EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006R1638

Verordening (EG) nr. 1638/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 2006 houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument

OJ L 310, 9.11.2006, p. 1–14 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 11 Volume 050 P. 164 - 177
Special edition in Romanian: Chapter 11 Volume 050 P. 164 - 177

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2013

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1638/oj

9.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 310/1


VERORDENING (EG) Nr. 1638/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 24 oktober 2006

houdende algemene bepalingen tot invoering van een Europees nabuurschaps- en partnerschapsinstrument

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op de artikelen 179 en 181A,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor het plannen en bieden van bijstand wordt een nieuw raamwerk voorgesteld teneinde de externe bijstand van de Gemeenschap doeltreffender te maken. Deze verordening is één van de algemene instrumenten voor de rechtstreekse ondersteuning van het buitenlands beleid van de Europese Unie.

(2)

De Europese Raad heeft op zijn bijeenkomst te Kopenhagen op 12 en 13 december 2002 bevestigd dat uitbreiding van de Europese Unie een belangrijke kans biedt om de betrekkingen met de naburige landen te verbeteren op basis van gemeenschappelijke politieke en economische waarden, en dat de Unie vastbesloten blijft nieuwe scheidslijnen in Europa te vermijden en stabiliteit en welvaart aan deze en gene zijde van de nieuwe grenzen van de Unie te bevorderen.

(3)

De Europese Raad heeft op zijn bijeenkomst te Brussel op 17 en 18 juni 2004 andermaal gewezen op het belang dat hij hecht aan versterking van samenwerking met die buurlanden, op basis van partnerschap en gemeenschappelijke inbreng en van gemeenschappelijke waarden zoals democratie en eerbied voor de mensenrechten.

(4)

In de bevoorrechte betrekkingen tussen de Europese Unie en haar buurlanden dient het nastreven van gemeenschappelijke waarden voorop te staan, waaronder democratie, de rechtsstaat, goed bestuur en naleving van de mensenrechten, alsmede de beginselen van de markteconomie, open, op regels gebaseerde en eerlijke handel, duurzame ontwikkeling en bestrijding van armoede.

(5)

Het is van belang dat de bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening wordt verleend overeenkomstig de internationale overeenkomsten en verdragen waarbij de Gemeenschap, de lidstaten en de partnerlanden partij zijn en rekening houdende met de algemene beginselen van het internationale recht die door alle partijen worden aanvaard.

(6)

In Oostelijk Europa en de Zuidelijke Kaukasus bieden de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten de grondslag voor op overeenkomst berustende betrekkingen. In het Middellandse-Zeegebied biedt het euromediterrane partnerschap (het „Proces van Barcelona”) een regionaal raamwerk voor samenwerking dat door een netwerk van associatieovereenkomsten wordt aangevuld.

(7)

Uit hoofde van het Europees nabuurschapsbeleid stellen de Europese Unie en de partnerlanden gezamenlijk een reeks prioriteiten vast die moeten worden opgenomen in een reeks gezamenlijk overeengekomen actieplannen; zij omvatten een aantal kerngebieden voor specifiek optreden, zoals een politieke dialoog en hervormingen, handel en economische hervormingen, billijke sociale en economische ontwikkelingen, justitie en binnenlandse zaken, energie, vervoer, de informatiemaatschappij, het milieu, onderzoek en innovatie, ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld, alsmede contacten tussen gemeenschappen. Het geleidelijk voldoen aan deze prioriteiten zal het volledig potentieel van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en van de associatieovereenkomsten helpen verwezenlijken.

(8)

Om de partnerlanden bij te staan in het nastreven van gemeenschappelijke waarden en beginselen en in hun inspanningen bij de tenuitvoerlegging van de actieplannen, dient de Gemeenschap in staat te zijn deze landen bijstand te verlenen en verschillende vormen van samenwerking tussen deze landen onderling en tussen hen en de lidstaten te steunen ten behoeve van een ruimte van gemeenschappelijke stabiliteit, veiligheid en welvaart, met een aanzienlijke mate van economische integratie en politieke samenwerking.

(9)

De bevordering van politieke, economische en sociale hervormingen in het omringende gebied is een belangrijke doelstelling van de bijstand van de Gemeenschap. In het Middellandse-Zeegebied wordt deze doelstelling verder nagestreefd in het kader van het mediterrane gedeelte van het „Strategisch partnerschap met het Middellandse-Zeegebied en het Midden-Oosten”. Bij de betrekkingen met de mediterrane buurlanden in Noord-Afrika wordt rekening gehouden met relevante elementen van de EU-strategie voor Afrika.

(10)

Het is van belang dat de steun aan naburige ontwikkelingslanden in het kader dat door het Europees nabuurschapsbeleid wordt geleverd, samenhang vertoont met de doelstellingen en beginselen van het ontwikkelingsbeleid van de Gemeenschap zoals uiteengezet in de gemeenschappelijke verklaring „De Europese consensus over ontwikkeling” (2) die op 20 december 2005 is afgelegd door de Raad en de vertegenwoordigers van de lidstaten in de Raad bijeen, het Europees Parlement en de Commissie.

(11)

De Europese Unie en Rusland hebben ertoe besloten hun specifieke strategische partnerschap via de instelling van vier gemeenschappelijke ruimten verder te ontwikkelen, waarbij communautaire bijstand zal worden gebruikt om de ontwikkeling van dit partnerschap te ondersteunen en om grensoverschrijdende samenwerking aan de grens tussen Rusland en zijn buren van de Europese Unie te bevorderen.

(12)

De Noordelijke Dimensie verschaft een kader voor de samenwerking tussen de Europese Unie, Rusland, Noorwegen en IJsland en het is van groot belang dat steun van de Gemeenschap ook wordt aangewend ter ondersteuning van activiteiten die een bijdrage leveren aan de uitvoering van dit kader. De nieuwe doelstellingen van dit beleid zullen uiteengezet worden in een politieke verklaring. Een document voor het beleidskader zal worden opgesteld op basis van de richtsnoeren die verstrekt werden door de ministervergadering van de Noordelijke Dimensie van 21 november 2005.

(13)

Voor de mediterrane partners zou bijstand en samenwerking plaats moeten vinden in het kader van het euromediterrane partnerschap dat is opgericht met de Verklaring van Barcelona van 28 november 1995 en is bevestigd op de tiende verjaardag van de euromediterrane top van 28 november 2005, waarbij rekening dient te worden gehouden met de overeenkomst die in dat verband is bereikt inzake het tot stand brengen tegen het jaar 2010 van een vrijhandelsruimte voor goederen en het begin van een proces van asymmetrische liberalisering.

(14)

Het is belangrijk dat samenwerking wordt bevorderd, zowel aan de buitengrenzen van de Europese Unie als tussen de partnerlanden, in het bijzonder de partnerlanden die geografisch in elkaars nabijheid liggen.

(15)

Om te vermijden dat er nieuwe scheidslijnen ontstaan is het van bijzonder belang om belemmeringen voor daadwerkelijk grensoverschrijdende samenwerking langs de buitengrenzen van de Europese Unie te verwijderen. Grensoverschrijdende samenwerking dient bij te dragen aan geïntegreerde en duurzame regionale ontwikkeling tussen aanliggende grensregio's en harmonieuze territoriale integratie overal in de Gemeenschap en met buurlanden. Deze doelstelling kan het best worden bereikt door doelstellingen van het buitenlands beleid te combineren met op milieugebied duurzame economische en sociale cohesie.

(16)

Om de partner-buurlanden te helpen hun doelstellingen te bereiken en de samenwerking tussen hen en lidstaten te bevorderen is het wenselijk een enkel beleidsgestuurd instrument tot stand te brengen ter vervanging van een aantal bestaande instrumenten, daarmee samenhang verzekerend en programmering en beheer van de bijstand vereenvoudigend.

(17)

Dit instrument dient tevens grensoverschrijdende samenwerking tussen partnerlanden en de lidstaten te steunen doordat de efficiëntie aanzienlijk wordt verhoogd dankzij het feit dat wordt gewerkt met een enkel beheersmechanisme en met een enkele reeks procedures. Het instrument zal voortbouwen op de ervaringen bij de tenuitvoerlegging van de nabuurschapsprogramma's in de periode 2004-2006 en werken aan de hand van beginselen zoals meerjarenprogrammering, partnerschap en medefinanciering.

(18)

Het is van belang dat grensregio's van landen van de Europese Economische Ruimte (EER) die deelnemen aan grensoverschrijdende samenwerking met lidstaten en partnerlanden, deze deelneming kunnen voortzetten op basis van hun eigen middelen.

(19)

Deze verordening stelt voor de periode 2007-2013 de financiële middelen vast die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van artikel 37 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en goed financieel beheer (3).

(20)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (4).

(21)

De beheersprocedure moet worden toegepast wanneer de uitvoeringsmaatregelen worden vastgesteld voor de uitvoering van grensoverschrijdende samenwerking en wanneer strategiedocumenten, actieprogramma's en niet in strategiedocumenten voorziene bijzondere maatregelen waarvan de waarde 10 miljoen EUR overschrijdt, worden goedgekeurd.

(22)

Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk meer samenwerking en geleidelijke economische integratie tussen de Europese Unie en de buurlanden te bevorderen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve wegens de omvang van het optreden beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(23)

Deze verordening noopt tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1762/92 van de Raad van 29 juni 1992 betreffende de toepassing van de protocollen inzake de financiële en technische samenwerking tussen de Gemeenschap en de mediterrane derde landen (5), Verordening (EG) nr. 1734/94 van de Raad van 11 juli 1994 betreffende de financiële en technische samenwerking met de Westoever en de Gazastrook (6) en Verordening (EG) nr. 1488/96 van de Raad van 23 juli 1996 inzake financiële en technische maatregelen ter ondersteuning van de hervorming van de economische en maatschappelijke structuren in het kader van het Europees-Mediterrane partnerschap (MEDA) (7). Deze verordening komt voorts in de plaats van Verordening (EG, Euratom) nr. 99/2000 van de Raad van 29 december 1999 betreffende bijstand aan de partnerstaten in Oost-Europa en Centraal-Azië (8), die op 31 december 2006 afloopt,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

DOELSTELLINGEN EN BEGINSELEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt een nabuurschaps- en partnerschapsinstrument in het leven geroepen teneinde „bijstand van de Gemeenschap” te bieden voor de ontwikkeling van een gebied van welvaart en goede nabuurschap waarbij zowel de Europese Unie als de landen en gebieden die zijn vermeld in de bijlage (hierna de „partnerlanden” te noemen) zijn betrokken.

2.   De bijstand van de Gemeenschap is bedoeld voor de partnerlanden. Bijstand van de Gemeenschap kan tot gemeenschappelijk voordeel van de lidstaten en de partnerlanden en hun regio's worden gebruikt om grensoverschrijdende en transregionale samenwerking als omschreven in artikel 6 te bevorderen.

3.   De Europese Unie is gegrondvest op de waarden van vrijheid, democratie, eerbiediging van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de rechtsstaat; zij streeft ernaar via dialoog en samenwerking in partnerlanden te bereiken dat deze landen zich bij deze waarden aansluiten.

Artikel 2

Toepassingsgebied van de bijstand van de Gemeenschap

1.   Bijstand van de Gemeenschap dient meer samenwerking en geleidelijke economische integratie tussen de Europese Unie en de partnerlanden te bevorderen en met name bij te dragen tot de tenuitvoerlegging van partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, associatieovereenkomsten en andere bestaande en toekomstige overeenkomsten. Tevens worden de inspanningen van de partnerlanden met het oog op goed bestuur en een billijke sociaaleconomische ontwikkeling ondersteund.

2.   De bijstand van de Gemeenschap wordt gebruikt om maatregelen te steunen op de volgende samenwerkingsgebieden:

a)

het bevorderen van politieke dialoog en hervormingen;

b)

het bevorderen van harmonisatie op een hoger niveau van de wet- en regelgeving op alle relevante gebieden, inzonderheid om de geleidelijke deelneming van partnerlanden aan de interne markt en de toename van de handel aan te moedigen;

c)

het versterken van nationale instellingen en instanties die verantwoordelijk zijn voor de uitwerking en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het beleid op gebieden die onder associatieovereenkomsten, partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en andere multilaterale overeenkomsten waarbij de Gemeenschap en/of de lidstaten en de partnerlanden partij zijn en die ten doel hebben de in dit artikel omschreven doelstellingen te verwezenlijken;

d)

het bevorderen van de rechtsstaat en goed bestuur, met inbegrip van de versterking van de doelmatigheid van overheidsdiensten en de onpartijdigheid en doelmatigheid van het gerechtelijk apparaat, alsook steun voor de bestrijding van corruptie en fraude;

e)

het bevorderen van duurzame ontwikkeling in al haar aspecten;

f)

het verrichten van regionale en lokale ontwikkelingsinspanningen zowel in plattelands- als in stadsgebieden om de onevenwichtigheden te verminderen en het regionale en lokale ontwikkelingspotentieel te verbeteren;

g)

het bevorderen van milieubescherming, natuurbehoud en een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, zoals zoet water en mariene rijkdommen;

h)

het steunen van een beleid dat is gericht op armoedebestrijding met het oog op verwezenlijking van de VN-millenniumontwikkelingsdoelen;

i)

het steunen van beleid om sociale ontwikkeling, sociale insluiting, gelijkheid tussen man en vrouw, niet-discriminatie, werkgelegenheid en sociale bescherming te bevorderen, waaronder ook begrepen de bescherming van migrerende werknemers, de sociale dialoog, alsmede het eerbiedigen van vakbondsrechten en primaire arbeidsnormen met inbegrip van kinderarbeid;

j)

het ondersteunen van het beleid ter bevordering van de volksgezondheid, het onderwijs en opleidingen, niet alleen ter bestrijding van de grote overdraagbare en niet-overdraagbare ziekten en aandoeningen, maar ook inzake de toegang tot diensten en opleiding voor een goede gezondheid, waaronder ook de reproductieve gezondheid en de zuigelingengezondheid voor meisjes en vrouwen;

k)

het bevorderen en beschermen van mensenrechten en fundamentele vrijheden met inbegrip van de rechten van vrouwen en van kinderen;

l)

het ondersteunen van democratisering, onder meer door steunverlening aan het maatschappelijk middenveld, bevordering van het pluralisme der media en waarneming en hulp bij verkiezingen;

m)

het stimuleren van de ontwikkeling van een maatschappelijk middenveld en niet-gouvernementele organisaties;

n)

het bevorderen van de ontwikkeling van een markteconomie waaronder maatregelen voor de particuliere sector en de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen, het aanmoedigen van investeringen en het bevorderen van wereldwijde handel;

o)

het bevorderen van samenwerking in de sectoren energie, telecommunicatie en vervoer, onder meer op het gebied van interconnecties, netwerken en hun operaties, het vergroten van de veiligheid en beveiliging van internationale vervoers- en energieactiviteiten en het bevorderen van nieuwe en hernieuwbare energiebronnen, energie-efficiency en schoon vervoer;

p)

het steunen van acties voor meer voedselveiligheid voor de burgers, vooral op sanitair en fytosanitair gebied;

q)

het zorgen voor een doelmatig en veilig beheer van de grenzen;

r)

het steunen van hervormingen en het versterken van de capaciteit op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, onder meer op het gebied van aangelegenheden als asiel, migratie en wedertoelating, de bestrijding van en het voorkómen van mensenhandel, terrorisme en georganiseerde misdaad, daaronder ook de financiering ervan, het gelden witwassen en belastingfraude;

s)

het steunen van administratieve samenwerking voor meer transparantie en informatie-uitwisseling op belastinggebied om belastingvermijding en -ontduiking tegen te gaan;

t)

het bevorderen van deelneming aan de activiteiten van de Gemeenschap op het gebied van onderzoek en innovatie;

u)

het bevorderen van samenwerking tussen de lidstaten en de partnerlanden op het gebied van het hoger onderwijs en de mobiliteit van leerkrachten, onderzoekers en studenten;

v)

het bevorderen van de multiculturele dialoog, contacten tussen de gemeenschappen, met inbegrip van banden met de in de lidstaten levende immigrantengemeenschappen, samenwerking tussen de verschillende nationale maatschappelijke middenvelden, culturele instellingen en uitwisselingen van jonge mensen;

w)

het ondersteunen van samenwerking bij de bescherming van het historisch en cultureel erfgoed en de bevordering van het ontwikkelingspotentieel daarvan, onder meer door toerisme;

x)

het steunen van de deelneming van partnerlanden aan programma's en agentschappen van de Gemeenschap;

y)

het verlenen van steun aan grensoverschrijdende samenwerking door gemeenschappelijke lokale initiatieven ter bevordering van een duurzame economische, sociale en op het milieu gerichte ontwikkeling in grensgebieden alsmede een beter geïntegreerde ruimtelijke ontwikkeling aan beide zijden van de buitengrens van de Gemeenschap;

z)

het bevorderen van regionale en subregionale samenwerking en integratie, inbegrepen, daar waar het zinvol is, met landen die niet in aanmerking komen voor steun van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening;

aa)

het bieden van steun in postcrisis-situaties, zoals steun aan vluchtelingen en ontheemden en het alert zijn op en trachten te voorkomen van rampen;

bb)

het aanmoedigen van communicatie en het bevorderen van uitwisselingen tussen de partners inzake de maatregelen en activiteiten die uit hoofde van de programma's worden gefinancierd;

cc)

het ingaan op gemeenschappelijke thematische uitdagingen op gebieden van wederzijdse zorg en eventuele andere doelstellingen die met het toepassingsgebied van deze verordening verenigbaar zijn.

Artikel 3

Beleidskader

1.   De partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten, de associatieovereenkomsten en andere bestaande dan wel toekomstige overeenkomsten waarbij een betrekking met partnerlanden tot stand wordt gebracht, alsook de relevante mededelingen van de Commissie en conclusies van de Raad waarin de richtsnoeren voor het beleid van de Europese Unie jegens de genoemde landen uiteen worden gezet, vormen voor de programmering van de bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening een alomvattend beleidskader. Gemeenschappelijk overeengekomen actieplannen of andere gelijkwaardige documenten zijn belangrijke referentiepunten bij het stellen van bijstandsprioriteiten.

2.   Aan landen waarmee de Europese Unie niet dergelijke overeenkomsten heeft gesloten, kan bijstand van de Gemeenschap worden verleend als dit dienstig is om beleidsdoelen van de Unie na te streven. In dat geval wordt de bijstand gepland op basis van deze doelen.

Artikel 4

Complementariteit, partnerschap en medefinanciering

1.   Bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening is gewoonlijk als aanvulling op of bijdrage aan overeenkomstige nationale, regionale of plaatselijke strategieën en maatregelen.

2.   Bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening wordt gewoonlijk in een partnerschap tussen de Commissie en de begunstigden tot stand gebracht. Het partnerschap omvat, in voorkomend geval, nationale, regionale en plaatselijke autoriteiten, economische en sociale partners, het maatschappelijk middenveld en andere ter zake doende instanties.

3.   De begunstigde landen betrekken de relevante partners op het geëigende territoriale niveau, vooral op regionaal en plaatselijk niveau, bij de voorbereiding, tenuitvoerlegging en het toezicht op programma's en projecten.

4.   Bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening wordt gewoonlijk medegefinancierd door de begunstigde landen via openbare middelen, bijdragen van de begunstigden dan wel andere geldbronnen. Van cofinancieringseisen kan worden afgeweken in naar behoren gerechtvaardigde gevallen en wanneer dit nodig is om de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld en niet-overheidsactoren te steunen bij maatregelen ter bevordering van de mensenrechten en fundamentele vrijheden en de democratisering.

Artikel 5

Samenhang, verenigbaarheid en coördinatie

1.   Krachtens deze verordening gefinancierde programma's en projecten dienen verenigbaar te zijn met het beleid van de Europese Unie. Zij dienen zich te onderschikken aan de overeenkomsten die door de Gemeenschap en haar lidstaten met de partnerlanden zijn gesloten en aan hetgeen waartoe zij zich krachtens de multilaterale overeenkomsten en internationale verdragen waar zij partij bij zijn, met inbegrip van toezeggingen inzake mensenrechten, democratie en een goed overheidsbestuur, hebben verbonden.

2.   De Commissie en de lidstaten zorgen voor samenhang tussen de bijstand van de Gemeenschap die uit hoofde van deze verordening wordt geboden en de financiële bijstand die door de Gemeenschap en de lidstaten wordt geboden via andere interne of externe financieringsinstrumenten of die door de Europese Investeringsbank (EIB) wordt geboden.

3.   De Commissie en de lidstaten zorgen voor coördinatie van hun onderscheidenlijke bijstandsprogramma's, teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van de geleverde bijstand overeenkomstig de vastgelegde richtsnoeren voor de versterking van de operationele coördinatie op het gebied van externe bijstand, en voor de harmonisering van hun beleid en procedures, te vergroten. De coördinatie omvat geregelde raadplegingen en veelvuldige uitwisselingen van relevante informatie tijdens de diverse stadia van de bijstandscyclus, met name op operationeel niveau, en vormt een belangrijke stap in het programmeringsproces van de lidstaten en de Gemeenschap.

4.   De Commissie doet, in overleg met de lidstaten, het nodige voor een goede coördinatie en samenwerking met multilaterale en regionale organisaties en entiteiten zoals internationale financiële instellingen, de agentschappen, fondsen en programma's van de Verenigde Naties, alsmede niet-EU-donoren.

TITEL II

PROGRAMMERING EN TOEWIJZING VAN FONDSEN

Artikel 6

Soort programma's

1.   Bijstand van de Gemeenschap uit hoofde van deze verordening wordt uitgevoerd door middel van:

a)

strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's voor één of meerdere landen en voor grensoverschrijdende samenwerking als bedoeld in artikel 7, die het volgende inhouden:

i)

op één of meer landen gerichte programma's: deze betreffen de bijstand aan een partnerland of regionale en subregionale samenwerking tussen twee of meer partnerlanden, waaraan lidstaten kunnen deelnemen;

ii)

programma's voor grensoverschrijdende samenwerking: deze omvatten samenwerking tussen een of meer lidstaten en een of meer partnerlanden, plaatsvindend in regio's die grenzen aan hun gezamenlijk deel van de buitengrens van de Europese Gemeenschap;

b)

gemeenschappelijke operationele programma's voor grensoverschrijdende samenwerking als bedoeld in artikel 9, actieprogramma's op jaarbasis als bedoeld in artikel 12 en bijzondere maatregelen als bedoeld in artikel 13.

2.   Op meer landen gerichte programma's kunnen maatregelen voor transregionale samenwerking omvatten. Onder transregionale samenwerking in de zin van deze richtlijn wordt verstaan samenwerking tussen lidstaten en partnerlanden waarbij gemeenschappelijke uitdagingen worden aangegaan met het oog op hun gemeenschappelijk voordeel, en die overal op het grondgebied van de lidstaten en van de partnerlanden plaatsvindt.

Artikel 7

Programmering en toewijzing van fondsen

1.   Voor op één of meer landen gerichte programma's worden strategiedocumenten goedgekeurd volgens de procedure bedoeld in artikel 26, lid 2. Strategiedocumenten zijn een weerspiegeling van het beleidskader en de actieplannen bedoeld in artikel 3 en zijn consistent met de beginselen en modaliteiten als bedoeld in de artikelen 4 en 5. Strategiedocumenten worden opgesteld voor een periode die verenigbaar is met de in het beleidskader gestelde prioriteiten en bevatten indicatieve meerjarenprogramma's met daarin indicatieve financiële toewijzingen voor meerdere jaren en prioritaire doelstellingen per land of regio die consistent zijn met de in artikel 2, lid 2, genoemde doelstellingen. Zij worden tussentijds of steeds wanneer dit nodig is opnieuw bezien en kunnen volgens de procedure bedoeld in artikel 26, lid 2, worden herzien.

2.   De Commissie bepaalt bij het vaststellen van op één of meer landen gerichte programma's de toewijzingen voor elk programma, gebruikmakend van transparante en objectieve criteria en rekening houdend met de specifieke kenmerken en behoeften van het betrokken land of de betrokken regio, het streefniveau van het partnerschap van de Unie met een bepaald land, de vooruitgang met de implementatie van vastgestelde doelen, met inbegrip van goed bestuur en hervormingen en het vermogen om de hulp van de Gemeenschap te beheren en op te nemen.

3.   Alleen voor grensoverschrijdende samenwerking worden om de lijst van gezamenlijke operationele programma's bedoeld in artikel 9, lid 1, de respectievelijke indicatieve meerjarentoewijzingen en de territoriale eenheden die in aanmerking komen om aan elk programma deel te nemen, vast te stellen, één dan wel zonodig meer specifieke strategiedocumenten goedgekeurd volgens de procedure bedoeld in artikel 26, lid 2. Deze specifieke strategiedocumenten worden opgesteld met inachtneming van de beginselen en modaliteiten die zijn vastgelegd in de artikelen 4 en 5 en omspannen in beginsel een periode van ten hoogste zeven jaar, van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

4.   De Commissie bepaalt de toewijzing van de middelen voor programma's voor samenwerking met grensregio's op basis van objectieve criteria zoals de bevolking van de in aanmerking komende regio's, alsmede andere factoren die van invloed zijn op de mate van samenwerking, bijvoorbeeld de bijzondere kenmerken van een grensregio en de capaciteit voor het beheren en absorberen van de steun van de Gemeenschap.

5.   Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling zal bijdragen aan de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die uit hoofde van de bepalingen van deze verordening worden vastgesteld en ten uitvoer gelegd. De bijdrage van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling voor grenzen met partnerlanden is vermeld in de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds (9) voor de grenzen met partnerlanden.

6.   In omstandigheden van crisis, bedreiging van de democratie, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, natuurlijke of door de mens veroorzaakte rampen kan een spoedprocedure worden gevolgd voor een ad hoc-herziening van de strategiedocumenten. Bij deze herziening dient te worden gezorgd voor samenhang tussen de bijstand van de Gemeenschap die uit hoofde van deze verordening wordt geboden en bijstand uit hoofde van andere financiële instrumenten van de Gemeenschap, waaronder Verordening (EG, Euratom) van het Europees Parlement en de Raad (10) tot invoering van een stabiliteitsinstrument.

TITEL III

GRENSOVERSCHRIJDENDE SAMENWERKING

Artikel 8

In aanmerking komende geografische gebieden

1.   De programma's voor grensoverschrijdende samenwerking bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), punt ii), kunnen elk van de volgende grensregio's omvatten:

a)

alle territoriale eenheden die overeenkomen met NUTS-III-niveau of gelijkwaardig, langs de landgrenzen tussen lidstaten en partnerlanden;

b)

alle territoriale eenheden die overeenkomen met NUTS-III-niveau of gelijkwaardig, aan zeeverbindingen van aanmerkelijk belang;

c)

alle aan een kust gelegen territoriale eenheden die overeenkomen met NUTS-II-niveau of gelijkwaardig, gelegen aan een zeebekken dat lidstaten en partnerlanden gemeen hebben.

2.   Om de voortzetting van bestaande samenwerking te verzekeren en in andere goed gemotiveerde gevallen kunnen ook territoriale eenheden gelegen naast die van lid 1 deelnemen aan de programma's voor grensoverschrijdende samenwerking onder de voorwaarden vastgesteld in de specifieke strategiedocumenten bedoeld in artikel 7, lid 3.

3.   Wanneer overeenkomstig lid 1, onder b), programma's worden opgesteld, kan de Commissie met instemming van de partners voorstellen om de deelname uit te breiden tot de gehele NUTS-II territoriale eenheid op het gebied waarvan de betrokken NUTS-III territoriale eenheid gelegen is.

4.   De lijst van zeeverbindingen van aanmerkelijk belang wordt door de Commissie gedefinieerd in het strategiedocument bedoeld in artikel 7, lid 3, aan de hand van afstand en andere ter zake doende geografische en economische criteria.

Artikel 9

Programmering

1.   Grensoverschrijdende samenwerking uit hoofde van deze verordening wordt ten uitvoer gelegd in het kader van meerjarenprogramma's die samenwerking voor een grens of een cluster van grenzen omvatten en meerjarenmaatregelen behelzen die een consistente reeks prioriteiten nastreven en die met hulp van de bijstand van de Gemeenschap ten uitvoer kunnen worden gelegd (hierna de „gemeenschappelijke operationele programma's” te noemen). De gemeenschappelijke operationele programma's berusten op het (de) specifieke strategiedocument(en) bedoeld in artikel 7, lid 3.

2.   Gemeenschappelijke operationele programma's voor landgrenzen en zeeverbindingen van significant belang worden per grens vastgesteld door het geëigende territoriale niveau en omvatten in aanmerking komende territoriale eenheden die tot een of meer lidstaten en een of meer partnerlanden behoren.

3.   Gemeenschappelijke operationele programma's voor zeebekkens zijn multilateraal en omvatten in aanmerking komende territoriale eenheden die tot diverse deelnemende landen behoren, waaronder tenminste één lidstaat en een partnerland, daarbij rekening houdend met de institutionele systemen en het beginsel van partnerschap. Zij kunnen bilaterale acties omvatten die de samenwerking tussen één lidstaat en één partnerland ondersteunen. Deze programma's moeten zorgvuldig worden gecoördineerd met transnationale samenwerkingsprogramma's met een gedeeltelijk overlappende geografische dekking vastgesteld in de Europese Unie op grond van Verordening (EG) nr. 1083/2006.

4.   Gemeenschappelijke operationele programma's worden vastgesteld door de lidstaten en de betreffende partnerlanden, in nauwe samenwerking met regionale en lokale organen, en worden verwezenlijkt op het daarvoor bestemde territoriale niveau en overeenkomstig hun institutionele stelsel en rekening houdend met het partnerschapsbeginsel. Deze programma's hebben normaal gesproken een looptijd van 7 jaar, van 1 januari 2007 tot 31 december 2013.

5.   Andere landen dan de deelnemende landen die aan een gemeenschappelijk zeebekken grenzen waar een gemeenschappelijk operationeel programma tot stand wordt gebracht, kunnen met dit gemeenschappelijke operationeel programma worden geassocieerd en bijstand van de Gemeenschap genieten onder de voorwaarden die zijn bepaald in de uitvoeringsvoorschriften bedoeld in artikel 11.

6.   Binnen één jaar na de goedkeuring van de strategiedocumenten bedoeld in artikel 7, lid 3, leggen de deelnemende landen gezamenlijk voorstellen voor gemeenschappelijke operationele programma's aan de Commissie voor. De Commissie keurt elk gemeenschappelijk operationeel programma goed nadat zij heeft beoordeeld of het in overeenstemming is met de uitvoeringsvoorschriften ervan.

7.   Gemeenschappelijke operationele programma's kunnen op initiatief van de deelnemende landen, deelnemende grensregio's of van de Commissie worden bijgesteld om rekening te houden met wijzigingen in de samenwerkingsprioriteiten, sociaaleconomische ontwikkelingen, resultaten van de tenuitvoerlegging van de betrokken voorschriften en het proces van toezicht en evaluatie, en met de noodzaak om de voor de hulp beschikbare bedragen aan te passen en de middelen te heralloceren.

8.   Na de goedkeuring van de gemeenschappelijke operationele programma's sluit de Commissie een financieringsovereenkomst af met de partnerlanden, in overeenstemming met de relevante bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002, houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (11). De financiële overeenkomst omvat de juridische bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van het gemeenschappelijke operationele programma en wordt ook ondertekend door de Gemeenschappelijke Beheersautoriteit genoemd in artikel 10.

9.   De deelnemende landen kiezen, rekening houdend met het beginsel van partnerschap, gezamenlijk acties die verenigbaar zijn met de prioriteiten en voorschriften van het gemeenschappelijk operationeel programma dat bijstand van de Gemeenschap zal ontvangen.

10.   In specifieke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie, wanneer

a)

er vanwege moeilijkheden in de betrekkingen tussen deelnemende landen of tussen de EU en een partnerland geen gemeenschappelijk programma kan worden opgezet;

b)

de deelnemende landen niet uiterlijk op 30 juni 2010 een gemeenschappelijk operationeel programma aan de Commissie hebben voorgelegd;

c)

de partnerlanden niet voor het eind van het jaar volgend op de goedkeuring van het programma de financieringsovereenkomst ondertekenen;

d)

het gemeenschappelijke operationele programma niet ten uitvoer kan worden gelegd ten gevolge van problemen in de betrekkingen tussen de deelnemende landen,

na raadpleging van de lidsta(a)t(en), de nodige maatregelen nemen om de betrokken lidstaat in staat te stellen om gebruik te maken van de bijdrage van het EFRO aan het programma overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1083/2006.

Artikel 10

Programmabeheer

1.   Gemeenschappelijke operationele programma's worden in beginsel ten uitvoer gelegd door een gemeenschappelijke beheersautoriteit, die in een lidstaat gevestigd is. De gemeenschappelijke beheersautoriteit kan worden bijgestaan door een gemeenschappelijk technisch secretariaat.

2.   De deelnemende landen kunnen de Commissie voorstellen de gemeenschappelijke beheersautoriteit te vestigen in een partnerland, mits de aangewezen instantie in staat is de criteria, vastgelegd in de relevante bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, ten volle toe te passen.

3.   Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „gemeenschappelijke beheersautoriteit” verstaan elke openbare of particuliere autoriteit of instantie, daaronder ook de staat zelf, op nationaal, regionaal of plaatselijk niveau, gezamenlijk door de lidstaat of lidstaten en het partnerland of de partnerlanden die door een gemeenschappelijk operationeel programma worden bestreken, aangewezen, beschikkende over de financiële en administratieve capaciteit om de bijstand van de Gemeenschap te beheren en met de juridische competentie om de ten dienste van deze verordening noodzakelijke overeenkomsten te sluiten.

4.   De gemeenschappelijke beheersautoriteit is verantwoordelijk voor beheer en tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk operationeel programma, in overeenstemming met het beginsel van goed technisch en financieel beheer, en voor het verzekeren van de wettigheid en regelmatigheid van de verrichtingen. Hiertoe zal zij de geschikte beheers-, controle- en boekhoudsystemen en -normen in het leven roepen.

5.   Het systeem voor beheer en toezicht van een gemeenschappelijk operationeel programma moet voorzien in een duidelijke scheiding tussen de taken van beheer, certificering en financiële controle, ofwel door een duidelijke scheiding van taken binnen de beheersautoriteit, ofwel door de oprichting van afzonderlijke organen voor certificering en financiële controle.

6.   Om een adequate voorbereiding van de uitvoering van de gemeenschappelijke operationele programma's mogelijk te maken, na de goedkeuring van een gemeenschappelijk operationeel programma en nog vóór de ondertekening van het financieringsakkoord, kan de Commissie de gemeenschappelijke beheersautoriteit de mogelijkheid verstrekken om gebruik te maken van een deel van het programmabudget om een begin te maken met de financiering van activiteiten in het kader van het programma, zoals de operationele uitgaven voor de beheersautoriteit, technische bijstand en andere voorbereidende acties. De gedetailleerde modaliteiten voor deze voorbereidende fase zullen worden opgenomen in de uitvoeringsmaatregelen genoemd in artikel 11.

Artikel 11

Uitvoeringsvoorschriften

1.   Uitvoeringsvoorschriften waarin specifieke bepalingen voor de uitvoering van deze titel zijn vermeld, worden volgens de procedure bedoeld in artikel 26, lid 2, goedgekeurd.

2.   De uitvoeringsvoorschriften omvatten onder meer criteria en procedures voor de toewijzing van fondsen, de mate van medefinanciering, het opstellen van gemeenschappelijke programma's, de aanwijzing en de functies van de gemeenschappelijke autoriteiten, het stuurcomité/comité van toezicht en het gemeenschappelijk secretariaat, de selectie van in aanmerking komende uitgaven, de selectie van gemeenschappelijke projecten, technisch en financieel beheer van de bijstand van de Gemeenschap, financiële controle en audit, toezicht en evaluatie, zichtbaarheid en voorlichting aan potentiële begunstigden.

TITEL IV

TENUITVOERLEGGING

Artikel 12

Goedkeuring van de actieprogramma's

1.   Actieprogramma's die zijn opgesteld op basis van de strategiedocumenten bedoeld in artikel 7, lid 1, worden, gewoonlijk op jaarbasis, goedgekeurd overeenkomstig de procedure van artikel 26, lid 2.

Bij wijze van uitzondering, bijvoorbeeld ingeval een actieprogramma nog niet is goedgekeurd, kan de Commissie op basis van de strategiedocumenten en indicatieve meerjarenprogramma's bedoeld in artikel 7 maatregelen goedkeuren buiten de actieprogramma's om, volgens dezelfde regels en procedures als voor de actieprogramma's.

2.   In de actieprogramma's worden de nagestreefde doelstellingen, de gebieden waarop maatregelen worden genomen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van de geplande financiering bepaald. Hierin wordt tevens rekening gehouden met de lessen die zijn geleerd uit de uitvoering van de bijstand van de Gemeenschap in het verleden. Zij bevatten een omschrijving van de te financieren acties, een indicatie van de voor elke actie toegewezen bedragen en een indicatief tijdschema voor de tenuitvoerlegging. Zij omvatten een definitie van de soorten indicatoren van de behaalde resultaten waarop wordt toegezien bij de uitvoering van de maatregelen die in het kader van het programma worden gefinancierd.

3.   Voor grensoverschrijdende samenwerking keurt de Commissie gemeenschappelijke programma's goed volgens de procedures bedoeld in artikel 9.

4.   De Commissie legt de actieprogramma's en de gemeenschappelijke programma's uiterlijk één maand na goedkeuring ervan ter informatie aan het Europees Parlement en de lidstaten voor.

Artikel 13

Goedkeuring van bijzondere maatregelen die niet in de strategiedocumenten en de indicatieve meerjarenprogramma's zijn opgenomen

1.   In geval van onvoorziene en naar behoren gemotiveerde behoeften of omstandigheden keurt de Commissie bijzondere maatregelen goed waarin in de strategiedocumenten en de indicatieve meerjarenprogramma's niet was voorzien, hierna „bijzondere maatregelen” te noemen.

Bijzondere maatregelen kunnen eveneens acties financieren waarmee de overgang van noodhulp naar op langere termijn gerichte ontwikkelingsactiviteiten kan worden vergemakkelijkt, daaronder ook de acties om de bevolkingen beter voor te bereiden op crises die zich herhaaldelijk voordoen.

2.   Wanneer de kosten van dergelijke maatregelen meer bedragen dan 10 miljoen EUR, worden de bijzondere maatregelen door de Commissie goedgekeurd volgens de procedure van artikel 26, lid 2.

Voor wijzigingen van de bijzondere maatregelen, zoals technische aanpassingen, verlenging van de uitvoeringstermijn, herallocatie van de kredieten binnen de geraamde begroting of verhoging van de begroting met een bedrag van minder dan 20 % van de aanvankelijke begroting, hoeft geen beroep te worden gedaan op de procedure bedoeld in artikel 26, lid 2, mits deze wijzigingen geen afbreuk doen aan de aanvankelijke doelstellingen zoals deze in het besluit van de Commissie uiteen waren gezet.

3.   In de bijzondere maatregelen worden de nagestreefde doelstellingen, de gebieden waarop maatregelen worden genomen, de verwachte resultaten, de beheersprocedures en het totale bedrag van de geplande financiering bepaald. Zij bevatten een beschrijving van de te financieren acties, een indicatie van de voor elke actie toegewezen bedragen en een indicatief tijdschema voor de tenuitvoerlegging. Zij omvatten een definitie van de soorten indicatoren van de behaalde resultaten waarop moet worden toegezien bij de uitvoering van de bijzondere maatregelen.

4.   De Commissie zendt de bijzondere maatregelen waarvan de kosten 10 miljoen EUR niet overschrijden uiterlijk één maand na haar besluit ter informatie toe aan het Europees Parlement en de lidstaten.

Artikel 14

In aanmerking komende entiteiten

1.   In het kader van de uitvoering van de actieprogramma's, de gemeenschappelijke programma's voor grensoverschrijdende samenwerking of bijzondere maatregelen komen de volgende entiteiten in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening:

a)

partnerlanden en -regio's, en hun instellingen;

b)

gedecentraliseerde entiteiten van de partnerlanden, zoals regio's, departementen, provincies en gemeenten;

c)

gemengde organen die door de partnerlanden en -regio's en de Gemeenschap zijn opgericht;

d)

internationale organisaties, waaronder regionale organisaties, organisaties, diensten of missies die onder het stelsel van de Verenigde Naties vallen, internationale financiële instellingen en ontwikkelingsbanken, voor zover zij een bijdrage leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening;

e)

instellingen en organen van de Gemeenschap, doch uitsluitend in het kader van de uitvoering van de in artikel 16 bedoelde ondersteunende maatregelen;

f)

agentschappen van de Europese Unie;

g)

de volgende entiteiten en organen van de lidstaten, partnerlanden en -regio's of alle andere derde staten die voldoen aan de in artikel 21 vastgestelde regels betreffende de toegang tot de buitenlandse hulp van de Gemeenschap, voor zover zij een bijdrage leveren tot het verwezenlijken van de doelstellingen van deze verordening:

i)

overheids- of semi-overheidsinstanties, de plaatselijke overheden of collectiviteiten en hun groeperingen;

ii)

ondernemingen, bedrijven en andere particuliere organisaties en economische actoren;

iii)

financiële instellingen die particuliere investeringen in de partnerlanden en -regio's verrichten, aanmoedigen en financieren;

iv)

onder h) bedoelde niet-overheidsactoren;

v)

natuurlijke personen;

h)

de volgende niet-overheidsactoren:

i)

niet-gouvernementele organisaties;

ii)

organisaties die nationale en/of etnische minderheden vertegenwoordigen;

iii)

groepen van plaatselijke burgerinitiatieven en beroepsverenigingen;

iv)

coöperatieven, vakbonden of organisaties die economische en sociale belangen vertegenwoordigen;

v)

plaatselijke organisaties (en netwerken daarvan) die op het gebied van de gedecentraliseerde regionale samenwerking en integratie werkzaam zijn;

vi)

organisaties van consumenten, vrouwen- of jongerenorganisaties alsmede onderwijs-, culturele, onderzoeks- en wetenschappelijke organisaties;

vii)

universiteiten;

viii)

kerken en religieuze verenigingen of gemeenschappen;

ix)

de media;

x)

grensoverschrijdende vereniging, niet-gouvernementele vereniging of onafhankelijke stichting.

2.   Wanneer dit absoluut noodzakelijk is om de doelstellingen van de onderhavige verordening te bereiken, kan bijstand van de Gemeenschap worden verleend aan entiteiten of actoren die niet expliciet in dit artikel worden genoemd.

Artikel 15

Soorten maatregelen

1.   Bijstand van de Commissie wordt aangewend ter financiering van programma's, projecten en elke soort van maatregel waarmee aan de doelstellingen van deze verordening wordt bijgedragen.

2.   Bijstand van de Gemeenschap kan eveneens worden aangewend:

a)

ter financiering van technische bijstand en gerichte administratieve samenwerkingsmaatregelen, waaronder samenwerkingsmaatregelen waarbij door de lidstaten en hun bij het programma betrokken regionale en lokale autoriteiten uitgezonden deskundigen van de openbare sector worden betrokken;

b)

ter financiering van investeringen en met investeringen verband houdende activiteiten;

c)

voor bijdragen aan de Europese Investeringsbank of andere financiële intermediairs, overeenkomstig artikel 23, voor leningsfinancieringen, beleggingen in aandelen, garantiefondsen of investeringsfondsen;

d)

voor schuldenverlichtingsprogramma's in uitzonderlijke gevallen in het kader van een internationaal overeengekomen programma voor schuldenverlichting;

e)

voor sectorale of algemene begrotingssteun indien het beheer van de openbare uitgaven van de partnerstaat voldoende transparant, betrouwbaar en efficiënt is en wanneer er sectoraal beleid of macro-economisch beleid tot stand is gebracht dat goed gedefinieerd is en door de voornaamste geldverschaffers, waaronder eventueel de internationale financiële instellingen, is goedgekeurd;

f)

om rentesubsidies te bieden, inzonderheid voor leningen op milieugebied;

g)

voor het verzekeren tegen niet-commerciële risico's;

h)

om bij te dragen aan een fonds dat is opgericht door de Gemeenschap, de lidstaten, internationale en regionale organisaties, andere donoren of partnerlanden;

i)

om bij te dragen aan het kapitaal van internationale financiële instellingen of de regionale ontwikkelingsbanken;

j)

om de kosten te financieren die voor een effectieve administratie van en toezicht op projecten en programma's door de landen die de bijstand van de Gemeenschap genieten onvermijdelijk zijn;

k)

ter financiering van microprojecten;

l)

om redenen van voedselveiligheid.

3.   In principe mag bijstand van de Gemeenschap niet worden aangewend ter financiering van belastingen, douanerechten en andere fiscale lasten.

Artikel 16

Steunmaatregelen

1.   De communautaire financiering kan tevens de kosten dekken van voorbereidende werkzaamheden, follow-up, toezicht, audits en evaluaties die rechtstreeks noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze verordening en het verwezenlijken van de doelstellingen daarvan, bijvoorbeeld studies, bijeenkomsten, informatie-, voorlichtings-, publiciteits- en opleidingscampagnes, met inbegrip van opleidings- en onderwijsmaatregelen voor partners om hen in staat te stellen deel te nemen aan de verschillende stadia van de programma's, kosten van informaticanetwerken voor de uitwisseling van informatie, en alle andere kosten van technische en administratieve bijstand waarop de Commissie voor het beheer van het programma een beroep doet. Dit omvat ook de uitgaven voor administratieve ondersteuning door de delegaties van de Commissie die zich bezighouden met het beheer van de in het kader van deze verordening gefinancierde projecten.

2.   Deze ondersteunende maatregelen hoeven niet noodzakelijkerwijs in de meerjarenprogrammering te worden opgenomen en kunnen derhalve buiten de strategiedocumenten en de indicatieve meerjarenprogramma's om worden gefinancierd. Zij kunnen evenwel ook worden gefinancierd uit een indicatief meerjarenprogramma. De Commissie keurt ondersteunende maatregelen die niet in een indicatief meerjarenprogramma zijn opgenomen goed overeenkomstig artikel 13.

Artikel 17

Medefinanciering

1.   Maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, kunnen worden medegefinancierd, met name door:

a)

de lidstaten, hun regionale en lokale autoriteiten, alsmede hun overheids- of semi-overheidsinstanties;

b)

EER-landen, Zwitserland en elk ander donorland, met name zijn overheids- en semi-overheidsinstanties;

c)

internationale en regionale organisaties, met name internationale en regionale financiële instellingen;

d)

ondernemingen, bedrijven en andere particuliere organisaties en economische actoren, en andere niet-overheidsactoren;

e)

de partnerlanden of -regio's die door de middelen begunstigd worden.

2.   In geval van parallelle medefinanciering wordt het project of programma in meerdere, duidelijk te onderscheiden subprojecten opgedeeld die elk worden gefinancierd door de verschillende partners die de medefinanciering verstrekken, en wel zo dat de bestemming van de financiering altijd traceerbaar is. In geval van gemeenschappelijke medefinanciering worden de totale kosten van het project of programma verdeeld tussen de partners die de medefinanciering verzorgen en worden de geldmiddelen gemeenschappelijk ingebracht, dusdanig dat het niet mogelijk is de financieringsbron van een specifieke activiteit in het kader van het project of programma na te gaan.

3.   In geval van gemeenschappelijke medefinanciering kan de Commissie voor de uitvoering van gezamenlijke acties middelen ontvangen en beheren namens de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde entiteiten. Dergelijke fondsen worden behandeld als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

Artikel 18

Beheersprocedures

1.   De Commissie voert de acties uit hoofde van deze verordening uit in overeenstemming met Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002.

2.   De Commissie kan overheidstaken en in het bijzonder taken tot uitvoering van de begroting toevertrouwen aan de in artikel 54, lid 2, onder c), van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 genoemde entiteiten, indien deze een internationaal erkende reputatie hebben, voldoen aan internationaal erkende beheers- en controlesystemen en onder overheidstoezicht staan.

3.   De Commissie kan met partnerlanden kaderovereenkomsten afsluiten waarin alle nodige maatregelen zijn vastgesteld voor de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de bijstand van de Gemeenschap en de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap.

4.   Bij een gedecentraliseerd beheer kan de Commissie ertoe besluiten de procedures voor plaatsing van opdrachten of toekenning van subsidies van het begunstigde partnerland of de begunstigde partnerregio te volgen, op voorwaarde dat:

a)

de procedures van het begunstigde partnerland of de begunstigde partnerregio voldoen aan de beginselen van transparantie, evenredigheid, gelijke behandeling en niet-discriminatie, en elke belangenverstrengeling voorkomen;

b)

het begunstigde partnerland of de begunstigde partnerregio zich ertoe verbindt geregeld na te gaan of de acties die uit de begroting van de Gemeenschap worden gefinancierd, op juiste wijze zijn uitgevoerd, om de nodige maatregelen te treffen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en in voorkomend geval juridische stappen te ondernemen om onverschuldigde betalingen terug te vorderen.

Artikel 19

Vastleggingen

1.   Begrotingsvastleggingen geschieden op basis van besluiten die door de Commissie zijn genomen uit hoofde van de artikelen 9, lid 6, 12, lid 1, 13, lid 1, en 16, lid 2.

2.   Begrotingsvastleggingen voor maatregelen die zich over verschillende financiële jaren uitstrekken kunnen in jaartranches over verschillende jaren worden verdeeld.

3.   De financieringen van de Gemeenschap nemen onder meer de navolgende juridische vormen aan financieringsovereenkomsten, subsidieovereenkomsten, plaatsing van opdrachten, arbeidsovereenkomsten.

Artikel 20

Bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap

1.   Alle overeenkomsten die uit deze verordening voortvloeien, dienen bepalingen te bevatten ter bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap, met name ten aanzien van onregelmatigheden, fraude, corruptie en andere illegale activiteiten, overeenkomstig Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (12), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (13) en Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (14).

2.   Overeenkomsten dienen uitdrukkelijk te bepalen dat de Commissie en de Rekenkamer het recht wordt verleend om auditcontroles uit te voeren, ook controles op basis van documenten of ter plaatse, van alle contractanten of subcontractanten die middelen van de Gemeenschap hebben ontvangen. Voorts dienen zij tevens de Commissie er uitdrukkelijk toe te machtigen controles en verificaties ter plaatse uit te voeren, overeenkomstig Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96.

3.   Alle overeenkomsten die voortvloeien uit de uitvoering van de bijstand van de Gemeenschap dienen de Commissie en de Rekenkamer het in lid 2 bedoelde recht veilig te stellen zowel tijdens als na de uitvoering van de overeenkomst.

Artikel 21

Deelneming aan aanbestedingen en overeenkomsten

1.   Deelneming aan de gunning van overeenkomsten voor de plaatsing van opdrachten of de toekenning van subsidies die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, staat open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en rechtspersonen die gevestigd zijn in een lidstaat van de Europese Gemeenschap, een land dat onder deze verordening valt, een land dat in aanmerking komt voor een instrument inzake pretoetredingssteun ingevoerd bij Verordening (EG) nr. 1085/2006 van de Raad van 17 juli 2006 tot invoering van een instrument voor pretoetredingssteun (15) of een lidstaat van de EER.

2.   De Commissie kan in naar behoren gemotiveerde gevallen de deelneming toestaan van natuurlijke personen die onderdaan zijn van en rechtspersonen die gevestigd zijn in een land met traditionele economische, handels- of geografische banden met buurlanden, evenals het gebruik van leveranties en materialen van afwijkende oorsprong.

3.   Deelneming aan de gunning van overeenkomsten voor de plaatsing van opdrachten of de toekenning van subsidies die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd, staat ook open voor alle natuurlijke personen die onderdaan zijn van en rechtspersonen die gevestigd zijn in een ander land dan de in lid 1 genoemde, in die gevallen waarin wederzijdse toegang tot buitenlandse hulp tot stand is gebracht. Wederzijdse toegang wordt verleend indien een land op gelijke voorwaarden toegang verleent aan de lidstaten en het betreffende ontvangende land.

Wederzijdse toegang tot de buitenlandse hulp van de Gemeenschap komt tot stand door een specifiek besluit over een bepaald land of regionale groep van landen. Een dergelijk besluit wordt door de Commissie genomen volgens de procedure van artikel 26, lid 2, en blijft ten minste één jaar van kracht.

De verlening van wederzijdse toegang tot buitenlandse hulp van de Gemeenschap wordt gebaseerd op een vergelijking tussen de Gemeenschap en andere donors en geldt voor een bepaalde sector of een heel land, ongeacht de vraag of het een donor- of een ontvangend land is. Het besluit over de toekenning van wederkerigheid aan een donorland wordt gebaseerd op de transparantie, consistentie en evenredigheid van de door die donor verleende hulp, kwantitatief zowel als kwalitatief gezien. Begunstigde landen worden bij het in dit lid beschreven proces geraadpleegd.

4.   De deelneming aan de gunning van overeenkomsten voor de plaatsing van opdrachten of de toekenning van subsidies die uit hoofde van deze verordening worden gefinancierd staat open voor internationale organisaties.

5.   Deskundigen die worden voorgesteld in de context van procedures voor de gunning van overeenkomsten behoeven niet aan de bovengenoemde eisen inzake nationaliteit te voldoen.

6.   Alle leveranties en materialen die worden aangekocht uit hoofde van overeenkomsten die krachtens deze verordening worden gefinancierd, zijn van oorsprong uit de Gemeenschap of uit een land dat uit hoofde van dit artikel in aanmerking komt. De in deze verordening gebezigde term „van oorsprong” wordt gedefinieerd in de desbetreffende communautaire wetgeving over de regels van oorsprong inzake douane-aangelegenheden.

7.   De Commissie kan in naar behoren gemotiveerde gevallen de deelneming toestaan van natuurlijke personen die onderdaan zijn van, en van rechtspersonen die gevestigd zijn in andere dan de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde landen, of het gebruik van leveranties of de aankoop van materialen van andere oorsprong, dan die bedoeld in lid 6. Afwijkingen kunnen gebillijkt worden op grond van het niet beschikbaar zijn van producten en diensten op de markten van de desbetreffende landen, in gevallen van uiterste nood, of als de selectievoorwaarden de verwerkelijking van een project, een programma of een actie onmogelijk of extreem problematisch zouden maken.

8.   Wanneer de Gemeenschap een actie financiert die wordt uitgevoerd via een internationale organisatie, staat de deelname aan de desbetreffende contractprocedures open voor alle natuurlijke en rechtspersonen, die daarvoor volgens de leden 1, 2 en 3 in aanmerking komen, en voor alle natuurlijke en rechtspersonen die daarvoor volgens de regels van de bedoelde organisatie in aanmerking komen, waarbij ervoor gezorgd moet worden dat alle donoren een gelijke behandeling ontvangen. Dezelfde regels zijn van toepassing voor leveranties, materialen en deskundigen.

Wanneer de Gemeenschap met medefinanciering van een lidstaat een actie met een derde land financiert, in het kader van het wederkerigheidsbeginsel als bedoeld in lid 2, of met een regionale organisatie, staat deelname aan de desbetreffende contractprocedures open voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die daarvoor volgens de leden 1, 2 en 3 in aanmerking komen en voor alle natuurlijke personen en rechtspersonen die daarvoor volgens de regels van bedoelde lidstaat, het derde land of de regionale organisatie in aanmerking komen. Dezelfde regels gelden voor leverancies, materialen en deskundigen.

9.   Ingeval bijstand van de Gemeenschap krachtens deze verordening wordt beheerd door een gemeenschappelijke beheersautoriteit als bedoeld in artikel 10, zijn de regels inzake de plaatsing van opdrachten, die welke zijn vastgelegd in de in artikel 11 bedoelde uitvoeringsvoorschriften.

10.   Inschrijvers aan wie in het kader van deze verordening contracten worden gegund, moeten zich houden aan basisarbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de desbetreffende overeenkomsten van de Internationale Arbeidsorganisatie.

11.   De leden 1 tot en met 10 laten de deelneming onverlet van categorieën van organisaties die daarvoor, gezien de doelstellingen van de actie, door hun karakter of hun vestigingsplaats, in aanmerking komen.

Artikel 22

Voorfinanciering

Interesten die worden verkregen uit voorfinancieringsbetalingen aan de begunstigden worden van de uiteindelijke betaling afgetrokken.

Artikel 23

Fondsen ter beschikking gesteld van de Europese Investeringsbank of andere financiële intermediairs

1.   De fondsen bedoeld in artikel 15, lid 2, onder c), worden beheerd door financiële intermediairs, door de Europese Investeringsbank of andere banken of organisaties die in staat zijn deze te beheren.

2.   De Commissie keurt de bepalingen voor de uitvoering van lid 1 per geval goed, met name de regels voor de verdeling van de risico's, de beloning van de intermediair die met de uitvoering is belast, het gebruik en de invordering van de opbrengsten van het fonds en de afsluiting van de operatie.

Artikel 24

Evaluatie

1.   De Commissie evalueert geregeld de resultaten van de geografische en grensoverschrijdende thematische beleidsmaatregelen en programma's en van het sectorale beleid, alsmede de doeltreffendheid van de programmering, om na te gaan of de doelstellingen zijn bereikt en aanbevelingen ter verbetering van toekomstige operaties uit te werken.

2.   De Commissie zendt belangrijke evaluatieverslagen ter behandeling toe aan het in artikel 26 bedoelde comité. Bij het opzetten van programma's en de middelentoewijzing wordt met deze verslagen en behandeling rekening gehouden.

TITEL V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Jaarverslag

De Commissie onderzoekt de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de uit hoofde van deze verordening genomen maatregelen en legt het Europees Parlement en de Raad een jaarverslag over de uitvoering van de bijstand van de Gemeenschap voor. Dit verslag wordt tevens voorgelegd aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Het bevat gegevens over de gefinancierde maatregelen, de resultaten van toezicht en evaluatie en de tenuitvoerlegging van begrotingsvastleggingen en betalingen, betrekking hebbende op het voorafgaande jaar, opgesplitst naar land, regio en sector van samenwerking.

Artikel 26

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van dat besluit bedoelde termijn bedraagt 30 dagen.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

4.   Een waarnemer van de Europese Investeringsbank neemt deel aan de vergaderingen van het comité waar kwesties met betrekking tot de Bank aan de orde komen.

5.   Om de dialoog met het Europees Parlement te vergemakkelijken, stelt de Commissie het Europees Parlement regelmatig op de hoogte van de vergaderingen van het comité en levert de desbetreffende documentatie zoals agenda's, ontwerpmaatregelen en beknopte verslagen van vergaderingen, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Besluit 1999/468/EG.

Artikel 27

Deelneming van een derde land dat niet in bijlage wordt genoemd

1.   Om de samenhang en doelmatigheid van de bijstand van de Gemeenschap te verzekeren kan de Commissie, bij de goedkeuring van de soort actieprogramma's bedoeld in artikel 12 of de bijzondere maatregelen bedoeld in artikel 13, ertoe besluiten dat de landen, gebieden en regio's die uit hoofde van andere Gemeenschapsinstrumenten voor externe steun en het EOF voor bijstand in aanmerking komen, alsmede de landen en gebieden overzee die met de Gemeenschap geassocieerd zijn, in aanmerking komen voor maatregelen uit hoofde van deze verordening wanneer het ten uitvoer gelegde project of programma een mondiaal, horizontaal, regionaal of grensoverschrijdend karakter heeft.

2.   Deze mogelijkheid van financiering kan worden opgenomen in de strategiedocumenten die bedoeld zijn in artikel 7.

3.   De bepalingen van artikel 14 betreffende in aanmerking komende entiteiten en de bepalingen van artikel 21 betreffende de deelneming aan procedures voor de plaatsing van opdrachten worden aangepast om deelneming van de landen, gebieden of regio's in kwestie mogelijk te maken.

4.   Wanneer het gaat om programma's die krachtens de bepalingen van verschillende instrumenten van de Gemeenschap voor extreme bijstand worden gefinancierd, kan de deelneming aan procedures voor de plaatsing van opdrachten openstaan voor alle natuurlijke personen of rechtspersonen van de landen die krachtens de verschillende verordeningen in aanmerking komen.

Artikel 28

Opschorting van de bijstand van de Gemeenschap

1.   Onverminderd de bepalingen met betrekking tot de opschorting van de bijstand in de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten en associatieovereenkomsten die met partnerlanden en partnerregio's zijn gesloten, kan de Raad, wanneer de beginselen die bedoeld zijn in artikel 1 door een partnerland niet worden geëerbiedigd, op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid de nodige maatregelen nemen met betrekking tot elke aan het partnerland uit hoofde van deze verordening toegekende bijstand van de Gemeenschap.

2.   In dergelijke gevallen zal communautaire bijstand in de eerste plaats worden besteed aan steun voor particuliere actoren, voor maatregelen ter bevordering van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en ter ondersteuning van het democratiseringsproces in partnerlanden.

Artikel 29

Financieel referentiebedrag

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van deze verordening bedragen voor de periode 2007-2013 11 181 miljoen EUR, op te splitsen als volgt:

a)

ten minste 95 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan de in artikel 6, lid 1, onder a), punt i), bedoelde nationale en op meer landen gerichte programma's;

b)

maximaal 5 % van de financiële middelen wordt toegewezen aan de in artikel 6, lid 1, onder a), punt ii), bedoelde grensoverschrijdende samenwerkingsprogramma's.

2.   Door de begrotingsautoriteit worden binnen de grenzen van het financieel kader jaarlijkse kredieten toegestaan.

Artikel 30

Herziening

De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk op 31 december 2010 een verslag voor over de uitvoering van deze verordening in de eerste drie jaar en eventueel een wetgevingsvoorstel met de nodige wijzigingen ervan, bijvoorbeeld in de onderverdeling van artikel 29, lid 1.

Artikel 31

Intrekkingen

1.   Met ingang van 1 januari 2007 worden de Verordeningen (EEG) nr. 1762/92, (EG) nr. 1734/94 en (EG) nr. 1488/96 ingetrokken.

2.   De ingetrokken verordeningen blijven van toepassing voor de rechtshandelingen en vastleggingen voor de begrotingsjaren die aan 2007 voorafgaan.

Artikel 32

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 24 oktober 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitster

P. LEHTOMÄKI


(1)  Advies van het Europees Parlement van 6 juli 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 17 oktober 2006.

(2)  PB C 46 van 24.2.2006, blz. 1.

(3)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(5)  PB L 181 van 1.7.1992, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005 (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 23).

(6)  PB L 182 van 16.7.1994, blz. 4. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2110/2005 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 344 van 27.12.2005, blz. 1).

(7)  PB L 189 van 30.7.1996, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005.

(8)  PB L 12 van 18.1.2000, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2112/2005.

(9)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 25.

(10)  Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.

(11)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(12)  PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1.

(13)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(14)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(15)  PB L 210 van 31.7.2006, blz. 82.


BIJLAGE

Partnerlanden bedoeld in artikel 1

Algerije

Armenië

Azerbeidzjan

Belarus

Egypte

Georgië

Israël

Jordanië

Libanon

Libië

Marokko

Moldavië

Oekraïne

Palestijnse Autoriteit van de Westoever en de Gazastrook

Russische Federatie

Syrië

Tunesië


Top