Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005R0768

Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid

OJ L 128, 21.5.2005, p. 1–14 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 164M , 16.6.2006, p. 36–49 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 04 Volume 008 P. 69 - 82
Special edition in Romanian: Chapter 04 Volume 008 P. 69 - 82
Special edition in Croatian: Chapter 04 Volume 005 P. 82 - 95

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2005/768/oj

21.5.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 128/1


VERORDENING (EG) Nr. 768/2005 VAN DE RAAD

van 26 april 2005

tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2) moeten de lidstaten zorgen voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving inzake de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid en daartoe onderling en met derde landen samenwerken.

(2)

Om aan deze verplichtingen te voldoen, moeten de lidstaten de controles en inspecties op hun landgebied, in communautaire wateren en internationale wateren coördineren in overeenstemming met het internationale recht en, in het bijzonder, de verplichtingen van de Gemeenschap in het kader van regionale visserijorganisaties en overeenkomsten met derde landen.

(3)

Een inspectieregeling kan niet kosteneffectief zijn als er geen inspecties aan wal plaatsvinden. Daarom moeten de gezamenlijke inzetplannen ook het landgebied bestrijken.

(4)

Een dergelijke samenwerking moet, door middel van een operationele coördinatie van de controles en inspecties, bijdragen tot de duurzame exploitatie van levende aquatische hulpbronnen en zorgen voor gelijke voorwaarden voor de gehele bij deze exploitatie betrokken visserijsector, waardoor de concurrentieverstoring afneemt.

(5)

Effectieve visserijcontroles en -inspecties zijn essentieel met het oog op de bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij (IUU).

(6)

Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten die voortvloeien uit Verordening (EG) nr. 2371/2002 is voor de organisatie van de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten inzake visserijcontroles en -inspecties een technisch en administratief orgaan van de Gemeenschap nodig.

(7)

Hiertoe dient, binnen de institutionele structuur van de Gemeenschap en rekening houdend met de verdeling van bevoegdheden tussen de Commissie en de lidstaten, een Communautair Bureau voor visserijcontrole (hierna „het Bureau” genoemd) te worden opgericht.

(8)

Voor de verwezenlijking van de doelstellingen waarvoor het Bureau wordt opgericht, moet worden vastgesteld wat zijn taken zijn.

(9)

Het Bureau moet met name in staat zijn om, op verzoek van de Commissie, de Gemeenschap en de lidstaten bij te staan bij hun betrekkingen met derde landen en/of regionale visserijorganisaties en met hun bevoegde autoriteiten samen te werken in het kader van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap.

(10)

Bovendien moet worden toegewerkt naar een effectieve toepassing van communautaire inspectieprocedures. Het Bureau zou mettertijd een referentiebron inzake wetenschappelijke en technische bijstand voor visserijcontroles en -inspecties kunnen worden.

(11)

Ter verwezenlijking van het oogmerk van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zijnde de duurzame exploitatie van levende aquatische hulpbronnen in het kader van een duurzame ontwikkeling, moet de Raad maatregelen vaststellen betreffende de instandhouding, het beheer en de exploitatie van levende aquatische hulpbronnen.

(12)

Met het oog op een deugdelijke handhaving van die maatregelen moeten de lidstaten toereikende middelen voor controle en handhaving inzetten. Om die controle en handhaving effectiever en efficiënter te maken, dient de Commissie volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure en in overleg met de betrokken lidstaten specifieke controle- en inspectieprogramma's vast te stellen. Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (3) moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Het Bureau moet de operationele samenwerking tussen de lidstaten coördineren op basis van gezamenlijke inzetplannen waarin het gebruik van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen van de betrokken lidstaten wordt georganiseerd met het oog op de uitvoering van controle- en inspectieprogramma's. De door de lidstaten verrichte visserijcontroles en -inspecties moeten plaatsvinden op grond van gemeenschappelijke criteria, prioriteiten, benchmarks en procedures betreffende controles en inspecties op basis van die programma’s.

(14)

Indien er een controle- en inspectieprogramma wordt vastgesteld, zijn de lidstaten ertoe verplicht de voor de uitvoering van dat programma benodigde middelen effectief ter beschikking te stellen. De lidstaten moeten de controle- en inspectiemiddelen waarmee zij voornemens zijn uitvoering aan dat programma te geven onverwijld bij het Bureau aanmelden. Een gezamenlijk inzetplan mag niet leiden tot het opleggen van extra verplichtingen inzake controle, inspectie en handhaving of met betrekking tot het beschikbaar stellen van de in deze context noodzakelijke middelen.

(15)

Het Bureau mag geen gezamenlijk inzetplan opstellen dat niet in het werkprogramma is opgenomen.

(16)

Het werkprogramma moet worden vastgesteld door de raad van bestuur, die voor voldoende consensus moet zorgen, onder meer ten aanzien van de koppeling van de in het werkprogramma voor het Bureau geplande taken en de middelen waarover het Bureau kan beschikken, op basis van de door de lidstaten te verstrekken informatie.

(17)

De uitvoerend directeur heeft als voornaamste taak er in zijn overleg met de leden van de raad van bestuur en met de lidstaten voor te zorgen dat er tegenover de in het werkprogramma van elk jaar vertolkte ambities toereikende middelen staan die de lidstaten met het oog op de uitvoering van het werkprogramma aan het Bureau ter beschikking stellen.

(18)

De uitvoerend directeur moet in het bijzonder nauwkeurige inzetplannen opstellen waarvoor gebruik wordt gemaakt van de middelen die de lidstaten voor de uitvoering van elk controle- en inspectieplan ter beschikking stellen en waarin de regels en doeleinden van het specifieke controle- en inspectieprogramma, alsmede andere toepasselijke regels, bijvoorbeeld de regels inzake communautaire inspecteurs, in acht worden genomen.

(19)

In dit verband is het zaak dat de uitvoerend directeur tijdschema's hanteert die de lidstaten in de gelegenheid stellen op grond van hun operationele deskundigheid opmerkingen te plaatsen zonder het werkprogramma van het Bureau en de bij deze verordening ingestelde termijnen te buiten te gaan. Om voor een efficiënte en tijdige coördinatie van de gezamenlijke controles en inspecties te kunnen zorgen, moet worden voorzien in een procedure die besluitvorming over de vaststelling van de inzetplannen mogelijk maakt ingeval de betrokken lidstaten onderling niet tot een akkoord kunnen komen.

(20)

Voor de opstelling en vaststelling van gezamenlijke inzetplannen voor operaties buiten de communautaire wateren moet een soortgelijke procedure worden gevolgd als voor operaties in communautaire wateren. Een dergelijk gezamenlijk inzetplan moet berusten op een controle- en inspectieprogramma waarmee uitvoering wordt gegeven aan bindende internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie.

(21)

Voor de uitvoering van gezamenlijke inzetplannen moeten de betrokken lidstaten hun voor die inzetplannen toegezegde controle- en inspectiemiddelen bundelen en inzetten. Het Bureau moet beoordelen of de beschikbare controle- en inspectiemiddelen toereikend zijn en in voorkomend geval de betrokken lidstaten en de Commissie ervan verwittigen dat er onvoldoende middelen zijn om de krachtens het controle- en inspectieprogramma vereiste taken te vervullen.

(22)

Hoewel de lidstaten hun controle- en inspectieverplichtingen dienen na te komen, met name hun verplichtingen krachtens het uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma, heeft het Bureau niet de bevoegdheid om door middel van gezamenlijke inzetplannen extra verplichtingen op te leggen, noch om lidstaten sancties op te leggen.

(23)

Het Bureau moet de gezamenlijke inzetplannen regelmatig beoordelen op hun doeltreffendheid.

(24)

Het is passend te voorzien in de mogelijkheid om specifieke uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de opstelling en goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen. Het kan nuttig zijn van de mogelijkheid gebruik te maken wanneer het Bureau zijn werkzaamheden heeft aangevangen en de uitvoerend directeur van oordeel is dat dergelijke bepalingen in de communautaire wetgeving moeten worden opgenomen.

(25)

Het Bureau moet het recht hebben om, op verzoek, op contractbasis diensten te verlenen met betrekking tot controle- en inspectiemiddelen die door de betrokken lidstaten voor gezamenlijke inzet worden gebruikt.

(26)

Met het oog op de vervulling van de taken van het Bureau moeten de Commissie, de lidstaten en het Bureau via een informatienetwerk relevante informatie inzake controle en inspectie uitwisselen.

(27)

De status en de structuur van het Bureau moeten in overeenstemming zijn met het objectieve karakter van de resultaten die het geacht wordt te produceren en moeten het in staat stellen zijn functie uit te oefenen in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie. Daarom moet het Bureau juridische, financiële en bestuurlijke autonomie krijgen, maar tegelijkertijd nauwe banden onderhouden met de instellingen van de Gemeenschap en de lidstaten. Daartoe moet het Bureau een communautair orgaan met rechtspersoonlijkheid zijn dat de bevoegdheden uitoefent die bij deze verordening aan het orgaan worden verleend.

(28)

Voor de contractuele aansprakelijkheid van het Bureau, waarvoor het recht geldt dat van toepassing is op het door het Bureau gesloten contract, is het Hof van Justitie bevoegd uitspraak te doen overeenkomstig eventuele arbitrageclausules in het contract. Het Hof van Justitie is eveneens bevoegd in geschillen met betrekking tot de vergoeding van eventuele schade die uit de niet-contractuele aansprakelijkheid van het Bureau voortvloeit, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.

(29)

De Commissie en de lidstaten moeten vertegenwoordigd zijn in een raad van bestuur die moet toezien op het correct en doelmatig functioneren van het Bureau.

(30)

Er moet een raad van advies worden ingesteld die de uitvoerend directeur adviseert en instaat voor nauwe samenwerking met belanghebbenden.

(31)

Aangezien het Bureau moet voldoen aan communautaire verplichtingen en op verzoek van de Commissie moet samenwerken met derde landen en regionale visserijorganisaties in het kader van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap, dient de voorzitter van de raad van bestuur te worden gekozen uit de vertegenwoordigers van de Commissie.

(32)

Bij de stemprocedure in de raad van bestuur moet rekening worden gehouden met de belangen van de lidstaten en de Commissie in de effectieve werking van het Bureau.

(33)

Het is passend dat een vertegenwoordiger van de raad van advies zonder stemrecht aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deelneemt.

(34)

Er moet worden voorzien in regels betreffende de benoeming en het ontslag van de uitvoerend directeur van het Bureau, alsmede in regels voor de uitoefening van zijn functie.

(35)

Om een transparante werking van het Bureau te bevorderen, moet Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (4) onverkort op het Bureau van toepassing zijn.

(36)

In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (5) worden toegepast op de onderhavige verordening.

(37)

Om de functionele autonomie en onafhankelijkheid van het Bureau te garanderen, moet het een eigen begroting krijgen waarvan de inkomsten komen uit een communautaire bijdrage en uit betalingen voor door het Bureau op contractbasis verleende diensten. Voor de communautaire bijdrage en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Europese Unie is de communautaire begrotingsprocedure van toepassing. De controle van de rekeningen moet worden uitgevoerd door de Rekenkamer.

(38)

Om fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten te bestrijden, moet Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (6) onverkort van toepassing zijn op het Bureau, dat het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken die zijn uitgevoerd door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (7), moet ondertekenen.

(39)

De voor de uitvoering van de onderhavige verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel

Bij deze verordening wordt een Communautair Bureau voor visserijcontrole (hierna „het Bureau” genoemd) opgericht, dat tot doel heeft een operationele coördinatie van de visserijcontroles en -inspecties van de lidstaten te organiseren en de lidstaten bij te staan bij hun samenwerking, teneinde te voldoen aan de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid en ervoor te zorgen dat dit beleid effectief en uniform wordt toegepast.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

„controle en inspectie”: in het bijzonder overeenkomstig de artikelen 23, 24 en 28 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de lidstaten getroffen maatregelen voor de controle en inspectie van visserijactiviteiten binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met inbegrip van activiteiten op het gebied van bewaking en toezicht, bijvoorbeeld door het gebruik van satellietvolgsystemen (VMS) en waarnemersregelingen;

b)

„controle- en inspectiemiddelen”: bewakingsvaartuigen, vliegtuigen, voertuigen en andere materiële middelen, alsmede inspecteurs, waarnemers en andere personele middelen die door de lidstaten worden gebruikt voor controle en inspectie;

c)

„gezamenlijk inzetplan”: een plan waarin de operationele regelingen voor het inzetten van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen zijn vastgesteld;

d)

„internationaal controle- en inspectieprogramma”: een programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd met het oog op de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie;

e)

„specifiek controle- en inspectieprogramma”: een op grond van artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vastgesteld programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd;

f)

„visserijtak”: de visserijactiviteiten waarmee bepaalde op grond van met name de artikelen 5 en 6 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de Raad omschreven bestanden worden geëxploiteerd;

g)

„communautaire inspecteurs”: de inspecteurs die zijn opgenomen in de in artikel 28, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde lijst.

HOOFDSTUK II

OPDRACHT EN TAKEN VAN HET BUREAU

Artikel 3

Opdracht

De opdracht van het Bureau bestaat erin:

a)

de door de lidstaten in verband met de controle- en inspectieverplichtingen van de Gemeenschap verrichte controles en inspecties te coördineren;

b)

de door de lidstaten overeenkomstig deze verordening gebundelde inzet van de nationale controle- en inspectiemiddelen te coördineren;

c)

de lidstaten bij de verslaglegging over de visserijactiviteiten en de controles en inspecties aan de Commissie en aan derden bij te staan;

d)

de lidstaten binnen zijn bevoegdheden bij te staan bij het vervullen van hun taken en verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

e)

de lidstaten en de Commissie bij te staan bij het harmoniseren van de toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de hele Gemeenschap;

f)

bij te dragen tot de werkzaamheden van de lidstaten en de Commissie inzake het onderzoek naar en de ontwikkeling van controle- en inspectietechnieken;

g)

bij te dragen tot de coördinatie van de opleiding van inspecteurs en de uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten;

h)

de operaties ter bestrijding van illegale, niet-gemelde en niet-gereglementeerde visserij (IUU) overeenkomstig de communautaire voorschriften te coördineren.

Artikel 4

Taken betreffende de internationale verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie

1.   Op verzoek van de Commissie vervult het Bureau de volgende taken:

a)

de Gemeenschap en de lidstaten bijstaan in hun betrekkingen met derde landen en met de regionale internationale visserijorganisaties waarvan de Gemeenschap lid is;

b)

met betrekking tot de controle- en inspectieverplichtingen van de Gemeenschap samenwerken met de bevoegde autoriteiten van regionale internationale visserijorganisaties, in het kader van met die organisaties gemaakte werkafspraken.

2.   Op verzoek van de Commissie kan het Bureau bij kwesties inzake de controle en inspectie in het kader van tussen de Gemeenschap en derde landen gesloten overeenkomsten samenwerken met de bevoegde autoriteiten van die landen.

3.   Het Bureau mag, binnen zijn bevoegdheden, namens de lidstaten taken vervullen in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Gemeenschap partij is.

Artikel 5

Taken in verband met operationele coördinatie

1.   De operationele coördinatie van het Bureau heeft betrekking op de controle en inspectie van visserijactiviteiten, de invoer, het vervoer en de aanlanding van visserijproducten daaronder begrepen, tot aan het punt van inontvangstneming van die producten door de eerste koper na de aanlanding.

2.   Het Bureau stelt met het oog op de operationele coördinatie gezamenlijke inzetplannen op en organiseert de operationele coördinatie van de controle en inspectie door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk III.

Artikel 6

Contractuele dienstverlening aan lidstaten

Het Bureau kan, op verzoek van een lidstaat, aan die lidstaat op contractbasis diensten verlenen die betrekking hebben op de controle en inspectie in verband met de verplichtingen ten aanzien van de visserij in communautaire en/of internationale wateren, zoals het huren, exploiteren en bemannen van controle- en inspectieplatforms en het ter beschikking stellen van waarnemers voor gezamenlijke operaties door de betrokken lidstaten.

Artikel 7

Bijstand aan lidstaten

Om de lidstaten bij te staan zodat zij beter in staat zijn aan hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid te voldoen, verricht het Bureau in het bijzonder de volgende taken:

a)

opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van de instructeurs van de visserij-inspecteurs van de lidstaten en zorgen voor aanvullende opleidingsstages en seminars voor die inspecteurs en anderen die betrokken zijn bij monitoring-, controle- en inspectiewerkzaamheden;

b)

gezamenlijk aankopen, op verzoek van de lidstaten, van goederen en diensten in verband met de door de lidstaten te verrichten controles en inspecties, alsmede voorbereiden en coördineren van de uitvoering door de lidstaten van gezamenlijke proefprojecten;

c)

uitwerken van gezamenlijke operationele procedures voor de controles en inspecties die gezamenlijk door twee of meer lidstaten worden verricht;

d)

uitwerken van criteria voor de uitwisseling van controle- en inspectiemiddelen tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten en derde landen en voor de verstrekking van die middelen door de lidstaten.

HOOFDSTUK III

OPERATIONELE COÖRDINATIE

Artikel 8

Uitvoering van verplichtingen van de Gemeenschap inzake controle en inspectie

Het Bureau coördineert op verzoek van de Commissie de controles en inspecties die op basis van internationale controle- en inspectieprogramma’s door de lidstaten worden verricht, door middel van gezamenlijke inzetplannen die het daartoe vaststelt.

Artikel 9

Uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma’s

Het Bureau coördineert de uitvoering van de overeenkomstig artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma's door middel van gezamenlijke inzetplannen.

Artikel 10

Uitvoering van gezamenlijke inzetplannen

In elk gezamenlijk inzetplan:

a)

worden de vereisten van het toepasselijke controle- en inspectieprogramma in acht genomen;

b)

wordt praktische toepassing gegeven aan de criteria, de benchmarks, de prioriteiten en de gemeenschappelijke inspectieprocedures die de Commissie in de controle- en inspectieprogramma’s heeft vastgesteld;

c)

wordt getracht de op grond van artikel 11, lid 2, aangemelde bestaande nationale controle- en inspectiemiddelen te koppelen aan de behoeften en de inzet ervan te organiseren;

d)

wordt het gebruik van de personele en materiële hulpmiddelen georganiseerd met betrekking tot de periodes en de gebieden waarin zij moeten worden ingezet, met inbegrip van de werkzaamheden van teams van communautaire inspecteurs uit meer dan een lidstaat;

e)

wordt rekening gehouden met de bestaande verplichtingen van de betrokken lidstaten in het kader van andere gezamenlijke inzetplannen, alsmede met eventuele specifieke regionale of plaatselijke dwingende omstandigheden;

f)

wordt bepaald onder welke voorwaarden de controle- en inspectiemiddelen van een lidstaat zich in wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een andere lidstaat mogen begeven.

Artikel 11

Aanmelding van controle- en inspectiemiddelen

1.   De lidstaten melden het Bureau jaarlijks vóór 15 oktober welke controle- en inspectiemiddelen zij het daaropvolgende jaar voor controle- en inspectiedoeleinden ter beschikking hebben.

2.   Elke lidstaat meldt het Bureau met welke middelen hij voornemens is het op hem toepasselijke internationale of specifieke controle- en inspectieprogramma uit te voeren; die aanmelding geschiedt uiterlijk een maand nadat de lidstaten in kennis zijn gesteld van het besluit tot instelling van het bewuste programma.

Artikel 12

Procedure voor de goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen

1.   De uitvoerend directeur van het Bureau stelt, op basis van de overeenkomstig artikel 11, lid 2, aangemelde middelen en binnen drie maanden na ontvangst van de bedoelde aanmeldingen, in overleg met de betrokken lidstaten een ontwerp op voor een gezamenlijk inzetplan.

2.   In het ontwerp-inzetplan wordt, met het oog op de uitvoering van het controle- en inspectieprogramma waarop het plan betrekking heeft, uitgaande van het belang van de betrokken lidstaten in de visserijtak in kwestie nagegaan welke controle- en inspectiemiddelen kunnen worden gebundeld.

Het belang van een lidstaat in een visserijtak wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarvan het relatieve gewicht kan variëren naar gelang de specifieke kenmerken van elk plan:

a)

de relatieve uitgestrektheid van de wateren onder zijn soevereiniteit of jurisdictie die in voorkomend geval onder het gezamenlijke inzetplan vallen;

b)

de hoeveelheid vis die in een bepaalde referentieperiode op zijn grondgebied wordt aangeland in verhouding tot de totale hoeveelheid die wordt aangeland in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld;

c)

het relatieve aantal communautaire vissersvaartuigen dat de vlag van die lidstaat voert (motorvermogen en brutotonnage) en betrokken is in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld, in verhouding tot het totale aantal vaartuigen dat in die visserijtak betrokken is;

d)

de relatieve omvang van het aan de lidstaat toegewezen quotum of, als geen quotum is vastgesteld, de hoeveelheid vis die hij in een bepaalde referentieperiode in die visserijtak heeft gevangen.

3.   Indien bij de voorbereiding van een ontwerp voor een gezamenlijk inzetplan blijkt dat er onvoldoende controle- en inspectiemiddelen beschikbaar zijn om aan de vereisten van het betreffende controle- en inspectieprogramma te voldoen, stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

4.   De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaten en de Commissie in kennis van het ontwerp-inzetplan. Indien de betrokken lidstaten of de Commissie binnen vijftien werkdagen van die kennisgeving geen bezwaren hebben geuit, stelt de uitvoerend directeur het inzetplan vast.

5.   Indien een of meer lidstaten of de Commissie bezwaren hebben geuit, legt de uitvoerend directeur de kwestie voor aan de Commissie. De Commissie kan het inzetplan, in voorkomend geval met de nodige aanpassingen, vaststellen volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

6.   Elk gezamenlijk inzetplan wordt jaarlijks in overleg met de lidstaten door het Bureau beoordeeld om rekening te houden met elk nieuw controle- en inspectieprogramma dat voor de betrokken lidstaten is vastgesteld, en met door de Commissie in de controle- en inspectieprogramma’s gestelde prioriteiten.

Artikel 13

Uitvoering van de gezamenlijke inzetplannen

1.   De gezamenlijke controles en inspecties worden vericht op basis van de gezamenlijke inzetplannen.

2.   De bij een gezamenlijk inzetplan betrokken lidstaten:

a)

stellen de controle- en inspectiemiddelen ter beschikking die zijn toegezegd voor het gezamenlijke inzetplan;

b)

stellen een nationale contractpersoon/coördinator aan die voldoende bevoegdheden krijgt om tijdig te kunnen reageren op verzoeken van het Bureau met betrekking tot de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan, en stellen het Bureau daarvan in kennis;

c)

zetten hun gebundelde controle- en inspectiemiddelen in, overeenkomstig het gezamenlijke inzetplan en de in lid 4 vermelde vereisten;

d)

verstrekt het Bureau on line toegang tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;

e)

werkt met het Bureau samen bij de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;

f)

zorgt ervoor dat de aan een gezamenlijk inzetplan van de Gemeenschap toegewezen controle- en inspectiemiddelen hun werkzaamheden overeenkomstig de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid verrichten.

3.   Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten in het kader van een krachtens artikel 12 vastgesteld gezamenlijk inzetplan, vallen het bevel over en de controle op de voor een gezamenlijk inzetplan toegezegde controle- en inspectiemiddelen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig het nationale recht.

4.   De uitvoerend directeur kan vereisten vaststellen voor de uitvoering van een krachtens artikel 12 vastgesteld gezamenlijk inzetplan. Die vereisten gelden uitsluitend binnen het kader van het bewuste inzetplan.

Artikel 14

Beoordeling van de gezamenlijke inzetplannen

Elk jaar beoordeelt het Bureau de doeltreffendheid van elk gezamenlijk inzetplan en analyseert het, aan de hand van het beschikbare bewijs, of het risico bestaat dat de visserijactiviteiten niet in overeenstemming zijn met de geldende controlemaatregelen. Deze beoordelingen worden onverwijld toegezonden aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten.

Artikel 15

Visserijtakken waarvoor geen controle- en inspectieprogramma’s zijn vastgesteld

Twee of meer lidstaten kunnen het Bureau verzoeken de inzet van hun controle- en inspectiemiddelen voor een visserijtak of een gebied waarvoor geen controle- en inspectieprogramma is vastgesteld, te coördineren. Deze coördinatie vindt plaats overeenkomstig de controle- en inspectiecriteria en de prioriteiten die de betrokken lidstaten zijn overeengekomen.

Artikel 16

Informatienetwerk

1.   De Commissie, het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen de relevante informatie waarover zij beschikken uit met betrekking tot de gezamenlijke controles en inspecties in communautaire en internationale wateren.

2.   Elke nationale bevoegde autoriteit neemt, overeenkomstig de desbetreffende communautaire wetgeving, maatregelen om het vertrouwelijke karakter van door haar op grond van dit artikel ontvangen gegevens naar behoren te waarborgen, overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

Artikel 17

Uitvoeringsbepalingen

Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit hoofdstuk kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

Deze bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de procedures voor het voorbereiden van ontwerpen voor gezamenlijke inzetplannen.

HOOFDSTUK IV

INTERNE STRUCTUUR EN WERKING

Artikel 18

Rechtsvorm en hoofdzetel

1.   Het Bureau is een orgaan van de Gemeenschap. Het Bureau heeft rechtspersoonlijkheid.

2.   In elke lidstaat geniet het Bureau de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die op grond van de wetgeving in de betreffende lidstaat aan rechtspersonen wordt verleend. Het Bureau kan met name roerend en onroerend goed verwerven of vervreemden en in rechte optreden.

3.   Het Bureau wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

4.   Het Bureau heeft zijn zetel in Vigo, Spanje.

Artikel 19

Personeel

1.   Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Gemeenschappen zijn vastgesteld ter uitvoering van dat statuut en die regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Bureau. De raad van bestuur stelt, in overleg met de Commissie, de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen vast.

2.   Onverminderd artikel 30 worden ten aanzien van het eigen personeel van het Bureau de bevoegdheden die door het Statuut van de ambtenaren en door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend, uitgeoefend door het Bureau.

3.   Het personeel van het Bureau bestaat uit ambtenaren die door de Commissie tijdelijk worden toegewezen of gedetacheerd en uit andere personeelsleden die door het Bureau worden aangeworven naargelang zijn werkzaamheden zulks vereisen.

Het Bureau kan ook ambtenaren in dienst hebben die tijdelijk worden gedetacheerd door de lidstaten.

Artikel 20

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Gemeenschappen is van toepassing op het Bureau.

Artikel 21

Aansprakelijkheid

1.   De contractuele aansprakelijkheid van het Bureau wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.

2.   Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Bureau gesloten overeenkomst.

3.   In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Bureau, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het Bureau zelf of zijn personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. Het Hof van Justitie is bevoegd voor alle in dit verband gerezen geschillen over schadevergoeding.

4.   De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het Bureau wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 22

Talen

1.   Op het Bureau zijn de bepalingen van Verordening nr. 1 van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (9) van toepassing.

2.   De voor het functioneren van het Bureau vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 23

Instelling en bevoegdheden van de raad van bestuur

1.   Het Bureau heeft een raad van bestuur.

2.   De raad van bestuur:

a)

benoemt en ontslaat de uitvoerend directeur overeenkomstig artikel 30;

b)

keurt uiterlijk op 30 april van elk jaar het algemeen verslag van het Bureau over het voorafgaande jaar goed en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de lidstaten. Het verslag wordt openbaar gemaakt;

c)

stelt vóór 31 oktober van elk jaar en rekening houdend met het advies van de Commissie en de lidstaten het werkprogramma van het Bureau voor het komende jaar vast en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten.

Het werkprogramma bevat de prioriteiten van het Bureau. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de taken van het Bureau met betrekking tot controle- en bewakingsprogramma’s. Het werkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Gemeenschap. Indien de Commissie binnen 30 dagen na de datum waarop het werkprogramma is vastgesteld, te kennen geeft het niet eens te zijn met dat werkprogramma, bespreekt de raad van bestuur het werkprogramma opnieuw en keurt hij het, met de eventuele wijzigingen, binnen twee maanden in tweede lezing goed;

d)

stelt vóór het begin van het begrotingsjaar de definitieve begroting van het Bureau vast, eventueel na aanpassing aan de communautaire bijdrage en andere ontvangsten van het Bureau;

e)

verricht zijn taken met betrekking tot de begroting van het Bureau overeenkomstig de artikelen 35, 36 en 38;

f)

treedt als tuchtraad op ten aanzien van de uitvoerend directeur;

g)

stelt zijn reglement van orde vast, waarbij zo nodig mag worden voorzien in het instellen van subcomités van de raad van bestuur;

h)

stelt de nodige procedures vast voor de uitvoering van de taken van het Bureau.

Artikel 24

Samenstelling van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en zes vertegenwoordigers van de Commissie. Iedere lidstaat mag één lid aanwijzen. De lidstaten en de Commissie wijzen voor elk lid een plaatsvervanger aan die het lid in diens afwezigheid vertegenwoordigt.

2.   De leden van de raad van bestuur worden benoemd op basis van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van visserijcontroles en -inspecties.

3.   De duur van de ambtstermijn van elk lid bedraagt vijf jaar vanaf de benoemingsdatum. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.

Artikel 25

Voorzitterschap van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur kiest uit de vertegenwoordigers van de Commissie een voorzitter. De raad van bestuur kiest uit zijn midden een vice-voorzitter. De vice-voorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer deze is verhinderd zijn taken te verrichten.

2.   De ambtstermijn van de voorzitter en de vice-voorzitter bedraagt drie jaar en loopt af wanneer hun respectieve lidmaatschap van de raad van bestuur ten einde loopt. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.

Artikel 26

Vergaderingen

1.   De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen. De agenda wordt opgesteld door de voorzitter, rekening houdend met de voorstellen van de leden van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur van het Bureau.

2.   De uitvoerend directeur en de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger nemen zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.   De raad van bestuur houdt ten minste eenmaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de raad van bestuur op initiatief van de voorzitter of op verzoek van de Commissie of van eenderde van de in de raad van bestuur vertegenwoordigde lidstaten bijeen.

4.   De raad van bestuur kan, wanneer er sprake is van geheimhouding of van een belangenconflict, besluiten specifieke agendapunten te bespreken buiten aanwezigheid van de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger. Nadere voorschriften voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgelegd in het reglement van orde.

5.   De raad van bestuur kan eenieder wiens advies dienstig kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen.

6.   De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

7.   Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt geleverd door het Bureau.

Artikel 27

Stemprocedure

1.   De raad van bestuur neemt besluiten met absolute meerderheid van de stemmen.

2.   Elk door een lidstaat aangewezen lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid heeft zijn plaatsvervanger het recht zijn stemrecht uit te oefenen.

3.   In het reglement van orde worden de nadere bijzonderheden van de stemprocedure bepaald en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing.

Artikel 28

Verklaring omtrent belangen

De leden van de raad van bestuur leggen een verklaring omtrent hun belangen af, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd, of telkens wanneer er zich met betrekking tot de punten op de agenda een belangenconflict zou kunnen voordoen. In het laatste geval mag het betrokken lid voor deze punten geen stem uitbrengen.

Artikel 29

Verplichtingen en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

1.   Het Bureau wordt beheerd door zijn uitvoerend directeur. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de raad van bestuur mag de uitvoerend directeur van geen enkele overheid of van enige andere instantie instructies verlangen of aanvaarden.

2.   De uitvoerend directeur geeft bij de uitoefening van zijn taken uitvoering aan de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

3.   De uitvoerend directeur heeft de volgende taken en bevoegdheden:

a)

hij stelt het ontwerp-werkprogramma op en legt het na raadpleging van de Commissie en de lidstaten voor aan de raad van bestuur. Hij neemt passende maatregelen voor de uitvoering van het werkprogramma binnen de bij deze verordening, de uitvoeringsbepalingen en enige geldende wetgeving gestelde grenzen;

b)

hij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om de organisatie en het functioneren van het Bureau overeenkomstig deze verordening te waarborgen;

c)

hij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van besluiten ten aanzien van de verantwoordelijkheden van het Bureau op grond van de hoofdstukken II en III, alsmede het huren en exploiteren van controle- en inspectiemiddelen en het beheren van een informatienetwerk;

d)

hij reageert op verzoeken van de Commissie en op verzoeken om bijstand van een lidstaat krachtens de artikelen 6, 7 en 15;

e)

hij organiseert een efficiënt toetsingssysteem teneinde de resultaten van het Bureau te kunnen vergelijken met de operationele doelstellingen. Op basis hiervan stelt de uitvoerend directeur elk jaar een ontwerp van een algemeen verslag op dat hij aan de raad van bestuur voorlegt. Hij voert een methode van geregelde evaluatie in die aan erkende vaknormen voldoet;

f)

hij oefent met betrekking tot het personeel de in artikel 19, lid 2, bedoelde bevoegdheden uit.

g)

hij stelt overeenkomstig artikel 35 ramingen van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau op en voert de begroting overeenkomstig artikel 36 uit.

4.   De uitvoerend directeur legt over zijn activiteiten verantwoording af aan de raad van bestuur.

Artikel 30

Ontslag en benoeming van de uitvoerend directeur

1.   De uitvoerend directeur wordt op grond van zijn verdienste en gedocumenteerde relevante ervaring op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van visserijcontrole en visserij-inspectie door de raad van bestuur benoemd uit een lijst van ten minste twee kandidaten die door de Commissie zijn voorgedragen na een selectieprocedure, nadat voor die post in het Publicatieblad van de Europese Unie en op andere plaatsen een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is verschenen.

2.   De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de uitvoerend directeur te ontslaan. De raad van bestuur beraadt zich op dit ontslag op verzoek van de Commissie of van eenderde van zijn leden.

3.   De raad van bestuur neemt de besluiten krachtens lid 1 en lid 2 met een meerderheid van tweederde van de leden.

4.   De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Deze ambtstermijn kan bij een besluit van tweederde van de leden van de raad van bestuur op voorstel van de Commissie eenmaal met vijf jaar worden verlengd.

Artikel 31

Raad van advies

1.   De raad van advies bestaat uit vertegenwoordigers van de krachtens artikel 31 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 opgerichte regionale adviesraden; elke regionale adviesraad wijst één vertegenwoordiger aan. De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig benoemde plaatsvervangers.

2.   De leden van de raad van advies mogen geen lid van de raad van bestuur zijn. De raad van advies wijst een van zijn leden aan om zonder stemrecht aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deel te nemen.

3.   De raad van advies staat de uitvoerend directeur op diens verzoek bij in de uitoefening van zijn taken overeenkomstig deze verordening.

4.   De raad van advies wordt voorgezeten door de uitvoerend directeur. De voorzitter roept de raad van advies ten minste eenmaal per jaar bijeen.

5.   De logistieke steun die de raad van advies nodig heeft en het secretariaat voor zijn vergaderingen worden geleverd door het Bureau.

6.   De leden van de raad van bestuur kunnen de vergaderingen van de raad van advies bijwonen.

Artikel 32

Transparantie en communicatie

1.   Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het Bureau berusten.

2.   De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering de praktische regelingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.

3.   Het Bureau kan op eigen initiatief communiceren op de gebieden die tot zijn taken behoren. Het draagt er met name zorg voor dat het publiek en belanghebbenden snel objectieve, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werkzaamheden ontvangen.

4.   De raad van bestuur stelt de nodige interne regels voor de toepassing van lid 3 vast.

5.   Tegen de beslissingen van het Bureau uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Ombudsman of een beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op grond van de artikelen 195 en 230 van het Verdrag.

6.   Verordening (EG) nr. 45/2001 is van toepassing op de informatie die de Commissie en het Bureau op grond van de onderhavige verordening verzamelen.

Artikel 33

Geheimhouding

1.   De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de personeelsleden van het Bureau zijn ook na beëindiging van hun werkzaamheden onderworpen aan de geheimhoudingsplicht van artikel 287 van het Verdrag.

2.   De raad van bestuur stelt interne regels vast voor de praktische uitvoering van de in lid 1 bedoelde geheimhoudingsplicht.

Artikel 34

Toegang tot informatie

1.   De Commissie heeft onbelemmerde toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens. Het Bureau verstrekt op verzoek alle gegevens en beoordelingen van die gegevens aan de Commissie, in de door haar gespecificeerde vorm.

2.   De lidstaten die betrokken zijn bij een bepaalde operatie van het Bureau hebben toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens met betrekking tot die operatie, op voorwaarden die bepaald kunnen worden volgens de in artikel 30, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK V

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 35

Begroting

1.   De ontvangsten van het Bureau bestaan uit:

a)

een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgenomen bijdrage van de Gemeenschap;

b)

voor overeenkomstig artikel 7 door het Bureau aan de lidstaten geleverde diensten in rekening gebrachte kosten;

c)

voor publicaties, opleiding en andere door het Bureau geleverde diensten in rekening gebrachte kosten.

2.   De uitgaven van het bureau bestaan uit personeels-, administratieve, infrastructurele en operationele kosten.

3.   De uitvoerend directeur stelt een ontwerp-raming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze tezamen met een ontwerp-personeelsformatie naar de raad van bestuur.

4.   De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.

5.   De raad van bestuur stelt elk jaar op basis van de ontwerp-raming van de ontvangsten en uitgaven een raming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar.

6.   Deze raming, waarin een ontwerp-personeelsformatie en een voorlopig werkprogramma zijn opgenomen, wordt uiterlijk 31 maart door de raad van bestuur aan de Commissie toegezonden.

7.   De raming wordt samen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (hierna „de begrotingsautoriteit” genoemd) toegezonden.

8.   Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 272 van het Verdrag voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

9.   De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan het Bureau goed. De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Bureau vast.

10.   De begroting wordt goedgekeurd door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

11.   De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie daarvan op de hoogte.

12.   Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken te rekenen vanaf de kennisgeving van het project.

Artikel 36

Uitvoering en controle van de begroting

1.   De uitvoerend directeur voert de begroting van het Bureau uit.

2.   Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van het Bureau de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 128 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (10) (hierna „het Financieel Reglement” genoemd).

3.   Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Bureau met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

4.   Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Bureau overeenkomstig artikel 129 van het Financieel Reglement maakt de uitvoerend directeur onder zijn eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het bureau op en legt deze voor advies aan de raad van bestuur voor.

5.   De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Bureau.

6.   Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7.   De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8.   Het Bureau stelt een interne auditfunctie in die moet worden ingevuld overeenkomstig de toepasselijke internationale normen.

9.   De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een reactie op haar opmerkingen. Hij dient dit antwoord ook in bij de raad van bestuur.

10.   De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek, overeenkomstig artikel 146, lid 3, van het Financieel Reglement, alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

11.   Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad vóór 30 april van het tweede daaropvolgende jaar aan de uitvoerend directeur van het Bureau kwijting inzake de uitvoering van de begroting van het betrokken jaar.

Artikel 37

Fraudebestrijding

1.   Ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1073/1999 onverkort op het Bureau van toepassing.

2.   Het Bureau treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt onverwijld de passende voorschriften vast die op alle personeelsleden van het Bureau van toepassing zijn.

3.   De financieringsbesluiten, alsmede alle contracten en uitvoeringsinstrumenten in verband met die besluiten, stipuleren uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en het OLAF indien nodig bij de begunstigden van middelen van het Bureau en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen, tot controle ter plaatse kunnen overgaan.

Artikel 38

Financiën

De raad van bestuur stelt na verkrijging van de goedkeuring van de Commissie en het advies van de Rekenkamer het financieel reglement van het Bureau vast. Dit financieel reglement mag slechts van Verordening (EG, Euratom) nr. 2343/2002 van de Commissie van 23 december 2002 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 185 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (11) afwijken indien de specifieke vereisten van de taakverrichting van het Bureau dit noodzakelijk maken, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 39

Evaluatie

1.   Binnen vijf jaar nadat het Bureau een begin heeft gemaakt met de uitvoering van zijn taken en vervolgens om de vijf jaar geeft de raad van bestuur de opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening. De Commissie verstrekt het Bureau alle gegevens welke het voor deze evaluatie relevant acht.

2.   Bij elke evaluatie wordt een beoordeling gegeven van de effecten van deze verordening alsmede van het nut, de relevantie en de doeltreffendheid van het Bureau en zijn werkmethoden en de mate waarin het bijdraagt tot de strikte naleving van de voorschriften uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie een specifieke opdracht vast, na raadpleging van de betrokken partijen.

3.   De raad van bestuur ontvangt de evaluatie en legt de Commissie aanbevelingen voor met het oog op wijzigingen in deze verordening, het Bureau en de werkmethoden. De resultaten van de evaluatie en de aanbevelingen worden door de Commissie toegezonden aan de Raad en het Europees Parlement en worden bekendgemaakt.

Artikel 40

Begin van de werkzaamheden van het Bureau

Het Bureau begint binnen twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening met zijn werkzaamheden.

Artikel 41

Wijziging

Artikel 34 quater van Verordening (EEG) nr. 2847/93 wordt vervangen door:

„Artikel 34 quater

1.   De Commissie bepaalt, volgens de in artikel 36 bedoelde procedure en in overleg met de betrokken lidstaten, voor welke visserijtakken waarbij twee of meer lidstaten zijn betrokken specifieke controle- en inspectieprogramma’s worden uitgevoerd en aan welke voorwaarden deze programma's moeten voldoen.

In het specifieke controle- en inspectieprogramma wordt vastgesteld voor welke visserijtakken waarbij twee of meer lidstaten zijn betrokken het programma wordt uitgevoerd en aan welke voorwaarden deze visserijtakken moeten voldoen.

In elk specifiek controle- en inspectieprogramma worden de doelstellingen, de gemeenschappelijke prioriteiten en procedures, de benchmarks voor de controles en inspecties vastgesteld, alsmede de verwachte resultaten van de genoemde maatregelen en alle voorwaarden om de controles en inspecties zo uniform, doeltreffend en economisch mogelijk te maken. In elk programma wordt de betrokken lidstaat genoemd.

De looptijd van specifieke controle- en inspectieprogramma’s mag niet langer zijn dan drie jaar of een andere periode die daartoe is vastgesteld in een op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (12) goedgekeurd herstelplan of een op grond van artikel 6 van die verordening goedgekeurd beheersplan.

De specifieke controle- en inspectieprogramma’s worden door de betrokken lidstaten uitgevoerd op basis van de gezamenlijke inzetplannen zoals vastgesteld op grond van Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Communautair Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (13).

2.   De Commissie controleert en evalueert de uitvoering van elk specifiek controle- en inspectieprogramma en brengt overeenkomstig artikel 27, lid 4, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 42

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 26 april 2005.

Voor de Raad

De voorzitter

F. BODEN


(1)  Advies uitgebracht op 23 februari 2005 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(3)  PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1954/2003 (PB L 289 van 7.11.2003, blz. 1).

(4)  PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.

(5)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(6)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

(7)  PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB 17 van 6.10.1958, blz. 385/58.

(10)  PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

(11)  PB L 357 van 31.12.2002, blz. 72.

(12)  PB L 358 van 21.12.2002, blz. 59.

(13)  PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1.”


Top