Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006L0087

2006/87/EG Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad

OJ L 389, 30.12.2006, p. 1–260 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 018 P. 3 - 262
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 018 P. 3 - 262
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 011 P. 18 - 277

No longer in force, Date of end of validity: 06/10/2018; afgeschaft en vervangen door 32016L1629

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2006/87/oj

30.12.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 389/1


RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 december 2006

tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van Richtlijn 82/714/EEG van de Raad

(2006/87/EG)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 71, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met Richtlijn 82/714/EEG van de Raad van 4 oktober 1982 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen (3) zijn geharmoniseerde voorwaarden ingevoerd voor de afgifte van technische certificaten voor binnenschepen in alle lidstaten, waarbij de Rijnvaart evenwel werd uitgesloten. In geheel Europa gelden echter nog steeds uiteenlopende technische voorschriften voor binnenschepen. Het naast elkaar bestaan van verschillende nationale en internationale regelingen heeft het streven naar wederzijdse erkenning van nationale technische certificaten voor binnenschepen zonder aanvullende inspecties van buitenlandse vaartuigen tot dusver bemoeilijkt. Bovendien beantwoorden de in Richtlijn 82/714/EEG opgenomen normen voor een deel niet meer aan de huidige stand van de techniek.

(2)

In de technische voorschriften die in de bijlagen van Richtlijn 82/714/EEG zijn opgenomen, zijn grotendeels de bepalingen van het reglement betreffende scheepvaartinspecties op de Rijn in de door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCNR) in 1982 goedgekeurde versie overgenomen. De voorwaarden en technische voorschriften voor de afgifte van binnenvaartcertificaten uit hoofde van artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte zijn sedertdien regelmatig herzien en algemeen wordt erkend dat zij in overeenstemming zijn met de huidige stand van de techniek. Om redenen van concurrentie en veiligheid, en meer bepaald om een harmonisering op Europees niveau te bevorderen, is het wenselijk de strekking en inhoud van dergelijke technische voorschriften voor het gehele communautaire binnenwaternet vast te stellen. Hierbij dient ook rekening te worden gehouden met veranderingen van het netwerk van de Gemeenschap.

(3)

Het is passend dat communautaire binnenvaartcertificaten als bewijs van de volledige conformiteit van binnenschepen met bovengenoemde herziene technische voorschriften op alle communautaire waterwegen geldig zijn.

(4)

Het is wenselijk zorg te dragen voor een grotere mate van harmonisatie tussen de voorwaarden voor de afgifte van aanvullende communautaire binnenvaartcertificaten door lidstaten voor transportverrichtingen op de waterwegen van zones 1 en 2 (riviermondingen), alsmede voor transportverrichtingen op de waterwegen van zone 4.

(5)

In het belang van de veiligheid van het personenvervoer is het wenselijk het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG uit te breiden tot passagiersschepen die ontworpen zijn om meer dan twaalf passagiers te vervoeren, net als in het reglement betreffende scheepvaartinspecties op de Rijn.

(6)

In het belang van de veiligheid moeten de normen op een hoog niveau geharmoniseerd worden, en die harmonisatie moet zodanig plaatsvinden dat zij niet leidt tot een verlaging van de veiligheidsnormen op enig communautair binnenwater.

(7)

Het is passend in een overgangsregeling te voorzien voor in gebruik zijnde vaartuigen waarvoor nog geen communautair binnenvaartcertificaat is afgegeven, wanneer deze krachtens de bij deze richtlijn vastgestelde herziene technische voorschriften aan een eerste technische inspectie worden onderworpen.

(8)

Het is passend om, binnen bepaalde grenzen en naar gelang van het type vaartuig in kwestie, de geldigheidsduur van de communautaire binnenvaartcertificaten in ieder geval afzonderlijk vast te stellen.

(9)

De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende bevoegdheden (4).

(10)

Het is noodzakelijk dat de in Richtlijn 76/135/EEG van de Raad van 20 januari 1976 inzake de wederzijdse erkenning van scheepsattesten voor binnenschepen (5) vervatte maatregelen van toepassing blijven op vaartuigen die niet onder de onderhavige richtlijn vallen.

(11)

Aangezien er vaartuigen bestaan die onder het toepassingsgebied vallen zowel van Richtlijn 94/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 1994 inzake de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot pleziervaartuigen (6) als van de onderhavige richtlijn, dienen, indien deze richtlijnen tegenstrijdige of onverenigbare bepalingen bevatten, de bijlagen bij deze beide richtlijnen zo snel mogelijk middels de toepasselijke comitéprocedures te worden aangepast.

(12)

Overeenkomstig punt 34 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven” (7) worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap hun eigen tabellen op te stellen, die voorzover mogelijk het verband weergeven tussen deze richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(13)

Richtlijn 82/714/EEG moet worden ingetrokken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Indeling van de binnenwateren

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn worden de binnenwateren van de Gemeenschap als volgt ingedeeld:

a)

Zones 1, 2, 3 en 4:

i)

zones 1 en 2: de waterwegen van de lijst in hoofdstuk 1 van bijlage I;

ii)

zone 3: de waterwegen van de lijst in hoofdstuk 2 van bijlage I;

iii)

zone 4: de waterwegen van de lijst in hoofdstuk 3 van bijlage I.

b)

Zone R omvat die van de onder a) bedoelde waterwegen waarvoor een certificaat dient te worden afgegeven overeenkomstig artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, volgens de bewoordingen van dat artikel op het tijdstip van inwerkingtreding van deze richtlijn.

2.   Iedere lidstaat kan, na overleg met de Commissie, de indeling van zijn waterwegen in de in bijlage I genoemde zones wijzigen. Deze wijzigingen worden uiterlijk zes maanden vóór de inwerkingtreding ervan meegedeeld aan de Commissie, die de overige lidstaten daarvan op de hoogte brengt.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn is overeenkomstig bijlage II, artikel 1.01, op de volgende vaartuigen van toepassing:

a)

vaartuigen met een lengte (L) van 20 m of meer;

b)

vaartuigen waarvan het volume, berekend uit het product lengte (L) x breedte (B) x diepte (D), 100 m3 of meer bedraagt.

2.   Bovendien is deze richtlijn overeenkomstig bijlage II, artikel 1.01, van toepassing op alle:

a)

sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in lid 1 bedoelde vaartuigen of drijvende inrichtingen te slepen, te duwen of langszij gekoppeld mee te voeren;

b)

voor het vervoer van passagiers bedoelde vaartuigen welke, naast de bemanning, meer dan twaalf passagiers vervoeren;

c)

drijvende inrichtingen.

3.   Van deze richtlijn zijn uitgesloten:

a)

veerboten;

b)

marineschepen;

c)

zeeschepen, met inbegrip van zeesleepboten en zeeduwboten die

i)

in getijdenwateren varen of stilliggen

ii)

tijdelijk op binnenwaterwegen varen mits zij voorzien zijn van:

een certificaat van conformiteit met het Internationale Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS), of een gelijkwaardig certificaat, een certificaat van conformiteit met het Internationale Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat en een IOPP-certificaat ten bewijze van conformiteit met het Internationale Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973 (MARPOL); of

voor niet onder de onder het eerste streepje bedoelde verdragen vallende passagiersschepen: een in overeenstemming met Richtlijn 98/18/EG van de Raad van 17 maart 1998 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen (8) afgegeven certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen; of

voor pleziervaartuigen die niet onder bovengenoemde verdragen vallen: een certificaat van de vlagstaat.

Artikel 3

Verplichting om voorzien te zijn van een certificaat

1.   Vaartuigen die zich op de in artikel 1 bedoelde binnenwateren van de Gemeenschap bevinden, moeten:

a)

op de waterwegen van zone R voorzien zijn van:

hetzij een op grond van artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte afgegeven certificaat;

hetzij een na 30 december 2008 afgegeven of verlengd communautair binnenvaartcertificaat ten bewijze van de volledige conformiteit van het vaartuig, onverminderd de overgangsbepalingen van hoofdstuk 24 van bijlage II, met de technische voorschriften van bijlage II, waarvoor de gelijkwaardigheid met de uit hoofde van bovengenoemde Akte bepaalde technische voorschriften volgens de toepasselijke voorschriften en procedures is vastgesteld;

b)

op de andere waterwegen voorzien zijn van een communautair binnenvaartcertificaat, in voorkomend geval met inbegrip van de in artikel 5 bedoelde vermeldingen.

2.   Het communautair binnenvaartcertificaat wordt volgens het model in bijlage V, deel I, opgesteld en overeenkomstig deze richtlijn afgegeven.

Artikel 4

Aanvullende communautaire binnenvaartcertificaten

1.   Elk vaartuig met een geldig certificaat dat afgegeven is op grond van artikel 22 van de Herziene Rijnvaartakte, mag, behoudens het bepaalde in artikel 5, lid 5, van deze richtlijn voorzien van uitsluitend dit certificaat de waterwegen van de Gemeenschap bevaren.

2.   Vaartuigen met het lid 1 bedoelde certificaat moeten echter bovendien voorzien zijn van een aanvullend communautair binnenvaartcertificaat:

a)

op de waterwegen van de zones 3 en 4, wanneer zij gebruik willen maken van de daar toegestane verlichting van de technische voorschriften,

b)

op de waterwegen van de zones 1 en 2, of, in het geval van passagiersvaartuigen, op de waterwegen van zone 3 die niet in verbinding staan met de bevaarbare waterwegen van een andere lidstaat, indien de betrokken lidstaat op grond van artikel 5, leden 1, 2 en 3, voor die waterwegen aanvullende technische voorschriften uitgevaardigd heeft.

3.   Het aanvullende communautaire certificaat voor binnenwateren wordt volgens het model in bijlage V, deel II, opgesteld en wordt door de bevoegde autoriteiten verleend op voorlegging van het in lid 1 bedoelde certificaat, zulks onder de voorwaarden vastgelegd door de voor de te bevaren waterwegen bevoegde autoriteiten.

Artikel 5

Mogelijkheid om voor bepaalde zones aanvullende of minder zware technische voorschriften aan te nemen

1.   Iedere lidstaat kan, na overleg met de Commissie, en indien van toepassing onder voorbehoud van het bepaalde in de Herziene Rijnvaartakte, in aanvulling op bijlage II technische voorschriften vaststellen voor vaartuigen die op zijn grondgebied waterwegen van de zones 1 en 2 bevaren.

2.   Voor passagiersvaartuigen die waterwegen van zone 3 op zijn grondgebied bevaren die niet in verbinding staan met de bevaarbare binnenwateren van een andere lidstaat, kan iedere lidstaat technische voorschriften in aanvulling op die van bijlage II handhaven. Voor de wijziging van dergelijke technische voorschriften is de voorafgaande goedkeuring van de Commissie vereist.

3.   De aanvullende voorschriften blijven beperkt tot de in bijlage III genoemde onderwerpen. Zij worden ten minste zes maanden vóór de inwerkingtreding aan de Commissie meegedeeld, die de overige lidstaten daarvan op de hoogte brengt.

4.   De conformiteit van het vaartuig met deze aanvullende voorschriften wordt vermeld op het in artikel 3 bedoelde communautaire binnenvaartcertificaat of, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2, van toepassing is, op het aanvullende communautaire binnenvaartcertificaat. Dit bewijs van conformiteit wordt op alle communautaire waterwegen van de zone in kwestie erkend.

5.

a)

Indien de toepassing van de in hoofdstuk 24 bis van bijlage II bepaalde overgangsbepalingen zou leiden tot een verlaging van de bestaande nationale veiligheidsnormen, kan een lidstaat die overgangsbepalingen buiten toepassing stellen voor passagiersvaartuigen voor de binnenvaart op zijn binnenwateren die niet in verbinding staan met de bevaarbare binnenwateren van een andere lidstaat. In dat geval kan de lidstaat verlangen dat de vaartuigen die zijn niet in verbinding staande binnenwateren bevaren, vanaf 30 december 2008 volledig voldoen aan de technische voorschriften van bijlage II.

b)

Een lidstaat die gebruik maakt van het onder a) bepaalde, stelt de Commissie van zijn beslissing in kennis en verstrekt de Commissie de nadere bijzonderheden van de betrokken nationale normen die van toepassing zijn op de passagiersvaartuigen die op zijn binnenwateren varen. De Commissie brengt de overige lidstaten op de hoogte.

c)

De conformiteit van het vaartuig met de voorschriften van een lidstaat voor de vaart op zijn niet in verbinding staande binnenwateren wordt vermeld op het in artikel 3 bedoelde communautaire binnenvaartcertificaat of, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2, van toepassing is, op het aanvullende communautaire binnenvaartcertificaat.

6.   Vaartuigen die alleen waterwegen van zone 4 bevaren, komen in aanmerking voor de minder zware voorschriften als gespecificeerd in hoofdstuk 19 ter van bijlage II op alle waterwegen in die zone. De conformiteit met die minder zware voorschriften wordt op het in artikel 3 bedoelde communautaire binnenvaartcertificaat vermeld.

7.   Iedere lidstaat kan na overleg met de Commissie een verlichting toestaan van de technische voorschriften van bijlage II voor vaartuigen die uitsluitend waterwegen van de zones 3 en 4 op zijn grondgebied bevaren.

Deze verlichting blijft beperkt tot de in bijlage IV genoemde onderwerpen. Wanneer de technische kenmerken van een vaartuig aan deze minder zware technische voorschriften beantwoorden, wordt dit op het communautaire binnenvaartcertificaat, dan wel, in die gevallen waarin artikel 4, lid 2, van toepassing is, op het aanvullende communautaire certificaat vermeld.

Elke verlichting van de technische voorschriften van bijlage II wordt ten minste zes maanden vóór inwerkingtreding ervan aan de Commissie meegedeeld, die de overige lidstaten daarvan op de hoogte brengt.

Artikel 6

Gevaarlijke stoffen

Vaartuigen met een op grond van het reglement voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijn (ADNR) verleend attest mogen onder de in het attest genoemde voorwaarden op het gehele grondgebied van de Gemeenschap gevaarlijke stoffen vervoeren.

Iedere lidstaat kan bepalen dat vaartuigen zonder een ADNR-attest op zijn grondgebied alleen gevaarlijke stoffen mogen vervoeren wanneer zij, behalve aan de voorschriften van deze richtlijn, ook nog aan aanvullende voorschriften voldoen. Deze voorschriften worden aan de Commissie meegedeeld, die de overige lidstaten daarvan op de hoogte brengt.

Artikel 7

Ontheffingen

1.   De lidstaten kunnen geheel of gedeeltelijk ontheffing van de toepassing van deze richtlijn verlenen voor:

a)

vaartuigen, sleep- en duwboten en drijvende inrichtingen die waterwegen bevaren die niet door binnenwateren met de waterwegen van andere lidstaten zijn verbonden;

b)

vaartuigen met een laadvermogen van niet meer dan 350 ton, of niet voor het goederenvervoer bestemde vaartuigen met een waterverplaatsing van minder dan 100 m3, waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1950 en die uitsluitend de nationale waterwegen bevaren.

2.   In het kader van de binnenvaart op de nationale waterwegen kunnen de lidstaten voor beperkte reizen van plaatselijk belang of in havengebieden ontheffingen van één of meer bepalingen van deze richtlijn toestaan. Deze ontheffingen en de trajecten of het gebied waarvoor zij gelden, moeten in het certificaat van het vaartuig vermeld zijn.

3.   De krachtens de leden 1 en 2 toegestane ontheffingen worden aan de Commissie meegedeeld, die de overige lidstaten daarvan op de hoogte brengt.

4.   De lidstaten waarvan de waterwegen, op grond van de ontheffingen verleend krachtens de leden 1 en 2, niet door enig onder deze richtlijn vallend vaartuig worden bevaren, zijn niet gehouden de artikelen 9, 10 en 12 toe te passen.

Artikel 8

Afgifte van communautaire binnenvaartcertificaten

1.   Voor vaartuigen waarvan de kiel niet vóór 30 december 2008 is gelegd, wordt het communautaire binnenvaartcertificaat afgegeven na een technisch onderzoek dat wordt verricht vóór de ingebruikneming van het vaartuig en waarbij wordt nagegaan of het voldoet aan de voorschriften van bijlage II.

2.   Het communautaire binnenvaartcertificaat wordt afgegeven voor vaartuigen die aanvankelijk van het toepassingsgebied van Richtlijn 82/714/EEG waren uitgesloten, maar thans, als gevolg van de wijzigingen in artikel 2, leden 1 en 2, wel onder deze richtlijn vallen, na een technisch onderzoek, te verrichten na het verstrijken van het huidige scheepscertificaat doch in geen geval later dan 30 december 2018, om na te gaan of het vaartuig aan de in bijlage II vastgestelde technische voorschriften voldoet. In lidstaten waar de geldigheidsduur van het huidige nationale certificaat van het vaartuig korter is dan vijf jaar, mag dat certificaat worden afgegeven tot vijf jaar na 30 december 2008.

Als het vaartuig niet aan de technische voorschriften van bijlage II voldoet, wordt daarvan melding gemaakt op het communautaire binnenvaartcertificaat. Wanneer de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de tekortkomingen geen klaarblijkelijk gevaar opleveren, mogen de in de eerste alinea bedoelde vaartuigen in bedrijf blijven totdat de onderdelen of ruimten van het vaartuig die niet in overeenstemming met de voorschriften worden bevonden en als zodanig werden gecertificeerd, zijn vervangen of gewijzigd, waarna deze onderdelen of ruimten met de voorschriften van bijlage II in overeenstemming moeten zijn.

3.   Er is met name sprake van klaarblijkelijk gevaar in de zin van dit artikel, wanneer de voorschriften in verband met de structurele eigenschappen van het vaartuig, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken overeenkomstig bijlage II in het geding zijn. Op grond van bijlage II verleende ontheffingen mogen niet worden aangemerkt als tekortkomingen die een klaarblijkelijk gevaar vormen.

Vervanging van bestaande onderdelen door identieke onderdelen of technologisch en qua design gelijkwaardige onderdelen bij normale herstel- en onderhoudswerkzaamheden wordt niet als vervanging in de zin van dit lid beschouwd.

4.   Bij het in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde technisch onderzoek of bij een in opdracht van de eigenaar uitgevoerd technisch onderzoek wordt in voorkomend geval nagegaan of het vaartuig aan de in artikel 5, leden 1, 2 en 3 bedoelde aanvullende voorschriften voldoet.

Artikel 9

Bevoegde autoriteiten

1.   De communautaire binnenvaartcertificaten kunnen door de bevoegde nationale autoriteit van iedere lidstaat worden afgegeven.

2.   Iedere lidstaat stelt de lijst op van zijn autoriteiten die voor de afgifte van de communautaire binnenvaartcertificaten bevoegd zijn en brengt deze lijst ter kennis van de Commissie. De Commissie brengt de overige lidstaten hiervan op de hoogte.

Artikel 10

Uitvoering van technisch onderzoek

1.   Het in artikel 8 bedoelde technisch onderzoek wordt verricht door bevoegde autoriteiten; deze kunnen geheel of ten dele afzien van het technisch onderzoek van het vaartuig, voorzover uit een geldige verklaring die overeenkomstig artikel 1.01 van bijlage II door een door de lidstaat van afgifte van het certificaat erkend classificatiebureau is afgegeven, blijkt dat het vaartuig geheel of ten dele voldoet aan de technische voorschriften van bijlage II. Classificatiebureaus worden alleen erkend als zij aan de criteria van deel I van bijlage VII voldoen.

2.   Iedere lidstaat stelt de lijst vast van de bevoegde autoriteiten die het technische onderzoek mogen verrichten en deelt die lijst mee aan de Commissie. De Commissie brengt de andere lidstaten hiervan op de hoogte.

Artikel 11

Geldigheidsduur van communautaire binnenvaartcertificaten

1.   De geldigheidsduur van het communautaire binnenvaartcertificaat wordt voor elk geval overeenkomstig bijlage II afzonderlijk vastgesteld door de autoriteit die bevoegd is om dit certificaat af te geven.

2.   De lidstaten kunnen in de in de artikelen 12 en 16 en in bijlage II aangegeven gevallen voorlopige communautaire binnenvaartcertificaten afgeven. Voorlopige communautaire binnenvaartcertificaten zullen worden opgesteld overeenkomstig het model in deel III van bijlage V.

Artikel 12

Vervanging van communautaire binnenvaartcertificaten

Iedere lidstaat stelt de voorwaarden vast waaronder een verloren gegaan of beschadigd geldig communautair binnenvaartcertificaat kan worden vervangen.

Artikel 13

Verlenging van communautaire binnenvaartcertificaten

1.   Het communautair binnenvaartcertificaat wordt na het verstrijken van de geldigheidsduur volgens de in artikel 8 voor de afgifte van het certificaat vastgestelde voorwaarden verlengd.

2.   Voor de verlenging van de vóór 30 december 2008 afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten gelden de overgangsbepalingen van bijlage II.

3.   Voor de verlenging van de na 30 december 2008 afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten gelden de overgangsbepalingen van bijlage II die na de afgifte van de deze certificaten van kracht geworden zijn.

Artikel 14

Verlenging van de geldigheidsduur van communautaire binnenvaartcertificaten

Bij wijze van uitzondering kan de geldigheidsduur van het communautaire binnenvaartcertificaat door de autoriteit die het afgegeven of verlengd heeft, zonder technisch onderzoek overeenkomstig bijlage II verlengd worden. Deze verlenging van de geldigheidsduur moet in het certificaat vermeld worden.

Artikel 15

Nieuwe communautaire binnenvaartcertificaten in geval van wezenlijke wijziging of reparatie

Na iedere wezenlijke wijziging of reparatie die een invloed heeft op de sterkte van de bouw van het vaartuig, de vaar- of manoeuvreereigenschappen of de bijzondere kenmerken van het vaartuig overeenkomstig bijlage II, moet het vaartuig, voordat het weer in bedrijf genomen wordt, aan het in artikel 8 bedoelde technisch onderzoek onderworpen worden. Op grond van dat onderzoek wordt een nieuw communautair binnenvaartcertificaat met vermelding van de technische kenmerken van het vaartuig afgegeven, of wordt het bestaande certificaat dienovereenkomstig gewijzigd. Indien dit certificaat in een andere lidstaat afgegeven wordt dan de lidstaat waar het oorspronkelijke certificaat afgegeven of verlengd is, dan wordt de bevoegde autoriteit die dat certificaat afgegeven of verlengd had, daarvan binnen één maand in kennis gesteld.

Artikel 16

Weigering van afgifte of verlenging van communautaire binnenvaartcertificaten

Elk besluit inzake weigering van afgifte of verlenging van het communautaire binnenvaartcertificaat moet met redenen omkleed zijn. Het wordt aan de betrokkene medegedeeld onder vermelding van de mogelijkheden en termijnen van beroep in de betrokken lidstaat.

Ieder geldig communautair binnenvaartcertificaat kan door de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven of verlengd, worden ingetrokken, wanneer het vaartuig niet meer voldoet aan de met zijn certificaat overeenkomende technische voorschriften.

Artikel 17

Aanvullend onderzoek

De bevoegde autoriteiten van een lidstaat kunnen te allen tijde overeenkomstig bijlage VIII controleren of een vaartuig een in de zin van deze richtlijn geldig certificaat aan boord heeft, aan de op dat certificaat vermelde gegevens voldoet of een klaarblijkelijk gevaar voor de zich aan boord bevindende personen, het milieu of de scheepvaart vormt. De bevoegde autoriteiten nemen de overeenkomstig bijlage VIII vereiste maatregelen.

Artikel 18

Erkenning van scheepscertificaten van vaartuigen van derde landen

In afwachting van de sluiting van overeenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen inzake de wederzijdse erkenning van scheepscertificaten, kunnen de bevoegde autoriteiten van een lidstaat scheepscertificaten van vaartuigen van derde landen erkennen voor het bevaren van de nationale waterwegen van die lidstaat.

Het afgeven van communautaire binnenvaartcertificaten aan vaartuigen uit derde landen geschiedt overeenkomstig artikel 8, lid 1.

Artikel 19

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 7 van Richtlijn 91/672/EEG van de Raad van 16 december 1991 inzake de wederzijdse erkenning van de nationale vaarbewijzen voor het besturen van schepen in het goederen- en personenvervoer over de binnenwateren (9) ingestelde comité (hierna „het comité” genoemd).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

Artikel 20

Aanpassing van de bijlagen

1.   Alle wijzigingen die nodig zijn om de bijlagen van de richtlijn aan te passen aan de vooruitgang van de techniek, aan ontwikkelingen op dit gebied zoals deze resulteren uit de werkzaamheden van andere internationale organisaties, en met name die van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart (CCNR), om te bereiken dat de twee in artikel 3, lid 1, onder a), bedoelde certificaten worden afgegeven op basis van technische voorschriften die een gelijkwaardig veiligheidsniveau waarborgen, of om met de in artikel 5 genoemde gevallen rekening te kunnen houden, worden door de Commissie goedgekeurd in overeenstemming met de in artikel 19, lid 2, vastgestelde procedure.

Deze wijzigingen moeten onverwijld worden aangebracht, teneinde te waarborgen dat de technische voorschriften waaraan moet worden voldaan voor het afgeven van het voor de Rijnvaart erkende communautaire certificaat en de voorschriften die gelden voor het afgeven van het in artikel 22 van de herziene Rijnvaartakte bedoelde certificaat, een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden.

2.   De Commissie besluit over aanbevelingen van het comité inzake het verstrekken van voorlopige certificaten van de gemeenschap overeenkomstig bijlage II, artikel 2.19.

Artikel 21

Voortgezette toepasselijkheid van Richtlijn 76/135/EEG

Op vaartuigen die niet onder artikel 2, leden 1 en 2, van deze richtlijn vallen, maar wel onder artikel 1, onder a), van Richtlijn 76/135/EEG, zijn de bepalingen van laatstgenoemde richtlijn van toepassing.

Artikel 22

Aanvullende nationale of soepeler voorschriften

De vóór 30 december 2008 in een lidstaat geldende aanvullende voorschriften voor vaartuigen die op zijn grondgebied de waterwegen van de zones 1 en 2 bevaren, of vóór die datum in een lidstaat geldende, soepeler technische voorschriften voor vaartuigen die op zijn grondgebied de waterwegen van de zones 3 en 4 bevaren, blijven van kracht totdat de in artikel 5, lid 1, bedoelde aanvullende voorschriften of de in artikel 5, lid 7, bedoelde verlichtingen van de technische voorschriften van bijlage II van kracht worden, maar uiterlijk tot 30 juni 2009.

Artikel 23

Omzetting

1.   De lidstaten die binnenwateren hebben als bedoeld in artikel 1, lid 1, doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om met ingang van 30 december 2008 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie onverwijld de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen. De Commissie stelt de andere lidstaten hiervan in kennis.

Artikel 24

Sancties

De lidstaten bepalen de sancties die kunnen worden opgelegd bij inbreuken op de ingevolge deze richtlijn goedgekeurde nationale voorschriften en treffen alle nodige maatregelen om te verzekeren dat deze sancties ten uitvoer worden gelegd. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 25

Intrekking van Richtlijn 82/714/EEG

Richtlijn 82/714/EEG wordt ingetrokken met ingang van 30 december 2008.

Artikel 26

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 27

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten die binnenwateren als bedoeld in artikel 1, lid 1, hebben.

Gedaan te Straatsburg, 12 decemer 2006

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

Josep BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitter

Mauri PEKKARINEN


(1)  PB C 157 van 25.5.1998, blz. 17.

(2)  Advies van het Europees Parlement van 16 september 1999 (PB C 54 van 25.2.2000, blz. 79), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 februari 2006 (PB C 166 E van 18.7.2006, blz. 1), standpunt van het Europees Parlement van 5 juli 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publikatieblad) en besluit van de Raad van 23 oktober 2006.

(3)  PB L 301 van 28.10.1982, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.

(4)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(5)  PB L 21 van 29.1.1976, blz. 10. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 78/1016/EEG (PB L 349 van 13.12.1978, blz. 31).

(6)  PB L 164 van 30.6.1994, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(7)  PB C 321 van 31.12.2003, blz. 1.

(8)  PB L 144 van 15.5.1998, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2003/75/EG van de Commissie (PB L 190 van 30.7.2003, blz. 6).

(9)  PB L 373 van 31.12.1991, blz. 29. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003.


LIJST VAN BIJLAGEN

Bijlage I

Lijst van binnenwateren in de Gemeenschap, geografisch onderverdeeld in de zones 1, 2, 3 en 4 10

Bijlage II

Minimale technische voorschriften voor vaartuigen die de waterwegen van de zones 1, 2, 3 en 4 bevaren 29

Bijlage III

Gebieden waarop aanvullende technische voorschriften voor vaartuigen op de binnenwateren van de zones 1 en 2 mogelijk zijn 175

Bijlage IV

Gebieden waarop beperkte technische voorschriften voor schepen op de binnenwateren van de zones 3 en 4 mogelijk zijn 176

Bijlage V

Model van het communautaire binnenvaartcertificaat 177

Bijlage VI

Modelregister van communautaire binnenvaartcertificaten 194

Bijlage VII

Classificatiebureaus 197

Bijlage VIII

Procedurevoorschriften voor de uitvoering van onderzoeken 199

Bijlage IX

Vereisten voor navigatielantaarns, radarinstallaties en bochtaanwijzers 200

BIJLAGE I

LIJST VAN BINNENWATEREN IN DE GEMEENSCHAP, GEOGRAFISCH ONDERVERDEELD IN DE ZONES 1, 2, 3 EN 4

HOOFDSTUK 1

Zone 1

Bondsrepubliek Duitsland

Eems

Van de verbindingslijn tussen de voormalige vuurtoren van Greetsiel en de westpier van de haveningang bij Eemshaven, zeewaarts tot 53° 30' NB en 6° 45' OL, dit wil zeggen iets verder zeewaarts dan de overslagplaats voor drogeladingschepen in de Alte Ems (*)

Republiek Polen

Het deel van de Pommerse Bocht ten zuiden van de lijn tussen Nord Perd op het eiland Rugen en de vuurtoren van Niechorze.

Het deel van de Bocht van Gdańsk ten zuiden van de lijn tussen de vuurtoren Hel en de ingangsboei van de haven van Baltijsk.

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

SCHOTLAND

Blue Mull Sound

Tussen Gutcher en Belmont

Yell Sound

Tussen Tofts Voe en Ulsta

Sullom Voe

Binnen de lijn van de noordoostpunt van Gluss Island naar de noordpunt van Calback Ness

Dales Voe

's Winters:

 

binnen de lijn van de noordpunt van Kebister Ness naar de kust van Breiwick op 1° 10,8' WL

Dales Voe

's Zomers:

 

zie Lerwick

Lerwick

's Winters:

 

binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van Scottle Holm naar Scarfi Taing op Bressay en in het zuiden door de lijn van de vuurtoren van Twageos Point naar Whalpa Taing op Bressay

Lerwick

's Zomers:

 

binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van Brim Ness naar de noordoosthoek van Inner Score en in het zuiden door de lijn van de zuidpunt van Ness of Sound naar Kirkabisterness

Kirkwall

Tussen Kirkwall en Rousay, maar niet ten oosten van de lijn tussen Point of Graand (Egilsay) en Galt Ness (Shapinsay) of tussen Head of Work (op Mainland) via de vuurtoren van Helliar Holm naar de kust van Shapinsay; niet ten noordwesten van de zuidoostpunt van Eynhallow Island, niet verder zeewaarts dan de lijn tussen de kust van Rousay op 59° 10,5' NB en 2° 57,1' WL en de kust van Egilsay op 59° 10,0' NB en 002° 56,4' WL

Stromness

Naar Scapa maar niet buiten Scapa Flow

Scapa Flow

Binnen het gebied dat wordt begrensd door lijnen van Point of Cletts op het eiland Hoy via het driehoekspunt van Thomson's Hill op het eiland Fara naar Gibraltar Pier op het eiland Flotta; van St Vincent Pier op het eiland Flotta naar het meest westelijke punt van Calf of Flotta; van het meest oostelijke punt van Calf of Flotta naar Needle Point op het eiland South Ronaldsay en van the Ness op Mainland via de vuurtoren van Point of Oxan op het eiland Graemsay naar Bu Point op het eiland Hoy; en zeewaarts van wateren van zone 2

Balnakiel Bay

Tussen Eilean Dubh en A'Chleit

Cromarty Firth

Binnen de lijn van North Sutor naar de golfbreker van Nairn en zeewaarts van wateren van zone 2

Inverness

Binnen de lijn van North Sutor naar de golfbreker van Nairn en zeewaarts van wateren van zone 2

Tay — Dundee

Binnen de lijn van Broughty Castle naar Tayport en zeewaarts van wateren van zone 2

Firth of Forth en de Forth

Binnen de lijn van Kirkcaldy naar de Portobello en zeewaarts van wateren van zone 2

Solway Firth

Binnen de lijn van Southerness Point naar Silloth

Loch Ryan

Binnen de lijn van Finnart's Point naar Milleur Point en zeewaarts van wateren van zone 2

Clyde

Buitengrens:

 

de lijn van Skipness via het punt een mijl ten zuiden van Garroch Head naar Farland Head

Binnengrens in de winter:

 

de lijn van de vuurtoren van Cloch naar de pier van Dunoon

Binnengrens in de zomer:

 

de lijn van Bogany Point op Isle of Bute naar Skelmorlie Castle en de lijn van Ardlamont Point naar de zuidpunt van Ettrick Bay binnen de Kyles of Bute

N.B.: De bovenvermelde binnengrens in de zomer wordt tussen 5 juni en 5 september (beide data inbegrepen) uitgebreid tot de lijn van het punt twee mijl uit de kust van Ayrshire bij Skelmorlie Castle naar Tomont End op Cumbrae en de lijn van Portachur Point op Cumbrae naar Inner Brigurd Point in Ayrshire

Oban

Binnen het gebied dat in het noorden wordt begrensd door de lijn van de vuurtoren van Dunollie Point naar Ard na Chruidh en in het zuiden door de lijn van Rudha Seanach naar Ard na Cuile

Kyle of Lochalsh

Door Loch Alsh naar de kop van Loch Duich

Loch Gairloch

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

Ten zuiden van de lijn die van Rubha na Moine in oostelijke richting naar Eilan Horrisdale loopt en vandaar naar Rubha nan Eanntag

NOORD-IERLAND

Belfast Lough

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Carrickfergus naar Bangor

en zeewaarts van wateren van zone 2

Loch Neagh

Meer dan twee mijl uit de kust

OOSTKUST VAN ENGELAND

Humber

's Winters:

 

binnen de lijn van New Holland naar Paull

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Cleethorpes naar de kerk van Patrington

en zeewaarts van wateren van zone 2

WALES EN WESTKUST VAN ENGELAND

Severn

's Winters:

 

binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Wye

's Winters:

 

binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Newport

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Cardiff

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Barry

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Swansea

Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers

Menai Straits

Binnen de Menai Straits vanaf de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Llanddwyn Island en Dinas Dinlleu en de verbindingslijnen tussen de zuidpunt van Puffin Island en Trwyn DuPoint en het spoorwegstation van Llanfairfechan en zeewaarts van wateren van zone 2

Dee

's Winters:

 

binnen de lijn van Hilbre Point naar Point of Air

's Zomers:

 

binnen de lijn van Fromby Point naar Point of Air

en zeewaarts van wateren van zone 2

Mersey

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Fromby Point naar Point of Air

en zeewaarts van wateren van zone 2

Preston en Southport

Binnen de lijn van Southport naar Blackpool binnen de oevers

en zeewaarts van wateren van zone 2

Fleetwood

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head

en zeewaarts van wateren van zone 2

Lune

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head

en zeewaarts van wateren van zone 2

Heysham

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head

Morecambe

's Winters:

 

geen

's Zomers:

 

binnen de lijn van Rossal Point naar Humphrey Head

Workington

Binnen de lijn van Southerness Point naar Silloth

en zeewaarts van wateren van zone 2

ZUID-ENGELAND

Colne — Colchester

's Winters:

 

binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers

Blackwater

's Winters:

 

binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers

en zeewaarts van wateren van zone 2

Crouch en Roach

's Winters:

 

binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers

en zeewaarts van wateren van zone 2

Theems en zijrivieren

's Winters:

 

binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers

en zeewaarts van wateren van zone 2

Medway en Swale

's Winters:

 

binnen de lijn van Colne Point naar Whitstable

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van Clacton naar Reculvers

en zeewaarts van wateren van zone 2

Chichester

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Haven van Langstone

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Portsmouth

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Bembridge, Isle of Wight

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Cowes, Isle of Wight

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Southampton

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Beaulieu

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Meer van Keyhaven

Landwaarts vanaf het Isle of Wight binnen het gebied dat oostwaarts wordt begrensd door de lijn van de kerktoren van West Wittering naar de Trinity Church in Bembridge, en westwaarts door de lijn van the Needles naar Hurst Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Weymouth

In de haven van Portland en tussen de Wey en de haven van Portland

Plymouth

Binnen de lijn van Cawsand via de golfbreker naar Staddon

en zeewaarts van wateren van zone 2

Falmouth

's Winters:

 

binnen de lijn van St. Anthony Head naar Rosemullion

's Zomers:

 

binnen de lijn van St. Anthony Head naar Nare Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Camel

Binnen de lijn van Stepper Point naar Trebetherick Point

en zeewaarts van wateren van zone 2

Bridgwater

Landinwaarts van de bank en zeewaarts van wateren van zone 2

Avon (Avon)

's Winters:

 

binnen de lijn van Blacknore Point naar Caldicot Pill, Porstkewett

's Zomers:

 

binnen de lijn van de pier van de haven van Barry via Steepholm naar Brean Down

en zeewaarts van wateren van zone 2

Zone 2

Tsjechische Republiek

Stuwmeer van Lipno

Bondsrepubliek Duitsland

Eems

van de verbindingslijn over de Eems bij de ingang van de haven van Papenburg tussen het gemaal van Diemen en de dijksluis bij Halte tot de verbindingslijn tussen de voormalige vuurtoren van Greetsiel en de westpier van de haveningang bij Eemshaven

Jade

binnen de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Schillig en de kerktoren van Langwarden

Weser

van de noordwesthoek van de spoorwegbrug in Bremen tot aan de verbindingslijn tussen de kerktorens van Langwarden en Cappel, met de zijarmen Westergate, Rekumer Loch, de rechter zijarm en Schweiburg

Elbe

van de onderste grens van de haven van Hamburg tot aan de verbindingslijn tussen de Kugelbake bij Döse en de westelijke punt van de Friedrichskoogdijk (Dieksand), met inbegrip van de Zij-Elbe en de zijrivieren Este, Lühe, Schwinge, Oste, Pinnau, Krückau en Stör (telkens van de monding tot aan de vloedkering)

Meldorfer Bocht

binnen de verbindingslijn van de westelijke punt van de Friedrichskoogdijk (Dieksand) tot het westelijke havenhoofd bij Büsum

Eider

van het Gieselaukanaal tot aan de vloedkering Eider

Flensburger Förde

binnen de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Kegnäs en Birknack

Schlei

binnen de verbindingslijn tussen de havenhoofden bij Schleimünde

Eckernförder Bocht

binnen de verbindingslijn tussen Boknis-Eck en de noordoostelijke punt van het vasteland bij Dänisch Nienhof

Kieler Förde

binnen de verbindingslijn tussen de vuurtoren van Bülk en het marinegedenkteken van Laboe

Noord-Oostzeekanaal (Kielkanaal)

van de verbindingslijn tussen de havenhoofden bij Brunsbüttel tot aan de verbindingslijn tussen de toegangsbakens bij Kiel-Holtenau, met inbegrip van de meren Obereidersee met Enge, Audorfer See, Bergstedter See met Enge, Schirnauer See, Flemhuder See en het Achterwehrer Schiffahrtskanal

Trave

van de noordwesthoek van de spoorweghefbrug en de noordelijke hoek van de Holstenbrug (Stadttrave) in Lübeck tot aan de verbindingslijn tussen het zuidelijke binnen- en het noordelijke buitenhavenhoofd bij Travemünde, met inbegrip van de Pötenitzer Wiek, de Dassower See en de Altarmen bij het eiland Teerhof

Leda

van de ingang van de voorhaven van de zeesluis van Leer tot aan de monding

Hunte

van de haven van Oldenburg en van 140 m beneden de Amalienbrug in Oldenburg tot aan de monding

Lesum

van de spoorwegbrug in Bremen-Burg tot aan de monding

Este

van het uitloopbekken van de sluis bij Buxtehude tot aan de vloedkering Este

Lühe

van het uitloopbekken van de Au-Mühle in Horneburg tot aan de vloedkering Lühe

Schwinge

van de Saltztor-sluis in Stade tot aan de vloedkering Schwinge

Oste

van de noordoosthoek van de Mühlenwehr Bremervörde tot aan de vloedkering Oste

Pinnau

van de zuidwesthoek van de spoorwegbrug in Pinneberg tot aan de vloedkering Pinnau

Krückau

van de zuidwesthoek van de brug van/naar Wedenkamp in Elmshorn tot aan de vloedkering Krückau

Stör

van de peilschaal bij Rensing tot aan de vloedkering Stör

Freiburger Hafenpriel

van de oosthoek van de sluis in Freiburg an der Elbe tot aan de monding

Wismarbocht, Kirchsee, Breitling, Salzhaff en havengebied Wismar

zeewaarts tot aan de verbindingslijn tussen Hohen Wieschendorf Huk en het Timmendorfbaken en de verbindingslijn tussen het baken van Gollwitz op het eiland Poel en de zuidpunt van het Wustrow-schiereiland

Warnow, met inbegrip van de Breitling en zijarmen

beneden de Mühlendamm vanaf de noordhoek van de Geinitzbrücke in Rostock zeewaarts tot aan de verbindingslijn tussen de noordpunten van het westelijke en het oostelijke havenhoofd in Warnemünde

De wateren omgeven door het vasteland en de schiereilanden Darß en Zingst en de eilanden Hiddensee en Rügen (met inbegrip van het havengebied van Stralsund)

zeewaarts tussen

het schiereiland Zingst en het eiland Bock: tot 54° 26' 42'' NB

de eilanden Bock en Hiddensee: tot aan de verbindingslijn tussen de noordpunt van het eiland Bock en de zuidpunt van het eiland Hiddensee

het eiland Hiddensee en het eiland Rügen (Bug): tot aan de verbindingslijn tussen het zuidoostpunt van Neubessin en de Buger Haken

Greifswalder Bodden en havengebied Greifswald, met inbegrip van de Ryck

zeewaarts tot aan de lijn van de oostpunt van Thiessower Haken (Südperd) naar de oostpunt van het eiland Ruden, en verder naar de noordpunt van het eiland Usedom (54° 10' 37'' NB, 13° 47' 51'' OL)

De wateren omgeven door het vasteland en het eiland Usedom (de Peene, met inbegrip van het havengebied van Wolgast en het Achterwasser, en de Oderhaf)

oostwaarts tot aan de grens met de Republiek Polen in de Oderhaf

Noot: Ten aanzien van schepen met thuishaven in een andere Staat moet artikel 32 van het Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960 (BGBl. 1963 II, blz. 602) in acht worden genomen.

Franse Republiek

Dordogne

van de stenen brug te Libourne tot aan de monding

Garonne en Gironde

van de stenen brug te Bordeaux tot aan de monding

Loire

vanaf de Haudaudinebrug van de Madeleine-zijrivier tot aan de monding en vanaf de Pirmilbrug over de Pirmil-zijrivier

Rhône

van de Trinquetaillebrug te Arles en verder naar Marseille

Seine

van de Jeanne d'Arc-brug in Rouen tot aan de monding

Republiek Hongarije

Balatonmeer

Koninkrijk der Nederlanden

Dollard

Eems

Waddenzee, met inbegrip van de verbindingen met de Noordzee

IJsselmeer, met inbegrip van het Markermeer en het IJmeer, doch met uitzondering van de Gouwzee

Nieuwe Waterweg en het Scheur

Calandkanaal ten westen van de Benelux-haven

Hollandsch Diep

Breediep, Beerkanaal en de op het Beerkanaal aansluitende havens

Haringvliet en Vuile Gat, met inbegrip van de waterwegen tussen Goeree-Overflakkee enerzijds en Voorne-Putten en Hoeksche Waard anderzijds

Hellegat

Volkerak

Krammer

Grevelingenmeer en Brouwershavensche Gat, met inbegrip van de waterwegen tussen Schouwen-Duiveland enerzijds en Goeree-Overflakkee anderzijds

Keten, Mastgat, Zijpe, Krabbenkreek, Oosterschelde en Roompot, met inbegrip van de waterwegen tussen Walcheren, Noord-Beveland en Zuid-Beveland enerzijds en Schouwen-Duiveland en Tholen anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal

Schelde en Westerschelde en de zeemonding daarvan, met inbegrip van de waterwegen tussen Zeeuwsch-Vlaanderen enerzijds en Walcheren en Zuid-Beveland anderzijds, met uitzondering van het Schelde-Rijnkanaal

Republiek Polen

Oderhaf

Zalew Kamieński (Camminer Haff)

Wisłahaf

Zatoka Pucka (Bocht van Puck)

Meer van Włocławek

Śniardwymeer

Niegocinmeer

Mamrymeer

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

SCHOTLAND

Scapa Flow

Binnen het gebied dat wordt begrensd door lijnen van Warth op het eiland Flotta naar de Martello-toren op South Walls, en van Point Cletts op het eiland Hoy via het driehoekspunt van Thomson's Hill op het eiland Fara naar Gibraltar Pier op het eiland Flotta

Kyle of Durness

Ten zuiden van Eilean Dubh

Cromarty Firth

Binnen de verbindingslijn tussen North Sutor en South Sutor

Inverness

Binnen de lijn van Fort George naar Chanonry Point

Baai van Findhorn

Binnen de landtong

Aberdeen

Binnen de lijn van South Jetty naar Abercromby Jetty

Montrose Basin

Ten westen van de noordzuidlijn over de haveningang bij de vuurtoren van Scurdie Ness

River Tay — Dundee

Binnen de lijn van de getijhaven (vissershaven) van Dundee naar Craig Head, East Newport

Firth of Forth en Forth

Binnen de Firth of Forth maar niet ten oosten van de spoorwegbrug over de Forth

Dumfries

Binnen de lijn van Airds Point naar Scar Point

Loch Ryan

Binnen de lijn van Cairn Point naar Kircolm Point

Haven van Ayr

Binnen de Bar

Clyde

Boven de wateren van zone 1

Kyles of Bute

Tussen Colintraive en Rhubodach

Haven van Campbeltown

Binnen de lijn van Macringan's Point naar Ottercharach Point

Loch Etive

Binnen Loch Etive boven de Falls of Lora

Loch Leven

Boven de brug bij Ballachulish

Loch Linnhe

Ten noorden van de vuurtoren van Corran Point

Loch Eil

Het hele meer

Caledonisch kanaal

Loch Lochy, Loch Oich en Loch Ness

Kyle of Lochalsh

Binnen Kyle Akin maar niet ten westen van de vuurtoren van Eilean Ban of ten oosten van Eileanan Dubha

Loch Carron

Tussen Stromemore en Strome Ferry

Loch Broom, Ullapool

Binnen de lijn van de vuurtoren van Ullapool Point naar Aultnaharrie

Kylesku

Over Loch Cairnbawn in het gebied tussen het meest oostelijke punt van Garbh Eilean en het meest westelijke punt van Eilean na Rainich

Haven van Stornoway

Binnen de lijn van Arnish Point naar de vuurtoren van Sandwick Bay, aan de noordwestzijde

Sound of Scalpay

Niet ten oosten van Berry Cove (Scalpay) en niet ten westen van Croc a Loin (Harris)

North Harbour, Scalpay en de haven van Tarbert

Binnen een mijl uit de kust van het eiland Harris

Loch Awe

Het hele meer

Loch Katrine

Het hele meer

Loch Lomond

Het hele meer

Loch Tay

Het hele meer

Loch Loyal

Het hele meer

Loch Hope

Het hele meer

Loch Shin

Het hele meer

Loch Assynt

Het hele meer

Loch Glascarnoch

Het hele meer

Loch Fannich

Het hele meer

Loch Maree

Het hele meer

Loch Gairloch

Het hele meer

Loch Monar

Het hele meer

Loch Mullardach

Het hele meer

Loch Cluanie

Het hele meer

Loch Loyne

Het hele meer

Loch Garry

Het hele meer

Loch Quoich

Het hele meer

Loch Arkaig

Het hele meer

Loch Morar

Het hele meer

Loch Shiel

Het hele meer

Loch Earn

Het hele meer

Loch Rannoch

Het hele meer

Loch Tummel

Het hele meer

Loch Ericht

Het hele meer

Loch Fionn

Het hele meer

Loch Glass

Het hele meer

Loch Rimsdale/nan Clar

Het hele meer

NOORD-IERLAND

Strangford Lough

Binnen de lijn van Cloghy Point naar Dogtail Point

Belfast Lough

Binnen de lijn van Holywood naar Macedon Point

Larne

Binnen de lijn van de pier van Larne naar de ferrypier op het eiland Magee

Bann

Vanaf de zee-uiteinden van de golfbrekers tot de brug van Toome

Lough Erne

Upper en Lower Lough Erne

Lough Neagh

Binnen twee mijl uit de kust

OOSTKUST VAN ENGELAND

Berwick

Binnen de golfbrekers

Warkworth

Binnen de golfbrekers

Blyth

Binnen de buitenste havenhoofden

Tyne

Van Dunston Staithes tot de havenhoofden van Tyne

Wear

Van Fatfield tot de havenhoofden van Sunderland

Seaham

Binnen de golfbrekers

Hartlepool

Binnen de lijn van de pier van Middleton naar het oude havenhoofd

Binnen de verbindingslijn tussen het noordelijke havenhoofd en het zuidelijke havenhoofd

Tees

Binnen de lijn westwaarts van Government Jetty naar de vloedkering in de Tees

Whitby

Binnen de havenhoofden van Whitby

Humber

Binnen de lijn van North Ferriby naar South Ferriby

Haven van Grimsby

Binnen de lijn van de westpier van de getijhaven naar de oostpier van de Fish Docks, North Quay

Boston

Binnen de New Cut

Dutch River

Het hele kanaal

Hull

Van Beverley Beck tot River Humber

Kielder Water

Het hele meer

Ouse

Beneden de Naburn-sluis

Trent

Beneden de Cromwell-sluis

Wharfe

Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot de brug van Tadcaster

Scarborough

Binnen de havenhoofden van Scarborough

WALES EN WESTKUST VAN ENGELAND

Severn

Ten noorden van de lijn westwaarts vanaf Sharpness Point (51° 43,4' NB) naar Llanthony en Maisemore Weirs en zeewaarts van wateren van zone 3

Wye

Bij Chepstow, ten noorden van 51° 38,0' NB tot Monmouth

Newport

Ten noorden van waar de hoogspanningskabels bij Fifoots Points over het water gaan

Cardiff

Binnen de lijn van South Jetty naar Penarth Head

De omsloten wateren ten westen van de vloedkering van de baai van Cardiff

Barry

Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers

Port Talbot

Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de golfbrekers aan de monding van de Afran buiten de omsloten haven

Neath

Binnen de lijn noordwaarts van het zee-uiteinde van de tankerpier van Baglan Bay (51° 37,2' NB, 3° 50,5' WL)

Llanelli en de haven van Burry

Binnen de lijn van de westpier van de haven van Burry naar Whiteford Point

Haven van Milford

Binnen de lijn van South Hook Point naar Thorn Point

Fishguard

Binnen de verbindingslijn tussen de zee-uiteinden van de noordelijke en de oostelijke golfbreker

Cardigan

Binnen de Narrows bij Pen-Yr-Ergyd

Aberystwyth

Binnen de zee-uiteinden van de golfbrekers

Aberdyfi

Binnen de lijn van Aberdyfi Railway Station naar het baken van Twyni Bach

Barmouth

Binnen de lijn van het spoorwegstation van Barmouth naar Penrhyn Point

Portmadoc

Binnen de lijn van Harlech Point naar Graig Ddu

Holyhead

Binnen het gebied dat wordt begrensd door de grootste golfbreker en door de lijn van de kop van de golfbreker naar Brynglas Point, Towyn Bay

Menai Straits

In de Menai Straits tussen de verbindingslijn tussen Aber Menai Point en Belan Point en door de verbindingslijn tussen de pier van Beaumaris en Pen-y-Coed Point

Conway

Binnen de lijn van Mussel Hill naar Tremlyd Point

Llandudno

Binnen de golfbreker

Rhyl

Binnen de golfbreker

Dee

Boven Connah's Quay tot het waterwinpunt bij Barrelwell Hill

Mersey

Binnen de lijn tussen de Rock-vuurtoren en het North West Seaforth Dock, de andere havens niet inbegrepen

Preston en Southport

Binnen de lijn van Lytham naar Southport in de haven van Preston

Fleetwood

Binnen de lijn van Low Light naar Knott

Lune

Binnen de lijn van Sunderland Point naar Chapel Hill tot en met de haven van Glasson

Barrow

Binnen de lijn van Haws Point via het Isle of Walney naar de scheepshelling van Roa Island

Whitehaven

Binnen de golfbreker

Workington

Binnen de golfbreker

Maryport

Binnen de golfbreker

Carlisle

Binnen de verbindingslijn tussen Point Carlisle en Torduff

Coniston Water

Het hele meer

Derwentwater

Het hele meer

Ullswater

Het hele meer

Windermere

Het hele meer

ZUID-ENGELAND

Blakeney en de haven van Morston en toegangswateren

Ten oosten van de lijn zuidwaarts van Blakeney Point naar de monding van de Stiffkey

Orwell en Stour

De Orwell binnen de lijn van de Blackmanshead-golfbreker naar Landguard Point en zeewaarts van wateren van zone 3

Blackwater

Alle waterwegen binnen de lijn van de uiterste zuidwestpunt van Mersea island naar Sales Point

Crouch en Roach

De Crouch binnen de lijn van Holliwell Point naar Foulness Point, met inbegrip van de Roach

Theems en zijrivieren

De Theems boven de noordzuidlijn door de uiterste oostpunt van Denton Wharf Pier, Gravesend, tot de sluis van Teddington

Medway en Swale

De Medway vanaf de lijn van Garrison Point naar de Grain Tower, tot aan de sluis van Allington; en de Swale vanaf Whitstable tot aan de Medway

Stour (Kent)

De Stour boven de monding tot de steiger bij Flagstaff Reach

Haven van Dover

Binnen de lijnen over de oostelijke en de westelijke haveningang

Rother

De Rother boven het getijseinstation bij Camber tot de sluis van Scots Float en tot de toegangssluis in de Brede

Adur en het kanaal van Southwick

Binnen de lijn die van de ingang van de haven van Shoreham via de sluis in het kanaal van Southwick naar de westzijde van Tarmac Wharf loopt

Arun

De Arun boven de pier van Littlehampton tot de jachthaven van Littlehampton

Ouse (Sussex) Newhaven

De Ouse vanaf de lijn over de havendammen van Newhaven tot de noordzijde van de North Quay

Brighton

De buitenhaven van de jachthaven van Brighton binnen de lijn van het zuideinde van de West Quay tot het noordeinde van de South Quay

Chichester

Binnen de lijn van Eastoke point naar de kerktoren van West Wittering en zeewaarts van wateren van zone 3

Haven van Langstone

Binnen de lijn van Eastney Point naar Gunner Point

Portsmouth

Binnen de lijn over de haveningang van Port Blockhouse naar de Round Tower

Bembridge, Isle of Wight

Binnen de haven van Brading

Cowes, Isle of Wight

De Medina binnen de lijn van Breakwater Light op de oostoever naar House Light op de westoever

Southampton

Binnen de lijn van Calshot Castle naar Hook Beacon

Beaulieu

Op de Beaulieu, maar niet ten oosten van de noordzuidlijn door Inchmery House

Meer van Keyhaven

Binnen de lijn noordwaarts van de vuurtoren van Hurst Point Low naar Keyhaven Marshes

Christchurch

The Run

Poole

Binnen de lijn van het kettingveer tussen Sandbanks en South Haven Point

Exeter

Binnen de oostwestlijn van Warren Point naar het Inshore Lifeboat Station tegenover Checkstone Ledge

Teignmouth

In de haven

Dart

Binnen de lijn van Kettle point naar Battery Point

Salcombe

Binnen de lijn van Splat Point to Limebury Point

Plymouth

Binnen de lijn van de Mount Batten Pier naar Raveness Point via Drake's Islands. De Yealm binnen de lijn van Warren Point naar Misery Point

Fowey

In de haven

Falmouth

Binnen de lijn van St. Anthony Head naar Pendennis Point

Camel

Binnen de lijn van Gun Point naar Brea Hill

Taw en Torridge

Binnen de lijn 200° rechtwijzend van de vuurtoren op Crow Point naar de kust bij Skern Point

Bridgewater

Ten zuiden van de lijn oostwaarts vanaf Stert Point (51° 13,0' NB)

Avon (Avon)

Binnen de lijn van Avonmouth Pier via Wharf Point naar Netham Dam

HOOFDSTUK 2

Zone 3

Koninkrijk België

Zeeschelde beneden Antwerpen

Tsjechische Republiek

Elbe: van de sluis van Ústí nad Labem-Střekov tot de sluis van Lovosice

Stuwmeren: Baška, Brněnská (Kníničky), Horka (Stráž pod Ralskem), Hracholusky, Jesenice, Nechranice, Olešná, Orlík, Pastviny, Plumov, Rozkoš, Seč, Skalka, Slapy, Těrlicko, Žermanice

Máchovo-meer

Watergebied Velké Žernoseky

Bekkens: Oleksovice, Svět, Velké Dářko

Grindwinningsmeren: Dolní Benešov, Ostrožná Nová Ves a Tovačov

Bondsrepubliek Duitsland

Donau

van Kelheim (rkm 2 414,72 ) tot aan de Duits-Oostenrijkse grens

Rijn

van de Duits-Zwitserse grens tot aan de Duits-Nederlandse grens

Elbe

van de monding van het Elbe-Seitenkanaal tot aan de ondergrens van de haven van Hamburg

Müritz

 

Franse Republiek

Rijn

Republiek Hongarije

Donau: van rkm 1 812 tot rkm 1 433

Moson-Donau: van rkm 14 tot rkm 0

Szentendre-Donau: van rkm 32 tot rkm 0

Ráckeve-Donau: van rkm 58 tot rkm 0

Tisza: van rkm 685 tot rkm 160

Dráva: van rkm 198 tot rkm 70

Bodrog: van rkm 51 tot rkm 0

Kettős Körös: van rkm 23 tot rkm 0

Hármas Körös: van rkm 91 tot rkm 0

Sió-kanaal: van rkm 23 tot rkm 0

Velence-meer

Fertő-meer

Koninkrijk der Nederlanden

Rijn

Sneekermeer, Koevordermeer, Heegermeer, Fluessen, Slotermeer, Tjeukemeer, Beulakerwijde, Belterwijde, Ramsdiep, Ketelmeer, Zwartemeer, Veluwemeer, Eemmeer, Gooimeer, Alkmaardermeer, Gouwzee, Buiten IJ, Afgesloten IJ, Noordzeekanaal, havens van IJmuiden, havengebied van Rotterdam, Nieuwe Maas, Noord, Oude Maas, Beneden Merwede, Nieuwe Merwede, Dordtsche Kil, Boven Merwede, Waal, Bijlandsch Kanaal, Boven Rijn, Pannerdensch Kanaal, Geldersche IJssel, Neder Rijn, Lek, Amsterdam-Rijnkanaal, Veerse meer, Schelde-Rijnkanaal tot aan de uitmonding in het Volkerak, Amer, Bergsche Maas, Maas beneden Venlo, Europort, Calandkanaal (ten oosten van de Beneluxhaven), Hartelkanaal

Republiek Oostenrijk

Donau: vanaf de grens met Duitsland tot de grens met Slowakije

Inn: vanaf de monding tot de Passau-Ingling-elektriciteitscentrale

Traun: vanaf de monding tot 1,80 km

Enns: vanaf de monding tot 2,70 km

March: tot 6,00 km

Republiek Polen

De Biebrza vanaf de monding van het kanaal van Augustow tot de monding van de Narwia

De Brda vanaf de verbinding met het kanaal van Bydgoszcz in Bydgoszcz tot de monding van de Wisła

De Bug vanaf de monding van de Muchawiec tot de monding van de Narwia

Het Dąbie-meer tot de grens met de binnenzee

Het kanaal van Augustow vanaf de verbinding met de Biebrza tot de landsgrens, samen met de meren die langs dit kanaal liggen

Het Bartnicki-kanaal van het Ruda Woda-meer tot het Bartężek-meer, samen met het Bartężek-meer

Het kanaal van Bydgoszcz

Het kanaal van Elbląg van het Druzno-meer tot het Jeziorak-meer en het Szeląg Wielki-meer, samen met deze meren en de meren langs het kanaal, en een zijkanaal in de richting van Zalewo vanaf het Jeziorak-meer naar het Ewingi-meer, inbegrepen

Het kanaal van Gliwice samen met het kanaal van Kędzierzyń

Het Jagiełło-kanaal vanaf de verbinding met de Elbląg tot de Nogat

Kanaal van Łączańy

Kanaal van Ślesiń samen met de meren langs dit kanaal en het Gopło-meer

Het kanaal van Żerań

De Martwa Wisła vanaf de Wisła in Przegalina tot de grens met de binnenzee

De Narew van de monding van de Biebrza tot de monding van de Wisła, samen met het meer van Zegrze

De Nogat vanaf de Wisła tot de monding in de Wisłahaf

De bovenloop van de Noteć van het Gopło-meer tot de verbinding met het Górnonotecki-kanaal en het Górnonotecki-kanaal en de benedenloop van de Noteć vanaf de verbinding met het kanaal van Bydgoszcz tot de monding in de Warta

De Nysa Łużycka van Gubin tot de monding in de Oder

De Oder vanaf Racibórz tot de verbinding met de Oost-Oder die vanaf het Klucz-Ustowo-kanaal overgaat in de Regalica, samen met die rivier en de zijarmen daarvan tot het Dąbiemeer, alsook een zijwater van de Oder van de Opatowice-sluis tot de sluis in Wrocław

De West-Oder vanaf een dam in Widuchowa (op 704,1 km van de Oder) tot een grens met de binnenzee, samen met de zijarmen en het Klucz-Ustowo-kanaal dat de Oost- met de West-Oder verbindt

De Parnica en het Parnica-kanaal vanaf de West-Oder tot een grens met de binnenzee

De Pisa vanaf het Roś-meer tot de monding in de Narew

De Szkarpawa vanaf de Wisła tot de monding in de Wisłahaf

De Warta vanaf het meer van Ślesiń tot de monding in de Oder

De Grote Mazurische Meren, die de meren omvat die zijn verbonden door de rivieren en kanalen die de hoofdroute vormen vanaf het Roś-meer (inbegrepen) in Pisz tot het kanaal van Węgorzewo (inbegrepen) tot in Węgorzewo, samen met het Seksty-meer, het meer van Mikołajki, het meer van Tałty, het Tałtowisko-meer, het Kotek-meer, het Szymon-meer, het meer van Szymonka, het meer van Jagodne, het Boczne-meer, het Tajty-meer, het Kisajno-meer, het Dargin-meer, het meer van Łabapa, het Kirsajtymeer en het Święcajtymeer, samen met het Giżycki-kanaal, het Niegociń-kanaal en het Piękna Góra-kanaal, en een zijwater vanaf het meer van Ryń (inbegrepen) in Ryn tot het meer van Nida (tot 3 km, de grens met het natuurreservaat van het meer van Nida), samen met het Bełdany-, het Guzianka Mała- en het Guzianka Wielka-meer

De Wisła vanaf de monding van de Przemsza tot de verbinding met het Kanaal van Łączańy en van de monding van dat kanaal in Skawina tot de monding van de Wisła in de Bocht van Gdańsk, uitgezonderd het meer van Włocławek

Slowaakse Republiek

Donau: van Devín (rkm 1 880,26) tot de Slowaaks-Hongaarse grens

Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland

SCHOTLAND

Leith (Edinburgh)

Binnen de golfbrekers

Glasgow

Strathclyde Loch

Kanaal van Crinan

Van Crinan tot Ardrishaig

Caledonisch kanaal

De kanaalgedeelten

NOORD-IERLAND

Lagan

Van Lagan Weir tot Stranmillis

OOST-ENGELAND

Wear (getijvrije gedeelte)

Vanaf de oude spoorwegbrug in Durham tot de Prebends Brug in Durham

Tees

Stroomopwaarts vanaf de vloedkering in de Tees

Haven van Grimsby

Binnen de sluizen

Haven van Immingham

Binnen de sluizen

Haven van Hull

Binnen de sluizen

Haven van Boston

Binnen de sluisdeuren

Aire and Calder Navigation

Vanaf de haven van Goole tot Leeds; samenvloeiing met het Leeds- en Liverpool-kanaal; vanaf de samenvloeing bij Bank Dole tot Selby (sluis van de Ouse); vanaf de samenvloeiing bij Castleford tot Wakefield (Falling-sluis)

Ancholme

Ferriby-sluis tot Brigg

Calder and Hebble Navigation

Wakefield (Fall Ing-sluis) tot Broadcut Top-sluis

Foss

Vanaf de samenvloeiing (Blue Bridge) met de Ouse tot Monk Bridge

Fossdyke-kanaal

Vanaf de samenvloeiing met de Trent tot Brayford Pool

Haven van Goole

Binnen de sluisdeuren

Hornsea Mere

Het hele kanaal

Hull

Vanaf de Struncheon Hill-sluis tot de Beverley Beck

Kanaal van Market Weighton

Sluis bij de Humber tot de Sod Houses-sluis

New Junction Kanaal

Het hele kanaal

Ouse

Vanaf de Naburn-sluis tot Nun Monkton

Kanaal van Sheffield en South Yorkshire

Keadby-sluis tot de Tinsley-sluis

Trent

Cromwell-sluis tot Shardlow

Witham

Boston-sluis tot Brayford Poole (Lincoln)

WALES EN WEST-ENGELAND

Severn

Boven Llanthony en Maisemore Weirs

Wye

Boven Monmouth

Cardiff

Roath Park-meer

Port Talbot

Binnen de omsloten havens

Swansea

Binnen de omsloten havens

Dee

Boven het waterwinpunt bij Barrelwell Hill

Mersey

De havens (behalve de Seaforth-haven)

Lune

Boven de haven van Glasson

Avon (Midland)

Sluis bij Tewkesbury tot Evesham

Gloucester

Havens van Gloucester City en het Gloucester/Sharpness-kanaal

Hollingworth-meer

Het hele meer

Manchester Scheepskanaal

Het hele kanaal en de haven van Salford inclusief de Irwell

Pickmere-meer

Het hele meer

Tawe

Tussen zeekering/jachthaven en het sportstadion van Morfa

Meer van Rudyard

Het hele meer

Weaver

Beneden Northwich

ZUID-ENGELAND

Nene

Wisbech Cut en de Nene tot de Dog-in a-Doublet-sluis

Great Ouse

Kings Lynn Cut en de Great Ouse beneden de brug van West Lynn Road

Yarmouth

De monding van de Yare vanaf de lijn over het noordelijke en het zuidelijke havenhoofd, inclusief Breydon Water

Lowestoft

De haven van Lowestoft beneden de Mutford-sluis tot de lijn over de buitenhavenhoofden

Alde en Ore

Boven de toegang tot de Ore tot Westrow Point

Deben

Boven de toegang tot de Deben tot de pont van Felixstowe

Orwell en Stour

Vanaf de lijn van Fagbury Point naar Shotley Point aan de Orwell tot de haven van Ipswich; en vanaf de noordzuidlijn over Erwarton Ness aan de Stour tot Manningtree

Chelmer & Blackwater-kanaal

Ten oosten van de Beeleigh-sluis

Theems en zijrivieren

De Theems boven de Teddington-sluis tot Oxford

Adur en kanaal van Southwick

De Adur boven het westelijke uiteinde van Tarmac Wharf, en in het kanaal van Southwick

Arun

De Arun boven de jachthaven van Littlehampton

Ouse (Sussex) Newhaven

De Ouse boven het noordelijke uiteinde van North Quay

Bewl Water

Het hele meer

Grafham Water

Het hele meer

Rutland Water

Het hele meer

Meer van Thorpe Park

Het hele meer

Chichester

Ten oosten van de verbindingslijn tussen Cobnor Point and Chalkdock Point

Christchurch

In de haven van Christchurch, uitgezonderd de Run

Kanaal van Exeter

Het hele kanaal

Avon (Avon)

De havens van Bristol

Vanaf Netham Dam tot Pulteney Weir

HOOFDSTUK 3

Zone 4

Koninkrijk België

Het gehele Belgische net, met uitzondering van het vaarwater van zone 3

Tsjechische Republiek

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3

Bondsrepubliek Duitsland

Alle binnenwateren, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3

Franse Republiek

Alle Franse binnenwateren, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3

Italiaanse Republiek

De Po: vanaf Piacenza tot aan de monding

Milaan-Cremonakanaal, Po: het op de Po aansluitende eindgedeelte van 15 km

Mincio: van Mantua, Governolo tot de Po

Waterweg van Ferrara: vanaf de Po (Pontelagoscuro), Ferrara tot Porto Garibaldi

Kanalen van Brondolo en Valle: vanaf de Po di Levante tot de Baai van Venetië

Kanaal Fissero — Tartaro — Canalbianco: vanaf de Adriatische Zee tot de Po di Levante

Litoranea Veneta: vanaf de Baai van Venetië tot Grado

Republiek Litouwen

Het volledige Litouwse waterwegennet

Groothertogdom Luxemburg

Moezel

Republiek Hongarije

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zones 2 en 3

Koninkrijk der Nederlanden

Alle overige rivieren, kanalen en meren, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3

Republiek Oostenrijk

Thaya: tot Bernhardsthal

March: stroomopwaarts van rkm 6,00

Republiek Polen

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder de zones 1, 2 en 3

Slowaakse Republiek

Alle overige waterwegen, niet genoemd onder zone 3

Verenigd Koninkrijk van Grrot-Brittannië en Noord-Ierland

SCHOTLAND

Ratho en Linlithgow Union-kanaal

Het hele kanaal

Glasgow

Forth en Clyde-kanaal

Monkland-kanaal — gedeelten Faskine en Drumpellier

Hogganfield Loch

OOST-ENGELAND

Ancholme

Vanaf Brigg tot de Harram Hill-sluis

Calder and Hebble Navigation

Vanaf de Broadcut Top-sluis tot Sowerby Bridge

Kanaal van Chesterfield

Vanaf West Stockwith tot Worksop

Kanaal van Cromford

Het hele kanaal

Derwent

Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot Stamford Bridge

Kanaal van Driffield

Vanaf de Struncheon Hill-sluis tot Great Driffield

Erewash-kanaal

Vanaf de Trent-sluis tot de sluis bij Langley Mill

Kanaal van Huddersfield

Vanaf de samenvloeiing met de Calder en Hebblenavigation bij Coopers Bridge tot het Huddersfield Narrow-kanaal bij Huddersfield

Tussen Ashton-Under-Lyne en Huddersfield

Kanaal van Leeds en Liverpool

Vanaf de sluis in Leeds tot Skipton Wharf

Meer van Light Water Valley

Het hele meer

The Mere, Scarborough

Het hele meer

Ouse

Boven Nun Monkton Pool

Kanaal van Pocklington

Vanaf de samenvloeiing met de Derwent tot Melbourne Basin

Kanaal van Sheffield en South Yorkshire

Vanaf de Tinsley-sluis tot Sheffield

Soar

Vanaf de samenvloeiing met de Trent tot Loughborough

Kanaal van Trent en Mersey

Vanaf Shardlow tot de Dellow Lane-sluis

Ure en kanaal van Ripon

Vanaf de samenvloeiing met de Ouse tot het kanaal van Ripon (Ripon Basin)

Kanaal van Ashton

Het hele kanaal

WALES EN WEST-ENGELAND

Avon (Midland)

Boven Evesham

Birmingham Canal Navigation

Het hele kanaal

Kanaal van Birmingham en Fazeley

Het hele kanaal

Kanaal van Coventry

Het hele kanaal

Grand Union-kanaal (vanaf de samenvloeiing bij Napton Junction tot het kanaal van Birmingham en Fazeley)

Het hele kanaalgedeelte

Kanaal van Kennet en Avon (Vanaf Bath tot Newbury)

Het hele kanaalgedeelte

Kanaal van Lancaster

Het hele kanaal

Kanaal van Leeds en Liverpool

Het hele kanaal

Kanaal van Llangollen

Het hele kanaal

Kanaal van Caldon

Het hele kanaal

Peak Forest-kanaal

Het hele kanaal

Kanaal van Macclesfield

Het hele kanaal

Kanaal van Monmouthshire en Brecon

Het hele kanaal

Kanaal van Montgomery

Het hele kanaal

Kanaal van Rochdale

Het hele kanaal

Kanaal van Swansea

Het hele kanaal

Kanaal van Neath en Tennant

Het hele kanaal

Shropshire Union-kanaal

Het hele kanaal

Kanaal van Staffordshire en Worcester

Het hele kanaal

Kanaal van Stratford-upon-Avon

Het hele kanaal

Trent

De hele rivier

Kanaal van Trent en Mersey

Het hele kanaal

Weaver

Boven Northwich

Kanaal van Worcester and Birmingham

Het hele kanaal

ZUID-ENGELAND

Nene

Boven de Dog-in-a-Doublet-sluis

Great Ouse

Kings Lynn boven de brug van West Lynn Road. De Great Ouse en alle daarmee verbonden waterwegen van Fenland, inclusief de Cam en de Middle Level Navigation

Norfolk en Suffolk Broads

Alle bevaarbare getijde- en niet-getijderivieren, plassen, kanalen en waterwegen in de Norfolk en Suffolk Broads, met inbegrip van de Oulton Broad en de rivieren Waveney, Yare, Bure, Ant en Thurne, uitgezonderd als vermeld bij Yarmouth en Lowestoft

Blyth

Vanaf de toegang tot de Blyth tot Blythburgh

Alde en Ore

Op de Alde boven Westrow Point

Deben

De Deben boven de pont van Felixstowe

Orwell en Stour

Alle waterwegen uitkomend op de Stour boven Manningtree

Chelmer & Blackwater-kanaal

Ten westen van de Beeleigh-sluis

Theems en zijrivieren

De Stort en de Lee boven Bow Creek. Het Grand Union-kanaal boven de Brentford-sluis en het Regents-kanaal boven Limehouse Basin en alle daarmee verbonden kanalen. De Wey boven de Theems-sluis. Het kanaal van Kennet en Avon. De Theems boven Oxford. Het kanaal van Oxford

Medway en Swale

De Medway boven de Allington-sluis

Stour (Kent)

De Stour boven de steiger bij Flagstaff Reach

Haven van Dover

De hele haven

Rother

De Rother en het Royal Military-kanaal boven de Scots Float-sluis en de Brede boven de toegangssluis

Brighton

De binnenhaven van de jachthaven van Brighton boven de sluis

Meer van Wickstead Park

Het hele meer

Kanaal van Kennet en Avon

Het hele kanaal

Grand Union-kanaal

Het hele kanaal

Avon (Avon)

Boven Pulteney Weir

Bridgewater-kanaal

Het hele kanaal


(*)  Ten aanzien van schepen met een andere thuishaven moet artikel 32 van het Eems-Dollardverdrag van 8 april 1960 (BGBl. 1963 II, blz. 602) in acht worden genomen.

BIJLAGE II

MINIMALE TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR VAARTUIGEN DIE DE WATERWEGEN VAN DE ZONES 1, 2, 3 EN 4 BEVAREN

INHOUD

DEEL I 38
HOOFDSTUK 1 38
ALGEMENE BEPALINGEN 38

Artikel 1.01 —

Definities 38

Artikel 1.02 —

(Zonder inhoud) 42

Artikel 1.03 —

(Zonder inhoud) 42

Artikel 1.04 —

(Zonder inhoud) 42

Artikel 1.05 —

(Zonder inhoud) 42

Artikel 1.06 —

Voorschriften van tijdelijke aard 42

Artikel 1.07 —

Administratieaanwijzingen 42
HOOFDSTUK 2 42
PROCEDURE 42

Artikel 2.01 —

Commissies van deskundigen 42

Artikel 2.02 —

Aanvraag van het onderzoek 43

Artikel 2.03 —

Aanbieding van het vaartuig voor het onderzoek 43

Artikel 2.04 —

(Zonder inhoud) 43

Artikel 2.05 —

Voorlopig communautair binnenvaartcertificaat 43

Artikel 2.06 —

Geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat 44

Artikel 2.07 —

Aantekeningen in en wijzigingen van het communautair binnenvaartcertificaat 44

Artikel 2.08 —

(Zonder inhoud) 44

Artikel 2.09 —

Periodiek onderzoek 44

Artikel 2.10 —

Vrijwillig onderzoek 44

Artikel 2.11 —

(Zonder inhoud) 44

Artikel 2.12 —

(Zonder inhoud) 44

Artikel 2.13 —

(Zonder inhoud) 44

Artikel 2.14 —

(Zonder inhoud) 45

Artikel 2.15 —

Kosten 45

Artikel 2.16 —

Inlichtingen 45

Artikel 2.17 —

Registratie van de communautaire binnenvaartcertificaten 45

Artikel 2.18 —

Officieel scheepsnummer 45

Artikel 2.19 —

Gelijkwaardigheid en afwijkingen 45
DEEL II 46
HOOFDSTUK 3 46
SCHEEPSBOUWKUNDIGE EISEN 46

Artikel 3.01 —

Algemene regel 46

Artikel 3.02 —

Sterkte en stabiliteit 46

Artikel 3.03 —

Scheepsromp 47

Artikel 3.04 —

Machinekamers, ketelruimen en brandstofbunkers 47
HOOFDSTUK 4 48
VEILIGHEIDSAFSTAND, VRIJBOORD EN DIEPGANGSSCHALEN 48

Artikel 4.01 —

Veiligheidsafstand 48

Artikel 4.02 —

Vrijboord 48

Artikel 4.03 —

Kleinste vrijboord 50

Artikel 4.04 —

Inzinkingsmerken 50

Artikel 4.05 —

Ten hoogste toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater- en regendicht zijn gesloten 51

Artikel 4.06 —

Diepgangsschalen 51
HOOFDSTUK 5 52
MANOEUVREEREIGENSCHAPPEN 52

Artikel 5.01 —

Algemene eisen 52

Artikel 5.02 —

Proefvaarten 52

Artikel 5.03 —

Proefvaarttraject 52

Artikel 5.04 —

Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart 52

Artikel 5.05 —

Hulpmiddelen aan boord voor de proefvaart 52

Artikel 5.06 —

Snelheid (vooruitvaren) 53

Artikel 5.07 —

Stopeigenschappen 53

Artikel 5.08 —

Achteruitvaareigenschappen 53

Artikel 5.09 —

Uitwijkeigenschappen 53

Artikel 5.10 —

Keereigenschappen 53
HOOFDSTUK 6 53
STUURINRICHTINGEN 53

Artikel 6.01 —

Algemene eisen 53

Artikel 6.02 —

Aandrijving van de stuurmachine 54

Artikel 6.03 —

Hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine 54

Artikel 6.04 —

Energiebron 54

Artikel 6.05 —

Handaandrijving 55

Artikel 6.06 —

Roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties 55

Artikel 6.07 —

Signalering en controle 55

Artikel 6.08 —

Stuurautomaat 55

Artikel 6.09 —

Keuring 55
HOOFDSTUK 7 56
STUURHUIS 56

Artikel 7.01 —

Algemene bepalingen 56

Artikel 7.02 —

Vrij zicht 56

Artikel 7.03 —

Algemene eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten 57

Artikel 7.04 —

Bijzondere eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen 57

Artikel 7.05 —

Navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen 58

Artikel 7.06 —

Radarinstallatie en bochtaanwijzer 58

Artikel 7.07 —

Marifooninstallatie voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar 59

Artikel 7.08 —

Interne spreekverbindingen aan boord 59

Artikel 7.09 —

Alarminstallatie 59

Artikel 7.10 —

Verwarming en ventilatie 59

Artikel 7.11 —

Installatie voor het bedienen van hekankers 59

Artikel 7.12 —

In de hoogte verstelbare stuurhuizen 59

Artikel 7.13 —

Aantekening in het communautair binnenvaartcertificaat voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar 60
HOOFDSTUK 8 60
WERKTUIGBOUWKUNDIGE EISEN 60

Artikel 8.01 —

Algemene bepalingen 60

Artikel 8.02 —

Veiligheid 60

Artikel 8.03 —

Voortstuwingsinstallaties 60

Artikel 8.04 —

Uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren 61

Artikel 8.05 —

Brandstoftanks, -leidingen en toebehoren 61

Artikel 8.06 —

Smeerolieopslag, -leidingen en toebehoren 62

Artikel 8.07 —

Opslag van olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, alsmede leidingen en toebehoren 62

Artikel 8.08 —

Lensinrichting 63

Artikel 8.09 —

Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie 64

Artikel 8.10 —

Door schepen voortgebracht geluid 64

HOOFDSTUK 8a

(Zonder inhoud) 64
HOOFDSTUK 9 64
ELEKTRISCHE INSTALLATIES 64

Artikel 9.01 —

Algemene bepalingen 64

Artikel 9.02 —

Systemen voor de energieverzorging 65

Artikel 9.03 —

Bescherming tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water 65

Artikel 9.04 —

Bescherming tegen explosie 66

Artikel 9.05 —

Aarding 66

Artikel 9.06 —

Ten hoogste toegelaten spanningen 66

Artikel 9.07 —

Verdeelsystemen 67

Artikel 9.08 —

Aansluiting op het walnet of ander extern net 67

Artikel 9.09 —

Stroomlevering aan andere vaartuigen 68

Artikel 9.10 —

Generatoren en motoren 68

Artikel 9.11 —

Accumulatoren 68

Artikel 9.12 —

Schakelinrichtingen 69

Artikel 9.13 —

Noodstopschakelaars 70

Artikel 9.14 —

Installatiemateriaal 70

Artikel 9.15 —

Kabels 70

Artikel 9.16 —

Verlichtingsinstallaties 71

Artikel 9.17 —

Navigatielantaarns 71

Artikel 9.18 —

(Zonder inhoud) 71

Artikel 9.19 —

Alarm- en beveiligingssystemen voor werktuigbouwkundige inrichtingen 71

Artikel 9.20 —

Elektronische installaties 72

Artikel 9.21 —

Elektromagnetische compatibiliteit 73
HOOFDSTUK 10 73
UITRUSTING 73

Artikel 10.01 —

Ankeruitrusting 73

Artikel 10.02 —

Overige uitrusting 75

Artikel 10.03 —

Draagbare blustoestellen 76

Artikel 10.03a —

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in verblijven, stuurhuizen en passagiersruimten 76

Artikel 10.03b —

Vast ingebouwde brandblusinstallaties in machinekamers, ketelruimen en pompkamers 77

Artikel 10.04 —

Bijboten 81

Artikel 10.05 —

Reddingsboeien en zwemvesten 81
HOOFDSTUK 11 81
VEILIGHEID OP DE WERKPLEK 81

Artikel 11.01 —

Algemene bepalingen 81

Artikel 11.02 —

Bescherming tegen vallen 81

Artikel 11.03 —

Afmetingen van de werkplekken 82

Artikel 11.04 —

Gangboord 82

Artikel 11.05 —

Toegangen tot de werkplekken 82

Artikel 11.06 —

Uitgangen en nooduitgangen 83

Artikel 11.07 —

Klimvoorzieningen 83

Artikel 11.08 —

Binnenruimten 83

Artikel 11.09 —

Bescherming tegen geluidshinder en trillingen 83

Artikel 11.10 —

Luiken 83

Artikel 11.11 —

Lieren 84

Artikel 11.12 —

Kranen 84

Artikel 11.13 —

Opslag van brandbare vloeistoffen 85
HOOFDSTUK 12 85
VERBLIJVEN 85

Artikel 12.01 —

Algemene bepalingen 85

Artikel 12.02 —

Bijzondere bouwkundige eisen aan de verblijven 86

Artikel 12.03 —

Sanitaire voorzieningen 86

Artikel 12.04 —

Keukens 87

Artikel 12.05 —

Drinkwaterinstallaties 87

Artikel 12.06 —

Verwarming en ventilatie 88

Artikel 12.07 —

Overige bepalingen inzake de inrichting van de verblijven 88
HOOFDSTUK 13 88
VERWARMINGS-, KOOK- EN KOELINSTALLATIES DIE WERKEN OP BRANDSTOFFEN 88

Artikel 13.01 —

Algemene eisen 88

Artikel 13.02 —

Gebruik van vloeibare brandstoffen, petroleumtoestellen 88

Artikel 13.03 —

Oliekachels met verdampingsbranders en oliestookinstallaties met verstuivingsbranders 89

Artikel 13.04 —

Oliekachels met verdampingsbranders 89

Artikel 13.05 —

Oliestookinstallaties met verstuivingsbranders 89

Artikel 13.06 —

Luchtverhitters 89

Artikel 13.07 —

Verwarming met vaste brandstoffen 90
HOOFDSTUK 14 90
VLOEIBAARGASINSTALLATIES VOOR HUISHOUDELIJK GEBRUIK 90

Artikel 14.01 —

Algemene bepalingen 90

Artikel 14.02 —

Installaties 90

Artikel 14.03 —

Flessen 91

Artikel 14.04 —

Opstelling en inrichting van de flessenkast 91

Artikel 14.05 —

Reserveflessen en lege flessen 91

Artikel 14.06 —

Drukregelaars 91

Artikel 14.07 —

Druk 92

Artikel 14.08 —

Pijpleidingen en flexibele leidingen 92

Artikel 14.09 —

Distributienet 92

Artikel 14.10 —

Gebruiksapparaten en de opstelling daarvan 92

Artikel 14.11 —

Ventilatie en afvoer van de verbrandingsgassen 93

Artikel 14.12 —

Gebruiks- en veiligheidsinstructies 93

Artikel 14.13 —

Keuring 93

Artikel 14.14 —

Beproevingen 93

Artikel 14.15 —

Attest 94
HOOFDSTUK 15 94
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PASSAGIERSSCHEPEN 94

Artikel 15.01 —

Algemene bepalingen 94

Artikel 15.02 —

Scheepsromp 94

Artikel 15.03 —

Stabiliteit 96

Artikel 15.04 —

Veiligheidsafstand en vrijboord 100

Artikel 15.05 —

Ten hoogste toegelaten aantal passagiers 101

Artikel 15.06 —

Passagiersverblijven en -ruimten 101

Artikel 15.07 —

Voortstuwingssysteem 104

Artikel 15.08 —

Veiligheidsinrichting en -uitrusting 104

Artikel 15.09 —

Reddingsmiddelen 105

Artikel 15.10 —

Elektrische installaties 106

Artikel 15.11 —

Brandbeveiliging 107

Artikel 15.12 —

Brandbestrijding 111

Artikel 15.13 —

Veiligheidsorganisatie 112

Artikel 15.14 —

Voorzieningen voor het verzamelen en het verwijderen van huishoudelijk afvalwater 113

Artikel 15.15 —

Afwijkingen voor bepaalde passagiersschepen 113
HOOFDSTUK 15a 114
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ZEILENDE PASSAGIERSSCHEPEN 114

Artikel 15a.01 —

Toepasselijkheid van deel II 114

Artikel 15a.02 —

Afwijkingen voor bepaalde zeilende passagiersschepen 115

Artikel 15a.03 —

Stabiliteitseisen voor schepen onder zeil 115

Artikel 15a.04 —

Scheepsbouw- en werktuigbouwkundige eisen 115

Artikel 15a.05 —

Tuigage algemeen 116

Artikel 15a.06 —

Masten en rondhouten algemeen 116

Artikel 15a.07 —

Bijzondere voorschriften voor masten 116

Artikel 15a.08 —

Bijzondere voorschriften voor stengen 117

Artikel 15a.09 —

Bijzondere voorschriften voor boegsprieten 118

Artikel 15a.10 —

Bijzondere voorschriften voor kluiverbomen 118

Artikel 15a.11 —

Bijzondere voorschriften voor gieken 118

Artikel 15a.12 —

Bijzondere voorschriften voor gaffels 119

Artikel 15a.13 —

Algemene voorschriften voor staand en lopend want 119

Artikel 15a.14 —

Bijzondere voorschriften voor staand want 119

Artikel 15a.15 —

Bijzondere voorschriften voor lopend want 120

Artikel 15a.16 —

Beslag en onderdelen van de tuigage 121

Artikel 15a.17 —

Zeilen 122

Artikel 15a.18 —

Uitrusting 122

Artikel 15a.19 —

Keuring 122
HOOFDSTUK 16 122
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN DIE ZIJN BESTEMD OM DEEL UIT TE MAKEN VAN EEN DUWSTEL, EEN SLEEP OF EEN GEKOPPELD SAMENSTEL 122

Artikel 16.01 —

Vaartuigen die geschikt zijn om te duwen 122

Artikel 16.02 —

Vaartuigen die geschikt zijn om te worden geduwd 123

Artikel 16.03 —

Vaartuigen die geschikt zijn om een gekoppeld samenstel voort te bewegen 123

Artikel 16.04 —

Vaartuigen die geschikt zijn om te worden voortbewogen in een samenstel 123

Artikel 16.05 —

Vaartuigen die geschikt zijn om te slepen 123

Artikel 16.06 —

Proefvaarten met samenstellen 124

Artikel 16.07 —

Aantekeningen in het communautair binnenvaartcertificaat 124
HOOFDSTUK 17 124
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR DRIJVENDE WERKTUIGEN 124

Artikel 17.01 —

Algemene bepalingen 124

Artikel 17.02 —

Afwijkingen 124

Artikel 17.03 —

Overige bepalingen 125

Artikel 17.04 —

Resterende veiligheidsafstand 125

Artikel 17.05 —

Resterend vrijboord 125

Artikel 17.06 —

Hellingproef 126

Artikel 17.07 —

Bewijs van stabiliteit 126

Artikel 17.08 —

Bewijzen van stabiliteit bij verminderd resterend vrijboord 127

Artikel 17.09 —

Inzinkingsmerken en diepgangsschalen 128

Artikel 17.10 —

Drijvende werktuigen zonder bewijs van stabiliteit 128
HOOFDSTUK 18 128
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SCHEPEN BESTEMD VOOR BOUWWERKZAAMHEDEN 128

Artikel 18.01 —

Voorwaarden voor gebruik 128

Artikel 18.02 —

Toepasselijkheid van Deel II 128

Artikel 18.03 —

Afwijkingen 128

Artikel 18.04 —

Veiligheidsafstand en vrijboord 129

Artikel 18.05 —

Bijboten 129
HOOFDSTUK 19 129
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR HISTORISCHE SCHEPEN (Zonder inhoud) 129
HOOFDSTUK 19a 129
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR KANAALSPITSEN (Zonder inhoud) 129
HOOFDSTUK 19b 129
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SCHEPEN DIE OP WATERWEGEN VAN ZONE 4 VAREN 129

Artikel 19b.01 —

Toepasselijkheid van hoofdstuk 4 129
HOOFDSTUK 20 129
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR ZEESCHEPEN (Zonder inhoud) 129
HOOFDSTUK 21 129
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR PLEZIERVAARTUIGEN 129

Artikel 21.01 —

Algemene bepaling 129

Artikel 21.02 —

Toepasselijkheid van deel II 130

Artikel 21.03 —

(Zonder inhoud) 130
HOOFDSTUK 22 131
STABILITEIT VAN SCHEPEN DIE CONTAINERS VERVOEREN 131

Artikel 22.01 —

Algemene bepalingen 131

Artikel 22.02 —

Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die niet-vastgezette containers vervoeren 131

Artikel 22.03 —

Criteria en rekenmethode voor de stabiliteitsberekening van schepen die vastgezette containers vervoeren 133

Artikel 22.04 —

Methode voor de stabiliteitscontrole aan boord 134
HOOFDSTUK 22a 134
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN MET EEN LENGTE VAN MEER DAN 110 M 134

Artikel 22a.01 —

Toepasselijkheid van deel I 134

Artikel 22a.02 —

Toepasselijkheid van deel II 134

Artikel 22a.03 —

Sterkte 134

Artikel 22a.04 —

Drijfvermogen en stabiliteit 134

Artikel 22a.05 —

Aanvullende eisen 135

Artikel 22a.06 —

Toepasselijkheid van deel IV ingeval van ombouw 136
HOOFDSTUK 22b 136
BIJZONDERE BEPALINGEN VOOR SNELLE SCHEPEN 136

Artikel 22b.01 —

Algemene bepalingen 136

Artikel 22b.02 —

Toepasselijkheid van deel I 137

Artikel 22b.03 —

Toepasselijkheid van deel II 137

Artikel 22b.04 —

Zitplaatsen en veiligheidsgordels 137

Artikel 22b.05 —

Vrijboord 137

Artikel 22b.06 —

Drijfvermogen, stabiliteit en indeling 137

Artikel 22b.07 —

Stuurhuis 137

Artikel 22b.08 —

Aanvullende uitrusting 138

Artikel 22ter.09 —

Gesloten zones 138

Artikel 22b.10 —

Uitgangen en vluchtwegen 138

Artikel 22b.11 —

Bescherming tegen brand en brandbestrijding 139

Artikel 22b.12 —

Overgangsbepalingen 139
DEEL III 139
HOOFDSTUK 23 139
UITRUSTING VAN SCHEPEN MET HET OOG OP DE BEMANNING 139

Artikel 23.01 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.02 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.03 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.04 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.05 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.06 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.07 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.08 —

(Zonder inhoud) 139

Artikel 23.09 —

Uitrusting van schepen 140

Artikel 23.10 —

(Zonder inhoud) 141

Artikel 23.11 —

(Zonder inhoud) 141

Artikel 23.12 —

(Zonder inhoud) 141

Artikel 23.13 —

(Zonder inhoud) 141

Artikel 23.14 —

(Zonder inhoud) 141

Artikel 23.15 —

(Zonder inhoud) 141
DEEL IV 141
HOOFDSTUK 24 141
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN 141

Artikel 24.01 —

Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 141

Artikel 24.02 —

Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 141

Artikel 24.03 —

Afwijkingen voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd op 1 april 1976 of daarvoor 152

Artikel 24.04 —

Overige afwijkingen 154

Artikel 24.05 —

(Zonder inhoud) 154

Artikel 24.06 —

Afwijkingen voor vaartuigen die niet onder artikel 24.01 vallen 154

Artikel 24.07 —

(Zonder inhoud) 163
HOOFDSTUK 24a 163
OVERGANGSBEPALINGEN VOOR VAARTUIGEN DIE NIET OP DE WATEREN VAN ZONE R VAREN 163

Artikel 24a.01 —

Toepasselijkheid van de overgangsbepalingen op reeds in bedrijf zijnde vaartuigen en geldigheid van tot dusver afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten 163

Artikel 24a.02 —

Afwijkingen voor reeds in bedrijf zijnde vaartuigen 163

Artikel 24a.03 —

Afwijkingen voor vaartuigen waarvan de kiel is gelegd vóór 1 januari 1985 169

Artikel 24a.04 —

Overige afwijkingen 171

AANHANGSEL I

VEILIGHEIDSTEKENS 172

AANHANGSEL II

ADMINISTRATIEAANWIJZINGEN 174

DEEL I

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.01

Definities

In dit reglement wordt verstaan onder:

 

Typen vaartuigen

1.

„vaartuig”: een schip of een drijvend werktuig;

2.

„schip”: een binnenschip of een zeeschip;

3.

„binnenschip”: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;

4.

„zeeschip”: een schip dat is toegelaten voor de zeevaart;

5.

„motorschip”: een motortankschip of een motorvrachtschip;

6.

„motortankschip”: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;

7.

„motorvrachtschip”: een schip, niet zijnde een motortankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd om door middel van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging zelfstandig te varen;

8.

„kanaalspits”: een binnenschip waarvan de lengte niet meer dan 38,50 m en de breedte niet meer dan 5,05 m bedraagt en dat gewoonlijk op het Rijn-Rhônekanaal vaart;

9.

„sleepboot”: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;

10.

„duwboot”: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;

11.

„sleepschip”: een sleeptankschip of een sleepvrachtschip;

12.

„sleeptankschip”: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

13.

„sleepvrachtschip”: een schip, niet zijnde een sleeptankschip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en is gebouwd om te worden gesleept zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten;

14.

„duwbak”: een tankduwbak, een vrachtduwbak of een zeeschipbak;

15.

„tankduwbak”: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen in vaste tanks en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;

16.

„vrachtduwbak”: een schip, niet zijnde een tankduwbak, dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;

17.

„zeeschipbak”: een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;

18.

„passagiersschip”: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;

19.

„zeilend passagiersschip”: een passagiersschip dat is gebouwd en ingericht om ook door middel van zeilen te worden voortbewogen;

20.

„schip voor dagtochten”: een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;

21.

„hotelschip”: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;

22.

„snel schip”: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;

23.

„drijvend werktuig”: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;

24.

„schip bestemd voor bouwwerkzaamheden”: een schip dat vanwege zijn bouwwijze en uitrusting geschikt en bestemd is om voor werkzaamheden op bouwlocaties te worden gebruikt, zoals spoelbakken, onderlossers, dekschuiten, pontons of steenstorters;

25.

„pleziervaartuig”: een schip, niet zijnde een passagiersschip, dat is bestemd voor sportieve en recreatieve doeleinden;

26.

„bijboot”: een boot om gebruikt te worden voor vervoer, redding, berging en werkzaamheden;

27.

„drijvende inrichting”: een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;

28.

„drijvend voorwerp”: een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;

 

Samenstellen van vaartuigen

29.

„samenstel”: een hecht samenstel of een sleep;

30.

„formatie”: vorm van de samenstelling van een samenstel;

31.

„hecht samenstel”: een duwstel of een gekoppeld samenstel;

32.

„duwstel”: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als „duwboot” of „duwboten”. Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

33.

„gekoppeld samenstel”: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;

34.

„sleep”: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;

 

Bijzondere ruimten van vaartuigen

35.

„hoofdmachinekamer”: de ruimte waarin de voortstuwingsmotoren zijn opgesteld;

36.

„machinekamer”: een ruimte waarin verbrandingsmotoren zijn opgesteld;

37.

„ketelruim”: een ruimte waarin een met brandstof gestookte inrichting voor het opwekken van stoom of het verwarmen van thermische olie is opgesteld;

38.

„gesloten opbouw”: een doorlopende vaste en waterdichte opbouw met vaste wanden die blijvend en waterdicht met het dek zijn verbonden;

39.

„stuurhuis”: de ruimte waarin de voor het voeren van het schip noodzakelijke bedienings- en controleapparatuur is opgesteld;

40.

„verblijf”: de ruimte die bestemd is voor de gewoonlijk aan boord verblijvende personen, met inbegrip van keukens, provisiekamers, toiletten, wasgelegenheden, washokken, portalen en gangen, met uitzondering van het stuurhuis;

41.

„passagiersverblijf”: voor passagiers aan boord aangewezen ruimten en afgesloten zones zoals salons, kantoren, verkoopruimten, kapsalons, droogruimten, wasserijen, sauna's, toiletten, wasgelegenheden, gangen, verbindingsgangen en open trappenhuizen;

42.

„controlepost”: een stuurhuis, een ruimte waarin een noodstroominstallatie dan wel onderdelen daarvan aanwezig zijn of een ruimte met een permanent door boordpersoneel of leden van de bemanning bezette post, zoals voor brandmeldinstallaties, afstandbedieningen van deuren of brandkleppen;

43.

„trappenschacht”: een schacht van een binnen het schip gelegen trap of van een lift;

44.

„verblijfsruimte”: een ruimte van een verblijf of een passagiersverblijf. Op passagiersschepen zijn keukens geen verblijfsruimten;

45.

keuken: een ruimte met een fornuis of een vergelijkbare kookgelegenheid;

46.

„voorraadruimte”: een ruimte voor de opslag van brandbare vloeistoffen of een ruimte met een vloeroppervlak van meer dan 4 m2 voor de opslag van voorraden;

47.

„laadruim”: een naar voren en achteren door schotten begrensd, open of door luiken gesloten deel van het schip, dat is bestemd voor het vervoer van goederen als stukgoed of in bulk, dan wel voor het onderbrengen van tanks die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;

48.

„vaste tank”: een met het schip verbonden tank, waarbij de tankwanden kunnen worden gevormd ofwel door de scheepsromp zelf ofwel door wanden die onafhankelijk zijn van de scheepsromp;

49.

„werkplek”: een gebied waar de bemanning zijn werk moet verrichten, met inbegrip van loopplank, slingergiek en bijboot;

50.

„verkeersweg”: een gebied dat gewoonlijk dient voor het verplaatsen van personen en goederen;

51.

„veilige zone”: een gebied dat aan de buitenkant wordt begrensd door een loodrecht vlak, dat op een afstand van 1/5 BWL evenwijdig aan de scheepshuid in het vlak van de grootste inzinking loopt;

52.

„verzamelruimten”: ruimten op het schip die speciaal beschermd zijn en waar personen zich in geval van gevaar moeten ophouden;

53.

„evacuatieruimten”: deel van de verzamelruimten op het schip van waaruit een evacuatie van personen kan worden gerealiseerd;

 

Scheepsbouwkundige begrippen

54.

„vlak van de grootste inzinking”: het vlak door de waterlijn, overeenkomende met de grootst mogelijke inzinking waarbij het vaartuig nog mag varen;

55.

„veiligheidsafstand”: de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;

56.

„resterende veiligheidsafstand”: de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en het laagste punt van de ingedompelde zijde, waarboven het vaartuig niet meer als waterdicht wordt beschouwd;

57.

„vrijboord (f)”: de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en het daaraan evenwijdige vlak door het laagste punt van het gangboord of, bij ontbreken van een gangboord, het laagste punt van het vaste boord;

58.

„resterend vrijboord”: de bij slagzij van het vaartuig aanwezige loodrechte afstand tussen het wateroppervlak en de bovenkant van het dek op het laagste punt van de ondergedompelde zijde of, indien er geen dek is, het laagste punt van het vaste boord;

59.

„indompelingsgrenslijn”: een denkbeeldige lijn op de boordwand, die ten minste 10 cm onder het schottendek en ten minste 10 cm onder het laagste niet waterdichte punt van de scheepswand loopt. Bij ontbreken van een schottendek moet worden uitgegaan van een lijn, die ten minste 10 cm onder de laagste lijn loopt tot waar de buitenbeplating waterdicht is;

60.

„waterverplaatsing ∇”: het ingedompelde volume van het schip in m3;

61.

„deplacement (Δ)”: totaal gewicht van het schip met inbegrip van de lading in t;

62.

„blokcoëfficiënt (CB)”: de verhouding van de waterverplaatsing tot het product van lengte LWL · breedte BWL · diepgang T;

63.

„lateraal oppervlak boven de waterlijn (AV)”: het zijvlak van het schip boven de waterlijn in m2;

64.

„schottendek”: het dek tot waar de voorgeschreven waterdichte schotten zijn opgetrokken en vanwaar het vrijboord wordt gemeten;

65.

„schot”: een over het algemeen verticale wand, dienend voor de indeling van het schip, en grenzend aan de scheepsbodem, boordwanden of andere schotten en die tot een zekere hoogte wordt opgetrokken;

66.

„dwarsschot”: een schot dat van boordwand tot boordwand reikt;

67.

„wand”: een over het algemeen verticaal scheidingsvlak;

68.

„scheidingswand”: een niet waterdichte wand;

69.

„lengte (L)”: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;

70.

„lengte over alles (LOA)”: de grootste lengte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals delen van roer- en voortstuwingsinstallaties, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke;

71.

„lengte op de waterlijn (LWL)”: de in het vlak van de grootste inzinking van het schip gemeten grootste lengte van de scheepsromp in m;

72.

„breedte (B)”: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);

73.

„breedte over alles (BOA)”: de grootste breedte van het vaartuig in m met inbegrip van alle vaste aanbouwsels, zoals schoepraderen, schuurlijsten, werktuigbouwkundige inrichtingen en dergelijke;

74.

„breedte op de waterlijn (BWL)”: de grootste breedte van de scheepsromp, gemeten in het vlak van de grootste inzinking van het schip, op de buitenkant van de huidbeplating in m;

75.

„holte (H)”: kleinste verticale afstand tussen de onderkant van de bodembeplating of van de kiel en het laagste punt van het dek aan de zijde van het schip in m;

76.

„diepgang (T)”: de verticale afstand van het laagste punt van de scheepsromp aan de onderkant van de bodembeplating of van de kiel tot het vlak van de grootste inzinking van de scheepsromp in m;

77.

„voorloodlijn”: de loodrechte lijn door het snijpunt van de voorzijde van de scheepsromp met het vlak van de grootste inzinking;

78.

„vrije breedte van het gangboord”: de afstand tussen de loodrechte lijn door het meest ver in het gangboord uitstekende deel van het luikhoofd en de loodrechte lijn door de binnenkant van de beveiliging tegen vallen (reling, voetlijst) aan de buitenkant van het gangboord;

 

Stuurinrichtingen

79.

„stuurinrichting”: iedere voor het sturen van het schip benodigde inrichting die voor het bereiken van de manoeuvreereigenschappen als bedoeld in hoofdstuk 5 moet worden gebruikt;

80.

„roer”: het roerblad of de roerbladen met de roerkoning en met inbegrip van het kwadrant, de helmstok en de verbindingsdelen met de stuurmachine;

81.

„stuurmachine”: het deel van de stuurinrichting dat de beweging van het roer bewerkstelligt;

82.

„stuurmachine-aandrijving”: de aandrijving van de stuurmachine vanaf de energiebron tot de verbinding met de stuurmachine;

83.

„energiebron”: de energieverzorging van de stuurmachine-aandrijving en van de besturing vanuit het boordnet, een accumulator of een verbrandingsmotor;

84.

„besturing”: de elementen en stroomkringen voor het bedienen van een mechanische stuurmachine-aandrijving;

85.

„aandrijfinstallatie van de stuurmachine”: de stuurmachine-aandrijving met inbegrip van de bijbehorende besturing en energiebron;

86.

„handaandrijving”: een aandrijving waarbij de beweging van het roer wordt bewerkstelligd door een handbewogen stuurwiel met mechanische overbrenging, zonder gebruik van een extra energiebron;

87.

„handhydraulische aandrijving”: een handaandrijving met hydraulische overbrenging;

88.

„stuurautomaat”: een inrichting die, afhankelijk van de ingestelde waarde, een bepaalde draaisnelheid van het schip automatisch bewerkstelligt en handhaaft;

89.

„éénmansstuurstelling voor het varen op radar”: een stuurstelling die zodanig is ingericht dat het schip gedurende het varen op radar door één persoon kan worden gevoerd;

 

Eigenschappen van constructiedelen en materialen

90.

„waterdicht”: constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het binnendringen van water wordt verhinderd;

91.

„spatwater- en regendicht”: constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat zij onder normale omstandigheden slechts een onbeduidende hoeveelheid water doorlaten;

92.

„gasdicht”: constructiedelen of inrichtingen die zo zijn uitgevoerd dat het doordringen van gassen of dampen wordt verhinderd;

93.

„onbrandbaar”: een materiaal dat niet brandbaar is en geen ontvlambare gassen ontwikkelt in zodanige hoeveelheden dat deze bij verhitting tot ongeveer 750 °C tot zelfontbranding overgaan;

94.

„moeilijk ontvlambaar”: een materiaal dat zelf of waarbij ten minste de oppervlakken daarvan het uitbreiden van een brand volgens de testprocedure als bedoeld in artikel 15.11, punt 1, onder c), beperken;

95.

„brandwerendheid”: de eigenschap van constructiedelen of inrichtingen die is aangetoond met de testprocedure als bedoeld in artikel 15.11, eerste lid, onder d);

96.

„code voor brandtestprocedures”: de bij de resolutie MSC.61(67) van het maritieme veiligheidscommissie van de IMO aangenomen Internationale code voor de toepassing van brandtestprocedures;

 

Overige definities

97.

„erkend classificatiebureau”: een classificatiebureau dat is erkend overeenkomstig de criteria en procedures van bijlage VI van de richtlijn;

98.

„radarinstallatie”: elektronisch hulpmiddel bij de navigatie voor de registratie en de weergave van de omgeving en het verkeer;

99.

„Inland ECDIS”: gestandaardiseerd systeem voor de elektronische weergave van binnenvaartkaarten en de daarmee verbonden informatie, dat geselecteerde informatie uit een specifiek geproduceerde elektronische binnenvaartkaart en naar keuze informatie van andere navigatiesensoren weergeeft;

100.

„Inland ECDIS apparaat”: apparaat voor de weergave van elektronische binnenvaartkaarten, dat in de informatiemodus en de navigatiemodus gebruikt kan worden;

101.

„informatiemodus”: gebruik van Inland ECDIS alleen voor informatiedoeleinden zonder geïntegreerd radarbeeld;

102.

„navigatiemodus”: gebruik van Inland ECDIS bij het sturen van het schip met geïntegreerd radarbeeld;

103.

„boordpersoneel”: alle aan boord van een passagiersschip aangestelde personen die niet tot de bemanning behoren;

104.

„personen met beperkte mobiliteit”: personen die specifieke moeilijkheden hebben bij het gebruik van openbare vervoermiddelen, zoals oudere mensen, gehandicapten, personen met een handicap op het gebied van de zintuigen, rolstoelgebruikers, zwangere vrouwen en personen die kleine kinderen begeleiden;

105.

„communautair binnenvaartcertificaat”: een certificaat dat door de bevoegde autoriteit is afgegeven voor een binnenvaartschip, ten bewijze dat het voldoet aan de technische voorschriften van deze richtlijn.

Artikel 1.02

(Zonder inhoud)

Artikel 1.03

(Zonder inhoud)

Artikel 1.04

(Zonder inhoud)

Artikel 1.05

(Zonder inhoud)

Artikel 1.06

Voorschriften van tijdelijke aard

Voorschriften van tijdelijke aard kunnen volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn worden uitgevaardigd, wanneer het met het oog op de aanpassing aan de technische vooruitgang in de binnenvaart nodig wordt geacht om in dringende gevallen reeds vóór de te verwachten wijziging van de richtlijn afwijkingen van bepalingen daarvan toe te staan of proefnemingen mogelijk te maken. De voorschriften worden gepubliceerd en gelden voor ten hoogste drie jaar. Zij treden in alle lidstaten tegelijk in werking en worden onder dezelfde voorwaarde buiten werking gesteld.

Artikel 1.07

Administratieaanwijzingen

In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van deze richtlijn kunnen, volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn bindende administratieve aanwijzingen voor het onderzoek worden goedgekeurd.

HOOFDSTUK 2

PROCEDURE

Artikel 2.01

Commissies van deskundigen

1.   De lidstaten stellen commissies van deskundigen in.

2.   De commissies van deskundigen bestaan uit een voorzitter en deskundigen.

Als deskundigen maken van iedere commissie ten minste deel uit:

a)

een ambtenaar van het bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart;

b)

een deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines;

c)

een nautisch deskundige die in het bezit is van een vaarbewijs.

3.   De voorzitter en de deskundigen van elke commissie worden benoemd door de autoriteiten van de staat waartoe de commissie behoort. Zij dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.

4.   De commissies van deskundigen kunnen zich overeenkomstig de toepasselijke nationale bepalingen doen bijstaan door gespecialiseerde deskundigen.

Artikel 2.02

Aanvraag van het onderzoek

1.   De procedure volgens welke een onderzoek moet worden aangevraagd en plaats en tijdstip van het onderzoek moeten worden vastgesteld, valt onder de bevoegdheid van de autoriteiten die het communautair binnenvaartcertificaat afgeven. De bevoegde autoriteit bepaalt welke bescheiden moeten worden overgelegd. De procedure dient zodanig te verlopen dat het onderzoek binnen een redelijke termijn na indiening van de aanvraag kan plaatsvinden.

2.   De eigenaar van een vaartuig waarop deze richtlijn niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan een communautair binnenvaartcertificaat van onderzoek aanvragen. Aan deze aanvraag wordt gevolg gegeven wanneer het schip voldoet aan de bepalingen van deze richtlijn.

Artikel 2.03

Aanbieding van het vaartuig voor het onderzoek

1.   De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te verlenen, bijvoorbeeld een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.

2.   De commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek het schip op het droge bezichtigen. Bezichtiging op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd, of wanneer een certificaat wordt overgelegd waaruit blijkt dat de bevoegde autoriteit al voor andere doeleinden een bezichtiging op het droge heeft verricht. Bij periodieke onderzoeken of onderzoeken overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn kan de commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen.

De commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek van motorschepen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting, proefvaarten doen plaatsvinden.

3.   De commissie van deskundigen kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw.

Artikel 2.04

(Zonder inhoud)

Artikel 2.05

Voorlopig communautair binnenvaartcertificaat

1.   De bevoegde autoriteit kan een voorlopig communautair binnenvaartcertificaat afgeven voor:

a)

vaartuigen die, teneinde een communautair binnenvaartcertificaat te verkrijgen, met toestemming van de bevoegde autoriteit naar een bepaalde plaats worden gevaren;

b)

vaartuigen die, wegens een van de in artikel 2.07 of de artikelen 12 en 16 van deze richtlijn bedoelde gevallen, tijdelijk niet van hun communautair binnenvaartcertificaat zijn voorzien;

c)

vaartuigen waarvan het communautair binnenvaartcertificaat na het onderzoek nog in behandeling is;

d)

vaartuigen waarbij niet aan alle voorwaarden voor de afgifte van een communautair binnenvaartcertificaat overeenkomstig bijlage V, deel I, wordt voldaan;

e)

vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met de in het communautair binnenvaartcertificaat gestelde voorwaarden;

f)

drijvende inrichtingen en drijvende voorwerpen, wanneer de voor bijzonder transport bevoegde autoriteiten, overeenkomstig de toepasselijke binnenvaartpolitiereglementen van de lidstaten, de vergunning voor een bijzonder transport afhankelijk stelt van het hebben van een dergelijk voorlopig communautair binnenvaartcertificaat;

g)

vaartuigen die volgens artikel 2.19, lid 2, van de bepalingen van Deel II afwijken.

2.   Het voorlopig communautair binnenvaartcertificaat wordt volgens het model van bijlage V, deel III, afgegeven, wanneer de deugdelijkheid van het vaartuig, de drijvende inrichting of het drijvende voorwerp voor de vaart voldoende gewaarborgd wordt geacht.

Het moet de voorwaarden bevatten die door de bevoegde autoriteit nodig worden geacht en is geldig:

a)

in de in lid 1, onder a) en d) tot en met f), bedoelde gevallen voor één bepaalde reis, te maken binnen een redelijke termijn die ten hoogste één maand mag zijn;

b)

in de in lid 1, onder b) en c), bedoelde gevallen gedurende een redelijke termijn;

c)

in de in lid 1, onder g), genoemde gevallen gedurende zes maanden. Het voorlopige communautair binnenvaartcertificaat mag om de zes maanden worden verlengd, zolang het comité nog geen beslissing genomen heeft.

Artikel 2.06

Geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat

1.   De geldigheidsduur van de volgens de bepalingen van deze richtlijn afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten voor nieuwe schepen wordt vastgesteld door de bevoegde autoriteit en bedraagt ten hoogste:

a)

vijf jaar voor passagiersschepen;

b)

tien jaar voor alle andere vaartuigen.

De geldigheidsduur wordt in het communautair binnenvaartcertificaat aangetekend.

2.   Voor vaartuigen die reeds vóórdat het onderzoek plaatsvindt in bedrijf waren, wordt de geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat voor elk geval afzonderlijk, afhankelijk van de uitkomsten van het onderzoek, vastgesteld door de bevoegde autoriteit. Deze geldigheidsduur mag evenwel niet langer zijn dan bij lid 1 is voorgeschreven.

Artikel 2.07

Aantekeningen in en wijzigingen van het communautair binnenvaartcertificaat

1.   Elke verandering van naam, overgang van de eigendom, iedere hermeting van een vaartuig alsmede elke wijziging van het officiële scheepsnummer, van de teboekstelling of van de thuishaven moet door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger ter kennis worden gebracht van de bevoegde autoriteit. Hij moet daarbij tevens het communautair binnenvaartcertificaat aan deze autoriteit ter wijziging voorleggen.

2.   Alle aantekeningen in of wijzigingen van het communautair binnenvaartcertificaat kunnen door iedere bevoegde autoriteit worden aangebracht.

3.   Wanneer een bevoegde autoriteit in het communautair binnenvaartcertificaat een wijziging aanbrengt of daarin een aantekening maakt, moet zij daarvan kennis geven aan de bevoegde autoriteit die het betrokken communautair binnenvaartcertificaat heeft afgegeven.

Artikel 2.08

(Zonder inhoud)

Artikel 2.09

Periodiek onderzoek

1.   Voor afloop van de geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat moet het vaartuig aan een periodiek onderzoek worden onderworpen.

2.   Bij wijze van uitzondering kan de bevoegde autoriteit op een met redenen omkleed verzoek van de eigenaar of zijn vertegenwoordiger de geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat zonder onderzoek met ten hoogste zes maanden verlengen. Deze verlenging wordt schriftelijk gegeven en moet zich aan boord van het vaartuig bevinden.

3.   De bevoegde autoriteit stelt afhankelijk van de resultaten van het onderzoek de nieuwe geldigheidsduur van het communautair binnenvaartcertificaat vast.

De geldigheidsduur wordt aangetekend in het communautair binnenvaartcertificaat en dient ter kennis te worden gebracht van de bevoegde autoriteit die het communautair binnenvaartcertificaat heeft afgegeven.

4.   Indien in plaats van verlenging van de geldigheidsduur, als bedoeld in lid 3, het communautair binnenvaartcertificaat door een nieuw wordt vervangen, dient het oude communautair binnenvaartcertificaat te worden teruggezonden aan de bevoegde autoriteit die het heeft afgegeven.

Artikel 2.10

Vrijwillig onderzoek

De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger kan op elk moment zelf om een vrijwillig onderzoek vragen.

Aan dit verzoek om een onderzoek dient gevolg te worden gegeven.

Artikel 2.11

(Zonder inhoud)

Artikel 2.12

(Zonder inhoud)

Artikel 2.13

(Zonder inhoud)

Artikel 2.14

(Zonder inhoud)

Artikel 2.15

Kosten

De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger draagt de kosten die voortvloeien uit het onderzoek en de afgifte van het communautair binnenvaartcertificaat, overeenkomstig een speciaal tarief, dat door elk der lidstaten wordt vastgesteld.

Artikel 2.16

Inlichtingen

De bevoegde autoriteit mag personen die kunnen aantonen daar om gegronde redenen belang bij te hebben, kennis laten nemen van de inhoud van het communautair binnenvaartcertificaat, en die personen als zodanig aangeduide uittreksels of gewaarmerkte afschriften van het communautair binnenvaartcertificaat verstrekken.

Artikel 2.17

Registratie van de communautaire binnenvaartcertificaten

1.   De bevoegde autoriteiten geven de door hen afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten een volgnummer. Zij houden overeenkomstig bijlage VI een register bij van alle door hen afgegeven communautaire binnenvaartcertificaten.

2.   De bevoegde autoriteiten bewaren de minuut of een afschrift van elk communautair binnenvaartcertificaat dat zij hebben afgegeven. Daarop tekenen zij alle aantekeningen en wijzigingen, alsmede ongeldigheidsverklaringen en vervangingen van de communautaire binnenvaartcertificaten aan.

Artikel 2.18

Officieel scheepsnummer

1.   De bevoegde autoriteit die het communautair binnenvaartcertificaat afgeeft, vult op dit communautair binnenvaartcertificaat het officiële scheepsnummer in dat is toegekend door de bevoegde autoriteit van het land waarin zijn plaats van teboekstelling of zijn thuishaven is gelegen.

Aan vaartuigen die niet uit een der lidstaten afkomstig zijn, wordt het officiële scheepsnummer, dat op het communautair binnenvaartcertificaat moet worden ingevuld, toegekend door de bevoegde autoriteit die dit communautair binnenvaartcertificaat afgeeft.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op pleziervaartuigen

2.   (Zonder inhoud)

3.   (Zonder inhoud)

4.   De eigenaar van het vaartuig of zijn vertegenwoordiger moet de toekenning van het officiële scheepsnummer bij de bevoegde autoriteit aanvragen. Tevens moet hij het in het communautair binnenvaartcertificaat ingevulde officieel scheepsnummer op het vaartuig laten aanbrengen, en dit laten verwijderen zodra het ongeldig is geworden.

Artikel 2.19

Gelijkwaardigheid en afwijkingen

1.   Wanneer in de bepalingen van Deel II wordt bepaald dat op een vaartuig bepaalde materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken moeten worden gebruikt of aan boord moeten zijn, of dat bepaalde bouwkundige maatregelen moeten worden getroffen of bepaalde opstellingen moeten worden aangehouden, kan de bevoegde autoriteit de toepassing of de aanwezigheid aan boord van dit vaartuig van andere materialen, inrichtingen of uitrustingsstukken toestaan, dan wel toestaan dat andere bouwkundige maatregelen worden getroffen of dat andere opstellingen worden aangehouden, mits deze volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn als gelijkwaardig zijn erkend.

2.   Wanneer het comité in het kader van de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn nog geen aanbeveling inzake gelijkwaardigheid overeenkomstig lid 1 heeft gedaan, kan de bevoegde autoriteit een voorlopig communautair binnenvaartcertificaat afgeven.

Binnen een maand na afgifte van het voorlopig communautair binnenvaartcertificaat overeenkomstig artikel 2.05, lid 1, onder g), stellen de bevoegde autoriteiten, volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn, met opgave van de naam en het officiële scheepsnummer van het vaartuig, het comité in kennis van de aard van de afwijking en van het land waar het vaartuig is teboekgesteld of waarin zijn thuishaven is gelegen.

3.   Bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur kan een bevoegde autoriteit op grond van een aanbeveling van het comité volgens de procedure van artikel 19, lid 2, van deze richtlijn voor een vaartuig met nieuwe technische voorzieningen die afwijken van de bepalingen van Deel II een communautair binnenvaartcertificaat afgeven, voorzover deze nieuwe voorzieningen een gelijkwaardige veiligheid bieden.

4.   De in de leden 1 en 3 genoemde gelijkwaardigheden en afwijkingen dienen in het communautair binnenvaartcertificaat te worden ingevuld en aan de Commissie te worden meegedeeld.

DEEL II

HOOFDSTUK 3

SCHEEPSBOUWKUNDIGE EISEN

Artikel 3.01

Algemene regel

Schepen moeten volgens goed scheepsbouwgebruik zijn gebouwd.

Artikel 3.02

Sterkte en stabiliteit

1.   De sterkte van de scheepsromp moet zodanig zijn dat zij in overeenstemming is met de belasting waaraan de romp onder normale omstandigheden is blootgesteld.

a)

Bij nieuwbouw van een schip en bij verbouwingen waardoor de sterkte van het schip kan worden beïnvloed, dient door berekeningen te worden aangetoond dat de scheepsromp sterk genoeg is. Dit is niet nodig indien een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd.

b)

Bij onderzoeken als bedoeld in artikel 2.09 moeten de minimale diktes van de bodem-, kim- en zijbeplating van de scheepshuid overeenkomstig de volgende methode worden gecontroleerd:

Bij schepen die van staal zijn gebouwd moet als minimale dikte tmin de grootste van de aan de hand van de volgende formules vastgestelde waarden worden genomen:

1.

Voor schepen met een lengte L van meer dan 40 m: tmin = f · b · c (2,3 + 0,04 L) [mm];

voor schepen met een lengte L van 40 m of minder: tmin = f · b · c (1,5 + 0,06 L) [mm], echter ten minste 3,0 mm.

2.

Formula

In deze formules betekent:

a

=

spantafstand in [mm];

f

=

factor voor spantafstand:

f

=

1 voor a ≤ 500 mm

f

=

1 + 0,0013 (a - 500) voor a > 500 mm

b

=

factor voor bodem- en zijbeplating of kimbeplating:

b

=

1,0 voor bodem- en zijbeplating

b

=

1,25 voor kimbeplating.

Bij de berekening van de minimumdikte van de kimbeplating kan voor de factor voor de spantafstand worden uitgegaan van f = 1. De minimumdikte van de kimbeplating mag echter in geen geval minder zijn dan die van de bodem- en zijbeplating.

c

=

factor voor bouwwijze:

c

=

0,95 voor schepen met een dubbele bodem en zijtanks, waarvan het laadruimlangsschot in de zijde verticaal onder de dennenboom is geplaatst

c

=

1,0 voor schepen met een andere bouwwijze.

c)

De minimale plaatdikte die met de onder b) vermelde formules is berekend mag bij schepen die in langsrichting zijn gebouwd en die van een dubbele bodem en zijtanks zijn voorzien, zoveel minder zijn als door een erkend classificatiebureau is vastgesteld en gedocumenteerd nadat de voldoende sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) van de scheepsromp rekenkundig is aangetoond.

Vernieuwing van de beplating is noodzakelijk wanneer de dikte van bodem-, kim- of zijbeplating minder is dan de aldus vastgestelde toelaatbare waarde.

De volgens bovenstaande methode vastgestelde waarden voor de minimumdikten van de beplating van de scheepshuid zijn grenswaarden bij een normale en gelijkmatige slijtage onder de voorwaarde dat scheepsbouwstaal is gebruikt en dat de inwendige constructiedelen, zoals spanten, bodemwrangen en hoofd-, langs- en dwarsverbanddelen zich in goede staat bevinden en dat het casco geen schade heeft opgelopen die wijst op overbelasting van de romp in langsscheepse richting.

Indien de werkelijke waarden lager zijn dan de berekende waarden, moeten de desbetreffende platen worden vervangen of gerepareerd. Plaatselijke kleine, dunnere plekken kunnen worden toegestaan tot een afwijking van ten hoogste 10 % van de minimumdikte.

2.   Indien voor de scheepsromp een ander materiaal dan staal wordt gebruikt, moet met een berekening worden aangetoond dat de sterkte (sterkte in langs- en dwarsrichting alsmede plaatselijke sterkte) ten minste overeenkomt met die, welke bij het gebruik van staal met inachtneming van de minimale diktes als bedoeld in het eerste lid zou zijn geresulteerd. Indien een klassecertificaat dan wel een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd kan deze berekening achterwege blijven.

3.   De stabiliteit van de schepen moet in overeenstemming zijn met het doel waarvoor zij zijn bestemd.

Artikel 3.03

Scheepsromp

1.   De volgende waterdichte schotten, die reiken tot tegen het dek of, wanneer er geen dek is, tot aan de bovenkant van het scheepsboord, moeten ten minste zijn aangebracht:

a)

een aanvaringsschot op een redelijke afstand van de voorsteven, zodanig dat bij vollopen van de vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte afdeling het drijfvermogen van het beladen schip behouden blijft en dat een resterende veiligheidsafstand van 100 mm in stand blijft.

Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien het aanvaringsschot op een afstand tussen 0,04 L en 0,04 L + 2 m, gemeten vanaf de voorloodlijn, is aangebracht.

Indien deze afstand meer is dan 0,04 L + 2 m, moet het voldoen aan deze eis rekenkundig worden aangetoond.

De afstand mag tot 0,03 L worden gereduceerd. In dat geval moet rekenkundig worden aangetoond dat aan de eis in de eerste alinea kan worden voldaan, wanneer de vóór het aanvaringsschot gelegen waterdichte afdeling alsmede de direct daaraan grenzende afdelingen samen zijn volgelopen;

b)

een achterpiekschot op een redelijke afstand van de achtersteven bij schepen met een lengte L van meer dan 25 m.

2.   Verblijven, alsmede voor de veiligheid van het schip en van de bedrijfsvoering noodzakelijke inrichtingen mogen zich niet vóór het vlak van het aanvaringsschot bevinden. Dit geldt niet voor ankerinrichtingen.

3.   Verblijven, machinekamers en ketelruimen, alsmede de daarbijbehorende werkruimten, moeten van de laadruimen zijn gescheiden door middel van waterdichte schotten die reiken tot tegen het dek.

4.   Verblijven moeten van de machinekamers en ketel- en laadruimen gasdicht zijn gescheiden en rechtstreeks van het dek af toegankelijk zijn. Wanneer een dergelijke toegang niet aanwezig is, moet een extra nooduitgang rechtstreeks toegang geven tot het dek.

5.   In de bij lid 1 en lid 3 voorgeschreven schotten en de in lid 4 bedoelde begrenzing van ruimten mogen zich geen openingen bevinden.

Deuren in het achterpiekschot en openingen voor de doorvoering van assen, leidingen enz. zijn evenwel toegestaan, wanneer zij zodanig zijn uitgevoerd dat de doelmatigheid van deze schotten en van de begrenzing van ruimten onverlet blijft. Deuren in het achterpiekschot zijn alleen toegestaan, indien door middel van afstandsbewaking in het stuurhuis kan worden vastgesteld of zij gesloten dan wel geopend zijn en indien aan beide zijden goed leesbaar het volgende opschrift is aangebracht:

„Deur steeds onmiddellijk na het openen weer sluiten”.

6.   Openingen waarlangs water wordt in- of uitgelaten, alsmede de aangesloten leidingen moeten zo geconstrueerd zijn dat onopzettelijk binnendringen van water in de scheepsromp niet mogelijk is.

7.   Een voorschip moet zodanig gebouwd zijn dat ankers noch geheel, noch gedeeltelijk buiten de scheepshuid uitsteken.

Artikel 3.04

Machinekamers, ketelruimen en brandstofbunkers

1.   De ruimten waarin machine-installaties of ketels, alsmede hun toebehoren, zijn opgesteld, moeten zodanig uitgerust en ingericht zijn dat bediening, toezicht en onderhoud van de zich aldaar bevindende installaties gemakkelijk en zonder gevaar kunnen geschieden.

2.   Bunkers voor vloeibare brandstof of smeerolie mogen met passagiersverblijven en met verblijven geen begrenzingsvlakken gemeen hebben die bij normaal bedrijf onder de statische druk van de vloeistof staan.

3.   Wanden, dekken en deuren van de machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.

Isolaties in machinekamers moeten zijn beschermd tegen het binnendringen van olie en oliedampen.

Alle openingen in wanden, dekken en deuren van machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten van buitenaf kunnen worden gesloten. De afsluitinrichtingen moeten van staal of een ander gelijkwaardig onbrandbaar materiaal zijn gemaakt.

4.   Machinekamers, ketelruimen en andere ruimten waarin zich brandbare of giftige gassen kunnen ontwikkelen moeten voldoende kunnen worden geventileerd.

5.   De trappen en ladders die toegang geven tot machinekamers, ketelruimen en bunkers moeten vast zijn aangebracht en zijn gemaakt van staal of van een ander stootvast en onbrandbaar materiaal.

6.   Machinekamers en ketelruimen moeten twee uitgangen hebben, waarvan er een als nooduitgang mag zijn uitgevoerd.

Van een tweede uitgang kan worden afgezien, indien:

a)

het grondvlak (gemiddelde lengte · gemiddelde breedte ter hoogte van de vloerplaten) van een machinekamer of ketelruim in totaal niet meer bedraagt dan 35 m2,

b)

de vluchtweg vanaf iedere standplaats waar bedieningshandelingen of onderhoudswerkzaamheden moeten worden uitgevoerd tot aan de uitgang, of tot aan het voetpunt van de trap bij de uitgang die naar buiten leidt, niet meer bedraagt dan 5 m, en

c)

bij de plaats van onderhoud die het verst verwijderd is van de uitgang een draagbaar blustoestel aanwezig is, en in afwijking van artikel 10.03, lid 1, onder e), ook indien de geïnstalleerde motorcapaciteit 100 kW of minder bedraagt.

7.   Het ten hoogste toegestane niveau van de geluidsdruk in de machinekamers bedraagt 110 dB(A). De meetpunten moeten worden gekozen met inachtneming van de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden tijdens het normale bedrijf van de installaties.

HOOFDSTUK 4

VEILIGHEIDSAFSTAND, VRIJBOORD EN DIEPGANGSSCHALEN

Artikel 4.01

Veiligheidsafstand

1.   De veiligheidsafstand moet ten minste 300 mm bedragen.

2.   De veiligheidsafstand van schepen waarvan de openingen niet spatwater- en regendicht kunnen worden afgesloten en van schepen die met open laadruimen varen, moet zoveel worden verhoogd dat elk van deze openingen ten minste 500 mm van het vlak van de grootste inzinking is verwijderd.

Artikel 4.02

Vrijboord

1.   Het vrijboord bedraagt voor schepen met een doorlopend dek zonder zeeg en zonder bovenbouw 150 mm.

2.   Bij schepen met zeeg en bovenbouw wordt het vrijboord berekend volgens de formule:

Formula

In deze formule betekent:

α

de correctiecoëfficiënt, waarin met alle aanwezige bovenbouwen rekening wordt gehouden;

βv

de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de voorste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het voorste vierde deel van de scheepslengte L;

βa

de correctiecoëfficiënt voor de invloed van de achterste zeeg, veroorzaakt door de aanwezigheid van bovenbouwen in het achterste vierde deel van de scheepslengte L;

Sev

de in rekening te brengen voorste zeeg in mm;

Sea

de in rekening te brengen achterste zeeg in mm.

3.   De coëfficiënt α wordt berekend volgens de formule:

Formula

In deze formule betekent:

lem

de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m op de middelste helft van de scheepslengte L;

lev

de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het voorste vierde deel van de scheepslengte L;

lea

de in rekening te brengen lengte van een bovenbouw in m in het achterste vierde deel van de scheepslengte L.

De in rekening te brengen lengte van een bovenbouw wordt berekend volgens de volgende formules:

Formula

Formula

In deze formules betekent:

l

de werkelijke lengte van de desbetreffende bovenbouw in m;

b

de breedte van de desbetreffende bovenbouw in m;

B1

de breedte van het schip in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating ter hoogte van het dek, gemeten op de halve lengte van de desbetreffende bovenbouw;

h

de hoogte van de desbetreffende bovenbouw in m. Voor luikhoofden wordt h evenwel berekend door de hoogte van de luikhoofden met de halve veiligheidsafstand overeenkomstig artikel 4.01, leden 1 en 2, te verminderen. Voor h wordt in geen geval een hogere waarde dan 0,36 m aangenomen.

Wanneer het quotiënt van kleiner is dan 0,6, moet de in rekening te brengen lengte van de bovenbouw le gelijk aan nul worden gesteld.

4.   De coëfficiënten bv en ba worden volgens de volgende formules berekend:

Formula

Formula

5.   De respectievelijk in rekening te brengen voorste en achterste zeeg Sev en Sea worden volgens de volgende formules berekend:

 

Se v = S v · p

 

Se a = S a · p

In deze formules betekent:

Se v

de werkelijke zeeg in het voorschip in mm; voor Sv mag echter geen grotere waarde dan 1 000 mm worden aangenomen;

Sa

de werkelijke zeeg in het achterschip in mm; voor Sa mag echter geen grotere waarde dan 500 mm worden aangenomen;

p

een coëfficiënt, die volgens de volgende formule wordt berekend:

Formula

Hierin is x de van het scheepseinde af gemeten abscis tot het punt waar de zeeg gelijk is aan 0,25 Sv of 0,25 Sa (zie onderstaande schets):

Image

Voor de coëfficiënt p mag echter geen waarde groter dan 1 worden genomen.

6.   Wanneer de waarde van βa · Sea groter is dan die van βv · Sev, wordt in plaats van de waarde van βa · Sea die van βv ·Sea genomen.

Artikel 4.03

Kleinste vrijboord

Rekening houdende met de vermindering overeenkomstig artikel 4.02 mag het kleinste vrijboord niet minder dan 0 mm bedragen.

Artikel 4.04

Inzinkingsmerken

1.   Het vlak van de grootste inzinking moet zo worden vastgesteld dat aan de voorschriften omtrent het kleinste vrijboord en aan die omtrent de kleinste veiligheidsafstand wordt voldaan. De commissie van deskundigen kan echter uit veiligheidsoverwegingen een groter vrijboord, dan wel een grotere veiligheidsafstand vaststellen. Het vlak van de grootste inzinking wordt ten minste vastgesteld voor zone 3.

2.   Het vlak van de grootste inzinking wordt door goed zichtbare en onuitwisbare inzinkingsmerken aangegeven.

3.   De inzinkingsmerken voor zone 3 bestaan uit een rechthoek met horizontale zijden van 300 mm en verticale zijden van 40 mm, waarvan de basis samenvalt met het vlak van de toegelaten grootste inzinking. Andersoortige inzinkingsmerken dienen een dergelijke rechthoek te bevatten.

4.   Schepen moeten ten minste drie paar inzinkingsmerken hebben, waarvan één paar ongeveer midscheeps en de twee andere op ongeveer 1/6 van de lengte achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht.

Evenwel kan:

a)

bij schepen waarvan de lengte L minder dan 40 m bedraagt, met twee paar merken worden volstaan, die op

Formula

van de lengte L achter de voorsteven, respectievelijk vóór de achtersteven moeten zijn aangebracht;

b)

bij schepen die niet zijn bestemd voor het vervoer van goederen, met één paar merken worden volstaan, dat ongeveer midscheeps moet zijn aangebracht.

5.   De ingevolge een nieuw onderzoek ongeldig geworden inzinkingsmerken of aanduidingen moeten onder toezicht van de commissie van deskundigen worden verwijderd of als ongeldig worden gekenmerkt. Onduidelijk geworden inzinkingsmerken mogen alleen onder toezicht van een commissie van deskundigen worden vervangen.

6.   Wanneer het schip overeenkomstig het Verdrag van 1966 betreffende de meting van binnenschepen is gemeten en de ijkmerken in hetzelfde vlak liggen als de in dit reglement voorgeschreven inzinkingsmerken, gelden deze ijkmerken ook als inzinkingsmerken; daaromtrent wordt een aantekening geplaatst in het communautair binnenvaartcertificaat.

7.   Op schepen die op andere binnenwaterzones dan zone 3 varen (zones 1, 2 en 4), moet aan de in lid 4 voorgeschreven paren inzinkingsmerken aan voor- en achtersteven een verticale streep worden toegevoegd, van waaruit met een extra lijn, of voor meerdere zones meerdere extra lijnen, met een lengte van 150 mm naar de boeg van het schip toe het inzinkingsniveau ten opzichte van het inzinkingsmerk voor zone 3 wordt aangegeven.

Deze verticale streep en de horizontale lijn hebben een dikte van 30 mm. Naast het inzinkingsmerk op de boeg van het schip moet het cijfer van de betreffende zone worden aangegeven. De afmetingen van dit cijfer zijn 60x40 mm (zie figuur 1).

Figuur 1

Image

Artikel 4.05

Ten hoogste toegelaten inzinking van schepen waarvan de laadruimen niet altijd spatwater- en regendicht zijn gesloten

Wanneer het vlak van de grootste inzinking voor zone 3 is vastgesteld onder de voorwaarde dat de laadruimen spatwater- en regendicht moeten kunnen worden gesloten en de afstand tussen het vlak van de grootste inzinking en de bovenrand van de dennenboom minder dan 500 mm bedraagt, moet de ten hoogste toegelaten inzinking voor de vaart met open laadruimen worden vastgesteld.

In het communautair binnenvaartcertificaat moet dan worden ingevuld:

„Wanneer de luiken van de laadruimen geheel of gedeeltelijk zijn geopend, mag het schip ten hoogste tot … mm onder de inzinkingsmerken voor zone 3 zijn beladen.”.

Artikel 4.06

Diepgangsschalen

1.   Elk schip waarvan de diepgang meer dan 1 m kan bereiken moet aan het achterschip aan iedere zijde van een diepgangsschaal zijn voorzien; aanvullende diepgangsschalen zijn toegestaan.

2.   Het nulpunt van iedere diepgangsschaal moet loodrecht daaronder liggen in een vlak evenwijdig aan het vlak van de grootste inzinking, dat door het laagste punt van de scheepsromp gaat of van de kiel, wanneer deze aanwezig is. De afstand loodrecht boven het nulpunt moet in decimeters zijn ingedeeld. Deze indeling moet vanaf het vlak voor de waterlijn bij ledig schip tot 100 mm boven het vlak van de grootste inzinking op iedere diepgangsschaal door ingehakte of ingeslagen merken zijn aangebracht. Deze indeling moet voorts in de vorm van goed zichtbare, afwisselend in twee verschillende kleuren geschilderde stroken zijn aangeduid. De indeling moet naast de schaal ten minste bij elke 5 decimeter, alsmede aan het boveneinde, door cijfers zijn aangegeven.

3.   De twee achterste ijkschalen, die met toepassing van het in artikel 4.04, lid 6, genoemde verdrag zijn aangebracht, kunnen als diepgangsschalen dienstdoen, mits zij overeenkomstig bovenstaande voorschriften zijn ingedeeld; in voorkomend geval moeten de cijfers voor de diepgang zijn toegevoegd.

HOOFDSTUK 5

MANOEUVREEREIGENSCHAPPEN

Artikel 5.01

Algemene eisen

Schepen en samenstellen moeten over voldoende vaar- en manoeuvreereigenschappen beschikken.

Schepen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging die bestemd zijn om gesleept te worden, moeten voldoen aan de bijzondere eisen van de commissie van deskundigen.

Schepen met eigen mechanische middelen tot voortbeweging en samenstellen moeten voldoen aan de artikelen 5.02 tot en met 5.10.

Artikel 5.02

Proefvaarten

1.   De vaar- en manoeuvreereigenschappen dienen door proefvaarten te worden aangetoond. Daarbij dient met name te worden vastgesteld of is voldaan aan de eisen van de artikelen 5.06 tot en met 5.10.

2.   De commissie van deskundigen kan geheel of gedeeltelijk afzien van proefvaarten, wanneer op andere wijze wordt aangetoond dat aan de eisen wat betreft vaar- en manoeuvreereigenschappen wordt voldaan.

Artikel 5.03

Proefvaarttraject

1.   De in artikel 5.02 bedoelde proefvaarten dienen in de door de bevoegde autoriteiten aangewezen vakken van binnenwateren te worden uitgevoerd.

2.   Deze proefvaarttrajecten moeten zich bevinden in zo recht mogelijke vakken met een lengte van ten minste 2 km en voldoende breedte in stromend of stil water en moeten zijn voorzien van duidelijk herkenbare markeringen om de positie van het schip vast te kunnen stellen.

3.   De hydrologische gegevens, zoals waterdiepte, vaarwaterbreedte en gemiddelde stroomsnelheid in het vaarwater bij verschillende waterstanden moeten door de commissie van deskundigen kunnen worden vastgesteld.

Artikel 5.04

Beladingstoestand van schepen en samenstellen tijdens de proefvaart

Schepen en samenstellen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen moeten voor de proefvaarten zo mogelijk gelijklastig en ten minste voor 70 % zijn beladen. Wanneer de proefvaart met minder lading wordt uitgevoerd, moet de toelating voor wat betreft de afvaart tot deze belading worden beperkt.

Artikel 5.05

Hulpmiddelen aan boord voor de proefvaart

1.   Bij de proefvaarten mogen geen ankers worden gebruikt, maar wel alle in het communautair certificaat onder de punten 34 en 52 ingevulde inrichtingen die vanuit de stuurstelling te bedienen zijn.

2.   Bij opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 mogen echter de boegankers worden gebruikt.

Artikel 5.06

Snelheid (vooruitvaren)

1.   Schepen en samenstellen moeten een snelheid ten opzichte van het water van ten minste 13 km/u kunnen bereiken. Dit geldt niet voor duwboten indien zij alleen varen.

2.   Voor schepen en samenstellen die slechts op de reden en in de havens varen kan de commissie van deskundigen afwijkingen toestaan.

3.   De commissie van deskundigen gaat na of het vaartuig in onbeladen toestand een snelheid ten opzichte van het water van 40 km/u kan overschrijden. Is dit het geval, dan moet in het communautair binnenvaartcertificaat onder nummer 52 worden vermeld:

„Het vaartuig is in staat een snelheid van 40 km/u ten opzichte van het water te overschrijden.”.

Artikel 5.07

Stopeigenschappen

1.   Schepen en samenstellen moeten tijdig kop vóór kunnen stilhouden en moeten tegelijkertijd voldoende bestuurbaar blijven.

2.   Bij schepen en samenstellen met een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder kunnen deze stopeigenschappen worden vervangen door de keereigenschappen.

3.   De stopeigenschappen dienen door stopmanoeuvres op een der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken en de keereigenschappen door opdraaimanoeuvres als bedoeld in artikel 5.10 te worden aangetoond.

Artikel 5.08

Achteruitvaareigenschappen

Wanneer de in artikel 5.07 genoemde noodzakelijke stopmanoeuvre in stilstaand water wordt uitgevoerd, dient tevens een achteruitvaarproef te worden uitgevoerd.

Artikel 5.09

Uitwijkeigenschappen

Schepen en samenstellen moeten tijdig kunnen uitwijken. De uitwijkeigenschappen dienen te worden aangetoond door uitwijkmanoeuvres op één der in artikel 5.03 bedoelde proefvaartvakken.

Artikel 5.10

Keereigenschappen

Schepen en samenstellen met een lengte van 86 m of minder en een breedte van 22,90 m of minder moeten tijdig kunnen keren.

Deze keereigenschappen kunnen door de in artikel 5.07 bedoelde stopeigenschappen worden vervangen.

De keereigenschappen dienen door opdraaimanoeuvres te worden aangetoond.

HOOFDSTUK 6

STUURINRICHTINGEN

Artikel 6.01

Algemene eisen

1.   Schepen moeten zijn voorzien van een betrouwbaar werkende stuurinrichting waarmee ten minste de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen worden bereikt.

2.   Werktuiglijk aangedreven stuurinrichtingen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat het roer niet onvoorzien van stand kan veranderen.

3.   De gehele stuurinrichting moet voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en omgevingstemperaturen van — 20 °C tot + 50 °C geschikt zijn.

4.   De afzonderlijke onderdelen van de stuurinrichting moeten qua sterkte zodanig zijn geconstrueerd dat alle onder normale omstandigheden daarop inwerkende krachten goed kunnen worden opgenomen. De van buitenaf op het roer inwerkende krachten mogen het functioneren van de stuurmachine en zijn aandrijving niet beïnvloeden.

5.   Stuurinrichtingen moeten een mechanisch aangedreven stuurmachine hebben, wanneer de voor de bediening van het roer te leveren krachten dit vereisen.

6.   Stuurmachines met een mechanische aandrijving moeten een beveiliging tegen overbelasting hebben die het door de aandrijving uitgeoefende koppel begrenst.

7.   Asdoorvoeringen van roerkoningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.

Artikel 6.02

Aandrijving van de stuurmachine

1.   Bij stuurmachines met mechanische aandrijving moet in geval van uitval of storing van de aandrijving binnen 5 seconden een tweede onafhankelijke aandrijving of een handaandrijving in werking kunnen worden gesteld.

2.   Wanneer het inschakelen van de tweede aandrijving of van de handaandrijving niet automatisch geschiedt, moet de roerganger deze met één enkele handeling onmiddellijk, snel en eenvoudig kunnen inschakelen.

3.   Ook wanneer de tweede aandrijving of de handaandrijving in werking is, moeten de in hoofdstuk 5 bedoelde manoeuvreereigenschappen kunnen worden gerealiseerd.

Artikel 6.03

Hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine

1.   Op de hydraulische aandrijfinstallatie van de stuurmachine mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten. Wanneer twee gescheiden aandrijfinstallaties van de stuurmachine aanwezig zijn, is dit echter voor een van de twee installaties toegestaan, indien de verbruikers op de retourleiding zijn aangesloten en door een afsluitinrichting van de aandrijving van de stuurmachine kunnen worden gescheiden.

2.   Bij twee hydraulische aandrijfinstallaties is voor elke installatie een onafhankelijke hydraulische tank vereist, waarbij tanks met ingebouwd scheidingsschot zijn toegestaan. De hydraulische tanks dienen te zijn uitgerust met een niveaualarm dat waarschuwt als het olieniveau onder het laagste peil daalt waarbij het hydraulische systeem nog veilig kan functioneren.

3.   Wanneer het stuurventiel vanuit de stuurstelling met de hand of handhydraulisch kan worden bediend, kan met één stuurventiel worden volstaan.

4.   De afmetingen, constructie en plaatsing van de pijpleidingen moeten beschadigingen door mechanische invloeden of vuur zoveel mogelijk uitsluiten.

5.   Bij hydraulische aandrijfinstallaties kan voor de tweede installatie van de stuurmachine worden afgezien van een gescheiden pijpleidingsysteem, wanneer een onafhankelijke werking van de twee aandrijfinstallaties is gewaarborgd en het leidingsysteem is berekend op ten minste de 1,5-voudige hoogste toelaatbare werkdruk.

6.   Hydraulische slangen zijn slechts toegestaan wanneer het gebruik daarvan in verband met het verminderen van trillingen of de bewegingsvrijheid van de componenten absoluut noodzakelijk is. Zij moeten ten minste zijn berekend op de hoogst toegelaten werkdruk.

Artikel 6.04

Energiebron

1.   Stuurinrichtingen met twee mechanische aandrijvingen moeten beschikken over twee energiebronnen.

2.   Wanneer de tweede energiebron van een stuurmachine met mechanische aandrijving tijdens de vaart niet continu kan worden gebruikt, moet de voor het starten daarvan benodigde tijd door een buffersysteem van voldoende capaciteit worden overbrugd.

3.   Bij elektrische energiebronnen mogen uit de toevoer van de stuurinrichtingen geen andere verbruikers worden gevoed.

Artikel 6.05

Handaandrijving

1.   Het handstuurwiel mag niet meegedraaid kunnen worden door een mechanische aandrijving.

2.   Terugslag van het stuurwiel moet bij automatisch inschakelen van de handaandrijving bij iedere stand van het roer zijn verhinderd.

Artikel 6.06

Roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties

1.   Indien bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties de afstandsbediening voor de verandering van de richting van de stuwkracht elektrisch, hydraulisch of pneumatisch is, dan moeten vanaf de stuurstelling tot de propeller- of straalinstallatie twee van elkaar onafhankelijke besturingssystemen aanwezig zijn die voldoen aan de in de artikelen 6.01 tot en met 6.05 genoemde eisen.

Dit is niet van toepassing indien het gebruik van dergelijke installaties niet noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de manoeuvreereigenschappen bedoeld in hoofdstuk 5, dan wel uitsluitend voor de stopproef.

2.   Indien twee of meer van elkaar onafhankelijke roerpropeller-, waterstraal- of cycloïdaalschroefinstallaties aanwezig zijn, is het tweede besturingssysteem niet vereist indien het schip bij het uitvallen van één van deze installaties manoeuvreerbaar blijft overeenkomstig hoofdstuk 5.

Artikel 6.07

Signalering en controle

1.   De stand van het roer moet bij de stuurstelling duidelijk zichtbaar zijn. Elektrische roerstandaanwijzers moeten een eigen voeding hebben.

2.   De stuurstelling moet van ten minste de volgende instrumenten voor signalering en controle zijn voorzien:

a)

het oliepeil van de hydraulische tanks als bedoeld in artikel 6.03, lid 2, en de werkdruk van het hydraulische systeem;

b)

het uitvallen van de voeding van de elektrische besturingsenergie;

c)

het uitvallen van de voeding van de elektrische energie ten behoeve van de aandrijving;

d)

het uitvallen van de stuurautomaat;

e)

het uitvallen van de voorgeschreven buffersystemen.

Artikel 6.08

Stuurautomaat

1.   Stuurautomaten en de onderdelen daarvan moeten voldoen aan artikel 9.20.

2.   Een groen lampje in de stuurstelling moet aangeven dat de stuurautomaat voor gebruik gereed is.

Uitval, ontoelaatbare afwijkingen van de voedingsspanning en ontoelaatbare daling van de rotatiefrequentie van de gyroscoop moeten worden gecontroleerd.

3.   Wanneer er naast de stuurautomaat nog andere besturingssystemen aanwezig zijn, moet bij de stuurstelling duidelijk te zien zijn welk systeem is ingeschakeld. De omschakeling van het ene systeem naar het andere moet onmiddellijk kunnen geschieden. Storingen van stuurautomaten mogen het betrouwbaar functioneren van de stuurinrichting niet kunnen beïnvloeden.

4.   De voeding van de elektrische energie van de stuurautomaat moet onafhankelijk zijn van andere verbruikers.

5.   De in stuurautomaten gebruikte gyroscopen, sensoren of bochtaanwijzers moeten voldoen aan de minimumeisen van de voorschriften omtrent de minimumeisen en keuringsvoorwaarden voor bochtaanwijzers op de binnenvaart overeenkomstig bijlage IX.

Artikel 6.09

Keuring

1.   De correcte installatie van de stuurinrichting dient door een commissie van deskundigen te worden gekeurd. Daartoe kan de commissie van deskundigen om de volgende bescheiden vragen:

a)

beschrijving van de stuurinrichting;

b)

bouwtekeningen en gegevens over de aandrijvingen van de stuurmachine en de besturing;

c)

gegevens over de stuurmachine;

d)

schakelschema voor de elektrische installatie;

e)

beschrijving van de stuurautomaat;

f)

gebruiksaanwijzing van de installatie.

2.   Bij een proefvaart dient de werking van de stuurinrichting als geheel te worden gekeurd. Bij stuurautomaten dient te worden getest of op veilige wijze een rechte koers wordt gehouden en of op veilige wijze in bochten wordt gevaren.

HOOFDSTUK 7

STUURHUIS

Artikel 7.01

Algemene bepalingen

1.   Stuurhuizen moeten zodanig zijn ingericht dat de roerganger zijn werkzaamheden tijdens de vaart te allen tijde kan verrichten.

2.   Tijdens het normale bedrijf van het schip mag het niveau van de geluidsdruk voortgebracht door het schip bij de stuurstelling ter hoogte van het hoofd van de roerganger niet hoger zijn dan 70 dB(A).

3.   Bij eenmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de roerganger zijn werkzaamheden zittend kunnen verrichten en moeten alle voor het voeren van het schip noodzakelijke signalerings- en controle-instrumenten en de bedieningsapparatuur zodanig zijn gerangschikt dat de roerganger ze tijdens de vaart gemakkelijk kan observeren en bedienen zonder daarbij zijn plaats te hoeven verlaten en zonder het radarbeeld uit het oog te verliezen.

Artikel 7.02

Vrij zicht

1.   Het uitzicht vanaf de stuurstelling moet naar alle zijden voldoende vrij zijn.

2.   De dode hoek voor de boeg van het lege schip met halve voorraden en zonder ballast mag voor de roerganger over een cirkelboog vanaf dwarsscheeps aan de ene zijde over midscheeps voor naar dwarsscheeps aan de andere zijde niet meer zijn dan tweemaal de scheepslengte of 250 m tot het wateroppervlak, al naar gelang welke afstand het kortste is.

Optische en elektronische hulpmiddelen ter verkleining van de dode hoek mogen bij het onderzoek niet in aanmerking worden genomen.

Om de dode hoek nog verder te verkleinen mogen alleen geschikte elektronische hulpmiddelen worden gebruikt.

3.   Het vrije gezichtsveld vanaf de plaats waar de roerganger zich gewoonlijk bevindt, moet ten minste 240° van de horizon bedragen. Daarvan moet een gezichtsveld van ten minste 140° binnen de voorste halve cirkel liggen.

In de normale zichtas van de roerganger mogen zich geen vensterstijlen, steunen of opbouwen bevinden.

Indien, ook in het geval van een vrij gezichtsveld van 240° of meer, geen voldoende vrij uitzicht naar achteren gewaarborgd is, kan de commissie van deskundigen andere maatregelen eisen, zoals de inbouw van geschikte optische of elektronische hulpmiddelen.

De hoogte van de onderrand van de zijvensters moet zo laag mogelijk en de hoogte van de bovenrand van de zij- en achtervensters moet zo hoog mogelijk worden gehouden.

Bij de vaststelling of aan de bepalingen van dit artikel inzake het gezichtsveld vanuit het stuurhuis is voldaan, wordt ervan uitgegaan dat de ooghoogte van de roerganger zich op 1 650 mm boven het dek op de stuurstelling bevindt.

4.   De bovenrand van het boegvenster van het stuurhuis moet voldoende hoog zijn om een persoon op de stuurstelling met een ooghoogte van 1 800 mm een vrij zichtveld naar voren te bieden tot op ten minste 10 graden boven het horizontale vlak op ooghoogte.

5.   Door adequate middelen moet zijn gewaarborgd dat onder alle weersomstandigheden door de voorruiten helder zicht mogelijk is.

6.   In stuurhuizen gebruikte ruiten moeten vervaardigd zijn van veiligheidsglas en een minimale lichtdoorlaatbaarheid van 75 % hebben.

Om lichtweerkaatsing te voorkomen zijn de voorruiten van de brug ontspiegeld of zijn ze zo geplaatst dat weerkaatsingen effectief uitgesloten zijn. Aan deze eis wordt voldaan indien de ruiten schuin ingezet zijn en zij naar voren toe met de bovenkant van het venster een hoek van minimaal 10° en maximaal 25° met de loodlijn maken.

Artikel 7.03

Algemene eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten

1.   De voor het voeren van een schip noodzakelijke bedieningsapparatuur moet gemakkelijk kunnen worden bediend. De stand waarin zij zijn gebracht, moet duidelijk herkenbaar zijn.

2.   Controle-instrumenten moeten gemakkelijk kunnen worden afgelezen; zij moeten traploos regelbaar kunnen worden verlicht. Lichtbronnen mogen niet storen of de zichtbaarheid van de controle-instrumenten hinderen.

3.   Er moet een inrichting voor het controleren van de signaallampjes aanwezig zijn.

4.   Of een inrichting in werking is, moet duidelijk zichtbaar zijn. Wanneer dit door een signaallampje wordt aangegeven, moet dit groen zijn.

5.   Storingen of het uitvallen van inrichtingen waarvan controle verplicht is, dienen door rode signaallampjes te worden aangegeven.

6.   Wanneer één van de rode signaallampjes gaat branden, moet een akoestisch signaal klinken. Voor de verschillende lampjes kan hetzelfde akoestische alarmsignaal worden gegeven. Het geluidsniveau van dit signaal moet ten minste 3 dB(A) meer bedragen dan het maximaal heersende geluidsniveau ter plaatse van de stuurstelling.

7.   Het akoestische signaal moet kunnen worden uitgezet na het constateren van het uitvallen of van de storing. Dit mag geen nadelige invloed hebben op het functioneren van het signaal voor andere storingen. De rode signaallampjes mogen echter pas na het verhelpen van de storing uitgaan.

8.   De signalerings- en controle-instrumenten moeten bij het uitvallen van de voeding automatisch op een andere energiebron worden geschakeld.

Artikel 7.04

Bijzondere eisen voor bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten voor voortstuwingsmotoren en stuurinrichtingen

1.   De bediening en de controle van de voortstuwingsmotoren en van de stuurinrichtingen moet vanaf de stuurstelling mogelijk zijn. Voortstuwingsmotoren die zijn voorzien van een vanaf de stuurstelling bedienbare koppeling, of die een vanaf de stuurstelling bedienbare verstelbare schroef aandrijven, hoeven slechts in de machinekamer aan- en uitgezet te kunnen worden.

2.   De bediening van elke voortstuwingsmotor moet kunnen geschieden door één enkele hefboom. De hefboom moet volgens een cirkelboog in een verticaal vlak dat nagenoeg evenwijdig is aan de lengteas van het schip kunnen worden bewogen. Het verplaatsen van deze hefboom in de richting van het voorschip moet het schip vooruit doen varen, terwijl verplaatsing van de hefboom in de richting van het achterschip het schip achteruit doet varen. Aan weerszijden van de nulstand van de hefboom vindt het koppelen of omkeren plaats. In de nulstand moet de hefboom vanzelf blijven staan.

3.   Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de richting van de door de aandrijving op het schip werkende voortstuwingskracht alsmede het toerental van de schroeven of voortstuwingsmotoren worden aangegeven.

4.   De in de artikelen 6.07, tweede lid, 8.03, tweede lid, en 8.05, dertiende lid, voorgeschreven signalerings- en controle-instrumenten moeten in de stuurstelling zijn aangebracht.

5.   Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moet de besturing van het schip plaats vinden door middel van een hefboom. Deze hefboom moet gemakkelijk met de hand bediend kunnen worden. De hoek van de hefboom moet overeenkomen met de stand van de roerbladen ten opzichte van de lengteas van het schip. De hefboom moet in onverschillig welke positie kunnen worden losgelaten, zonder dat dan de stand van de roerbladen verandert. De nulstand van de hefboom moet duidelijk voelbaar zijn.

6.   Wanneer het schip is voorzien van koproeren of bijzondere roeren (bijv. voor achteruitvaren), moeten deze bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar kunnen worden bediend door speciale hefbomen, die aan de in het vijfde lid genoemde toepasselijke eisen voldoen.

Dit geldt ook wanneer bij samenstellen de roerinstallaties van andere vaartuigen dan het voor het voeren van het samenstel gebruikte vaartuig worden gebruikt.

7.   Bij het gebruik van stuurautomaten moet het bedieningsorgaan voor het instellen van de draaisnelheid in elke willekeurige positie kunnen worden losgelaten zonder dat daardoor de ingestelde draaisnelheid verandert.

Het bedieningsorgaan moet een zodanige zwenkhoek hebben dat voldoende nauwkeurigheid van de instelling is gewaarborgd. De nulstand moet voelbaar van andere standen zijn te onderscheiden. De schaalverdeling moet traploos regelbaar kunnen worden verlicht.

8.   Inrichtingen voor afstandsbediening van de gehele stuurinrichting moeten vast ingebouwd zijn en zodanig zijn geïnstalleerd dat de gekozen vaarrichting duidelijk zichtbaar is. Wanneer zij uitgeschakeld kunnen worden, moeten zij voorzien zijn van een aanwijzer die aangeeft of de inrichting „aan” of „uit” is. De opstelling en bediening van de verschillende onderdelen van deze inrichtingen moeten overeenkomen met de functie daarvan.

Voor aanvullende installaties van de stuurinrichting, zoals boegschroefinstallaties, zijn niet vast ingebouwde afstandsbedieningen toegestaan wanneer door een prioriteitsschakeling in het stuurhuis de bediening van de aanvullende installatie te allen tijde kan worden overgenomen.

9.   Bij roerpropeller-, waterstraal-, cycloïdaalschroef- en boegschroefinstallaties zijn gelijkwaardige bedieningsapparatuur en signalerings- en controle-instrumenten toegestaan.

Voor deze installaties zijn het eerste tot en met achtste lid met inachtneming van de bijzondere kenmerken en de gekozen opstelling van de genoemde actieve stuurinrichtingen en de voorstuwingsinrichtingen van overeenkomstige toepassing. Voor alle installaties moet overeenkomstig hun stand kunnen worden afgelezen ofwel de richting van de op het schip werkende voortstuwing, ofwel de richting van de straal.

Artikel 7.05

Navigatielichten, lichtseinen en geluidsseinen

1.   In dit artikel wordt verstaan onder:

a)

„navigatielichten”: toplichten, boordlichten, heklichten, rondom schijnende lichten, blauwe flikkerlichten, gele felle snelle flikkerlichten voor snelle schepen en blauwe lichten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen;

b)

„lichtseinen”: de bij de geluidsseinen en het blauwe bord behorende lichten.

2.   Voorzover de controle van de navigatielichten niet rechtstreeks vanuit het stuurhuis mogelijk is, moeten ter controle van deze lichten in het stuurhuis stroomaanwijslampen of gelijkwaardige inrichtingen, zoals controlelampjes, zijn aangebracht.

3.   Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar moeten ter controle van de navigatielichten en de lichtseinen controlelampen in de stuurstelling zijn ingebouwd. De schakelaars van de navigatielichten moeten in of vlakbij de daarbij behorende controlelampen zijn aangebracht en daar duidelijk bij behoren.

De groepering en de kleur van de controlelampen van de navigatielichten en de lichtseinen moeten overeenkomen met de werkelijke opstelling en de kleur van de ingeschakelde navigatielichten en de lichtseinen.

Het niet-functioneren van een navigatielicht of lichtsein moet het uitgaan van de overeenkomstige controlelamp tot gevolg hebben dan wel op andere wijze door de betreffende controlelamp worden aangegeven.

4.   Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar dient de bediening van de geluidsseinen met de voet te kunnen geschieden. Dit geldt niet voor het in de scheepvaartpolitiereglementen van de lidstaten bedoelde „blijf weg-sein”.

5.   Navigatielichten moeten voldoen aan de eisen van bijlage IX, deel I.

Artikel 7.06

Radarinstallatie en bochtaanwijzer

1.   De radarinstallatie en de bochtaanwijzer moeten overeenkomen met een door de bevoegde autoriteit toegelaten type. Aan de voorschriften omtrent de inbouw en de controle van het functioneren van radarinstallaties en bochtaanwijzers van bijlage VIII moet zijn voldaan. Inland ECDIS apparaten die in de navigatiemodus kunnen worden gebruikt, worden beschouwd als radarinstallaties. Zij moeten tevens voldoen aan de eisen van de Inland ECDIS standaard.

De bochtaanwijzer moet vóór de roerganger in diens gezichtsveld zijn geplaatst.

2.   Bij éénmansstuurstellingen voor het varen op radar:

a)

mag het radarscherm in normale stand niet wezenlijk buiten de blikrichting van de roerganger vallen;

b)

moet het radarbeeld zonder kap of scherm, ongeacht de buiten het stuurhuis heersende lichtomstandigheden, duidelijk zichtbaar zijn;

c)

moet de bochtaanwijzer direct boven of onder het radarbeeld zijn geplaatst of hierin zijn geïntegreerd.

Artikel 7.07

Marifooninstallatie voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar

1.   Op schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet voor het schip-schipverkeer en de nautische informatie het ontvangen door een luidspreker en het zenden door een vast opgestelde microfoon geschieden. Het overschakelen van „ontvangen” naar „zenden” moet door middel van drukknoppen geschieden.

In geen geval mag de microfoon van dit verkeer voor verbindingen van het openbaar verkeer kunnen worden gebruikt.

2.   Wanneer een schip met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar is uitgerust met een marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, moet de ontvangst daarvan vanaf de zitplaats van de roerganger mogelijk zijn.

Artikel 7.08

Interne spreekverbinding aan boord

Aan boord van schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar moet een interne spreekverbinding aanwezig zijn.

Vanaf de stuurstelling moeten de volgende spreekverbindingen tot stand kunnen worden gebracht:

a)

met het voorschip van het schip of het voorste gedeelte van het samenstel;

b)

met het achterschip van het schip of het achterste gedeelte van het samenstel, indien geen directe communicatie daarmee vanaf de stuurstelling mogelijk is;

c)

met het verblijf of de verblijven van de bemanning;

d)

met de hut van de schipper.

Op alle punten van deze spreekverbinding dient het luisteren door luidsprekers en het spreken door vast opgestelde microfoons te kunnen geschieden. Met het voorschip en het achterschip van het schip of van het samenstel is een marifoonverbinding toegestaan.

Artikel 7.09

Alarminstallatie

1.   Er moet een onafhankelijke alarminstallatie aanwezig zijn, waarmee de verblijven, de machinekamers en eventueel aparte pompkamers kunnen worden bereikt.

2.   De roerganger moet een schakelaar „AAN/UIT” voor de bediening van het alarmsein binnen zijn bereik hebben. Voor dit sein mag geen schakelaar worden gebruikt die, wanneer men hem loslaat, automatisch in de stand „UIT” kan terugspringen.

3.   Het geluidsniveau van het alarmsignaal moet in de verblijven ten minste 75 dB(A) bedragen.

In de machine- en pompkamers moet een overal goed waarneembaar, rondom zichtbaar knipperlicht als alarmsignaal aanwezig zijn.

Artikel 7.10

Verwarming en ventilatie

Stuurhuizen moeten zijn voorzien van een doeltreffende en regelbare verwarming en ventilatie.

Artikel 7.11

Installatie voor het bedienen van hekankers

Op schepen en samenstellen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar waarvan de lengte L meer dan 86 m of de breedte B meer dan 22,90 m bedraagt, moet de roerganger de hekankers vanaf zijn plaats kunnen presenteren.

Artikel 7.12

In de hoogte verstelbare stuurhuizen

In de hoogte verstelbare stuurhuizen moeten zijn voorzien van een noodinrichting waarmee deze kunnen worden neergelaten.

Telkens wanneer het stuurhuis in een lagere stand wordt gezet, moet automatisch een akoestisch waarschuwingssignaal duidelijk waarneembaar zijn. Dit geldt niet wanneer door adequate bouwkundige maatregelen geen gevaar bestaat voor verwondingen ten gevolge van de verstelling van de hoogte.

In alle hoogtestanden moet het mogelijk zijn het stuurhuis zonder gevaar te verlaten.

Artikel 7.13

Aantekening in het communautair binnenvaartcertificaat voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar

Wanneer een schip voldoet aan de in de artikelen 7.01, 7.04 tot en met 7.08 en 7.11 bedoelde voorschriften voor schepen met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, moet in het communautair binnenvaartcertificaat worden aangetekend:

„Goedgekeurd voor het voeren van het schip met behulp van radar door één persoon”.

HOOFDSTUK 8

WERKTUIGBOUWKUNDIGE EISEN

Artikel 8.01

Algemene bepalingen

1.   Werktuigen alsmede de bijbehorende installaties moeten volgens de regels van de techniek zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd.

2.   Installaties die controle vereisen zoals stoomketels, andere drukvaten, alsmede hun toebehoren en liften moeten voldoen aan de voorschriften van één van de lidstaten van de Gemeenschap.

3.   Er mogen alleen verbrandingsmotoren worden geïnstalleerd die brandstoffen gebruiken met een vlampunt boven 55 °C.

Artikel 8.02

Veiligheid

1.   Machine-installaties moeten zo zijn ingericht en opgesteld, dat zij voor bediening en onderhoud voldoende toegankelijk zijn en personen die ze moeten bedienen of onderhouden niet in gevaar kunnen worden gebracht. Zij moeten kunnen worden beveiligd tegen onopzettelijke inbedrijfstelling.

2.   Aan de hoofd- en hulpmotoren alsmede de stoomketels en drukvaten moeten beschermende inrichtingen zijn aangebracht; hetzelfde geldt voor hun toebehoren.

3.   Aandrijvingen voor de pers- en zuigventilatoren moeten in geval van nood ook buiten de ruimte waar zij zich bevinden en buiten de machinekamer uitgeschakeld kunnen worden.

4.   Waar dat vereist is, moeten verbindingen van leidingen voor brandstof, smeerolie en olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen worden gebruikt, worden afgeschermd of op een andere passende wijze worden beschermd om te voorkomen dat olie wordt gesproeid of gelekt op hete oppervlaktes, in de luchtaanzuiging van machines of op andere ontstekingsbronnen. Het aantal verbindingen in deze leidingsystemen moet tot een minimum worden beperkt.

5.   Vrij liggende hogedrukleidingen voor brandstof voor dieselmotoren tussen de hogedrukbrandstofpompen en de inspuitinrichtingen moeten worden beschermd door een mantel die de vrijkomende brandstof bij een lekkage van de hogedrukleiding opvangt. De mantel moet door een opvangsysteem voor lekkage worden aangevuld, en er moeten inrichtingen zijn die in geval van beschadiging van de brandstofleiding een alarmsignaal geven; voor machines met ten hoogste twee cylinders is een dergelijk alarmsysteem niet vereist. Bij machines voor ankerlieren en windassen op open dekken zijn dergelijke mantels niet vereist.

6.   Isolaties van machineonderdelen moeten in overeenstemming zijn met artikel 3.04, derde lid, tweede zin.

Artikel 8.03

Voortstuwingsinstallaties

1.   De aandrijving van een schip moet op betrouwbare en snelle wijze aangezet, gestopt en van vooruit op achteruit of andersom gezet kunnen worden.

2.   Het peil van

a)

de temperatuur van het koelwater van de voortstuwingsmotoren;

b)

de druk van de smeerolie van de voortstuwingsmotoren en de transmissie;

c)

de olie- en luchtdruk van de omkeerinrichting van de voortstuwingsmotoren, de keerkoppeling of de schroeven; moet worden aangegeven door daartoe geschikte inrichtingen, die bij het bereiken van kritieke waarden een alarmsignaal in werking stellen.

3.   Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag, behalve ingeval van overtoeren, de motor niet automatisch worden stopgezet.

4.   Bij schepen met slechts één voortstuwingsmotor mag deze slechts zijn uitgerust met een inrichting voor automatische reductie van het toerental indien een automatische reductie van het toerental in het stuurhuis optisch en akoestisch wordt aangegeven en de inrichting voor reductie van het toerental vanaf de stuurstand kan worden uitgeschakeld.

5.   Doorvoeringen van assen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat geen waterverontreinigende smeermiddelen naar buiten kunnen treden.

Artikel 8.04

Uitlaatgassenleidingen van verbrandingsmotoren

1.   Uitlaatgassen moeten volledig naar buitenboord worden afgevoerd.

2.   Het binnendringen van uitlaatgassen in de verschillende ruimten van het schip moet door doelmatige maatregelen zijn verhinderd. Uitlaatgassenleidingen die door verblijven of het stuurhuis gaan, moeten in die ruimten zijn voorzien van een gasdichte mantel. De ruimte tussen de uitlaatgassenleiding en de mantel moet in verbinding staan met de openlucht.

3.   Uitlaatgassenleidingen moeten zodanig zijn aangelegd en beschermd dat zij geen brand kunnen veroorzaken.

4.   In de machinekamer moeten uitlaatgassenleidingen voldoende geïsoleerd of gekoeld zijn. Buiten de machinekamer kan een beveiliging tegen aanraken voldoende zijn.

Artikel 8.05

Brandstoftanks, -leidingen en toebehoren

1.   Vloeibare brandstoffen moeten zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks van hulpaggregaten met een inhoud van maximaal 12 l, die van fabriekswege hecht met deze zijn verbonden. Brandstoftanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.

2.   Deze tanks, alsmede brandstofleidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen brandstof of brandstofdampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden. Afsluitinrichtingen op brandstoftanks die dienen voor het ontnemen van brandstof of voor de afwatering, moeten zelfsluitend zijn.

3.   Voor het aanvaringsschot mag zich geen brandstoftank bevinden.

4.   Brandstoftanks en hun appendages mogen niet zijn geplaatst boven motoren of uitlaatgassenleidingen.

5.   De vulopeningen van brandstoftanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.

6.   De vulleidingen van brandstoftanks moeten aan dek uitmonden, met uitzondering van die der dagtanks. De vulleidingen moeten voorzien zijn van een aansluitkoppeling volgens de Europese norm EN 12 827:1999.

Deze tanks moeten zijn voorzien van een ontluchtingsleiding die bovendeks in de openlucht uitmondt en zo is ingericht dat geen water kan binnendringen. De doorsnede van deze ontluchtingsleiding moet ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.

Indien tanks voor vloeibare brandstoffen met elkaar in verbinding staan, moet de doorsnede van de verbindingsleiding ten minste 1,25 maal zo groot zijn als de doorsnede van de vulleiding.

7.   De uitgaande leidingen voor vloeibare brandstoffen moeten onmiddellijk bij de tanks zijn voorzien van een afsluitinrichting die van het dek af kan worden bediend.

Dit geldt niet voor brandstoftanks die rechtstreeks aan de motor zijn aangebouwd.

8.   Brandstofleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. Brandstofleidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.

9.   Brandstoftanks moeten zijn voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moet zijn voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen.

10.

a)

Brandstoftanks moeten door geschikte technische inrichtingen aan boord, die in het communautair binnenvaartcertificaat onder nummer 52 moeten worden vermeld, zijn beveiligd tegen het uitstromen van brandstof tijdens het bunkeren.

b)

Wanneer brandstof wordt ingenomen van bunkerstations die door hun eigen technische inrichtingen tegen het uitstromen van brandstof aan boord tijdens het bunkeren beveiligd zijn, is het uitrustingsvoorschrift bedoeld in onderdeel a) en in het elfde lid niet van toepassing.

11.   Indien brandstoftanks zijn uitgerust met een automatische uitschakelinrichting, moeten de meetelementen bij een tankvulstand van 97 % het bunkeren onderbreken; deze inrichtingen moeten voldoen aan de maatstaf „failsafe”.

Indien het meetelement een elektrisch contact in werking stelt, dat in de vorm van een binair signaal de van het bunkerstation afkomstige en gevoede stroomkring kan onderbreken, moet het signaal naar het bunkerstation kunnen worden overgebracht via een waterdichte apparatenstekker van een koppelingsinrichting volgens de internationale norm IEC 60309-1: 1999 voor gelijkstroom van 40 tot en met 50 V, kleur wit, geleidingsnok 10 uur.

12.   Tanks voor brandstoffen moeten zijn voorzien van lekdichte afsluitbare openingen voor reiniging en inspectie.

13.   Brandstoftanks die onmiddellijk aan de voortstuwingsmotoren en aan de voor de vaart noodzakelijke andere motoren zijn aangesloten, moeten zijn voorzien van een inrichting waardoor zowel optisch als akoestisch in het stuurhuis wordt aangegeven dat de hoeveelheid brandstof in de tank niet meer voldoende is voor een veilige voortzetting van de vaart.

Artikel 8.06

Smeerolieopslag, -leidingen en toebehoren

1.   Smeerolie moet zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks met een inhoud tot 25 l. Smeerolietanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.

2.   Deze tanks, alsmede de bijbehorende leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen smeerolie of smeeroliedampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden.

3.   Voor het aanvaringsschot mag zich geen smeerolietank bevinden.

4.   Smeerolietanks en hun appendages mogen niet onmiddellijk boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn geplaatst.

5.   De vulopeningen van smeerolietanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.

6.   Smeerolieleidingen, hun verbindingen, afdichtingen en appendages moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.

7.   Smeerolietanks moeten zijn voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moet zijn voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen.

Artikel 8.07

Opslag van olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, alsmede leidingen en toebehoren

1.   Olie die in krachtoverbrengingssystemen, schakel-, aandrijf- en verwarmingssystemen wordt gebruikt, moet zijn opgeslagen in tot de scheepsromp behorende of vast in het schip bevestigde tanks van staal of, wanneer dit wegens de constructie van het schip nodig is, van een met het oog op brandveiligheid gelijkwaardig materiaal. Dit geldt niet voor tanks met een inhoud tot 25 l. Dergelijke olietanks mogen geen begrenzingsvlakken gemeen hebben met drinkwaterreservoirs.

2.   Deze olietanks, alsmede de bijbehorende leidingen en verdere toebehoren, moeten zodanig zijn uitgevoerd en ingericht dat zich geen olie of oliedampen onopzettelijk in het inwendige van het schip kunnen verspreiden.

3.   Een dergelijke olietank mag zich niet voor het aanvaringsschot bevinden.

4.   Deze olietanks en hun appendages mogen niet onmiddellijk boven motoren of uitlaatgassenleidingen zijn geplaatst.

5.   De vulopeningen van deze olietanks moeten duidelijk zijn gekenmerkt.

6.   De leidingen voor deze olie, alsmede hun verbindingen, afdichtingen en appendages, moeten zijn vervaardigd uit materiaal dat bestand is tegen de te verwachten mechanische, chemische en thermische belasting. De leidingen mogen niet onderhevig zijn aan schadelijke invloeden van warmte en moeten over hun volle lengte gecontroleerd kunnen worden.

7.   Deze olietanks moeten zijn voorzien van een passende peilinrichting. De peilinrichtingen moeten tot aan de hoogste vulstand afleesbaar zijn. De peilglazen moeten tegen beschadigingen zijn beschermd, aan de onderkant zijn voorzien van zelfsluitende afsluitinrichtingen en het boveneinde moet weer naar de tank zijn gevoerd, boven de hoogste vulstand. Het materiaal van de peilglazen moet bij normale omgevingstemperaturen niet vervormen. Peilkokers mogen niet op verblijven uitgeven. Peilkokers die op een machinekamer of ketelruim uitgeven, moeten zijn voorzien van passende zelfsluitende afsluitingen.

Artikel 8.08

Lensinrichting

1.   Iedere waterdichte afdeling moet afzonderlijk kunnen worden gelensd. Dit geldt niet voor waterdichte afdelingen die tijdens de vaart gewoonlijk luchtdicht zijn afgesloten.

2.   Op schepen waarvoor een bemanning is voorgeschreven, moeten twee onafhankelijk van elkaar werkende lenspompen aanwezig zijn die niet in dezelfde ruimte mogen staan en waarvan er ten minste één door een motor wordt aangedreven. Indien deze schepen echter een motorvermogen hebben van minder dan 225 kW of een laadvermogen van minder dan 350 t, dan wel in geval van schepen die niet bestemd zijn voor het vervoer van goederen, een waterverplaatsing van minder dan 250 m3, is een hand- of motorlenspomp voldoende.

Elk der voorgeschreven pompen moet voor elke waterdichte afdeling te gebruiken zijn.

3.   De minimale capaciteit Q1 van de eerste lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:

 

Q1 = 0,1 · d1 2 [l/min]

d1 moet worden berekend volgens de volgende formule:

Formula

De minimale capaciteit Q2 van de tweede lenspomp moet worden berekend volgens de volgende formule:

 

Q2 = 0,1 · d2 2 [l/min]

d2 moet worden berekend volgens de volgende formule:

Formula

De afmeting d2 hoeft echter niet groter te zijn dan de afmeting d1.

Bij het berekenen van Q2 heeft l betrekking op de langste waterdichte afdeling.

Daarbij betekent:

l

:

de lengte van de desbetreffende waterdichte afdeling in [m];

d1

:

de rekenkundige inwendige diameter van de hoofdlensleiding in [mm];

d2

:

de rekenkundige inwendige diameter van de aftakking van de lensleiding in [mm].

4.   Indien de lenspompen zijn aangesloten op een lenssysteem, moet de inwendige diameter van de lensleidingen ten minste afmeting d1 hebben, in mm, en de inwendige diameter van de aftakkingen ten minste afmeting d2, in mm.

Voor schepen met een lengte L van minder dan 25 m mogen de afmetingen d1 en d2 worden verminderd tot 35 mm.

5.   Er zijn slechts zelfaanzuigende lenspompen toegestaan.

6.   In iedere lensbare afdeling met een vlakke bodem en een breedte van meer dan 5 m moet zich aan stuurboord en aan bakboord ten minste één lenskorf bevinden.

7.   De achterpiek mag door middel van een gemakkelijk toegankelijke, zelfsluitende aftapinrichting, die naar de machinekamer loopt, gelensd kunnen worden.

8.   De aftakkingen van de leidingen van afzonderlijke afdelingen moeten door een vastzetbare terugslagklep aan de hoofdlensleiding zijn aangesloten.

Afdelingen of andere ruimten die als ballastruimten dienen, behoeven slechts via een afsluiter op het lenssysteem te zijn aangesloten. Dit geldt niet voor laadruimen die zijn ingericht voor het opnemen van ballast. Het vullen van dergelijke laadruimen met ballastwater moet door een van de lensleiding gescheiden, vast geïnstalleerde ballastleiding of door aftakkingen geschieden, die als flexibele leidingen of door middel van beweegbare tussenstukken met de hoofdlensleiding kunnen worden verbonden. Bodemkleppen zijn hiervoor niet toegestaan.

9.   Vullingen van laadruimen moeten zijn voorzien van peilmogelijkheden.

10.   Indien een lensinrichting is uitgevoerd met vast aangebrachte leidingen, moeten de lensleidingen van de bilgen die voor het verzamelen van oliehoudend water zijn bestemd, zijn voorzien van door een commissie van deskundigen in gesloten stand verzegelde afsluiters. Het aantal en de plaats van deze afsluiters moeten worden vermeld in het communautair binnenvaartcertificaat.

11.   Het afgesloten zijn moet worden beschouwd als gelijkwaardig aan een verzegeling als bedoeld in lid 10. De sleutel of sleutels van de sloten van de afsluitinrichtingen moeten overeenkomstig gekenmerkt op een gemakkelijk toegankelijke en aangeduide plaats in de machinekamer worden bewaard.

Artikel 8.09

Inrichtingen voor het verzamelen van oliehoudend water en afgewerkte olie

1.   Het tijdens het bedrijf van een schip vrijkomende oliehoudende water moet aan boord kunnen worden verzameld. In dit verband wordt de machinekamer-bilge aangemerkt als verzamelruimte.

2.   Voor het verzamelen van afgewerkte olie moeten in de machinekamer(s) één of meer speciaal daarvoor bestemde reservoirs zijn aangebracht die ten minste 1,5 keer de hoeveelheid afgewerkte olie uit de carters van alle ingebouwde verbrandingsmotoren en tandwielkasten, alsmede de hoeveelheid hydraulische olie afkomstig uit de hydraulische olietanks, kunnen bevatten.

Aansluitingen voor het legen van deze reservoirs moeten voldoen aan de Europese norm EN 1305:1996.

3.   Voor schepen die slechts worden ingezet op korte trajecten kan de commissie van deskundigen ontheffing verlenen van het tweede lid.

Artikel 8.10

Door schepen voortgebracht geluid

1.   Het door een varend schip voortgebrachte geluid, in het bijzonder de door het aanzuigen van lucht en door de uitlaat van de motoren veroorzaakte geluiden, moet met daartoe geschikte middelen worden gedempt.

2.   Het door een varend schip voortgebrachte geluid mag op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 75 dB(A).

3.   Bij stilliggende schepen mag het geluid, behalve tijdens het laden en lossen, op 25 m afstand zijdelings van de scheepswand niet meer bedragen dan 65 dB(A).

HOOFDSTUK 8a

(Zonder inhoud)

HOOFDSTUK 9

ELEKTRISCHE INSTALLATIES

Artikel 9.01

Algemene bepalingen

1.   Indien voor bepaalde onderdelen van een installatie bijzondere voorschriften ontbreken, wordt de veiligheidsgraad als voldoende beschouwd wanneer die onderdelen zijn vervaardigd volgens een geldende Europese norm of volgens de voorschriften van een erkend classificatiebureau.

De benodigde bescheiden moeten worden voorgelegd aan de commissie van deskundigen.

2.   Aan boord moeten de volgende, door de commissie van deskundigen gewaarmerkte, bescheiden aanwezig zijn:

a)

overzichtschema's van de gehele elektrische installatie;

b)

schema's van het hoofdschakelbord, het noodschakelbord en de verdeelkasten waarop de belangrijkste technische gegevens zoals de nominale stroomsterkte van zekeringen en schakelapparatuur zijn aangegeven;

c)

gegevens betreffende de vermogens van elektrische apparaten;

d)

soort en doorsnede van de kabels.

In geval van onbemande vaartuigen hoeven deze bescheiden zich niet aan boord te bevinden doch moeten zij te allen tijde bij de eigenaar beschikbaar zijn.

3.   De installaties moeten voor een permanente slagzij van het schip tot 15° en een omgevingstemperatuur, bij plaatsing binnen in het schip, van 0 °C tot + 40 °C en, bij plaatsing aan dek, van — 20 °C tot + 40 °C zijn uitgevoerd en moeten tot deze grenzen onberispelijk functioneren.

4.   Elektrische en elektronische installaties en apparaten moeten goed toegankelijk en onderhoudsvriendelijk zijn.

Artikel 9.02

Systemen voor de energieverzorging

1.   Aan boord van vaartuigen die zijn voorzien van een elektrische installatie moeten ten behoeve van de energievoorziening in principe twee energiebronnen aanwezig zijn, zodat bij het uitvallen van één energiebron de resterende energiebron in staat is om de verbruikers die voor de veilige vaart noodzakelijk zijn gedurende ten minste 30 minuten te voeden.

2.   De toereikendheid van de energievoorziening moet worden aangetoond aan de hand van een vermogensbalans. Hierbij kan een passende gelijktijdigheidsfactor in aanmerking worden genomen.

3.   Onverminderd het eerste lid is voor de energiebron van stuurinrichtingen (roerinstallaties) artikel 6.04 van kracht.

Artikel 9.03

Bescherming tegen aanraking, binnendringen van vreemde voorwerpen en water

De minimum beschermingsgraad van de permanent geïnstalleerde delen van de installaties moet in overeenstemming zijn met de plaats van opstelling, zoals aangegeven in de onderstaande tabel:

Plaats van opstelling

Minimum beschermingsgraad

(volgens IEC-publ.60529: 1992)

Generatoren

Motoren

Transfor-matoren

Schakelborden,

verdeelkasten en

schakelapparatuur

Installatie-materiaal

Verlichting

Dienstruimten, machinekamers, stuurmachinekamers

IP 22

IP 22

IP 22 (2)

IP 22 (1)  (2)

IP 44

IP 22

Laadruimen

 

 

 

 

IP 55

IP 55

Ruimten voor accumulatoren en verven

 

 

 

 

 

IP 44

en (Ex) (3)

Open dek, open stuurstellingen

 

IP 55

 

IP 55

IP 55

IP 55

Gesloten stuurhuis

 

IP 22

IP 22

IP 22

IP 22

IP 22

Verblijven, behalve sanitaire en vochtige ruimten

 

 

 

IP 22

IP 20

IP 20

Sanitaire en vochtige ruimten

 

IP 44

IP 44

IP 44

IP 55

IP 44

Artikel 9.04

Bescherming tegen explosie

In ruimten waarin zich explosieve gassen of gasmengsels kunnen ophopen, zoals accumulatorenruimten en ruimten voor opslag van licht ontvlambare stoffen, zijn slechts erkend veilige elektrische inrichtingen (voldoende veilig voor gebruik in een gegeven explosiegevaarlijke omgeving) toegestaan. In deze ruimten mogen geen schakelaars voor verlichting en voor andere elektrische apparaten zijn geïnstalleerd. De beschermingsgraad tegen explosies moet zijn afgestemd op de eigenschappen met betrekking tot explosiegevaar van de voorkomende explosieve gassen en gasmengsels (explosiegroep, temperatuurklasse).

Artikel 9.05

Aarding

1.   Voor installaties met spanningen boven 50 V is aarden noodzakelijk.

2.   De bij normaal bedrijf niet onder spanning staande metalen delen die voor aanraking toegankelijk zijn, zoals fundaties en omhulsels van machines, apparaten en verlichting, moeten afzonderlijk zijn geaard, voorzover zij niet door hun bevestiging elektrisch geleidend met de scheepsromp zijn verbonden.

3.   De omhulsels van verplaatsbare en draagbare apparaten moeten door middel van een extra ader die bij normaal bedrijf geen stroom voert en die in de voedingskabel is opgenomen, zijn geaard.

Dit geldt niet bij het gebruik van een beschermingstransformator en voor apparaten waarvan de omhulsels bestaan uit isolatiemateriaal (dubbel geïsoleerd).

4.   De doorsnede van de aardleiding moet ten minste gelijk zijn aan de waarde zoals aangegeven in de onderstaande tabel:

Doorsnede van de stroomgeleider

[mm2]

Minimum doorsnede van de aardleiding

In geïsoleerde kabels

[mm2]

Separate kabels

[mm2]

0,5 t/m 4

gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider

4

> 4 t/m 16

gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider

gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider

> 16 t/m 35

16

16

> 35 t/m 120

gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider

gelijk aan de doorsnede van de stroomgeleider

> 120

70

70

Artikel 9.06

Ten hoogste toegelaten spanningen

1.   Spanningen mogen de volgende waarden niet overschrijden:

Soort van de installatie

Ten hoogste toegestane spanning bij

Gelijkstroom

Wisselstroom

Draaistroom

a)

Kracht- en verwarmingsinstallaties met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik

250 V

250 V

500 V

b)

Installaties voor verlichting, communicatie en signalering met inbegrip van de wandcontactdozen voor algemeen gebruik

250 V

250 V

c)

Wandcontactdozen voor de voeding van apparaten die bij het gebruik in de hand worden gehouden en die op het open dek of in nauwe of vochtige ruimten, met uitzondering van ketels of tanks, worden gebruikt:

 

 

 

1.

Algemeen

50 V (4)

50 V (4)

2.

Met een beschermingstransformator die slechts één apparaat voedt

250 V (5)

3.

Bij gebruik van apparaten die dubbel geïsoleerd zijn uitgevoerd

250 V

250 V

4.

Bij gebruik van aardlekschakelaars ≤ 30 mA

250 V

500 V

d)

Verplaatsbare verbruikers zoals elektrische installaties van containers, aangehan