Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006R1107

Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 204, 26.7.2006, p. 1–9 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 016 P. 72 - 80
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 016 P. 72 - 80
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 016 P. 17 - 25

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/1107/oj

26.7.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/1


VERORDENING (EG) Nr. 1107/2006 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 5 juli 2006

inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 80, lid 2,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De eengemaakte markt voor luchtdiensten moet voordelen opleveren voor de burgers in het algemeen. Gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit als gevolg van handicaps, leeftijd of een andere factor moeten mogelijkheden krijgen om gebruik te maken van luchtvervoer, die vergelijkbaar zijn met die van andere burgers. Gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit hebben hetzelfde recht als alle andere burgers op vrij verkeer, keuzevrijheid en non-discriminatie. Dit geldt zowel voor het luchtvervoer als voor andere domeinen des levens.

(2)

Het vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit moet daarom worden aanvaard en niet geweigerd op grond van hun handicap of gebrek aan mobiliteit, behalve om wettelijk voorgeschreven en om veiligheidsredenen gerechtvaardigde redenen. Alvorens een boeking te aanvaarden van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit, dienen agenten en touroperators zich alle redelijkerwijze mogelijke inspanningen te getroosten om na te gaan of er sprake is van een gerechtvaardigde veiligheidsreden waardoor dergelijke personen niet tot de vlucht in kwestie kunnen worden toegelaten.

(3)

Deze verordening mag geen invloed hebben op de passagiersrechten die in de communautaire wetgeving zijn vastgesteld, en met name in Richtlijn 90/314/EEG van de Raad van 13 juni 1990 betreffende pakketreizen, met inbegrip van vakantiepakketten en rondreispakketten (3) en in Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten (4). Indien ten aanzien van één en hetzelfde geval eenzelfde recht op terugbetaling en/of nieuwe boeking zowel overeenkomstig een van deze wetgevingsbesluiten als overeenkomstig onderhavige verordening gelden, is de persoon in kwestie gerechtigd slechts eenmaal van dit recht gebruik te maken.

(4)

Om te garanderen dat gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit dezelfde kansen op luchtvervoer genieten als andere burgers, moeten zij op luchthavens en aan boord van luchtvaartuigen door voorziening van het nodige personeel en de nodige uitrusting bijstand krijgen die beantwoordt aan hun bijzondere behoeften; om sociale uitsluiting te vermijden, moet deze bijstand zonder bijkomende kosten worden verleend.

(5)

De bijstand die verleend wordt op luchthavens op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, moet gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit onder meer in staat stellen zich van het punt van aankomst bij de luchthaven naar het luchtvaartuig te begeven en van het luchtvaartuig naar het punt vanwaar zij de luchthaven verlaten, inclusief in- en uitstappen. Deze punten moeten ten minste worden aangegeven bij de hoofdingangen van de terminals, bij de incheckbalies, op trein-, sneltram-, metro- en busstations, bij taxistandplaatsen en andere afzetpunten, en op de parkeerplaatsen van de luchthaven. De bijstand moet zodanig zijn georganiseerd dat zich geen onderbrekingen en vertragingen voordoen; in de hele Gemeenschap moeten dezelfde hoge normen worden aangehouden en moet optimaal gebruik worden gemaakt van de beschikbare middelen, ongeacht de luchthaven of luchtvervoerder die daarbij betrokken is.

(6)

Om deze doelstellingen te bereiken, dient het garanderen van bijstand van hoge kwaliteit op luchthavens te vallen onder de verantwoordelijkheid van een centraal orgaan. Aangezien de beheersorganen van luchthavens een centrale rol spelen bij het verlenen van diensten in hun luchthavens, moet deze algehele verantwoordelijkheid aan hen worden toevertrouwd.

(7)

De beheersorganen van luchthavens kunnen zelf voorzien in bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit. Als alternatief, gezien de positieve rol die bepaalde exploitanten en luchtvaartmaatschappijen tot dusver hebben vervuld, kunnen de beheersorganen overeenkomsten met derden aangaan voor de verstrekking van deze bijstand, zonder afbreuk te doen aan de toepassing van de toepasselijke bepalingen van het Gemeenschapsrecht, met inbegrip van de regels inzake openbare aanbestedingen.

(8)

De bijstand moet zodanig worden gefinancierd dat de kosten evenredig worden gespreid over alle passagiers die gebruikmaken van de luchthaven, en dat stimulansen om het vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te weigeren, worden vermeden. De bijstand kan op de meest efficiënte wijze worden gefinancierd door aan elke luchtvaartmaatschappij die gebruikmaakt van een luchthaven een heffing op te leggen die in verhouding staat tot het aantal passagiers die door die maatschappij van en naar de luchthaven in kwestie worden vervoerd.

(9)

Om met name te verzekeren dat de kosten die aan een luchtvaartmaatschappij in rekening worden gebracht, in verhouding zijn met de bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, en ervoor te zorgen dat deze kosten niet worden gebruikt om andere activiteiten van het beheersorgaan te financieren dan die welke verband houden met het verstrekken van dergelijke bijstand, dienen deze kosten bij volledige transparantie te worden vastgesteld en berekend. Richtlijn 96/67/EG van de Raad van 15 oktober 1996 betreffende de toegang tot de grondafhandelingsmarkt op de luchthavens van de Gemeenschap (5), en met name de bepalingen inzake de boekhoudkundige scheiding, dient dan ook van toepassing te zijn voorzover dit niet in strijd is met onderhavige verordening.

(10)

Bij het organiseren van de bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, alsmede bij de opleiding van hun personeel, moeten luchthavens en luchtvaartmaatschappijen rekening houden met de ten tijde van de aanneming van deze verordening geldende Gedragscode voor grondafhandeling van personen met beperkte mobiliteit van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC), zoals beschreven in ECAC document 30, deel I, afdeling 5 en de betrokken bijlagen, met name de Gedragscode voor grondafhandeling van personen met beperkte mobiliteit, zoals opgenomen in bijlage J van de ECAC.

(11)

Bij beslissingen over het ontwerp van nieuwe luchthavens en terminals, en als onderdeel van grootschalige verbouwingen, moeten beheersorganen van luchthavens, waar mogelijk, rekening houden met de behoeften van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit. Evenzo moeten luchtvaartmaatschappijen, waar mogelijk, rekening houden met dergelijke behoeften bij beslissingen over het ontwerp van nieuwe en te renoveren luchtvaartuigen.

(12)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en het vrije verkeer van die gegevens (6) moet strikt worden uitgevoerd, om de privacy van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te verzekeren en om ervoor te zorgen dat de gevraagde informatie alleen dient om de in deze verordening neergelegde bijstandsverplichtingen te vervullen en niet ten nadele van de passagiers die een beroep willen doen op de dienst in kwestie, wordt aangewend.

(13)

Alle essentiële informatie voor luchtreizigers moet worden verstrekt in alternatieve formaten die toegankelijk zijn voor gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, en dienen ten minste in dezelfde talen beschikbaar te zijn als de informatie voor de overige passagiers.

(14)

Wanneer rolstoelen of andere mobiliteitsuitrusting en hulpmiddelen tijdens de afhandeling in de luchthaven of tijdens het vervoer aan boord van het luchtvaartuig verloren gaan of worden beschadigd, ontvangt de passagier aan wie deze middelen toebehoren, een schadevergoeding die in overeenstemming is met internationale, Gemeenschaps- en nationale rechtsvoorschriften.

(15)

De lidstaten moeten ervoor zorgen en erop toezien dat deze verordening wordt nageleefd en moeten een passende instantie voor de uitvoering van die handhavingstaken aanwijzen. Dit toezicht mag geen afbreuk doen aan het recht van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit om overeenkomstig het nationale procesrecht langs juridische weg schadevergoeding te eisen bij een rechtbank.

(16)

Gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit die van oordeel zijn dat onderhavige verordening is geschonden, dienen deze kwestie aan het beheersorgaan van de luchthaven dan wel aan de desbetreffende luchtvaartmaatschappij voor te leggen. Indien de gehandicapte persoon of de persoon met beperkte mobiliteit langs deze weg geen genoegdoening krijgt, kan hij/zij een klacht indienen bij de instantie(s) die daartoe door de betrokken lidstaat is (zijn) aangewezen.

(17)

Klachten met betrekking tot bijstand op een luchthaven dienen te worden gericht aan de instantie(s) die door de lidstaat waarin de luchthaven is gevestigd, is (zijn) aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van deze verordening. Klachten met betrekking tot bijstand door een luchtvaartmaatschappij dienen te worden gericht aan de nationale instantie(s) die hiertoe door de lidstaat die de vergunning aan de luchtvaartmaatschappij heeft afgegeven, is (zijn) aangewezen als verantwoordelijk voor de handhaving van deze verordening.

(18)

De lidstaten dienen de regels vast te stellen inzake de sancties op overtredingen van deze verordening en ervoor te zorgen dat deze regels worden toegepast. De sancties, die de opdracht tot betaling van compensatie aan de betrokken persoon kunnen omvatten, moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(19)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk een hoog en gelijkwaardig niveau van bescherming en bijstand verzekeren in alle lidstaten en garanderen dat de marktdeelnemers hun activiteiten in de eengemaakte markt in geharmoniseerde omstandigheden kunnen uitoefenen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de strekking en de gevolgen van de verordening, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(20)

De onderhavige verordening eerbiedigt de grondrechten en volgt de beginselen die met name door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

(21)

Regelingen voor meer samenwerking met betrekking tot het gebruik van de luchthaven van Gibraltar zijn op 2 december 1987 in Londen overeengekomen tussen het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk in een gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van deze twee landen. Deze regelingen moeten nog in werking treden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1.   In deze verordening zijn regels vastgesteld voor de bescherming van en bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen, zowel om hen tegen discriminatie te beschermen als om te verzekeren dat zij bijstand ontvangen.

2.   De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen en die gebruikmaken of voornemens zijn gebruik te maken van commerciële luchtdiensten voor passagiers voor het vertrek van, de doorreis via of de aankomst op een luchthaven, indien deze luchthaven gevestigd is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is.

3.   De artikelen 3, 4 en 10 zijn ook van toepassing op passagiers die vertrekken van een luchthaven die in een derde land is gevestigd, met als bestemming een luchthaven die is gevestigd op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, voorzover de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is.

4.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de rechten van passagiers uit hoofde van Richtlijn 90/314/EEG en Verordening (EG) nr. 261/2004.

5.   Indien de bepalingen van onderhavige verordening in strijd zijn met de bepalingen van Richtlijn 96/67/EG, is onderhavige verordening van toepassing.

6.   De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar wordt geacht de respectieve rechtsposities van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk onverlet te laten wat betreft het geschil over de soevereiniteit over het grondgebied waarop de luchthaven is gevestigd.

7.   De toepassing van deze verordening op de luchthaven van Gibraltar wordt opgeschort totdat de regelingen die zijn neergelegd in de gezamenlijke verklaring van de ministers van Buitenlandse Zaken van het Koninkrijk Spanje en het Verenigd Koninkrijk van 2 december 1987, van kracht worden. De regeringen van Spanje en het Verenigd Koninkrijk stellen de Raad in kennis van die datum van inwerkingtreding.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit”: personen wier mobiliteit bij het gebruik van vervoer beperkt is ten gevolge van een lichamelijke (zintuiglijke of locomotorische, permanente of tijdelijke) handicap, een intellectuele handicap of stoornis, of enige andere oorzaak van handicap, of ten gevolge van leeftijd, en wier situatie vereist dat zij passende aandacht krijgen en dat de aan alle passagiers verstrekte diensten aan hen worden aangepast;

b)

„luchtvaartmaatschappij”: een luchtvervoersonderneming met een geldige exploitatievergunning;

c)

„luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert”: een luchtvaartmaatschappij die een vlucht uitvoert of voornemens is een vlucht uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijke of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier;

d)

„communautaire luchtvaartmaatschappij”: een luchtvaartmaatschappij met een geldige exploitatievergunning die door een lidstaat is verleend overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992 betreffende de verlening van exploitatievergunningen aan luchtvaartmaatschappijen (7);

e)

„touroperator”: een organisator of doorverkoper zoals bedoeld in artikel 2, punten 2 en 3, van Richtlijn 90/314/EEG;

f)

„beheersorgaan van de luchthaven” of „beheersorgaan”: een orgaan waaraan uit hoofde van de nationale wetgeving het bestuur en het beheer van de luchthaveninfrastructuur en de coördinatie van en het toezicht op de activiteiten van de diverse exploitanten in de betrokken luchthaven of luchthavensystemen zijn toevertrouwd;

g)

„luchthavengebruiker”: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het luchtvervoer van passagiers van of naar de luchthaven in kwestie;

h)

„comité van luchthavengebruikers”: een comité bestaande uit afgevaardigden van luchthavengebruikers of van organisaties die luchthavengebruikers vertegenwoordigen;

i)

„boeking”: het feit dat de passagier een ticket heeft of een ander bewijs waaruit blijkt dat de boeking door de luchtvaartmaatschappij of de touroperator is aanvaard en geregistreerd;

j)

„luchthaven”: een terrein dat speciaal is aangepast zodat luchtvaartuigen kunnen landen, opstijgen en manoeuvreren, met inbegrip van hulpinstallaties die deze operaties met zich kunnen brengen ten behoeve van het luchtverkeer en diensten, met inbegrip van installaties voor bijstand aan commerciële luchtdiensten;

k)

„parkeergelegenheid van de luchthaven”: parkeergelegenheid op het luchthaventerrein of onder rechtstreeks gezag van het beheersorgaan van een luchthaven, die rechtstreeks ten dienste staat van de passagiers die van deze luchthaven gebruikmaken;

l)

„commerciële luchtdiensten voor passagiers”: diensten voor het luchtvervoer van passagiers, uitgevoerd door een luchtvaartmaatschappij door middel van een reguliere of niet-reguliere vlucht die het algemene publiek tegen vergoeding wordt aangeboden, als vlucht op zich of als onderdeel van een pakket.

Artikel 3

Voorkomen van vervoersweigering

Een luchtvaartmaatschappij, een agent van een luchtvaartmaatschappij of een touroperator mag niet weigeren om redenen van een handicap of beperkte mobiliteit:

a)

een boeking te accepteren voor een vlucht die vertrekt van of aankomt op een luchthaven waarop deze verordening van toepassing is;

b)

een gehandicapte persoon of een persoon met beperkte mobiliteit op een dergelijke luchthaven te laten instappen, mits deze persoon over een geldig biljet en een geldige boeking beschikt.

Artikel 4

Afwijkingen, bijzondere voorwaarden en informatie

1.   Niettegenstaande de bepalingen van artikel 3 mag een luchtvaartmaatschappij, een agent van een luchtvaartmaatschappij of een touroperator om reden van handicap of beperkte mobiliteit weigeren de boeking van een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit te aanvaarden of een dergelijke persoon te laten instappen of eisen dat een dergelijke persoon tijdens zijn reis wordt begeleid door een andere persoon:

a)

wanneer dit noodzakelijk is om te voldoen aan de veiligheidseisen die in internationale, communautaire of nationale wetgeving zijn vastgesteld of om te voldoen aan de veiligheidseisen die zijn vastgesteld door de autoriteit die het bewijs van luchtvaartexploitant aan de betrokken luchtvaartmaatschappij heeft afgegeven;

b)

wanneer de grootte van het luchtvaartuig of van zijn deuren het instappen of vervoeren van de gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit fysiek onmogelijk maakt.

Indien een boeking wordt geweigerd op grond van de eerste alinea, onder a) of b), getroost de luchtvaartmaatschappij, haar agent of de touroperator zich redelijke inspanningen om de persoon in kwestie een aanvaardbaar alternatief aan te bieden.

Een gehandicapte persoon of een persoon met beperkte mobiliteit die als passagier is geweigerd op grond van zijn/haar handicap of beperkte mobiliteit, en de persoon die deze persoon begeleidt overeenkomstig lid 2 van dit artikel, hebben recht op terugbetaling of een andere vlucht overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 261/2004. Het recht op de mogelijkheid van een terugvlucht of een andere vlucht is afhankelijk van de vraag of aan alle veiligheidseisen wordt voldaan.

2.   Onder dezelfde omstandigheden als die waarnaar in lid 1, eerste alinea, onder a), wordt verwezen, kan de luchtvaartmaatschappij van haar agent of de touroperator eisen dat een gehandicapte persoon of een persoon met beperkte mobiliteit wordt begeleid door een andere persoon, die in staat is de bijstand te bieden die de gehandicapte persoon of de persoon met beperkte mobiliteit nodig heeft.

3.   Een luchtvaartmaatschappij of een agent van een luchtvaartmaatschappij moet de veiligheidsregels die van toepassing zijn op het vervoer van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, alsook de beperkingen op het vervoer van deze personen of van mobiliteitsuitrusting ten gevolge van de grootte van het luchtvaartuig, in toegankelijke formaten en ten minste in dezelfde talen als voor andere passagiers aan het publiek ter beschikking stellen. In het geval van vluchten die deel uitmaken van pakketreizen, vakantiepakketten en rondreispakketten die door een touroperator worden georganiseerd, verkocht of te koop aangeboden, moet deze touroperator de toepasselijke veiligheidsregels en beperkingen bekendmaken.

4.   Als een luchtvaartmaatschappij, een agent van een luchtvaartmaatschappij of een touroperator gebruikmaakt van een in lid 1 of lid 2 toegestane afwijking, stelt hij de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit onmiddellijk in kennis van de redenen daarvan. Op verzoek deelt de luchtvaartmaatschappij, de agent van een luchtvaartmaatschappij of de touroperator deze redenen binnen vijf werkdagen na het verzoek schriftelijk mee aan de gehandicapte of de persoon met beperkte mobiliteit.

Artikel 5

Aanduiding van aankomst- en vertrekpunten

1.   In samenwerking met de luchthavengebruikers, via het comité van luchthavengebruikers, voorzover dit bestaat, en met relevante organisaties die gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen, duidt het beheersorgaan van de luchthaven, rekening houdend met de plaatselijke omstandigheden, op het luchthaventerrein of op een plaats onder rechtstreeks gezag van het beheersorgaan, zowel in de luchthavengebouwen als daarbuiten, aankomst- en vertrekpunten aan waar gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit gemakkelijk kunnen melden dat zij op de luchthaven zijn aangekomen en om bijstand kunnen verzoeken.

2.   De in lid 1 genoemde aankomst- en vertrekpunten worden duidelijk gemarkeerd en bieden basisinformatie over de luchthaven in toegankelijke formaten aan.

Artikel 6

Doorzenden van informatie

1.   De luchtvaartmaatschappijen, agenten van luchtvaartmaatschappijen en touroperators nemen alle maatregelen die nodig zijn om op alle verkooppunten op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, met inbegrip van verkoop via telefoon en internet, kennisgevingen van behoefte aan bijstand van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit te ontvangen.

2.   Als een luchtvaartmaatschappij, de agent van een luchtvaartmaatschappij of een touroperator uiterlijk 48 uur vóór de aangekondigde vertrektijd van de vlucht een kennisgeving van behoefte aan bijstand ontvangt, zendt zij/hij de betrokken informatie uiterlijk 36 uur voor de aangekondigde vertrektijd van de vlucht door:

a)

naar de beheersorganen van de luchthavens van vertrek, aankomst en doorreis, en

b)

naar de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, als de boeking niet bij deze maatschappij is gedaan, tenzij de identiteit van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert niet bekend is op het tijdstip van kennisgeving, in welk geval de informatie zo snel mogelijk wordt doorgezonden.

3.   In alle andere dan de in lid 2 genoemde gevallen zendt de luchtvaartmaatschappij, de agent van de luchtvaartmaatschappij of de touroperator de informatie zo spoedig mogelijk door.

4.   Zo spoedig mogelijk na het vertrek van de vlucht brengt de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert het beheersorgaan van de luchthaven van bestemming, voorzover deze gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, op de hoogte van het aantal gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit op die vlucht die de in bijlage I vermelde bijstand nodig hebben, en van de aard van die bijstand.

Artikel 7

Recht op bijstand op luchthavens

1.   Wanneer een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit op een luchthaven aankomt om vandaar per luchtvaartuig verder te reizen, is het beheersorgaan van de luchthaven verantwoordelijk voor het verzekeren van de in bijlage I vermelde bijstand op een zodanige wijze dat de persoon in staat is de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, te halen, op voorwaarde dat de persoon uiterlijk 48 uur vóór de aangekondigde vertrektijd van de vlucht aan de betrokken luchtvaartmaatschappij, agent van de luchtvaartmaatschappij of touroperator de specifieke behoeften voor die bijstand heeft gemeld. Deze kennisgeving geldt ook voor de terugvlucht, als de heenvlucht en de terugvlucht bij dezelfde luchtvaartmaatschappij werden geboekt.

2.   Wanneer gebruik moet worden gemaakt van een erkende geleidehond, wordt dit toegestaan, mits hiervan kennisgeving is gedaan aan de luchtvaartmaatschappij, de agent van de luchtvaartmaatschappij of de touroperator overeenkomstig de toepasselijke nationale regels inzake het vervoer van geleidehonden in luchtvaartuigen, voorzover deze bestaan.

3.   Zonder voorafgaande kennisgeving overeenkomstig lid 1 moet het beheersorgaan alle redelijke inspanningen leveren om de in bijlage I vermelde bijstand te verlenen op een zodanige wijze dat de persoon in kwestie in staat is de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, te halen.

4.   De bepalingen van lid 1 zijn van toepassing op voorwaarde dat:

a)

de persoon zich meldt voor check-in:

i)

op het van tevoren schriftelijk (inclusief via elektronische weg) door de luchtvaartmaatschappij, de agent van de luchtvaartmaatschappij of touroperator meegedeelde tijdstip, of

ii)

uiterlijk één uur voor de aangekondigde vertrektijd, indien geen tijdstip is meegedeeld, of

b)

de persoon aankomt op een punt op het luchthaventerrein dat overeenkomstig artikel 5 is aangeduid:

i)

op het van tevoren schriftelijk (inclusief via elektronische weg) door de luchtvaartmaatschappij, de agent van de luchtvaartmaatschappij of touroperator meegedeelde tijdstip, of

ii)

uiterlijk twee uur voor de aangekondigde vertrektijd, indien geen tijdstip is meegedeeld.

5.   Als een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit op doorreis is via een luchthaven waarop deze verordening van toepassing is, of door een luchtvaartmaatschappij of touroperator van de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, wordt omgeboekt naar een andere vlucht, is het beheersorgaan verantwoordelijk voor het verzekeren van de in bijlage I vermelde bijstand op een zodanige wijze dat de persoon in staat is de vlucht waarvoor hij een boeking heeft, te halen.

6.   Bij aankomst per luchtvervoer van een gehandicapte of een persoon met beperkte mobiliteit op een luchthaven waarop deze verordening van toepassing is, is het beheersorgaan van de luchthaven verantwoordelijk om de in bijlage I vermelde bijstand te verlenen op een zodanige wijze dat de persoon in staat is zich te begeven naar het punt vanwaar hij de luchthaven zal verlaten, overeenkomstig artikel 5.

7.   De verleende bijstand is, voorzover mogelijk, toegesneden op de specifieke behoeften van de individuele passagier.

Artikel 8

Verantwoordelijkheid voor bijstand op luchthavens

1.   Het beheersorgaan van een luchthaven is verantwoordelijk voor het verzekeren van de in bijlage I vermelde bijstand aan gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit, zonder bijkomende kosten.

2.   Het beheersorgaan mag deze bijstand zelf verlenen. Bij wijze van alternatief mag het beheersorgaan, met behoud van zijn verantwoordelijkheid, voor de verlening van de bijstand een overeenkomst sluiten met één of meer andere partijen, met inachtneming van de kwaliteitsnormen zoals vermeld in artikel 9, lid 1. In samenwerking met de luchthavengebruikers, via het comité van luchthavengebruikers, voorzover dit bestaat, kan het beheersorgaan op eigen initiatief of op verzoek, ook van een luchtvaartmaatschappij, een dergelijk overeenkomst of dergelijke overeenkomsten sluiten, rekening houdend met de op de betrokken luchthaven aanwezige diensten. Wordt een dergelijk verzoek afgewezen, dan verstrekt het beheersorgaan een schriftelijke rechtvaardiging.

3.   Het beheersorgaan van een luchthaven mag met het oog op de financiering van deze bijstand op niet-discriminatoire basis een specifieke heffing opleggen aan de luchthavengebruikers.

4.   Deze specifieke heffing moet redelijk, kostengerelateerd en transparant zijn en worden vastgesteld door het beheersorgaan van de luchthaven, in samenwerking met de luchthavengebruikers, via het comité van luchthavengebruikers, voorzover dit bestaat, of enige andere passende instantie. De heffing wordt gespreid over de luchthavengebruikers, in verhouding tot het totale aantal passagiers dat door elke luchtvaartmaatschappij van en naar die luchthaven wordt vervoerd.

5.   Het beheersorgaan van een luchthaven voert overeenkomstig de gebruikelijke handelspraktijk gescheiden boekhoudingen voor zijn activiteiten op het gebied van bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit en voor zijn overige activiteiten.

6.   Het beheersorgaan van een luchthaven stelt de luchthavengebruikers, via het comité van luchthavengebruikers, voorzover dit bestaat, of enige andere passende instantie, alsmede het handhavingsorgaan of de handhavingsorganen, zoals bedoeld in artikel 14, een door een accountant gecontroleerd jaaroverzicht ter beschikking van de ontvangen heffingen en uitgaven in verband met de bijstand aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit.

Artikel 9

Kwaliteitsnormen voor de bijstand

1.   In samenwerking met de luchthavengebruikers, via het comité van luchthavengebruikers, voorzover dit bestaat, en met de organisaties die gehandicapte passagiers en passagiers met beperkte mobiliteit vertegenwoordigen, stelt het beheersorgaan kwaliteitsnormen voor de in bijlage I vermelde bijstand vast en bepaalt welke middelen nodig zijn om deze normen na te leven, behalve voor luchthavens met een jaarlijks verkeer van minder dan 150 000 commerciële passagiers.

2.   Bij het vaststellen van deze normen wordt ten volle rekening gehouden met internationaal erkende beleidslijnen en gedragscodes om het vervoer van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit te vergemakkelijken, met name de ECAC Code of Good Conduct in Ground Handling for Persons with Reduced Mobility.

3.   Het beheersorgaan van een luchthaven moet zijn kwaliteitsnormen bekendmaken.

4.   Een luchtvervoerder mag met het beheersorgaan van een luchthaven overeenkomen dat het beheersorgaan aan de passagiers die door de luchtvervoerder van en naar de luchthaven worden vervoerd, bijstand verleent waarvan de kwaliteit de in lid 1 vermelde normen overschrijdt, of naast de in bijlage I vermelde bijstand nog aanvullende diensten verleent.

5.   In beide gevallen mag het beheersorgaan deze diensten financieren door, naast de in artikel 8, lid 3, vermelde heffing, een aanvullende heffing op te leggen aan de luchtvervoerder; deze aanvullende heffing moet transparant en kostengerelateerd zijn en moet worden vastgesteld na overleg met de betrokken luchtvervoerder.

Artikel 10

Bijstand door luchtvervoerders

Een luchtvervoerder moet de in bijlage II vermelde bijstand zonder bijkomende kosten verlenen aan gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit die vertrekken van, aankomen op of op doorreis zijn via een luchthaven waarop deze verordening van toepassing is, voorzover de betrokken personen aan de voorwaarden van artikel 7, leden 1, 2 en 4, voldoen.

Artikel 11

Opleiding van personeel

Luchtvervoerders en beheersorganen van luchthavens dragen er zorg voor dat:

a)

al hun personeelsleden en die van hun onderaannemers die rechtstreekse bijstand verlenen aan gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit, weten hoe zij aan de behoeften van personen met uiteenlopende handicaps of mobiliteitsproblemen kunnen voldoen;

b)

al hun personeelsleden die op de luchthaven werken en rechtstreeks te maken hebben met de reizigers, een opleiding krijgen over gelijkheid van gehandicapten en over bewustzijn van gehandicapten;

c)

alle nieuwe personeelsleden bij hun indiensttreding een cursus over de gehandicaptenproblematiek volgen en dat personeelsleden, waar nodig, bijscholing ontvangen.

Artikel 12

Compensatie voor verloren of beschadigde rolstoelen en andere mobiliteits- en hulpmiddelen

Wanneer rolstoelen of andere mobiliteits- en hulpmiddelen verloren gaan of worden beschadigd tijdens de afhandeling in de luchthaven of tijdens het vervoer aan boord van het luchtvaartuig, ontvangt de passagier aan wie deze middelen toebehoren, een compensatie die in overeenstemming is met de internationale, Gemeenschaps‐ en nationale rechtsvoorschriften.

Artikel 13

Uitsluiting van verklaring van afstand

Verplichtingen ten aanzien van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit uit hoofde van deze verordening mogen niet worden beperkt of er mag geen afstand van worden gedaan.

Artikel 14

Het handhavingsorgaan en zijn taken

1.   Elke lidstaat wijst een orgaan of organen aan dat of die verantwoordelijk is of zijn voor de handhaving van deze verordening met betrekking tot vluchten die vertrekken van of aankomen op luchthavens die op het grondgebied van die lidstaat zijn gevestigd. Dit orgaan neemt alle maatregelen die nodig zijn om te garanderen dat de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit in acht worden genomen en dat de in artikel 9, lid 1, vermelde kwaliteitsnormen worden nageleefd. De lidstaten delen aan de Commissie mee welk orgaan of welke organen hiervoor is of zijn aangewezen.

2.   In voorkomend geval bepalen de lidstaten dat het (de) uit hoofde van lid 1 aangewezen handhavingsorgaan (handhavingsorganen) tevens belast wordt (worden) met de bevredigende uitvoering van artikel 8, met inbegrip van de voorschriften inzake heffingen ter voorkoming van oneerlijke mededinging. Zij mogen daarvoor ook een specifiek orgaan aanwijzen.

Artikel 15

Klachtprocedure

1.   Gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit die van oordeel zijn dat onderhavige verordening is geschonden, kunnen deze kwestie aan het beheersorgaan van de luchthaven dan wel aan de desbetreffende luchtvaartmaatschappij voorleggen.

2.   Indien de gehandicapte persoon of de persoon met beperkte mobiliteit langs deze weg geen genoegdoening krijgt, kan hij/zij een klacht indienen wegens schending van deze verordening bij de instantie(s) die daartoe op grond van artikel 14, lid 1, door de betrokken lidstaat is (zijn) aangewezen.

3.   Indien een orgaan in een lidstaat een klacht ontvangt die onder de verantwoordelijkheid van een aangewezen orgaan van een andere lidstaat valt, zendt het de klacht door naar het orgaan in die andere lidstaat.

4.   De lidstaten nemen maatregelen om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit te informeren over hun rechten uit hoofde van deze verordening en over de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij dit (deze) aangewezen orgaan (organen).

Artikel 16

Sancties

De lidstaten stellen de regels vast met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van de bepalingen van deze verordening en nemen alle nodige maatregelen om te verzekeren dat deze regels worden toegepast. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten moeten deze bepalingen inzake sancties aan de Commissie meedelen en de Commissie onverwijld in kennis stellen van alle wijzigingen van deze bepalingen.

Artikel 17

Rapportering

De Commissie moet uiterlijk op 1 januari 2010 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uitbrengen over de werking en de resultaten van deze verordening. Het verslag moet, waar nodig, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen om de bepalingen van de verordening gedetailleerder ten uitvoer te leggen of te herzien.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf 26 juli 2008, met uitzondering van de artikelen 3 en 4, die van toepassing zijn vanaf 26 juli 2007.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 5 juli 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitster

P. LEHTOMÄKI


(1)  PB C 24 van 31.1.2006, blz. 12.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 15 december 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 9 juni 2006.

(3)  PB L 158 van 23.6.1990, blz. 59.

(4)  PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1.

(5)  PB L 272 van 25.10.1996, blz. 36. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(6)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Richtlijn gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.

(7)  PB L 240 van 24.8.1992, blz. 1.


BIJLAGE I

Bijstand onder verantwoordelijkheid van de beheersorganen van luchthavens

Bijstand en regelingen die nodig zijn om gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit in staat te stellen om:

mee te delen dat zij bij de luchthaven zijn aangekomen, en bijstand te vragen bij de in artikel 5 aangeduide punten binnen en buiten de luchthavengebouwen;

zich van een aangeduid punt naar de incheckbalie te begeven;

bagage in te checken en te registreren;

zich van de incheckbalie naar het luchtvaartuig te begeven, inclusief het vervullen van de emigratie-, douane- en veiligheidsverplichtingen;

aan boord te gaan van het luchtvaartuig; hiervoor moeten, waar nodig, liften en rolstoelen ter beschikking worden gesteld en andere benodigde bijstand worden verleend;

zich van de deur van het luchtvaartuig naar hun stoel te begeven;

hun bagage in het luchtvaartuig op te bergen en weer bij zich te nemen;

zich van hun stoel naar de deur van het luchtvaartuig te begeven;

uit het luchtvaartuig te stappen; hiervoor moeten, waar nodig, liften, rolstoelen of andere voorzieningen ter beschikking worden gesteld;

zich van het luchtvaartuig naar de bagagehal te begeven en hun bagage op te halen, inclusief het vervullen van de emigratie- en douaneverplichtingen;

zich van de bagagehal naar een aangeduid punt te begeven;

aansluitende vluchten te halen wanneer zij op doorreis zijn; hiervoor moet zowel in het luchtvaartuig als aan land en binnen en tussen de terminals bijstand worden verleend;

indien nodig, naar de toiletten te gaan.

Indien een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit wordt bijgestaan door een begeleidende persoon, moet deze persoon op verzoek de benodigde bijstand mogen verlenen op de luchthaven en bij het in en uit het luchtvaartuig stappen.

Grondafhandeling van alle benodigde mobiliteitshulpmiddelen, inclusief apparatuur zoals elektrische rolstoelen, mits dit minstens 48 uur van tevoren wordt meegedeeld en het luchtvaartuig hiervoor voldoende ruimte biedt en mits dit in overeenstemming is met de wetgeving betreffende gevaarlijke goederen.

Tijdelijke vervanging van verloren of beschadigde mobiliteitshulpmiddelen, zij het niet noodzakelijkerwijze door identieke hulpmiddelen.

Grondafhandeling van erkende geleidehonden.

Mededeling van informatie die nodig is om een vlucht te kunnen nemen, in een toegankelijk formaat.


BIJLAGE II

Bijstand door luchtvervoerders

Vervoer van erkende geleidehonden in de passagiersruimte, voorzover de nationale regelgeving dit toestaat.

Afgezien van medische apparatuur, vervoer van maximaal twee mobiliteitshulpmiddelen per gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit, inclusief elektrische rolstoelen (mits dit minstens 48 uur van tevoren wordt meegedeeld en het luchtvaartuig hiervoor voldoende ruimte biedt en mits dit in overeenstemming is met de wetgeving betreffende gevaarlijke goederen).

Mededeling van wezenlijke vluchtinformatie in een toegankelijk formaat.

Op verzoek: alle redelijke inspanningen leveren om te komen tot een stoelopstelling die tegemoetkomt aan de behoeften van gehandicapten of personen met beperkte mobiliteit, voorzover de veiligheidseisen en de beschikbaarheid dit toestaan.

Bijstand, indien nodig, om naar de toiletten te gaan.

Indien een gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit wordt bijgestaan door een begeleidende persoon levert de luchtvaartmaatschappij alle redelijke inspanningen om deze persoon een stoel te geven naast de gehandicapte of persoon met beperkte mobiliteit.


Top