Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32005Q0684

2005/684/EG, Euratom: Besluit van het Europees Parlement van 28 september 2005 houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement (2005/684/EG, Euratom)

OJ L 262, 7.10.2005, p. 1–10 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 01 Volume 006 P. 28 - 37
Special edition in Romanian: Chapter 01 Volume 006 P. 28 - 37
Special edition in Croatian: Chapter 01 Volume 016 P. 181 - 190

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2005/684/oj

7.10.2005   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 262/1


BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 28 september 2005

houdende aanneming van het Statuut van de leden van het Europees Parlement

(2005/684/EG, Euratom)

HET EUROPEES PARLEMENT,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 190, lid 5,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, inzonderheid op artikel 108, lid 4,

Na raadpleging van de Commissie (1),

Met goedkeuring van de Raad (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Parlement bestaat uit „vertegenwoordigers van de volkeren van de staten die in de Gemeenschap zijn verenigd”. Deze vertegenwoordigers zijn, ook volgens artikel 190, lid 1, van het EG-Verdrag, de „vertegenwoordigers van de volkeren van de in de Gemeenschap verenigde staten”. Deze formulering wordt ook in artikel 190, lid 2, van het EG-Verdrag (het aantal in elke lidstaat gekozen vertegenwoordigers) en in artikel 190, lid 3, van het EG-Verdrag („de vertegenwoordigers worden gekozen voor een periode van vijf jaar”) gebruikt. Deze bepalingen, volgens welke de leden de vertegenwoordigers van de volkeren zijn, zijn gerede aanleiding om in het Statuut de term „leden” te gebruiken.

(2)

Het Parlement heeft het recht zijn interne zaken te regelen in zijn reglement van orde, overeenkomstig artikel 199, eerste alinea, van het EG-Verdrag en met inachtneming van dit Statuut.

(3)

In artikel 1 van het Statuut wordt het begrip „lid” aan de orde gesteld en duidelijk gemaakt dat het niet om diens rechten en verplichtingen gaat, maar om de voorschriften en algemene voorwaarden voor de uitoefening van diens mandaat.

(4)

De in artikel 2 beschermde vrijheid en onafhankelijkheid van het lid moeten worden geregeld. Zij komen in geen enkele tekst van het primaire recht voor. Verklaringen waarin leden zich ertoe verplichten het mandaat op een bepaald tijdstip te beëindigen of blanco verklaringen over de beëindiging van het mandaat, waarvan een partij naar eigen goeddunken gebruik kan maken, moeten worden beschouwd als zijnde onverenigbaar met de vrijheid en onafhankelijkheid van het lid en kunnen derhalve niet juridisch bindend zijn.

(5)

In artikel 3, lid 1, worden de voorschriften van artikel 6, lid 1, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen volledig overgenomen.

(6)

Het in artikel 5 bedoelde initiatiefrecht is het belangrijkste recht van elk lid van het Parlement. Dit recht mag niet worden uitgehold door het Reglement van het Parlement.

(7)

Het in artikel 6 geregelde recht op inzage van dossiers is reeds vastgelegd in het Reglement van het Europees Parlement. Het betreft een wezenlijk aspect van de uitoefening van het mandaat en moet derhalve in het Statuut worden verankerd.

(8)

Doel van artikel 7 is te waarborgen dat, elke poging om dat te veranderen ten spijt, de veeltaligheid daadwerkelijk gehandhaafd blijft. Elke discriminatie van welke officiële taal dan ook moet worden uitgesloten. Dit beginsel moet ook na uitbreiding van de Europese Unie van toepassing blijven.

(9)

Volgens de artikelen 9 en 10 ontvangt het lid een bezoldiging voor de uitoefening van zijn taken. Over het bedrag van deze bezoldiging heeft een door het Parlement ingestelde groep van deskundigen in mei 2000 een studie opgesteld op basis waarvan een bezoldiging ten belope van 38,5 % van het basissalaris van een rechter aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen gerechtvaardigd is.

(10)

Daar de bezoldiging, de overbruggingstoelage en het ouderdomspensioen, het invaliditeitspensioen en het overlevingspensioen ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie worden gefinancierd, dienen deze aan belastingen ten gunste van de Gemeenschappen te worden onderworpen.

(11)

Als gevolg van de bijzondere situatie van de leden, met name het ontbreken van een verplichting te verblijven in de plaatsen waar de werkzaamheden van het Parlement plaatsvinden, alsook van hun bijzondere banden met het land waarin zij gekozen worden, is het dienstig te bepalen dat de lidstaten hun nationaal belastingrecht kunnen toepassen op de bezoldiging, de overbruggingstoelage, het ouderdomspensioen, het invaliditeitspensioen en het overlevingspensioen.

(12)

Artikel 9, lid 3, is nodig omdat politieke partijen veelal verwachten dat een deel van de in de in artikel 9, leden 1 en 2, genoemde betalingen voor partijdoeleinden wordt besteed. Deze vorm van partijfinanciering moet worden uitgesloten.

(13)

De overbruggingstoelage waarin artikel 9, lid 2, en artikel 13 voorzien, is met name bedoeld om de tijd tussen het einde van het mandaat en het begin van nieuwe beroepsactiviteiten te overbruggen. Wanneer het lid een ander mandaat of een openbaar ambt aanvaardt, vervalt dit doel.

(14)

In het licht van de ontwikkelingen op het gebied van ouderdomspensioenen in de lidstaten, lijkt het passend dat een voormalig lid recht heeft op een ouderdomspensioen bij het bereiken van de 63-jarige leeftijd. De regeling van artikel 14 laat de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om het ouderdomspensioen op te nemen in de berekening van de hoogte van ouderdomspensioenen overeenkomstig het nationale recht.

(15)

De bepalingen inzake het overlevingspensioen sluiten in wezen aan bij het vigerende recht in de Europese Gemeenschap. De aanspraak van de hertrouwde overlevende echtgenoot berust op de moderne gedachte, dat deze op een eigen inbreng berust en niet uitsluitend ter „verzorging” dient. De aanspraak is evenmin uitgesloten als de overlevende echtgenoot vanwege eigen inkomen of eigen vermogen reeds „verzorgd” is.

(16)

De regeling van artikel 18 is noodzakelijk omdat met het Statuut de prestaties van de lidstaten, zoals vergoeding van de ziektekosten, steun of subsidie op de ziekteverzekeringsbijdragen komen te vervallen. Deze prestaties worden in de meeste gevallen ook na het einde van het mandaat verstrekt.

(17)

In de bepalingen betreffende de onkostenvergoedingen moeten de beginselen in acht worden genomen die het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak Lord Bruce heeft vastgesteld (3). Krachtens dit arrest kan het Parlement kosten naar behoeven volgens een forfaitaire regeling vergoeden teneinde de uitgaven en de administratieve lasten die voortvloeien uit een systeem waarbij elke afzonderlijke uitgave wordt gecontroleerd, te verlichten, hetgeen een kwestie van behoorlijk bestuur is.

(18)

Op 28 mei 2003 heeft het Bureau van het Parlement een aantal nieuwe regels vastgesteld inzake de betalingen van onkosten en vergoedingen van de leden op basis van werkelijke kosten; deze regels zouden tegelijk met dit Statuut in werking moeten treden.

(19)

De lidstaten zouden ervoor moeten zorgen dat regelingen krachtens welke de leden van het Europees Parlement bij het uitoefenen van hun mandaat in hun lidstaat gelijk worden gesteld met de nationale afgevaardigden gehandhaafd blijven. Een Europese oplossing van dit probleem is met het oog op het grote aantal zeer verschillende regelingen in de lidstaten niet mogelijk. De uitoefening van het mandaat van de leden van het Europees Parlement in de lidstaat waarin zij gekozen werden zou zonder dergelijke regelingen zeer moeilijk of zelfs onmogelijk zijn. Een doeltreffende uitoefening van het mandaat is ook in het belang van de lidstaten.

(20)

Artikel 25, lid 1, is noodzakelijk, omdat de zeer verschillende nationale regelingen die tot dusver voor de leden gelden, een Europese oplossing van alle problemen die aan de overgang van een oud naar een nieuw Europees systeem zijn verbonden, onmogelijk maken. Een keuzemogelijkheid voor de leden sluit uit dat rechten of financiële nadelen bij deze overgang worden geschaad. De in lid 2 bedoelde regel is de consequentie van de beslissing overeenkomstig lid 1.

(21)

De diversiteit van de in de verschillende lidstaten bestaande situaties komt aan bod in artikel 29, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt om gedurende een overgangstijd een van de bepalingen van dit Statuut afwijkende regeling vast te stellen. Deze diversiteit rechtvaardigt ook dat aan de lidstaten de mogelijkheid wordt geboden om de gelijkheid van behandeling tussen de leden van het Europees Parlement en de leden van het nationale parlement te handhaven,

BESLUIT:

TITEL I

VOORSCHRIFTEN EN ALGEMENE VOORWAARDEN VOOR DE VERVULLING VAN DE TAKEN VAN DE LEDEN VAN HET EUROPEES PARLEMENT

Artikel 1

In dit Statuut worden de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van de leden van het Europees Parlement vastgesteld.

Artikel 2

1.   De leden zijn vrij en onafhankelijk.

2.   Overeenkomsten over het neerleggen van het mandaat vóór afloop of aan het einde van een zittingsperiode zijn nietig.

Artikel 3

1.   De leden brengen hun stem individueel en persoonlijk uit. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies en geen bindend mandaat aanvaarden.

2.   Overeenkomsten over de wijze van uitoefening van het mandaat zijn nietig.

Artikel 4

Door een lid ontvangen, opgestelde of verstuurde documenten of elektronische gegevens worden niet gelijkgesteld met documenten van het Europees Parlement tenzij zij officieel zijn ingediend overeenkomstig het Reglement.

Artikel 5

1.   Ieder lid heeft het recht om in het kader van het initiatiefrecht van het Parlement een voorstel voor een communautair besluit in te dienen.

2.   Het Parlement stelt in zijn Reglement de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 6

1.   De leden hebben recht op inzage in alle stukken die zich in het bezit van het Parlement bevinden.

2.   Lid 1 is niet van toepassing op persoonlijke stukken of afrekeningen.

3.   Lid 1 laat besluiten van de Europese Unie en door de instellingen gesloten akkoorden inzake de toegang tot documenten onverlet.

4.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 7

1.   De documenten van het Parlement worden in alle officiële talen vertaald.

2.   Mondelinge tussenkomsten worden simultaan in alle andere officiële talen vertolkt.

3.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van dit artikel vast.

Artikel 8

1.   De leden kunnen fracties oprichten.

2.   Het Parlement stelt in zijn Reglement de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 9

1.   De leden hebben recht op een adequate bezoldiging die hun onafhankelijkheid waarborgt.

2.   Zij hebben na beëindiging van hun mandaat recht op een overbruggingstoelage en een pensioen.

3.   Overeenkomsten over de besteding van de bezoldiging, de overbruggingstoelage en het pensioen voor andere dan particuliere doeleinden zijn nietig.

4.   De nabestaanden van een lid of voormalig lid hebben recht op een overlevingspensioen.

Artikel 10

De bezoldiging bedraagt 38,5 % van het basissalaris van een rechter bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 11

De bezoldiging die een lid voor de uitoefening van een mandaat in een ander parlement ontvangt, wordt op de bezoldiging in mindering gebracht.

Artikel 12

1.   Op de in artikel 9 bedoelde bezoldiging wordt Gemeenschapsbelasting geheven onder dezelfde voorwaarden als die welke zijn vastgesteld op grond van artikel 13 van het Protocol inzake de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen voor de ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Gemeenschappen.

2.   De belastingaftrek voor beroepskosten en persoonlijke uitgaven om gezinsredenen of redenen van sociale aard zoals bedoeld in artikel 3, leden 2 tot en met 4, van Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 260/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van de voorwaarden en de wijze van heffing van de belasting ten bate van de Europese Gemeenschappen (4), is niet van toepassing.

3.   Lid 1 laat de bevoegdheid van de lidstaten om deze bezoldiging te onderwerpen aan het nationale belastingrecht, onverlet, mits dubbele belastingheffing wordt vermeden.

4.   De lidstaten hebben het recht om de bezoldiging in aanmerking te nemen bij de vaststelling van het belastingtarief dat op andere inkomsten wordt toegepast.

5.   Dit artikel is eveneens van toepassing op de overbruggingstoelage, alsook op het ouderdomspensioen, het invaliditeitspensioen en het overlevingspensioen zoals bedoeld in de artikelen 13, 14, 15 en 17.

6.   De uitbetalingen overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 20 en de bijdragen aan het pensioenfonds overeenkomstig artikel 27 worden aan geen enkele belasting onderworpen.

Artikel 13

1.   De leden hebben na afloop van het mandaat recht op een overbruggingstoelage ten belope van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 10.

2.   Dit recht komt overeen met één maand per jaar waarin het mandaat is uitgeoefend, evenwel ten minste zes en ten hoogste 24 maanden.

3.   Dit recht bestaat niet bij aanvaarding van een mandaat in een ander parlement of een openbaar ambt.

4.   Bij overlijden wordt de overbruggingstoelage voor het laatst toegekend in de maand waarin het lid is overleden.

Artikel 14

1.   Voormalige leden hebben bij het bereiken van de 63-jarige leeftijd recht op ouderdomspensioen.

2.   Het ouderdomspensioen bedraagt voor elk vol jaar waarin het mandaat werd uitgeoefend, 3,5 % van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 10, en voor elke verdere volle maand een twaalfde, in totaal evenwel ten hoogste 70 %.

3.   De aanspraak op ouderdomspensioen is niet afhankelijk van enig ander ouderdomspensioen.

4.   Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 15

1.   Bij invaliditeit die tijdens het mandaat is ontstaan, hebben de leden recht op een pensioen.

2.   Artikel 14, lid 2, is van overeenkomstige toepassing. Het pensioen bedraagt evenwel tenminste 35 % van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 10.

3.   De aanspraak op dit pensioen ontstaat bij neerlegging van het mandaat.

4.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

5.   Artikel 11 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 16

Indien een voormalig lid tegelijkertijd recht heeft op een overbruggingstoelage zoals bedoeld in artikel 13 en op de uitkering van een pensioen zoals bedoeld in de artikelen 14 of 15, dan wordt de door het voormalig lid gekozen regeling toegepast.

Artikel 17

1.   Bij overlijden van een lid of van een voormalig lid dat op het tijdstip van overlijden recht of aanspraak had op een pensioen zoals bedoeld in de artikelen 14 of 15, hebben de echtgeno(o)t(e) en de ten laste komende kinderen recht op een pensioen.

2.   Dit pensioen mag in totaal niet hoger zijn dan het pensioen waarop het lid aan het einde van de zittingsperiode aanspraak had kunnen maken of waarop het voormalige lid recht had of zou hebben gehad.

3.   De achtergebleven echtgeno(o)t(e) ontvangt 60 % van het in lid 2 genoemde bedrag, evenwel tenminste 30 % van de bezoldiging zoals bedoeld in artikel 10. Dit recht komt bij hertrouwen niet te vervallen. Dit recht bestaat niet, indien de omstandigheden in afzonderlijke gevallen geen redelijke twijfel laten bestaan over het feit dat het huwelijk slechts met het oog op verzorging is gesloten.

4.   Een ten laste komend kind ontvangt 20 % van het in lid 2 genoemde bedrag.

5.   Zo nodig wordt het maximumbedrag van het uit te keren pensioen tussen de echtgeno(o)t(e) en de kinderen verdeeld naar rata van de in de leden 3 en 4 genoemde percentages.

6.   Het pensioen wordt uitgekeerd met ingang van de eerste dag van de maand na overlijden.

7.   Bij overlijden van de echtgeno(o)t(e) vervalt zijn/haar recht aan het eind van de maand van overlijden.

8.   Het recht van een kind vervalt aan het eind van de maand waarin het de 21-jarige leeftijd bereikt. Het recht blijft echter voor de duur van de opleiding bestaan, maar komt uiterlijk aan het eind van de maand waarin het kind de 25-jarige leeftijd bereikt, te vervallen. Het recht blijft bestaan zolang het kind wegens ziekte of een gebrek niet in staat is in zijn levensonderhoud te voorzien.

9.   Partners in een leefgemeenschap die in de lidstaten wordt erkend, worden gelijkgesteld met echtgenoten.

10.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 18

1.   Leden en voormalige leden die een pensioen ontvangen, alsmede pensioengerechtigde nabestaanden, hebben recht op vergoeding van twee derde van de kosten in verband met ziekte, zwangerschap of de geboorte van een kind.

2.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 19

1.   De leden hebben recht op dekking, uit hoofde van een verzekering, van de risico's die verbonden zijn aan de uitoefening van het mandaat.

2.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast. De leden nemen een derde van de ontstane verzekeringspremies voor hun rekening.

Artikel 20

1.   De leden hebben recht op vergoeding van de kosten die zij in het kader van de vervulling van hun mandaat maken.

2.   Voor reizen van en naar de plaatsen van werkzaamheid en voor overige dienstreizen vergoedt het Parlement de werkelijk gemaakte kosten.

3.   De vergoeding van de overige met het mandaat samenhangende kosten kan met een forfaitair bedrag plaatsvinden.

4.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

5.   Artikel 9, lid 3, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 21

1.   De leden hebben recht op assistentie door persoonlijke medewerkers die door hen vrijelijk worden aangewezen.

2.   Het Parlement draagt de werkelijk gemaakte kosten die door hun tewerkstelling ontstaan.

3.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 22

1.   De leden hebben het recht gebruik te maken van de bureau- en communicatiefaciliteiten, alsmede van de dienstauto's van het Parlement.

2.   Het Parlement stelt de voorwaarden voor de uitoefening van dit recht vast.

Artikel 23

1.   Alle betalingen worden verricht ten laste van de begroting van de Europese Unie.

2.   De uitbetalingen overeenkomstig de artikelen 10, 13, 14, 15 en 17 geschieden maandelijks in EUR of — naar keuze van het lid — in de munteenheid van de lidstaat waar hij/zij woonachtig is. Het Parlement stelt de voorwaarden voor de betalingen vast.

Artikel 24

Besluiten ter uitvoering van dit Statuut treden in werking na bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

TITEL II

OVERGANGSBEPALINGEN

Artikel 25

1.   Leden die vóór de inwerkingtreding van het Statuut reeds in het Parlement zitting hadden en herkozen zijn, kunnen, wat bezoldiging, overbruggingstoelage, ouderdomspensioen en overlevingspensioen betreft, voor de gehele duur van hun mandaat voor de tot dan toe bestaande nationale regeling kiezen.

2.   Deze betalingen worden ten laste van de begroting van de lidstaat verricht.

Artikel 26

1.   De leden die overeenkomstig artikel 25, lid 1, aangesloten willen blijven bij de tot dan toe bestaande nationale regeling, stellen de Voorzitter van het Europees Parlement binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van het Statuut hiervan schriftelijk in kennis.

2.   Dit besluit is definitief en niet herroepbaar.

3.   Blijft een dergelijke kennisgeving binnen de genoemde termijn achterwege, dan gelden de bepalingen van dit Statuut.

Artikel 27

1.   Na inwerkingtreding van dit Statuut, blijft het door het Europees Parlement ingestelde vrijwillige pensioenfonds gehandhaafd voor leden of voormalige leden die in dit fonds reeds rechten of aanspraken hebben verworven.

2.   De verworven rechten en aanspraken blijven in volle omvang bestaan. Het Parlement kan vereisten en voorwaarden voor het verwerven van nieuwe rechten of aanspraken vastleggen.

3.   Leden die een bezoldiging uit hoofde van artikel 10 ontvangen, kunnen geen nieuwe rechten of aanspraken in het vrijwillige pensioenfonds verwerven.

4.   Dit fonds staat niet open voor leden die na de inwerkingtreding van dit Statuut voor het eerst tot lid van het Parlement zijn gekozen.

5.   Artikel 9, lid 3, en artikel 14, lid 3, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28

1.   Een aanspraak op pensioen die een lid op het tijdstip van de toepassing van dit Statuut overeenkomstig nationale regelingen heeft verworven, blijft ten volle gehandhaafd.

2.   Indien de duur van de uitoefening van het mandaat in het Europees Parlement of in een nationaal parlement op grond van de nationale regelingen onvoldoende is voor pensioenaanspraken, wordt met deze perioden bij de berekening van het pensioen op basis van dit Statuut rekening gehouden. Het Parlement kan met de terzake bevoegde instanties van de lidstaten overeenkomsten sluiten betreffende de overdracht van verworven pensioenrechten.

Artikel 29

1.   Iedere lidstaat kan voor de leden die in deze staat werden gekozen een van de bepalingen van dit Statuut afwijkende regeling betreffende de bezoldiging, de overbruggingstoelage, het ouderdomspensioen en het overlevingspensioen vaststellen voor een overgangsperiode die de duur van twee zittingsperioden van het Europees Parlement niet mag overschrijden.

2.   De leden worden door middel van deze regeling ten minste gelijk gesteld met de leden van de desbetreffende nationale parlementen.

3.   Alle betalingen worden ten laste van de begroting van de desbetreffende lidstaat verricht.

4.   De aanspraken van de leden krachtens de artikelen 18 tot en met 22 van dit Statuut blijven bij een dergelijke regeling onverlet.

TITEL III

SLOTBEPALING

Artikel 30

Dit Statuut treedt in werking op de eerste dag van de zittingsperiode van het Europees Parlement die in 2009 begint.

Gedaan te Straatsburg, 28 september 2005.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

J. BORRELL FONTELLES


(1)  Advies van de Commissie van 3 juni 2003, bevestigd door vice-voorzitter Wallström tijdens de vergadering van het Europees Parlement van 22 juni 2005.

(2)  Brief van de Raad van 19 juli 2005.

(3)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 september 1981, zaak 208/80, Lord Bruce of Donington/Eric Gordon Aspden — Jurisprudentie 1981, blz. 2205.

(4)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 8. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).


Top