Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32009D0406

Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen

OJ L 140, 5.6.2009, p. 136–148 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 017 P. 126 - 138

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2009/406/oj

5.6.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/136


BESCHIKKING Nr. 406/2009/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 23 april 2009

inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De uiteindelijke doelstelling van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (UNFCCC), dat namens de Europese Gemeenschap werd goedgekeurd bij Besluit 94/69/EG van de Raad (3), is de concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op een niveau te stabiliseren waarbij gevaarlijke, door de mens teweeggebrachte effecten op het klimaatsysteem worden voorkomen.

(2)

Naar de mening van de Gemeenschap, recentelijk tot uitdrukking gebracht door met name de Europese Raad van maart 2007, zou de gemiddelde temperatuur aan het aardoppervlak, om deze doelstelling te halen, wereldwijd niet meer dan 2 °C boven de pre-industriële niveaus mogen uitstijgen, wat erop neerkomt dat de broeikasgasemissies tegen 2050 ten minste tot 50 % onder het niveau van 1990 verminderd zouden moeten zijn. De onder deze beschikking vallende broeikasgasemissies in de Gemeenschap dienen ook na 2020 te blijven dalen als onderdeel van de inspanningen van de Gemeenschap om een bijdrage te leveren aan deze mondiale emissiereductiedoelstelling. De ontwikkelde landen, waaronder de lidstaten van de Europese Unie, moeten de leiding blijven nemen door zich ertoe te verbinden hun broeikasgasemissies tegen 2020 collectief met 30 % te verminderen ten opzichte van 1990. Zij moeten dat ook doen om tegen 2050 hun broeikasgasemissies collectief te verminderen met 60 à 80 % ten opzichte van 1990. Alle sectoren van de economie, met inbegrip van de internationale zeescheep- en luchtvaart, moeten ertoe bijdragen deze emissiereducties te bereiken. De luchtvaart draagt bij tot deze verminderingen doordat deze sector in de Gemeenschapsregeling voor de handel in broeikasgasemissierechten (hierna: „Gemeenschapsregeling”) is opgenomen. Indien er uiterlijk op 31 december 2011 via de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) geen internationale overeenkomst waarin de emissies van de internationale zeescheepvaart in de reductiestreefcijfers worden opgenomen, door de lidstaten is goedgekeurd en/of een dergelijke via het UNFCCC tot stand gekomen overeenkomst niet door de Gemeenschap is goedgekeurd, dient de Commissie een voorstel te doen inzake de opname van de emissies van de internationale zeescheepvaart in de reductieverplichting van de Gemeenschap, zulks met het oog op de inwerkingtreding van het voorgestelde besluit uiterlijk in 2013. Een dergelijk voorstel dient eventuele negatieve gevolgen voor de concurrentiepositie van de Gemeenschap, rekening houdend met de potentiële milieuvoordelen, tot een minimum te beperken.

(3)

Om deze doelstelling te bereiken, heeft de Europese Raad verder tijdens zijn vergadering van maart 2007 een communautaire doelstelling van 30 % reductie van broeikasgasemissies tegen 2020 ten opzichte van het niveau van 1990 goedgekeurd als bijdrage tot een globale en veelomvattende overeenkomst voor de periode na 2012, op voorwaarde dat andere ontwikkelde landen zich tot vergelijkbare emissiereducties verbinden en dat economisch meer ontwikkelde ontwikkelingslanden zich ertoe verbinden een adequate bijdrage te leveren die in verhouding staat tot hun verantwoordelijkheden en capaciteiten.

(4)

De Europese Raad van maart 2007 heeft benadrukt dat de Gemeenschap zich ervoor inzet Europa om te vormen tot een in hoge mate energiezuinige en weinig broeikasgassen uitstotende economie, en heeft besloten dat de Europese Unie, totdat een globale en veelomvattende overeenkomst voor de periode na 2012 is gesloten, en zonder afbreuk te doen aan haar positie bij internationale onderhandelingen, zich er geheel zelfstandig toe verbindt om tegen 2020 ten minste 20 % minder broeikasgassen uit te stoten dan in 1990.

(5)

Verbeteringen van de energie-efficiëntie vormen voor de lidstaten een essentieel onderdeel om aan de in deze beschikking gestelde eisen te kunnen voldoen. In dit verband moet de Commissie de vooruitgang in de richting van de nagestreefde vermindering van het energieverbruik met 20 % in 2020 van nabij volgen en aanvullende maatregelen voorstellen als er onvoldoende vooruitgang wordt geboekt.

(6)

Richtlijn 2003/87/EG (4) stelt een regeling vast voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap, die bepaalde sectoren in de economie bestrijkt. Om tegen 2020 de doelstelling van een vermindering met 20 % van de emissie van broeikasgassen ten opzichte van het niveau van 1990 op kosteneffectieve wijze te halen, moeten alle sectoren van de economie aan de emissiereductie bijdragen. De lidstaten moeten derhalve aanvullende beleidsinitiatieven en maatregelen invoeren om te trachten de emissie van broeikasgassen door bronnen die niet onder Richtlijn 2003/87/EG vallen, verder terug te dringen.

(7)

De door elke lidstaat te leveren inspanning moet worden vastgesteld in verhouding tot de hoeveelheid broeikasgasemissies in 2005 die onder deze beschikking valt, na uitsluiting van de emissies van installaties die in 2005 bestonden, maar in de periode van 2006 tot en met 2012 onder de Gemeenschapsregeling zijn gebracht. De jaarlijkse emissieruimte voor de periode van 2013 tot en met 2020, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent, dienen op basis van herziene en geverifieerde gegevens te worden vastgesteld.

(8)

De reductie-inspanningen van de lidstaten moeten gebaseerd zijn op het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten en de noodzaak van duurzame economische groei in de hele Gemeenschap, rekening houdend met het relatieve bbp per hoofd van de bevolking van de lidstaten. De lidstaten die op dit moment een relatief laag bbp per hoofd van de bevolking hebben en dus hoge groeiverwachtingen ten aanzien van hun bbp, moet worden toegestaan ten opzichte van 2005 meer broeikasgassen uit te stoten, maar zij moeten de toename van broeikasgasemissies wel beperken om bij te dragen aan de eenzijdige verbintenis van de Gemeenschap om de emissies terug te dringen. De lidstaten die momenteel een relatief hoog bbp per hoofd van de bevolking hebben, moeten hun broeikasgasemissies ten opzichte van 2005 verminderen.

(9)

Om verder te zorgen voor een eerlijke verdeling tussen de lidstaten van de inspanningen om een bijdrage te leveren aan de uitvoering van de eenzijdige verbintenis van de Gemeenschap om de emissies terug te dringen, mag geen enkele lidstaat worden verplicht zijn broeikasgasemissies tegen 2020 tot meer dan 20 % onder het niveau van 2005 te verminderen noch worden toegestaan zijn broeikasgasemissies in 2020 tot meer dan 20 % boven het niveau van 2005 te verhogen. De broeikasgasemissiereducties moeten plaatsvinden tussen 2013 en 2020. Het moet elke lidstaat worden toegestaan een hoeveelheid tot 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte van het volgende jaar eerder te gebruiken. Het moet een lidstaat waarvan de emissies lager waren dan die jaarlijkse emissieruimte, worden toegestaan zijn extra tot stand gebrachte emissiereducties naar de volgende jaren over te dragen.

(10)

Om de verschillen in emissiereductiekosten voor de lidstaten gelijk te trekken, meer geografische flexibiliteit mogelijk te maken en om tegelijk de algemene kosteneffectiviteit van de totale verbintenissen van de Gemeenschap te verhogen, moeten de lidstaten een deel van hun jaarlijkse broeikasgasemissieruimte aan andere lidstaten kunnen overdragen. De transparantie van dergelijke overdrachten moet worden gewaarborgd door middel van kennisgeving aan de Commissie en registratie van elke overdracht in de registers van beide betrokken lidstaten. Dergelijke overdrachten kunnen worden uitgevoerd op een voor beide partijen aanvaardbare wijze, onder meer door middel van een veiling, de inschakeling van tussenpersonen die als agent optreden of op basis van een bilaterale overeenkomst.

(11)

Er moet in de Unie een significante broeikasgasemissiereductie worden bereikt. Het gebruik van kredieten uit projectactiviteiten dient zodanig te worden beperkt dat het een aanvulling op binnenlandse maatregelen is. De Unie blijft zich inzetten voor permanente verbetering van het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en zal via de geëigende internationale processen streven naar verbeteringen. Het is van belang dat kredieten uit projectactiviteiten die de lidstaten gebruiken, reële, verifieerbare, aanvullende en permanente emissiereducties vertegenwoordigen met duidelijke voordelen op het terrein van duurzame ontwikkeling en zonder significante negatieve gevolgen op milieu- of maatschappelijk terrein. De lidstaten moeten ook verslag uitbrengen over de kwalitatieve criteria die zij toepassen met het oog op het gebruik van dergelijke kredieten.

(12)

Om de lidstaten de nodige flexibiliteit te geven bij de uitvoering van hun verbintenissen, om de duurzame ontwikkeling in derde landen, met name ontwikkelingslanden, te bevorderen, en om investeerders zekerheid te bieden, moet de Gemeenschap een bepaalde hoeveelheid kredieten die zijn behaald uit broeikasgasemissiereductieprojecten in derde landen blijven erkennen, voordat overeenstemming is bereikt over een nieuwe internationale overeenkomst inzake klimaatverandering (hierna de „internationale overeenkomst inzake klimaatverandering” genoemd). De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun beleid op het gebied van de aankoop van dergelijke kredieten de eerlijke geografische distributie van projecten verbetert, met name door een verhoging van het aandeel gecertificeerde emissiereducties (CER’s) die worden aangekocht van de minst ontwikkelde landen (MOL’s) en kleine insulaire ontwikkelingsstaten (KIO’s), en de totstandbrenging van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering vergemakkelijkt.

(13)

De lidstaten moeten derhalve gebruik kunnen maken van broeikasgasemissiereductiekredieten voor verminderingen die worden behaald in de periode van 2008 tot en met 2012 en die voortkomen uit soorten projecten die in die periode gebruikt konden worden in de Gemeenschapsregeling. De lidstaten moeten ook gebruik kunnen maken van broeikasgasemissiereductiekredieten voor verminderingen die na de periode van 2008 tot en met 2012 worden behaald maar die voortkomen uit projecten die in de periode van 2008 tot en met 2012 zijn geregistreerd en die voortkomen uit de soorten projecten die in die periode gebruikt konden worden in de Gemeenschapsregeling.

(14)

In de MOL’s zijn maar zeer weinig CDM-projecten uitgevoerd. Aangezien de Gemeenschap de eerlijke verdeling van CDM-projecten steunt, onder meer door het wereldwijde bondgenootschap tegen klimaatverandering van de Commissie zoals vastgelegd in de mededeling van de Commissie van 18 september 2007 getiteld „Naar een wereldwijd bondgenootschap tegen klimaatverandering tussen de Europese Unie en de arme ontwikkelingslanden die het ergst door de klimaatverandering worden getroffen” is het passend om, ten aanzien van soorten projecten die in de periode van 2008 tot en met 2012 gebruikt konden worden in de Gemeenschapsregeling, ook zekerheid te verschaffen over de aanvaarding van kredieten van projecten die na de periode van 2008 tot en met 2012 in de MOL’s van start gaan. Tot 2020 of, als dat eerder is, totdat een desbetreffende overeenkomst is gesloten met de Gemeenschap, moeten deze kredieten worden aanvaard.

(15)

Om de flexibiliteit voor de lidstaten nog te vergroten en om de duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden te bevorderen, moeten de lidstaten gebruik kunnen maken van extra kredieten uit projecten uit hoofde van overeenkomsten die door de Gemeenschap worden gesloten met derde landen. Zonder een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering waarbij de toegewezen hoeveelheid voor ontwikkelde landen wordt vastgesteld, kunnen de projecten in het kader van de gemeenschappelijke uitvoering (JI-projecten) na 2012 niet worden voortgezet. Broeikasgasemissiereductiekredieten die uit dergelijke projecten voortkomen, moeten echter blijvend worden erkend door middel van overeenkomsten met derde landen.

(16)

Het is van belang dat de lidstaten de CDM-kredieten kunnen blijven gebruiken, zodat er na 2012 een markt voor die kredieten blijft bestaan. Om ervoor te zorgen dat er een dergelijke markt blijft bestaan en dat er meer emissiereducties in de Gemeenschap zelf plaatsvinden, waardoor de uitvoering van de doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie, energiezekerheid, innovatie en concurrentievermogen wordt bevorderd, wordt voorgesteld het jaarlijkse gebruik door de lidstaten van kredieten die voortvloeien uit broeikasgasemissiereductieprojecten in derde landen, toe te staan tot een hoeveelheid die 3 % vertegenwoordigt van de emissies van elke lidstaat die in 2005 niet onder Richtlijn 2003/87/EG vielen, of in andere lidstaten, totdat er overeenstemming is bereikt over een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering. Het moet de lidstaten worden toegestaan het ongebruikte deel van deze hoeveelheid over te dragen aan andere lidstaten. Bepaalde lidstaten met een negatieve doelstelling of met een positieve doelstelling van ten hoogste 5 % als vermeld in deze beschikking, moeten naast de bovengenoemde kredieten de mogelijkheid krijgen jaarlijks extra kredieten te gebruiken ter grootte van 1 % van hun geverifieerde emissies in 2005 uit projecten in MOL’s of KIO’s mits ze aan een van de vier in deze beschikking genoemde voorwaarden voldoen.

(17)

Deze beschikking moet strengere nationale doelstellingen onverlet laten. Wanneer lidstaten hun onder deze beschikking vallende broeikasgasemissies sterker verminderen dan waartoe zij op grond van deze beschikking verplicht zijn, teneinde een strengere doelstelling te verwezenlijken, moet de beperking waarin deze beschikking voorziet voor het gebruik van broeikasgasemissiereductiekredieten, niet gelden voor de bijkomende emissiereductie om de nationale doelstelling te halen.

(18)

Om het halen van nationale doelstellingen kostenefficiënter te maken, vooral voor lidstaten met ambitieuze doelstellingen, kunnen de lidstaten gebruikmaken van kredieten die voortvloeien uit projecten op communautair niveau, als omschreven in artikel 24 bis van Richtlijn 2003/87/EG.

(19)

Zodra overeenstemming is bereikt over een overeenkomst inzake klimaatverandering, mogen de lidstaten alleen emissiereductiekredieten aanvaarden van landen die die overeenkomst hebben geratificeerd en als er sprake is van een gemeenschappelijke aanpak.

(20)

Het feit dat in sommige bepalingen van deze beschikking naar de goedkeuring van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering door de Gemeenschap wordt verwezen, laat onverlet dat ook de lidstaten die overeenkomst sluiten.

(21)

Zodra een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering voor de periode na 2012 is goedgekeurd, dragen de Gemeenschap en de lidstaten overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst bij in de kosten van meetbare, rapporteerbare, verifieerbare en op elke staat toegesneden maatregelen van broeikasgasemissiereductie in ontwikkelingslanden die de overeenkomst geratificeerd hebben, overeenkomstig de doelstelling om de gemiddelde jaartemperatuur aan het aardoppervlak wereldwijd niet meer dan 2 °C boven de pre-industriële niveaus te laten stijgen.

(22)

Zodra een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering voor de periode na 2012 is goedgekeurd, dienen de Gemeenschap en haar lidstaten overeenkomstig de bepalingen van die overeenkomst bij te dragen in de kosten van bijstand aan ontwikkelingslanden die de overeenkomst hebben geratificeerd, met name gemeenschappen en landen die het meest te duchten hebben van klimaatverandering, om deze te helpen bij hun beleid van aanpassing en risicovermindering.

(23)

Ingeval uiterlijk op 31 december 2010 geen internationale overeenkomst inzake klimaatverandering door de Gemeenschap is goedgekeurd, dient de Commissie een voorstel te doen voor het opnemen van emissies en verwijdering van broeikasgassen in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de reductieverplichting van de Gemeenschap, in overeenstemming met geharmoniseerde modaliteiten, waarbij wordt voortgebouwd op werk in UNFCCC-verband en wordt gezorgd voor het permanente karakter en de milieu-integriteit van de bijdrage van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw alsmede voor een nauwkeurige monitoring en boekhouding, met het oog op inwerkingtreding ervan vanaf 2013. De Commissie dient na te gaan of de verdeling van de inspanningen over de afzonderlijke lidstaten dienovereenkomstig moet worden aangepast.

(24)

De voortgang bij de uitvoering van de verbintenissen in het kader van deze beschikking moet jaarlijks worden beoordeeld op basis van verslagen die worden ingediend in het kader van Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto (5). Om de twee jaar moeten de geraamde vorderingen worden beoordeeld en in 2016 moet een volledige evaluatie worden opgesteld over de tenuitvoerlegging van deze beschikking.

(25)

Aanpassingen van het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG moeten gepaard gaan met een dienovereenkomstige aanpassing van de broeikasgasemissieplafonds die onder deze beschikking vallen.

(26)

Zodra de Gemeenschap een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering goedkeurt, moeten de emissieplafonds voor de lidstaten worden aangepast om de verbintenis van de Gemeenschap op het gebied van broeikasgasemissiereductie te bereiken die in die overeenkomst wordt vastgesteld, rekening houdend met het beginsel van solidariteit tussen de lidstaten en de noodzaak van duurzame economische groei in de hele Gemeenschap. De hoeveelheid kredieten uit broeikasgasemissiereductieprojecten in derde landen die elke lidstaat mag gebruiken, moet worden verhoogd met ten hoogste 50 % van de extra reductie-inspanning uit hoofde van deze beschikking.

(27)

De bij Beschikking nr. 280/2004/EG ingestelde registers en de bij Richtlijn 2003/87/EG ingestelde centrale administrateur moeten worden gebruikt om te zorgen voor een accurate verwerking en registratie van alle transacties ten behoeve van de uitvoering van deze beschikking.

(28)

Aangezien de reductieverbintenis van de Gemeenschap niet alleen opdrachten voor de centrale regering van de lidstaten inhoudt maar ook voor hun plaatselijke en regionale overheden en andere instanties en diensten die de plaatselijke en regionale belangen behartigen, moeten de lidstaten zorgen voor samenwerking tussen hun centrale en plaatselijke overheden op verschillende niveaus.

(29)

Naast de verschillende lidstaten, de centrale regeringen en plaatselijke en regionale organisaties en instanties dienen ook de marktdeelnemers — samen met de huishoudens en individuele verbruikers — te worden betrokken bij de uitvoering van de reductieverbintenis van de Gemeenschap, ongeacht de omvang van de uitstoot aan broeikasgassen die hun toe te schrijven is.

(30)

De lidstaten moeten zorgen voor financiering van nieuwe en vernieuwende technieken om het bedrijfsleven in staat te stellen nieuwe werkgelegenheid te creëren, en tegelijk het concurrentievermogen te verbeteren en de doelstellingen van de Lissabonstrategie te helpen verwezenlijken.

(31)

Aangezien een toename van de opwekking van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen een bijzonder belangrijk middel is om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, streven de lidstaten hiernaar in het kader van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen (6).

(32)

De voor de uitvoering van deze beschikking vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (7).

(33)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven de jaarlijkse emissieruimte in termen van ton kooldioxide-equivalent voor de periode van 2013 tot en met 2020 vast te stellen, richtsnoeren te formuleren ter bevordering van de overdracht tussen lidstaten van gedeelten van hun emissieruimte en van de transparantie van deze overdrachten, en maatregelen te nemen voor de uitvoering van de bepalingen inzake de registers en de centrale administrateur. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft die beogen de niet-essentiële elementen van deze beschikking te wijzigen door haar aan te vullen met nieuwe niet-essentiële elementen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

(34)

Aangezien de doelstellingen van deze beschikking niet voldoende door de lidstaten afzonderlijk kunnen worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze beschikking niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze beschikking wordt de minimumbijdrage vastgesteld die de lidstaten moeten leveren aan de verbintenis van de Gemeenschap voor de periode van 2013 tot en met 2020 om verminderingen te realiseren van de onder deze beschikking vallende broeikasgasemissies, en worden regels vastgesteld voor het leveren van die bijdragen en voor de evaluatie daarvan.

In deze beschikking worden tevens bepalingen vastgesteld voor de beoordeling en uitvoering van een strengere reductieverbintenis van de Gemeenschap van meer dan 20 %, die moet gelden na de goedkeuring door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die tot grotere emissiereducties leidt dan op grond van artikel 3 vereist is, zoals weerspiegeld in de verbintenis tot reductie met 30 % die de Europese Raad van maart 2007 heeft onderschreven.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze beschikking gelden de volgende definities:

1)

„broeikasgasemissies”: de uitstoot van kooldioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofoxide of lachgas (N2O), fluorkoolwaterstoffen (HFK’s), perfluorkoolstoffen (PFK’s) en zwavelhexafluoride (SF6) uit de in bijlage I vermelde categorieën, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent zoals bepaald in Beschikking nr. 280/2004/EG, met uitzondering van de onder Richtlijn 2003/87/EG vallende broeikasgasemissies;

2)

„jaarlijkse emissieruimte”: de per jaar maximaal toegestane broeikasgasemissies in de jaren 2013 tot en met 2020, zoals omschreven in artikel 3, lid 2.

Artikel 3

Emissieniveaus voor de periode van 2013 tot en met 2020

1.   Iedere lidstaat beperkt tegen 2020 zijn broeikasgasemissies ten minste met het percentage dat voor die lidstaat in bijlage II bij deze beschikking is vastgesteld ten opzichte van de emissies van die lidstaat in 2005.

2.   Met inachtneming van de leden 3, 4 en 5 van dit artikel en artikel 5, moet elke lidstaat met een negatieve doelstelling volgens bijlage II ervoor zorgen, onder meer door gebruikmaking van de in deze beschikking genoemde flexibele instrumenten, dat zijn broeikasgasemissies in 2013 niet meer bedragen dan zijn gemiddelde jaarlijkse broeikasgasemissie gedurende de jaren 2008, 2009 en 2010, zoals gerapporteerd en gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Beschikking nr. 280/2004/EG.

Met inachtneming van de leden 3, 4 en 5 van dit artikel en artikel 5, moet elke lidstaat met een positieve doelstelling volgens bijlage II ervoor zorgen, onder meer door gebruikmaking van de in deze beschikking genoemde flexibele instrumenten, dat zijn broeikasgasemissies in 2013 niet meer bedragen dan het niveau bepaald door een lineair traject, beginnend in 2009 met zijn gemiddelde jaarlijkse broeikasgasemissie gedurende 2008, 2009 en 2010, zoals gerapporteerd en gecontroleerd overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG en Beschikking nr. 280/2004/EG, en eindigend in 2020 op de doelstelling voor die lidstaat, zoals vermeld in bijlage II.

Met inachtneming van de leden 3, 4 en 5 van dit artikel en artikel 5, moet elke lidstaat zijn broeikasgasemissies jaarlijks op een lineaire wijze beperken om ervoor te zorgen, onder meer door gebruikmaking van de in deze beschikking genoemde flexibele instrumenten, dat zijn emissies zijn plafond in 2020, zoals aangegeven in bijlage II, niet overschrijden.

Wanneer de relevante herziene en geverifieerde emissiegegevens beschikbaar zijn, worden binnen zes maanden maatregelen goedgekeurd ter bepaling van de jaarlijkse emissieruimte voor de periode van 2013 tot en met 2020, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze beschikking te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

3.   Gedurende de periode van 2013 tot en met 2019 mag een lidstaat een hoeveelheid van maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte van het volgende jaar eerder gebruiken. Indien de broeikasgasuitstoot van een lidstaat lager is dan zijn jaarlijkse emissieruimte, rekening houdend met het gebruik van de flexibele instrumenten overeenkomstig dit lid en de leden 4 en 5, mag hij het ongebruikte deel van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar, overdragen naar de volgende jaren tot 2020.

Een lidstaat kan voor 2013 en 2014 verzoeken om een hoger aandeel dan 5 % voor gebruik in het voorafgaande jaar, in geval van extreme weersomstandigheden die in de betrokken jaren tot aanzienlijk grotere broeikasgasemissies hebben geleid dan in jaren met normale weersomstandigheden. Daartoe dient de lidstaat bij de Commissie een rapport in waarin dit verzoek wordt gestaafd. De Commissie besluit binnen drie maanden of het verzoek wordt ingewilligd.

4.   Een lidstaat mag maximaal 5 % van zijn jaarlijkse emissieruimte voor een bepaald jaar overdragen aan andere lidstaten. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel voor het betrokken jaar of latere jaren tot 2020 na te komen. Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als die lidstaat op het tijdstip van de overdracht niet aan de bepalingen van deze beschikking voldoet.

5.   Wanneer de broeikasgasemissies van een lidstaat in een jaar lager zijn dan de voor dat jaar aan de lidstaat toegekende emissieruimte, mag deze lidstaat het ongebruikte deel van zijn emissieruimte, rekening houdend met het gebruik van de flexibele instrumenten overeenkomstig de leden 3 en 4, aan andere lidstaten overdragen. De ontvangende lidstaat mag deze hoeveelheid gebruiken om zijn verplichtingen uit hoofde van dit artikel voor hetzelfde jaar of latere jaren tot 2020 na te komen. Een lidstaat mag geen deel van zijn jaarlijkse emissieruimte overdragen als hij op het tijdstip van de overdracht niet aan de bepalingen van deze beschikking voldoet.

6.   Om de in de leden 4 en 5 bedoelde overdrachten te vergemakkelijken en transparanter te maken, worden maatregelen goedgekeurd waarin de modaliteiten voor die overdrachten worden geregeld.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze beschikking te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 4

Energie-efficiëntie

1.   De Commissie evalueert uiterlijk in 2012 de vooruitgang van de Gemeenschap en haar lidstaten ten aanzien van de nagestreefde vermindering van het energieverbruik met 20 % tegen 2020, afgezet tegen de ramingen voor 2020, zoals vermeld in het in de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2006 uiteengezette Actieplan voor energie-efficiëntie, en brengt hierover verslag uit.

2.   Indien nodig, vooral om de lidstaten te ondersteunen bij hun bijdrage aan het nakomen van de broeikasgasemissiereductieverplichtingen van de Gemeenschap, stelt de Commissie uiterlijk op 31 december 2012 aangescherpte of nieuwe maatregelen voor om de energie-efficiëntie sneller te verbeteren.

Artikel 5

Gebruik van kredieten uit projectactiviteiten

1.   De lidstaten mogen de volgende broeikasgasreductiekredieten gebruiken om hun verplichtingen op grond van artikel 3 na te komen:

a)

gecertificeerde emissiereducties („Certified Emission Reductions”, CER’s) en emissiereductie-eenheden („Emission Reduction Units”, ERU’s), zoals vermeld in Richtlijn 2003/87/EG, die worden afgegeven voor emissiereducties tot en met 31 december 2012 en die gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling;

b)

CER’s en ERU’s die worden afgegeven voor emissiereducties met ingang van 1 januari 2013 uit projecten die voor 2013 geregistreerd waren en gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling;

c)

CER’s die worden afgegeven voor emissiereducties die zijn behaald uit in de MOL’s uitgevoerde projecten en die gedurende de periode van 2008 tot en met 2012 in aanmerking kwamen voor gebruik in de Gemeenschapsregeling, totdat die landen een desbetreffende overeenkomst met de Gemeenschap hebben geratificeerd, of tot 2020, als dat eerder is;

d)

tijdelijke CER’s (tCER’s) of langetermijn-CER’s (lCER’s) afkomstig uit bebossings- en herbebossingsprojecten op voorwaarde dat, indien een lidstaat die tCER’s of lCER’s heeft gebruikt om te voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van Beschikking 2002/358/EG van de Raad (8) voor de periode van 2008 tot en met 2012, de lidstaat zich verplicht tot voortgaande vervanging van die kredieten door tCER’s, lCER’s of andere in het kader van het Protocol van Kyoto geldige eenheden, voordat de geldigheid van de tCER’s of lCER’s afloopt, en de lidstaat zich tevens verplicht tot voortgaande vervanging van in het kader van deze beschikking gebruikte tCER’s of lCER’s door tCER’s, lCER’s of andere voor de nakoming van die verplichtingen te gebruiken eenheden, voordat de geldigheid van de tCER’s of lCER’s afloopt. Wanneer de vervanging plaatsvindt met behulp van tCER’s of lCER’s, vervangt de lidstaat ook doorlopend die tCER’s of lCER’s voor het verstrijken van hun geldigheidsdatum, totdat ze zijn vervangen door eenheden met een onbeperkte geldigheid.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun beleid op het gebied van de aankoop van dergelijke kredieten de eerlijke geografische distributie van projecten verbetert en de totstandkoming van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering vergemakkelijkt.

2.   In aanvulling op lid 1 en in het geval dat onderhandelingen over een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering niet uiterlijk op 31 december 2009 afgerond zijn, mogen de lidstaten ter vervulling van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3 aanvullende broeikasgasemissiereductiekredieten die behaald zijn uit projecten of andere emissiereducerende activiteiten gebruiken overeenkomstig de in artikel 11 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde overeenkomsten.

3.   Indien overeenstemming is bereikt over een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering als bedoeld in artikel 1, mogen de lidstaten vanaf 1 januari 2013 alleen kredieten gebruiken uit projecten in derde landen die die overeenkomst hebben geratificeerd.

4.   Het jaarlijkse gebruik van kredieten door elke lidstaat overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 mag niet meer bedragen dan 3 % van de broeikasgasemissies van die lidstaat in 2005, vermeerderd met alle overeenkomstig lid 6 overgedragen hoeveelheden.

5.   Lidstaten met een negatieve doelstelling of een positieve doelstelling van ten hoogste 5 % als vermeld in bijlage II, die opgesomd staan in bijlage III, krijgen naast de overeenkomstig lid 4 gebruikte kredieten de mogelijkheid om jaarlijks extra kredieten te gebruiken ter grootte van 1 % van hun geverifieerde emissies in 2005 uit projecten in MOL’s of KIO’s mits ze aan een van de vier onderstaande voorwaarden voldoen:

a)

de directe kosten van het totaalpakket bedragen volgens de effectbeoordeling van de Commissie bij het pakket uitvoeringsbepalingen voor de EU-doelstellingen inzake klimaatverandering en hernieuwbare energie voor 2020, meer dan 0,70 % van het bbp;

b)

er treedt een toename op van ten minste 0,1 % van het bbp tussen het daadwerkelijk voor de betrokken lidstaat aangenomen streefcijfer en het kosteneffectieve scenario volgens de onder a) bedoelde effectbeoordeling van de Commissie;

c)

meer dan 50 % van de onder deze beschikking vallende totale emissies in de betrokken lidstaat zijn met het vervoer samenhangende emissies, of

d)

de betrokken lidstaat heeft een streefcijfer van 30 % voor hernieuwbare energie in 2020 bovenop het streefcijfer neergelegd in Richtlijn 2009/28/EG.

6.   Een lidstaat mag ieder jaar het ongebruikte deel van zijn jaarlijkse hoeveelheid die gelijk is aan 3 % als omschreven in lid 4, aan een andere lidstaat overdragen. Indien het jaarlijkse gebruik van kredieten door een lidstaat de in lid 4 bedoelde hoeveelheid niet bereikt, mag de lidstaat het ongebruikte deel van die hoeveelheid overdragen naar de volgende jaren.

7.   De lidstaten mogen daarnaast, zonder enige kwantitatieve beperking, gebruikmaken van kredieten uit projecten op communautair niveau die zijn afgegeven overeenkomstig artikel 24 bis van Richtlijn 2003/87/EG, om aan hun emissiereductieverplichtingen te voldoen.

Artikel 6

Rapportering, evaluatie van de vooruitgang, wijzigingen en herziening

1.   De lidstaten moeten in hun verslagen die op grond van artikel 3 van Beschikking nr. 280/2004/EG worden ingediend, het volgende opnemen:

a)

hun jaarlijkse broeikasgasemissies die voortvloeien uit de uitvoering van artikel 3;

b)

het gebruik, de geografische spreiding en de soorten van kredieten die overeenkomstig artikel 5 worden gebruikt, alsmede de op die kredieten toegepaste kwalitatieve criteria;

c)

geraamde vooruitgang bij de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van deze beschikking, met inbegrip van informatie over nationale beleidsmaatregelen en nationale ramingen;

d)

informatie over geplande aanvullende nationale beleidsmaatregelen gericht op een beperking van hun broeikasgasemissies die verder gaat dan hun verplichtingen uit hoofde van deze beschikking met het oog op de uitvoering van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering als bedoeld in artikel 8.

2.   Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van kredieten uit soorten projecten die door exploitanten in de Gemeenschapsregeling niet kunnen worden gebruikt, verstrekt die lidstaat een gedetailleerde rechtvaardiging van het gebruik van die kredieten.

3.   De Commissie beoordeelt in het op grond van artikel 5, leden 1 en 2, van Beschikking nr. 280/2004/EG ingediende verslag of de vooruitgang die de lidstaten maken voldoende is om aan hun verplichtingen in het kader van deze beschikking te voldoen.

Bij het opstellen van deze beoordeling wordt rekening gehouden met de geboekte vooruitgang bij de communautaire beleidsinitiatieven en maatregelen en informatie van de lidstaten overeenkomstig de artikelen 3 en 5 van Beschikking nr. 280/2004/EG.

Om de twee jaar, te beginnen met de voor 2013 gerapporteerde broeikasgasemissies, heeft de beoordeling ook betrekking op de geraamde vooruitgang van de Gemeenschap bij het nakomen van haar reductieverbintenis en van de lidstaten bij het nakomen van hun verplichtingen in het kader van deze beschikking.

4.   In het in lid 3 bedoelde verslag beoordeelt de Commissie de algehele uitvoering van deze beschikking, waaronder het gebruik en de kwaliteit van de CDM-kredieten en de behoefte aan verdere gemeenschappelijke en gecoördineerde beleidsmaatregelen op communautair niveau in de onder deze beschikking vallende sectoren, om de lidstaten te ondersteunen bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van deze beschikking, en doet zij zo nodig voorstellen.

5.   Wanneer dit voor de uitvoering van deze beschikking aangewezen is, doet de Commissie voorstellen tot wijziging van Beschikking nr. 280/2004/EG en neemt zij wijzigingen aan in Beschikking nr. 2005/166/EG van de Commissie (9), met het oog op de inwerkingtreding van de wijzigingsbesluiten op 1 januari 2013, om met name het volgende te waarborgen:

a)

snellere, efficiënte, transparante en kosteneffectieve monitoring, rapportage en verificatie van broeikasgasemissies;

b)

de ontwikkeling van nationale ramingen van de broeikasgasemissies in de periode na 2020.

Artikel 7

Corrigerende maatregelen

1.   Indien de broeikasgasemissies van een lidstaat de in artikel 3, lid 2, aangegeven jaarlijkse emissieruimte overschrijden, rekening houdend met de overeenkomstig de artikelen 3 en 5 gebruikte flexibele instrumenten, zijn de volgende maatregelen van toepassing:

a)

een verkleining van de emissieruimte van de lidstaat voor het volgende jaar die gelijk is aan de omvang van deze overschrijding, uitgedrukt in ton kooldioxide-equivalent, vermenigvuldigd met een kortingsfactor van 1,08;

b)

de ontwikkeling van een plan met corrigerende maatregelen als bedoeld in lid 2 van dit artikel, en

c)

de tijdelijke opschorting van de mogelijkheid om een deel van de emissieruimte en JI/CDM-rechten van de lidstaat over te dragen aan een andere lidstaat, totdat de lidstaat artikel 3, lid 2, nakomt.

2.   Een lidstaat die onder lid 1 valt, legt binnen drie maanden aan de Commissie een beoordeling voor alsmede een plan met corrigerende maatregelen dat het volgende omvat:

a)

door de lidstaat uit te voeren maatregelen om te voldoen aan zijn specifieke verplichtingen op grond van artikel 3, lid 2, waarbij prioriteit wordt toegekend aan binnenlandse beleidsmaatregelen en de tenuitvoerlegging van Gemeenschapsvoorschriften;

b)

een tijdschema voor de uitvoering van die maatregelen, zodat de jaarlijkse vooruitgang bij de uitvoering kan worden geëvalueerd.

De Commissie kan over het plan met corrigerende maatregelen van de betrokken lidstaat advies uitbrengen.

Alvorens dat advies uit te brengen, kan de Commissie het plan voor commentaar voorleggen aan het Comité klimaatverandering, als bedoeld in artikel 13, lid 1.

Artikel 8

Aanpassingen met ingang van de goedkeuring door de Europese Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering

1.   Binnen drie maanden na de ondertekening door de Gemeenschap van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering die leidt tot verplichte verminderingen van de broeikasgasemissies met meer dan 20 % in 2020 ten opzichte van 1990, zoals met de reductieverbintenis van 30 % in maart 2007 door de Europese Raad tot uiting is gebracht, dient de Commissie een verslag in waarin zij met name de volgende punten evalueert:

a)

de aard van de maatregelen die bij de internationale onderhandelingen zijn overeengekomen, alsmede de verbintenissen die andere ontwikkelde landen zijn aangegaan om een met de Gemeenschap vergelijkbare emissiereductie te realiseren, en de verbintenissen die economisch meer gevorderde ontwikkelingslanden zijn aangegaan om overeenkomstig hun verantwoordelijkheid en respectieve mogelijkheden een adequate bijdrage te leveren;

b)

de consequenties van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering en in het verlengde daarvan de op Gemeenschapsvlak vereiste opties om op evenwichtige, transparante en billijke wijze over te gaan tot de reductiedoelstelling van 30 %, rekening houdend met het werk tijdens de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto;

c)

de concurrentiepositie van de be- en verwerkende industrieën in de Gemeenschap en, in dat verband, het gevaar van een weglekeffect;

d)

het effect van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering op andere economische sectoren in de Gemeenschap;

e)

het effect op de landbouwsector in de Gemeenschap, met inbegrip van het gevaar van een weglekeffect;

f)

een passende regeling voor het opnemen van emissies en verwijdering van broeikasgassen in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de Gemeenschap;

g)

bebossing, herbebossing, vermeden ontbossing en bosdegradatie in derde landen voor het geval hiervoor een internationaal erkend systeem tot stand komt;

h)

de behoefte aan bijkomende communautaire beleidsmaatregelen met het oog op de broeikasgasemissiereductieverbintenis van de Gemeenschap en de lidstaten.

2.   Uitgaande van het in lid 1 bedoelde verslag dient de Commissie zo nodig bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel in tot wijziging van deze beschikking, met het oog op inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit bij de goedkeuring van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering door de Gemeenschap en met het oog op de verbintenis tot emissiereductie die ingevolge die overeenkomst gerealiseerd moet worden.

Dit voorstel stoelt op de beginselen van transparantie, economische efficiëntie en kosteneffectiviteit alsmede op een eerlijke en solidaire verdeling van de inspanningen tussen de lidstaten.

3.   Dat voorstel maakt het eventueel mogelijk dat de lidstaten naast de kredieten waarin deze beschikking voorziet, gebruikmaken van CER’s, ERU’s of andere goedgekeurde kredieten van projecten in derde landen die de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering hebben geratificeerd.

4.   Het voorstel omvat eventueel ook maatregelen die de lidstaten toestaan het ongebruikte deel van de in lid 3 bedoelde extra bruikbare hoeveelheid in latere jaren te gebruiken of het ongebruikte deel van die hoeveelheid over te dragen aan een andere lidstaat.

5.   Het voorstel omvat tevens eventuele andere maatregelen die nodig zijn om de verplichte verminderingen als bedoeld in lid 1 op een transparante, evenwichtige en billijke wijze te helpen realiseren, en omvat met name uitvoeringsmaatregelen inzake het gebruik van bijkomende soorten projectkredieten door de lidstaten of van andere, op grond van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering ingestelde mechanismen.

6.   Op basis van de regels die in het kader van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering worden overeengekomen, doet de Commissie zo nodig een voorstel voor het opnemen van emissies en verwijdering van broeikasgassen in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de reductieverplichting van de Gemeenschap, volgens geharmoniseerde modaliteiten, waarbij wordt gezorgd voor het permanente karakter en de milieu-integriteit van de bijdrage van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw alsmede voor een nauwkeurige monitoring en boekhouding. De Commissie gaat na of de verdeling van de inspanningen over de afzonderlijke lidstaten dienovereenkomstig moet worden aangepast.

7.   Het voorstel bevat passende overgangsmaatregelen en opschortende maatregelen in afwachting van de inwerkingtreding van de internationale overeenkomst inzake klimaatverandering.

Artikel 9

Procedure in verband met landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw bij ontstentenis van een internationale overeenkomst inzake klimaatverandering

Ingeval er uiterlijk op 31 december 2010 geen internationale overeenkomst inzake klimaatverandering door de Gemeenschap is goedgekeurd, kunnen de lidstaten hun voornemens voor opname van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de emissiereductieverbintenis van de Gemeenschap omschrijven, met inachtneming van de methodologieën bij de werkzaamheden in het kader van het UNFCCC. Gelet op deze omschrijvingen van de lidstaten gaat de Commissie voor 30 juni 2011 na hoe landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in de emissiereductieverbintenis van de Gemeenschap kunnen worden opgenomen, waarbij wordt gezorgd voor het permanente karakter en de milieu-integriteit van de bijdrage van landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw alsmede voor een nauwkeurige monitoring, en doet zij een voorstel voor een regeling ter zake die vanaf 2013 van kracht moet worden. De Commissie gaat na of de verdeling van de inspanningen over de afzonderlijke lidstaten dienovereenkomstig moet worden aangepast.

Artikel 10

Wijzigingen in het toepassingsgebied van Richtlijn 2003/87/EG en de toepassing van artikel 24 bis daarvan

De emissieplafonds voor iedere lidstaat op grond van artikel 3 van deze beschikking worden aangepast volgens de hoeveelheid:

a)

overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2003/87/EG afgegeven broeikasgasemissierechten die het resultaat is van een wijziging van het toepassingsgebied van die richtlijn ten aanzien van de bronnen die eronder vallen, na uiteindelijke goedkeuring door de Commissie van de nationale toewijzingsplannen voor de periode van 2008 tot en met 2012 overeenkomstig die richtlijn;

b)

krachtens de artikelen 24 en 24 bis van Richtlijn 2003/87/EG afgegeven emissierechten of kredieten voor emissiereducties in een lidstaat die onder deze beschikking vallen;

c)

rechten voor broeikasgasemissies van installaties die overeenkomstig artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG zijn uitgesloten van de Gemeenschapsregeling, gedurende de uitsluitingsperiode.

De Commissie maakt de cijfers die het resultaat zijn van die aanpassing bekend.

Artikel 11

Registers en centrale administrateur

1.   De overeenkomstig artikel 6 van Beschikking nr. 280/2004/EG ingestelde registers van de Gemeenschap en haar lidstaten zorgen ervoor dat een nauwkeurige boekhouding wordt gevoerd van de transacties in het kader van deze beschikking. Deze informatie moet toegankelijk zijn voor het publiek.

2.   De overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2003/87/EG aangewezen centrale administrateur voert via zijn onafhankelijke transactielogboek een geautomatiseerde controle uit van iedere transactie in het kader van deze beschikking, en blokkeert zo nodig de transactie om te garanderen dat er geen onregelmatigheden plaatsvinden. Deze informatie moet toegankelijk zijn voor het publiek.

3.   De Commissie stelt de nodige maatregelen ter uitvoering van de leden 1 en 2 vast.

Deze maatregelen, die beogen niet-essentiële onderdelen van deze beschikking te wijzigen door haar aan te vullen, worden vastgesteld volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 12

Wijziging van Verordening (EG) nr. 994/2008

Met het oog op de uitvoering van deze beschikking stelt de Commissie wijzigingen vast in Verordening (EG) nr. 994/2008 van de Commissie van 8 oktober 2008 inzake een gestandaardiseerd en beveiligd registersysteem overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad (10).

Artikel 13

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 9 van Beschikking nr. 280/2004/EG opgerichte Comité klimaatverandering.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 14

Verslag

De Commissie moet een verslag opstellen waarin de uitvoering van deze beschikking wordt geëvalueerd. In dit verslag wordt tevens geëvalueerd hoe de tenuitvoerlegging van deze beschikking de mededinging op nationaal, Gemeenschaps- en internationaal niveau heeft beïnvloed. De Commissie dient haar verslag, zo nodig vergezeld van voorstellen, uiterlijk op 31 oktober 2016 bij het Europees Parlement en de Raad in en gaat met name in op de vraag of differentiatie van de nationale streefcijfers voor de periode na 2020 opportuun is.

Artikel 15

Inwerkingtreding

Deze beschikking treedt in werking op de twintigste dag volgende op haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 16

Adressaten

Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 23 april 2009.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

P. NEČAS


(1)  PB C 27 van 3.2.2009, blz. 71.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 17 december 2008 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 6 april 2009.

(3)  PB L 33 van 7.2.1994, blz. 11.

(4)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(5)  PB L 49 van 19.2.2004, blz. 1.

(6)  Zie bladzijde 16 van dit Publicatieblad.

(7)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(8)  Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (PB L 130 van 15.5.2002, blz. 1).

(9)  Beschikking 2005/166/EG van de Commissie van 10 februari 2005 tot vaststelling van regels voor de uitvoering van Beschikking nr. 280/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een bewakingssysteem voor de uitstoot van broeikasgassen in de Gemeenschap en de uitvoering van het Protocol van Kyoto (PB L 55 van 1.3.2005, blz. 57).

(10)  PB L 271 van 11.10.2008, blz. 3.


BIJLAGE I

IN ARTIKEL 2, LID 1, VAN DEZE BESCHIKKING BEDOELDE CATEGORIEËN ZOALS NADER GESPECIFICEERD IN BIJLAGE I, CATEGORIEËN 1 TOT EN MET 4 EN 6 VAN BESCHIKKING 2005/166/EG

Energie

Verbranding van brandstoffen

Diffuse emissie door brandstoffen

Industriële processen

Gebruik van oplosmiddelen en andere producten

Landbouw

Afval


BIJLAGE II

BROEIKASGASEMISSIEREDUCTIEDOELSTELLINGEN VAN DE LIDSTATEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 3

 

Broeikasgasemissiereductiedoelstellingen per lidstaat in 2020 in vergelijking met de broeikasgasemissies in 2005

België

–15 %

Bulgarije

20 %

Tsjechië

9 %

Denemarken

–20 %

Duitsland

–14 %

Estland

11 %

Ierland

–20 %

Griekenland

–4 %

Spanje

–10 %

Frankrijk

–14 %

Italië

–13 %

Cyprus

–5 %

Letland

17 %

Litouwen

15 %

Luxemburg

–20 %

Hongarije

10 %

Malta

5 %

Nederland

–16 %

Oostenrijk

–16 %

Polen

14 %

Portugal

1 %

Polen

19 %

Slovenië

4 %

Slowakije

13 %

Finland

–16 %

Zweden

–17 %

Verenigd Koninkrijk

–16 %


BIJLAGE III

IN ARTIKEL 5, LID 5, BEDOELDE LIDSTATEN

 

België

 

Denemarken

 

Ierland

 

Spanje

 

Italië

 

Cyprus

 

Luxemburg

 

Oostenrijk

 

Portugal

 

Slovenië

 

Finland

 

Zweden


Top