Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005R2150

Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie van 23 december 2005 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor een flexibel gebruik van het luchtruim (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 342, 24.12.2005, p. 20–25 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 07 Volume 015 P. 86 - 91
Special edition in Romanian: Chapter 07 Volume 015 P. 86 - 91
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 016 P. 3 - 8

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/2150/oj

24.12.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 342/20


VERORDENING (EG) Nr. 2150/2005 VAN DE COMMISSIE

van 23 december 2005

tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor een flexibel gebruik van het luchtruim

(Voor de EER relevante tekst)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (1), en met name op artikel 7, lid 3,

Gelet op Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (de kaderverordening) (2), en met name op artikel 8, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Flexibel gebruik van het luchtruim is een door de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) beschreven en door de Europese Organisatie voor de veiligheid van de luchtvaart (Eurocontrol) ontwikkeld begrip uit het luchtruimbeheer dat inhoudt dat het luchtruim niet als een zuiver civiele of zuiver militaire ruimte mag worden aangemerkt, maar veeleer moet worden beschouwd als één continuüm waarbinnen zoveel mogelijk aan alle gebruikerseisen recht moet worden gedaan.

(2)

Eurocontrol heeft overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 549/2004 een mandaat gekregen om de Europese Commissie bij te staan bij de ontwikkeling van uitvoeringsregels inzake een flexibel gebruik van het luchtruim. Deze verordening houdt ten volle rekening met het daaruit voortvloeiende mandaatverslag van 30 december 2004 dat door Eurocontrol is uitgebracht.

(3)

Deze verordening heeft geen betrekking op militaire operaties en trainingen, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004.

(4)

De lidstaten hebben zich er in een verklaring over militaire kwesties die verband houden met het gemeenschappelijke Europese luchtruim (3) toe verbonden dat zij zullen samenwerken, rekening houdend met de nationale militaire behoeften, om ervoor te zorgen dat „flexibel gebruik van het luchtruim” in alle lidstaten door alle gebruikers van het luchtruim volledig en uniform wordt toegepast.

(5)

In het verslag dat in oktober 2001 gezamenlijk door de Prestatietoetseenheid (Performance Review Unit) van Eurocontrol en het Agentschap Eurocontrol is uitgebracht, is vermeld dat er aanzienlijke ruimte is voor verbetering in de huidige toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim in Europa. Nu moeten gemeenschappelijke regels worden vastgesteld die uitvoering geven aan die verbetering.

(6)

Flexibel gebruik van het luchtruim omvat mede het luchtruim boven volle zee. De toepassing ervan moet de rechten en verplichtingen van de lidstaten krachtens het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944 (Verdrag van Chicago) en de bijlagen daarbij en het VN-Verdrag inzake het recht van de zee van 1982 onverlet laten.

(7)

Voor sommige activiteiten moet een deel van het luchtruim gedurende bepaalde perioden worden gereserveerd voor exclusief of specifiek gebruik, wegens de kenmerken van het vluchtprofiel of de risicoaspecten en de noodzaak ervoor te zorgen dat deze activiteiten op doeltreffende en veilige wijze worden gescheiden van het overige luchtverkeer.

(8)

Voor een doeltreffende en geharmoniseerde toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim in de Gemeenschap zijn duidelijke en onderling samenhangende regels inzake civiel-militaire coördinatie vereist waarbij rekening dient te worden gehouden met de eisen van alle gebruikers en met de aard van hun diverse activiteiten.

(9)

Doeltreffende procedures voor civiel-militaire coördinatie moeten berusten op regels en normen die een efficiënt gebruik van het luchtruim door alle gebruikers garanderen.

(10)

Bij de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim is het van essentieel belang samenwerking tussen aangrenzende lidstaten te bevorderen en rekening te houden met grensoverschrijdende activiteiten.

(11)

Verschillen in de organisatie van civiel-militaire samenwerking binnen de Gemeenschap beperken de mogelijkheden voor een uniform en adequaat beheer van het luchtruim. Het is daarom van essentieel belang personen en/of organisaties aan te wijzen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim in de verschillende lidstaten. Informatie daarover dient aan de overige lidstaten ter beschikking te worden gesteld.

(12)

Samenhangende procedures voor civiel-militaire coördinatie en het gebruik van het gemeenschappelijk luchtruim zijn een belangrijke voorwaarde voor de vaststelling van functionele luchtruimblokken zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 549/2004.

(13)

Flexibel gebruik van het luchtruim betreft luchtruimbeheer op strategisch, pretactisch en tactisch niveau; dit zijn afzonderlijke, doch onderling sterk afhankelijke beheersfuncties die derhalve op samenhangende wijze moeten worden verricht om een efficiënt gebruik van het luchtruim te garanderen.

(14)

De programma’s voor luchtruimbeheer die thans in het kader van de samenwerking op Europees niveau worden ontwikkeld moeten het mogelijk maken geleidelijk de nodige samenhang te bereiken op het gebied van luchtruimbeheer, het beheer van luchtverkeersstromen en de verlening van luchtverkeersdiensten.

(15)

Wanneer binnen hetzelfde luchtruim meerdere luchtvaartactiviteiten plaatsvinden die echter aan verschillende eisen moeten voldoen, moet de coördinatie daarvan streven naar zowel een veilig vluchtverloop als een optimaal gebruik van het beschikbare luchtruim.

(16)

Correcte informatie over de luchtruimstatus en over specifieke luchtverkeerssituaties en de tijdige verstrekking daarvan aan de civiele en militaire verkeersleiders heeft een direct effect op de veiligheid en efficiëntie van de vluchten.

(17)

Tijdige toegang tot actuele informatie over de luchtruimstatus is van essentieel belang voor alle belanghebbenden die gebruik willen maken van de beschikbaar gestelde luchtruimstructuren, bij het indienen of opnieuw indienen van hun vluchtplan.

(18)

Regelmatige toetsing van het luchtruimgebruik is een belangrijk instrument om het vertrouwen tussen civiele en militaire dienstverleners en gebruikers te versterken en is essentieel voor het verbeteren van de inrichting en het beheer van het luchtruim.

(19)

Het jaarlijkse verslag over de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim, zoals bedoeld in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 551/2004, dient informatie te bevatten die is verzameld in het licht van de oorspronkelijke doelstellingen en er uitsluitend op is gericht beter recht te doen aan de eisen van de gebruikers.

(20)

Er dient te worden voorzien in een overgangsperiode om te voldoen aan de eisen inzake coördinatie tussen civiele eenheden voor luchtverkeersdiensten en militaire eenheden voor luchtverkeersdiensten en/of militaire luchtverkeersleidingseenheden.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijk luchtruim dat is ingesteld bij artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 549/2004,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening versterkt en harmoniseert de toepassing, binnen het gemeenschappelijk Europees luchtruim, van flexibel gebruik van het luchtruim, zoals omschreven in artikel 2, punt 22, van Verordening (EG) nr. 549/2004, met het doel het luchtruimbeheer en de luchtverkeersbeveiliging te vergemakkelijken binnen de grenzen van het gemeenschappelijk vervoersbeleid.

Deze verordening stelt in het bijzonder regels vast voor een betere samenwerking tussen de voor de luchtverkeersbeveiliging verantwoordelijke civiele en militaire entiteiten die in het luchtruim actief zijn onder de verantwoordelijkheid van de lidstaten.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening gelden de bij Verordening (EG) nr. 549/2004 vastgestelde definities.

2.   Voorts wordt, naast de in lid 1 bedoelde definities, verstaan onder:

a)

„luchtruimbeheerscel (AMC)” (AMC — airspace management cell): een cel die verantwoordelijk is voor het dagelijks beheer van het luchtruim onder de verantwoordelijkheid van een of meer lidstaten;

b)

„gereserveerd luchtruim”: een welomschreven deel van het luchtruim dat tijdelijk gereserveerd is voor exclusief of specifiek gebruik door bepaalde categorieën gebruikers;

c)

„luchtruim met restricties”: een welomschreven deel van het luchtruim waarbinnen op vastgestelde tijdstippen voor de vluchtoperaties gevaarlijke activiteiten kunnen plaatsvinden („gevarengebied”), dan wel het luchtruim boven het grondgebied of de territoriale wateren van een staat waarbinnen vluchtoperaties worden beperkt volgens vastgestelde voorwaarden („aan restricties gebonden gebied”), of het luchtruim boven het grondgebied of de territoriale wateren van een staat waarbinnen vluchtoperaties verboden zijn („verboden gebied”);

d)

„luchtruimstructuur”: een specifiek gedeelte van het luchtruim dat is ingericht om veilige en optimale vluchtoperaties te garanderen;

e)

„eenheid voor luchtverkeersdiensten (ATS-eenheid)” (ATS — air traffic services): een civiele of militaire eenheid die verantwoordelijk is voor het verlenen van luchtverkeersdiensten;

f)

„civiel-militaire coördinatie”: de coördinatie tussen civiele en militaire instanties die gemachtigd zijn om besluiten te nemen en een aanpak overeen te komen;

g)

„militaire luchtverkeersleidingseenheid”: een vaste of mobiele militaire eenheid die belast is met de begeleiding van militair luchtverkeer en/of andere activiteiten die door hun specifieke karakter een gereserveerd luchtruim of een luchtruim met restricties kunnen vereisen;

h)

„grensoverschrijdend luchtruim”: een luchtruimstructuur die zich over nationale grenzen en/of grenzen van vluchtinformatiegebieden uitstrekt;

i)

„voorgenomen vlucht”: het vluchtpad en de bijbehorende vluchtgegevens die betrekking hebben op het geplande traject van een vlucht tot aan zijn bestemming, en die voortdurend worden bijgewerkt;

j)

„vluchtpad”: het door een vliegtuig gevolgde pad door de lucht, dat in drie dimensies wordt gedefinieerd;

k)

„real time”: het werkelijke tijdstip waarop een proces of voorval plaatsvindt;

l)

„separatie”: de scheiding die wordt aangebracht tussen vliegtuigen, niveaus of vliegkoersen;

m)

„gebruikers”: civiele of militaire vliegtuigen die in de lucht opereren, alsook andere partijen die luchtruim nodig hebben.

Artikel 3

Beginselen

„Flexibel gebruik van het luchtruim” berust op de volgende beginselen:

a)

de coördinatie tussen de civiele en de militaire autoriteiten wordt georganiseerd op het strategische, het pretactische en het tactische niveau van het luchtruimbeheer via de vaststelling van overeenkomsten en procedures die de veiligheid en de capaciteit van het luchtruim moeten vergroten en de efficiëntie en flexibiliteit van de vluchtoperaties moeten verbeteren;

b)

de samenhang tussen luchtruimbeheer, regeling van luchtverkeersstromen en verlening van luchtverkeersdiensten wordt tot stand gebracht en gehandhaafd op de drie onder a) genoemde niveaus van het luchtruimbeheer met het doel voor alle gebruikers tot een efficiënte planning, toewijzing en gebruik van het luchtruim te komen;

c)

het aanwijzen van gereserveerd luchtruim voor exclusief of specifiek gebruik door bepaalde categorieën gebruikers is van tijdelijke aard, en vindt alleen plaats gedurende beperkte perioden op basis van het werkelijke gebruik; het betrokken luchtruim wordt weer vrijgegeven zodra de activiteit waarvoor het werd gereserveerd wordt beëindigd;

d)

de lidstaten gaan samenwerking aan met het oog op een doeltreffende en samenhangende toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim over nationale grenzen en/of grenzen van vluchtinformatiegebieden heen, en met name op de aanpak van grensoverschrijdende activiteiten; deze samenwerking bestrijkt alle relevante juridische, operationele en technische aspecten;

e)

eenheden voor luchtverkeersdiensten en gebruikers maken optimaal gebruik van het beschikbare luchtruim.

Artikel 4

Strategisch luchtruimbeheer (niveau 1)

1.   De lidstaten vervullen de volgende taken:

a)

zij dragen zorg voor de algemene toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim op strategisch, pretactisch en tactisch niveau;

b)

zij evalueren regelmatig de eisen van de gebruikers;

c)

zij keuren de activiteiten goed die gereserveerd luchtruim of luchtruim met restricties vereisen;

d)

zij stellen tijdelijke luchtruimstructuren en procedures vast om een breed aanbod van gereserveerd luchtruim en routes mogelijk te maken;

e)

zij stellen criteria en procedures vast voor de invoering en het gebruik van aanpasbare horizontale en verticale luchtruimgrenzen om tegemoet te komen aan uiteenlopende vluchtpadvariaties en op korte termijn optredende vluchtwijzigingen;

f)

zij evalueren de nationale luchtruimstructuren en het nationale routenetwerk met het oog op de planning van flexibele luchtruimstructuren en procedures;

g)

zij stellen de specifieke voorwaarden vast waaronder de verantwoordelijkheid voor de separatie van civiele en militaire vluchten berust bij de eenheden voor luchtverkeersdiensten of de militaire luchtverkeersleidingseenheden;

h)

zij ontwikkelen het gebruik van grensoverschrijdend luchtruim met aangrenzende lidstaten wanneer de verkeersstromen en de activiteiten van de gebruikers dit vereisen;

i)

zij coördineren hun beleid voor het luchtruimbeheer met dat van aangrenzende lidstaten om gezamenlijk het gebruik van het luchtruim over nationale grenzen en/of grenzen van vluchtinformatiegebieden heen te kunnen regelen;

j)

in nauwe samenwerking en coördinatie met aangrenzende lidstaten zetten zij luchtruimstructuren op en stellen zij deze ter beschikking van gebruikers, wanneer de betrokken luchtruimstructuren een aanzienlijk effect hebben op het de nationale grenzen en/of de grenzen van vluchtinformatiegebieden overschrijdende verkeer, met het doel te zorgen voor een optimaal luchtruimgebruik voor alle gebruikers in de Gemeenschap;

k)

zij stellen samen met aangrenzende lidstaten één gemeenschappelijke reeks normen vast voor de separatie tussen civiele en militaire vluchten bij grensoverschrijdende acitiviteiten;

l)

zij zetten mechanismen op voor overleg tussen de in lid 3 bedoelde personen en organisaties en alle relevante partners en organisaties om ervoor te zorgen dat recht wordt gedaan aan de eisen van de gebruikers;

m)

zij evalueren en toetsen de luchtruimprocedures en de toepassing van het flexibel gebruik van het luchtruim;

n)

zij zetten mechanismen op voor de archivering van gegevens over de aanvragen om, de toewijzing van en het daadwerkelijke gebruik van luchtruimstructuren, met het oog op verdere analyse en planning.

Deze onder g) bedoelde voorwaarden worden gedocumenteerd en daarmee wordt rekening gehouden bij de in artikel 7 bedoelde veiligheidsevaluatie.

2.   In lidstaten waar zowel civiele als militaire autoriteiten verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het luchtruimbeheer, worden de in lid 1 genoemde taken vervuld via een gezamenlijk civiel-militair proces.

3.   De lidstaten wijzen de personen of organisaties aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde taken en melden deze bij de Commissie. De Commissie houdt een lijst van alle aangewezen personen en organisaties bij en maakt deze bekend teneinde de samenwerking tussen de lidstaten te bevorderen.

Artikel 5

Pretactisch luchtruimbeheer (niveau 2)

1.   De lidstaten gaan over tot benoeming of oprichting van een luchtruimbeheerscel die het luchtruim moet toewijzen overeenkomstig de voorwaarden en procedures van artikel 4, lid 1.

In lidstaten waar zowel civiele als militaire autoriteiten verantwoordelijk zijn voor of betrokken zijn bij het luchtruimbeheer geschiedt zulks in de vorm van een gezamenlijke civiel-militaire cel.

2.   Twee of meer lidstaten kunnen een gezamenlijke luchtruimbeheerscel oprichten.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat passende ondersteunende systemen worden opgezet om de luchtruimbeheerscel in staat te stellen haar taken met betrekking tot de toewijzing van het luchtruim te vervullen en tijdig de beschikbaarheid van luchtruim mede te delen aan alle betrokken gebruikers, luchtruimbeheerscellen, verleners van luchtverkeersdiensten, alsmede alle relevante partners en organisaties.

Artikel 6

Tactisch luchtruimbeheer (niveau 3)

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat civiel-militaire procedures voor de coördinatie en faciliteiten voor de communicatie tussen relevante eenheden voor luchtverkeersdiensten en militaire luchtverkeersleidingseenheden worden opgezet die het mogelijk maken gegevens over het luchtruim uit te wisselen met het oog op het in real time activeren, deactiveren of opnieuw toewijzen van op pretactisch niveau toegewezen luchtruim.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken militaire luchtverkeersleidingseenheden en eenheden voor luchtverkeersdiensten tijdig en op doeltreffende wijze informatie over elke wijziging in de geplande activering van het desbetreffende luchtruim uitwisselen en alle betrokken gebruikers in kennis stellen van de werkelijke status van het luchtruim.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat procedures voor de coördinatie en systemen voor wederzijdse ondersteuning tussen eenheden voor luchtverkeersdiensten en militaire luchtverkeersleidingseenheden worden opgezet om het beheer van de interactie tussen civiele en militaire vluchten veilig te doen verlopen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat procedures voor coördinatie tussen civiele en militaire eenheden voor luchtverkeersdiensten worden opgezet om directe uitwisseling van relevante informatie mogelijk te maken voor het oplossen van specifieke verkeerssituaties waarbij civiele en militaire luchtverkeersleiders diensten verlenen in hetzelfde deel van het luchtruim. Deze informatie wordt met name wanneer zij om veiligheidsredenen is vereist, beschikbaar gesteld aan civiele en militaire luchtverkeersleiders en militaire luchtverkeersleidingseenheden via een tijdige uitwisseling van vluchtgegevens, inclusief positie en voorgenomen vlucht van de vliegtuigen.

5.   Bij grensoverschrijdende activiteiten zorgen de lidstaten ervoor dat een gemeenschappelijke reeks procedures voor het beheer van specifieke verkeerssituaties en ter verbetering van het real time luchtruimbeheer wordt overeengekomen tussen civiele eenheden voor luchtverkeersdiensten en militaire eenheden voor luchtverkeersdiensten en/of militaire luchtverkeersleidingseenheden waarvoor deze activiteiten relevant zijn.

Artikel 7

Veiligheidsevaluatie

Om de bestaande veiligheidsniveaus te handhaven of te verhogen zorgen de lidstaten ervoor dat in het kader van een veiligheidsbeheersproces een veiligheidsevaluatie, die mede risico-inventarisatie, -evaluatie en –vermindering omvat, wordt uitgevoerd voordat enige wijziging in de toepassing van het flexibel gebruik van het luchtruim wordt aangebracht.

Artikel 8

Verslaglegging

In het jaarlijkse verslag over het flexibel gebruik van het luchtruim als bedoeld in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 551/2004, nemen de lidstaten de in de bijlage bij deze verordening genoemde elementen op.

Artikel 9

Toezicht op de naleving

De lidstaten zien door middel van inspecties, onderzoeken en veiligheidsaudits toe op de naleving van deze verordening.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6 is twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2005.

Voor de Commissie

Jacques BARROT

Vicevoorzitter


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(2)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(3)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 9.


BIJLAGE

LIJST VAN VERPLICHTE ELEMENTEN IN HET JAARLIJKSE VERSLAG OVER DE TOEPASSING VAN FLEXIBEL GEBRUIK VAN HET LUCHTRUIM

Algemene beschrijving van de nationale organisatie en van de verantwoordelijkheden op niveau 1, niveau 2 en niveau 3 van de toepassing van flexibel gebruik van het luchtruim.

Evaluatie van het functioneren van overeenkomsten, procedures en ondersteunende systemen op het strategische, het pretactische en het tactische niveau van het luchtruimbeheer. Bij deze evaluatie wordt gekeken naar de veiligheid, de luchtruimcapaciteit, de efficiëntie en de flexibiliteit van de vluchtoperaties van alle gebruikers.

Problemen die zijn opgetreden bij de toepassing van deze verordening, getroffen maatregelen en noodzakelijke wijzigingen.

Resultaat van nationale inspecties, onderzoeken en veiligheidsaudits.

Samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van luchtruimbeheer en met name wat betreft de totstandbrenging en het beheer van het grensoverschrijdende luchtruim en grensoverschrijdende activiteiten.


Top