Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32007L0038

Richtlijn 2007/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitrusting met spiegels van in de Gemeenschap ingeschreven vrachtwagens

OJ L 184, 14.7.2007, p. 25–28 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 035 P. 99 - 102

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/38/oj

14.7.2007   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 184/25


RICHTLIJN 2007/38/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 11 juli 2007

betreffende de uitrusting met spiegels van in de Gemeenschap ingeschreven vrachtwagens

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1, onder c),

Gelet op het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een aantal ongevallen wordt veroorzaakt door vrachtwagenbestuurders die zich er niet bewust van zijn dat andere weggebruikers zich zeer dichtbij of naast hun voertuig bevinden. Deze ongevallen hebben vaak te maken met een afslagbeweging bij een kruispunt, splitsing of rotonde waarbij de vrachtwagenbestuurder andere weggebruikers die zich in de dode hoek naast zijn voertuig bevinden, niet opmerkt. In Europa komen jaarlijks naar schatting 400 personen, voornamelijk zwakke weggebruikers zoals fietsers, motorrijders en voetgangers, bij dergelijke ongevallen om het leven.

(2)

In het Witboek van 12 september 2001„Het Europese vervoersbeleid tot het jaar 2010: Tijd om te kiezen” heeft de Commissie de doelstelling naar voren geschoven om het aantal verkeersslachtoffers in de EU tegen 2010 met de helft terug te dringen. In haar derde Europees actieprogramma voor verkeersveiligheid heeft de Commissie zich ertoe verbonden te onderzoeken of ook reeds in gebruik zijnde vrachtwagens kunnen worden uitgerust met inrichtingen voor indirect zicht om de dode hoek weg te werken en het aantal verkeersslachtoffers terug te dringen.

(3)

In het eindrapport van zijn 10-jarenactieplan „A Competitive Automotive Regulatory System for the 21st century” pleit de CARS 21-groep op hoog niveau voor een geïntegreerd verkeersveiligheidsbeleid waaronder de verplichte invoering van nieuwe veiligheidselementen, zoals spiegels, om de dode hoek bij vrachtwagens te verkleinen.

(4)

Inrichtingen voor indirect zicht, zoals breedtespiegels en trottoirspiegels, camera's, monitors of andere inrichtingen met typegoedkeuring voor indirect zicht verbeteren het gezichtsveld van de bestuurder en verhogen de veiligheid van het voertuig.

(5)

Richtlijn 2003/97/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2003 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de typegoedkeuring van inrichtingen voor indirect zicht en van voertuigen met deze inrichtingen (3), kan weliswaar zorgen voor een sterke daling van het aantal slachtoffers, maar is alleen van toepassing op voor de eerste keer ingeschreven voertuigen.

(6)

Voertuigen die reeds in gebruik zijn, vallen daarom niet onder de bepalingen van Richtlijn 2003/97/EG. Het duurt waarschijnlijk nog tot 2023 vóór deze voertuigen allemaal zijn vervangen.

(7)

Om het aantal dodelijke en zware ongevallen tussen deze voertuigen en zwakke weggebruikers te verminderen is het raadzaam deze voertuigen in de tussentijd uit te rusten met betere inrichtingen voor indirect zicht.

(8)

Voertuigen die reeds in gebruik zijn, dienen te worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de technische voorschriften van Richtlijn 2003/97/EG om de zijdelingse dode hoek te verkleinen. Bij de meeste bestaande voertuigen levert de aanpassing geen technische problemen op.

(9)

Het wordt passend en evenredig beschouwd te voorzien in vrijstellingen en afwijkingen voor voertuigen waarvan de resterende levensduur te kort is, voertuigen die zijn uitgerust met zijspiegels met een gezichtsveld dat slechts een fractie kleiner is dan het in Richtlijn 2003/97/EG voorgeschreven gezichtsveld en voertuigen die niet op een economisch haalbare wijze kunnen worden uitgerust met spiegels die aan die richtlijn voldoen.

(10)

Voertuigen van de categorieën N2 en N3 die oorspronkelijk zijn ingeschreven en/of typegoedkeuring hebben gekregen en/of in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2000 en die voornamelijk vanwege hun historisch belang worden bediend, moeten niet onder de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften en procedures vallen.

(11)

Voor vrachtwagens die om technische en/of economische redenen niet volledig aan de voorschriften van deze richtlijn kunnen voldoen, dienen de bevoegde autoriteiten alternatieve oplossingen toe te staan en vast te stellen. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten lijsten van toegestane en goedgekeurde technische oplossingen doen toekomen aan de Commissie, die deze lijsten op haar beurt ter beschikking van de lidstaten stelt.

(12)

Om de markt de kans te bieden in te spelen op de grote vraag naar spiegels gedurende een korte periode, dient te worden voorzien in een overgangsperiode.

(13)

Vrachtwagens die vóór de data van omzetting van Richtlijn 2003/97/EG werden uitgerust met inrichtingen voor indirect zicht, die het bij die richtlijn vereiste gezichtsveld grotendeels bedekken, moeten worden vrijgesteld van de bepalingen van deze richtlijn.

(14)

De installatie van de spiegels moet gepaard gaan met passende maatregelen om het bewustzijn over de gevaren van de dode hoek bij vrachtwagens te verhogen, met inbegrip van voorlichtingsacties gericht op kwetsbare weggebruikers, en met betrekking op de juiste afstelling en het juiste gebruik van inrichtingen voor indirect zicht.

(15)

Andere voertuigen dan die welke onder deze richtlijn vallen, zoals lichte vrachtwagens of bussen die niet zijn uitgerust met verbeterde inrichtingen voor indirect zicht, zijn eveneens betrokken bij dodehoekongevallen. Daarom is het nodig de Gemeenschapswetgeving inzake actieve en passieve veiligheidsvereisten voortdurend te herzien, teneinde de verkeersveiligheid te verbeteren en te bevorderen.

(16)

In het belang van een meer uitgebreide analyse en een toekomststrategie ter vermindering van dodehoekongevallen dient de Commissie overeenkomstig Beschikking 93/704/EG van de Raad van 30 november 1993 betreffende de oprichting van een communautaire gegevensbank inzake ongevallen in het wegverkeer (4) en andere toepasselijke communautaire wetsbesluiten, zoals Beschikking nr. 2367/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het communautair statistisch programma voor de periode 2003-2007 (5), relevante gegevens in te winnen bij de lidstaten en op passende wijze te verwerken.

(17)

In Richtlijn 96/96/EG van de Raad van 20 december 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake de technische controle van motorvoertuigen en aanhangwagens (6) wordt bepaald dat voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen en met een maximaal toelaatbare massa van meer dan 3,5 ton minstens één maal per jaar een periodieke technische controle moeten ondergaan. Om door deze controle te komen, moeten vrachtwagens onder meer zijn uitgerust met achteruitkijkspiegels die aan de voorschriften van deze richtlijn voldoen. Door de lidstaat afgegeven technischecontrolecertificaten voor op zijn grondgebied geregistreerde voertuigen worden wederzijds erkend voor de doeleinden van het vrije verkeer van de voertuigen op de wegen van de lidstaten.

(18)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de uitrusting met spiegels van reeds in de Gemeenschap in gebruik zijnde voertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(19)

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” (7) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bij deze richtlijn worden normen vastgesteld voor de uitrusting van in de Gemeenschap ingeschreven voertuigen van de categorieën N2 en N3 als bedoeld in punt 2 van bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (8) met inrichtingen voor indirect zicht.

Artikel 2

1.   Deze richtlijn is van toepassing op voertuigen van de categorieën N2 en N3 waarvoor geen typegoedkeuring is verleend of die niet als individueel voertuig zijn goedgekeurd krachtens Richtlijn 2003/97/EG.

2.   Deze richtlijn is niet van toepassing op:

a)

voertuigen van de categorieën N2 en N3 die voor 1 januari 2000 zijn ingeschreven;

b)

voertuigen van categorie N2 met een maximaal toelaatbare massa van niet meer dan 7,5 ton waarop het onmogelijk is een spiegel van klasse V te monteren teneinde aan de volgende voorwaarden te voldoen:

i)

geen enkel onderdeel van de spiegel mag zich op een hoogte van minder dan 2 m (met een toegestane afwijking van + 10 cm) boven de grond bevinden bij een belasting die overeenkomt met het maximale technisch toelaatbare gewicht, en

ii)

de spiegel is volledig zichtbaar vanaf de bestuurdersplaats;

c)

voertuigen van de categorieën N2 en N3 die op grond van maatregelen van de lidstaten die voor de data van omzetting van Richtlijn 2003/97/EG in werking zijn getreden, en die voorschrijven dat aan de passagierszijde andere inrichtingen voor indirect zicht worden aangebracht die minstens 95 % van het in de richtlijn voor spiegels van klasse IV en V voorgeschreven totale gezichtsveld op grondniveau overzien.

Artikel 3

1.   De lidstaten eisen dat alle in artikel 2, lid 1 bedoelde voertuigen vanaf 6 augustus 2007 en uiterlijk op 31 maart 2009 aan de passagierszijde zijn uitgerust met breedtespiegels en trottoirspiegels die voldoen aan de onderscheiden voorschriften voor spiegels van klasse IV en V van Richtlijn 2003/97/EG.

2.   In afwijking van lid 1 wordt ervan uitgegaan dat aan de bepalingen van deze richtlijn is voldaan wanneer het voertuig aan de passagierszijde is uitgerust met breedtespiegels en trottoirspiegels en de combinatie van dergelijke inrichtingen toelaat op grond van Richtlijn 2003/97/EG ten minste 95 % voor een spiegel van klasse IV en ten minste 85 % voor een spiegel van klasse V van het gezichtsveld op grondniveau te overzien.

3.   De in artikel 2 bedoelde voertuigen die bij gebrek aan beschikbare en economisch haalbare technische oplossingen niet kunnen worden uitgerust met spiegels die voldoen aan de voorschriften van de leden 1 en 2 van dit artikel, mogen met extra spiegels en/of andere inrichtingen voor indirect zicht worden uitgerust, mits de combinatie van dergelijke inrichtingen toelaat op grond van Richtlijn 2003/97/EG ten minste 95 % voor een spiegel van klasse IV en ten minste 85 % voor een spiegel van klasse V van het gezichtsveld op grondniveau te overzien.

4.   De lidstaten doen de Commissie een lijst toekomen van aan dit artikel beantwoordende technische oplossingen. De Commissie stelt de meegedeelde informatie middels publicatie op haar website of met andere passende middelen ter beschikking van alle lidstaten.

Artikel 4

1.   De conformiteit met de voorschriften van de leden 1, 2 en 3 van artikel 3 wordt vastgesteld middels het bewijs dat door een lidstaat wordt verstrekt overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 96/96/EG.

2.   De Commissie neemt, bijgestaan door de in artikel 8 van Richtlijn 96/96/EG en artikel 13, lid 1, van Richtlijn 70/156/EEG genoemde comités, binnen het kader van hun respectieve bevoegdheden, de geschikte maatregelen om ervoor te zorgen dat de uitrusting bedoeld in artikel 3 van deze richtlijn overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn wordt aangebracht en aan een conformiteitstest en technische controle wordt onderworpen. Deze maatregelen worden uiterlijk op 6 augustus 2008 genomen.

Artikel 5

Uiterlijk op 6 augustus 2011 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de uitvoering van deze richtlijn, vergezeld van een studie over dodehoekongevallen, met alle voertuigen en gedane kosten, zulks met het oog op de verbetering van de verkeersveiligheid. Op basis van een meer volledige kosten-batenanalyse doet de Commissie dit verslag, indien nodig, vergezeld gaan van een voorstel tot herziening van de bestaande wetgeving.

Artikel 6

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om op 6 augustus 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee, alsmede een tabel ter weergave van het verband tussen die bepalingen en deze richtlijn.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 7

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 8

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 11 juli 2007.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

H.-G. PÖTTERING

Voor de Raad

De voorzitter

M. LOBO ANTUNES


(1)  Advies gegeven op 14 maart 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Advies van het Europees Parlement van 10 mei 2007 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 25 juni 2007.

(3)  PB L 25 van 29.1.2004, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/96/EG van de Raad (PB L 363 van 20.12.2006, blz. 81).

(4)  PB L 329 van 30.12.1993, blz. 63. Beschikking gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(5)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 1. Beschikking gewijzigd bij Beschikking nr. 787/2004/EG (PB L 138 van 30.4.2004, blz. 12).

(6)  PB L 46 van 17.2.1997, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(7)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(8)  PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2007/37/EG (PB L 161 van 22.6.2007, blz. 60).


Top