Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006R0401

Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie van 23 februari 2006 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 70, 9.3.2006, p. 12–34 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 330M , 28.11.2006, p. 228–250 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 070 P. 140 - 162
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 070 P. 140 - 162
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 034 P. 3 - 25

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/401/oj

9.3.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 70/12


VERORDENING (EG) Nr. 401/2006 VAN DE COMMISSIE

van 23 februari 2006

tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name op artikel 11, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 466/2001 van de Commissie van 8 maart 2001 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (2) stelt maximumgehalten voor bepaalde mycotoxinen in bepaalde levensmiddelen vast.

(2)

Bemonstering is zeer belangrijk om de gehalten aan mycotoxinen, die meestal zeer ongelijkmatig over de partij verdeeld zijn, op betrouwbare wijze te kunnen bepalen. Daarom moeten voor de bemonsteringswijze algemene criteria worden vastgesteld.

(3)

Ook voor de analysemethoden moeten algemene criteria worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat de controlelaboratoria analysemethoden van een vergelijkbaar niveau gebruiken.

(4)

Richtlijn 98/53/EG van de Commissie van 16 juli 1998 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (3) stelt de bemonsteringswijzen en de prestatiecriteria voor de analysemethoden vast voor de officiële controles op het gehalte aan aflatoxinen in levensmiddelen.

(5)

Richtlijn 2002/26/EG van de Commissie van 13 maart 2002 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan ochratoxine A in levensmiddelen (4), Richtlijn 2003/78/EG van de Commissie van 11 augustus 2003 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het patulinegehalte in levensmiddelen (5) en Richtlijn 2005/38/EG van de Commissie van 6 juni 2005 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan Fusarium-toxinen in levensmiddelen (6) stellen de bemonsteringswijzen en prestatiecriteria voor respectievelijk ochratoxine A, patuline en Fusarium-toxinen vast.

(6)

Voor de controle op mycotoxinen moet zo mogelijk dezelfde bemonsteringswijze op hetzelfde product worden toegepast. Daarom moeten de bemonsteringswijzen en de prestatiecriteria voor de analysemethoden voor de officiële controles op alle mycotoxinen in één wettekst worden bijeengebracht zodat ze makkelijker kunnen worden toegepast.

(7)

Aflatoxinen zijn zeer ongelijkmatig over de partij verdeeld, met name in partijen levensmiddelen met grote deeltjes zoals gedroogde vijgen en grondnoten. Om voor partijen levensmiddelen met grote deeltjes dezelfde representativiteit te verkrijgen, moet het gewicht van het verzamelmonster groter zijn dan voor partijen levensmiddelen met kleine deeltjes. Aangezien mycotoxinen in verwerkte producten meestal gelijkmatiger verdeeld zijn dan in onverwerkte graanproducten, moeten voor verwerkte producten eenvoudigere bemonsteringswijzen worden vastgesteld.

(8)

De Richtlijnen 98/53/EG, 2002/26/EG, 2003/78/EG en 2005/38/EG moeten bijgevolg worden ingetrokken.

(9)

Deze verordening moet van toepassing worden op dezelfde datum als Verordening (EG) nr. 856/2005 van de Commissie van 6 juni 2005 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 466/2001 wat betreft Fusarium-toxinen (7).

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bemonstering voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen wordt verricht volgens de bemonsteringswijzen in bijlage I.

Artikel 2

De bereiding van de monsters en de analysemethoden voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen voldoen aan de criteria in bijlage II.

Artikel 3

De Richtlijnen 98/53/EG, 2002/26/EG, 2003/78/EG en 2005/38/EG worden ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2006.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 februari 2006.

Voor de Commissie

Markos KYPRIANOU

Lid van de Commissie


(1)  PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1; gerectificeerd in PB L 191 van 28.5.2004, blz. 1.

(2)  PB L 77 van 16.3.2001, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 199/2006 (PB L 32 van 4.2.2006, blz. 34).

(3)  PB L 201 van 17.7.1998, blz. 93. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/43/EG (PB L 113 van 20.4.2004, blz. 14).

(4)  PB L 75 van 16.3.2002, blz. 38. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2005/5/EG (PB L 27 van 29.1.2005, blz. 38).

(5)  PB L 203 van 12.8.2003, blz. 40.

(6)  PB L 143 van 7.6.2005, blz. 18.

(7)  PB L 143 van 7.6.2005, blz. 3.


BIJLAGE I (1)

BEMONSTERINGSWIJZEN VOOR DE OFFICIËLE CONTROLE OP HET MYCOTOXINEGEHALTE IN LEVENSMIDDELEN

A.   ALGEMENE BEPALINGEN

De officiële controles worden verricht overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 882/2004. Onverminderd de bepalingen van Verordening (EG) nr. 882/2004 gelden de volgende algemene bepalingen.

A.1.   Doel en toepassingsgebied

De monsters voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen worden genomen volgens de in deze bijlage vermelde bemonsteringswijzen. De op die manier verkregen verzamelmonsters worden geacht representatief te zijn voor de partijen. Op basis van de gehalten die in de laboratoriummonsters worden geconstateerd, wordt bepaald of de partijen voldoen aan de bij Verordening (EG) nr. 466/2001 vastgestelde maximumgehalten.

A.2.   Definities

In deze bijlage wordt verstaan onder:

A.2.1.

„partij”: een identificeerbare, in één keer geleverde hoeveelheid van een bepaald levensmiddel waarvan de ambtenaar gemeenschappelijke kenmerken, zoals oorsprong, soort, verpakkingstype, verpakker, geadresseerde of merktekens, heeft geconstateerd;

A.2.2.

„subpartij”: deel van een grote partij dat voor bemonsteringsdoeleinden van die partij is afgescheiden; elke subpartij moet fysiek van de hoofdpartij gescheiden zijn en moet kunnen worden geïdentificeerd;

A.2.3.

„basismonster”: een hoeveelheid product die op één plaats uit de partij of de subpartij is genomen;

A.2.4.

„verzamelmonster”: het totaal van alle uit de partij of de subpartij genomen basismonsters;

A.2.5.

„laboratoriummonster”: een monster dat voor het laboratorium bestemd is.

A.3.   Algemene bepalingen

A.3.1.   Personeel

De monsters worden genomen door een door de lidstaat aangewezen gemachtigde.

A.3.2.   Te bemonsteren materiaal

Elke partij die moet worden geanalyseerd, wordt afzonderlijk bemonsterd. Overeenkomstig de specifieke bemonsteringsvoorschriften voor de verschillende mycotoxinen worden grote partijen verdeeld in subpartijen, die afzonderlijk worden bemonsterd.

A.3.3.   Voorzorgsmaatregelen

Bij de bemonstering en de bereiding van de monsters wordt voorkomen dat zich veranderingen voordoen die van invloed kunnen zijn op:

het mycotoxinegehalte, de analysen of de representativiteit van het verzamelmonster;

de voedselveiligheid van de te bemonsteren partijen.

Voorts worden alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om de veiligheid van het personeel dat de monsters neemt, te garanderen.

A.3.4.   Basismonsters

De basismonsters worden zoveel mogelijk op verschillende plaatsen uit de partij of de subpartij genomen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het in punt A.3.8. van deze bijlage bedoelde verslag vermeld.

A.3.5.   Bereiding van het verzamelmonster

Het verzamelmonster wordt verkregen door de basismonsters door elkaar te mengen.

A.3.6.   Identieke monsters

Van het gehomogeniseerde verzamelmonster worden identieke monsters voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden genomen, mits deze procedure in overeenstemming is met de regelgeving van de lidstaat inzake de rechten van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

A.3.7.   Verpakking en verzending van de monsters

Elk monster wordt in een schone recipiënt van inert materiaal geplaatst die voldoende bescherming biedt tegen verontreiniging en beschadiging tijdens het vervoer. Voorts worden de nodige voorzorgsmaatregelen genomen om verandering in de samenstelling van het monster tijdens vervoer of opslag te voorkomen.

A.3.8.   Verzegeling en etikettering van de monsters

Elk officieel monster wordt op de plaats van bemonstering verzegeld en geïdentificeerd volgens de in de lidstaat geldende voorschriften.

Van elke bemonstering wordt een bemonsteringsverslag opgesteld aan de hand waarvan de bemonsterde partij ondubbelzinnig kan worden geïdentificeerd; hierin worden de bemonsteringsdatum en -plaats en alle andere voor de analist nuttige gegevens vermeld.

A.4.   Verschillende soorten partijen

Levensmiddelen kunnen in de handel worden gebracht in bulk, in containers of in afzonderlijke verpakkingen zoals balen, zakken, detailverpakkingen enz. Levensmiddelen mogen in ongeacht welke verpakkingsvorm worden bemonsterd.

Onverminderd de specifieke bepalingen in andere punten van deze bijlage mag voor de bemonstering van partijen die in afzonderlijke verpakkingen (zoals balen, zakken, detailverpakkingen enz.) worden verkocht, de onderstaande formule worden gehanteerd:

Formula

gewicht: in kg

bemonsteringsfrequentie (BF): elke n-de afzonderlijke verpakking waaruit een basismonster moet worden genomen (cijfers achter de komma worden afgerond tot op het dichtstbijzijnde gehele getal).

B.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR GRANEN EN GRAANPRODUCTEN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan aflatoxine B1, aflatoxinentotaal, ochratoxine A en Fusarium-toxinen in granen en graanproducten.

B.1.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 100 g, tenzij anders bepaald in dit punt B.

Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Indien de detailverpakking meer dan 100 g weegt, wordt een verzamelmonster van meer dan 10 kg samengesteld. Indien één detailverpakking veel meer dan 100 g weegt, wordt als basismonster 100 g uit elke afzonderlijke detailverpakking genomen. Dit kan hetzij bij de bemonstering, hetzij in het laboratorium worden gedaan. Indien deze bemonsteringswijze onaanvaardbare economische schade aan de partij zou toebrengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast. Indien bijvoorbeeld een waardevol product in detailverpakkingen van 500 g of 1 kg wordt verkocht, mag het verzamelmonster worden verkregen door het samenvoegen van een kleiner aantal basismonsters dan aangegeven in de tabellen 1 en 2, mits het verzamelmonster het vereiste gewicht heeft zoals aangegeven in de tabellen 1 en 2.

Indien de detailverpakking iets minder dan 100 g weegt, wordt één detailverpakking als één basismonster beschouwd en wordt een verzamelmonster van minder dan 10 kg samengesteld. Indien de detailverpakking veel minder dan 100 g weegt, bestaat één basismonster uit twee of meer detailverpakkingen, zodat het de 100 g zo dicht mogelijk benadert.

B.2.   Algemeen overzicht van de bemonsteringswijze voor granen en graanproducten

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij (ton)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

Granen en graanproducten

≥ 1 500

500 ton

100

10

> 300 en < 1 500

3 subpartijen

100

10

≥ 50 en ≤ 300

100 ton

100

10

< 50

3-100 (2)

1-10

B.3.   Bemonsteringswijze voor granen en graanproducten bij partijen ≥ 50 ton

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden. Indien de partij niet fysiek in subpartijen is of kan worden verdeeld, worden minimaal 100 basismonsters uit de partij genomen.

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

Aantal basismonsters: 100. Gewicht van het verzamelmonster = 10 kg.

Indien de in dit punt beschreven bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder onaanvaardbare economische schade aan de partij toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. Ook indien bovengenoemde bemonsteringswijze in de praktijk ontoepasbaar is, mag een alternatieve bemonstering worden toegepast. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer grote partijen granen in pakhuizen zijn opgeslagen of wanneer granen in silo’s zijn opgeslagen (3)

B.4.   Bemonsteringswijze voor granen en graanproducten bij partijen < 50 ton

Van partijen granen en graanproducten van minder dan 50 ton worden, afhankelijk van het gewicht van de partij, 10 à 100 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 1 à 10 kg wordt samengesteld. Van zeer kleine partijen (≤ 0,5 ton) mag een kleiner aantal basismonsters worden genomen, maar ook in dat geval moeten alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen.

Aan de hand van tabel 2 kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen.

Tabel 2

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij granen of graanproducten

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

≤ 0,05

3

1

> 0,05-≤ 0,5

5

1

> 0,5-≤ 1

10

1

> 1-≤ 3

20

2

> 3-≤ 10

40

4

> 10-≤ 20

60

6

> 20-≤ 50

100

10

B.5.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt B.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. In ieder geval weegt het verzamelmonster ten minste 1 kg (4).

B.6.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

C.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR GEDROOGDE VRUCHTEN, WAARONDER GEDROOGDE DRUIVEN EN AFGELEIDE PRODUCTEN, MET UITZONDERING VAN GEDROOGDE VIJGEN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan:

aflatoxine B1 en aflatoxinentotaal in gedroogde vruchten, met uitzondering van gedroogde vijgen, en

ochratoxine A in gedroogde druiven (krenten, rozijnen en sultana’s).

C.1.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 100 g, tenzij anders bepaald in dit punt C.

Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Indien de detailverpakking meer dan 100 g weegt, wordt een verzamelmonster van meer dan 10 kg samengesteld. Indien één detailverpakking veel meer dan 100 g weegt, wordt als basismonster 100 g uit elke afzonderlijke detailverpakking genomen. Dit kan hetzij bij de bemonstering, hetzij in het laboratorium worden gedaan. Indien deze bemonsteringswijze onaanvaardbare economische schade aan de partij zou toebrengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast. Indien bijvoorbeeld een waardevol product in detailverpakkingen van 500 g of 1 kg wordt verkocht, mag het verzamelmonster worden verkregen door het samenvoegen van een kleiner aantal basismonsters dan aangegeven in de tabellen 1 en 2, mits het verzamelmonster het vereiste gewicht heeft zoals aangegeven in de tabellen 1 en 2.

Indien de detailverpakking iets minder dan 100 g weegt, wordt één detailverpakking als één basismonster beschouwd en wordt een verzamelmonster van minder dan 10 kg samengesteld. Indien de detailverpakking veel minder dan 100 g weegt, bestaat één basismonster uit twee of meer detailverpakkingen, zodat het de 100 g zo dicht mogelijk benadert.

C.2.   Algemeen overzicht van de bemonsteringswijze voor gedroogde vruchten, met uitzondering van vijgen

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij (ton)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

Gedroogde vruchten

≥ 15

15-30 ton

100

10

< 15

10-100 (5)

1-10

C.3.   Bemonsteringswijze voor gedroogde vruchten (partijen ≥ 15 ton), met uitzondering van vijgen

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden.

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

Aantal basismonsters: 100. Gewicht van het verzamelmonster = 10 kg.

Indien de hier beschreven bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder economische schade toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking of de aard van de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

C.4.   Bemonsteringswijze voor gedroogde vruchten (partijen < 15 ton), met uitzondering van vijgen

Van partijen gedroogde vruchten, met uitzondering van vijgen, van minder dan 15 ton worden, afhankelijk van het gewicht van de partij, 10 à 100 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 1 à 10 kg wordt samengesteld.

Aan de hand van de onderstaande tabel kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen.

Tabel 2

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij gedroogde vruchten

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

≤ 0,1

10

1

> 0,1-≤ 0,2

15

1,5

> 0,2-≤ 0,5

20

2

> 0,5-≤ 1,0

30

3

> 1,0-≤ 2,0

40

4

> 2,0-≤ 5,0

60

6

> 5,0-≤ 10,0

80

8

> 10,0-≤ 15,0

100

10

C.5.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. In ieder geval weegt het verzamelmonster ten minste 1 kg (6).

C.6.   Specifieke bemonsteringsvoorschriften voor gedroogde vruchten, met uitzondering van gedroogde vijgen, die vacuümverpakt worden verkocht

Van partijen groter dan of gelijk aan 15 ton worden ten minste 25 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 10 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 15 ton wordt 25 % van het in tabel 2 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 2).

C.7.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

D.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR GEDROOGDE VIJGEN, AARDNOTEN EN NOTEN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan aflatoxine B1 en aflatoxinentotaal in gedroogde vijgen, aardnoten en noten.

D.1.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 300 g, tenzij anders bepaald in dit punt D.

Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Indien de detailverpakking meer dan 300 g weegt, wordt een verzamelmonster van meer dan 30 kg samengesteld. Indien één detailverpakking veel meer dan 300 g weegt, wordt een basismonster van 300 g uit elke afzonderlijke detailverpakking genomen. Dit kan hetzij bij de bemonstering, hetzij in het laboratorium worden gedaan. Indien deze bemonsteringswijze onaanvaardbare economische schade aan de partij zou toebrengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast. Indien bijvoorbeeld een waardevol product in detailverpakkingen van 500 g of 1 kg wordt verkocht, mag het verzamelmonster worden verkregen door het samenvoegen van een kleiner aantal basismonsters dan aangegeven in de tabellen 1, 2 en 3, mits het verzamelmonster het vereiste gewicht heeft zoals aangegeven in de tabellen 1, 2 en 3.

Indien de detailverpakking iets minder dan 300 g weegt, wordt één detailverpakking als één basismonster beschouwd en wordt een verzamelmonster van minder dan 30 kg samengesteld. Indien de detailverpakking veel minder dan 300 g weegt, bestaat één basismonster uit twee of meer detailverpakkingen, zodat het de 300 g zo dicht mogelijk benadert.

D.2.   Algemeen overzicht van de bemonsteringswijze voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij (ton)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

Gedroogde vijgen

≥ 15

15-30 ton

100

30

< 15

10-100 (7)

≤ 30

Aardnoten, pistaches, paranoten en andere noten

≥ 500

100 ton

100

30

> 125 en < 500

5 subpartijen

100

30

≥ 15 en ≤ 125

25 ton

100

30

< 15

10-100 (7)

≤ 30

D.3.   Bemonsteringswijze voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten (partijen ≥ 15 ton)

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden.

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

Aantal basismonsters: 100.

Gewicht van het verzamelmonster: 30 kg. Dit door grof mengen verkregen monster wordt in drie gelijke laboratoriummonsters van 10 kg verdeeld vóór het wordt vermalen (het monster hoeft niet te worden verdeeld als het bestaat uit aardnoten of noten die later worden gesorteerd of een andere fysische behandeling ondergaan en als de nodige apparatuur beschikbaar is om een monster van 30 kg te homogeniseren).

Elk laboratoriummonster van 10 kg wordt afzonderlijk fijngemalen en grondig gemengd, zodat het product volledig homogeen wordt, overeenkomstig bijlage II.

Indien de bovengenoemde bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder economische schade aan de partij toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

D.4.   Bemonsteringswijze voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten (partijen < 15 ton)

Er worden minimaal 10 en maximaal 100 basismonsters genomen, naar gelang van het gewicht van de partij.

Aan de hand van onderstaande tabel 2 kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen en hoe het verzamelmonster moet worden verdeeld.

Tabel 2

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij en aantal onderverdelingen van het verzamelmonster

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht van het verzamelmonster (kg) (in geval van detailverpakkingen kan het gewicht van het verzamelmonster variëren, zie punt D.1)

Aantal laboratoriummonsters uit het verzamelmonster

≤ 0,1

10

3

1 (geen verdeling)

> 0,1-≤ 0,2

15

4,5

1 (geen verdeling)

> 0,2-≤ 0,5

20

6

1 (geen verdeling)

> 0,5-≤ 1,0

30

9 (– < 12 kg)

1 (geen verdeling)

> 1,0-≤ 2,0

40

12

2

> 2,0-≤ 5,0

60

18 (– < 24 kg)

2

> 5,0-≤ 10,0

80

24

3

> 10,0-≤ 15,0

100

30

3

Gewicht van het verzamelmonster: ≤ 30 kg. Dit door grof mengen verkregen monster wordt in twee of drie gelijke laboratoriummonsters van ≤ 10 kg verdeeld vóór het wordt vermalen (het monster hoeft niet te worden verdeeld als het bestaat uit gedroogde vijgen, aardnoten of noten die later worden gesorteerd of een andere fysische behandeling ondergaan en als de nodige apparatuur beschikbaar is om een monster van 30 kg te homogeniseren).

Indien het verzamelmonster minder dan 30 kg weegt, wordt het verzamelmonster als volgt in laboratoriummonsters verdeeld:

< 12 kg: niet in laboratoriummonsters verdelen;

≥ 12-< 24 kg: in twee laboratoriummonsters verdelen;

24 kg: in drie laboratoriummonsters verdelen.

Elk laboratoriummonster wordt afzonderlijk fijngemalen en grondig gemengd, zodat het product volledig homogeen wordt, overeenkomstig bijlage II.

Indien de bovengenoemde bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder onaanvaardbare economische schade aan de partij toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

D.5.   Bemonsteringswijze voor afgeleide producten en samengestelde levensmiddelen

D.5.1.   Afgeleide producten met een zeer kleine deeltjesgrootte, bv. meel en pindakaas (gelijkmatige verdeling van de aflatoxineverontreiniging)

Aantal basismonsters: 100; bij partijen van minder dan 50 ton worden 10 à 100 basismonsters genomen, naar gelang van het gewicht van de partij (zie tabel 3).

Tabel 3

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

≤ 1

10

1

> 1-≤ 3

20

2

> 3-≤ 10

40

4

> 10-≤ 20

60

6

> 20-≤ 50

100

10

Het basismonster weegt ongeveer 100 g. Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Gewicht van het verzamelmonster = 1 à 10 kg, voldoende gemengd.

D.5.2.   Andere producten met relatief grote deeltjes (ongelijkmatige verdeling van de aflatoxineverontreiniging)

Bemonsteringswijze en aanvaarding zoals voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten (D.3 en D.4).

D.6.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mogen ander effectieve bemonsteringswijzen worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. In ieder geval weegt het verzamelmonster ten minste 1 kg (8).

D.7.   Specifieke bemonsteringswijze voor aardnoten, noten, gedroogde vijgen en afgeleide producten die vacuümverpakt worden verkocht

D.7.1.   Pistaches, aardnoten, paranoten en gedroogde vijgen

Van partijen groter dan of gelijk aan 15 ton worden ten minste 50 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 30 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 15 ton wordt 50 % van het in tabel 2 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 2).

D.7.2.   Noten, met uitzondering van pistaches en paranoten

Van partijen groter dan of gelijk aan 15 ton worden ten minste 25 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 30 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 15 ton wordt 25 % van het in tabel 2 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 2).

D.7.3.   Van noten, vijgen en aardnoten afgeleide producten met kleine deeltjes

Van partijen groter dan of gelijk aan 50 ton worden ten minste 25 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 10 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 50 ton wordt 25 % van het in tabel 3 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 3).

D.8.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

Voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten die later worden gesorteerd of een andere fysische behandeling ondergaan:

aanvaarding als het verzamelmonster of het gemiddelde van de laboratoriummonsters het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het verzamelmonster of het gemiddelde van de laboratoriummonsters het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

Voor gedroogde vijgen, aardnoten en noten bestemd voor menselijke consumptie:

aanvaarding als geen van de laboratoriummonsters het maximumgehalte overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als één of meer van de laboratoriummonsters het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijden, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

Indien het verzamelmonster 12 kg of minder weegt:

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

E.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR SPECERIJEN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan aflatoxine B1 en aflatoxinentotaal in specerijen.

E.1.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 100 g, tenzij anders bepaald in dit punt E.

Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Indien de detailverpakking meer dan 100 g weegt, wordt een verzamelmonster van meer dan 10 kg samengesteld. Indien één detailverpakking veel meer dan 100 g weegt, wordt een basismonster van 100 g uit elke afzonderlijke detailverpakking genomen. Dit kan hetzij bij de bemonstering, hetzij in het laboratorium worden gedaan. Indien deze bemonsteringswijze onaanvaardbare economische schade aan de partij zou toebrengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast. Indien bijvoorbeeld een waardevol product in detailverpakkingen van 500 g of 1 kg wordt verkocht, mag het verzamelmonster worden verkregen door het samenvoegen van een kleiner aantal basismonsters dan aangegeven in de tabellen 1 en 2, mits het verzamelmonster het vereiste gewicht heeft zoals aangegeven in de tabellen 1 en 2.

Indien de detailverpakking iets minder dan 100 g weegt, wordt één detailverpakking als één basismonster beschouwd en wordt een verzamelmonster van minder dan 10 kg samengesteld. Indien de detailverpakking veel minder dan 100 g weegt, bestaat één basismonster uit twee of meer detailverpakkingen, zodat het de 100 g zo dicht mogelijk benadert.

E.2.   Algemeen overzicht van de bemonsteringswijze voor specerijen

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij (ton)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht van het verzamelmonster (kg)

Specerijen

≥ 15

25 ton

100

10

< 15

5-100 (9)

0,5-10

E.3.   Bemonsteringswijze voor specerijen (partijen ≥ 15 ton)

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen het aangegeven gewicht met maximaal 20 % overschrijden.

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

Aantal basismonsters: 100. Gewicht van het verzamelmonster = 10 kg.

Indien de bovengenoemde bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder onaanvaardbare economische schade aan de partij toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

E.4.   Bemonsteringswijze voor specerijen (partijen < 15 ton)

Van partijen specerijen van minder dan 15 ton worden, afhankelijk van het gewicht van de partij, 5 à 100 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 0,5 à 10 kg wordt samengesteld.

Aan de hand van de onderstaande tabel kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen.

Tabel 2

Aantal basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij specerijen

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

≤ 0,01

5

0,5

> 0,01-≤ 0,1

10

1

> 0,1-≤ 0,2

15

1,5

> 0,2-≤ 0,5

20

2

> 0,5-≤ 1,0

30

3

> 1,0-≤ 2,0

40

4

> 2,0-≤ 5,0

60

6

> 5,0-≤ 10,0

80

8

> 10,0-≤ 15,0

100

10

E.5.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. In ieder geval weegt het verzamelmonster ten minste 0,5 kg (10).

E.6.   Specifieke bemonsteringswijze voor specerijen die vacuümverpakt worden verkocht

Van partijen groter dan of gelijk aan 15 ton worden ten minste 25 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 10 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 15 ton wordt 25 % van het in tabel 2 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 2).

E.7.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

F.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR MELK, MELKPRODUCTEN, ZUIGELINGENVOEDING EN OPVOLGZUIGELINGENVOEDING, WAARONDER ZUIGELINGENMELK EN OPVOLGZUIGELINGENMELK

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan aflatoxine M1 in melk, melkproducten, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, waaronder zuigelingenmelk en opvolgzuigelingenmelk en dieetvoeding (melk en melkproducten) voor medisch gebruik die speciaal bestemd is voor zuigelingen.

F.1.   Bemonsteringswijze voor melk en melkproducten, zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding, waaronder zuigelingenmelk en opvolgzuigelingenmelk

Het verzamelmonster weegt ten minste 1 kg of heeft een volume van ten minste 1 l, tenzij dat niet mogelijk is, bv. als het monster uit één fles bestaat.

Het minimumaantal basismonsters dat van de partij moet worden genomen, is in tabel 1 aangegeven. Het vastgestelde aantal basismonsters hangt af van de gebruikelijke vorm waarin de desbetreffende producten worden verkocht. In geval van onverpakte vloeibare producten moet de partij voorzover mogelijk en voorzover dit de kwaliteit van het product niet beïnvloedt, net vóór de bemonstering goed worden gemengd, hetzij handmatig, hetzij mechanisch. In dat geval wordt verondersteld dat de aflatoxine M1 homogeen over de partij is verdeeld. Drie basismonsters van een partij zijn daarom voldoende om het verzamelmonster te vormen.

De basismonsters, vaak een fles of verpakking, hebben een vergelijkbaar gewicht. Een basismonster weegt ten minste 100 g, zodat een verzamelmonster van ten minste ongeveer 1 kg of 1 l wordt verkregen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het in punt A.3.8 van deze bijlage bedoelde verslag vermeld.

Tabel 1

Minimumaantal van de partij te nemen basismonsters

Vorm waarin het product wordt verkocht

Volume of gewicht van de partij (l of kg)

Minimumaantal basismonsters

Volume of gewicht van het verzamelmonster (l of kg)

Onverpakt

3-5

1

Flessen/verpakkingen

≤ 50

3

1

Flessen/verpakkingen

50 t/m 500

5

1

Flessen/verpakkingen

> 500

10

1

F.2.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd (11).

F.3.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid (of de beslissingsgrens, zie bijlage II, punt 4.4);

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid (of de beslissingsgrens, zie bijlage II, punt 4.4).

G.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR KOFFIE EN KOFFIEPRODUCTEN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan ochratoxine A in gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie.

G.1.   Gewicht van het basismonster

Het basismonster weegt ongeveer 100 g, tenzij anders bepaald in dit punt G.

Bij partijen in detailverpakkingen hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking.

Indien de detailverpakking meer dan 100 g weegt, wordt een verzamelmonster van meer dan 10 kg samengesteld. Indien één detailverpakking veel meer dan 100 g weegt, wordt als basismonster 100 g uit elke afzonderlijke detailverpakking genomen. Dit kan hetzij bij de bemonstering, hetzij in het laboratorium worden gedaan. Indien deze bemonsteringswijze onaanvaardbare economische schade aan de partij zou toebrengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast. Indien bijvoorbeeld een waardevol product in detailverpakkingen van 500 g of 1 kg wordt verkocht, mag het verzamelmonster worden verkregen door het samenvoegen van een kleiner aantal basismonsters dan aangegeven in de tabellen 1 en 2, mits het verzamelmonster het vereiste gewicht heeft zoals aangegeven in de tabellen 1 en 2.

Indien de detailverpakking iets minder dan 100 g weegt, wordt één detailverpakking als één basismonster beschouwd en wordt een verzamelmonster van minder dan 10 kg samengesteld. Indien de detailverpakking veel minder dan 100 g weegt, bestaat één basismonster uit twee of meer detailverpakkingen, zodat het de 100 g zo dicht mogelijk benadert.

G.2.   Algemeen overzicht van de bemonsteringswijze voor gebrande koffiebonen

Tabel 1

Verdeling van partijen in subpartijen naar gelang van het product en het gewicht van de partij

Product

Gewicht van de partij (ton)

Gewicht van de subpartijen of aantal subpartijen

Aantal basismonsters

Gewicht van het verzamelmonster (kg)

Gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie

≥ 15

15-30 ton

100

10

< 15

10-100 (12)

1-10

G.3.   Bemonsteringswijze voor gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie (partijen ≥ 15 ton)

Als de subpartijen fysiek van elkaar kunnen worden gescheiden, wordt elke partij in subpartijen verdeeld overeenkomstig tabel 1. Aangezien de partijen niet altijd een gewicht hebben dat een exact veelvoud is van het gewicht van de subpartijen, mag het gewicht van de subpartijen ten hoogste 20 % verschillen van het aangegeven gewicht.

Elke subpartij wordt afzonderlijk bemonsterd.

Aantal basismonsters: 100.

Gewicht van het verzamelmonster = 10 kg.

Indien de bovengenoemde bemonsteringswijze niet kan worden toegepast zonder onaanvaardbare economische schade aan de partij toe te brengen (wegens de vorm van de verpakking, de vervoermiddelen enz.), mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits die zo representatief mogelijk is, nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

G.4.   Bemonsteringswijze voor gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie (partijen < 15 ton)

Van partijen gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie van minder dan 15 ton worden, afhankelijk van het gewicht van de partij, 10 à 100 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 1 à 10 kg wordt samengesteld.

Aan de hand van de onderstaande tabel kan worden bepaald hoeveel basismonsters moeten worden genomen.

Tabel 2

Aantal te nemen basismonsters naar gelang van het gewicht van de partij gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie

Gewicht van de partij (ton)

Aantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

≤ 0,1

10

1

> 0,1-≤ 0,2

15

1,5

> 0,2-≤ 0,5

20

2

> 0,5-≤ 1,0

30

3

> 1,0-≤ 2,0

40

4

> 2,0-≤ 5,0

60

6

> 5,0-≤ 10,0

80

8

> 10,0-≤ 15,0

100

10

G.5.   Bemonsteringswijze voor gebrande koffiebonen, gemalen gebrande koffie en oploskoffie die vacuümverpakt worden verkocht

Van partijen groter dan of gelijk aan 15 ton worden ten minste 25 basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster van 10 kg wordt samengesteld. Van partijen van minder dan 15 ton wordt 25 % van het in tabel 2 aangegeven aantal basismonsters genomen, waarmee een verzamelmonster wordt samengesteld dat evenveel weegt als de bemonsterde partij (zie tabel 2).

G.6.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd. In ieder geval weegt het verzamelmonster ten minste 1 kg (13).

G.7.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

H.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR VRUCHTENSAP, WAARONDER DRUIVENSAP, DRUIVENMOST; CIDER EN WIJN

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan:

ochratoxine A in wijn, druivensap en druivenmost, en

patuline in vruchtensap, vruchtennectar, gedistilleerde dranken, cider en andere gegiste dranken op basis van appelen of die appelsap bevatten.

H.1.   Bemonsteringswijze

Het verzamelmonster heeft een volume van ten minste 1 l, tenzij dat niet mogelijk is, bv. als het monster uit één fles bestaat.

Het minimumaantal basismonsters dat van de partij moet worden genomen, is in tabel 1 aangegeven. Het vastgestelde aantal basismonsters hangt af van de gebruikelijke vorm waarin de desbetreffende producten worden verkocht. In geval van onverpakte vloeibare producten moet de partij voorzover mogelijk en voorzover dit de kwaliteit van het product niet beïnvloedt, net vóór de bemonstering goed worden gemengd, hetzij handmatig, hetzij mechanisch. In dat geval kan worden verondersteld dat de ochratoxine A en de patuline homogeen over de partij verdeeld zijn. Drie basismonsters van een partij zijn daarom voldoende om het verzamelmonster te vormen.

De basismonsters, vaak een fles of verpakking, hebben een vergelijkbaar gewicht. Een basismonster weegt ten minste 100 g, zodat een verzamelmonster van ten minste ongeveer 1 l wordt verkregen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het in punt A.3.8 van deze bijlage bedoelde verslag vermeld.

Tabel 1

Minimumaantal van de partij te nemen basismonsters

Vorm waarin het product wordt verkocht

Volume van de partij (l)

Minimumaantal basismonsters

Minimaal volume van het verzamelmonster (l)

Onverpakt (vruchtensap, gedistilleerde dranken, wijn)

3

1

Flessen/verpakkingen vruchtensap, gedistilleerde dranken, wijn

≤ 50

3

1

Flessen/verpakkingen vruchtensap, gedistilleerde dranken, wijn

50 t/m 500

5

1

Flessen/verpakkingen vruchtensap, gedistilleerde dranken, wijn

> 500

10

1

Flessen/verpakkingen wijn

≤ 50

1

1

Flessen/verpakkingen wijn

50 t/m 500

2

1

Flessen/verpakkingen wijn

> 500

3

1

H.2.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt (14).

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd.

H.3.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.

I.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR VASTE APPELPRODUCTEN EN APPELSAP EN VASTE APPELPRODUCTEN VOOR ZUIGELINGEN EN PEUTERS

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op het maximumgehalte aan patuline in vaste appelproducten en appelsap en vaste appelproducten voor zuigelingen en peuters.

I.1.   Bemonsteringswijze

Het verzamelmonster weegt ten minste 1 kg, tenzij dat niet mogelijk is, bijvoorbeeld als één verpakking wordt bemonsterd.

Het minimumaantal basismonsters dat van de partij moet worden genomen, is in tabel 1 aangegeven. In geval van vloeibare producten moet de partij voorzover mogelijk net vóór de bemonstering goed worden gemengd, hetzij handmatig, hetzij mechanisch. In dat geval kan worden verondersteld dat de patuline homogeen over de partij is verdeeld. Drie basismonsters van een partij zijn daarom voldoende om het verzamelmonster te vormen.

De basismonsters moeten van vergelijkbaar gewicht zijn. Een basismonster weegt ten minste 100 g, zodat een verzamelmonster van ten minste 1 kg wordt verkregen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het in punt A.3.8 van deze bijlage bedoelde verslag vermeld.

Tabel 1

Minimumaantal van de partij te nemen basismonsters

Gewicht van de partij (kg)

Minimumaantal basismonsters

Gewicht verzamelmonster (kg)

< 50

3

1

50 t/m 500

5

1

> 500

10

1

Indien de partij uit afzonderlijke verpakkingen bestaat, wordt voor het verzamelmonster een aantal verpakkingen genomen overeenkomstig tabel 2.

Tabel 2

Aantal verpakkingen (basismonsters) waaruit het verzamelmonster wordt samengesteld indien de partij uit afzonderlijke verpakkingen bestaat

Aantal verpakkingen of eenheden in de partij

Aantal te bemonsteren verpakkingen of eenheden

Gewicht verzamelmonster (kg)

1 t/m 25

1 verpakking of eenheid

1

26 t/m 100

circa 5 %, minimaal 2 verpakkingen of eenheden

1

> 100

circa 5 %, maximaal 10 verpakkingen of eenheden

1

I.2.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de bemonsteringsvoorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd (15).

I.3.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de meetonzekerheid en de correctie voor terugvinding.

J.   BEMONSTERINGSWIJZE VOOR BABYVOEDING EN BEWERKTE VOEDING OP BASIS VAN GRANEN VOOR ZUIGELINGEN EN PEUTERS

Deze bemonsteringswijze geldt voor de officiële controle op de maximumgehalten aan:

aflatoxinen, ochratoxine A en Fusarium-toxinen in babyvoeding en bewerkte voeding op basis van granen voor zuigelingen en peuters;

aflatoxinen en ochratoxine A in dieetvoeding voor medisch gebruik (met uitzondering van melk en melkproducten) die speciaal bestemd is voor zuigelingen, en

patuline in babyvoeding, met uitzondering van bewerkte voeding op basis van granen voor zuigelingen en peuters. Voor de controle op het maximumgehalte aan patuline in appelsap en vaste appelproducten voor zuigelingen en peuters geldt de bemonsteringswijze zoals beschreven in punt I van bijlage I.

J.1.   Bemonsteringswijze

Voor levensmiddelen voor zuigelingen en peuters geldt de bemonsteringswijze voor granen en graanproducten zoals vermeld in punt B.4 van bijlage I. Dat betekent dat het minimumaantal basismonsters dat van de partij moet worden genomen, afhangt van het gewicht van de partij, met een minimum van 10 en een maximum van 100, overeenkomstig tabel 2 in punt B.4 van bijlage I. Van zeer kleine partijen (≤ 0,5 ton) mag een kleiner aantal basismonsters worden genomen, maar ook in dat geval moeten alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen.

Het basismonster weegt ongeveer 100 g. Bij partijen in detailverpakking hangt het gewicht van het basismonster af van het gewicht van de detailverpakking; bij zeer kleine partijen (≤ 0,5 ton) heeft het basismonster een dusdanig gewicht dat alle basismonsters samen een verzamelmonster van ten minste 1 kg vormen. Als hiervan wordt afgeweken, wordt dit in het in punt A.3.8 bedoelde verslag vermeld.

Gewicht van het verzamelmonster = 1 à 10 kg, voldoende gemengd.

J.2.   Bemonstering in de detailhandel

De bemonstering in de detailhandel wordt zo mogelijk verricht overeenkomstig de voorschriften in dit punt.

Indien dit niet mogelijk is, mag een alternatieve bemonsteringswijze worden toegepast, mits het verzamelmonster voldoende representatief is voor de bemonsterde partij en de bemonsteringswijze nauwkeurig wordt beschreven en grondig wordt gedocumenteerd (16).

J.3.   Aanvaarding van een partij of een subpartij

aanvaarding als het laboratoriummonster het maximumgehalte niet overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid;

weigering als het laboratoriummonster het maximumgehalte buiten redelijke twijfel overschrijdt, met inachtneming van de correctie voor terugvinding en de meetonzekerheid.


(1)  Een leidraad voor de bevoegde autoriteiten ten behoeve van de controle op de naleving van de EU-wetgeving inzake aflatoxinen is beschikbaar op http://europa.eu.int/comm/food/food/chemicalsafety/contaminants/aflatoxin_guidance_en.pdf. Deze leidraad bevat aanvullende praktische informatie, maar deze informatie blijft ondergeschikt aan de bepalingen van deze verordening.

(2)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2.

(3)  Voor de bemonstering van dergelijke partijen is vanaf 1 juli 2006 een leidraad beschikbaar op http://europa.eu.int/comm/food/food/chemicalsafety/contaminants/index_en.htm

(4)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(5)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2 in dit punt van deze bijlage.

(6)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(7)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2 in dit punt van deze bijlage.

(8)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(9)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2 in dit punt van deze bijlage.

(10)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 0,5 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 0,5 kg wegen.

(11)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(12)  Afhankelijk van het gewicht van de partij — zie tabel 2 in dit punt van deze bijlage.

(13)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(14)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 l kan worden verkregen, mag het volume van het verzamelmonster minder dan 1 l bedragen.

(15)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.

(16)  Indien het te bemonsteren deel zo klein is dat geen verzamelmonster van 1 kg kan worden verkregen, mag het verzamelmonster minder dan 1 kg wegen.


BIJLAGE II

CRITERIA VOOR DE BEREIDING VAN DE MONSTERS EN DE ANALYSEMETHODEN VOOR DE OFFICIËLE CONTROLE OP HET GEHALTE AAN MYCOTOXINEN IN LEVENSMIDDELEN

1.   INLEIDING

1.1.   Voorzorgsmaatregelen

Aangezien mycotoxinen zeer ongelijkmatig over de partij verdeeld zijn, moeten de monsters met zeer veel zorg worden bereid en vooral zeer goed worden gehomogeniseerd.

Indien het laboratorium de homogenisering verricht, wordt het hele monster dat het laboratorium ontvangt, gehomogeniseerd.

Bij de analyse van aflatoxinen moet daglicht zoveel mogelijk worden geweerd, aangezien aflatoxine onder invloed van ultraviolet licht geleidelijk wordt afgebroken.

1.2.   Berekening van de verhouding tussen dop en kern bij hele noten

De maximumgehalten aan aflatoxinen die bij Verordening (EG) nr. 466/2001 zijn vastgesteld, gelden voor het eetbare gedeelte. Het aflatoxinegehalte van het eetbare gedeelte kan als volgt worden bepaald:

de hele noten van de monsters worden gedopt en het aflatoxinegehalte wordt bepaald op basis van het eetbare gedeelte, of

voor de bereiding van het monster wordt de hele noot met de dop gebruikt. In dit geval moet worden geraamd wat het gewicht is van de kernen in het verzamelmonster. Daarvoor wordt een coëfficiënt vastgesteld die de verhouding tussen de dop en de kern van de hele noten weergeeft. Op basis van deze verhouding wordt bepaald hoeveel kernen het verzamelmonster bevat.

De verhouding wordt bepaald op basis van een honderdtal hele noten die uit de partij of uit het verzamelmonster worden genomen. Per laboratoriummonster worden de hele noten gewogen en gedopt; vervolgens worden de doppen en de kernen afzonderlijk gewogen.

Zodra de verhouding dop/kern op basis van een aantal monsters door het laboratorium is bepaald, kan die waarde worden gehanteerd bij de verdere analysen. Als een laboratoriummonster echter een maximumgehalte overschrijdt, wordt de verhouding voor dat monster bepaald aan de hand van de reserve van ongeveer 100 g noten.

2.   BEHANDELING VAN HET MONSTER DAT HET LABORATORIUM ONTVANGT

Elk laboratoriummonster wordt fijngemalen en zorgvuldig gemengd volgens een procedure waarvan is aangetoond dat ze een volledig homogeen product oplevert.

Indien het maximumgehalte voor de droge stof geldt, wordt het gehalte aan droge stof van het product bepaald op een deel van het gehomogeniseerde monster, volgens een methode waarvan is aangetoond dat ze het gehalte aan droge stof accuraat vaststelt.

3.   IDENTIEKE MONSTERS

Van het gehomogeniseerde materiaal worden identieke monsters voor controle-, verhaal- en arbitragedoeleinden genomen, mits deze procedure in overeenstemming is met de regelgeving van de lidstaat inzake de rechten van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf.

4.   DOOR DE LABORATORIA TOE TE PASSEN ANALYSEMETHODEN EN CONTROLEVOORSCHRIFTEN

4.1.   Definities

Hieronder worden enkele van de meest gebruikelijke definities gegeven die de laboratoria moeten hanteren.

r

=

herhaalbaarheid: waarde waarvoor geldt dat het absolute verschil tussen de resultaten van twee afzonderlijke bepalingen die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn uitgevoerd (hetzelfde monster, dezelfde persoon, dezelfde apparatuur, hetzelfde laboratorium, kort na elkaar), met de gekozen waarschijnlijkheid (in principe 95 %) daarbeneden ligt, zodat r = 2,8 × sr.

sr

=

standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn verkregen.

RSDr

=

relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder herhaalbaarheidsomstandigheden zijn verkregen [(sr /

Image

) × 100].

R

=

reproduceerbaarheid: waarde waarvoor geldt dat het absolute verschil tussen de resultaten van afzonderlijke bepalingen die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn uitgevoerd (identiek monstermateriaal, bepalingen met de gestandaardiseerde testmethode uitgevoerd door personen in verschillende laboratoria) met de gekozen waarschijnlijkheid (in principe 95 %) daarbeneden ligt, R = 2,8 × sR.

sR

=

standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen.

RSDR

=

relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen [(sR /

Image

) × 100].

4.2.   Algemene voorschriften

De analysemethoden voor de controle op levensmiddelen moeten voldoen aan de bepalingen van de punten 1 en 2 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 882/2004.

4.3.   Specifieke voorschriften

4.3.1.   Prestatiecriteria

Indien op communautair niveau geen specifieke methode voor de bepaling van het mycotoxinegehalte in levensmiddelen is voorgeschreven, mogen de laboratoria zelf een methode kiezen, mits die aan de volgende criteria voldoet:

a)

Prestatiekenmerken voor aflatoxinen

Criterium

Concentratiebereik

Aanbevolen waarde

Maximale toegestane waarde

Blanco’s

Alle

Verwaarloosbaar

Terugvindingspercentage — aflatoxine M1

0,01-0,05 μg/kg

60 t/m 120 %

 

> 0,05 μg/kg

70 t/m 110 %

 

Terugvindingspercentage — aflatoxine B1, B2, G1, G2

< 1,0 μg/kg

50 t/m 120 %

 

1-10 μg/kg

70 t/m 110 %

 

> 10 μg/kg

80 t/m 110 %

 

Precisie RSDR

Alle

Zoals afgeleid met vergelijking van Horwitz

2 × waarde afgeleid met vergelijking van Horwitz

De precisie RSDr kan worden berekend als 0,66 × de precisie RSDR bij de desbetreffende concentratie.

De waarden gelden zowel voor B1 als voor de som van B1, B2, G1 en G2.

Als de som van de concentraties van de afzonderlijke aflatoxinen B1, B2, G1 en G2 moet worden geregistreerd, moet voor elk van die soorten aflatoxinen bekend zijn welk terugvindingspercentage de gebruikte analysemethode oplevert, of moeten de terugvindingspercentages van die soorten equivalent zijn.

b)

Prestatiecriteria voor ochratoxine A

Gehalte μg/kg

Ochratoxine A

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

< 1

≤ 40

≤ 60

50 t/m 120

1-10

≤ 20

≤ 30

70 t/m 110

c)

Prestatiecriteria voor patuline

Gehalte μg/kg

Patuline

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

< 20

≤ 30

≤ 40

50 t/m 120

20-50

≤ 20

≤ 30

70 t/m 105

> 50

≤ 15

≤ 25

75 t/m 105

d)

Prestatiecriteria voor deoxynivalenol

Gehalte μg/kg

Deoxynivalenol

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

> 100-≤ 500

≤ 20

≤ 40

60 t/m 110

> 500

≤ 20

≤ 40

70 t/m 120

e)

Prestatiecriteria voor zearalenon

Gehalte μg/kg

Zearalenon

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

≤ 50

≤ 40

≤ 50

60 t/m 120

> 50

≤ 25

≤ 40

70 t/m 120

f)

Prestatiecriteria voor fumonisine B1 en B2

Gehalte μg/kg

Fumonisine B1 of B2

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

≤ 500

≤ 30

≤ 60

60 t/m 120

> 500

≤ 20

≤ 30

70 t/m 110

g)

Prestatiecriteria voor T-2- en HT-2-toxine

Gehalte μg/kg

T-2-toxine

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

50-250

≤ 40

≤ 60

60 t/m 130

> 250

≤ 30

≤ 50

60 t/m 130


Gehalte μg/kg

HT-2-toxine

RSDr %

RSDR %

Terugvindingspercentage (%)

100-200

≤ 40

≤ 60

60 t/m 130

> 200

≤ 30

≤ 50

60 t/m 130

h)

Opmerkingen bij de prestatiecriteria voor mycotoxinen

De aantoonbaarheidsgrenzen van de gebruikte methoden zijn niet aangegeven, aangezien de precisiewaarden voor de desbetreffende concentraties zijn gegeven.

De precisieparameters worden berekend met de vergelijking van Horwitz, dit is:

RSDR = 2(1-0,5logC)

waarbij:

RSDR = relatieve standaardafwijking, berekend op basis van resultaten die onder reproduceerbaarheidsomstandigheden zijn verkregen [(sR/Image) × 100]

C = de concentratie (1 = 100 g/100 g; 0,001 = 1 000 mg/kg).

Dit is een algemene vergelijking voor de precisie, waarvan wordt aangenomen dat zij voor de meeste routineanalysemethoden niet wordt beïnvloed door de analyt of de matrix, maar alleen door de concentratie.

4.3.2.   Geschiktheidsbenadering („fitness for purpose”)

Indien het aantal volledig gevalideerde analysemethoden beperkt is, mag als alternatief een geschiktheidsbenadering („fitness for purpose”) worden gebruikt, waarbij één parameter, namelijk een geschiktheidsfunctie, wordt gedefinieerd om de aanvaardbaarheid van de analysemethoden te beoordelen. Een geschiktheidsfunctie is een onzekerheidsfunctie die maximale onzekerheidsniveaus specificeert die als geschikt („fit for purpose”) worden beschouwd.

Gezien het beperkte aantal door een ringonderzoek volledig gevalideerde analysemethoden, in het bijzonder voor de bepaling van T-2- en HT-2-toxine, mag de onzekerheidsfunctiebenadering, waarbij de maximale aanvaardbare onzekerheid wordt gespecificeerd, ook worden gebruikt voor de beoordeling van de geschiktheid („fitness for purpose”) van de analysemethode die het laboratorium gebruikt. Het laboratorium mag een methode gebruiken die resultaten binnen de maximumstandaardonzekerheid oplevert. De maximumstandaardonzekerheid kan worden berekend met de volgende formule:

Formula

waarbij:

Uf de maximumstandaardonzekerheid (μg/kg) is;

LOD de aantoonbaarheidsgrens van de methode (μg/kg) is;

α een numerieke factor is die afhangt van de waarde van C. De te gebruiken waarden staan in de tabel hieronder;

C de desbetreffende concentratie (μg/kg) is.

Indien de analysemethode resultaten oplevert met onzekerheidsmetingen lager dan de maximumstandaardonzekerheid, wordt de methode even geschikt beschouwd als een methode die aan de in punt 4.3.1 vermelde prestatiecriteria voldoet.

Tabel

Voor de constante α in bovenstaande formule te gebruiken getalwaarden, afhankelijk van de desbetreffende concentratie

C (μg/kg)

α

≤ 50

0,2

51-500

0,18

501-1 000

0,15

1 001-10 000

0,12

> 10 000

0,1

4.4.   Schatting van de meetonzekerheid, berekening van het terugvindingspercentage en rapportage van de resultaten (1)

Het analyseresultaat wordt al dan niet met een correctie op basis van de terugvinding geregistreerd. De registratiewijze en het terugvindingspercentage moeten worden vermeld. Het voor de terugvinding gecorrigeerde analyseresultaat wordt gebruikt om te controleren of aan de eisen is voldaan.

Het analyseresultaat wordt gerapporteerd als x ± U, waarbij x het analyseresultaat en U de uitgebreide meetonzekerheid is.

U is de uitgebreide onzekerheid, met een dekkingsfactor 2, die een betrouwbaarheidsniveau van ongeveer 95 % oplevert.

Voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong kan de meetonzekerheid ook in acht genomen worden door de beslissingsgrens (CCα) te bepalen overeenkomstig Beschikking 2002/657/EG van de Commissie (2) (punt 3.1.2.5 van de bijlage — voor stoffen waarvoor een toelaatbaar maximumgehalte is vastgesteld).

Deze interpretatievoorschriften met het oog op de aanvaarding of weigering van de partij gelden voor het analyseresultaat van het monster voor officiële controledoeleinden. Op de analyse voor verhaal- en arbitragedoeleinden zijn de nationale voorschriften van toepassing.

4.5.   Door de laboratoria te bieden kwaliteitsgaranties

De laboratoria moeten voldoen aan de bepalingen van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 882/2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (3).


(1)  Voor nadere gegevens over de procedures voor de schatting van de meetonzekerheid en de berekening van het terugvindingspercentage, zie het rapport „Report on the relationship between analytical results, measurement uncertainty, recovery factors and the provisions of EU food and feed legislation” — http://europa.eu.int/comm/food/food/chemicalsafety/contaminants/report-sampling_analysis_2004_en.pdf

(2)  PB L 221 van 17.8.2002, blz. 8. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 2004/25/EG (PB L 6 van 10.1.2004, blz. 38).

(3)  Zie ook de overgangsregeling van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 2076/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van overgangsregelingen voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 83).


Top