie‧ of als de typerende voortplantingsvertragingstijd per poort binnen die ‧familie‧.

De "voortplantingsvertragingstijd van de basispoort" moet niet worden verward met de in/uitgangsvertragingstijd van een complexe "monolithische geïntegreerde schakeling".

Een ‧familie‧ bestaat uit alle geïntegreerde schakelingen waarop alle onderstaande elementen zijn toegepast als fabricagemethoden en -specificaties, met uitzondering van hun respectieve functies:

a.

de gebruikelijke hardware- en programmatuurarchitectuur;

b.

de gebruikelijke ontwerp- en verwerkingstechnologie;

c.

de gebruikelijke basiskenmerken.

 

"Voor iedereen beschikbaar" (ATN NTN APN). "Technologie of "programmatuur die zonder beperkingen aan de verdere verspreiding daarvan beschikbaar zijn gesteld. (Auteursrechtelijke beperkingen hebben niet tot gevolg dat "technologie of "programmatuur niet langer "voor iedereen beschikbaar" is.)

 

"Voornaamste deel" (4): een deel is een "voornaamste deel" wanneer de vervangingswaarde hoger is dan 35 % van de totale waarde van het systeem waarvan het deel uitmaakt. De waarde van een deel is de prijs die door de fabrikant of door degene die het systeem heeft geïntroduceerd voor het deel is betaald. De totale waarde is de normale internationale verkoopprijs bij verkoop aan een niet-gelieerde partij af fabriek of bij bevestiging van de verzending.

 

"Werkgeheugen" (4): het primaire geheugen voor gegevens of opdrachten, dat voor de centrale verwerkingseenheid snel toegankelijk is. Het bestaat uit het interne geheugen van een "digitale computer en elke hiërarchische uitbreiding daarvan, zoals ‹cache›-geheugens of niet-sequentieel toegankelijke geheugenuitbreidingen.

IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

Een acroniem of afkorting, gebruikt als gedefinieerde term, is te vinden in "Definities van in deze bijlage gebruikte termen".

Acroniem of betekenis

Afkorting

ABEC

Annular Bearing Engineers Committee

AGMA

American Gear Manufacturers' Association

AHRS

attitude and heading reference systems

AISI

American Iron and Steel Institute

ALU

arithmetic logic unit (logische rekeneenheid)

ANSI

American National Standards Institute

ASTM

the American Society for Testing and Materials

ATC

air traffic control (luchtverkeersleiding)

AVLIS

isotopenscheidingsinstallaties werkend met atomaire-damplasers

CAD

computer-aided-design (computerondersteund ontwerpen)

CAS

Chemical Abstracts Service

CCITT

Comité consultatif international télégraphique et téléphonique (Internationale Raadgevende Commissie inzake telegrafie en telefonie)

CDU

control and display unit (besturings- en beeldeenheid)

CEP

circular error probability (50 %-trefkanscirkel)

CNTD

controlled nucleation thermal deposition (thermische ontleding met beheerste nucleatie)

CRISLA

chemische reactie door selectieve laseractivering van één of meer isotopen

CVD

chemical vapour deposition (chemische afzetting uit de dampfase)

CW

chemical warfare (chemische oorlogsvoering)

(voor lasers)

continuous wave (continugolf)

DME

distance measuring equipment

DS

directionally solidified

EB-PVD

electron beam physical vapour deposition (elektronenstraalverdampen)

EBU

European Broadcasting Union

ECM

electro-chemical machining

ECR

electron cyclotron resonance

EDM

electrical discharge machines (vonkmachines)

EEPROMS

electrically erasable programmable read only memory

EIA

Electronic Industries Association

EMC

elektromagnetische compatibiliteit

ETSI

European Telecommunications Standards Institute (Europees Instituut voor telecommunicatienormen)

FFT

Fast Fourier Transform (snelle Fourier-transformatie)

GLONASS

global navigation satellite system (wereldwijd satellietnavigatiesysteem)

GPS

global positioning system

HBT

heterobipolaire transistors

HDDR

high density digital recording (digitale registratie met hoge dichtheid)

HEMT

high electron mobility transistors (tansistors met hoge elektronenmobiliteit)

ICAO

International Civil Aviation Organisation (Internationale Burgerluchtvaartorganisatie)

IEC

International Electrotechnical Commission (CEI — Internationale Elektrotechnische Commissie)

IEEE

Institute of Electrical and Electronic Engineers

IFOV

instantaneous-field-of-view (momenteel gezichtsveld)

ILS

instrument landing system

IRIG

inter-range instrumentation group

ISA

international standard atmosphere

ISAR

inverse synthetic aperture radar (radarmodus met omgekeerde kunstmatig ingestelde apertuur)

ISO

International Organization for Standardization (Internationale organisatie voor normalisatie)

ITU

International Telecommunication Union (Internationale Telecommunicatie Unie)

JIS

Japanse Industriestandaard

JT

Joule-Thomson

LIDAR

light detection and ranging (lichtdetectie- en afstandsbepaling)

LRU

line replaceable unit

MAC

message authentication code

Mach

verhouding van de snelheid van een voorwerp tot de geluidssnelheid (naar Ernst Mach)

MLIS

isotopenscheidingsinstallaties werkend met moleculaire ‧lasers‧.

MLS

microwave landing systems (microgolf-landingssystemen)

MOCVD

metal organic chemical vapour deposition (chemisch neerslaan van organometaaldamp)

MRI

magnetic resonance imaging (beeldvorming door middel van magnetische resonantie)

MTBF

mean-time-between-failures (gemiddeld storingsvrij interval)

Mtops

miljoenen technische bewerkingen per seconde

MTTF

mean-time-to-failure (gemiddeld interval vóór storing)

NBC

nucleair, biologisch en chemisch

NDT

non-destructive test (niet-destructief onderzoek)

PAR

precision approach radar (landingsradarapparatuur)

PIN

persoonlijk identificatienummer

ppm

parts per million (delen per miljoen)

PSD

power spectral density (constante spectrale vermogensdichtheid)

QAM

quadrature-amplitude-modulation (kwadratuuramplitudemodulatie)

RF

radiofrequentie

SACMA

Suppliers of Advanced Composite Materials Association

SAR

synthetic aperture radar (radarmodus met kunstmatig ingestelde apertuur)

SC

single crystal (eenkristal)

SLAR

sidelooking airborne radar (zijwaarts stralende radarmodus in vliegtuigen)

SMPTE

Society of Motion Picture and Television Engineers

SRA

shop replaceable assembly (in de werkplaats vervangbaar moduul)

SRAM

static random access memory

SRM

SACMA Recommended Methods

SSB

single sideband (enkele zijband)

SSR

secondary surveillance radar

TCSEC

trusted computer system evaluation criteria

TIR

total indicated reading (totale meetklokuitslag)

UV

ultraviolet

UTS

ultimate tensile strength (eindtreksterkte)

VOR

very high frequency omni-directional range

YAG

yttrium/aluminum garnet

CATEGORIE 0

NUCLEAIRE GOEDEREN

0A
Systemen, apparatuur en onderdelen

0A001
"Kernreactoren" en speciaal ontworpen en gebouwde uitrusting en onderdelen ervan, als hieronder:

a.

"kernreactoren";

b.

metalen vaten, of belangrijke speciaal vervaardigde onderdelen ervan, met inbegrip van het deksel van een reactordrukvat, die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd als omhulsel van de kern van een "kernreactor";

c.

bedieningsapparatuur, speciaal ontworpen of vervaardigd om splijtstof in een "kernreactor" aan- of af te voeren;

d.

regelstaven, d.w.z. staven die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor de beheersing van het splijtingsproces in een "kernreactor", de draag- of ophangconstructies daarvoor, mechanismen voor het besturen van de regelstaven en buizen voor het geleiden van de regelstaven;

e.

drukpijpen, d.w.z. buizen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd om dienst te doen als houder van de splijtstofelementen en het primaire koelmiddel in een "kernreactor" bij een werkdruk van meer dan 5,1 MPa;

f.

zirkoniummetaal en legeringen in de vorm van buizen of samenstellen van buizen waarin de gewichtsverhouding tussen hafnium en zirkonium minder is dan 1:500, speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een "kernreactor";

g.

koelpompen, d.w.z. pompen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor het doen circuleren van het primaire koelmiddel van "kernreactoren";

h.

‧inwendige delen van kernreactoren‧ die speciaal ontworpen of vervaardigd zijn voor gebruik in een "kernreactor", met inbegrip van draagconstructies voor de reactorkern, brandstofkanalen, hitteschilden, keerschotten, roosterplaten van de reactorkern en diffusorplaten;

In 0A001.h wordt onder ‧inwendige delen van kernreactoren‧ verstaan iedere grote structuur binnen een reactorvat die één of meer functies heeft, zoals ondersteuning van de kern, handhaving van de splijtstofafstelling, sturing van het primaire koelmiddel, het verschaffen van stralingsschermen voor het reactorvat, en de besturing van instrumentatie in de kern.

i.

warmtewisselaars (stoomgeneratoren), speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in het primaire koelmiddelcircuit van een "kernreactor";

j.

instrumenten voor neutronenwaarneming en -meting, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bepalen van de niveaus van de neutronenflux in de kern van een "kernreactor".

0B
TEST-, INSPECTIE- EN PRODUCTIEAPPARATUUR

0B001
Fabrieken voor de scheiding van isotopen van "natuurlijk uraan", "verarmd uraan", en "speciale splijtstoffen" en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

a.

installaties, speciaal ontworpen voor de scheiding van isotopen van "natuurlijk uraan", "verarmd uraan" en "speciale splijtstoffen" als hieronder:

1.

gascentrifuges;

2.

gasdiffusiescheidingsinstallaties;

3.

aërodynamische scheidingsinstallaties;

4.

scheidingsinstallaties met behulp van chemische uitwisselaars;

5.

scheidingsinstallaties met behulp van ionenuitwisselaars;

6.

isotopenscheidingsinstallaties werkend met atomaire-damp-"lasers" (AVLIS);

7.

isotopenscheidingsinstallaties werkend met moleculaire "lasers" (MLIS);

8.

plasmascheidingsinstallaties;

9.

elektromagnetische scheidingsinstallaties;

b.

Gascentrifuges en samenstellingen en onderdelen, speciaal ontworpen voor gebruik in gascentrifuges, als hieronder:

In 0B001.b betekent ‧materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding‧:

a.

‹maraging› — staal met een maximale treksterkte van 2 050 MPa of meer; of

b.

aluminiumlegeringen met een maximale treksterkte van 460 MPa of meer;

c.

"stapel- en continuvezelmateriaal" met een "specifieke modulus" van meer dan 3,18 × 106 m en een "specifieke treksterkte" van meer dan 76,2 × 103 m;

1.

gascentrifuges;

2.

complete rotoren;

3.

rotorbuiscilinders met een wanddikte van 12 mm of minder, een diameter tussen 75 en 400 mm en vervaardigd van ‧materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding‧;

4.

ringen of balgen met een wanddikte van 3 mm of minder en een diameter tussen 75 mm en 400 mm, speciaal ontworpen om een rotorbuis op bepaalde plaatsen te verstevigen of om een aantal rotorbuizen samen te voegen, vervaardigd van ‧materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding‧;

5.

keerschotten met een diameter tussen 75 mm en 400 mm, ontworpen om in een rotorbuis gemonteerd te worden en vervaardigd van ‧materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding‧;

6.

onder- en bovendeksels met een diameter tussen 75 mm en 400 mm, speciaal ontworpen om op de uiteinden van een rotorbuis te passen en vervaardigd van ‧materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding‧;

7.

magnetische lagers bestaande uit een ringvormige magneet in een behuizing, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", bevattende een dempend medium en waarvan de magneet is gekoppeld aan een poolschoen of een tweede magneet die aan het bovendeksel van de rotor is bevestigd;

8.

speciaal ontworpen lagers, bestaande uit een taats/lagerkom-samenstel, gemonteerd op een demper;

9.

turbomoleculaire pompen bestaande uit cilinders met inwendige, machinaal vervaardigde of geëxtrudeerde langwerpige spiraalvormige groeven en inwendige, machinaal vervaardigde boorgaten;

10.

ringvormige stators voor meerfasige wisselstroom-hysteresis-motoren (magnetische-weerstandsmotoren) voor synchrone werking in vacuüm, met een frequentiebereik van 600 Hz tot 2 000 Hz en een vermogensbereik van 50 VA tot 1 000 VA;

11.

centrifugebehuizingen/houders, speciaal ontworpen om de rotorbuis van een gascentrifuge te bevatten, bestaande uit een starre cilinder met een wanddikte tot 30 mm met nauwkeurig afgewerkte uiteinden en vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

12.

inlaatstukken bestaande uit buizen met een binnendiameter tot 12 mm voor de extractie van UF6-gas uit de rotorbuis van een gascentrifuge volgens het principe van een Pitot-buis, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

13.

frequentieomzetters (convertors of invertors), speciaal ontworpen of vervaardigd voor de voeding van motorstators van gascentrifugeverrijkers en speciaal ontworpen onderdelen hiervoor, die aan alle hieronderstaande specificaties voldoen:

a.

een meerfasige elektrische spanning van 600 Hz tot 2 000 Hz,

b.

frequentieafwijkingen van minder dan 0,1 %,

c.

een harmonische vervorming van minder dan 2 %,

d.

een rendement, hoger dan 80 %;

14.

balgafsluiters met een diameter van 10 mm tot 160 mm, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

c.

speciaal voor gasdiffusiescheidingsinstallaties ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

membranen voor gasdiffusie vervaardigd van poreus metallisch, polymeer of keramisch "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", met een poriegrootte van 10 tot 100 nm, een dikte van 5 mm of minder en, voor buisvormige membranen, met een diameter van 25 mm of minder;

2.

gasdiffusorvaten, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

3.

compressoren (verdringer, centrifugale en axiale typen) of aanjagers met een aanzuigcapaciteit van 1 m3/min. of meer UF6 en een werkdruk van maximaal 666,7 kPa, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

4.

asafdichtingen voor compressoren of aanjagers bedoeld in 0B001.c.3., ontworpen op een inleksnelheid van het buffergas van minder dan 1 000 cm3/min;

5.

warmtewisselaars, vervaardigd van aluminium, koper, nikkel of legeringen die meer dan 60 percent nikkel bevatten of combinaties van deze metalen, in de vorm van beklede buizen, ontworpen voor gebruik bij drukken lager dan de atmosferische druk, met een leksnelheid die een drukstijging van minder dan 10 Pa/uur veroorzaakt bij een drukverschil van 100 kPa;

6.

balgafsluiters met een diameter van 40 mm tot 1 500 mm, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

d.

speciaal voor aërodynamische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

scheidingsstraalpijpen, bestaande uit spleetvormige, gebogen kanalen met een kromtestraal van minder dan 1 mm, bestand tegen corrosie door UF6, met in de straalpijp een scherpe scheidingsrand die de gasstroom in tweeën deelt;

2.

tangentiële instroombuizen (cilindrisch of conisch) (vortexbuizen), vervaardigd van of beschermd met "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", met een diameter tussen 0,5 cm en 4 cm en een lengte/diameterverhouding, gelijk aan of kleiner dan 20:1 en met een of meer tangentiële inlaten;

3.

compressoren (verdringer-, centrifugale en axiale typen) of aanjagers met een aanzuigcapaciteit van 2 m3/min of meer, vervaardigd van of beschermd met "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6" en asafdichtingen daarvoor;

4.

warmtewisselaars, vervaardigd van of beschermd met "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

5.

behuizingen van aërodynamische scheidingselementen, vervaardigd van of beschermd met "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", speciaal ontworpen om vortexbuizen of scheidingsstraalpijpen te bevatten;

6.

balgafsluiters, vervaardigd van of beschermd met "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", met een diameter van 40 tot 1 500 mm;

7.

processystemen om UF6 van het dragergas (waterstof of helium) te scheiden tot een gehalte van 1 ppm UF6 of minder, met inbegrip van:

a.

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

b.

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

c.

scheidingsstraalpijpen of vortexbuizen voor de scheiding van UF6 van het dragergas;

d.

koudevallen voor UF6 die geschikt zijn voor temperaturen van 253 K (–20 °C) of lager;

e.

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van chemische uitwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

pulskolomcontactors voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 seconden of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals fluorkoolwaterstofpolymeren of glas);

2.

centrifugale contactors voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 seconden of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals fluorkoolwaterstofpolymeren of glas);

3.

elektrochemische reductiecellen, bestand tegen oplossingen van geconcentreerd zoutzuur, ontworpen om uraan in valentie te veranderen;

4.

voedingsuitrusting voor elektrochemische reductiecellen, ontworpen om U+4 uit de organische stroom te verwijderen en, voor die onderdelen die met de processtroom in contact komen, vervaardigd van of beschermd met geschikte materialen (bv. glas, fluorkoolwaterstofpolymeren, polyfenylsulfaat, polyethersulfon en met hars geïmpregneerd grafiet);

5.

systemen voor de behandeling van het voedingsmateriaal, ontworpen om een zeer zuivere uraanchlorideoplossing te produceren, bestaande uit voorzieningen voor het in oplossing brengen, voor vloeistofextractie en/of voor ionenwisseling voor de zuivering en elektrolytische cellen voor de reductie van U+6 of U+4 tot U+3;

6.

oxidatiesystemen voor uraan, ontworpen om U+3 te oxideren tot U+4;

f.

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van ionenwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

ionenwisselharsen met een snelle reactietijd, vliezige of poreuze harsen met een macroscopische vernetting, waarin de actieve chemische uitwisselgroepen alleen voorkomen in een oppervlaktelaag op een inactieve poreuze ondersteunende structuur en andere composiete structuren met een geschikte vorm, waaronder deeltjes of vezels met diameters van 0,2 mm of minder, die bestand zijn tegen geconcentreerd zoutzuur en zijn ontworpen op een uitwisselingshalveringstijd van minder dan 10 seconden en die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C);

2.

ionenwisselkolommen (cilindrisch) met een diameter groter dan 1 000 mm, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. titaan of kunststoffen op basis van fluorkoolwaterstof), die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C) en werkdrukken boven 0,7 MPa;

3.

ionenwisselrefluxsystemen (chemische of elektrochemische oxidatie- of reductiesystemen) voor het regenereren van de chemische reductie- of oxidatiemiddelen die in ionenwisselverrijkingscascades worden gebruikt;

g.

speciaal voor isotopenscheidingsprocessen met atomaire-damp-"lasers" (AVLIS) ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

krachtige ioniserings- of scanning-elektronenkanonnen met een afgegeven vermogen van meer dan 2,5 kW/cm, die worden gebruikt in een systeem om uraan te verdampen;

2.

systemen voor het hanteren van vloeibaar uraanmetaal voor gesmolten uraan of uraanlegeringen, bestaande uit smeltkroezen, vervaardigd van of beschermd met geschikte corrosie- en hittebestendige materialen (bv. tantaal, met yttriumoxide bedekt grafiet, grafiet bedekt met andere oxiden van zeldzame aarden of mengsels daarvan) en koelapparatuur voor de smeltkroezen;

N.B.: ZIE OOK 2A225

3.

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uraan, vervaardigd van of bekleed met materialen die bestand zijn tegen de hitte en de corrosie van uraanmetaaldamp of vloeistof zoals bijvoorbeeld met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

4.

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrische of rechthoekige vaten) die zijn ontworpen om de uraanmetaaldampbron, het elektronenkanon en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uraan te bevatten;

5.

"lasers" of "laser"-systemen voor de scheiding van uraanisotopen met een stabilisator voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

N.B.: ZIE OOK 6A005 EN 6A205

h.

speciaal voor isotopenscheidingsprocessen met moleculaire lasers (MLIS) of met chemische reacties door selectieve laseractivering van een of meer isotopen (CRISLA) ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

supersone uitstroomstraalpijpen voor het koelen van mengsels van UF6 en transportgas tot 150 K (– 123 °C) of minder en vervaardigd van "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6";

2.

productopvangsystemen voor uraanpentafluoride (UF5), bestaande uit collectoren van het filter-, impact- of cycloontype of combinaties daarvan en vervaardigd van "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF5/UF6";

3.

compressoren, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6", en asafdichtingen daarvoor;

4.

uitrusting om UF5 (vaste stof) te fluoreren tot UF6 (gas);

5.

processystemen voor het scheiden van UF6 van het transportgas (bv. stikstof of argon) met inbegrip van:

a.

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

b.

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

c.

koelvallen voor UF6 die geschikt zijn voor temperaturen van 253 K (–20 °C) of lager;

6.

"lasers" of "laser"systemen voor de scheiding van uraanisotopen met een stabilisator voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

N.B.: ZIE OOK 6A005 EN 6A205

i.

speciaal voor plasmascheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

microgolfbronnen en antennes voor het produceren of versnellen van ionen, met een uitgangsfrequentie hoger dan 30 GHz en een gemiddeld uitgangsvermogen van meer dan 50 kW;

2.

RF-ionisatieaanslagspoelen voor frequenties boven 100 kHz en met een gemiddeld vermogen van meer dan 40 kW;

3.

systemen voor het genereren van een uraanplasma;

4.

systemen voor het hanteren van vloeibaar metaal, voor gesmolten uraan of uraanlegeringen, bestaande uit smeltkroezen, vervaardigd van of beschermd met geschikte corrosie- en hittebestendige materialen (bv. tantaal, met yttriumoxide bedekt grafiet, grafiet, bedekt met andere oxiden van zeldzame aarden of mengsels daarvan) en koelapparatuur voor de smeltkroezen;

N.B.: ZIE OOK 2A225

5.

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uraan, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen de hitte en de corrosie van uraandamp, zoals bijvoorbeeld met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

6.

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrisch), ontworpen om de uraanplasmabron, de radiofrequente spoel en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uraan te bevatten en vervaardigd van een geschikt niet-magnetisch materiaal (bv. roestvrij staal);

j.

speciaal voor elektromagnetische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

enkel- of meervoudige ionenbronnen, bestaande uit een dampbron, ionisator en bundelversneller, vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet, roestvrij staal of koper) en geschikt om een totale ionenbundelstroom te leveren van 50 mA of meer;

2.

ionencollectorplaten voor het opvangen van ionenbundels met verrijkt of verarmd uraan, bestaande uit twee of meer spleten en opvangkamers en vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet of roestvrij staal);

3.

vacuümbehuizingen voor elektromagnetische uraanscheiders, vervaardigd van niet-magnetische materialen (bv. roestvrij staal) en ontworpen op een werkdruk van 0,1 Pa of lager;

4.

magnetische poolschoenen met een diameter van meer dan 2 m;

5.

hoogspanningsvoedingen voor ionenbronnen, die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a.

geschikt voor continubedrijf;

b.

uitgangsspanning 20 000 V of meer;

c.

uitgangsstroom 1 A of meer;

d.

spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur;

N.B.: ZIE OOK 3A227

6.

voedingen voor magneten (hoog vermogen, gelijkstroom), die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a.

geschikt voor continubedrijf met een uitgangsstroom van 500 A of meer en een spanning van 100 V of meer;

b.

stroom- of spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur.

N.B.: ZIE OOK 3A226

0B002
Speciaal voor isotoopscheidingsinstallaties als bedoeld in 0B001 ontworpen of vervaardigde hulpsystemen, uitrusting en onderdelen, als hieronder, vervaardigd van of beschermd door "materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6":

a.

voedingsautoclaven, ovens of systemen voor het doorvoeren van UF6 naar het verrijkingsproces;

b.

desublimatoren of koelvallen die gebruikt worden om het UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen voor verder transport na verhitting;

c.

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uraan om UF6 in containers op te slaan;

d.

liquefactors of stollingsstations die worden gebruikt om UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen door UF6 samen te persen, af te koelen en om te zetten in vloeibare of vaste vorm;

e.

speciaal ontworpen stelsels van pijpen en ‹headers› om het UF6 te hanteren binnen de gasdiffusie-, centrifuge- of aërodynamische cascades;

f.

1.

speciaal ontworpen vacuümspruitstukken en ‹headers› met een afzuigcapaciteit van 5 m3/min. of meer,

2.

vacuümpompen, speciaal ontworpen voor gebruik in een atmosfeer die UF6 bevat;

g.

UF6-massaspectrometers/ionenbronnen, speciaal ontworpen of vervaardigd om ‹on line› monsters te kunnen nemen van de UF6-voedingsstroom, van verarmde en van verrijkte UF6-gasstromen en die alle onderstaande eigenschappen hebben:

1.

oplossend vermogen 1 a.m.e. voor massa's groter dan 320 a.m.e.;

2.

ionenbronnen, vervaardigd van of bekleed met nichroom of monel of vervaardigd van vernikkelde onderdelen;

3.

ionisatiebronnen die werken met elektronenbeschieting,

4.

collectorsysteem, geschikt voor isotoopanalyse.

0B003
Fabrieken voor de omzetting van uraan en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a.

systemen voor de omzetting van uraanertsconcentraten in UO3;

b.

systemen voor de omzetting van UO3 in UF6;

c.

systemen voor de omzetting van UO3 in UO2;

d.

systemen voor de omzetting van UO2 in UF4;

e.

systemen voor de omzetting van UF4 in UF6;

f.

systemen voor de omzetting van UF4 in uraanmetaal;

g.

systemen voor de omzetting van UF6 in UO2;

h.

systemen voor de omzetting van UF6 in UF4;

i.

systemen voor de omzetting van UO2 in UCl4.

0B004
Fabrieken voor de productie of concentratie van zwaar water, deuterium en deuteriumverbindingen en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

a.

Installaties voor de productie van zwaar water, deuterium of deuteriumverbindingen, als hieronder:

1.

water-zwavelwaterstof-wisselinstallaties;

2.

ammoniak-waterstof-wisselinstallaties;

b.

Uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

water-zwavelwaterstof-wisseltorens, vervaardigd van gezuiverd koolstofstaal (bijvoorbeeld ASTM A516) met een diameter van 6 tot 9 meter, geschikt voor werking bij een druk van 2 MPa of meer en met een corrosietoeslag van 6 mm of meer;

2.

eentraps, centrifugale aanjagers of compressoren met lage opvoerdruk (d.w.z. 0,2 MPa), voor de circulatie van zwavelwaterstofgas (d.w.z. gas dat meer dan 70 % H2S bevat) met een verwerkingscapaciteit van ten minste 56 m3/seconde wanneer er gewerkt wordt bij drukniveaus van ten minste 1,8 MPa aan de zuigzijde, en met afdichtingen, ontworpen voor natte H2S-gassen;

3.

ammoniak-waterstof-wisseltorens van 35 meter of hoger met een diameter tussen 1,5 en 2,5 meter die kunnen werken bij een druk van meer dan 15 MPa;

4.

inwendige delen van torens, met inbegrip van getrapte contactgroepen, en getrapte pompen met inbegrip van dompelpompen voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocédé;

5.

ammoniak-kraakinstallaties die werken bij een druk van 3 MPa of meer voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocédé;

6.

infraroodabsorptieanalyseapparatuur die "on-line" waterstof-deuterium-verhoudingen kan meten waarbij de deuteriumconcentratie 90 % of meer is;

7.

katalytische branders voor de omzetting van verrijkt deuteriumgas in zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocédé;

8.

complete systemen voor het veredelen van zwaar water, of kolommen daarvoor, voor het veredelen van zwaar water tot een deuteriumconcentratie die in een kernreactor bruikbaar is.

0B005
Fabrieken, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor "kernreactoren" en speciaal ontworpen of vervaardigde uitrusting daarvoor.

Een fabriek voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor "kernreactoren" omvat uitrusting die:

a.

in de regel in rechtstreeks contact komt met de productiestroom van nucleair materiaal of deze rechtstreeks verwerkt of reguleert;

b.

zorgt voor de afdichting van het nucleaire materiaal in de splijtstofstaaf;

c.

de goede staat van de bekleding of van de afdichting van de splijtstofstaaf controleert;

d.

de eindbehandeling van de afgesloten splijtstof controleert.

0B006
Fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen.

0B006 omvat:

a.

fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen voor "kernreactoren", met inbegrip van uitrusting en onderdelen die in de regel rechtstreeks in aanraking komen met de bestraalde splijtstof en de voornaamste processtromen van nucleair materiaal en splijtingsproducten, en die rechtstreeks regelen;

b.

hak- en versnipperingsmachines voor splijtstofelementen, d.w.z. op afstand bediende uitrusting voor het snijden, hakken of knippen van bestraalde splijtstofpakketten, -bundels of -staven voor "kernreactoren";

c.

oplostanks, d.w.z. kritisch veilige tanks (bv. ring- of plaattanks met een kleine diameter), speciaal ontworpen of vervaardigd voor het oplossen van bestraalde splijtstof van "kernreactoren", die bestand zijn tegen hete, sterk corrosieve vloeistoffen en die op afstand gevuld en onderhouden kunnen worden;

d.

tegenstroom-vloeistofextractors en ionenwisselapparatuur, speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een fabriek voor het opwerken van bestraald "natuurlijk uraan", "verarmd uraan" of "speciale splijtstoffen";

e.

voorraad- of opslagvaten, speciaal ontworpen om kritisch veilig te zijn en bestand tegen de corrosieve werking van salpeterzuur;

Voorraad- of opslagvaten kunnen de volgende kenmerken bezitten:

1.

wanden of inwendige structuren met een boorequivalent (berekend voor alle samenstellende delen als gedefinieerd in de noot bij 0C004) van ten minste twee procent;

2.

een maximale diameter van 175 mm voor cilindrische vaten;

3.

een maximale breedte van 75 mm voor rechthoekige of ringvormige vaten.

f.

instrumenten voor de regeling van processen, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bewaken of het regelen van de opwerking van bestraald "natuurlijk uraan", "verarmd uraan" of "speciale splijtstoffen".

0B007
Fabrieken voor de omzetting van plutonium en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a.

systemen voor de omzetting van plutoniumnitraat in plutoniumoxide;

b.

systemen voor de productie van plutoniummetaal.

0C
Materialen

0C001
"Natuurlijk uraan" of "verarmd uraan" of thorium in de vorm van metaal, legering, chemische verbinding of concentraat en elk materiaal dat het voorgaande bevat;

In 0C001 zijn niet bedoeld:

a.

Vier gram of minder "natuurlijk uraan" of "verarmd uraan", indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten;

b.

"verarmd uraan", speciaal vervaardigd voor de volgende civiele en niet-nucleaire toepassingen:

1.

afschermingsmateriaal;

2.

verpakkingsmateriaal;

3.

ballast met een massa van ten hoogste 100 kg;

4.

contragewichten met een massa van ten hoogste 100 kg;

c.

Legeringen met minder dan 5 % thorium;

d.

Keramische, thorium bevattende producten die zijn vervaardigd voor niet-nucleair gebruik.

0C002
"Speciale splijtstoffen".

In 0C002 is niet bedoeld vier "effectieve gram" of minder, indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

0C003
Deuterium, zwaar water (deuteriumoxide) en andere deuteriumverbindingen, en mengsels en oplossingen die deuterium bevatten, waarin de isotoopverhouding van deuterium tot waterstof groter is dan 1:5 000.

0C004
Grafiet, geschikt voor toepassing in kernreactoren, d.w.z. met een zuiverheidsgraad beter dan 5 delen per miljoen (ppm) ‧boorequivalent‧, en met een dichtheid groter dan 1,5 g/cm3.

N.B.: ZIE OOK 1C107

0C004 is niet van toepassing op:

a.

producten, vervaardigd van grafiet met een massa van minder dan 1 kg en niet speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een kernreactor;

b.

grafietpoeder.

In 0C004 wordtboorequivalent(BE) gedefinieerd als de som van BE Z voor onzuiverheden (met uitzondering van BE koolstof aangezien koolstof niet wordt beschouwd als een onzuiverheid), met inbegrip van boor, waarbij geldt:

BEZ (ppm) = CF × concentratie van element Z in ppm;

hierin is CF de conversiefactor = Formula

en zijn σ B en σ Z de doorsneden voor de vangst van thermische neutronen (in barn) voor respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z; en zijn A B en A Z de atoommassa's van respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z.

0C005
Speciaal vervaardigde verbindingen of poeders voor de fabricage van membranen voor gasdiffusie die bestand zijn tegen corrosie door UF6 (b.v. nikkel of een legering met 60 gewichtspercent of meer aan nikkel, aluminiumoxide en volledig gefluoreerde koolwaterstofpolymeren), met een zuiverheidsgraad van 99,9 gewichtspercent of meer, met een gemiddelde korrelgrootte, kleiner dan 10 micrometer, gemeten volgens de ASTM B-330-standaard (American Society for Testing and Materials) en met een zeer uniforme deeltjesgrootte.

0D
Programmatuur

0D001
Programmatuur, speciaal ontworpen of aangepast voor de "ontwikkeling", de "productie" of het "gebruik" van goederen, bedoeld in deze categorie.

0E
Technologie

0E001
"Technologie" overeenkomstig de nucleaire technologienoot voor de "ontwikkeling", de "productie" of het "gebruik" van goederen, bedoeld in deze categorie.

CATEGORIE 1

SPECIALE MATERIALEN EN AANVERWANTE APPARATUUR

1A
Systemen, Apparatuur en Onderdelen

1A001
Onderdelen vervaardigd van gefluoreerde verbindingen, als hieronder:

a.

afdichtingen, pakkingen, afdichtingsmiddelen of flexibele brandstoftanks (‹fuel bladders›), welke voor meer dan 50 gewichtspercenten bestaan uit enig materiaal als bedoeld in 1C009.b of 1C009.c, speciaal ontworpen voor gebruik in de ruimte of in vliegtuigen;

b.

piëzo-elektrische polymeren en copolymeren, gemaakt van vinylideenfluoride, als bedoeld in 1C009.a:

1.

in plaat- of folievorm,

2.

met een dikte van meer dan 200 micrometer;

c.

afdichtingen, pakkingen, klepzittingen, flexibele brandstoftanks (‹fuel bladders›) of membranen, met elk van de onderstaande eigenschappen:

1.

gemaakt van fluorelastomeren welke ten minste één vinylethergroep als structuurelement bevatten,

2.

speciaal ontworpen voor gebruik in de ruimte, in "raketten" of in "vliegtuigen".

In 1A001.c "worden onder raketten" complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan.

1A002
"Composieten" of laminaten, met één of meer van de volgende eigenschappen:

N.B.: ZIE OOK 1A202, 9A010 EN 9A110

a.

bestaande uit een organische "matrix" en materialen als bedoeld in 1C010.c, 1C010.d of 1C010.e,

b.

bestaande uit een metaal-"matrix" of koolstof-"matrix" en een of meer van de volgende materialen:

1.

koolstof-"stapel- en continuvezelmateriaal" met elk van de onderstaande eigenschappen:

a.

een "specifieke modulus" groter dan 10,15 × 106 m,

b.

een "specifieke treksterkte" groter dan 17,7 × 104 m,

2.

materialen als bedoeld in 1C010.c.

1A002 is niet van toepassing op composieten of laminaten gemaakt van met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-"stapel- of continuvezelmateriaal" voor de reparatie van casco's of laminaten van "civiele vliegtuigen", met een maximale grootte van 100 cm × 100 cm.

1A002 is niet van toepassing op eindproducten of halffabricaten die speciaal zijn ontworpen voor zuiver civiele toepassingen, als hieronder:

a.

sportartikelen;

b.

auto-industrie;

c.

werktuigmachine-industrie;

d.

medische toepassingen.

1A002.b.1 is niet van toepassing op eindproducten of halffabricaten die maximaal tweedimensionaal geweven filament bevatten en speciaal ontworpen zijn voor de volgende toepassingen:

a.

metalen warmtebehandelingsovens voor het temperen van metalen;

b.

apparatuur voor de productie van silicium monokristallen.

1A003
Producten vervaardigd van onsmeltbare aromatische polymiden in de vorm van film, vellen, band of lint, met één of meer van de onderstaande eigenschappen:

a.

een dikte groter dan 0,254 mm,

b.

bekleed of gelamineerd met koolstof, grafiet, metalen of magnetische substanties.

1A003 is niet van toepassing op producten bekleed of gelamineerd met koper die zijn ontworpen voor de productie van elektronische gedrukte schakelingen.

Voor "smeltbare" aromatische poyamiden in eender welk vorm: zie 1C008.a.3.

1A004
Beschermings- en detectie-apparatuur en onderdelen daarvan die niet onder de lijst militaire goederen vallen, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 2B351 EN 2B352

a.

Gasmaskers, filterbussen en decontaminatie-apparatuur daarvoor die zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

biologische stoffen "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

2.

radioactief materiaal "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

4.

"stoffen voor oproerbeheersing", met inbegrip van:

a.

α-broombenzeenacetonitril, (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

b.

[(2-chloorfenyl)methyleen] propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril) (CS) (CAS 2698-41-1);

c.

2-chloor-1-fenylethanon, fenylacylchloride (ω-chlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

d.

dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

e.

10-chloor-5, 10-dihydrofenarsazine, (fenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS 578-94-9);

f.

N-nonanoylmorfoline, (MPA) (CAS 5299-64-9);

b.

Beschermingspakken, -handschoenen en -schoenen die speciaal zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen:

1.

biologische stoffen "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

2.

radioactief materiaal "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

c.

Nucleaire, biologische en chemische (NBC) detectie-apparatuur die speciaal is ontworpen of aangepast voor de detectie of identificatie van één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

biologische stoffen "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

2.

radioactief materiaal "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties";

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering.

d.

Elektronische apparatuur die ontworpen is voor de automatische opsporing van springstoffenresten dan wel het vaststellen van hun aanwezigheid, waarbij sporendetectietechnieken worden gebruikt (bv. akoestische oppervlaktegolven, ionenmobiliteitspectrometrie, <differential mobility spectrometry> massaspectrometrie).

onder "sporendetectie" wordt verstaan het vermogen om minder dan 1 ppm gas of 1 mg vaste of vloeibare stof te detecteren.

1A004.d. is niet van toepassing op speciaal voor laboratoria ontworpen controleapparatuur.

1A004.d. is niet van toepassing op doorloopveiligheidspoorten zonder lichamelijk contact.

1A004 is niet van toepassing op:

a.

Individuele dosismeters voor stralingscontrole;

b.

Uitrusting die door haar ontwerp of functie beperkt is tot bescherming tegen risico's die eigen zijn aan woonwijken en industriesectoren, zoals mijnbouw, steengroeven, landbouw, de farmaceutische, medische, diergeneeskundige, milieu-, afvalbeheer- en voedingsindustrie.

Technische noten:

1.

1A004 omvat uitrusting en bestanddelen die zijn geïdentificeerd, met succes zijn getoetst aan nationale normen of waarvan op een andere manier de doeltreffendheid is bewezen, wat betreft de detectie van of de bescherming tegen radioactief materiaal "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties", biologische stoffen "aangepast voor gebruik in oorlogssituaties", stoffen voor chemische oorlogvoering, ‧simulanten‧ of "stoffen voor oproerbeheersing", zelfs wanneer die uitrusting of bestanddelen gebruikt worden in civiele industriesectoren, zoals mijnbouw, steengroeven, landbouw, de farmaceutische, medische, diergeneeskundige, milieu, afvalbeheer- en voedingsindustrie.

2.

‧Simulanten‧ zijn stoffen of materialen die bij opleiding, onderzoek, tests of evaluaties worden gebruikt in de plaats van toxische (chemische of biologische) stoffen.

1A005
Kogelvrije kleding, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen, anders dan vervaardigd volgens militaire normen of specificaties of gelijkwaardige prestatienormen.

N.B.: ZIE OOK LIJST MILITAIRE GOEDEREN

Voor "stapel- en continuvezelmateriaal" dat gebruikt wordt voor de vervaardiging van kogelvrije kleding, zie 1C010.

In 1A005 zijn niet bedoeld kogelvrije kleding en beschermende kleding die de gebruiker bij zich heeft voor zijn eigen bescherming

In 1A005 is niet bedoeld kogelvrije kleding die bestemd is om uitsluitend frontale bescherming te bieden tegen door niet-militaire explosieven veroorzaakte luchtverplaatsingen of scherven.

1A006
Apparatuur als hieronder, die speciaal is ontworpen of aangepast voor het demonteren van geïmproviseerde explosiemiddelen, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen en toebehoren:

N.B.: ZIE OOK LIJST MILITAIRE GOEDEREN

a.

op afstand bediende voertuigen;

b.

‧disruptoren‧.

Technische noot:

‧Disruptoren‧ zijn toestellen die speciaal zijn ontworpen om de ontploffing van een explosiemiddel te voorkomen door het afschieten van een vloeibaar, vast of versplinterend projectiel.

In 1A006 is niet bedoeld apparatuur die door de operator wordt meegevoerd.

1A007
Apparatuur en toestellen als hieronder, die speciaal zijn ontworpen om explosieve ladingen en middelen die energetisch materiaal bevatten, op elektrische wijze tot ontploffing te brengen:

N.B.: ZIE OOK LIJST MILITAIRE GOEDEREN, 3A229 EN 3A232.

a.

Ontstekingsmechanismen met explosieve detonator die zijn ontworpen voor het starten van explosieve detonatoren als bedoeld in 1A007.b.;

b.

Elektrisch gestarte explosieve detonatoren, als hieronder:

1.

"exploding bridge" (EB);

2.

"exploding bridge wire" (EBW);

3.

slapper;

4.

"exploding foil"-ontstekingen (EFI).

Technische noten:

1.

De woorden "initiator" en "ontsteker" worden soms gebruikt in de plaats van het woord "detonator".

2.

Voor de toepassing van 1A007.b. maken alle bedoelde detonatoren gebruik van een kleine elektrische geleider ("bridge", "bridge wire" of "foil") die explosief verdampt wanneer er een snelle, elektrische hogestroomstoot doorheen wordt geleid. Bij het "non-slapper"-type brengt de exploderende geleider een chemische ontploffing op gang in een daarmee in aanraking zijnd brisant materiaal, bijvoorbeeld PETN (pentaerytritoltetranitraat). Bij "slapper"-detonatoren wordt een "flyer" of "slapper" door de explosieve verdamping van de elektrische geleider over een spleet gedreven en de schok van de "slapper" op een springstof brengt een chemische ontploffing op gang. Bij sommige constructies wordt de "slapper" door een magnetisch veld gestart. Met de uitdrukking "exploding foil"-detonator worden zowel EB-detonatoren als "slapper"-detonatoren bedoeld.

1A008
Explosieve ladingen, middelen en componenten, waaronder:

a.

"Gevormde ladingen" met alle hiernavolgende kenmerken:

1.

netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 90 g;

2.

buitendiameter van het omhulsel gelijk of groter dan 75 mm;

b.

Ladingen voor directionele explosies met alle hiernavolgende kenmerken, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

een springlading van meer dan 40 g/m, en

2.

een breedte van 10 mm of meer;

c.

Slagsnoer met sprinstoflading van meer dan 64 g/m;

d.

Cutters, en andere ladingen voor directionele explosies dan die bedoeld 1A008.b., alsmede snij-explosieven met een netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 3,5 kg;

Technische noot:

Onder "gevormde ladingen" wordt verstaan explosieve ladingen die zodanig zijn gevormd dat zij het effect van een explosie kunnen sturen.

1A102
Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstof-componenten bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1A202
Composieten, met uitzondering van de in 1A002 bedoelde composieten, in buisvorm, met beide volgende kenmerken:

N.B.: ZIE OOK 9A010 EN 9A110

a.

een binnendiameter van 75-400 mm;

b.

vervaardigd van "stapel- en continuvezelmateriaal" als bedoeld in 1C010.a of b of 1C210.a of met koolstof-‹prepreg›-materiaal als bedoeld in 1C210.c.

1A225
Geplatineerde katalysatoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bevorderen van de waterstofisotoop-uitwisseling tussen waterstof en water voor het terugwinnen van tritium uit zwaar water of voor de productie van zwaar water.

1A226
Specifieke pakkingen die kunnen worden gebruikt voor de scheiding van zwaar water van gewoon water, met beide volgende kenmerken:

a.

vervaardigd van plaatgaas van fosforbrons (chemisch behandeld ter verbetering van de bevochtigingsraad); en

b.

ontworpen voor gebruik in vacuüm-distillatietorens.

1A227
Stralingafschermende ramen (van loodglas of ander materiaal) met alle hiernavolgende kenmerken en speciaal ontworpen kozijnen daarvoor:

a.

een ‧koude zone‧ groter dan 0,09 m2

b.

een dichtheid groter dan 3 g/cm3;

c.

een dikte van 100 mm of meer.

Technische noot:

In 1A227 wordt onder ‧koude zone‧ verstaan de kijkzone van het raam die is blootgesteld aan het laagste stralingsniveau in de constructietoepassing.

1B
Test-, inspectie- en productieapparatuur

1B001
Apparatuur voor de vervaardiging van vezels, geïmpregneerde vezels (‹prepregs›), beklede vezels (‹preforms›) of "composieten" als bedoeld in 1A002 of 1C010, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

N.B.: ZIE OOK 1B101 EN 1B201

a.

draadwindmachines waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal in drie of meer richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van "composieten" of laminaten uit "stapel- of continuvezelmateriaal";

b.

band- of lintlegmachines waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden, linten of vellen in twee of meer richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van "composieten" voor vliegtuigen en raketten;

In 1B001.b worden onder "raketten" complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan.

c.

weef- en vlechtmachines welke in verscheidene richtingen en dimensies kunnen werken met inbegrip van aanpassings- of wijzigingsuitrustingen, voor het weven, dooreenvlechten of omvlechten van vezelmateriaal ter vervaardiging van "composieten";

Technische noot:

Voor de toepassing van punt 1B001.c houdt de techniek van het dooreenvlechten tevens breien in.

In 1B001.c zijn niet bedoeld textielmachines die niet voor bovengenoemde eindtoepassingen zijn aangepast.

d.

apparatuur speciaal ontworpen of aangepast voor de vervaardiging van versterkingsvezels, als hieronder:

1.

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitryl, rayon, asfaltbitumen of polycarbosilaan) in koolstofvezels of vezels bestaande uit siliciumcarbide, met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting;

2.

apparatuur voor het neerslaan van elementen of verbindingen uit de dampfase op verwarmde continuvezelsubstraten voor de vervaardiging van vezels bestaande uit siliciumcarbide;

3.

apparatuur voor het natspinnen van vuurvaste keramische materialen (b.v. aluminiumoxide);

4.

apparatuur voor het omzetten van aluminium dat voorlopervezelmaterialen bevat, in aluminiumoxidevezels door middel van warmtebehandeling;

e.

apparatuur voor het door middel van de heetsmeltmethode vervaardigen van de ‹prepregs› bedoeld in 1C010.e;

f.

inspectieapparatuur welke gebruik maakt van niet destructieve technieken (NDT), welke speciaal is ontworpen voor "composieten", als hieronder:

1.

röntgentomografiesystemen voor het driedimensionaal opsporen van gebreken;

2.

ultrasone inspectieapparatuur met "numerieke besturing", waarvan de bewegingen voor het positioneren van zenders of ontvangers gelijktijdig in vier of meer richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, om de driedimensionale contouren van het te inspecteren onderdeel te volgen.

1B002
Apparatuur voor het vervaardigen van metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, speciaal ontworpen om contaminatie te voorkomen en speciaal ontworpen voor gebruik in één van de in 1C002.c.2 bedoelde procédés.

N.B.: ZIE OOK 1B102

1B003
Gereedschap, matrijzen, stempels of klemmen voor het "superplastisch vormen" of "diffusielassen" van titaan of aluminium of legeringen daarvan, speciaal ontworpen voor het vervaardigen van één of meer:

a.

constructies voor lucht- of ruimtevaart,

b.

motoren voor "vliegtuigen" of ruimtevaartuigen,

c.

speciaal ontworpen onderdelen voor de in 1B003.a. bedoelde constructies of de in 1B003.b. bedoelde motoren.

1B101
Apparatuur, met uitzondering van de onder 1B001 bedoelde apparatuur voor de vervaardiging van composieten, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

N.B.: ZIE OOK 1B201

De in 1B101 bedoelde onderdelen en toebehoren omvatten onder meer matrijzen, doornen, stempels, klemmen en gereedschappen voor het persen van voorvormstukken, of het harden, gieten, sinteren of binden van composieten, laminaten en producten daarvan.

a.

draadwindmachines of vezelpositioneringsmachines (fibre placement machines), waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal in drie of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van "composieten" of laminaten uit "stapel- of continuvezelmateriaal", alsmede besturingseenheden voor het coördineren en het programmeren daarvan;

b.

bandlegmachines, waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden en vellen in twee of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van "composieten" voor casco's en andere delen van vliegtuigen en "raketten";

c.

apparatuur, als hieronder, ontworpen of aangepast voor de "productie" van "stapel- of continuvezelmateriaal":

1.

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitryl, rayon of polycarbosilaan) met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting,

2.

apparatuur voor het neerslaan van elementen of verbindingen uit de dampfase op verhitte continuvezelsubstraten,

3.

apparatuur voor het natspinnen van vuurbestendige keramische materialen (b.v. aluminiumoxide);

d.

apparatuur, ontworpen of aangepast voor speciale oppervlaktebehandeling van vezels of voor het vervaardigen van de ‹prepregs› en ‹preforms›, bedoeld in 9C110.

1B101.d omvat onder meer rollen, strektoestellen, apparatuur voor het aanbrengen van deklagen, snijapparatuur en stansvormen.

1B102
Andere metaalpoeder-"productieapparatuur" dan die, bedoeld in 1B002 en onderdelen, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 1B115.b.

a.

metaalpoeder-"productieapparatuur", bruikbaar voor de "productie" in een gecontroleerde omgeving van sferische of vernevelde materialen als bedoeld in 1CO11.a, 1CO11.b, 1C111.a.1, 1C111.a.2 of in de Lijst van militaire goederen;

b.

speciaal ontworpen onderdelen van "productieapparatuur" als bedoeld in 1B002 of 1B102.a.

1B102 omvat:

a.

Plasmageneratoren (hogefrequentieboogstraal), bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

b.

‹Electroburst› apparatuur, bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

c.

Apparatuur, bruikbaar voor de "productie" van sferisch aluminiumpoeder door verpulvering van een smelt in een inert medium (bijv. stikstof).

1B115
Andere apparatuur dan die, bedoeld in 1B002 en 1B102, voor de productie van stuwstoffen en bestanddelen daarvan, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a.

"productieapparatuur" voor de "productie", het hanteren of het keuren van vloeibare stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a, 1C011.b, 1C111 of in de Lijst van militaire goederen;

b.

"productieapparatuur" voor de "productie", het hanteren, mengen, harden, gieten, persen, machinaal bewerken, spuitgieten of keuren van vaste stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a, 1C011.b, 1C111 of in de Lijst militaire goederen.

In 1B115.b zijn niet bedoeld niet-continumengers, continumengers en luchtstraalmolens. Voor de controle daarop zie 1B117, 1B118 en 1B119.

Zie de lijst van militaire goederen voor apparatuur speciaal ontworpen voor de "productie" van militaire goederen.

In 1B115 is niet bedoeld apparatuur voor de "productie", het hanteren en keuren van boorcarbide.

1B116
Speciaal ontworpen spuitmonden voor de "productie" van pyrolytisch gevormde materialen op een as, mal of ander substraat van voorlopergassen die ontleden bij temperaturen van 1 573 K (1 300 °C) tot 3 173 K (2 900 °C) en een druk van 130 Pa tot 20 kPa.

1B117
Niet-continumengers welke geschikt zijn voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa, met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen en met alle navolgende kenmerken, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a.

een totale inhoud van 110 l of meer;

b.

ten minste één excentrisch geplaatste meng- of kneedas.

1B118
Continumengers welke geschikt zijn voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa, met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen en met een van de volgende kenmerken, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor:

a.

twee of meer meng- of kneedassen; of

b.

één roterende en oscillerende as met mengtanden/-pennen op de as en de mengkamerwand.

1B119
Luchtstraalmolens die gebruikt kunnen worden om de stoffen, genoemd in 1C011.a, 1C011.b, 1.C.111 of in de lijst van militaire goederen, te malen of te stampen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

1B201
Draadwindmachines, uitgezonderd machines als bedoeld in 1B001 of 1B101, en bijbehorende apparatuur, als hieronder:

a.

draadwindmachines met alle volgende kenmerken:

1.

de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal zijn in twee of meer richtingen gecoördineerd en geprogrammeerd,

2.

de machines zijn speciaal ontworpen voor de vervaardiging van "composieten" of laminaten uit "stapel- of continuvezelmateriaal";

3.

geschikt voor het winden van cilindrische rotoren met een diameter van 75 mm tot 400 mm en een lengte van 600 mm of meer;

b.

besturingseenheden voor het coördineren en programmeren van de in 1B201.a bedoelde draadwindmachines;

c.

zeer nauwkeurige spillen voor de in 1B201.a bedoelde draadwindmachines.

1B225
Elektrolytische cellen voor de productie van fluor met een capaciteit van meer dan 250 g fluor per uur.

1B226
Elektromagnetische isotopenscheiders, ontworpen voor of uitgerust met enkelvoudige of meervoudige ionenbronnen die een totale ionenbundelstroom van 50 mA of meer kunnen leveren.

1B226 omvat tevens scheiders:

a.

geschikt voor het verrijken van stabiele isotopen;

b.

waarbij de ionenbronnen en collectors zich in het magneetveld bevinden en configuraties waarbij deze zich buiten het veld bevinden.

1B227
Converters voor ammoniaksynthese of ammoniaksynthese-eenheden waarin het synthesegas (stikstof en waterstof) wordt onttrokken uit een hoge-drukkolom voor de uitwisseling van ammoniak en waterstof en de gevormde ammoniak naar deze kolom wordt teruggevoerd.

1B228
Kolommen voor de cryogene distillatie van waterstof met alle volgende kenmerken:

a.

ontworpen om te werken bij een interne temperatuur van 35 K (– 238 °C) of lager;

b.

ontworpen om te werken bij een interne druk van 0,5-5 MPa (5-50 atm.);

c.

vervaardigd van

1.

roestvrij staal van de 300-serie met een laag zwavelgehalte en een korrelgroottegetal van 5 of hoger volgens de ASTM-standaard (of een gelijkwaardige standaard), voor austenitisch staal

2.

gelijkwaardige cryogene materialen die tevens H2 verdragen;

d.

met een binnendiameter van 1 m of meer en een nuttige lengte van 5 m of meer.

1B229
Schotelkolommen voor de water-zwavelwaterstof-uitwisseling en de interne contactorganen daarvoor, als hieronder:

Voor kolommen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor de productie van zwaar water zie 0B004.

a.

schotelkolommen voor de water-zwavelwaterstof-uitwisseling, met alle volgende kenmerken:

1.

geschikt voor werking bij een nominale druk van 2 MPa of groter;

2.

vervaardigd van koolstofstaal met een korrelgroottegetal van 5 of hoger volgens de ASTM-standaard (of een gelijkwaardige standaard), voor austenitisch staal;

3.

met een diameter van 1,8 m of meer;

b.

de in 1B229.a bedoelde ‧interne contactgroepen‧ voor de schotelkolommen voor de water-zwavelwaterstof-uitwisseling.

Technische noot:

De ‧interne contactgroepen‧ van de kolommen bestaan uit gesegmenteerde schotels met een effectieve gezamenlijke diameter van 1,8 m of meer, zijn ontworpen voor het in tegenstroom met elkaar in contact brengen, en vervaardigd van roestvrij staal met een koolstofgehalte van 0,03 % of minder. Zij kunnen de vorm hebben van zeefschotels, klepschotels, borrelklokjesschotels en turboroosterschotels.

1B230
Pompen, geschikt voor de circulatie van geconcentreerde of verdunde oplossingen van de katalysator kaliumamide in vloeibare ammoniak (KNH2/NH3), met alle volgende kenmerken:

a.

luchtdicht (d.w.z. hermetisch afgesloten);

b.

met een capaciteit van meer dan 8,5 m3/uur;

c.

een van de volgende kenmerken:

1.

voor geconcentreerde oplossingen van kaliumamide (1 % of meer), een werkdruk van 1,5-60 MPa;

2.

voor verdunde oplossingen van kaliumamide (minder dan 1 %), een werkdruk van 20-60 MPa.

1B231
Tritiuminstallaties of -fabrieken, en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a.

installaties of fabrieken voor het produceren, terugwinnen, extraheren, concentreren of behandelen van tritium;

b.

apparatuur voor titriuminstallaties of -fabrieken, als hieronder:

1.

waterstof- of heliumkoeleenheden die kunnen koelen tot 23 K (– 250 °C) of lager, met een warmteafvoercapaciteit van meer dan 150 W;

2.

opslag- of zuiveringssystemen voor waterstofisotopen die gebruik maken van metaalhydriden als opslag- of zuiveringsmedium.

1B232
‹Turbo expanders› of turbo-expansie/compressiesets met beide volgende kenmerken:

a.

ontworpen om te werken met een uitstroomtemperatuur van 35 K (– 238 °C) of lager;

b.

ontworpen voor een doorvoer van waterstofgas van 1 000 kg/h of meer.

1B233
Installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a.

installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen;

b.

apparatuur voor de scheiding van lithiumisotopen, als hieronder:

1.

gestapelde kolommen voor vloeistof-vloeistofwisselkolommen, speciaal ontworpen voor lithiumamalgamen;

2.

kwik- en/of lithiumamalgaampompen;

3.

lithiumamalgaam-elektrolysecellen;

4.

verdampers voor geconcentreerde lithiumhydroxideoplossingen.

1C
Materialen

Technische noot:

Metalen en legeringen:

 

Behoudens andersluidende bepalingen wordt in 1C001 tot en met 1C012 onder ‧metalen‧ en ‧legeringen‧ verstaan, ruwe of onbewerkte vormen en halffabricaten, als hieronder:

Ruwe of onbewerkte vormen:

 

Anoden, kogels, staven (met inbegrip van gekerfde proefstaven en draadmetaal), knuppels, blokken, blooms, briketten, uitgangsblokken, kathoden, kristallen, kubussen, blokjes, korrels, granules, walsblokken, bobbels, pastilles, gietelingen, poeder, rondellen, schroot, plakken, brokken, sponsen, stiften;

Halffabricaten (al dan niet bekleed, beplaat, geboord of gestanst):

a.

gesmede of bewerkte materialen die zijn vervaardigd door middel van walsen, doortrekken, spuitgieten, smeden, slagextrusie, persen, korrelen, verstuiven en slijpen, namelijk: hoekstaven, gootmetaal, ronde voorprofielen, schijven, stof, vlokken, foelies en bladmetaal, smeedstukken, platen, poeder, geperste stukken allerhande, linten, ringen, staven (met inbegrip van ruwe lasstaven, walsdraad en diverse gewalste draden), profielen, gietvormen, dunne platen, banden en buizen allerhande (met inbegrip van ronde, vierkante en holle pijpen), getrokken of geëxtrudeerde draad;

b.

gegoten metaal vervaardigd door gieten in zand, metaal, gips of andere types gietvormen, met inbegrip van onder hoge druk gegoten producten, gesinterde vormen en door middel van poedermetallurgie vervaardigde producten.

De doelstellingen van de controle mogen niet worden omzeild door de uitvoer van niet gespecificeerde vormen waarvan wordt beweerd dat het om afgewerkte producten gaat, maar die in feite onbewerkte vormen of halffabricaten zijn.

1C001
Materialen, speciaal ontworpen om te worden gebruikt voor het absorberen van elektromagnetische golven, of intrinsiek geleidende polymeren, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 1C101.

a.

materialen voor het absorberen van frequenties hoger dan 2 × 108 Hz doch lager dan 3 × 1012 Hz;

1C001.a is niet van toepassing op:

a.

absorberende materialen van het haartype, ongeacht of deze zijn gemaakt van natuurlijke of synthetische vezels, welke niet-magnetische stoffen bevatten voor de absorptie;

b.

absorberende materialen waarin geen magnetisch verlies optreedt en waarvan het invallend oppervlak niet vlak is, zoals piramiden, kegels, wiggen en gedraaide oppervlakken;

c.

vlakke absorberende materialen die al de onderstaande kenmerken vertonen:

1.

gemaakt van één van de volgende materialen:

a.

kunststof schuimmaterialen (al dan niet buigzaam) welke koolstof bevatten, of organische materialen, met inbegrip van binders, met meer dan 5 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ±15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 450 K (177 °C)

b.

keramische materialen met meer dan 20 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ±15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 800 K (527 °C);

Technische noot:

Monsters voor het testen van de absorptie ten behoeve van 1C001.a. Noot 1.c.l dienen een vierkant te zijn van ten minste vijf golflengten (van de middenfrequentie) aan één zijde en geplaatst in het verre veld van het stralingselement.

2.

een treksterkte van minder dan 7 × 106 N/m2,

3.

een druksterkte van minder dan 14 × 106 N/m2;

d.

vlakke absorberende materialen, gemaakt van gesinterd ferriet, met de volgende kenmerken:

1.

een relatieve dichtheid groter dan 4,4;

2.

een maximale werktemperatuur van 548 K (275 °C);

Magnetische materialen voor absorptiedoeleinden in verf vallen wel onder 1C001.a.

b.

materialen voor het absorberen van frequenties hoger dan 1,5 × 1014 Hz doch lager dan 3,7 × 1014 Hz welke geen zichtbaar licht doorlaten;

c.

intrinsiek geleidende polymere materialen met een ‧specifieke elektrische volumegeleidbaarheid‧ groter dan 10 000 S/m (siemens per meter) of een ‧specifieke oppervlakteweerstand‧ kleiner dan 100 ohm/vierkant, op basis van één of meer van de volgende polymeren:

1.

polyaniline;

2.

polypyrrool;

3.

polythiofeen;

4.

polyfenyleen-vinyleen;

5.

polythienyleen-vinyleen.

Technische noot:

De ‧specifieke elektrische volumegeleidbaarheid‧ en de ‧specifieke oppervlakteweerstand‧ dienen te worden bepaald met behulp van ASTM D-257 of nationale gelijkwaardige methoden.

1C002
Metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 1C202

In 1C002 worden niet bedoeld: metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, voor het bekleden van substraten.

Technische noten:

1.

De metaallegeringen, bedoeld in 1C002, zijn legeringen waarin het genoemde metaal een hoger gewichtspercentage heeft dan enig ander element.

2.

De ‧levensduur voordat spanningsbreuk optreedt‧, dient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-139 of gelijkwaardige nationale methoden.

3.

Delevensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelastingdient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-606Recommended practice for constant-amplitude low-cycle fatigue testingof gelijkwaardige nationale equivalenten. Het testen dient axiaal te geschieden met een gemiddelde belastingsverhouding gelijk aan 1 en een krachten-concentratiefactor (Kt) gelijk aan 1. De gemiddelde belastingsverhouding wordt gedefinieerd als de maximale belasting min de minimale belasting gedeeld door de maximale belasting.

a.

aluminiden, als hieronder:

1.

nikkelaluminiden met minstens 15 gewichtspercenten aluminium, hoogstens 38 gewichtsprocenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

2.

titaanaluminiden met 10 of meer gewichtspercenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

b.

metaallegeringen, als hieronder, gemaakt van materiaal als bedoeld in 1C002.c:

1.

nikkellegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‧levensduur voordat spanningsbreuk optreedt‧ van 10 000 uur of meer bij 923 K (650 °C) en een spanning van 676 MPa,

b.

een ‧levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting‧ van 10 000 meer belastingscycli met een maximale spanning van 1 095 MPa bij 823 K (550 °C);

2.

niobiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‧levensduur voordat spanningsbreuk optreedt‧ van 10 000 uur of meer bij 1 073 K (800 °C) en een spanning van 400 Mpa,

b.

een ‧levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting‧ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 700 MPa bij 973 K (700 °C);

3.

titaanlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‧levensduur voordat spanningsbreuk optreedt‧ van 10 000 uur of meer bij 723 K (450 °C) en een spanning van 200 MPa;

b.

een ‧levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting‧ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 400 MPa bij 723 K (450 °C);

4.

aluminiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een treksterkte van 240 MPa of meer bij 473 K (200 °C),

b.

een treksterkte van 415 MPa of meer bij 298 K (25 °C);

5.

magnesiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een treksterkte van 345 MPa of meer;

b.

een corrosiesnelheid lager dan 1 mm/jaar in een 3 %-natriumchlorideoplossing in water, gemeten volgens ASTM Standard G-31 of gelijkwaardige nationale equivalenten;

c.

metaallegeringspoeder of uit deeltjes bestaand materiaal, met alle volgende kenmerken:

1.

gemaakt van een van onderstaande samenstellingssystemen:

Technische noot:

X staat voor één of meer legeringselementen.

a.

nikkellegeringen (Ni-Al-X, Ni-X-Al) gespecificeerd voor onderdelen of elementen voor turbinemotoren, d. w. z. met minder dan drie niet-metallieke deeltjes (verontreinigingen van het fabricageproces) groter dan 100 micrometer op 109 legeringsdeeltjes;

b.

niobiumlegeringen (Nb-Al-X of Nb-X-Al, Nb-Si-X of Nb-X-Si, Nb-Ti-X of Nb-X-Ti);

c.

titaanlegeringen (Ti-Al-X of Ti-X-Al);

d.

aluminiumlegeringen (Al-Mg-X of Al-X-Mg, Al-Zn-X of Al-X-Zn, Al-Fe-X of Al-X-Fe),

e.

magnesiumlegeringen (Mg-Al-X of Mg-X-Al);

2.

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van één van onderstaande procédés:

a.

"verstuiving in vacuüm";

b.

"verstuiving in gas";

c.

"roterend verstuiven";

d.

"versplintering door snelle afkoeling" (‹splat quenching›);

e.

"spinnen uit de smelt" en "vergruizing";

f.

"smeltextractie" en "vergruizing",

g.

"mechanisch legeren";

3.

in staat in 1C002.a of 1C002.b bedoelde materialen te vormen;

d.

gelegeerde materialen met alle volgende kenmerken:

1.

gemaakt van een van de in 1C002.c.1. bedoelde samenstellingssystemen;

2.

in de vorm van niet-vergruisde schilfers, stroken of dunne staven,

3.

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van een van de volgende procédés:

a.

"versplintering door snelle afkoeling";

b.

"spinnen uit de smelt",

c.

"smeltextractie".

1C003
Magnetische metalen van alle soorten, ongeacht de vorm, met een of meer van de volgende kenmerken:

a.

een relatieve beginpermeabiliteit van 120 000 of meer en een dikte van 0,05 mm of minder;

Technische noot:

De beginpermeabiliteit wordt gemeten aan het gespecificeerde materiaal dat volledig ontlaten is.

b.

magnetostrictieve legeringen met:

1.

een verzadigingsmagnetostrictie van meer dan 5 × 10–4,

2.

een magnetomechanische koppelingsfactor (k) van meer dan 0,8;

c.

strips van amorfe of ‧nanokristallijne‧ legeringen met de volgende eigenschappen:

1.

een samenstelling met minimaal 75 gewichtspercenten ijzer, kobalt of nikkel, en

2.

een magnetische verzadigingsinductie (BS) van 1,6 T of meer, en

3.

een of meer van de volgende eigenschappen

a.

een stripdikte van 0,02 mm of minder,

b.

een elektrische soortelijke weerstand van 2 × 10–4 ohm cm of meer.

Technische noot:

‧Nanokristallijne‧ materialen in 1C003.c zijn materialen met een kristalkorrelgrootte van hoogstens 50 nm, bepaald door middel van röntgendiffractie.

1C004
Uraan-titaanlegeringen of wolfraamlegeringen met een "matrix" op basis van ijzer, nikkel of koper, met de volgende eigenschappen:

a.

een dichtheid groter dan 17,5 g/cm3;

b.

een elastische rekgrens groter dan 880 MPa;

c.

een breukspanning groter dan 1 270 MPa,

d.

een rek groter dan 8 %.

1C005
"Supergeleidende""composiet"-geleiders in lengten groter dan 100 m of met een massa groter dan 100 g, als hieronder:

a.

"supergeleidende""composiet"-geleiders welke een of meer niobium-titaan-‧filamenten‧ bevatten, met de volgende eigenschappen:

1.

ingebed in een "matrix" anders dan een koper-"matrix" of in een op koper gebaseerd "matrix"-mengsel,

2.

met een doorsnedeoppervlak kleiner dan 0,28 × 10–4 mm2 (d.w.z. 6 micrometer diameter voor ronde ‧filamenten‧);

b.

"supergeleidende""composiet"-geleiders, bestaande uit één of meer "supergeleidende"‧filamenten‧, anders dan van niobium-titaan, met de volgende eigenschappen:

1.

een "kritische temperatuur" bij afwezigheid van magnetische inductie hoger dan 9,85 K (– 263,31 °C);

2.

in een "supergeleidende" toestand blijvend bij een temperatuur van 4,2 K (– 268,96 °C) bij blootstelling aan een magnetisch veld dat loodrecht op de lengteas van de geleider is georiënteerd en overeenstemt met een magnetische inductie van 12 T, met een kritische stroomdichtheid van meer dan 1 750 A/mm2 over de totale doorsnede van de geleider;

c.

"supergeleidende""composiet"-geleiders, bestaande uit één of meer "supergeleidende"‧filamenten‧, die "supergeleidend" blijven boven 115 K (– 158,16 °C).

Technische noot

Voor de toepassing van 1C005 kunnen de ‧filamenten‧ de vorm van een draad, cilinder, film, band of lint hebben.

1C006
Vloeistoffen en smeermiddelen, als hieronder:

a.

hydraulische vloeistoffen met als voornaamste bestanddeel één of meer van de onderstaande stoffen:

1.

‧oliën van synthetische silakoolwaterstoffen‧ met:

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C006.a.1 bevatten ‧oliën van silakoolwaterstoffen‧ uitsluitend silicium, waterstof en koolstof.

a.

een ‧vlampunt‧ hoger dan 477 K (204 °C);

b.

een ‧vloeipunt‧ bij 239 K (–34 °C) of lager;

c.

een ‧viscositeitsindex‧ van 75 of hoger,

d.

een ‧thermische stabiliteit‧ bij 616 K (343 °C) of hoger,

2.

‧chloorfluorkoolstoffen‧ met:

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C006.a.2 bevatten ‧chloorfluorkoolstoffen‧ uitsluitend koolstof, fluor en chloor.

a.

geen ‧vlampunt‧;

b.

een ‧autogene ontbrandingstemperatuur‧ hoger dan 977 K (704 °C);

c.

een ‧vloeipunt‧ bij 219 K (–54 °C) of lager;

d.

een ‧viscositeitsindex‧ van 80 of hoger;

e.

een kookpunt bij 473 K (200 °C) of hoger;

b.

smeermiddelen met als voornaamste bestanddeel een of meer van de volgende stoffen:

1.

fenyleen- of alkylfenyleenethers of thio-ethers, of mengsels daarvan, welke meer dan twee ether- of thio-ethergroepen bevatten of combinaties daarvan;

2.

gefluoreerde siliconevloeistoffen die een kinematische viscositeit hebben van minder dan 5 000 mm2/s (5 000 centistokes), gemeten bij 298 K (25 °C);

c.

dempingsvloeistoffen en flotatievloeistoffen met een zuiverheid groter dan 99,8 % en met minder dan 25 deeltjes van 200 micrometer of groter per 100 ml, gemaakt van ten minste 85 % van één of meer van onderstaande stoffen:

1.

dibroomtetrafluorethaan;

2.

polychloortrifluoretheen (uitsluitend olie- en wasmodificaties);

3.

polybroomtrifluoretheen;

d.

fluorkoolstoffen in koelvloeistoffen voor elektronische systemen met de volgende eigenschappen:

1.

minstens 85 gewichtspercenten van de volgende stoffen of mengsels daarvan:

a.

monomeren van perfluorpolyalkylether-triazinen of perfluoralifatische ethers;

b.

perfluoralkylaminen;

c.

perfluorcycloalkanen,

d.

perfluoralkanen;

2.

een dichtheid van 1,5 g/ml of meer bij 298 K (25 °C);

3.

vloeibaar bij 273 K (0 °C);

4.

minstens 60 gewichtspercenten fluor.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C006:

1.

wordt het ‧vlampunt‧ bepaald door gebruik te maken van de Cleveland Open Cup Methode volgens ASTM D-92 of nationale equivalenten;

2.

wordt het ‧vloeipunt‧ bepaald volgens de methode, beschreven in ASTM D-97, of nationale equivalenten;

3.

wordt de ‧viscositeitsindex‧ bepaald volgens de methode, beschreven in ASTM D-2270, of nationale equivalenten;

4.

‧thermische stabiliteit‧ wordt de bepaald volgens onderstaande testprocedure of nationale equivalenten:

 

20 ml van de te testen vloeistof wordt gebracht in een roestvrij stalen kamer (type 317) van 46 ml, die de volgende kogels met een (nominale) diameter van 12,5 mm bevat: één van M-10 gereedschapsstaal, één van 52 100-staal en één van bronstobin (60 % Cu, 39 % Zn, 0,75 % Sn).

 

De kamer wordt gespoeld met stikstofgas, bij atmosferische druk luchtdicht afgesloten en verhit tot 644 ± 6 K (371  ± 6 °C) en gedurende zes uur op deze temperatuur gehouden.

Het monster wordt geacht thermisch stabiel te zijn indien bij het beëindigen van bovengenoemde procedure aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

a.

het gewichtsverlies van elk der kogels is minder dan 10 mg/mm2 van het oppervlak van de kogel;

b.

de verandering in de oorspronkelijke viscositeit zoals vastgesteld bij 311 K (38 °C) is minder dan 25 %;

c.

het totale zuur- of basegetal is kleiner dan 0,40;

5.

wordt de ‧autogene ontbrandingstemperatuur‧ bepaald volgens de methode, beschreven in ASTM E-659, of nationale equivalenten daarvan.

1C007
Keramische basismaterialen, keramische materialen die geen "composieten" zijn, "composieten" met een keramische "matrix", en voorlopermaterialen, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 1C107

a.

basismaterialen bestaande uit enkelvoudige of meervoudige boriden van titaan met een totale hoeveelheid aan metallische verontreiniging, exclusief opzettelijke toevoegingen, van minder dan 5 000 ppm, met een gemiddelde deeltjesgrootte minder dan of gelijk aan 5 micrometer, terwijl niet meer dan 10 % van de deeltjes groter is dan 10 micrometer;

b.

keramische materialen die geen "composieten" zijn in ruwe vorm of als halffabricaat samengesteld uit boriden van titaan met een dichtheid van 98 % van de theoretische dichtheid of hoger;

In 1C007.b zijn niet bedoeld slijpmiddelen.

c.

keramisch-keramische "composieten" met een glas- of oxide-"matrix" en versterkt met vezels, met alle volgende kenmerken:

1.

gemaakt van een van de volgende materialen

a.

Si-N;

b.

Si-C;

c.

Si-Al-O-N;

d.

Si-O-N;

2.

met een "specifieke treksterkte" van meer dan 12,7 × 103m;

d.

keramisch-keramische "composieten", met of zonder continue metallische fase, die fijn verdeelde deeltjes of fasen bevatten van enig materiaal met vezel- of whiskerstructuur, en waarbij carbiden of nitriden van silicium, zirkoon of boor de "matrix" vormen;

e.

voorlopermaterialen (d.w.z. voor speciale doeleinden bestemde polymere of organometaalverbindingen) voor het vervaardigen van welke fase of fasen dan ook van de materialen, bedoeld in 1C007.c, als hieronder:

1.

polydiorganosilanen (voor het vervaardigen van siliciumcarbide);

2.

polysilazanen (voor het vervaardigen van siliciumnitride); of

3.

polycarbosilazanen (voor het vervaardigen van keramische materialen met silicium-, koolstof- en stikstofcomponenten);

f.

keramisch-keramische "composieten" met een oxide- of glas-"matrix", versterkt met continuvezels van één van de volgende systemen:

1.

Al203;

2.

Si-C-N.

1C007.f is niet van toepassing op "composieten" die vezels bevatten van deze systemen met een vezeltreksterkte van minder dan 700 MPa bij 1 273 K (1 000 °C) of een trek-krimpweerstand van meer dan 1 % krimp bij een belasting van 100 MPa bij 1 273 K (1 000 °C) gedurende 100 uren.

1C008
Niet-gefluoreerde polymeren, als hieronder:

a.

1.

bismaleimiden;

2.

aromatische polyamidimiden;

3.

aromatische polyimiden;

4.

aromatische polyetherimiden met een glastemperatuur (Tg) van meer dan 513 K (240 °C);

1C008.a. is van toepassing op de stoffen in vloeibare of vaste "smeltbare" vorm, waaronder hars, poeder, pellets, film, vellen, band of lint;

voor onsmeltbare aromatische polymiden in film, vellen, band of lint, zie 1A003.

b.

thermoplastische vloeibare kristalcopolymeren met een warmtevervormingstemperatuur hoger dan 523 K (250 °C), gemeten volgens ISO 75-2 (2004), methode A, of nationale equivalenten, bij een belasting van 1,80 N/mm2 en samengesteld uit:

1.

één van beide volgende groepen materialen:

a.

fenyleen, bifenyleen of naftaleen,

b.

fenyleen, bifenyleen of naftaleen met methyl-, tertiair butyl- of fenylsubstitutie,

2.

één van de volgende zuren:

a.

tereftaalzuur;

b.

6-hydroxy-2-naftoëzuur;

c.

4-hydroxybenzoëzuur;

c.

niet gebruikt,

d.

polyaryleenketonen;

e.

polyaryleensulfiden, waarbij de arylgroep bestaat uit bifenyleen, trifenyleen of combinaties daarvan;

f.

polybifenyleenethersulfonen met een ‧glastemperatuur (Tg)‧ van meer dan 513 K (240 °C).

Technische noot:

Deglastemperatuur (Tg)voor de in 1C008 bedoelde materialen wordt bepaald volgens de methode, beschreven in ISO 11357-2 (1999) of nationale equivalenten.

1C009
Onbewerkte fluorverbindingen, als hieronder:

a.

co-polymeren van vinylideenfluoride met 75 % of meer bèta kristallijnstructuur zonder strekken;

b.

gefluoreerde polyimiden die 10 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten;

c.

gefluoreerde fosfazeen elastomeren die 30 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten.

1C010
"Stapel- en continuvezelmateriaal" dat gebruikt kan worden in "composieten" of laminaten met een organische "matrix", metallische "matrix" of koolstof-"matrix", als hieronder:

N.B.: ZIE OOK 1C210 EN 9C110

a.

organisch "stapel- en continuvezelmateriaal" met de volgende eigenschappen:

1.

een "specifieke modulus" groter dan 12,7 × 106 m,

2.

een "specifieke treksterkte" groter dan 23,5 × 104 m;

1C010.a is niet van toepassing op polyethyleen.

b.

"stapel- en continuvezelmateriaal" van koolstof met de volgende eigenschappen:

1.

een "specifieke modulus" groter dan 12,7 × 106 m,

2.

een "specifieke treksterkte" groter dan 23,5 × 104 m;

1C010.b is niet van toepassing op weefsels, gemaakt van "stapel- of continuvezelmateriaal" voor de reparatie van casco's of laminaten van "civiele vliegtuigen", als de afzonderlijke vellen niet groter zijn dan 100 cm × 100 cm.

Technische noot:

De eigenschappen van materialen als bedoeld in 1C010.b dienen te worden bepaald met gebruik van aanbevolen methoden SRM 12 t/m 17 van Suppliers of Advanced Composite Materials Association (SACMA), ISO 10618 (2004) 10.2.1 methode A, of gelijkwaardige nationale trektests, en dienen te zijn gebaseerd op de gemiddelde waarden van een partij.

c.

anorganisch "stapel- en continuvezelmateriaal" met de volgende eigenschappen:

1.

en "specifieke modulus" groter dan 2,5 × 106 m;

2.

een smelt-, verwekings-, en ontledings- of sublimatiepunt hoger dan 1 922 K (1 649 °C) in een inerte atmosfeer;

in 1C010.c zijn niet bedoeld:

a.

discontinue, meerfasige, polykristallijne aluminiumoxide-vezels als stapelvezels of als onregelmatig gelaagde matten, welke 3 of meer gewichtspercenten siliciumdioxide bevatten, met een"specifieke modulus"kleiner dan 10 × 106 m;

b.

vezels van molybdeen en molybdeenlegeringen;

c.

boorvezels;

d.

discontinue keramische vezels met een smelt-, verwekings-, ontledings- of sublimatiepunt lager dan 2 043 K (1 770 °C) in een inerte atmosfeer;

d.

"stapel- of continuvezelmateriaal" met één of meer van de onderstaande eigenschappen:

1.

samengesteld uit een of meer van de volgende materialen:

a.

polyetherimiden, als bedoeld in 1C008.a,

b.

materialen, als bedoeld in 1C008.b t.em. f,

2.

samengesteld uit andere materialen als bedoeld in 1C010.d.1.a, of 1C010d.1.b, en "vermengd" (‹commingled›) met andere vezels als bedoeld in 1C010.a, 1C010.b of 1C010.c;

e.

met hars of asfaltbitumen geïmpregneerde vezels (‹prepregs›), met metaal of koolstof beklede vezels (‹preforms›) of "halffabricaten (‹preforms›) voor koolstofvezels", als hieronder:

1.

gemaakt van "stapel- of continuvezelmateriaal" als bedoeld in 1C010.a, 1C010.b of 1C010.c;

2.

gemaakt van organisch "stapel- of continuvezelmateriaal" of "stapel- of continu vezelmateriaal" van koolstof met alle onderstaande eigenschappen:

a.

een "specifieke treksterkte" groter dan 17,7 × 104 m,

b.

een "specifieke modulus" groter dan 10,15 × 106 m,

c.

niet nader omschreven in 1C010.a of 1C010.b,

d.

wanneer geïmpregneerd met materialen bedoeld in 1C008 of 1C009.b met een ‧glastemperatuur (Tg)‧ hoger dan 383 K (110 °C) of met fenol- of epoxy harsen met een ‧glastemperatuur (Tg)‧ hoger dan 418 K (145 °C).

1C010.e is niet van toepassing op

a.

met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-"stapel- of continuvezelmateriaal" (‹prepregs›) voor de reparatie van casco's of laminaten van "civiele vliegtuigen" als de afzonderlijke ‹prepreg›-vellen niet groter zijn dan 100 cm × 100 cm.

b.

prepregs›, geïmpregneerd met fenol- of epoxyharsen met eenglastemperatuur (Tg)van minder dan 433 K (160 °C) en een hardingstemperatuur die lager ligt dan deglastemperatuur‧.

Technische noot:

Deglastemperatuur (Tg)voor de onder 1C010.e. vallende materialen wordt bepaald met de droge methode, volgens de in ASTM D 3418 beschreven methode. Deglastemperatuur (Tg)voor fenol- en epoxyharsen wordt bepaald volgens de methode die is beschreven in ASTM D 4065 bij een frequentie van 1 Hz en een verwarmingssnelheid van 2 K (°C) per minuut, met toepassing van de droge methode.

1C011
Metalen en verbindingen, als hieronder:

N.B. ZIE OOK LIJST MILITAIRE GOEDEREN en 1C111

a.

Metalen met een deeltjesgrootte van minder dan 60 micrometer, hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdisch, in vlokkenvorm of gemalen, vervaardigd uit materiaal dat voor 99 % of meer bestaat uit zirkonium, magnesium en legeringen daarvan;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

De metalen of legeringen in 1C011.a vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

b.

Boor of boorcarbide met een zuiverheidsgraad van minstens 85 % en een deeltjesgrootte van hoogstens 60 micrometer;

De metalen of legeringen in 1C011.b vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

c.

Guanidinenitraat;

d.

Nitroguanidine (NQ) (CAS 556-88-7).

1C012
Materialen, als hieronder:

Technische noot:

Deze materialen worden doorgaans voor nucleaire warmtebronnen gebruikt.

a.

plutonium in iedere vorm met een plutonium-isotoopgehalte aan plutonium-238 van meer dan 50 gewichtsprocent;

1C012.a is niet van toepassing op:

a.

zendingen die hoogstens 1 % plutonium bevatten;

b.

zendingen van hoogstens 3 "effectieve grammen" in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

b.

"door opwerking verkregen" neptunium-237 in iedere vorm.

1C012.b. is niet van toepassing op zendingen die hoogstens 1 gram neptunium-237 bevatten.

1C101
Materialen voor het beperken van de zichtbaarheid zoals de radarreflectie, het ultraviolet/infrarood of akoestische beeld, anders dan de materialen bedoeld in 1C001, geschikt voor gebruik in "raketten", subsystemen van raketten of onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in 9A012.

1C101 omvat:

a.

constructiematerialen en deklagen, speciaal ontworpen om de radarreflectie te beperken;

b.

deklagen, inclusief verven, speciaal ontworpen om de reflectie of de uitstraling in het microgolf-, infrarood- of ultravioletgebied te beperken of aan te passen.

1C101 omvat niet deklagen die speciaal bedoeld zijn om de thermische stabiliteit van satellieten te regelen.

Technische noot:

In 1C101 worden onder ‧raketten‧ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een last kunnen vervoeren over een afstand van ten minste 300 km.

1C102
Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstof-materialen bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1C107
Niet in 1C007 beschreven grafiet en keramische materialen, als hieronder:

a.

grafiet met een kleine korrelgrootte en met een volumedichtheid van ten minste 1,72 g/cm3 gemeten bij 288 K (15 °C), met een korrelgrootte van 100 µm of minder, geschikt voor raketstraalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen, dat gebruikt kan worden bij de productie van:

1.

Cilinders met een diameter van ten minste 120 mm en een lengte van ten minste 50 mm;

2.

Buizen met een binnendiameter van ten minste 65 mm, een wanddikte van ten minste 25 mm en een lengte van ten minste 50 mm;

3.

Blokken met een minimumomvang van 120 × 120 × 50 mm.

ZIE OOK 0C004

b.

pyrolytisch of vezelversterkt grafiet, geschikt voor "raket"straalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen voor gebruik in "raketten", ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

ZIE OOK 0C004

c.

keramische composieten (diëlektrische constante kleiner dan 6 bij een frequentie van 100 MHz tot 100 GHz), geschikt voor radarkoepels voor gebruik in "raketten", ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

d.

zgn. groene, bewerkbare, met siliciumcarbide versterkte keramiek, geschikt voor neuskegels voor gebruik in "raketten", ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

e.

composieten van met siliciumcarbide versterkte keramiek, geschikt voor neuskegels, terugkeervoertuigen en straalpijpen, bruikbaar voor "raketten", ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104.

1C111
Niet in 1C011 beschreven stuwstoffen en chemicaliën voor de vervaardiging van stuwstoffen, als hieronder:

a.

stoffen die stuwkracht leveren:

1.

bolvormig aluminiumpoeder, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, met deeltjes met een uniforme diameter kleiner dan 200 micrometer en een aluminiumgehalte van 97 gewichtspercenten of meer, indien ten minste 10 % van het totaalgewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 63 micrometer overeenkomstig ISO 2591:1988 of nationale equivalenten;

Technische noot:

Een deeltjesgrootte van 63 micrometer (ISO R-565) stemt overeen met maasgetal 250 (Tyler) of 230 (ASTM Standard E-11).

2.

metaalbrandstoffen, anders dan bedoeld in de Lijst van militaire goederen, met een deeltjesgrootte kleiner dan 60 micrometer, hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdisch, in vlokkenvorm of gemalen, welke 97 gewichtspercenten of meer van één van onderstaande stoffen bevatten:

a.

zirkonium;

b.

beryllium;

c.

magnesium,

d.

legeringen van de onder a tot en met c genoemde metalen;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

3.

oxidatoren geschikt voor raketmotoren voor vloeibare stuwstof, als hieronder:

a.

distikstoftrioxide (CAS 10544-73-7);

b.

stikstofdioxide (CAS 10102-44-0)/distikstoftetraoxide (CAS 10544-72-6);

c.

distikstofpentoxide (CAS 10102-03-1);

d.

mengsels van stikstofoxiden (mixed oxides of nitrogen, MON);

Technische noot:

Mengsels van stikstofoxiden (MON) zijn oplossingen van stikstofoxide (NO) in distikstoftetraoxide/stikstofdioxide (N2O4 /NO2) die in raketsystemen kunnen worden gebruikt. Er bestaan diverse verbindingen die als MONi of MONij kunnen worden aangeduid, waarbij i en j hele getallen zijn die het percentage stikstofoxide in het mengsel weergeven (zo bevat MON3 3 % stikstofoxide en MON25 25 %. Een bovengrens is MON40, d.w.z. 40 gewichtsprocent).

e.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR geïnhibeerd roodrokend salpeterzuur (Inhibited Red Fuming Nitric Acid, IRFNA);

f.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C238 VOOR verbindingen bestaande uit fluor en een of meer andere halogenen, zuurstof of stikstof;

4.

Hydrazinederivaten, als hieronder:

N.B.: ZIE OOK LIJST MILITAIRE GOEDEREN

a.

trimethylhydrazine (CAS 1741-01-1);

b.

tetramethylhydrazine (CAS 6415-12-9);

c.

N,N diallylhydrazine;

d.

allylhydrazine (CAS 7422-78-8);

e.

ethyleendihydrazine;

f.

monomethylhydrazinedinitraat;

g.

asymmetrisch dimethylhydrazinenitraat;

h.

hydraziniumazide (CAS 14546-44-2);

i.

dimethylhydraziniumazide;

j.

hydraziniumdinitraat;

k.

diimide oxaalzuurdihydrazine;

l.

2-hydroxyethylhydrazinenitraat (HEHN);

m.

Zie lijst militaire goederen voor hydraziniumperchloraat;

n.

hydraziniumdiperchloraat;

o.

methylhydrazinenitraat (MHN);

p.

diethylhydrazinenitraat (DEHN);

q.

3,6-dihydrazinetetrazinenitraat (1,4-dihydrazinenitraat) (DHTN);

b.

polymeren:

1.

polybutadieen met carboxy-eindgroep (met inbegrip van polybutadieen met carboxyl-eindgroep) (CTPB);

2.

polybutadieen met hydroxy-eindgroep (met inbegrip van polybutadieen met hydroxyl-eindgroep) (HTPB), anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen;

3.

polybutadieen-acrylzuur (PBAA);

4.

polybutadieen-acrylzuur-acrylonitril (PBAN);

5.

polytetrahydrofuraan polyethyleenglycol (TPEG);

Technische noot:

polytetrahydrofuraan polyethyleenglycol (TPEG) is een blokcopolymeer van poly 1,4-butaandiol en polyethyleenglycol (PEG).

c.

andere additieven en hulpstoffen voor stuwstoffen:

1.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR carboranen; decaboranen; pentaboranen en derivaten;

2.

triethyleenglycoldinitraat (TEGDN) (CAS 111-22-8);

3.

2-nitrodifenylamine (CAS 119-75-5);

4.

trimethylethaantrinitraat (TMETN) (CAS 3032-55-1);

5.

diethyleenglycoldinitraat (DEGDN) (CAS 693-21-0);

6.

ferroceenderivaten, als hieronder:

a.

zie lijst militaire goederen voor catoceen

b.

ethylferroceen (CAS 1273-89-8)

c.

propylferroceen

d.

zie lijst militaire goederen voor n-butylferroceen

e.

pentylferroceenferroceen (CAS 1274-00-6)

f.

dicyclopentylferroceen

g.

dicyclohexylferroceen

h.

diethylferroceen

i.

dipropylferroceen

j.

dibutylferroceen (CAS 1274-08-4)

k.

dihexylferroceen (CAS 93894-59-8)

l.

acetylferroceen

m.

zie lijst militaire goederen voor ferroceencarboxylzuren

n.

zie lijst militaire goederen voor butaceen

o.

andere ferroceenderivaten die kunnen worden gebruikt als verbrandingssnelheidsmodificatoren voor raketstuwstoffen, die niet onder de lijst militaire goederen vallen.

7.

andere 4,5 diazidomethyl-2-methyl-1,2,3-triazolo (iso-DAMTR) die niet onder de lijst militaire goederen valt.

Zie voor andere niet in 1C111 vermelde stuwstoffen en chemicaliën voor de vervaardiging van stuwstoffen de lijst militaire goederen.

1C116
Maragingstaal met een eindtreksterkte (UTS) van 1 500 MPa of meer bij 293 K (20 °C) in de vorm van plaat of buis met een wand- of plaatdikte van 5 mm of minder.

N.B.: ZIE OOK 1C216

Technische noot:

Maragingstaal is een ijzerlegering die gewoonlijk door een hoog nikkelgehalte, een zeer laag koolstofgehalte en het gebruik van vervangende elementen of precipitaten voor het versterken en tijdharden van de legering wordt gekenmerkt.

1C117
Wolfraam, molybdeen en legeringen daarvan in de vorm van uniform bolvormige of verstoven deeltjes met een diameter van 500 micrometer of minder en met een zuiverheid van 97 % of meer voor de productie van raketmotoronderdelen geschikt voor "raketten", ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104 (d. w. z. hitteschilden, straalpijpsubstraten, straalpijpkelen en regeloppervlakken voor de stuwstraal).

1C118
Duplex roestvast staal met titaanstabilisatie (Ti-DSS), met de volgende eigenschappen:

a.

met alle navolgende kenmerken:

1.

het bevat 17,0-23,0 gewichtspercenten chroom en 4,5-7,0 gewichtspercenten nikkel;

2.

het titaangehalte bedraagt meer dan 0,10 gewichtspercenten;

3.

een ferritisch-austenitische microstructuur (ook twee-fasenmicrostructuur genoemd) waarvan ten minste 10 volumepercenten austeniet (volgens ASTM E-1181-87 of nationale equivalenten);

b.

in een van de volgende vormen:

1.

walsblokken of staven die ten minste 100 mm groot zijn in elke richting;

2.

platen met een breedte van ten minste 600 mm en een dikte van 3 mm of minder;

3.

buizen met een buitendiameter van ten minste 600 mm en een wanddikte van 3 mm of minder.

1C202
Legeringen, anders dan bedoeld in 1C002.b.3 of 1C002.b.4, als hieronder:

a.

aluminiumlegeringen met beide volgende kenmerken:

1.

‧geschikt voor‧ een treksterkte van 460 MPa of meer bij 293 K (20 °C);

2.

buisvormig of massief cilindervormig (met inbegrip van smeedstukken) met een buitendiameter van meer dan 75 mm;

b.

titaanlegeringen met beide volgende kenmerken:

1.

‧geschikt voor‧ een treksterkte van 900 MPa of meer bij 293 K (20 °C);

2.

buisvormig of massief cilindervormig (met inbegrip van smeedstukken) met een buitendiameter van meer dan 75 mm.

Technische noot:

De zinsnede legeringen ‧geschikt voor‧ omvat legeringen zowel voor als na warmtebehandeling.

1C210
"Stapel- en continuvezelmateriaal" of ‹prepregs›, anders dan bedoeld in 1C010.a, 1C010.b of 1C010.e, als hieronder:

a.

"stapel- en continuvezelmateriaal" van koolstof of aramide met een van de volgende kenmerken:

1.

een "specifieke modulus" van 12,7 × 106 m of groter:

2.

een "specifieke treksterkte" van 235 × 103 m of meer;

1C210.a. is niet van toepassing op "stapel- en continuvezelmateriaal" van aramide dat ten minste 0,25 gewichtspercent bevat van een op een ester gebaseerde vezeloppervlakmodificator.

b.

"stapel- en continuvezelmateriaal" van glas met beide volgende kenmerken:

1.

een "specifieke modulus" van 3,18 × 106 m of meer:

2.

een "specifieke treksterkte" van 76,2 × 104 m of meer;

c.

thermogeharde met hars geïmpregneerde continu-"garens", -"‹rovings›", -"linten" of -"banden" met een breedte van 15 mm of minder (‹prepregs›), vervaardigd uit "stapel- en continuvezelmateriaal" van koolstof of glas als bedoeld in 1C210.a of 1C210.b.

Technische noot:

Het hars vormt de matrix van de composiet.

In 1C210 is "stapel- en continuvezelmateriaal" beperkt tot continue "monofilamenten""garens", "‹rovings›", "linten" of "banden".

1C216
Maragingstaal, anders dan bedoeld in 1C116, ‧geschikt voor‧ een treksterkte van 2 050 MPa of meer bij 293 K (20 °C).

1C216 is niet van toepassing op maragingstaal in een vorm waarin geen enkele lineaire maat groter is dan 75 mm.

Technische noot:

De zinsnede maragingstaal ‧geschikt voor‧ omvat maragingstaal zowel voor als na warmtebehandeling.

1C225
Boor, verrijkt in de boor-10-isotoop (10B) tot meer dan de natuurlijke abundantie, in de hiernavolgende vormen: elementair boor, boorverbindingen, boorhoudende mengsels, fabricaten daarvan, afval en schroot van deze stoffen.

De in 1C225 bedoelde boorhoudende mengsels omvatten met boor beladen materialen.

Technische noot:

De natuurlijke abundantie van boor-10 is ongeveer 18,5 gewichtspercenten (20 percent op atomaire basis).

1C226
Wolfraam, wolfraamcarbide en legeringen die meer dan 90 gewichtspercenten wolfraam bevatten, met beide volgende kenmerken:

a.

in vormen met holle cilindersymmetrie (daaronder mede begrepen cilindersegmenten) met een binnendiameter tussen 100 mm en 300 mm;

b.

met een massa groter dan 20 kg.

1C226 is niet van toepassing op fabricaten die speciaal ontworpen zijn als gewicht of collimator voor gammastralen.

1C227
Calcium met beide volgende kenmerken:

a.

bevat minder dan 1 000 gewichtsdelen per miljoen aan metallische verontreiniging anders dan magnesium;

b.

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen boor.

1C228
Magnesium met beide volgende kenmerken:

a.

bevat minder dan 200 gewichtsdelen per miljoen aan metallische verontreiniging anders dan calcium;

b.

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen boor.

1C229
Bismut met beide volgende kenmerken:

a.

een zuiverheid van 99,99 gewichtspercenten of meer;

b.

bevat minder dan 10 gewichtsdelen per miljoen zilver.

1C230
Beryllium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 50 gewichtspercenten beryllium bevatten, berylliumverbindingen, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen.

1C230 is niet van toepassing op:

a.

vensters voor röntgentoestellen of voor apparatuur voor metingen in boorgaten, van berylliummetaal;

b.

vormstukken van berylliumoxide als eindproduct of halffabricaat, speciaal ontworpen voor elektronische onderdelen of als substraat voor elektronische schakelingen;

c.

beril (beryllium-aluminiumsilicaat) in de vorm van smaragden of aquamarijnen.

1C231
Hafnium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 60 gewichtspercenten hafnium bevatten, verbindingen van hafnium die meer dan 60 gewichtspercenten hafnium bevatten, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen.

1C232
Helium-3 (3He), mengsels die helium-3 bevatten, en producten of toestellen die een van deze stoffen bevatten.

1C232 is niet van toepassing op een product of apparaat dat minder dan 1 g helium-3 bevat.

1C233
Lithium, verrijkt in de lithium-6-isotoop (6Li) tot meer dan de natuurlijke abundantie, of producten of toestellen die verrijkt lithium bevatten, als hierna: elementair lithium, legeringen, lithiumverbindingen, mengsels die lithium bevatten, fabricaten daarvan en afval of schroot van deze stoffen.

1C233 is niet van toepassing op thermoluminescentie-stralingsmeters.

Technische noot:

De natuurlijk abundantie van de lithium-6-isotoop is ongeveer 6,5 gewichtspercenten (7,5 % op atomaire basis).

1C234
Zirkonium met een hafniumgehalte van minder dan 1 gewichtsdeel hafnium op 500 gewichtsdelen zirkonium, als hierna: metaal, legeringen die meer dan 50 gewichtspercenten zirkonium bevatten, verbindingen, fabricaten daarvan, afval of schroot van deze stoffen.

1C234 is niet van toepassing op zirkonium in de vorm van folie met een dikte van 0,10 mm of minder.

1C235
Tritium, tritiumverbindingen en mengsels welke tritium bevatten, waarin de verhouding van het aantal tritiumatomen tot het aantal waterstofatomen groter is dan 1: 1 000, en producten of toestellen die een van voorgaande stoffen bevatten,

1C235 is niet van toepassing op een product of toestel dat minder dan 1,48 × 103 GBq (40 Ci) tritium in welke vorm dan ook bevat.

1C236
Alfastralers met een alfahalveringstijd van tien dagen of langer doch korter dan 200 jaar, in de volgende vormen:

a.

de elementaire vorm;

b.

verbindingen met een totale alfa-activiteit van 37 GBq/kg (1 Ci/kg) of hoger;

c.

mengsels met een totale alfa-activiteit van 37 GBq/kg (1 Ci/kg) of hoger;

d.

producten of toestellen die een van voorgaande stoffen bevatten.

1C236 is niet van toepassing op een product of toestel dat minder dan 3,7 GBq (100 millicurie) alfa-activiteit bevat.

1C237
Radium-226 (226Ra), radium-226-legeringen, radium-226-verbindingen, mengsels die radium-226 bevatten, fabricaten daarvan, en producten of toestellen die een van deze stoffen bevatten.

1C237 is niet van toepassing op:

a.

medische middelen;

b.

een product of toestel dat minder dan 0,37 GBq (10 millicurie) radium-226 bevat.

1C238
Chloortrifluoride (ClF3)

1C239
Brisante springstoffen, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, of stoffen of mengsels met een gehalte van meer dan 2 gewichtspercenten aan deze springstoffen, met een kristaldichtheid groter dan 1,8 g/cm3 en een detonatiesnelheid groter dan 8 000 m/s.

1C240
Nikkelpoeder en poreus nikkelmetaal, anders dan bedoeld in OC005, als hieronder:

a.

nikkelpoeder met beide volgende kenmerken:

1.

een nikkelgehalte van 99,0 gewichtspercenten of meer;

2.

een gemiddelde korrelgrootte kleiner dan 10 micrometer, gemeten volgens ASTM Standaard B330;

b.

poreus nikkelmetaal, gemaakt van materiaal, bedoeld in 1C240.a.

1C240 is niet van toepassing op:

a.

vezelvormige nikkelpoeders;

b.

enkelvoudige platen van poreus nikkel, met een oppervlakte per plaat van 1 000 cm2 of minder.

Technische noot:

1C240.b heeft betrekking op poreus metaal dat gevormd is door samenpersing en sintering van de materialen in 1C240.a, om een materiaal van metaal te vormen met fijne poriën die door de gehele structuur heen onderling verbonden zijn.

1C350
Chemische stoffen, geschikt voor het vervaardigen van toxische stoffen, als hieronder, en "chemische mengsels" die een of meer van deze stoffen bevatten:

N.B.: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C450.

1.

Thiodiglycol (111-48-8);

2.

Fosforoxychloride (10025-87-3);

3.

Dimethylmethylfosfonaat (756-79-6);

4.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR Methylfosfonyldifluoride (676-99-3);

5.

Methylfosfonyldichloride (676-97-1);

6.

Dimethylfosfiet (DMP) (868-85-9);

7.

Fosfortrichloride (7719-12-2);

8.

Trimethylfosfiet (TMP) (121-45-9);

9.

Thionylchloride (7719-09-7);

10.

3-Hydroxy-1-methylpiperidine (3554-74-3);

11.

2-Diisopropylaminoethylchloride (96-79-7);

12.

2-Diisopropylaminoethaanthiol (5842-07-9);

13.

Chinuclidine-3-ol (1619-34-7);

14.

Kaliumfluoride (7789-23-3);

15.

2-Chloorethanol (107-07-3);

16.

Dimethylamine (124-40-3);

17.

Diethylethylfosfonaat (78-38-6);

18.

Diethyl-N, N-dimethylfosforamidaat (2404-03-07);

19.

Diethylfosfiet (762-04-9);

20.

Dimethylamine hydrochloride (506-59-2);

21.

Dichloorethylfosfine (1498-40-4);

22.

Ethylfosfonyldichloride (1066-50-8);

23.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR Ethylfosfonyldifluoride (753-98-0);

24.

Waterstoffluoride (7664-39-3);

25.

Methylbenzilaat (76-89-1);

26.

Dichloormethylfosfine (676-83-5);

27.

2-Diisopropylaminoethanol (96-80-0);

28.

Pinacolylalcohol (464-07-3);

29.

ZIE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR O-Ethyl-2-diisopropylaminoethyl-methylfosfoniet (QL) (57856-11-8);

30.

Triethylfosfiet (122-52-1);

31.

Arseentrichloride (7784-34-1);

32.

Benzilzuur (76-93-7);

33.

Diethylmethylfosfoniet (15715-41-0);

34.

Dimethylethylfosfonaat (6163-75-3);

35.

Difluorethylfosfine (430-78-4);

36.

Difluormethylfosfine (753-59-3);

37.

Chinuclidine-3-on (3731-38-2);

38.

Fosforpentachloride (10026-13-8);

39.

Pinacolon (75-97-8);

40.

Kaliumcyanide (151-50-8);

41.

Kaliumbifluoride (7789-29-9);

42.

Ammoniumbifluoride (1341-49-7);

43.

Natriumfluoride (7681-49-4);

44.

Natriumbifluoride (1333-83-1);

45.

Natriumcyanide (143-33-9);

46.

Triethanolamine (102-71-6);

47.

Fosforpentasulfide (1314-80-3);

48.

Diisopropylamine (108-18-9);

49.

2-Diethylaminoethanol (100-37-8);

50.

Natriumsulfide (1313-82-2);

51.

Zwavelmonochloride (10025-67-9);

52.

Zwaveldichloride (10545-99-0);

53.

Triethanolamine hydrochloride (637-39-8);

54.

2-Chloorethyldiisopropyl-ammoniumchloride (4261-68-1);

55.

Methylfosfonzuur (993-13-5);

56.

Diethylethylfosfonaat (683-08-9);

57.

N,N-dymethylaminofosforyldichloride (677-43-0);

58.

Tri-isopropylfosfiet (116-17-6);

59.

Ethyldiethanolamine (139-87-7);

60.

O, O-diethylfosforothioaat (2465-65-8);

61.

O, O-diethylfosforodithioaat (298-06-6);

62.

Natriumhexafluorosilicaat (16893-85-9);

63.

Methylfosfonthiodichloride (676-98-2).

Voor uitvoer naar "Staten die geen partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens" worden in 1C350 niet bedoeld "chemische mengsels" die een of meer van de in de punten 1C350.1, .3, .5, .11, .12, .13, .17, .18, .21, .22, .26, .27, .28, .31, .32, .33, .34, .35, .36, .54, .55, .56, .57 en .63 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 10 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

Voor uitvoer naar "Staten die partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens" worden in 1C350 niet bedoeld "chemische mengsels" die een of meer van de in de punten 1C350.1, .3, .5, .11, .12, .13, .17, .18, .21, .22, .26, .27, .28, .31, .32, .33, .34, .35, .36, .54, .55, .56, .57 en .63 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

In 1C350 worden niet bedoeld "chemische mengsels" die een of meer van de in de punten 1C350.2, .6, .7, .8, .9, .10, .14, .15, .16, .19, .20, .24, .25, .30, .37, .38, .39, .40, .41, .42, .43, .44, .45, .46, .47, .48, .49, .50, .51, .52, .53, .58, .59, .60, .61 en .62 vermelde chemische stoffen bevatten en waarin geen van de afzonderlijk vermelde stoffen meer dan 30 gewichtspercent van het mengsel vertegenwoordigt.

In 1C350 worden niet bedoeld producten waarvan is vastgesteld dat het gaat om verpakte consumptiegoederen voor de detailhandelsverkoop voor persoonlijk gebruik of verpakte consumptiegoederen voor individueel gebruik.

1C351
Humane pathogenen, zoönosen en "toxinen", als hieronder:

a.

virussen, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van "geïsoleerde levende culturen" of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Chikungunyavirus;

2.

Haemorragische-Krim-Kongokoortsvirus (CCHF-virus);

3.

Denguevirus;

4.

Eastern equine encefalitisvirus;

5.

Ebolavirus;

6.

Hantaanvirus;

7.

Juninvirus;

8.

Lassavirus;

9.

Lymfocytaire-choriomeningitisvirus;

10.

Machupovirus;

11.

Marburgvirus;

12.

Apenpokkenvirus;

13.

Rift Valleyvirus;

14.

Tekenencephalitisvirus (RSSE-virus);

15.

Variolavirus;

16.

Venezuelan equine encefalitisvirus;

17.

Western equine encefalitisvirus;

18.

Witte-pokkenvirus;

19.

Gele-koortsvirus;

20.

Japanse-encefalitisvirus;

21.

Kyasanur Forest-virus;

22.

Louping ill-virus;

23.

Murray Valley-encefalitisvirus;

24.

Omsk hemorragische-koortsvirus;

25.

Oropouche-virus;

26.

Powassan-virus;

27.

Rocio-virus;

28.

Saint-Louis-encefalitisvirus;

29.

Hendra-virus (Equine-morbillivirus);

30.

Zuid-Amerikaanse hemorragische koorts (Sabia, Flexal, Guanarito);

31.

Virussen die een hemorragische koorts met pulmonair en renaal syndroom veroorzaken (Seoul, Dobrava, Puumala, Sin Nombre);

32.

Nipah-virus;

b.

rickettsiën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van "geïsoleerde levende culturen" of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Coxiella burnetii;

2.

Bartonella quintana (Rochalimaea quintana, Rickettsia quintana);

3.

Rickettsia prowasecki;

4.

Rickettsia rickettsii;

c.

bacteriën, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van geïsoleerde levende culturen of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet, als hieronder:

1.

Bacillus anthracis;

2.

Brucella abortus;

3.

Brucella melitensis;

4.

Brucella suis;

5.

Chlamydia psittaci;

6.

Chlostridium botulinum;

7.

Francisella tularensis;

8.

Burkholderia mallei (Pseudomonas mallei);

9.

Burkholderia pseudomallei (Pseudomonas pseudomallei);

10.

Salmonella typhi;

11.

Shigella dysenteriae;

12.

Vibrio cholerae;

13.

Yersinia pestis;

14.

Clostridium perfringens epsilontoxine-producerende types;

15.

Enterohemorragische Escherichia coli serotype O157 en andere verotoxine-producerende serotypes.

d.

"toxinen", als hieronder, alsmede "sub-eenheden van toxinen" daarvan:

1.

Botulinum toxinen;

2.

Clostridium perfringens toxinen;

3.

Conotoxine;

4.

Ricine;

5.

Saxitoxine;

6.

Shigatoxine;

7.

Staphylococcus aureus toxinen;

8.

Tetrodotoxine;

9.

Verotoxine en shiga-achtige ribosoominactiverende proteïnen;

10.

Microcystine (Cyanginosine);

11.

Aflatoxinen;

12.

Abrine;

13.

Choleratoxine;

14.

Diacetoxyscirpenol;

15.

T-2-toxine;

16.

HT-2-toxine;

17.

Modeccine;

18.

Volkensine;