Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006D1718

Besluit nr. 1718/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2006 betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)

OJ L 327, 24.11.2006, p. 12–29 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 054 P. 266 - 283
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 054 P. 266 - 283
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 055 P. 127 - 144

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2013; opgeheven door 32013R1295

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2006/1718/oj

24.11.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 327/12


BESLUIT Nr. 1718/2006/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 november 2006

betreffende de uitvoering van een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector (MEDIA 2007)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 150, lid 4, en artikel 157, lid 3,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij de totstandkoming van Europees burgerschap is een zeer belangrijke rol weggelegd voor de Europese audiovisuele sector. Voor de Europeanen, en met name voor jongeren, is de audiovisuele sector vandaag de dag namelijk een van de voornaamste instrumenten voor de overdracht van de gemeenschappelijke en gedeelde fundamentele, sociale en culturele waarden van de Unie. Communautaire steun moet de audiovisuele sector in staat stellen de interculturele dialoog te bevorderen, de wederzijdse bewustwording tussen de verschillende Europese culturen te vergroten en het politieke, culturele, sociale en economische potentieel ervan te verbeteren, daar dit bijdraagt aan de totstandkoming van een Europees burgerschap. Doel is het concurrentievermogen van de sector te versterken en met name het marktaandeel van niet-nationale Europese werken in Europa te vergroten.

(2)

Voorts moet actief burgerschap worden bevorderd en moet meer worden ondernomen om de eerbiediging van het beginsel van waardigheid van de menselijke persoon, de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen, en de bestrijding van alle vormen van discriminatie en uitsluiting, waaronder racisme en vreemdelingenhaat, te waarborgen.

(3)

Alle in het kader van dit programma goedgekeurde acties moeten verenigbaar zijn met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name met artikel 11 daarvan inzake de vrijheid van meningsuiting en de pluriformiteit van de media.

(4)

Krachtens artikel 22 van het Handvest eerbiedigt de Unie de verscheidenheid van cultuur en taal. Derhalve moet aandacht worden besteed aan de bijzondere behoeften van de kleinere lidstaten en aan die van de landen met meerdere taalgebieden.

(5)

De communautaire steun aan de audiovisuele sector stoelt op artikel 151 van het Verdrag.

(6)

De communautaire steun aan de audiovisuele sector sluit ook aan bij de nieuwe strategische doelstelling voor de Unie die door de Europese Raad van Lissabon van 23 en 24 maart 2000 is vastgesteld, namelijk de bevordering van opleiding, werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhang in een kenniseconomie. In zijn conclusies stelde de Europese Raad vast: „De inhoudsindustrie schept een meerwaarde door de Europese culturele diversiteit te exploiteren en via netwerken te verspreiden”. Deze benadering is bevestigd in de conclusies van de Europese Raad van Brussel van 20 en 21 maart 2003.

(7)

De communautaire steun aan de audiovisuele sector is gebaseerd op de uitgebreide ervaring die is opgedaan met de programma's MEDIA I, MEDIA II, MEDIA Plus en MEDIA-Opleiding (4), die sinds 1991 hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de Europese audiovisuele sector, zoals duidelijk aan het licht is gekomen bij de evaluatie van de bovengenoemde programma's.

(8)

Uit de evaluatie bleek dat de communautaire maatregelen vooral op de volgende fasen moeten worden geconcentreerd:

de fasen voorafgaand aan de audiovisuele productie, namelijk de ontwikkeling van Europese audiovisuele werken, en de verwerving en verbetering van vaardigheden op audiovisueel gebied; dit laatste moet worden beschouwd als een noodzakelijk onderdeel van de preproductie van audiovisuele werken;

de fasen na afloop van de audiovisuele productie, namelijk de distributie, de bioscoopexploitatie en de promotie van Europese audiovisuele werken;

de digitalisering moet op doorslaggevende wijze bijdragen tot de versterking van de audiovisuele sector en een centraal onderdeel vormen van MEDIA 2007. Steun aan digitale diensten en Europese catalogi is een van de prioriteiten van het programma, om de versnippering van de Europese audiovisuele markt tegen te gaan.

(9)

Het MEDIA-programma moet auteurs (scenarioschrijvers en regisseurs) stimuleren bij het creatieve proces en hen aanmoedigen nieuwe creatieve technieken te ontwikkelen en toe te passen zodat het innovatievermogen van de Europese audiovisuele sector wordt vergroot.

(10)

Er bestaan meerdere digitaliseringsplatforms voor het vertonen van films, afhankelijk van de verschillende gebruikswijzen, gebruikers en behoeften. Proefprojecten in het kader van het MEDIA-programma zijn een proeftuin voor toekomstige ontwikkelingen in de audiovisuele sector.

(11)

In aanvulling op de programma's MEDIA Plus en MEDIA-Opleiding werd de voorbereidende actie „Groei en de audiovisuele sector: i2i Audiovisueel” opgezet, waarmee een nieuwe fase in de uitvoering van het communautaire beleid ter ondersteuning van de audiovisuele sector werd ingeluid. Doel van deze actie was om een specifieke oplossing te bieden voor kleine en middelgrote bedrijven (MKB) in de audiovisuele sector die moeilijk toegang krijgen tot financiering. Uit de evaluatie van „Groei en de audiovisuele sector: i2i Audiovisueel” is gebleken dat deze communautaire actie goed op de behoeften van de sector is afgestemd en langs vergelijkbare lijnen dient te worden voortgezet, maar nog sterker dan voorheen moet worden toegesneden op de specifieke behoeften van de sector.

(12)

De Europese audiovisuele sector wordt gekenmerkt door een groot potentieel qua groei, innovatie en dynamiek, door versnippering van de markt als gevolg van de vele talen en culturen en dientengevolge door een groot aantal middelgrote, kleine en zeer kleine ondernemingen met een chronisch gebrek aan kapitaal. Bij het verlenen van communautaire steun moet rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de audiovisuele sector. Met name moeten de administratieve en financiële procedures, in verhouding tot het bedrag van de steun, zoveel mogelijk vereenvoudigd worden en moeten ze niet alleen aansluiten op de beoogde doelstellingen, maar ook op de praktijk en de eisen van de sector.

(13)

Het vrijwel volledig ontbreken van gespecialiseerde ondernemingen voor kredietverlening voor de audiovisuele sector is in de gehele EU een belangrijke belemmering voor het concurrentievermogen.

(14)

De Commissie en de lidstaten dienen ten aanzien van hun steun aan de audiovisuele sector, vooral in het licht van de resultaten van de voorbereidende actie „Groei en de audiovisuele sector: i2i Audiovisueel”, te toetsen in hoeverre deze steun in de toekomst de ontwikkeling van gespecialiseerde aanbiedingen voor het MKB bij de kredietverlening kan vergemakkelijken.

(15)

Met kredieten gefinancierde systemen die in lidstaten zijn ontwikkeld om nationale audiovisuele projecten te bevorderen en particulier kapitaal aan te trekken dienen te worden bestudeerd om te bezien of dergelijk kapitaal ter beschikking kan worden gesteld voor niet-nationale Europese projecten.

(16)

Meer transparantie en een betere voorlichting over de Europese audiovisuele markt kunnen een bijdrage leveren tot meer concurrentievermogen van de bedrijven, en met name MKB-bedrijven, in die sector. Het vertrouwen van particuliere investeerders zou aldus, doordat zij een beter inzicht krijgen in het potentieel van de industrie, kunnen worden versterkt. Ook de evaluatie en monitoring van de communautaire maatregelen worden erdoor vergemakkelijkt. De participatie van de Europese Unie in het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector moet ertoe bijdragen dat deze doelstellingen verwezenlijkt worden.

(17)

In een Gemeenschap van de 25 vormt samenwerking in steeds sterkere mate een strategische aanpak waarmee de concurrentiepositie van de Europese filmindustrie kan worden versterkt. Derhalve dienen projecten voor de opbouw van de gehele EU bestrijkende netwerken op alle niveaus van het MEDIA-programma — opleiding, ontwikkeling, distributie en promotie — in toenemende mate te worden gesteund. Dit geldt in het bijzonder voor samenwerking met actoren in de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden. Samenwerkingsstrategieën tussen actoren in de audiovisuele sector moeten echter wel degelijk het communautaire mededingingsrecht in acht nemen.

(18)

Overheidssteun voor het filmbedrijf op Europees, nationaal, regionaal of lokaal niveau is essentieel om de structurele moeilijkheden van de sector te overwinnen en de Europese audiovisuele industrie de uitdaging van de globalisering te laten aangaan.

(19)

De tot de Europese Unie toetredende landen en de EVA-landen die partij zijn bij de EER-overeenkomst, kunnen volgens de met deze landen gesloten overeenkomsten deelnemen aan de communautaire programma's.

(20)

De samenwerking tussen MEDIA en Eurimages moet worden versterkt, echter zonder dat dit gepaard gaat met integratie op financieel en administratief gebied.

(21)

De Europese Raad van Thessaloniki van 19 en 20 juni 2003 heeft de „Agenda voor de westelijke Balkan: Op weg naar Europese integratie” goedgekeurd. Daarin is bepaald dat de landen die aan het stabilisatie- en associatieproces deelnemen, aan de communautaire programma’s kunnen deelnemen op basis van kaderovereenkomsten tussen de Gemeenschap en deze landen.

(22)

De andere Europese landen die partij zijn bij de Overeenkomst van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie, maken volledig deel uit van de Europese audiovisuele ruimte en dienen daarom, indien zij dit wensen en naar gelang van begrotingsoverwegingen of prioriteiten van hun audiovisuele industrie, aan het programma te kunnen deelnemen, of van een beperkte samenwerkingsformule gebruik te kunnen maken op basis van aanvullende kredieten en specifieke voorwaarden die in overeenkomsten tussen de betrokken partijen dienen vastgelegd te worden.

(23)

Samenwerking met niet-Europese derde landen op grond van wederzijdse en evenwichtige belangen kan voor de Europese audiovisuele industrie een meerwaarde opleveren op het gebied van promotie, markttoegang, distributie, verspreiding en vertoning van Europese werken in deze landen; een dergelijke samenwerking moet worden ontwikkeld op basis van aanvullende kredieten en onder specifieke voorwaarden waarover de betrokken partijen overeenstemming moeten bereiken.

(24)

Er moeten de nodige maatregelen worden getroffen om onregelmatigheden en fraude te voorkomen en verloren gegane, ten onrechte uitbetaalde of oneigenlijk gebruikte bedragen terug te vorderen.

(25)

Dit besluit stelt voor de volledige duur van het programma de financiële middelen vast die in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 37 van het Interinstitutioneel Akkoord van 17 mei 2006 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en een goed financieel beheer (5).

(26)

De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (6).

(27)

De wijze waarop de acties worden gemonitord en geëvalueerd moet gedetailleerde jaarverslagen en specifieke, meetbare, haalbare, relevante en aan termijnen gebonden doelstellingen en indicatoren omvatten.

(28)

Er moeten overgangsbepalingen worden vastgesteld met maatregelen voor de overgangsperiode tussen de programma's MEDIA-plus en MEDIA-opleiding, en het programma dat wordt ingesteld bij dit besluit.

(29)

Aangezien de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve, wegens de omvang en de gevolgen van het besluit, beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap maatregelen nemen, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat dit besluit niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te bereiken,

BESLUITEN:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE DOELSTELLINGEN VAN HET PROGRAMMA EN FINANCIËLE MIDDELEN

Artikel 1

Doelstellingen en prioriteiten van het programma

1.   Bij dit besluit wordt een programma ter ondersteuning van de Europese audiovisuele sector, hierna „het programma” genoemd, vastgesteld voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013.

2.   De audiovisuele sector is een essentieel instrument voor de overdracht en de ontwikkeling van Europese culturele waarden en het creëren van hooggekwalificeerde en op de toekomst gerichte arbeidsplaatsen. De creativiteit van deze sector is een positieve factor voor het concurrentievermogen en voor de aantrekkingskracht die cultuur uitoefent op het publiek. Het programma beoogt de audiovisuele sector economisch te versterken — zodat deze zijn culturele rollen beter kan vervullen — door een industrie te ontwikkelen met een krachtige en gevarieerde inhoud en een waardevol en toegankelijk erfgoed, alsook de nationale steunmaatregelen een meerwaarde te geven.

Het programma heeft de volgende algemene doelstellingen:

a)

de verscheidenheid van cultuur en taal en het cinematografische en audiovisuele erfgoed in Europa behouden en tot hun recht laten komen, het publiek toegang tot dit erfgoed geven en de interculturele dialoog bevorderen;

b)

ervoor zorgen dat Europese audiovisuele werken binnen en buiten de Europese Unie beter circuleren en meer publiek trekken, onder andere door een grotere samenwerking tussen de actoren;

c)

het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector versterken op een open, concurrerende en werkgelegenheidsbevorderende Europese markt, onder andere door de betrekkingen tussen de professionele actoren in de audiovisuele sector te bevorderen.

3.

a)

voorafgaand aan de audiovisuele productie: aan de verwerving en verbetering van vaardigheden op audiovisueel gebied en de ontwikkeling van Europese audiovisuele werken;

b)

na de audiovisuele productie: aan de distributie en de promotie van Europese audiovisuele werken;

c)

aan proefprojecten om het programma aan de marktontwikkelingen aan te passen.

4.

a)

de bevordering van creatief werk in de audiovisuele sector en van de kennis en de verspreiding van het Europese cinematografisch en audiovisuele erfgoed;

b)

de versterking van de structuur van de Europese audiovisuele sector, en met name van het MKB;

c)

streven naar een beter evenwicht op de Europese audiovisuele markt tussen landen met een grote audiovisuele productiecapaciteit enerzijds en landen of gebieden met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of met een klein geografisch en/of taalgebied anderzijds;

d)

de begeleiding en ondersteuning van de marktontwikkelingen op het gebied van digitalisering, met inbegrip van de bevordering van aantrekkelijke digitale catalogi van Europese films op digitale platforms.

Artikel 2

Financiële middelen

1.   De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1, lid 1, vermelde periode bedraagt 754 950 000 EUR. De indicatieve verdeling van dit bedrag over gebieden staat in hoofdstuk II, punt 1.4 van de bijlage.

2.   De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van het financieel kader.

HOOFDSTUK II

SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN VOOR DE FASEN VOORAFGAAND AAN DE AUDIOVISUELE PRODUCTIE

Artikel 3

Verwerving en verbetering van vaardigheden op audiovisueel gebied

1.

De vaardigheden van de professionele actoren in de Europese audiovisuele sector op het gebied van ontwikkeling, productie, distributie/verspreiding en promotie verbeteren teneinde de kwaliteit en het potentieel van de Europese audiovisuele werken verhogen. Het programma verleent met name steun aan acties in verband met:

a)

de techniek van het scenarioschrijven, teneinde de kwaliteit en het circulatiepotentieel van de Europese audiovisuele werken te verbeteren;

b)

het economisch, financieel en commercieel beheer van de productie, de distributie en de promotie van audiovisuele werken, teneinde reeds in de ontwikkelingsfase Europese strategieën tot stand te helpen brengen;

c)

het in een vroeg stadium gebruiken van digitale technologie voor de productie, postproductie, distributie, het op de markt brengen en de archivering van Europese audiovisuele programma's.

Bovendien moet worden gezorgd voor de deelneming van de professionele actoren en opleiders die afkomstig zijn uit andere landen dan die waar de krachtens de punt 2, onder a) tot en met c), gesteunde opleidingsactiviteiten plaatsvinden.

2.

De Europese dimensie van de audiovisuele opleidingsactiviteiten versterken door:

a)

ondersteuning van het opzetten van netwerken tussen en de mobiliteit van Europese beroepsopleiders, met name:

Europese filmscholen;

opleidingsinstellingen;

partners uit de professionele sector;

b)

opleidingen voor opleiders;

c)

ondersteuning van filmscholen;

d)

het opzetten van activiteiten ter coördinatie en promotie van de organisaties die in het kader van de in punt 1 genoemde activiteiten worden gesteund.

3.

Professionele actoren uit de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, door de toekenning van speciale beurzen in staat stellen deel te nemen aan de in punt 1 genoemde opleidingsactiviteiten.

De in de punten 1 tot en met 3 genoemde maatregelen worden uitgevoerd volgens de bepalingen in de bijlage.

Artikel 4

Ontwikkeling

1.

a)

ondersteuning van de ontwikkeling van productieprojecten van onafhankelijke productiemaatschappijen voor de Europese en internationale markt;

b)

ondersteuning van de opstelling van financieringsplannen voor ondernemingen en projecten ten behoeve van Europese producties, met name de financiering van coproducties.

2.   De Commissie ziet erop toe dat de gesteunde activiteiten ter verbetering van de beroepsvaardigheden en de in lid 1 genoemde activiteiten elkaar aanvullen.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen in de bijlage.

HOOFDSTUK III

SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN VOOR DE FASEN NA DE AUDIOVISUELE PRODUCTIE

Artikel 5

Distributie en verspreiding

a)

de Europese distributiesector versterken door distributeurs aan te moedigen om te investeren in de coproductie, aankoop en promotie van niet-nationale Europese films alsmede om gecoördineerde marketingstrategieën op te stellen;

b)

de circulatie van niet-nationale Europese films op de Europese en internationale markt verbeteren door stimuleringsmaatregelen voor de export, de distributie (op alle mogelijke dragers) en de vertoning van deze films in de bioscoop;

c)

de grensoverschrijdende verspreiding van Europese audiovisuele werken van onafhankelijke productiemaatschappijen bevorderen door samenwerking tussen omroepen enerzijds en tussen onafhankelijke producenten en distributeurs anderzijds aan te moedigen;

d)

de digitalisering van Europese audiovisuele werken en de ontwikkeling van een concurrerende digitale markt aanmoedigen;

e)

bioscopen aanmoedigen om de mogelijkheden van digitale distributie te benutten.

De in de punten a) tot en met e) genoemde maatregelen worden uitgevoerd volgens de bepalingen in de bijlage.

Artikel 6

Promotie

a)

de circulatie van Europese audiovisuele werken verbeteren door de Europese audiovisuele sector toegang te bieden tot Europese en internationale professionele markten;

b)

de toegang van het Europese en internationale publiek tot Europese audiovisuele werken verbeteren;

c)

gezamenlijke acties van nationale instellingen voor de promotie van films en audiovisuele programma's aanmoedigen;

d)

maatregelen ter promotie van het Europese cinematografische en audiovisuele erfgoed aanmoedigen, en de toegang van het publiek tot dit erfgoed op Europees en internationaal niveau verbeteren.

De in de punten a) tot en met d) genoemde maatregelen worden uitgevoerd volgens de bepalingen in de bijlage.

HOOFDSTUK IV

PROEFPROJECTEN

Artikel 7

Proefprojecten

1.   Het programma kan proefprojecten steunen om ervoor te zorgen dat het programma wordt aangepast aan de marktontwikkelingen, met een bijzondere nadruk op de invoering en het gebruik van informatie- en communicatietechnologie.

2.   Voor de toepassing van lid 1 wordt de Commissie geadviseerd door technische adviesgroepen, welke zijn samengesteld uit deskundigen die op voorstel van de Commissie door de lidstaten worden aangewezen.

HOOFDSTUK V

WIJZE VAN UITVOERING VAN HET PROGRAMMA EN FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 8

Bepalingen betreffende derde landen

1.

a)

de EVA-landen die lid zijn van de EER, volgens de bepalingen van de EER-overeenkomst;

b)

de toetredingslanden van de Europese Unie die onder een pretoetredingsstrategie vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en de algemene voorwaarden en regelingen voor de deelname van deze landen aan de communautaire programma's die respectievelijk zijn vastgesteld in de kaderovereenkomst en de besluiten van de associatieraden;

c)

de westelijke Balkanlanden, volgens met deze landen overeengekomen regelingen in de context van de te sluiten kaderovereenkomsten inzake hun deelname aan de communautaire programma's.

2.   Het programma staat tevens open voor deelname van andere dan de in lid 1 bedoelde landen die partij zijn bij de overeenkomst van de Raad van Europa inzake grensoverschrijdende televisie, mits aanvullende kredieten worden verstrekt onder de voorwaarden die door de betrokken partijen worden overeengekomen.

3.   Voordat het programma voor de in de leden 1 en 2 bedoelde Europese derde landen wordt opengesteld, kan een onderzoek worden ingesteld naar de verenigbaarheid van hun nationale wetgeving met de gemeenschapswetgeving, inclusief artikel 6, lid 5, van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (7). Deze bepaling is niet van toepassing op de in artikel 3 van dit besluit genoemde acties.

4.   Het programma staat ook open voor samenwerking met andere derde landen die met de Europese Unie een associatie- of samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten met bepalingen op audiovisueel gebied, op basis van overeen te komen aanvullende kredieten en specifieke voorwaarden. De in lid 1 bedoelde westelijke Balkanlanden die niet volledig aan het programma wensen deel te nemen, komen in aanmerking voor samenwerking onder de in dit lid vastgestelde voorwaarden.

Artikel 9

Financiële bepalingen

1.   Rechtspersonen en natuurlijke personen kunnen als begunstigde van het programma in aanmerking komen.

Onverminderd de overeenkomsten en verdragen waarbij de Gemeenschap partij is, moeten de voor dit programma in aanmerking komende ondernemingen, hetzij rechtstreeks, hetzij via een meerderheidsdeelneming, de eigendom zijn en blijven van lidstaten en/of onderdanen van lidstaten.

2.   De Commissie kan, naar gelang van de kenmerken van de begunstigden en de soort maatregelen, eventueel besluiten dat niet hoeft te worden nagegaan of de begunstigden de vereiste beroepsbekwaamheden en -kwalificaties bezitten om de maatregel of het werkprogramma tot een goed einde te brengen. De Commissie kan ook het soort activiteit dat wordt ondersteund, het specifieke profiel van het doelpubliek van de audiovisuele sector en de doelstellingen van het programma in rekening brengen.

3.   Naar gelang van de soort van de actie kan de financiële steun worden verleend in de vorm van subsidies of beurzen of elk ander door Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (8) toegelaten instrument. De Commissie kan eveneens prijzen toekennen voor activiteiten of projecten die in het kader van het programma worden uitgevoerd. Naar gelang van de aard van de activiteit kan het gebruik van tabellen van eenheidskosten of forfaitaire financieringen voor bijdragen van maximaal het in artikel 181 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie (9) tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 worden toegestaan.

4.   Wat de omvang van de toegekende subsidie betreft, eerbiedigt de Commissie het evenredigheidsbeginsel ten aanzien van administratieve en financiële voorschriften zoals de subsidiabiliteitscriteria en de financiële capaciteit.

5.   De financiële steun die in het kader van het programma wordt toegekend, bedraagt maximaal 50 % van de definitieve kosten van de gesteunde activiteiten. In de in de bijlage uitdrukkelijk bepaalde gevallen kan dit percentage echter oplopen tot 75 % van de kosten. Voorts moet bij de toekenning van deze financiële steun worden gezorgd voor transparante en objectieve procedures.

6.   Naar gelang van de specifieke aard van de medegefinancierde activiteiten en overeenkomstig artikel 112, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 kan de Commissie besluiten om kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de gesteunde activiteit ook in aanmerking te nemen, zelfs indien de begunstigde deze kosten gedeeltelijk vóór de selectieprocedure heeft gemaakt.

7.   Overeenkomstig artikel 113, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002, juncto artikel 172 van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002, kan de medefinanciering geheel of gedeeltelijk in natura plaatsvinden, voor zover de waarde van deze bijdrage niet hoger is dan hetzij de werkelijk gemaakte en door boekhoudkundige documenten naar behoren gestaafde kosten, hetzij de op de desbetreffende markt algemeen aanvaarde kosten. Gebouwen die beschikbaar worden gesteld voor opleiding en promotie mogen tot die bijdragen worden gerekend.

8.   Terugbetalingen van bedragen die in het kader van het programma zijn gedaan, bedragen afkomstig van de MEDIA-programma's (1991-2006) en bedragen die niet voor de geselecteerde projecten zijn gebruikt, worden bestemd voor het programma MEDIA 2007.

Artikel 10

Uitvoering van dit besluit

1.   De Commissie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het programma op de in de bijlage bepaalde wijze.

2.

a)

de algemene richtsnoeren voor alle in de bijlage beschreven maatregelen;

b)

de inhoud van de oproepen tot het indienen van voorstellen, de vaststelling van de criteria en de procedures voor de selectie van de projecten;

c)

de kwesties betreffende de jaarlijkse interne uitsplitsing van de middelen van het programma, waaronder de uitsplitsing over de maatregelen op het gebied van de verbetering van de beroepsvaardigheden, ontwikkeling, distributie/verspreiding en promotie;

d)

de wijze waarop de monitoring en de evaluatie van de acties zijn geregeld;

e)

voorstellen voor de toewijzing van Gemeenschapsfondsen van meer dan 200 000 EUR per ontvanger en per jaar voor opleiding en promotie, van meer dan 200 000 EUR voor ontwikkeling en van meer dan 300 000 EUR voor distributie;

f)

de keuze van de proefprojecten als bedoeld in artikel 7.

3.   De voor de uitvoering van dit besluit vereiste maatregelen met betrekking tot de overige aangelegenheden worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 11, lid 3.

Artikel 11

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

3.   De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op twee maanden.

4.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

5.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 12

MEDIA-desks

1.   Het Europese netwerk van MEDIA-desks fungeert als uitvoerend orgaan voor de verspreiding van informatie over het programma op nationaal niveau, met name voor grensoverschrijdende projecten, verhoogt de zichtbaarheid en stimuleert het gebruik ervan, met inachtneming van artikel 54, lid 2, onder c), en lid 3, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 zoals bepaald in hoofdstuk II, punt 2.2, van de bijlage.

2.   De samenwerking van de MEDIA-desks in netwerken, met name nabuurschapsnetwerken, wordt aangemoedigd om gedachtewisselingen en contacten tussen professionele actoren te bevorderen, en het publiek sterker bewust te maken van belangrijke evenementen die door het programma worden ondersteund, alsmede van prijzen en onderscheidingen.

3.

a)

zij moeten beschikken over voldoende personeel dat beschikt over de voor het werk in het kader van internationale samenwerking vereiste beroepskwalificaties en taalvaardigheden;

b)

zij moeten over een geschikte infrastructuur beschikken, met name wat informatica-uitrusting en communicatiemiddelen betreft;

c)

zij moeten werken in een administratieve context die hen in staat stelt zich op bevredigende wijze van hun taken te kwijten en elk belangenconflict te voorkomen.

Artikel 13

Samenhang en complementariteit

1.   Bij de uitvoering van het programma zorgt de Commissie, in nauwe samenwerking met de lidstaten, voor de algehele samenhang en complementariteit met andere relevante communautaire beleidsmaatregelen, programma's en acties die van invloed zijn op het gebied van opleiding en audiovisuele media.

2.   Tevens zorgt de Commissie voor de coördinatie tussen het programma en de andere communautaire programma's op het gebied van opleiding, bijscholing, onderzoek en de informatiemaatschappij.

3.   De Commissie zorgt voor een doeltreffende samenhang tussen het onderhavige programma en de programma's en acties op audiovisueel gebied in het kader van de samenwerking van de Gemeenschap met derde landen en de bevoegde internationale organisaties, in het bijzonder de Raad van Europa (Eurimages en het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector, hierna „Waarnemingscentrum” genoemd).

Artikel 14

Monitoring en evaluatie

1.   De Commissie zorgt ervoor dat de acties uit hoofde van dit besluit vooraf en achteraf worden geëvalueerd en in de tussentijd aan monitoring worden onderworpen. Bij de uitvoering van het programma wordt rekening gehouden met de resultaten van het monitoring- en evaluatieproces.

De Commissie zorgt ervoor dat regelmatig een onafhankelijke externe evaluatie van het programma plaatsvindt. Om het programma effectief te evalueren kan de Commissie gegevens verzamelen teneinde alle door het programma gesteunde activiteiten in het oog te houden. Bij die evaluatie moeten de regelingen van het Comité voor de monitoring en evaluatie, als bedoeld in artikel 10, lid 2, onder d), in acht worden genomen.

De monitoring omvat de opstelling van de in lid 2, onder a) en c), bedoelde verslagen en specifieke activiteiten.

2.   De Commissie legt de volgende verslagen voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's:

a)

een tussentijds evaluatieverslag over de behaalde resultaten en de kwalitatieve en kwantitatieve aspecten van de uitvoering van het programma, uiterlijk drie jaar na de start van het programma;

b)

een mededeling over de voortzetting van het programma, uiterlijk vier jaar na de start van het programma;

c)

een gedetailleerd verslag over de evaluatie achteraf, uiterlijk op 31 december 2015, dat betrekking heeft op de uitvoering en resultaten van het programma na afloop ervan.

De Commissie publiceert alle statistische gegevens ter zake en verspreidt deze gegevens via de MEDIA-desks.

3.   In de in verband met lid 2, onder a) en c), opgestelde verslagen moet worden aangegeven wat de toegevoegde waarde van het programma is.

Artikel 15

Overgangsbepalingen

De activiteiten die vóór 31 december 2006 van start gaan op grond van Besluit 2000/821/EG van de Raad (10) en Besluit nr. 163/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad (11) worden, totdat zij worden beëindigd, verder beheerd overeenkomstig de bepalingen van die besluiten.

Het comité als bedoeld in artikel 8 van Besluit 2000/821/EG en artikel 6 van Besluit nr. 163/2001/EG wordt vervangen door het in artikel 11 van het onderhavige besluit bedoelde comité.

HOOFDSTUK VI

VOORLICHTING OVER DE EUROPESE AUDIOVISUELE SECTOR EN PARTICIPATIE IN HET EUROPEES WAARNEMINGSCENTRUM VOOR DE AUDIOVISUELE SECTOR

Artikel 16

Voorlichting over de Europese audiovisuele sector

De Europese Unie draagt bij tot een grotere transparantie en een betere voorlichting over de Europese audiovisuele sector.

Artikel 17

Participatie in het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector

Met het oog op de uitvoering van artikel 16 is de Europese Unie gedurende de volledige looptijd van het programma lid van het Waarnemingscentrum.

De Europese Unie wordt in haar betrekkingen met het Waarnemingscentrum vertegenwoordigd door de Commissie.

Artikel 18

Bijdrage tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma

a)

de transparantie van de markt te bevorderen door een betere vergelijkbaarheid van de in de verschillende landen verzamelde gegevens, en alle marktdeelnemers toegang te geven tot financiële en juridische statistieken en informatie, met name over de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, teneinde het concurrentievermogen en de ontwikkeling van de Europese audiovisuele sector te bevorderen;

b)

de monitoring van het programma te verbeteren en de evaluatie ervan te vergemakkelijken.

Artikel 19

Monitoring en evaluatie

De monitoring en de evaluatie van de participatie van de Europese Unie in het Waarnemingscentrum vinden plaats in het kader van de monitoring en de evaluatie van het programma overeenkomstig artikel 14.

HOOFDSTUK VII

INWERKINGTREDING

Artikel 20

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2007.

Gedaan te Straatsburg, 15 november 2006.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES

Voor de Raad

De voorzitster

P. LEHTOMÄKI


(1)  PB C 255 van 14.10.2005, blz. 39.

(2)  PB C 164 van 5.7.2005, blz. 76.

(3)  Advies van het Europees Parlement van 25 oktober 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 24 juli 2006 (PB C 251 E van 17.10.2006, blz. 1) en standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2006 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4)  Deze programma's zijn respectievelijk ingesteld bij

Besluit 90/685/EEG van de Raad van 21 december 1990 betreffende de tenuitvoerlegging van een actieprogramma ter bevordering van de ontwikkeling van de audiovisuele industrie in Europa (MEDIA) (1991-1995) (PB L 380 van 31.12.1990, blz. 37) (MEDIA I),

Besluit 95/563/EG van de Raad van 10 juli 1995 betreffende een programma ter bevordering van de ontwikkeling en de distributie van Europese audiovisuele werken (MEDIA II-Ontwikkeling en distributie) (1996- 2000) (PB L 321 van 30.12.1995, blz. 25) en Besluit 95/564/EG van de Raad van 22 december 1995 betreffende de tenuitvoerlegging van een opleidingsprogramma voor de vakmensen van de Europese audiovisuele programma-industrie (MEDIA II-Opleiding) (PB L 321 van 30.12.1995, blz. 33) (MEDIA II),

Besluit 2000/821/EG van de Raad van 20 december 2000 betreffende de uitvoering van een programma ter aanmoediging van de ontwikkeling, de distributie en de promotie van Europese audiovisuele werken (MEDIA Plus-Ontwikkeling, distributie en promotie) (2001-2005) (PB L 336 van 30.12.2000, blz. 82). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 885/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 1) (MEDIA Plus) en

Besluit nr. 163/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 januari 2001 betreffende de uitvoering van een opleidingsprogramma voor vakmensen van de Europese audiovisuele programma-industrie (MEDIA-Opleiding) (2001-2005) (PB L 26 van 27.1.2001, blz. 1). Besluit laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 885/2004 van de Raad (MEDIA-Opleiding).

(5)  PB C 139 van 14.6.2006, blz. 1.

(6)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23. Besluit laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2006/512/EG (PB L 200 van 22.7.2006, blz. 11).

(7)  PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23.

(8)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(9)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

(10)  PB L 13 van 17.1.2001, blz. 82.

(11)  PB L 26 van 27.1.2001, blz. 1.


BIJLAGE

HOOFDSTUK I

OPERATIONELE DOELSTELLINGEN EN UIT TE VOEREN ACTIES

1.   Verwerving en verbetering van vaardigheden op audiovisueel gebied

1.1.   De vaardigheden van de professionele actoren in de Europese audiovisuele sector op het gebied van ontwikkeling, productie, distributie/verspreiding en promotie verbeteren teneinde de kwaliteit en het potentieel van de Europese audiovisuele werken te verhogen

1.1.1.   Techniek van het scenarioschrijven

Operationele doelstelling

Ervaren scenarioschrijvers beter in staat stellen om technieken te ontwikkelen op basis van traditionele en interactieve schrijfmethoden.

Uit te voeren acties

De ontwikkeling, toepassing en actualisering ondersteunen van opleidingsmodules over onder andere de omschrijving van een doelgroep, het redigeren en ontwikkelen van scenario’s voor een internationaal publiek, en de verhouding tussen onder andere scenarist, scenarioredacteur, regisseur, producent en distributeur.

Afstandsopleiding ondersteunen en uitwisselingen en partnerschappen tussen landen of gebieden met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of met een klein geografisch of taalgebied bevorderen.

1.1.2.   Economisch, financieel en commercieel beheer van de productie, distributie en promotie van audiovisuele werken

Operationele doelstelling

De professionele actoren een beter inzicht geven in de Europese dimensie en hen in staat stellen om deze te integreren bij de ontwikkeling, productie, verkoop, distributie/verspreiding en promotie van audiovisuele programma's.

Uit te voeren acties

De ontwikkeling, toepassing en actualisering ondersteunen van beheersopleidingsmodules waarin de Europese dimensie aan bod komt.

Afstandsopleiding ondersteunen en uitwisselingen en partnerschappen tussen landen of gebieden met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of met een klein geografisch of taalgebied bevorderen.

1.1.3.   In een vroeg stadium rekening houden met digitale technologie voor de productie, postproductie, distributie, exploitatie en archivering van Europese audiovisuele programma's

Operationele doelstelling

De professionele actoren beter in staat stellen om digitale technologie te gebruiken, met name bij de productie, postproductie, distributie, exploitatie, archivering en multimedia.

Uit te voeren acties

De ontwikkeling, toepassing en actualisering ondersteunen van opleidingsmodules over digitale audiovisuele technologie.

Afstandsopleiding ondersteunen en uitwisselingen en partnerschappen tussen landen of gebieden met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of met een klein geografisch of taalgebied bevorderen.

1.2.   De Europese dimensie van de audiovisuele opleidingen versterken

1.2.1.   Het opzetten van netwerken en de mobiliteit van Europese beroepsopleiders, met name Europese filmscholen, opleidingsinstellingen en partners uit de professionele sector ondersteunen

Operationele doelstelling

Uitwisselingen en samenwerking tussen bestaande opleidingsinstellingen en/of -activiteiten bevorderen.

Uit te voeren acties

Ontvangers van steun van het programma aanmoedigen om hun opleidingsactiviteiten, met name activiteiten die bijscholing omvatten, meer op elkaar af te stemmen teneinde een Europees netwerk op te zetten dat in aanmerking kan komen voor communautaire steun, vooral ten behoeve van samenwerking waaraan wordt deelgenomen door de actoren, waaronder TV-omroeporganisaties.

1.2.2.   Opleiding van opleiders

Operationele doelstelling

Ervoor zorgen dat opleiders over de nodige bekwaamheden beschikken.

Uit te voeren acties

Bijdragen tot de opleiding van opleiders, met name door afstandsonderwijs.

1.2.3.   Ondersteuning van filmscholen

Operationele doelstelling

Filmstudenten in Europa tot mobiliteit aanmoedigen.

Uit te voeren acties

Mobiliteitsbeurzen in samenhang met een opleidingsproject aanmoedigen.

De ontplooiing van nieuwe talenten en professionele actoren aanmoedigen door de instelling van een Prijs voor nieuw talent.

1.2.4.   Invoering van maatregelen ter coördinatie en promotie van de organisaties die in het kader van de in punt 1.2.1 genoemde acties worden gesteund

Operationele doelstelling

De coördinatie en de promotie bevorderen van de projecten die in het kader van het programma worden gesteund.

Uit te voeren acties

Bijdragen tot het opzetten van gerichte acties ter coördinatie en promotie van de opleidingsactiviteiten die door het programma worden gesteund.

1.2.5.   Professionele actoren uit de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, door de toekenning van beurzen in staat stellen deel te nemen aan de in punt 1.1. genoemde opleidingsacties

Operationele doelstelling

Bevorderen dat professionele actoren uit de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden, deelnemen aan de projecten die door het programma worden gesteund.

Uit te voeren acties

Bijdragen aan het opzetten van een regeling voor beurzen.

2.   Ontwikkeling

2.1.   De ontwikkeling ondersteunen van productieprojecten voor de Europese en de internationale markt van onafhankelijke productiemaatschappijen, met name MKB-bedrijven

Operationele doelstellingen

De ontwikkeling van Europese werken in de volgende genres ondersteunen: fictie, animatie, documentaire en multimedia.

Bedrijven aanmoedigen om kwalitatief hoogwaardig werk met een internationaal potentieel te vervaardigen.

Bedrijven aanmoedigen om reeds in de ontwikkelingsfase gebruik te maken van digitale technologie voor productie en distributie.

Bedrijven aanmoedigen om reeds in de projectontwikkelingsfase internationale exploitatie-, marketing- en distributiestrategieën op te stellen.

MKB-bedrijven toegang bieden tot steun voor ontwikkeling, en de acties op hun behoeften afstemmen.

Complementariteit met de door MEDIA gesteunde acties vergroten ter verbetering van de vaardigheden van professionele actoren in de audiovisuele sector.

Uit te voeren acties

De ontwikkeling van projecten voor audiovisuele werken of projectpakketten ondersteunen.

De digitalisering van Europese audiovisuele werken al in de ontwikkelingsfase ondersteunen.

2.2.   De opstelling ondersteunen van financieringsplannen voor Europese productiehuizen en productieprojecten, waaronder coproducties

Operationele doelstellingen

Productiehuizen aanmoedigen om financieringsplannen op te stellen voor projecten in de volgende genres: fictie, animatie, documentaire en multimedia.

Als vervolg op de voorbereidende actie „Groei en de audiovisuele sector: i2i Audiovisueel”, productiehuizen aanmoedigen om Europese financiële partners te zoeken teneinde synergie tussen publieke en particuliere investeerders te creëren en het opstellen van distributiestrategieën vanaf de ontwikkelingsfase bevorderen.

Uit te voeren acties

De indirecte kosten ondersteunen bij particuliere financiering van productie- en coproductieprojecten van MKB-bedrijven (bijvoorbeeld financiële kosten, verzekeringskosten of uitvoeringsgaranties).

De toegang ondersteunen van MKB-bedrijven, met name onafhankelijke productiebedrijven, tot financiële-dienstverleningsbedrijven die zich bezighouden met het opstellen van investeringsplannen voor de ontwikkeling en coproductie van audiovisuele werken met potentieel voor internationale distributie.

Financiële tussenpersonen aanmoedigen om de ontwikkeling en coproductie van audiovisuele werken met potentieel voor internationale distributie te ondersteunen.

De samenwerking ondersteunen van nationale agentschappen die op audiovisueel gebied actief zijn.

3.   Distributie en verspreiding

Horizontale operationele doelstelling

De verscheidenheid van cultuur en taal in de verspreide Europese werken sterker tot haar recht laten komen.

Uit te voeren acties

Ten behoeve van producenten, distributeurs en omroepen de nasynchronisatie en ondertiteling van Europese audiovisuele werken ondersteunen bij de distributie en verspreiding via alle beschikbare kanalen, in het bijzonder digitale kanalen.

3.1.   De Europese distributiesector versterken door distributeurs aan te moedigen om in de coproductie, aankoop en promotie van niet-nationale Europese films te investeren en gecoördineerde marketingstrategieën op te stellen

Operationele doelstelling nr. 1

Filmdistributeurs aanmoedigen om in de coproductie, aankoop van exploitatierechten en promotie van niet-nationale Europese films te investeren.

Uit te voeren acties

Een automatische-steunregeling voor Europese distributeurs instellen, naar gelang van het aantal bioscoopbezoeken voor niet-nationale Europese films in de lidstaten die aan het programma deelnemen, met een maximumbedrag per film dat per land varieert.

De aldus verkregen steun mag door de distributeurs uitsluitend worden gebruikt om te investeren in:

de coproductie van niet-nationale Europese films;

de aankoop van exploitatierechten van niet-nationale Europese films;

werkzaamheden met het oog op het uitbrengen van niet-nationale Europese films (het maken van kopieën, nasynchroniseren en ondertitelen), en promotie van en reclame voor die films.

Operationele doelstelling nr. 2

Samenwerking tussen Europese distributeurs aanmoedigen om het opstellen van gezamenlijke strategieën op de Europese markt te bevorderen.

Uit te voeren acties

Een regeling instellen voor selectieve steun aan Europese distributiegroeperingen voor de distributie van niet-nationale Europese films en directe steun aan permanente Europese distributiegroeperingen toekennen.

Operationele doelstelling nr. 3

Distributeurs, producenten en verkoopagenten tot samenwerking aanmoedigen, zodat reeds in de ontwikkelingsfase van Europese films internationale marketingstrategieën worden opgesteld.

Uit te voeren acties

Een steunregeling instellen voor de ontwikkeling van een promotiekit voor Europese filmwerken (bestaande uit een ondertitelde kopie, een internationale soundtrack (muziek en effecten) en promotiemateriaal).

Operationele doelstelling nr. 4

Bevorderen dat kleine en middelgrote ondernemingen toegang tot financiering krijgen voor de distributie en de internationale verkoop van niet-nationale Europese werken.

Uit te voeren acties

De indirecte kosten (bijvoorbeeld financiële kosten en verzekeringskosten) ondersteunen van activiteiten in verband met de distributie en/of de internationale verkoop, zoals de aankoop van niet-nationale Europese filmcatalogi, de verkenning van nieuwe markten voor Europese films en het creëren van permanente groeperingen van Europese distributeurs.

3.2.   De verspreiding van niet-nationale Europese films op de Europese en internationale markt verbeteren door stimuleringsmaatregelen voor de export, de distributie (via elke mogelijke drager) en de vertoning van deze films in bioscopen

Operationele doelstelling nr. 1

Filmdistributeurs aanmoedigen om op adequate wijze in de uitgave en de promotie van niet-nationale Europese films te investeren.

Uit te voeren acties

Een regeling instellen voor selectieve steun aan filmdistributeurs voor de promotie en verkoop van niet-nationale Europese filmwerken. De films kunnen onder meer worden geselecteerd op grond van een onderverdeling van de projecten op basis van de oorsprong en de omvang van het budget.

Bijzondere steun toekennen voor films die de Europese verscheidenheid van cultuur en taal onder de aandacht brengen.

Steun toekennen voor het uitbrengen van een catalogus van niet-nationale Europese werken over een bepaalde periode.

Operationele doelstelling nr. 2

Aanmoedigen tot de vertoning van niet-nationale Europese films op de Europese markt, met name door de coördinatie van een netwerk van bioscopen te ondersteunen.

Uit te voeren acties

Eigenaars en exploitanten van bioscopen aanmoedigen om gedurende een bepaalde minimumperiode een aanzienlijk aandeel niet-nationale Europese films te vertonen in premièrebioscopen. De steun die aan elke bioscoop wordt toegekend wordt vastgesteld op basis van de programmering en rekening houdend met het aantal toegangskaartjes voor niet-nationale Europese films dat gedurende een referentieperiode in die bioscopen is verkocht.

De ontwikkeling van voorlichtings- en bewustmakingsacties ten behoeve van het jongere bioscooppubliek bevorderen.

Het opzetten en consolideren van een netwerk van Europese bioscoopeigenaren ondersteunen dat gezamenlijke acties ten behoeve van deze programmering ontplooit.

Operationele doelstelling nr. 3

Aanmoedigen tot internationale verkoop en de export van Europese films, in het bijzonder niet-nationale Europese films binnen Europa.

Uit te voeren acties

Een steunregeling instellen voor Europese bedrijven die actief zijn in de internationale distributie van bioscoopfilms (verkoopagenten), naar gelang van hun marktprestaties gedurende een bepaalde periode. De internationale distributeurs moeten de aldus verkregen steun investeren in de aankoop van nieuwe niet-nationale Europese films en hun promotie op de Europese en de internationale markt.

3.3.   De grensoverschrijdende uitzending van door onafhankelijke productiemaatschappijen geproduceerde Europese audiovisuele werken bevorderen door samenwerking tussen omroeporganisaties enerzijds en tussen onafhankelijke producenten en distributeurs anderzijds aan te moedigen

Operationele doelstelling nr. 1

Aanmoedigen tot uitzending van niet-nationale Europese audiovisuele werken van onafhankelijke productiehuizen.

Uit te voeren acties

Onafhankelijke producenten aanmoedigen om werken (fictie, documentaires en animatiefilms) tot stand te brengen waaraan wordt deelgenomen door ten minste drie omroeporganisaties in verscheidene lidstaten. De gegadigden kunnen worden geselecteerd op grond van een onderverdeling van de projecten naar de omvang van het budget. Speciale steun toekennen aan films die van belang zijn in verband met het audiovisuele erfgoed en de verscheidenheid van cultuur en taal in Europa.

Operationele doelstelling nr. 2

Onafhankelijke Europese productiehuizen een betere toegang tot financiering bieden.

Uit te voeren acties

De indirecte kosten (bijvoorbeeld financiële kosten, verzekeringskosten of uitvoeringsgaranties) ondersteunen in verband met de productie van werken (fictie, documentaires en animatiefilms) waaraan wordt deelgenomen door ten minste drie omroeporganisaties in verscheidene lidstaten die tot verschillende taalgebieden behoren.

Operationele doelstelling nr. 3

Aanmoedigen tot internationale distributie van door onafhankelijke producenten vervaardigde Europese televisieprogramma's. Voor de distributie van dergelijke programma's is instemming nodig van de onafhankelijke producent, die een passend deel van de verkoopopbrengst moet krijgen.

Uit te voeren acties

Een steunregeling instellen voor Europese bedrijven die actief zijn in de internationale distributie van audiovisuele werken (internationale distributeurs), naar gelang van hun marktprestaties gedurende een bepaalde periode. De internationale distributeurs moeten de aldus verkregen steun investeren in de aankoop en promotie van nieuwe Europese werken op de Europese en de internationale markt.

3.4.   De digitalisering van Europese audiovisuele werken aanmoedigen

Operationele doelstelling nr. 1

De distributie verbeteren van niet-nationale Europese werken op digitale dragers voor persoonlijk gebruik (dvd), met name door uitgevers aan te moedigen om op Europees vlak samen te werken bij de ontwikkeling van meertalige masters.

Aanmoedigen tot het gebruik van digitale technologie bij de uitgave van Europese werken (ontwikkeling van digitale masters die door alle Europese distributeurs kunnen worden gebruikt).

Met name uitgevers aanmoedigen om voldoende in de promotie en distributie van niet-nationale Europese audiovisuele werken te investeren.

De meertaligheid van Europese werken (nasynchronisatie, ondertiteling en meertalige productie) ondersteunen.

Uit te voeren acties

Een automatische-steunregeling instellen voor uitgevers van films en audiovisuele werken op dragers voor persoonlijk gebruik (zoals dvd en dvd-rom), naar gelang van hun marktprestaties gedurende een bepaalde periode. De aldus verkregen steun moet door de uitgevers worden geïnvesteerd in de uitgave en distributie van niet-nationale Europese werken op digitale dragers.

Het digitaliseren van inhoud met het oog op distributie ondersteunen.

Operationele doelstelling nr. 2

Aanmoedigen dat niet-nationale Europese werken worden aangeboden voor de onlinedistributie via geavanceerde distributiediensten en nieuwe media (internet, video on demand, pay per view), waarbij ter bestrijding van de piraterij technieken worden ontwikkeld om de online beschikbare werken te beveiligen.

De Europese audiovisuele-programma-industrie ertoe aanmoedigen zich aan te passen aan de ontwikkelingen van de digitale technologie, met name op het gebied van geavanceerde onlinedistributiediensten.

Uit te voeren acties

Europese bedrijven (internetaanbieders, themazenders enz.) door stimulerende maatregelen voor het digitaliseren van werken en het maken van promotie- en reclamemateriaal in digitale vorm ertoe aanmoedigen catalogi van Europese werken in digitale vorm te vervaardigen die via de nieuwe media kunnen worden geëxploiteerd.

De opkomst bevorderen van digitale diensten die Europese catalogi van filmwerken aanbieden.

3.5.   Bioscopen die een aanzienlijk percentage niet-nationale Europese werken vertonen, aanmoedigen om de mogelijkheden van digitale distributie te benutten

Operationele doelstellingen

Bioscopen aanmoedigen om in digitale apparatuur te investeren door bioscoopeigenaars makkelijker toegang tot krediet te bieden.

Uit te voeren acties

De indirecte kosten (bijvoorbeeld financiële kosten en verzekeringskosten) ondersteunen van investeringen in digitale apparatuur door eigenaars en exploitanten van bioscopen.

4.   Promotie

4.1.   De verspreiding van Europese audiovisuele werken verbeteren door de toegang van de Europese audiovisuele sector tot de Europese en internationale professionele markten te verzekeren

Operationele doelstelling nr. 1

De toegang van professionele actoren tot commerciële evenementen en audiovisuele professionele markten in Europa en daarbuiten verbeteren.

Uit te voeren acties

Technische bijstand en financiële steun toekennen bij evenementen zoals:

de belangrijkste internationale en Europese filmmarkten;

de belangrijkste internationale en Europese televisiemarkten;

themamarkten, met name markten voor animatiefilms, documentaires, multimedia en nieuwe technologieën.

Operationele doelstelling nr. 2 en uit te voeren actie

Ten behoeve van professionele actoren het samenstellen van Europese catalogi en het opzetten van gegevensbanken van catalogi van Europese programma's aanmoedigen en ondersteunen.

Operationele doelstelling nr. 3

Ondersteuning van promotie aanmoedigen vanaf de preproductie- of productiefase.

Uit te voeren acties

De organisatie ondersteunen van forums voor de ontwikkeling, financiering, coproductie en distributie van Europese (of hoofdzakelijk Europese) werken en programma's.

Marketing- en verkoopbevorderingscampagnes voor Europese film- en audiovisuele programma's tijdens de productiefase opzetten en lanceren.

4.2.   De toegang van het Europese en internationale publiek tot Europese audiovisuele werken verbeteren

Operationele doelstellingen en uit te voeren acties

Audiovisuele festivals ertoe aanmoedigen voornamelijk of voor een belangrijk deel Europese werken in hun programma op te nemen en ze daarbij ondersteunen.

Voorrang en ondersteuning verlenen aan festivals die werken uit lidstaten of regio's met een beperkte audiovisuele productiecapaciteit en werken van jonge Europese filmmakers helpen promoten en die de verscheidenheid van cultuur en taal en de dialoog tussen culturen bevorderen.

Aanmoedigen tot en ondersteuning bieden voor initiatieven voor beeldeducatie van jongeren in het kader van festivals, bij voorkeur in nauwe samenwerking met scholen en andere instellingen.

Aanmoedigen tot en ondersteuning bieden voor initiatieven van professionele actoren, met name bioscoopeigenaren, publieke of commerciële televisiezenders, festivals en culturele instanties, die in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie activiteiten organiseren om Europese films en audiovisuele werken bij het grote publiek te promoten.

Aanmoedigen tot en ondersteuning bieden voor de organisatie van evenementen waaraan door de media ruime aandacht wordt besteed, zoals prijsuitreikingen en Europese Bioscoopdagen.

4.3.   Gezamenlijke acties van nationale instellingen voor de promotie van film en audiovisuele programma's aanmoedigen

Operationele doelstelling

Aanmoedigen tot het opzetten van netwerken en tot coördinatie van Europese gezamenlijke acties en projecten.

Uit te voeren acties

Het opzetten van Europese promotieplatforms ondersteunen.

Europese groeperingen en overkoepelende organisaties van nationale en/of regionale promotie-instanties op de Europese en de internationale markt ondersteunen.

Het opzetten van netwerken van festivals, en met name de uitwisseling van programmering en expertise ondersteunen.

Het samenbrengen van projecten met identieke, soortgelijke en/of complementaire doelstellingen ondersteunen.

Het opzetten van netwerken van gegevensbanken en catalogi ondersteunen.

4.4.   De promotie van en de toegang tot het Europese film- en audiovisuele erfgoed aanmoedigen

Operationele doelstelling en uit te voeren actie

Aanmoedigen tot en ondersteuning bieden bij de organisatie van evenementen die het Europees film- en audiovisueel erfgoed promoten, met name bij jongeren.

5.   Proefprojecten

Operationele doelstelling

Ervoor zorgen dat het programma aansluit bij marktontwikkelingen, met name in verband met de invoering en het gebruik van informatie- en communicatietechnologieën.

Uit te voeren acties

Proefprojecten ondersteunen op gebieden die worden geacht te kunnen worden beïnvloed door de invoering en het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën.

Zorgen voor een ruime verspreiding van de resultaten van de proefprojecten door de organisatie van conferenties en online- en offline-evenementen, om tot de verspreiding van goede praktijken aan te moedigen.

HOOFDSTUK II

UITVOERINGSVOORWAARDEN VAN DE ACTIES

1.   Communautaire steun

1.1.   Aandeel van de bijdrage van de Gemeenschap in de kosten van de gesteunde acties

De financiële bijdrage van MEDIA bedraagt maximaal 50 % van de kosten van de gesteunde acties, behalve in de hieronder beschreven gevallen.

a)

opleidingsacties in landen of gebieden met een geringe audiovisuele productiecapaciteit en/of met een klein geografisch of taalgebied;

b)

projecten die zijn ingediend in het kader van de onderdelen ontwikkeling, distributie/verspreiding of promotie en die van belang zijn voor het accentueren van de waarde van de verscheidenheid van taal en cultuur in Europa;

c)

acties zoals beschreven in hoofdstuk I, punt 3 van deze bijlage (distributie en verspreiding) die volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure zijn aangeduid.

De financiële bijdrage van MEDIA bedraagt maximaal 75 % van de kosten van de gesteunde acties indien het gaat om opleidingsactiviteiten in de lidstaten die na 30 april 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden. Aan deze bepaling wordt bijzondere aandacht besteed bij de tussentijdse evaluatie van het programma.

1.2.   Wijze van verlening van de communautaire steun

De Commissie zorgt ervoor dat het programma toegankelijk is en op transparante wijze wordt uitgevoerd.

De communautaire steun wordt verleend in de vorm van subsidies of beurzen.

Wat opleiding betreft, moet, voor zover mogelijk, elk jaar een passend bedrag van de beschikbare middelen aan nieuwe activiteiten worden toegekend.

1.3.   Selectie van de projecten

de bepalingen van dit besluit en de bijlage ervan;

de bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 en Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002.

1.4.   Verdeling van de middelen

De beschikbare middelen zullen als volgt worden verdeeld:

Verwerving en verbetering van vaardigheden

circa 7 %

Ontwikkeling

minstens 20 %

Distributie

minstens 55 %

Promotie

circa 9 %

Proefprojecten

circa 4 %

Horizontale kosten

minstens 5 %

Deze percentages zijn indicatief en kunnen door het bij artikel 11 ingestelde comité worden gewijzigd volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde procedure.

Teneinde een algehele doeltreffendheid en passende uitvoering van de in artikel 1 vastgestelde programmadoelstellingen te verzekeren, dienen communautaire acties zich te concentreren op de ontwikkeling van de krachtens eerdere in overweging 7 vermelde programma's ondernomen acties.

Alle acties worden jaarlijks herzien overeenkomstig de procedure van artikel 10, lid 2, zodat de Gemeenschap kan reageren op de behoeften en de ontwikkeling van de sector.

Om de algehele culturele en industriële doelstellingen van het programma te verzekeren dient het besluit over de jaarlijkse verdeling van de financiële middelen te zijn gebaseerd op een voortdurende monitoring van de doeltreffendheid van de actielijnen van het programma.

2.   Communicatie

2.1.   Commissie

De Commissie kan seminars, colloquia of vergaderingen organiseren ten behoeve van de uitvoering van het programma, en kan de nodige voorlichtings-, publicatie- en verspreidingsactiviteiten ondernemen, met name in verband met de monitoring en evaluatie van het programma. Dergelijke activiteiten kunnen worden gefinancierd door subsidies of via aanbestedingen, of kunnen rechtstreeks door de Commissie worden georganiseerd en gefinancierd.

2.2.   MEDIA-desks en MEDIA-antennes

a)

de professionele actoren in de audiovisuele sector voorlichten over de verschillende vormen van steun die het beleid van de Europese Unie hun te bieden heeft;

b)

bekendheid geven aan het programma en het promoten;

c)

zoveel mogelijk professionele actoren ertoe aanmoedigen aan de activiteiten van het programma deel te nemen;

d)

de professionele actoren helpen bij het indienen van hun projecten in het kader van oproepen tot het indienen van voorstellen;

e)

grensoverschrijdende samenwerking tussen professionele actoren, instellingen en netwerken bevorderen;

f)

de Commissie helpen contacten te onderhouden met de verschillende ondersteunende instanties in de lidstaten, zodat de acties in het kader van het programma en de nationale steunmaatregelen elkaar aanvullen;

g)

informatie over de nationale audiovisuele markten ter beschikking stellen van belangstellenden.

3.   Voorlichting over de Europese audiovisuele markt en participatie in het Waarnemingscentrum en mogelijke samenwerking met het Eurimages-steunfonds van de Raad van Europa

Het programma vormt de rechtsgrondslag voor de uitgaven die nodig zijn voor de monitoring van de communautaire instrumenten voor het audiovisuele beleid.

Het programma voorziet in de voortzetting van de participatie van de Europese Unie in het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. Deze participatie bevordert de toegang van bedrijven in de sector tot informatie alsook de informatieverspreiding, en draagt tevens bij tot de transparantie van het productieproces. In het kader van het programma zou de Europese Unie tevens kunnen nagaan of samenwerking (uitgezonderd in financiële en administratieve aangelegenheden) met het Eurimages-steunfonds van de Raad van Europa mogelijk is, teneinde het concurrentievermogen van de Europese audiovisuele sector op de internationale markt te bevorderen.

4.   Beheerstaken

De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens worden gebruikt ter dekking van uitgaven voor voorbereidings-, monitorings-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten die direct noodzakelijk zijn voor het beheer en voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, met name studies, vergaderingen, voorlichtings- en publicatieactiviteiten, uitgaven in verband met IT-netwerken voor informatie-uitwisseling en alle eventuele andere uitgaven voor administratieve en technische bijstand die de Commissie verricht bij het beheer van het programma. Deskundigen van de technische adviesgroepen of van andere evaluatie- en selectieprocedures kunnen een passende vergoeding ontvangen.

Bij de uitvoering van het programma zorgt de Commissie ervoor dat de doelstellingen en prioriteiten van artikel 1 worden nageleefd en dat de culturele verscheidenheid van Europa op evenwichtige wijze in de deelneming van de professionele actoren aan het programma wordt weerspiegeld.

5.   Controles en audits

Voor de projecten die volgens de procedure van artikel 9 zijn geselecteerd, wordt een systeem van steekproefsgewijze audits ingesteld.

De subsidieontvanger houdt alle bewijsstukken van uitgaven gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat eventuele bewijsstukken in het bezit van partners of leden ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie hetzij rechtstreeks door haar personeel, hetzij door een door haar gekozen bevoegde externe instantie aan een audit te laten onderwerpen. Deze audits kunnen worden verricht gedurende de volledige looptijd van de overeenkomst, alsook gedurende een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie tot terugvordering besluit.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot de kantoren van de subsidieontvanger en tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits goed uit te voeren.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, en met name het recht van toegang.

Om de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden te beschermen is de Commissie krachtens Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (1) bovendien gemachtigd ter plaatse controles en verificaties in het kader van het programma uit te voeren. Eventueel voert het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) onderzoek uit krachtens Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (2).


(1)  PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

(2)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.


Top