Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32008L0056

Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 164, 25.6.2008, p. 19–40 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 026 P. 136 - 157

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2008/56/oj

25.6.2008   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 164/19


RICHTLIJN 2008/56/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 17 juni 2008

tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Tot de mariene wateren die onder de soevereiniteit en jurisdictie van lidstaten van de Europese Unie vallen, behoren de wateren in de Middellandse Zee, de Oostzee, de Zwarte Zee en het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, met inbegrip van de wateren rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden.

(2)

Het behoeft geen betoog dat de druk op natuurlijke mariene hulpbronnen en de vraag naar mariene milieudiensten dikwijls te groot is en dat de Gemeenschap haar invloed op mariene wateren moet verkleinen, ongeacht de plaats waar de effecten zich voordoen.

(3)

Het mariene milieu is een kostbaar erfgoed dat moet worden beschermd, behouden en, waar mogelijk, hersteld, met als uiteindelijke doel handhaving van de biodiversiteit en schone, gezonde en productieve zeeën en oceanen met een rijke diversiteit en dynamiek. In dit verband zal deze richtlijn onder andere de integratie van milieuoverwegingen in alle relevante beleidsterreinen moeten bevorderen en de milieupijler vormen van het toekomstige maritieme beleid van de Europese Unie.

(4)

Overeenkomstig Besluit nr. 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (4) is een thematische strategie inzake de bescherming en het behoud van het mariene milieu uitgewerkt, met als algemeen doel de bevordering van duurzaam gebruik van de zee en de instandhouding van mariene ecosystemen.

(5)

De ontwikkeling en uitvoering van de thematische strategie dienen gericht te zijn op de instandhouding van het mariene ecosysteem. Bij die aanpak moet rekening worden gehouden met beschermde gebieden en moeten alle menselijke activiteiten aan de orde komen die gevolgen hebben voor het mariene milieu.

(6)

De vaststelling van beschermde mariene gebieden, met inbegrip van gebieden die reeds zijn aangewezen of nog moeten worden aangewezen op grond van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (5) (de „Habitatrichtlijn”), Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (6) (de „Vogelrichtlijn”), en op grond van internationale of regionale overeenkomsten waarbij de Europese Gemeenschap of de betrokken lidstaat een partij zijn, levert een belangrijke bijdrage aan het bereiken van een goede milieutoestand zoals bedoeld in deze richtlijn.

(7)

De vaststelling van dergelijke beschermde gebieden in het kader van deze richtlijn vormt een belangrijke stap om de afspraken na te komen die zijn gemaakt op de Wereldtop over duurzame ontwikkeling en in het Verdrag inzake biologische diversiteit, goedgekeurd bij Besluit 93/626/EEG van de Raad (7) en zal bijdragen aan de oprichting van samenhangende en representatieve netwerken van dergelijke gebieden.

(8)

Door een ecosysteemgerichte aanpak van het beheer van menselijke activiteiten te hanteren en tevens het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten mogelijk te maken, dient prioriteit te worden gegeven aan het bereiken of behouden van een goede milieutoestand in het mariene milieu van de Gemeenschap, het voortzetten van de bescherming en instandhouding daarvan en het voorkomen van verdere verslechtering.

(9)

Om die doelstellingen te bereiken, is een transparant en coherent wetgevingskader vereist. Dat kader dient bij te dragen tot de samenhang tussen de verschillende beleidsmaatregelen en ervoor te zorgen dat milieuoverwegingen geïntegreerd worden in andere beleidssectoren, zoals het gemeenschappelijk visserijbeleid, het gemeenschappelijk landbouwbeleid en andere betrokken beleidsterreinen van de Gemeenschap. Het wetgevingskader dient een algemeen actiekader te bieden waarin de acties die worden ondernomen, gecoördineerd en samenhangend zijn en naar behoren worden geïntegreerd met de acties uit hoofde van andere Gemeenschapswetgeving en internationale overeenkomsten.

(10)

De uiteenlopende omstandigheden, problemen en behoeften van de diverse mariene regio’s of subregio’s die het mariene milieu van de Gemeenschap vormen, vereisen verschillende en specifieke oplossingen. Met die verscheidenheid moet in alle stadia van de voorbereiding van mariene strategieën rekening worden gehouden, maar vooral tijdens de voorbereiding, planning en uitvoering van maatregelen om op de schaal van de mariene regio’s en subregio’s een goede milieutoestand van het mariene milieu in de Gemeenschap tot stand te brengen.

(11)

Daarom dient elke lidstaat een mariene strategie te ontwikkelen voor zijn mariene wateren, die weliswaar specifiek op de eigen wateren is toegesneden maar wel het algemene perspectief weergeeft van de betrokken mariene regio of subregio. De mariene strategieën dienen uit te monden in de uitvoering van programma’s van maatregelen om een goede milieutoestand te bereiken of te behouden. Van de lidstaten moet echter niet worden geeist dat zij specifieke maatregelen nemen wanneer er geen significant risico voor het mariene milieu bestaat of wanneer de kosten onevenredig hoog zouden zijn gezien de risico’s voor het mariene milieu, mits het besluit om geen actie te ondernemen naar behoren is gemotiveerd.

(12)

Kustwateren, met inbegrip van hun zeebodem en ondergrond, vormen een integraal onderdeel van het mariene milieu en moeten bijgevolg ook onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu nog niet zijn behandeld in het kader van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (8) of andere communautaire wetgeving, dit om complementariteit te waarborgen en onnodige overlap te vermijden.

(13)

Wegens het grensoverschrijdende karakter van het mariene milieu dienen de lidstaten samen te werken met het oog op een gecoördineerde uitwerking van de mariene strategieën per mariene regio of subregio. Aangezien mariene regio’s of subregio’s zowel met andere lidstaten als met derde landen worden gedeeld, moeten de lidstaten met alle middelen streven naar hechte samenwerking met alle betrokken lidstaten en derde landen. Voor zover zulks haalbaar en passend is, dient voor deze coördinatie gebruik te worden gemaakt van bestaande institutionele structuren in mariene regio’s of subregio’s, met name van regionale zeeverdragen.

(14)

Lidstaten die aan dezelfde onder deze richtlijn vallende mariene regio of subregio grenzen en waarvan de kritieke toestand van de zee tot dringende maatregelen noopt, dienen ernaar te streven overeenstemming te bereiken over een actieplan, met inbegrip van een vervroegde toepassing op het terrein van de programma’s van maatregelen. In deze gevallen dient de Commissie te worden verzocht te overwegen de extra inspanningen van de lidstaten om het mariene milieu te verbeteren, te ondersteunen door van het betrokken gebied een proefproject te maken.

(15)

Niet alle lidstaten beschikken over mariene wateren zoals gedefinieerd in deze richtlijn en derhalve dienen de gevolgen van de bepalingen van deze richtlijn die uitsluitend gericht zijn aan lidstaten met mariene wateren, ook tot die lidstaten beperkt te blijven.

(16)

Aangezien voor het totstandbrengen van samenwerking en coördinatie actie in internationaal verband onontbeerlijk is, dient deze richtlijn de samenhang van de bijdrage van de Gemeenschap en haar lidstaten in het kader van internationale overeenkomsten verder te versterken.

(17)

De Gemeenschap en haar lidstaten zijn elk voor zich partij bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, dat is goedgekeurd bij Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (9). In deze richtlijn moet dan ook volledig rekening worden gehouden met de verplichtingen die voor de Gemeenschap en haar lidstaten uit deze overeenkomsten voortvloeien. Naast de bepalingen die van toepassing zijn op de mariene wateren van de verdragspartijen, bevat het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee algemene verplichtingen die ervoor moeten zorgen dat activiteiten die onder de rechtsmacht of het bestuur van een verdragspartij vallen geen schade veroorzaken over de grens van haar mariene wateren, alsook om te vermijden dat schade of gevaar worden overgedragen van het ene gebied naar het andere of dat een type verontreiniging in een ander type wordt omgezet.

(18)

Deze richtlijn dient ook het krachtige standpunt te ondersteunen dat de Gemeenschap in de context van het goedgekeurde Verdrag inzake biologische diversiteit heeft ingenomen over het voorkómen van verder biodiversiteitsverlies, het garanderen van een instandhoudingsgericht en duurzaam gebruik van de mariene biodiversiteit en de totstandbrenging van een wereldwijd netwerk van beschermde mariene gebieden tegen 2012. Voorts dient zij bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de zevende vergadering van de Conferentie der partijen bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (VBD/COP7), die een uitvoerig programma van werkzaamheden heeft aangenomen met betrekking tot de biodiversiteit in mariene en kustgebieden, inclusief een reeks doelstellingen, doelen en activiteiten om het biodiversiteitsverlies op nationaal, regionaal en wereldniveau een halt toe te roepen en het vermogen van het mariene ecosysteem om de toelevering van goederen en diensten te ondersteunen, veilig te stellen, alsook een werkprogramma inzake beschermde gebieden met als doel de totstandbrenging en het behoud van ecologisch representatieve systemen van beschermde mariene gebieden tegen 2012. De verplichting voor de lidstaten om Natura 2000-gebieden aan te wijzen uit hoofde van de Vogel- en de Habitatrichtlijn draagt in belangrijke mate bij tot dit proces.

(19)

Deze richtlijn dient bij te dragen tot het nakomen van de verplichtingen die op de Gemeenschap en de lidstaten rusten uit hoofde van diverse andere toepasselijke internationale overeenkomsten waarbij zij belangrijke verbintenissen zijn aangegaan met betrekking tot de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging: het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied, goedgekeurd bij Besluit 94/157/EG van de Raad (10), het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, goedgekeurd bij Besluit 98/249/EG van de Raad (11) en de nieuwe bijlage V bij dat verdrag inzake de bescherming en het behoud van de ecosystemen en de biologische diversiteit van het zeegebied alsook het desbetreffende aanhangsel 3, goedgekeurd bij Besluit 2000/340/EG van de Raad (12), het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en het kustgebied van de Middellandse Zee, goedgekeurd bij Besluit 77/585/EEG van de Raad (13), en de wijzigingen daarop van 1995, goedgekeurd bij Besluit 1999/802/EG van de Raad (14) en het protocol bij dat verdrag inzake de bescherming van de Middellandse Zee tegen verontreiniging vanaf het land, goedgekeurd bij Besluit 83/101/EEG van de Raad (15), en de wijzigingen daarop van 1996, goedgekeurd bij Besluit 1999/801/EG van de Raad (16). Deze richtlijn dient ook bij te dragen tot de naleving van de verplichtingen die op de lidstaten rusten uit hoofde van het Verdrag inzake de bescherming van de Zwarte Zee tegen verontreiniging waarbij zij belangrijke verbintenissen zijn aangegaan met betrekking tot de bescherming van het mariene milieu tegen verontreiniging, en waarbij de Gemeenschap nog geen partij is, maar waarbij zij de status van waarnemer heeft.

(20)

Derde landen die in een mariene regio of subregio mariene wateren met een lidstaat delen, kunnen worden uitgenodigd deel te nemen aan het bij deze richtlijn vastgestelde proces, zodat in de betrokken mariene regio of subregio makkelijker een goede milieutoestand wordt bereikt.

(21)

Voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn is het van cruciaal belang dat instandhoudingsdoelstellingen, beheersmaatregelen en monitorings- en beoordelingsactiviteiten die zijn ingevoerd voor ruimtelijke beschermingsmaatregelen zoals speciale instandhoudingszones, speciale beschermingszones of beschermde mariene gebieden, geïntegreerd worden.

(22)

Er moet ook aandacht worden besteed aan de biodiversiteit en de mogelijkheden voor diepzeeonderzoek.

(23)

Aangezien de uit hoofde van de mariene strategieën uitgevoerde programma’s van maatregelen alleen doeltreffend zijn indien zij worden opgesteld op basis van een gedegen kennis van de toestand van het mariene milieu in een bepaald gebied en indien zij binnen het algemene perspectief van de mariene regio of subregio in kwestie zo zorgvuldig mogelijk op de behoeften van de voor elke lidstaat betrokken wateren worden afgestemd, moet ervoor worden gezorgd dat op nationaal niveau een passend kader voor geïnformeerde besluitvorming wordt voorbereid, dat onder meer mariene onderzoeks- en monitoringactiviteiten omvat. Op communautair niveau dient de ondersteuning van aanverwant onderzoek steeds in het onderzoeks- en ontwikkelingsbeleid te worden verankerd. De erkenning van mariene vraagstukken in het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling is een belangrijke stap in die richting.

(24)

Als eerste stap van de voorbereiding van programma’s van maatregelen dienen alle lidstaten van een mariene regio of subregio de kenmerken of de eigenschappen van en de belastende en beïnvloedende factoren voor hun mariene wateren te analyseren en met betrekking tot die wateren de belangrijkste belastende en beïnvloedende factoren vast te stellen, alsook een economische en sociale analyse te maken van het gebruik daarvan en van de door de aantasting van het mariene milieu veroorzaakte kosten. Als basis voor hun analyses kunnen zij gebruikmaken van beoordelingen die reeds in het kader van regionale zeeverdragen zijn uitgevoerd.

(25)

Op basis van deze analyses dienen de lidstaten vervolgens voor hun mariene wateren een reeks kenmerken van een goede milieutoestand vast te stellen. Te dien einde is het dienstig dat wordt voorzien in de vaststelling van criteria en methodologische standaarden omwille van de consistentie en om te kunnen vergelijken in welke mate in mariene regio’s en subregio’s de goede milieutoestand wordt bereikt. Bij de ontwikkeling hiervan moeten alle belanghebbende partijen worden betrokken.

(26)

De volgende stap om tot een goede milieutoestand te komen, dient de vaststelling te zijn van milieudoelen en monitoringprogramma’s met het oog op voortgaande beoordeling, zodat de toestand van de betrokken mariene wateren regelmatig kan worden beoordeeld.

(27)

De lidstaten dienen dan programma’s van maatregelen vast te stellen en uit te voeren die erop gericht zijn in de betrokken wateren een goede milieutoestand te bereiken of te behouden, rekening houdend met de bestaande communautaire en internationale eisen en de behoeften van de betrokken mariene regio of subregio. Deze maatregelen moeten gebaseerd zijn op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(28)

Het is passend dat de lidstaten deze stappen ondernemen, gezien de specificiteit die is vereist. Om te kunnen zorgen voor de samenhang van de maatregelen in de hele Gemeenschap en de op mondiaal niveau aangegane verplichtingen is het van essentieel belang dat de lidstaten de Commissie in kennis stellen van de ondernomen stappen, zodat deze de samenhang van de maatregelen in de gehele mariene regio of subregio kan beoordelen en dienovereenkomstig advies kan verlenen over mogelijke noodzakelijke wijzigingen.

(29)

De lidstaten moeten de nodige maatregelen treffen om in het mariene milieu een goede milieutoestand te bereiken of te behouden. Er moet evenwel worden erkend dat het in alle opzichten bereiken of behouden van een goede milieutoestand misschien niet mogelijk zal zijn in alle mariene wateren tegen 2020. Om redenen van billijkheid en haalbaarheid is het bijgevolg passend dat een regeling wordt getroffen voor gevallen waarin het voor een lidstaat onmogelijk is het ambitieniveau van de vastgestelde milieudoelen waar te maken of een goede milieutoestand te bereiken of te behouden.

(30)

In dit verband dienen voorzieningen te worden getroffen voor twee bijzondere gevallen. Het eerste betreft situaties waarin een lidstaat niet in staat is zijn milieudoelen te halen ten gevolge van maatregelen of het uitblijven van maatregelen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is, natuurlijke oorzaken of overmacht, of maatregelen die door de betrokken lidstaat zelf zijn genomen om redenen van dwingend openbaar belang die zwaarder wegen dan de negatieve milieueffecten, of situaties waarin de natuurlijke omstandigheden niet toelaten dat de toestand van de mariene wateren tijdig verbetert. De betrokken lidstaat dient evenwel aan te tonen waarom er zijns inziens sprake is van een dergelijk bijzonder geval en aan te geven om welk gebied het gaat, en dient passende ad-hocmaatregelen te nemen om de milieudoelen alsnog te bereiken, een verdere verslechtering van de toestand van de getroffen mariene wateren te voorkomen en de negatieve gevolgen voor de betrokken mariene regio of subregio te verlichten.

(31)

Een bijzonder geval van het tweede type doet zich voor wanneer een lidstaat een probleem signaleert dat gevolgen heeft voor de milieutoestand van zijn mariene wateren en eventueel zelfs voor de hele mariene regio of subregio in kwestie, maar niet door middel van op nationaal niveau getroffen maatregelen kan worden aangepakt of verband houdt met een ander communautair beleidsterrein of met een internationale overeenkomst. In een dergelijk geval dient te worden voorzien in de mogelijkheid om de Commissie daarover te informeren in het kader van de kennisgeving van de programma’s van maatregelen en indien zulks een optreden van de Gemeenschap vereist, dienen aan de Commissie en de Raad passende aanbevelingen te worden gedaan.

(32)

Wel is het noodzakelijk dat communautair toezicht wordt uitgeoefend op de soepelheid die met betrekking tot deze bijzondere gevallen aan de dag wordt gelegd. Wat het eerste bijzondere geval betreft, is het derhalve passend dat terdege rekening wordt gehouden met de doeltreffendheid van de eventueel toegepaste ad-hocmaatregelen. Voorts moet de Commissie, in gevallen waar een lidstaat verwijst naar maatregelen die zijn genomen om redenen van openbaar belang, beoordelen of eventuele wijzigingen of veranderingen in het mariene milieu die door die maatregelen worden veroorzaakt, niet zodanig zijn dat zij het bereiken van een goede milieutoestand in de betrokken mariene regio of subregio of in de mariene wateren van andere lidstaten voorgoed uitsluiten of in het gedrang brengen. De Commissie dient advies te verlenen over mogelijke noodzakelijke wijzigingen indien zij de voorgenomen maatregelen onvoldoende of ongepast acht om de samenhang van acties over de gehele betrokken mariene regio of subregio te waarborgen.

(33)

Wat het tweede bijzondere geval betreft, dient de Commissie de zaak in overweging te nemen en dient zij binnen een periode van zes maanden te antwoorden. Waar passend komen de aanbevelingen van de betrokken lidstaat tot uiting in de voorstellen ter zake die de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad voorlegt.

(34)

Gezien het dynamische karakter en de natuurlijke variabiliteit van mariene ecosystemen, en gezien het feit dat de belastende en beïnvloedende factoren zullen variëren naar gelang van de ontwikkeling van verschillende patronen van menselijke activiteiten en onder invloed van de klimaatverandering, is het van primair belang te erkennen dat de bepaling van een goede milieutoestand in de loop van de tijd wellicht dient te worden aangepast. Bijgevolg is het wenselijk dat de programma’s van maatregelen voor de bescherming en het beheer van het mariene milieu flexibel en aanpasbaar zijn en rekening houden met de wetenschappelijke en technologische ontwikkeling. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat de mariene strategieën regelmatig worden geactualiseerd.

(35)

Voorts dient het nodige te worden gedaan opdat de programma’s van maatregelen en de actualiseringen daarvan worden bekendgemaakt en dat bij de Commissie tussentijdse verslagen worden ingediend waarin de vooruitgang wordt beschreven die bij de uitvoering van de programma’s is geboekt.

(36)

Om ervoor te zorgen dat het brede publiek actief deelneemt aan de totstandbrenging, uitvoering en actualisering van de mariene strategieën, is het nodig dat degelijke openbare informatie beschikbaar wordt gesteld over de verschillende elementen van de mariene strategieën en de respectieve actualiseringen daarvan, alsook, indien daarom wordt verzocht, relevante informatie die bij de ontwikkeling van de mariene strategieën is gebruikt overeenkomstig de communautaire wetgeving betreffende de toegang van het publiek tot milieu-informatie.

(37)

De Commissie dient een eerste beoordelingsverslag over de uitvoering van deze richtlijn in binnen twee jaar na de ontvangst van alle programma’s van maatregelen, en in ieder geval uiterlijk in 2019. Vervolgens dient de Commissie om de zes jaar een verslag bekend te maken.

(38)

Er moet worden voorzien in de mogelijkheid tot vaststelling van methodologische standaarden voor de beoordeling van de toestand van het mariene milieu, monitoring, de milieudoelen en de technische schema’s voor de overdracht en verwerking van gegevens in overeenstemming met Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Europese Gemeenschap (Inspire) (17).

(39)

Maatregelen ter regulering van het visserijbeheer kunnen worden genomen in de context van het gemeenschappelijk visserijbeleid zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (18), op basis van wetenschappelijke adviezen, teneinde de doelstellingen van deze richtlijn te helpen verwezenlijken, met inbegrip van het volledig sluiten van bepaalde gebieden voor visserij om de integriteit, de structuur en de werking van ecosystemen die moeten worden behouden of hersteld mogelijk te maken en om waar nodig onder meer paaiplaatsen, gebieden met een kraamkamerfunctie en voedselgebieden te beschermen. De artikelen 30 en 31 van het Euratom-Verdrag regelen lozingen en emissies die het gevolg zijn van het gebruik van radioactief materiaal en vallen derhalve niet binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.

(40)

Het gemeenschappelijk visserijbeleid dient, ook in de toekomstige hervorming ervan, rekening te houden met de milieueffecten van de visserij en met de doelstellingen van deze richtlijn.

(41)

Indien de lidstaten maatregelen op de bovengenoemde gebieden of andere gebieden in het kader van een andere communautaire beleidssector of internationale overeenkomst wenselijk achten, doen zij daartoe de passende aanbevelingen voor communautaire actie.

(42)

De ernstige milieuzorgen, met name die welke het gevolg zijn van de klimaatverandering, betreffende de Arctische wateren, een aangrenzend marien milieu dat van bijzonder belang is voor de Gemeenschap, moeten door de communautaire instellingen worden beoordeeld en kunnen acties vergen om te waarborgen dat het milieu in het Noordpoolgebied wordt beschermd.

(43)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn, te weten de bescherming en instandhouding van het mariene milieu, de voorkoming van de verslechtering ervan, en, waar haalbaar, het herstel van dat milieu in de gebieden waar het schade heeft geleden, niet in voldoende mate door de lidstaten alleen kunnen worden verwezenlijkt en zij derhalve, gezien de omvang en de consequenties van de actie, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(44)

Programma’s van maatregelen en aansluitende acties van de lidstaten dienen gebaseerd te zijn op een ecosysteemgerichte aanpak van het beheer van menselijke activiteiten en op de beginselen van artikel 174 van het Verdrag, in het bijzonder op het voorzorgsbeginsel.

(45)

Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (19), en met name in artikel 37 daarvan, worden erkend. Met name wordt zo gestreefd naar de integratie in het communautair beleid van een hoog niveau van milieubescherming en de verbetering van de kwaliteit van het milieu, overeenkomstig het beginsel van duurzame ontwikkeling.

(46)

De maatregelen voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (20).

(47)

In het bijzonder moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven de bijlagen III, IV en V van deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot wijziging van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing.

(48)

Eveneens moet de Commissie de bevoegdheid worden gegeven door de lidstaten te gebruiken criteria en methodologische standaarden vast te stellen om technische specificaties en methodologische standaarden voor monitoring en beoordeling vast te stellen. Daar het maatregelen van algemene strekking betreft tot aanvulling van niet-essentiële onderdelen van deze richtlijn door deze aan te vullen met nieuwe niet-essentiële onderdelen, moeten zij worden vastgesteld volgens de in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG bepaalde regelgevingsprocedure met toetsing,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doelstellingen

1.   Deze richtlijn stelt een kader vast waarbinnen de lidstaten de nodige maatregelen nemen om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand van het mariene milieu te bereiken of te behouden.

2.   Te dien einde worden mariene strategieën ontwikkeld en uitgevoerd om:

a)

het mariene milieu te beschermen en in stand te houden, de verslechtering ervan te voorkomen of, waar uitvoerbaar, mariene ecosystemen in de gebieden waar deze schade hebben geleden te herstellen;

b)

inbreng in het mariene milieu te voorkomen en te verminderen, teneinde geleidelijk aan de verontreiniging zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 8, weg te nemen zodat zij geen gevolgen van betekenis heeft of een significant risico vormt voor de mariene biodiversiteit, de mariene ecosystemen, de volksgezondheid of het rechtmatig gebruik van de zee.

3.   In de mariene strategieën zal een ecosysteemgerichte benadering op het beheer van menselijke activiteiten worden toegepast om ervoor te zorgen dat de collectieve belasting van deze activiteiten binnen grenzen blijft die verenigbaar zijn met het bereiken van een goede milieutoestand en dat het vermogen van de mariene ecosystemen om door de mens veroorzaakte veranderingen op te vangen niet in het gedrang komt, en zal bovendien het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten door de huidige en toekomstige generaties mogelijk worden gemaakt.

4.   Deze richtlijn draagt bij tot de samenhang van de verschillende beleidsterreinen, overeenkomsten en wetgevende maatregelen die van invloed zijn op het mariene milieu, en streeft ernaar de integratie van de milieudimensie daarin te waarborgen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is van toepassing op alle mariene wateren zoals omschreven in artikel 3, lid 1, en houdt rekening met grensoverschrijdende effecten op de kwaliteit van het mariene milieu van derde landen in eenzelfde mariene regio of subregio.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op activiteiten die uitsluitend de landsverdediging of de nationale veiligheid dienen. De lidstaten streven er evenwel naar dat dergelijke activiteiten verricht worden op een wijze die verenigbaar is met de doelstellingen van deze richtlijn, voor zover zulks redelijk en uitvoerbaar is.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1.

„Mariene wateren”:

a)

wateren, de zeebodem en ondergrond daarvan zeewaarts van de basislijn vanwaar de breedte van de territoriale wateren wordt gemeten, en reikend tot de uiterste grens van het gebied waarover een lidstaat jurisdictie heeft en/of uitoefent overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, met uitsluiting van de wateren die grenzen aan de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landen en gebieden en de Franse overzeese departementen en collectiviteiten, en

b)

kustwateren als gedefinieerd in Richtlijn 2000/60/EG, hun zeebodem en hun ondergrond, voor zover bijzondere aspecten van de milieutoestand van het mariene milieu nog niet zijn behandeld in deze richtlijn of andere communautaire wetgeving.

2.

„Mariene regio”: zeeregio als bedoeld in artikel 4. Mariene regio’s en hun subregio’s worden aangewezen ter vergemakkelijking van de uitvoering van deze richtlijn en worden vastgesteld rekening houdend met hydrologische, oceanografische en biogeografische kenmerken.

3.

„Mariene strategie”: de ten aanzien van de betrokken mariene regio of subregio te ontwikkelen en uit te voeren strategie als omschreven in artikel 5.

4.

„Milieutoestand”: de algemene toestand van het milieu in mariene wateren, rekening houdend met de structuur en functie van en de processen in de samenstellende mariene ecosystemen in combinatie met de natuurlijke fysiografische, geografische, biologische, geologische en klimatologische factoren alsmede de fysische, akoestische en chemische omstandigheden, met inbegrip van die welke het gevolg zijn van menselijke activiteiten in of buiten het betrokken gebied.

5.

„Goede milieutoestand”: de milieutoestand van de mariene wateren wanneer deze tot ecologisch verscheiden en dynamische oceanen en zeeën leiden die schoon, gezond en gelet op hun intrinsieke omstandigheden productief zijn, en wanneer het gebruik van het mariene milieu op een duurzaam niveau is, aldus het potentieel voor gebruik en activiteiten door de huidige en toekomstige generaties veilig stellend, dat wil zeggen:

a)

door hun structuur, functies en processen kunnen de samenstellende mariene ecosystemen, in combinatie met de daarmee verbonden fysiografische, geografische, geologische en klimatologische factoren optimaal functioneren en hun veerkracht behouden tegenover door de mens teweeggebrachte milieuveranderingen. Mariene soorten en habitats worden beschermd, door de mens veroorzaakte achteruitgang van de biodiversiteit wordt voorkomen en de verschillende biologische componenten functioneren in evenwicht;

b)

de hydromorfologische, fysische en chemische eigenschappen van de ecosystemen, met inbegrip van die welke het gevolg zijn van menselijke activiteiten in het betrokken gebied, ondersteunen de hierboven beschreven ecosystemen. De door de mens in het mariene milieu ingebrachte stoffen en energie, met inbegrip van lawaai, brengen geen verontreinigingseffect teweeg.

De goede milieutoestand wordt bepaald op het niveau van de mariene regio of subregio, overeenkomstig artikel 4, op basis van de kwalitatief beschrijvende elementen in bijlage I. Op basis van de ecosysteemgerichte benadering zal een aanpassingsgericht beheer worden toegepast met de bedoeling een goede milieutoestand te bereiken.

6.

„Criteria”: kenmerkende technische karakteristieken die nauw verband houden met kwalitatief beschrijvende elementen.

7.

„Milieudoel”: een verklaring van kwalitatieve of kwantitatieve aard omtrent de gewenste toestand van de verschillende onderdelen van en de belastende en beïnvloedende factoren op de mariene wateren, met betrekking tot elke mariene regio of subregio. De milieudoelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 10.

8.

„Verontreiniging”: het direct of indirect brengen in het mariene milieu, ten gevolge van menselijke activiteiten, van stoffen of energie, met inbegrip van door de mens veroorzaakt onderwatergeluid, waardoor nadelige effecten optreden of kunnen optreden zoals schade aan levende rijkdommen en mariene ecosystemen, met inbegrip van verlies van biodiversiteit, gevaren voor de menselijke gezondheid, hinder voor mariene activiteiten met inbegrip van visserij, toerisme en recreatie en ander rechtmatig gebruik van de zee, aantasting van de kwaliteit van het zeewater in verband met het gebruik ervan en vermindering van de recreatieve waarde, of, algemeen gesproken, de aantasting van het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten.

9.

„Regionale samenwerking”: samenwerking en coördinatie van activiteiten tussen lidstaten en, wanneer mogelijk, derde landen die een mariene regio of subregio delen, met het oog op het ontwikkelen en uitvoeren van mariene strategieën.

10.

„Regionaal zeeverdrag”: elk van de internationale verdragen of internationale overeenkomsten en hun bestuursinstanties die zijn opgericht ter bescherming van het mariene milieu van mariene regio’s in de zin van artikel 4, zoals het Verdrag ter bescherming van het mariene milieu in het Oostzeegebied, het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en het Verdrag inzake de bescherming van het mariene milieu en de kustgebieden van de Middellandse Zee.

Artikel 4

Mariene regio’s en subregio’s

1.   Bij het uitvoeren van hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn, houden de lidstaten terdege rekening met het feit dat de onder hun soevereiniteit of jurisdictie vallende mariene wateren een integraal deel uitmaken van de volgende mariene regio’s:

a)

de Oostzee;

b)

het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan;

c)

de Middellandse Zee;

d)

de Zwarte Zee.

2.   Teneinde rekening te houden met de specifieke kenmerken van een bepaald gebied mogen de lidstaten deze richtlijn uitvoeren met verwijzing naar onderverdelingen van de in lid 1 genoemde mariene wateren op het passende niveau, op voorwaarde dat die onderverdelingen zodanig worden omschreven dat zij verenigbaar zijn met de volgende mariene subregio’s:

a)

in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan:

i)

de Noordzee in ruime zin, met inbegrip van het Kattegat en het Kanaal;

ii)

de Keltische zeeën;

iii)

de Golf van Biskaje en de Iberische kustwateren;

iv)

in de Atlantische Oceaan, het Macaronesische biogeografische gebied, omvattende de wateren rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden;

b)

in de Middellandse Zee:

i)

de westelijke Middellandse Zee;

ii)

de Adriatische Zee;

iii)

de Ionische Zee en het centrale Middellandse Zeegebied;

iv)

de Egeïsche en Levantijnse Zee.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in artikel 26, lid 1, eerste alinea, genoemde datum in kennis van alle onderverdelingen, maar mogen deze herzien nadat de in artikel 5, lid 2, punt a) i), bedoelde initiële beoordeling is voltooid.

Artikel 5

Mariene Strategieën

1.   Elke lidstaat ontwikkelt ten aanzien van elk voor hem betreffende mariene regio’s of subregio’s een mariene strategie voor zijn mariene wateren overeenkomstig het in lid 2, punten a) en b), omschreven actieplan.

2.   Lidstaten die deel uitmaken van eenzelfde mariene regio of subregio, werken samen om ervoor te zorgen dat de voor het bereiken van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijke maatregelen, met name de in de punten a) en b) genoemde verschillende elementen van de mariene strategieën, in deze regio of subregio samenhang vertonen en worden gecoördineerd overeenkomstig het volgende actieplan waarvoor de betrokken lidstaten een gezamenlijke aanpak proberen te volgen:

a)

voorbereiding:

i)

een initiële beoordeling, af te ronden uiterlijk op 15 juli 2012, van de huidige milieutoestand van de betrokken wateren en de milieueffecten van menselijke activiteiten daarop, overeenkomstig artikel 8;

ii)

een omschrijving, vast te leggen uiterlijk op 15 juli 2012, van de goede milieutoestand van de betrokken wateren, overeenkomstig artikel 9, lid 1;

iii)

de vaststelling, uiterlijk op 15 juli 2012, van een reeks milieudoelen en daarmee samenhangende indicatoren, overeenkomstig artikel 10, lid 1;

iv)

de vaststelling en uitvoering, uiterlijk op 15 juli 2014, tenzij in de desbetreffende Gemeenschapswetgeving anders is bepaald, van een monitoringprogramma voor voortgaande beoordeling en periodieke actualisering van de doelen, overeenkomstig artikel 11, lid 1;

b)

programma’s van maatregelen:

i)

ontwikkeling, uiterlijk in 2015, van een programma van maatregelen dat gericht is op het bereiken of behouden van een goede milieutoestand, overeenkomstig artikel 13, leden 1, 2 en 3;

ii)

toepassing, uiterlijk in 2016, van het in punt i) bedoelde programma overeenkomstig artikel 13, lid 10.

3.   Lidstaten die aan dezelfde onder deze richtlijn vallende mariene regio’s of subregio’s grenzen en waarvan de kritieke toestand van de zee tot dringende maatregelen noopt, stellen een actieplan op in de zin van lid 1, met een vervroegde toepassing op het terrein van de programma’s van maatregelen, evenals mogelijke strengere beschermingsmaatregelen, op voorwaarde dat dit niet verhindert dat een goede milieutoestand wordt bereikt of behouden in een andere mariene regio of subregio. In die gevallen:

a)

stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van hun herziene tijdschema en handelen zij dienovereenkomstig;

b)

wordt de Commissie verzocht te overwegen steun te verlenen voor de extra inspanningen van de lidstaten om het mariene milieu te verbeteren, door van het betrokken gebied een proefproject te maken.

Artikel 6

Regionale samenwerking

1.   Met het oog op de in artikel 5, lid 2, bedoelde coördinatie maken de lidstaten, voor zover passend en uitvoerbaar, gebruik van bestaande regionale institutionele samenwerkingsstructuren, waaronder de uit hoofde van de regionale zeeverdragen opgerichte structuren die deze mariene regio of subregio bestrijken.

2.   Met het doel om mariene strategieën op te stellen en ten uitvoer te brengen, spannen de lidstaten zich in om in elke mariene regio of subregio de acties die zij ondernemen via de betrokken internationale fora, waaronder de mechanismen en structuren van de regionale zeeverdragen, te coördineren met derde landen die soevereiniteit of jurisdictie uitoefenen over mariene wateren in dezelfde regio of subregio.

In dit verband bouwen de lidstaten zoveel mogelijk voort op bestaande programma’s ter zake en activiteiten die worden ontplooid in het kader van structuren die uit hoofde van internationale overeenkomsten zoals de regionale zeeverdragen zijn ontwikkeld.

Waar aangewezen, strekt de coördinatie en de samenwerking zich uit tot alle lidstaten in het gebied afwaterend naar een mariene regio of subregio, met inbegrip van tot de niet aan zee grenzende landen, teneinde de lidstaten in die mariene regio of subregio in staat te stellen om middels door deze richtlijn of Richtlijn 2000/60/EG voorgeschreven bestaande samenwerkingsstructuren aan hun verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn te voldoen.

Artikel 7

Bevoegde instanties

1.   De lidstaten wijzen uiterlijk op 15 juli 2010 voor elke voor hen relevante mariene regio of subregio de instantie of instanties aan die bevoegd is of zijn voor de uitvoering van deze richtlijn ten aanzien van hun mariene wateren.

Uiterlijk op 15 januari 2011 verstrekken de lidstaten de Commissie een lijst van de aangewezen bevoegde instanties alsmede de in bijlage II vermelde gegevens.

Tezelfdertijd doen de lidstaten de Commissie een lijst toekomen van hun instanties die bevoegd zijn in de internationale organisaties waarin zij participeren en die voor de uitvoering van deze richtlijn relevant zijn.

De lidstaten in het gebied afwaterend naar een mariene regio of subregio wijzen tevens bevoegde instanties aan voor de in artikel 6 bedoelde samenwerking en coördinatie.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wijzigingen in de overeenkomstig lid 1 verstrekte informatie binnen zes maanden nadat die wijzigingen van kracht zijn geworden.

HOOFDSTUK II

MARIENE STRATEGIEËN: VOORBEREIDING

Artikel 8

Beoordeling

1.   De lidstaten voeren voor elke mariene regio of subregio een initiële beoordeling van hun mariene wateren uit, rekening houdend met eventueel beschikbare gegevens en die het volgende omvat:

a)

een analyse van de essentiële kenmerken en eigenschappen en de huidige milieutoestand van die wateren, die gebaseerd is op de in tabel 1 van bijlage III opgenomen indicatieve lijst van elementen, en betrekking heeft op de fysisch-chemische kenmerken, de habitattypes, de biologische componenten en de hydromorfologie;

b)

een analyse van de overheersende belastende en beïnvloedende factoren, met inbegrip van menselijke activiteiten, die inwerken op de milieutoestand van die wateren, die:

i)

gebaseerd is op de in tabel 2 van bijlage III opgenomen indicatieve lijst van elementen, en betrekking heeft op de kwalitatieve en kwantitatieve mix van diverse belastende factoren, alsmede op waarneembare trends;

ii)

betrekking heeft op de belangrijkste cumulatieve en synergetische effecten, en

iii)

rekening houdt met de desbetreffende beoordelingen die krachtens de vigerende communautaire wetgeving zijn uitgevoerd;

c)

een economische en sociale analyse van het gebruik van die wateren en de aan de aantasting van het mariene milieu verbonden kosten.

2.   Bij de in lid 1 bedoelde analyses wordt rekening gehouden met elementen in verband met de kustwateren, overgangswateren en territoriale wateren die onder de desbetreffende bepalingen van bestaande communautaire wetgeving, met name Richtlijn 2000/60/EG, vallen. Tevens wordt rekening gehouden met andere relevante beoordelingen, die ook als basis kunnen dienen, zoals de beoordelingen die gezamenlijk in het kader van de regionale zeeverdragen zijn uitgevoerd, zodat een allesomvattende beoordeling van de toestand van het mariene milieu wordt verkregen.

3.   Bij de voorbereiding van de in lid 1 bedoelde beoordelingen stellen de lidstaten door middel van de ingevolge de artikelen 5 en 6 bedoelde coördinatie alles in het werk om ervoor te zorgen dat:

a)

de beoordelingsmethodes consistent zijn over de mariene regio of subregio;

b)

rekening wordt gehouden met grensoverschrijdende invloeden en kenmerken.

Artikel 9

Omschrijving van de goede milieutoestand

1.   Voor elke betrokken mariene regio of subregio stellen de lidstaten in het licht van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, voor de mariene wateren een reeks kenmerken van een goede milieutoestand vast op basis van de in bijlage I bedoelde kwalitatief beschrijvende elementen.

De lidstaten houden rekening met de in tabel 1 van bijlage III genoemde indicatieve lijsten van elementen en in het bijzonder met de fysische en chemische kenmerken, de habitattypes, de biologische kenmerken en de hydromorfologie.

De lidstaten houden tevens rekening met de belastende of beinvloedende factoren van menselijke activiteiten in elke mariene regio of subregio, waarbij wordt gekeken naar de indicatieve lijsten die zijn opgenomen in tabel 2 van bijlage III.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, en de omschrijving overeenkomstig lid 1 van dit artikel, uiterlijk drie maanden na de voltooiing van bedoelde omschrijving.

3.   De door de lidstaten te gebruiken criteria en methodologische standaarden, die opgesteld zijn om de niet-essentiële elementen van deze richtlijn te wijzigen middels een aanvulling, worden uiterlijk op 15 juli 2010 vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, op basis van de bijlagen I en III, omwille van de consistentie en om te kunnen vergelijken in welke mate in mariene regio’s en subregio’s de goede milieutoestand wordt bereikt. Voordat de Commissie dergelijke criteria en standaarden voorstelt, raadpleegt zij alle betrokken partijen, inclusief de regionale zeeverdragen.

Artikel 10

Vaststelling van milieudoelen

1.   Op basis van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, stellen de lidstaten voor elke mariene regio of subregio een uitvoerige reeks milieudoelen en bijbehorende indicatoren vast voor hun mariene wateren, teneinde de voortgang op weg naar het bereiken van een goede milieutoestand in het mariene milieu te begeleiden, rekening houdend met de in tabel 2 van bijlage III opgenomen lijsten van belastende en beïnvloedende factoren en met de in bijlage IV opgenomen indicatieve kenmerken.

Bij het afleiden van die doelen en indicatoren houden de lidstaten rekening met de ononderbroken toepassing van de ter zake dienende bestaande milieudoelen die op nationaal, communautair of internationaal niveau met betrekking tot dezelfde wateren zijn vastgesteld, waarbij zij ervoor zorgen dat deze doelen onderling verenigbaar zijn en dat er voor zover mogelijk ook rekening wordt gehouden met relevante grensoverschrijdende effecten en kenmerken.

2.   De lidstaten brengen de milieudoelen uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie.

Artikel 11

Monitoringprogramma’s

1.   Op basis van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, zorgen de lidstaten voor de vaststelling en uitvoering van gecoördineerde monitoringprogramma’s voor de voortgaande beoordeling van de milieutoestand van hun mariene wateren op basis van de in bijlage III opgenomen indicatieve lijst van elementen en op basis van de in bijlage V opgenomen lijst en in het licht van de overeenkomstig artikel 10 vastgestelde milieudoelen.

De monitoringprogramma’s moeten binnen elke mariene regio of subregio consistent zijn en moeten de relevante bepalingen inzake beoordeling en monitoring welke gelden krachtens het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de habitat- en de vogelrichtlijn, of internationale overeenkomsten als vertrekpunt nemen en daarmee verenigbaar zijn.

2.   Lidstaten die deel uitmaken van eenzelfde mariene regio of subregio, stellen een monitoringprogramma op in overeenstemming met lid 1 en streven er, met het oog op samenhang en coördinatie, naar ervoor te zorgen dat:

a)

de monitoringmethodes over de mariene regio of subregio consistent zijn om de monitoringresultaten gemakkelijker te kunnen vergelijken;

b)

rekening wordt gehouden met relevante grensoverschrijdende invloeden en kenmerken.

3.   De lidstaten brengen de monitoringprogramma’s uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie.

4.   Specificaties en methodologische standaarden inzake monitoring en beoordeling die rekening houden met de bestaande verplichtingen, de vergelijkbaarheid tussen de monitoring- en beoordelingsresultaten garanderen en bedoeld zijn om niet-essentiële elementen van deze richtlijn door aanvullingen te wijzigen, worden aangenomen overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing.

Artikel 12

Kennisgevingen en beoordeling door de Commissie

Op basis van alle kennisgevingen overeenkomstig artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 3, beoordeelt de Commissie voor elke mariene regio of subregio of de door iedere lidstaat meegedeelde elementen een passend raamwerk vormen om aan de eisen van deze richtlijn te voldoen, en kan zij de betrokken lidstaat verzoeken om alle beschikbare en noodzakelijke aanvullende informatie te verstrekken.

Bij het opstellen van deze beoordelingen houdt de Commissie rekening met de samenhang van de raamwerken binnen de verschillende mariene regio’s of subregio’s en de Gemeenschap als geheel.

Binnen zes maanden na ontvangst van al deze kennisgevingen stelt de Commissie de betrokken lidstaten op de hoogte van het feit of de verstrekte inlichtingen volgens haar verenigbaar zijn met deze richtlijn en verstrekt zij advies over alle wijzigingen die zij nodig acht.

HOOFDSTUK III

MARIENE STRATEGIEËN: PROGRAMMA’S VAN MAATREGELEN

Artikel 13

Programma’s van maatregelen

1.   Ten aanzien van elke voor hen relevante mariene regio of subregio geven de lidstaten de maatregelen aan die moeten worden genomen om in hun mariene wateren een goede milieutoestand, zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 1, te bereiken of te behouden.

Die maatregelen worden afgeleid op basis van de initiële beoordeling overeenkomstig artikel 8, lid 1, en in het licht van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen, waarbij de in bijlage VI opgesomde typen maatregelen in aanmerking worden genomen.

2.   De lidstaten nemen de overeenkomstig lid 1 uitgewerkte maatregelen op in een programma van maatregelen, rekening houdend met de relevante maatregelen die krachtens de Gemeenschapswetgeving, met name Richtlijn 2000/60/EG, Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater (21) en Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit (22) en toekomstige wetgeving inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid of internationale overeenkomsten zijn vereist.

3.   Wanneer de lidstaten het programma van maatregelen overeenkomstig lid 2 opstellen, besteden zij de nodige aandacht aan duurzame ontwikkeling en in het bijzonder aan de sociale en economische gevolgen van de overwogen maatregelen. Om de in artikel 7 genoemde bevoegde instantie of instanties te helpen hun doelstellingen op samenhangende wijze na te streven, kunnen de lidstaten administratieve kaders identificeren of vaststellen om te profiteren van deze interactie.

De lidstaten zien erop toe dat de maatregelen kosteneffectief en technisch haalbaar zijn en zij voeren alvorens een nieuwe maatregel te treffen een effectbeoordeling, inclusief een kosten-batenanalyse uit.

4.   De overeenkomstig dit artikel opgestelde programma’s van maatregelen moeten ruimtelijke beschermingsmaatregelen bevatten die bijdragen aan samenhangende en representatieve netwerken van beschermde mariene gebieden, waarbij de diversiteit van de samenstellende ecosystemen adequaat is gedekt, zoals speciale instandhoudingszones in de zin van de Habitatrichtlijn, speciale beschermingszones in de zin van de Vogelrichtlijn en beschermde mariene gebieden zoals door de Gemeenschap of de betrokken lidstaten overeengekomen in het kader van internationale of regionale overeenkomsten waarbij zij partij zijn.

5.   Indien lidstaten van oordeel zijn dat het beheer van een menselijke activiteit op communautair of internationaal niveau vermoedelijk een aanzienlijke invloed zal hebben op het mariene milieu, met name in de in lid 4 genoemde gebieden, richten zij zich individueel of gezamenlijk tot de bevoegde instantie of betrokken internationale organisatie teneinde maatregelen te overwegen en eventueel goed te keuren die nodig kunnen zijn om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken, om de integriteit, de structuur en de werking van ecosystemen te behouden of, waar passend, te herstellen.

6.   Uiterlijk in 2013 maken de lidstaten voor elke mariene regio of subregio de relevante informatie openbaar met betrekking tot de in de leden 4 en 5 genoemde gebieden.

7.   In hun programma’s van maatregelen geven de lidstaten aan hoe de maatregelen zullen worden uitgevoerd en hoe zij gaan bijdragen tot het bereiken van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen.

8.   De lidstaten houden rekening met de gevolgen van hun programma’s van maatregelen op wateren buiten hun mariene wateren om het risico op schade aan deze wateren tot een minimum te beperken en, indien mogelijk, er een positieve invloed op te hebben.

9.   De lidstaten brengen hun programma’s van maatregelen uiterlijk drie maanden na de vaststelling ervan ter kennis van de Commissie en elke andere betrokken lidstaat.

10.   Onverminderd artikel 16 zien de lidstaten erop toe dat de programma’s uiterlijk één jaar na de vaststelling ervan operationeel zijn.

Artikel 14

Uitzonderingen

1.   Een lidstaat kan binnen zijn mariene wateren gevallen aanwijzen waar om enige onder de punten a) tot en met d) genoemde reden de milieudoelen of de goede milieutoestand niet in alle opzichten door middel van door die lidstaat genomen maatregelen kunnen worden bereikt of om onder punt e) bedoelde redenen niet binnen het betrokken tijdschema kunnen worden bereikt:

a)

maatregelen of het uitblijven van maatregelen waarvoor de betrokken lidstaat niet verantwoordelijk is;

b)

natuurlijke oorzaken;

c)

overmacht;

d)

wijzigingen of veranderingen in de fysische kenmerken van mariene wateren veroorzaakt door maatregelen die werden genomen om redenen van dwingend openbaar belang die zwaarder wegen dan de negatieve milieueffecten, inclusief grensoverschrijdende effecten;

e)

natuurlijke omstandigheden laten niet toe dat de toestand van de betrokken mariene wateren tijdig verbetert.

De betrokken lidstaat omschrijft zulke gevallen duidelijk in zijn programma van maatregelen en verschaft de Commissie het nodige bewijsmateriaal ter staving van zijn standpunt. Bij het identificeren van gevallen houden de lidstaten rekening met de gevolgen voor de lidstaten in de betrokken mariene regio of subregio.

De betrokken lidstaat dient evenwel passende ad-hocmaatregelen te nemen om het nastreven van de milieudoelen voort te zetten, een verdere verslechtering van de toestand van de getroffen mariene wateren vanwege de in de punten b), c) of d) genoemde redenen te voorkomen en de negatieve gevolgen op het niveau van de betrokken mariene regio, subregio of mariene wateren van de overige lidstaten te verlichten.

2.   In de in lid 1, onder d), bedoelde situatie zien de lidstaten erop toe dat de wijzigingen of veranderingen niet zodanig zijn dat zij het bereiken van een goede milieutoestand op het niveau van de betrokken mariene regio, subregio of mariene wateren van de overige lidstaten voorgoed uitsluiten of in het gedrang brengen.

3.   De in lid 1, derde alinea, bedoelde ad-hocmaatregelen worden voor zover zulks haalbaar is, geïntegreerd in de programma’s van maatregelen.

4.   De lidstaten ontwikkelen alle in artikel 5, lid 2, genoemde onderdelen van de mariene strategieën en voeren die ook uit; daarbij zijn zij niet verplicht, behalve ten aanzien van de in artikel 8 genoemde initiële beoordeling, om specifieke acties te ondernemen wanneer er geen significant risico voor het mariene milieu bestaat of wanneer de kosten onevenredig zijn gelet op het risico voor het mariene milieu, en op voorwaarde dat er geen verdere achteruitgang is.

Wanneer een lidstaat om een van deze redenen geen acties onderneemt, verschaft hij de Commissie het nodige bewijsmateriaal ter staving van zijn besluit, terwijl hij voorkomt dat het bereiken van een goede milieutoestand voorgoed wordt bemoeilijkt.

Artikel 15

Aanbevelingen voor communautaire actie

1.   Wanneer een lidstaat een probleem constateert dat gevolgen heeft voor de milieutoestand van zijn mariene wateren en dat niet door middel van op nationaal niveau getroffen maatregelen kan worden aangepakt of verband houdt met ander communautair beleid of met een internationale overeenkomst, informeert hij de Commissie daaromtrent en verschaft hij de redenen voor zijn standpunt.

De Commissie reageert binnen een termijn van zes maanden.

2.   Wanneer actie door de communautaire instellingen nodig is, doen de lidstaten de Commissie en de Raad passende aanbevelingen voor actie in verband met maatregelen om het in lid 1 bedoelde probleem op te lossen. Tenzij anders bepaald in de betrokken communautaire wetgeving, reageert de Commissie op dergelijke aanbevelingen binnen een periode van zes maanden en doet zij in voorkomend geval voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad waarin deze aanbevelingen zijn weergegeven.

Artikel 16

Kennisgevingen en beoordeling door de Commissie

Op basis van de kennisgevingen aangaande de programma’s van maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 9, beoordeelt de Commissie of de door iedere lidstaat afzonderlijk meegedeelde programma’s een passend raamwerk vormen om aan de eisen van deze richtlijn te voldoen, en kan zij de betrokken lidstaat verzoeken om alle beschikbare en noodzakelijke aanvullende informatie te verstrekken.

Bij het opstellen van deze beoordelingen houdt de Commissie rekening met de samenhang van de programma’s van maatregelen in de verschillende mariene regio’s en subregio’s en in de Gemeenschap als geheel.

Binnen zes maanden na ontvangst van al deze kennisgevingen stelt de Commissie de betrokken lidstaten op de hoogte van het feit of de verstrekte programma’s van maatregelen volgens haar verenigbaar zijn met deze richtlijn en verstrekt zij advies over eventuele wijzigingen die zij nodig acht.

HOOFDSTUK IV

ACTUALISERING, VERSLAGLEGGING EN INFORMATIE AAN HET PUBLIEK

Artikel 17

Actualisering

1.   De lidstaten zien erop toe dat de mariene strategieën voor elke betrokken mariene regio of subregio worden geactualiseerd.

2.   Voor de toepassing van lid 1 toetsen de lidstaten om de zes jaar na de eerste vaststelling, de volgende elementen van hun mariene strategie op een gecoördineerde manier in de zin van artikel 5:

a)

de eerste beoordeling en vaststelling van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 8, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 1;

b)

de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen;

c)

de overeenkomstig artikel 11, lid 1, vastgestelde monitoringprogramma’s;

d)

de overeenkomstig artikel 13, lid 2, vastgestelde programma’s van maatregelen.

3.   Nadere bijzonderheden met betrekking tot eventuele actualiseringen naar aanleiding van de in lid 2 bedoelde toetsingen worden uiterlijk drie maanden na de bekendmaking ervan overeenkomstig artikel 19, lid 2, toegezonden aan de Commissie, aan de instanties van de regionale zeeverdragen en aan alle andere betrokken lidstaten.

4.   De artikelen 12 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing op dit artikel.

Artikel 18

Tussentijdse verslagen

De lidstaten dienen, binnen drie jaar na de bekendmaking overeenkomstig artikel 19, lid 2, van elk programma van maatregelen of van enige actualisering daarvan, bij de Commissie een beknopt tussentijds verslag in, waarin de bij de uitvoering van dat programma geboekte vooruitgang wordt beschreven.

Artikel 19

Raadpleging van het publiek en informatie

1.   Overeenkomstig de toepasselijke Gemeenschapswetgeving zorgen de lidstaten ervoor dat alle betrokken partijen tijdig en daadwerkelijk de kans krijgen om aan de uitvoering van deze richtlijn deel te nemen, en dat hierbij waar mogelijk bestaande beheersorganisaties of structuren, waaronder regionale zeeverdragen, wetenschappelijke adviesorganen en regionale adviesraden worden betrokken.

2.   De lidstaten maken een samenvatting van de volgende elementen van hun mariene strategieën c.q. de actualiseringen daarvan, bekend aan het publiek en bieden het de gelegenheid om commentaar te geven:

a)

de initiële beoordeling en de vaststelling van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 8, lid 1, respectievelijk artikel 9, lid 1;

b)

de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen;

c)

de overeenkomstig artikel 11, lid 1, vastgestelde monitoringprogramma’s;

d)

de overeenkomstig artikel 13, lid 2, vastgestelde programma’s van maatregelen.

3.   Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (23) is van toepassing wat betreft de toegang tot milieu-informatie.

Overeenkomstig Richtlijn 2007/2/EG verlenen de lidstaten de Commissie voor het uitvoeren van haar taken in verband met deze richtlijn, met name met het oog op de in artikel 20, lid 3, onder b), bedoelde herziening van de toestand van het mariene milieu in de Gemeenschap, toegangs- en gebruiksrechten met betrekking tot die gegevens en informatie die afkomstig zijn van de krachtens artikel 8 verrichte initiële beoordelingen en van de krachtens artikel 11 opgestelde monitoringprogramma’s.

Uiterlijk zes maanden nadat de gegevens en informatie afkomstig van de krachtens artikel 8 verrichte initiële beoordelingen en van de krachtens artikel 11 opgestelde monitoringprogramma’s beschikbaar zijn, worden deze gegevens en informatie ook beschikbaar gesteld aan het Europees Milieuagentschap ter uitvoering van zijn taken.

Artikel 20

Verslagen van de Commissie

1.   De Commissie maakt binnen twee jaar na de ontvangst van alle programma’s van maatregelen, en in ieder geval uiterlijk in 2019, een eerste beoordelingsverslag over de uitvoering van deze richtlijn bekend.

Vervolgens publiceert de Commissie om de zes jaar een verslag. Zij dient deze verslagen in bij het Europees Parlement en de Raad.

2.   Commissie publiceert uiterlijk 15 juli 2012 een verslag waarin de bijdrage van deze richtlijn wordt beoordeeld aan de uitvoering van de bestaande communautaire of internationale verplichtingen, afspraken en initiatieven van de lidstaten of de Gemeenschap op het gebied van de bescherming van het milieu in de mariene wateren.

Dat rapport wordt ingediend bij het Europees Parlement en de Raad.

3.   De in lid 1 bedoelde verslagen bevatten de volgende elementen:

a)

een beoordeling van de vooruitgang die bij de uitvoering van deze richtlijn is geboekt;

b)

een beoordeling van de toestand van het mariene milieu in de Gemeenschap, uitgevoerd in overleg met het Europees Milieuagentschap en de betrokken regionale mariene en visserijorganisaties en -verdragen;

c)

een overzicht van de mariene strategieën, vergezeld van suggesties voor de verbetering daarvan;

d)

een samenvatting van de overeenkomstig de artikelen 12 en 16 van de lidstaten ontvangen informatie, alsmede van de beoordeling door de Commissie, overeenkomstig artikel 16, van de informatie die zij overeenkomstig artikel 15 van de lidstaten heeft ontvangen;

e)

een samenvatting van de reacties van de Commissie op elk van de verslagen die de lidstaten overeenkomstig artikel 18 hebben ingediend;

f)

een samenvatting van de reacties op de opmerkingen die het Europees Parlement en de Raad naar aanleiding van eerdere mariene strategieën hebben gemaakt;

g)

een samenvatting van de bijdrage die door ander communautair beleid ter zake tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn wordt geleverd.

Artikel 21

Voortgangsverslag over beschermde gebieden

Op grond van de informatie die de lidstaten tegen 2013 verstrekken, brengt de Commissie tegen 2014 verslag uit over de vorderingen betreffende de invoering van beschermde mariene gebieden, waarbij rekening wordt gehouden met bestaande verplichtingen krachtens het toepasselijke Gemeenschapsrecht en met internationale verplichtingen van de Gemeenschap en de lidstaten.

Dit verslag wordt voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 22

Communautaire financiering

1.   Gezien het prioritaire karakter dat inherent is aan de mariene strategieën moet de uitvoering van deze richtlijn worden gesteund door de bestaande communautaire financieringsinstrumenten overeenkomstig de toepasselijke regels en voorwaarden.

2.   De door de lidstaten opgestelde programma’s worden door de Europese Unie medegefinancierd overeenkomstig de bestaande financieringsinstrumenten.

Artikel 23

Evaluatie van deze richtlijn

De Commissie evalueert deze richtlijn opnieuw uiterlijk op 15 juli 2023 en stelt in voorkomend geval eventueel noodzakelijke wijzigingen voor.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Technische aanpassingen

1.   De bijlagen III, IV en V kunnen worden gewijzigd in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang overeenkomstig de in artikel 25, lid 3, bedoelde regelgevingsprocedure met toetsing, rekening houdend met de termijnen voor de toetsing en actualisering van de mariene strategieën overeenkomstig artikel 17, lid 2.

2.   Overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure:

a)

kunnen methodologische standaarden worden vastgesteld voor de toepassing van de bijlagen I, III, IV en V;

b)

kunnen technische schema’s worden vastgesteld ten behoeve van de overdracht en verwerking van gegevens, met inbegrip van statistische en cartografische gegevens.

Artikel 25

Regelgevend comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn artikel 5 bis, leden 1 tot en met 4, en artikel 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 26

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 15 juli 2010 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   De lidstaten zonder mariene wateren doen alleen de bepalingen in werking treden die nodig zijn om de naleving te garanderen van de vereisten van artikel 6 en artikel 7.

Wanneer dergelijke bepalingen reeds in de nationale wetgeving van kracht zijn, delen de lidstaten de Commissie de tekst van die bepalingen mee.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 28

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 17 juni 2008.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

J. LENARČIČ


(1)  PB C 185 van 18.8.2006, blz. 20.

(2)  PB C 206 van 29.8.2006, blz. 5.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 14 november 2006 (PB C 314 E van 21.12.2006, blz. 86), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 juli 2007 (PB C 242 E van 16.10.2007, blz. 11) en standpunt van het Europees Parlement van 11 december 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 14 mei 2008.

(4)  PB L 242 van 10.9.2002, blz. 1.

(5)  PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 368).

(6)  PB L 103 van 25.4.1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG.

(7)  PB L 309 van 13.12.1993, blz. 1.

(8)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2008/32/EG (PB L 81 van 20.3.2008, blz. 60).

(9)  PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1.

(10)  PB L 73 van 16.3.1994, blz. 19.

(11)  PB L 104 van 3.4.1998, blz. 1.

(12)  PB L 118 van 19.5.2000, blz. 44.

(13)  PB L 240 van 19.9.1977, blz. 1.

(14)  PB L 322 van 14.12.1999, blz. 32.

(15)  PB L 67 van 12.3.1983, blz. 1.

(16)  PB L 322 van 14.12.1999, blz. 18.

(17)  PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.

(18)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 865/2007 (PB L 192 van 24.7.2007, blz. 1).

(19)  PB C 364 van 18.12.2000, blz. 1.

(20)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(21)  PB L 135 van 30.5.1991, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(22)  PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37.

(23)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.


BIJLAGE I

Kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand

(bedoeld in artikel 3, lid 5, artikel 9, lid 1, artikel 9, lid 3, en artikel 24)

(1)

De biologische diversiteit wordt behouden. De kwaliteit en het voorkomen van habitats en de verspreiding en dichtheid van soorten zijn in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden.

(2)

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert.

(3)

Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een opbouw qua leeftijd en omvang die kenmerkend is voor een gezond bestand.

(4)

Alle elementen van de mariene voedselketens, voor zover deze bekend zijn, komen voor in normale dichtheden en diversiteit en op niveaus die de dichtheid van de soorten op lange termijn en het behoud van hun volledige voortplantingsvermogen garanderen.

(5)

Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring is tot een minimum beperkt, met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in de bodemwateren.

(6)

Integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen gewaarborgd zijn en dat met name bentische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast.

(7)

Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade.

(8)

Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden.

(9)

Vervuilende stoffen in vis en andere visserijproducten voor menselijke consumptie overschrijden niet de grenzen die door communautaire wetgeving of andere relevante normen zijn vastgesteld.

(10)

De eigenschappen van, en de hoeveelheden zwerfvuil op zee veroorzaken geen schade aan het kust- en mariene milieu.

(11)

De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, is op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent.

Om de kenmerken van een goede milieutoestand van een mariene regio of subregio overeenkomstig artikel 9, lid 1, te omschrijven, houden de lidstaten rekening met elke van de in deze bijlage opgenomen kwalitatief beschrijvende elementen, teneinde na te gaan welke van die beschrijvende elementen moeten worden gebuikt om de goede milieutoestand voor die mariene regio of subregio vast te stellen. Wanneer een lidstaat het niet passend vindt een of meer van deze beschrijvende elementen te gebruiken, verschaft hij de Commissie een motivering in het kader van de kennisgeving als bedoeld in artikel 9, lid 2.


BIJLAGE II

Bevoegde instanties

(bedoeld in artikel 7, lid 1)

(1)

Naam en adres van de bevoegde instantie of instanties — officiële naam en officieel adres van de aangewezen bevoegde instantie/instanties.

(2)

Bevoegdheden — een korte omschrijving van de juridische en administratieve bevoegdheden van de bevoegde instantie of instanties.

(3)

Verantwoordelijkheden — een korte omschrijving van de juridische en administratieve verantwoordelijkheden van de bevoegde instantie of instanties en van haar of hun rol ten aanzien van de betrokken mariene wateren.

(4)

Lidmaatschap — indien de bevoegde instantie of instanties optreedt als coördinerend orgaan voor andere bevoegde instanties, is een lijst van die organisaties vereist, evenals een samenvatting van de institutionele verhoudingen die met het oog op de coördinatie zijn vastgesteld.

(5)

Regionale of subregionale coördinatie — er is een samenvatting vereist van de mechanismen die zijn ingesteld met het oog op de coördinatie tussen de lidstaten wier mariene wateren deel uitmaken van dezelfde mariene regio of subregio.


BIJLAGE III

Indicatieve lijst van kenmerken, belastende en beïnvloedende factoren

(bedoeld in artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, artikel 9, lid 3, artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, en artikel 24)

Tabel 1

Kenmerken

Fysische en chemische kenmerken

Reliëf van de zeebodem en bathymetrie;

Jaarlijks en seizoengerelateerd temperatuurverloop en ijsbedekking, stroomsnelheid, upwelling, golfblootstelling, mengkarakteristieken, troebelheid, verblijftijd;

Verdeling in ruimte en tijd van de saliniteit;

Verdeling in ruimte en tijd van nutriënten (DIN, TN, DIP, TP, TOC) en zuurstof;

pH, pCO2-profielen of gelijkwaardige gegevens die gebruikt zijn om de verzuring van de zee te meten.

Habitattypes

De meest voorkomende habitattype(s) van de zeebodem en de waterkolom, met een beschrijving van hun karakteristieke fysische en chemische kenmerken, zoals diepte, temperatuurverloop, stromingen en andere waterbewegingen, saliniteit, structuur en samenstelling van de zeebodem;

Inventarisatie en kartering van bijzondere habitattypes, met name die welke onderwerp zijn van, of zijn aangewezen krachtens communautaire wetgeving (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn) of internationale verdragen omdat zij in wetenschappelijk opzicht of voor de biodiversiteit van bijzonder belang zijn;

Habitats in gebieden die wegens hun karakteristieken, ligging of strategisch belang specifieke aandacht verdienen. Het kan gaan om gebieden die blootstaan aan intense of specifieke belasting, dan wel om gebieden die een specifiek beschermingsregime vereisen.

Biologische kenmerken

Een beschrijving van de levensgemeenschappen die met de meest voorkomende habitats van de zeebodem en de waterkolom zijn geassocieerd. Dit omvat informatie over fytoplankton- en zoöplanktongemeenschappen, met inbegrip van soorten en geografische spreiding en seizoenvariabiliteit;

Informatie over angiospermen, macroalgen en ongewervelde benthische fauna, inclusief soortensamenstelling, biomassa, productiviteit en variabiliteit op jaar- en seizoenbasis;

Informatie over de structuur van vispopulaties, met inbegrip van de dichtheid, verspreiding en leeftijds en lengteverdeling daarvan;

Een beschrijving van de populatiedynamiek en de natuurlijke en feitelijke verspreiding en de toestand van zeezoogdieren- en reptielensoorten die in de regio of subregio voorkomen;

Een beschrijving van de populatiedynamiek en de natuurlijke en feitelijke verspreiding en de toestand van zeevogelsoorten die in de regio of subregio voorkomen;

Een beschrijving van de populatiedynamiek en de natuurlijke en feitelijke verspreiding en de toestand van andere in de regio of subregio voorkomende soorten die onder communautaire wetgeving of internationale overeenkomsten vallen;

Een inventaris van het voorkomen in de tijd, de dichtheid en de verspreiding van niet-inheemse soorten (exoten) of, indien relevant, de genetisch afwijkende vormen van inheemse soorten die in de regio of subregio worden aangetroffen.

Andere kenmerken

Een beschrijving van de toestand qua chemische stoffen, met inbegrip van zorgwekkende chemische stoffen, verontreiniging van sedimenten, „hot spots”, volksgezondheidsproblemen, verontreiniging van biota (in het bijzonder biota voor menselijke consumptie);

Een beschrijving van andere kenmerken, typische of bijzondere eigenschappen van de regio of subregio.


Tabel 2

Belastende en beïnvloedende factoren

Fysieke vernietiging

Verstikking (b.v. door kunstmatige structuren, storten van baggerspecie);

Afdichting (b.v. door permanente constructies).

Fysieke beschadiging

Veranderingen in slibafzetting (b.v. door lozingen, toegenomen afstroming, baggeren/storten van baggerspecie);

Abrasie (b.v. invloed op de zeebodem van commerciële visserijactiviteiten, plezierboten, ankers);

Selectieve onttrekking (b.v. door exploratie en exploitatie van levende en niet-levende rijkdommen op de zeebodem en de ondergrond).

Andere fysieke verstoringen

Onderwatergeluid (b.v. door scheepvaart, akoestische instrumenten voor toepassingen onder water);

Zwerfvuil op zee.

Interferentie met hydrologische processen

Significante veranderingen in het temperatuurregime (b.v. lozingen van energiecentrales);

Significante veranderingen in het saliniteitsregime (b.v. door constructies die de waterbeweging belemmeren, waterwinning).

Verontreiniging met gevaarlijke stoffen

Toevoer van synthetische stoffen (b.v. prioritaire stoffen in de zin van Richtlijn 2000/60/EG, die voor het mariene milieu relevant zijn, zoals pesticiden, aangroeiwerende middelen, geneesmiddelen, b.v. door verliezen uit diffuse bronnen, verontreiniging door schepen, atmosferische depositie) en biologisch actieve stoffen;

Toevoer van van nature voorkomende stoffen en verbindingen (b.v. zware metalen, koolwaterstoffen, b.v. door verontreiniging door schepen, exploratie en exploitatie van olie, gas en mineralen, atmosferische depositie, door aanvoer via rivieren);

Toevoer van radionucliden.

Stelselmatige en/of opzettelijke lozing van stoffen

Toevoer van andere stoffen in vaste, vloeibare of gasvorm, in mariene wateren, door de stelselmatige en/of opzettelijke lozing in het mariene milieu, zoals toegestaan overeenkomstig andere communautaire wetgeving en/of internationale verdragen.

Verrijking met organische stoffen en nutriënten

Aanvoer van kunstmeststoffen en andere stikstof- en fosforrijke stoffen (b.v. afkomstig van punt- en diffuse bronnen, m.i.v. landbouw, aquacultuur, atmosferische depositie);

Toevoer van organische stoffen (b.v. rioleringen, mariene aquacultuur, aanvoer via rivieren).

Biologische verstoring

Introductie van microbiële ziekteverwekkers;

Introductie van niet-inheemse soorten en translocaties;

Selectieve onttrekking van soorten, met inbegrip van incidentele bijvangsten (b.v. commerciële en recreatieve visserij).


BIJLAGE IV

Indicatieve lijst van kenmerken die bij de vaststelling van milieudoelen van belang zijn

(bedoeld in artikel 10, lid 1, en artikel 24)

(1)

Adequate dekking van de elementen die karakteristiek zijn voor de mariene wateren in een mariene regio of subregio die onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaat vallen.

(2)

Noodzaak om vast te stellen: a) doelen overeenstemmend met de gewenste omstandigheden, op basis van de definitie van de goede milieutoestand; b) meetbare doelen en daarmee samenhangende indicatoren die monitoring en beoordeling mogelijk maken, en c) operationele doelen in samenhang met concrete uitvoeringsmaatregelen ter ondersteuning van het bereiken ervan.

(3)

Specificatie van de te bereiken of te behouden milieutoestand en omschrijving van die toestand in termen van meetbare eigenschappen van de karakteristieke elementen van de mariene wateren van de lidstaat in een mariene regio of subregio.

(4)

Onderlinge consistentie van de doelen; afwezigheid van conflicten daartussen.

(5)

Specificatie van de middelen die nodig zijn voor het bereiken van de doelen.

(6)

Omschrijving van de doelen, inclusief eventuele tussentijdse doelen, met een tijdschema voor het bereiken ervan.

(7)

Specificatie van indicatoren ter bewaking van de geboekte voortgang en ter sturing van de beslissingen in het beheer om de doelen te bereiken.

(8)

Waar passend, specificatie van referentiewaarden (streefwaarden en grenswaarden).

(9)

Passende inachtneming van sociale en economische overwegingen bij de vaststelling van de doelen.

(10)

Onderzoek van het geheel van milieudoelen en de daarmee samenhangende indicatoren en grens- en streefwaarden die zijn ontwikkeld in het licht van de in artikel 1 nedergelegde milieudoelstelling, teneinde te beoordelen of het bereiken van de doelen ertoe zal leiden dat in de onder de soevereiniteit of jurisdictie van de lidstaten vallende mariene wateren in een mariene regio een overeenkomstige toestand wordt gerealiseerd.

(11)

Verenigbaarheid van de doelen met de doelstellingen waartoe de Gemeenschap en haar lidstaten zich krachtens relevante internationale en regionale overeenkomsten hebben verbonden, door die te gebruiken welke voor de betrokken mariene regio of subregio het meest passend zijn om de in artikel 1 bedoelde milieudoelstelling te bereiken.

(12)

Wanneer de reeks van doelen en indicatoren is samengesteld, dient het geheel te worden getoetst aan de in artikel 1 nedergelegde milieudoelstelling, teneinde te beoordelen of het bereiken van de doelen ertoe zal leiden dat in het mariene milieu een overeenkomstige toestand wordt gerealiseerd.


BIJLAGE V

Monitoringprogramma’s

(bedoeld in artikel 11, lid 1, en artikel 24)

(1)

Noodzaak om informatie te verstrekken met het oog op het beoordelen van de milieutoestand en een schatting van de afstand tot en voortgang in de richting van de goede milieutoestand overeenkomstig bijlage III en de criteria en methodologische standaarden die krachtens artikel 9, lid 3, worden vastgesteld.

(2)

Noodzaak om te garanderen dat de informatie wordt vergaard die nodig is om passende indicatoren te selecteren voor de milieudoelen waarin artikel 10 voorziet.

(3)

Noodzaak om te garanderen dat de informatie wordt vergaard die nodig is om het effect van de in artikel 13 bedoelde maatregelen te beoordelen.

(4)

Noodzaak om te voorzien in activiteiten om de oorzaak van veranderingen te achterhalen en zodoende — in voorkomend geval — de bijsturingsmaatregelen te kunnen nemen die nodig zijn om terug te keren naar een goede milieutoestand, indien afwijkingen van het gewenste toestandsbereik zijn vastgesteld.

(5)

Noodzaak om informatie te verschaffen over de chemische verontreinigingen in door de mens geconsumeerde vissoorten in gebieden waar commerciële visserij wordt beoefend.

(6)

Noodzaak om te voorzien in activiteiten om te controleren of de bijsturingsmaatregelen de gewenste veranderingen teweegbrengen en geen ongewenste neveneffecten veroorzaken.

(7)

Noodzaak om de informatie op het niveau van de mariene regio’s of subregio’s samen te voegen overeenkomstig artikel 4.

(8)

Noodzaak om ten aanzien van de beoordeling te zorgen voor binnen en tussen mariene regio’s en/of subregio’s vergelijkbare benaderingen en methoden.

(9)

Noodzaak om op Gemeenschapsniveau technische specificaties en gestandaardiseerde monitoringmethoden uit te werken met het oog op de vergelijkbaarheid van informatie.

(10)

Noodzaak om een zo groot mogelijke afstemming tot stand te brengen met bestaande regionale en internationale programma’s, teneinde de samenhang tussen die programma’s te bevorderen en overlappingen te vermijden, door gebruik te maken van de richtsnoeren voor monitoring die voor de betrokken mariene regio’s of subregio’s het meest passend zijn.

(11)

Noodzaak om in het kader van de in artikel 8 bedoelde initiële beoordeling te voorzien in een beoordeling van belangrijke veranderingen in de milieuomstandigheden alsook, in voorkomend geval, van nieuwe en in belang toenemende problemen.

(12)

Noodzaak om in het kader van de in artikel 8 bedoelde initiële beoordeling aandacht te besteden aan de in bijlage III opgesomde betrokken elementen en de natuurlijke variabiliteit daarvan en om het geleidelijk bereiken van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, vastgestelde milieudoelen te beoordelen, voor zover passend met gebruikmaking van de reeks indicatoren en de bijbehorende grens- en streefwaarden.


BIJLAGE VI

Programma’s van maatregelen

(bedoeld in artikel 13, lid 1, en artikel 24)

(1)

Beheersing van de ingrepen: beheermaatregelen met betrekking tot de omvang van de toegestane menselijke activiteiten.

(2)

Beheersing van de effecten: beheermaatregelen met betrekking tot de mate van verstoring van ecosysteemcomponenten die toelaatbaar wordt geacht.

(3)

Beheersing van de verdeling van activiteiten in ruimte en tijd: beheermaatregelen die helpen bepalen waar en wanneer bepaalde activiteiten mogen plaatsvinden.

(4)

Coördinatie van beheermaatregelen: instrumenten die de coördinatie van het beheer garanderen.

(5)

Maatregelen om, waar mogelijk, de traceerbaarheid van mariene verontreiniging te verbeteren.

(6)

Economische prikkels: beheermaatregelen die het voor de gebruikers van het mariene ecosysteem economisch interessant maken om zich zo te gedragen dat het bereiken van de goede milieutoestand wordt bevorderd.

(7)

Mitigerende en herstelmaatregelen: beheerinstrumenten die ervoor zorgen dat menselijke activiteiten bijdragen tot het herstel van beschadigde componenten van mariene ecosystemen.

(8)

Communicatie, participatie van de belanghebbende partijen en publieke bewustwording.


Top