Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004R2073

Verordening (EG) nr. 2073/2004 van de Raad van 16 november 2004 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen

OJ L 359, 4.12.2004, p. 1–10 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
OJ L 333M , 11.12.2008, p. 230–265 (MT)
Special edition in Bulgarian: Chapter 09 Volume 002 P. 144 - 153
Special edition in Romanian: Chapter 09 Volume 002 P. 144 - 153

No longer in force, Date of end of validity: 30/06/2012; opgeheven door 32012R0389

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2004/2073/oj

4.12.2004   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 359/1


VERORDENING (EG) Nr. 2073/2004 VAN DE RAAD

van 16 november 2004

betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 93,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Fraude in de Europese Unie heeft ernstige gevolgen voor de nationale begrotingen en kan leiden tot concurrentieverstoring in het accijnsgoederenverkeer. Fraude is dus van invloed op de werking van de interne markt.

(2)

De bestrijding van accijnsfraude vraagt om nauwe samenwerking tussen de administratieve autoriteiten die in elk van de lidstaten met de uitvoering van de terzake vastgestelde bepalingen belast zijn.

(3)

Het is derhalve van cruciaal belang dat de voorschriften worden vastgesteld uit hoofde waarvan de autoriteiten van de lidstaten elkaar wederzijdse bijstand moeten verlenen en met de Commissie moeten samenwerken om ervoor te zorgen dat de voorschriften inzake het verkeer van accijnsgoederen en de invordering van accijns correct worden toegepast.

(4)

De wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking op het gebied van accijnzen is geregeld bij Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (3). De wederzijdse bijstand en de administratieve samenwerking op BTW-gebied zijn geregeld bij Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad (4).

(5)

Hoewel dit rechtsinstrument doeltreffend is gebleken, zal het ontoereikend zijn om te voldoen aan de nieuwe eisen op het gebied van administratieve samenwerking die het resultaat zijn van de toenemende economische integratie binnen de interne markt.

(6)

Voorts zijn bij Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop (5) een aantal instrumenten voor de uitwisseling van informatie gecreëerd. De bijbehorende procedures dienen te worden vastgesteld binnen een algemeen juridisch kader voor de administratieve samenwerking op het gebied van de accijnzen.

(7)

Bovendien is er behoefte aan duidelijkere en dwingendere voorschriften inzake de samenwerking tussen de lidstaten, aangezien de rechten en plichten van alle betrokken partijen onvoldoende zijn omschreven.

(8)

Er zijn te weinig rechtstreekse contacten tussen plaatselijke of tussen nationale bureaus voor fraudebestrijding, aangezien de informatie in de praktijk tussen de centrale verbindingsbureaus wordt uitgewisseld. Dat leidt tot inefficiëntie, ontoereikend gebruik van de regelingen voor administratieve samenwerking en buitensporige vertragingen bij het verstrekken van informatie. Er dient dan ook te worden voorzien in meer rechtstreekse contacten tussen administratieve diensten om de samenwerking beter en sneller te doen verlopen.

(9)

Tot slot is er behoefte aan nauwere samenwerking omdat er, afgezien van de controle op het verkeer van accijnsgoederen uit hoofde van artikel 15 ter van Richtlijn 92/12/EEG, weinig informatie automatisch of spontaan tussen de lidstaten wordt uitgewisseld. Voor een doeltreffende fraudebestrijding moet de uitwisseling van informatie tussen nationale instanties onderling en tussen nationale instanties en de Commissie intensiever en sneller verlopen.

(10)

Er is derhalve behoefte aan een specifiek instrument op het gebied van de accijnzen waarin de bepalingen van Richtlijn 77/799/EEG terzake kunnen worden opgenomen. Dat instrument moet tevens worden toegespitst op de gebieden waarop de samenwerking tussen de lidstaten kan worden verbeterd door invoering en verbetering van regelingen voor de toezending van informatie over het verkeer van accijnsgoederen. Dit instrument laat de toepassing van de Overeenkomst van 18 december 1997 inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de douaneadministraties (6) onverlet.

(11)

Deze verordening dient andere communautaire maatregelen voor de bestrijding van accijnsfraude onverlet te laten.

(12)

De in Richtlijn 92/12/EEG vervatte regelingen om de administratieve samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken (zoals het register van de betrokken bedrijven en plaatsen en het accijnsgoederenverkeer- en controlesysteem), worden in deze verordening opgenomen en nader omschreven. Bij deze verordening wordt voorts een regeling van vroegtijdige waarschuwing tussen de lidstaten gecreëerd.

(13)

Voor de toepassing van deze verordening dient de reikwijdte van bepaalde rechten en plichten die zijn neergelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van gegevens (7), te worden beperkt teneinde de in artikel 13, lid 1, onder e), van die richtlijn bedoelde belangen te vrijwaren.

(14)

De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (8).

(15)

Daar de doelstelling van deze verordening, de vereenvoudiging en versterking van de administratieve samenwerking tussen de lidstaten, die een geharmoniseerde aanpak vereist, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de gewenste eenvormigheid en doeltreffendheid beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de verordening verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(16)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

1.   Bij deze verordening worden de voorwaarden vastgesteld waaronder de administratieve autoriteiten die in de lidstaten met de toepassing van de accijnswetgeving belast zijn, onderling en met de Commissie samenwerken om de naleving van die wetgeving te waarborgen.

Daartoe worden bij deze verordening regels en procedures vastgesteld, die de bevoegde autoriteiten in de lidstaten in staat stellen samen te werken, alsmede onderling alle inlichtingen uit te wisselen met het oog op een juiste accijnsheffing.

Bij deze verordening worden bovendien regels en procedures vastgesteld voor de uitwisseling van bepaalde inlichtingen langs elektronische weg, met name ter zake van het intracommunautaire handelsverkeer van accijnsgoederen.

2.   Deze verordening laat de toepassing in de lidstaten van de voorschriften inzake de wederzijdse rechtshulp in strafzaken onverlet. Zij laat ook de vervulling van eventuele verplichtingen inzake wederzijdse bijstand die voortvloeien uit andere rechtsinstrumenten, inclusief bilaterale of multilaterale overeenkomsten, onverlet.

Artikel 2

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)

„bevoegde autoriteit”: de overeenkomstig artikel 3, lid 1, is aangewezen autoriteit;

2)

„verzoekende autoriteit”: het centraal verbindingsbureau van een lidstaat of de verbindingsdienst of bevoegde ambtenaar van die lidstaat die namens de bevoegde autoriteit om bijstand verzoekt;

3)

„aangezochte autoriteit”: het centraal verbindingsbureau van een lidstaat of de verbindingsdienst of bevoegde ambtenaar van die lidstaat die namens de bevoegde autoriteit om bijstand wordt verzocht;

4)

„centraal verbindingsbureau”: het bureau dat uit hoofde van artikel 3, lid 3, is aangewezen en de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking;

5)

„verbindingsdienst”: elk ander bureau dan het centrale verbindingsbureau dat een specifieke territoriale of functionele bevoegdheid bezit en uit hoofde van artikel 3, lid 4, door de bevoegde autoriteit is aangewezen om op grond van deze verordening rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen;

6)

„bevoegde ambtenaar”: een ambtenaar die op grond van deze verordening rechtstreeks de inlichtingen kan uitwisselen waartoe hem uit hoofde van artikel 3, lid 5, machtiging is verleend;

7)

„accijnsbureau”: bureau waar de door de accijnsvoorschriften opgelegde formaliteiten vervuld kunnen worden;

8)

„occasionele automatische uitwisseling”: het systematisch en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, indien en wanneer deze inlichtingen beschikbaar worden;

9)

„regelmatige automatische uitwisseling”: het systematisch en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van vooraf bepaalde inlichtingen aan een andere lidstaat, met regelmatige, vooraf vastgestelde tussenpozen;

10)

„spontane uitwisseling”: het incidenteel en zonder voorafgaand verzoek verstrekken van inlichtingen aan een andere lidstaat;

11)

„geautomatiseerd systeem”: het geautomatiseerd volg- en controlesysteem voor het verkeer van accijnsgoederen, vastgesteld bij Beschikking 1152/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2003 (9);

12)

„persoon”:

a)

een natuurlijk persoon,

b)

een rechtspersoon, of

c)

indien de geldende wetgeving in die mogelijkheid voorziet, een vereniging van personen die bevoegd is rechtshandelingen te verrichten, maar niet de wettelijke status van rechtspersoon bezit;

13)

„langs elektronische weg”: door middel van elektronische apparatuur voor gegevensverwerking (met inbegrip van digitale compressie) en gegevensopslag, met gebruikmaking van draden, radio, optische of andere elektromagnetische middelen;

14)

„identificatienummer”: het nummer bedoeld in artikel 22, lid 2, onder a), van deze verordening;

15)

„BTW-identificatienummer”: het nummer bedoeld in artikel 22, lid 1, onder c), d) en e), van Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (10);

16)

„intracommunautair verkeer van accijnsgoederen”: het verkeer tussen twee of meer lidstaten van accijnsgoederen onder de schorsingsregeling in de zin van Titel III van Richtlijn 92/12/EEG of van accijnsgoederen die tot verbruik zijn uitgeslagen in de zin van de artikelen 7 tot en met 10 van Richtlijn 92/12/EEG;

17)

„administratief onderzoek”: alle door ambtenaren of bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun taken verrichte controles, onderzoeken en acties gericht op het waarborgen van de juiste toepassing van de accijnswetgeving;

18)

„CCN/CSI-netwerk”: het op het gemeenschappelijk communicatienetwerk (CCN) met gemeenschappelijke interface (CSI) gebaseerde gemeenschappelijk platform dat door de Gemeenschap ontwikkeld is voor het elektronisch berichtenverkeer tussen de autoriteiten die bevoegd zijn op het gebied van douane en belastingen;

19)

„accijnzen”: de onder de communautaire accijnswetgeving vallende belastingen, inclusief de belastingen op energieproducten en elektriciteit uit hoofde van Richtlijn 2003/96/EG van de Raad (11);

20)

„AGD”: het in artikel 18, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG bedoelde administratieve geleidedocument.

21)

„VGD”: het in artikel 7, lid 4, van Richtlijn 92/12/EEG bedoelde vereenvoudigde geleidedocument.

Artikel 3

1.   Elke lidstaat deelt de andere lidstaten en de Commissie mee welke autoriteit is aangewezen als de bevoegde autoriteit uit wier naam de bepalingen van deze verordening worden toegepast, hetzij rechtstreeks, hetzij bij delegatie.

2.   Elke lidstaat wijst één centraal verbindingsbureau aan dat bij delegatie de primaire verantwoordelijkheid draagt voor de contacten met de andere lidstaten op het gebied van de administratieve samenwerking. Hij stelt de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten hiervan in kennis.

3.   Het centrale verbindingsbureau draagt de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitwisseling van inlichtingen over het accijnsgoederenverkeer en draagt in het bijzonder de hoofdverantwoordelijkheid voor:

a)

de uitwisseling van gegevens die in het in artikel 22 bedoelde elektronisch register zijn opgenomen;

b)

het in artikel 23 bedoelde systeem voor vroegtijdige waarschuwing;

c)

de in artikel 24 bedoelde verzoeken om controle aan of van andere lidstaten.

4.   De bevoegde autoriteit van elke lidstaat kan naast het centrale verbindingsbureau andere verbindingsdiensten aanwijzen die op grond van deze verordening zijn gemachtigd rechtstreeks inlichtingen uit te wisselen. Het is de taak van het centrale verbindingsbureau om een lijst van deze diensten bij te houden en ervoor te zorgen dat deze lijst voor de centrale verbindingsbureaus van de andere betrokken lidstaten toegankelijk is.

5.   Daarnaast kan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat onder de door haar bepaalde voorwaarden bevoegde ambtenaren aanwijzen die op grond van deze verordening rechtstreeks inlichtingen kunnen uitwisselen. De bevoegde autoriteit kan daarbij het bereik van deze delegatie beperken. Het is de taak van het centrale verbindingsbureau om de lijst van deze ambtenaren bij te houden en ervoor te zorgen dat deze lijst voor de centrale verbindingsbureaus van de andere betrokken lidstaten toegankelijk is.

6.   Ambtenaren die uit hoofde van de artikelen 11 en 13 inlichtingen uitwisselen, worden geacht over de daartoe vereiste bevoegdheid te beschikken, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteiten bepaalde voorwaarden.

7.   Wanneer een verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek of een antwoord op een verzoek om bijstand verzendt of ontvangt, stelt deze het centrale verbindingsbureau van de eigen lidstaat hiervan overeenkomstig de bepalingen van deze lidstaat in kennis.

8.   Wanneer een verbindingsdienst of een bevoegde ambtenaar een verzoek om bijstand ontvangt dat een optreden buiten zijn territoriale bevoegdheid of ambtsgebied vereist, geeft hij het verzoek onmiddellijk door aan het centrale verbindingsbureau van de eigen lidstaat en stelt hij de verzoekende autoriteit hiervan in kennis. In dat geval vangt de in artikel 8 bedoelde termijn aan op de dag nadat het verzoek om bijstand aan het centrale verbindingsbureau is doorgezonden.

Artikel 4

1.   De bij deze verordening ingestelde verplichting tot het verlenen van bijstand strekt zich niet uit tot het verstrekken van inlichtingen of documenten die de in artikel 1 bedoelde administratieve autoriteiten hebben verkregen wanneer zij handelen met toestemming of op verzoek van een rechterlijke instantie.

2.   Wanneer evenwel een bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving gemachtigd is de in de eerste alinea bedoelde inlichtingen te verstrekken, kunnen deze worden verstrekt in het kader van de bij deze verordening ingestelde administratieve samenwerking. Voor elke verstrekking van deze aard moet de voorafgaande toestemming van de rechterlijke instantie worden verkregen indien die toestemming krachtens de nationale wetgeving vereist is.

HOOFDSTUK II

SAMENWERKING OP VERZOEK

AFDELING 1

Verzoek om inlichtingen en om administratieve onderzoeken

Artikel 5

1.   Op verzoek van de verzoekende autoriteit verstrekt de aangezochte autoriteit de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, ook wanneer het verzoek een welbepaald geval of verscheidene welbepaalde gevallen betreft.

2.   Met het oog op de in lid 1 bedoelde verstrekking van inlichtingen laat de aangezochte autoriteit de vereiste administratieve onderzoeken uitvoeren om deze inlichtingen te verkrijgen.

3.   Het in lid 1 bedoelde verzoek kan een met redenen omkleed verzoek om een specifiek administratief onderzoek omvatten. Indien de lidstaat van oordeel is dat geen administratief onderzoek nodig is, stelt hij de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van de redenen waarop hij zijn oordeel baseert.

4.   Voor het verkrijgen van de gevraagde inlichtingen of het verrichten van het gevraagde administratieve onderzoek gaat de aangezochte autoriteit, of de administratieve autoriteit waartoe zij zich heeft gericht, te werk als handelde zij te eigen behoeve of op verzoek van een andere autoriteit van haar eigen lidstaat.

Artikel 6

De krachtens artikel 5 ingediende verzoeken om inlichtingen of administratieve onderzoeken worden indien mogelijk doorgegeven door middel van een standaardformulier dat volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure wordt vastgesteld. In de in artikel 24 bedoelde omstandigheden is het uniforme document voor de controle op het verkeer van accijnsgoederen genoemd in artikel 24, lid 2, van deze verordening, evenwel een vereenvoudigde vorm van een verzoek om inlichtingen.

Artikel 7

1.   De aangezochte autoriteit verstrekt de verzoekende autoriteit op haar verzoek alle pertinente inlichtingen waarover zij beschikt, alsmede de resultaten van administratieve onderzoeken, in de vorm van verslagen, verklaringen en andere bescheiden of voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan.

2.   Originelen worden slechts verstrekt indien de geldende bepalingen van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit is gevestigd, dat niet beletten.

AFDELING 2

Termijn voor het verstrekken van inlichtingen

Artikel 8

De aangezochte autoriteit gaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie maanden na de datum van ontvangst van het verzoek, over tot het verstrekken van de in de artikelen 5 en 7 bedoelde inlichtingen.

Artikel 9

Voor bijzondere categorieën gevallen kunnen de aangezochte en de verzoekende autoriteit andere termijnen dan die van artikel 8 overeenkomen.

Artikel 10

Wanneer de aangezochte autoriteit niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek kan voldoen, stelt zij de verzoekende autoriteit onverwijld van de redenen daarvan in kennis, en deelt mee wanneer zij aan het verzoek zal kunnen voldoen.

AFDELING 3

Aanwezigheid in de administratiekantoren en deelname aan de administratieve onderzoeken

Artikel 11

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit gemachtigde ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, aanwezig mogen zijn in de kantoren waar de administratieve autoriteiten van de lidstaat waar de aangezochte autoriteit gevestigd is, hun taken vervullen. Indien de verlangde inlichtingen staan in bescheiden waartoe de ambtenaren van de aangezochte autoriteit toegang hebben, ontvangen de ambtenaren van de verzoekende autoriteit afschriften van de bescheiden die de verlangde inlichtingen bevatten.

2.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit kunnen overeenkomen dat, met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, door de verzoekende autoriteit aangewezen ambtenaren, onder de door de aangezochte autoriteit vastgestelde voorwaarden, bij de administratieve onderzoeken aanwezig mogen zijn. Uitsluitend de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn met de uitvoering van het administratieve onderzoek belast. De ambtenaren van de verzoekende autoriteit oefenen niet de controlebevoegdheden uit die aan de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verleend. Zij kunnen wel toegang krijgen tot dezelfde plaatsen en bescheiden als laatstgenoemden, door tussenkomst van dezen, en alleen ten behoeve van het lopende administratieve onderzoek.

3.   De ambtenaren van de verzoekende autoriteit die uit hoofde van de leden 1 en 2 in een andere lidstaat aanwezig zijn, dienen te allen tijde een schriftelijke opdracht te kunnen voorleggen waarin hun identiteit en hun officiële hoedanigheid zijn vermeld.

AFDELING 4

Gelijktijdige controles

Artikel 12

Met het oog op de uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen kunnen twee of meer lidstaten overeenkomen om ieder op zijn grondgebied over te gaan tot gelijktijdige controles van de situatie, wat de accijnzen betreft, van een of meer personen die voor die lidstaten een gemeenschappelijk of complementair belang vertegenwoordigen, wanneer dergelijke controles efficiënter lijken dan door slechts één lidstaat uitgevoerde controles.

Artikel 13

1.   Elke lidstaat stelt zelfstandig vast welke personen hij voornemens is voor een gelijktijdige controle voor te stellen. Zijn bevoegde autoriteit deelt de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten mee welke dossiers voor een gelijktijdige controle worden voorgesteld. Zij motiveert de keuze in de mate van het mogelijke door de inlichtingen te verstrekken die tot deze keuze hebben geleid. Zij geeft aan binnen welk tijdsbestek de controles moeten plaatsvinden.

2.   De betrokken lidstaten beslissen vervolgens of zij aan de gelijktijdige controles wensen deel te nemen. De bevoegde autoriteit waaraan een gelijktijdige controle wordt voorgesteld, bevestigt de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan het voorstel uitging dat zij de uitvoering van deze controle aanvaardt of geeft haar een met redenen omkleed afwijzend verzoek.

3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten wijzen elk voor zich een vertegenwoordiger aan die belast wordt met de leiding en de coördinatie van de controle.

4.   Na een gelijktijdige controle stellen de bevoegde autoriteiten de accijnsverbindingsbureaus van de andere lidstaten onverwijld in kennis van de naar aanleiding van deze gelijktijdige controle ontdekte fraudemechanismen, wanneer deze informatie geacht kan worden van bijzonder belang voor andere lidstaten te zijn. De bevoegde autoriteiten kunnen ook de Commissie in kennis stellen.

AFDELING 5

Verzoek tot kennisgeving van administratieve beslissingen en maatregelen

Artikel 14

Op verzoek van de verzoekende autoriteit gaat de aangezochte autoriteit, overeenkomstig de geldende voorschriften betreffende soortgelijke kennisgevingen, over tot kennisgeving aan de geadresseerde van alle door de administratieve autoriteiten van de verzoekende lidstaat genomen beslissingen en maatregelen die betrekking hebben op de toepassing van de accijnswetgeving, met uitzondering van die welke in artikel 5 van Richtlijn 76/308/EEG van de Raad van 15 maart 1976 betreffende wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen rechten en belastingen, alsmede uit andere maatregelen (12) worden bedoeld.

Artikel 15

Het verzoek tot kennisgeving, waarin het voorwerp van de beslissing of maatregel waarvan kennis moet worden gegeven, wordt vermeld, vermeldt tevens de naam, het adres en alle overige gegevens die nodig zijn ter bepaling van de geadresseerde.

Artikel 16

De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit onverwijld in kennis van het gevolg dat aan het verzoek tot kennisgeving is gegeven en, meer in het bijzonder, van de datum waarop de kennisgeving van de beslissing of maatregel aan de geadresseerde heeft plaatsgevonden, of van de redenen waarom eventueel geen kennisgeving heeft kunnen plaatsvinden. Een verzoek mag niet worden geweigerd op grond van de inhoud van de beslissing of maatregel waarvan kennis moet worden gegeven.

HOOFDSTUK III

UITWISSELING VAN INLICHTINGEN ZONDER VOORAFGAAND VERZOEK

Artikel 17

Onverminderd hoofdstuk IV gaan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten over tot occasionele automatische of regelmatige automatische uitwisseling van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten in de volgende gevallen:

1)

wanneer in de andere lidstaat een onregelmatigheid in verband met, of een inbreuk op, de accijnswetgeving heeft plaatsgevonden of kan hebben plaatsgevonden;

2)

wanneer de onregelmatigheid in verband met, of de inbreuk op, de accijnswetgeving die op het grondgebied van een lidstaat heeft plaatsgevonden of kan hebben plaatsgevonden, vertakkingen in een andere lidstaat zou kunnen hebben;

3)

wanneer in de andere lidstaat gevaar voor fraude of accijnsderving bestaat.

Artikel 18

Volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure worden vastgesteld:

1)

de exacte categorieën inlichtingen die moeten worden uitgewisseld;

2)

de frequentie van de uitwisseling;

3)

de praktische regelingen voor de uitwisseling van inlichtingen.

Elke lidstaat bepaalt of hij deelneemt aan de uitwisseling van een welbepaalde categorie informatie, alsook of hij zulks zal doen door middel van occasionele automatische of regelmatige automatische uitwisseling.

Artikel 19

De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen elkaar in alle omstandigheden zonder voorafgaand verzoek en uit eigen beweging mededeling doen van de in artikel 1 bedoelde inlichtingen waarvan zij kennis hebben.

Artikel 20

De lidstaten nemen de administratieve en organisatorische maatregelen om de uitwisseling van inlichtingen uit hoofde van dit hoofdstuk mogelijk te maken.

Artikel 21

Een lidstaat kan er voor de toepassing van dit hoofdstuk niet toe worden verplicht om, met het oog op het vergaren van inlichtingen, personen nieuwe verplichtingen op te leggen of onevenredige administratieve lasten te dragen.

HOOFDSTUK IV

OPSLAG EN UITWISSELING VAN INLICHTINGEN DIE SPECIFIEK BETREKKING HEBBEN OP INTRACOMMUNAUTAIRE TRANSACTIES

Artikel 22

1.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten houden een elektronische gegevensbank bij met de volgende registers:

a)

een register van de personen die de hoedanigheid bezitten van erkend entrepothouder of geregistreerd bedrijf op het gebied van de accijnzen in de zin van artikel 4, onder a) en d), van Richtlijn 92/12/EEG;

b)

een register van de als belastingentrepot erkende plaatsen.

2.   De registers bevatten de volgende gegevens, die ter beschikking worden gesteld van de overige lidstaten:

a)

het door de bevoegde autoriteit verstrekte identificatienummer voor de persoon en de plaatsen;

b)

de naam en het adres van de persoon en de plaatsen;

c)

de categorie en de gecombineerde nomenclatuur van de accijnsproducten die door de persoon mogen worden opgeslagen of ontvangen of die op de plaatsen mogen worden opgeslagen of ontvangen;

d)

de identificatie van het centraal verbindingsbureau of het accijnsbureau waarbij verdere inlichtingen kunnen worden verkregen;

e)

de datum van afgifte van wijziging en, in voorkomend geval, van het verstrijken van de geldigheid van de vergunning als erkend entrepothouder of geregistreerd bedrijf;

f)

de gegevens die nodig zijn voor het identificeren van de personen die verplichtingen zijn aangegaan in de zin van artikel 15, lid 3, van Richtlijn 92/12/EEG;

g)

de gegevens die nodig zijn voor het identificeren van de personen die incidenteel deelnemen aan het verkeer van accijnsgoederen, indien die gegevens beschikbaar zijn.

3.   De nationale registers worden, uitsluitend voor accijnsdoeleinden, ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de overige lidstaten.

4.   Het centrale verbindingsbureau of een verbindingsdienst van elke lidstaat zorgt ervoor dat de bij het intracommunautair verkeer van accijnsgoederen betrokken personen een bevestiging van de krachtens dit artikel bijgehouden informatie kunnen verkrijgen.

5.   De in lid 2 bedoelde gegevens, de nadere bepalingen voor het opzetten en het bijhouden van de registers, de geharmoniseerde normen voor het samenstellen van het identificatienummer en het invoeren van de gegevens die nodig zijn voor het identificeren van de in lid 2 bedoelde personen en plaatsen, alsmede de nadere bepalingen voor het ter beschikking stellen van de registers aan de overige lidstaten als bedoeld in lid 3, worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure.

6.   Wanneer een bedrijf slechts via een BTW-identificatienummer kan worden geïdentificeerd, is voor dat doel artikel 27 van Verordening (EG) nr. 1798/2003 van toepassing.

Artikel 23

1.   De lidstaten zetten een elektronisch systeem voor vroegtijdige waarschuwing op, aan de hand waarvan het centrale verbindingsbureau of een verbindingsdienst van de lidstaat van vertrek van de accijnsgoederen aan het verbindingsbureau van de lidstaat van bestemming een informatie- of waarschuwingsbericht kan zenden zodra dat verbindingsbureau of die verbindingsdienst in het bezit is van de AGD-gegevens, en uiterlijk wanneer de goederen worden geëxpedieerd. In het kader van deze uitwisseling van informatie wordt op basis van de AGD-gegevens een risicoanalyse verricht voordat een bericht wordt verzonden, en, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, nadat het is ontvangen.

2.   De uit te wisselen inlichtingen alsmede de nadere regels voor de uitwisseling worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 24

1.   Overeenkomstig artikel 5 kan het centrale verbindingsbureau van een lidstaat tijdens of na een beweging van accijnsgoederen het centrale verbindingsbureau of een verbindingsdienst van een andere lidstaat om inlichtingen verzoeken. Met het oog op deze uitwisseling van informatie wordt op basis van de AGD- of VGD-gegevens een risicoanalyse verricht voordat het verzoek wordt verzonden, en, indien zulks noodzakelijk wordt geacht, nadat het is ontvangen.

2.   De in lid 1 bedoelde uitwisseling van informatie geschiedt via een uniform document voor de controle op de goederenbewegingen. De vorm en de inhoud van dat document, alsmede de nadere regels voor de uitwisseling van de informatie, worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure.

3.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat waarin een afzender van accijnsgoederen is gevestigd kan, met gebruikmaking van het in lid 2 bedoelde document, bijstand verlenen wanneer deze afzender exemplaar 3 van het AGD of VGD niet ontvangt en wanneer de betrokken afzender al het mogelijke heeft gedaan om bewijs te verkrijgen dat de goederenbeweging op regelmatige wijze werd gezuiverd. Indien deze bijstand wordt verleend, ontslaat dit de afzender in geen geval van de op hem rustende fiscale verplichtingen.

De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming stellen alles in het werk om te voldoen aan de tijdens het verloop van deze bijstand tot hen gerichte verzoeken van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van de afzender.

Artikel 25

1.   Wanneer het verkeer van accijnsgoederen via een geautomatiseerd systeem wordt gevolgd en gecontroleerd, worden de inlichtingen door de bevoegde autoriteit van iedere lidstaat in het kader van dat systeem opgeslagen en verwerkt.

De inlichtingen worden opgeslagen voor een periode van ten minste drie jaar, te rekenen vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de beweging van accijnsgoederen op gang is gebracht, zodat deze inlichtingen in de kader van de bij deze verordening ingestelde procedures kunnen worden gebruikt.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in het systeem opgeslagen gegevens actueel, volledig en accuraat blijven.

HOOFDSTUK V

BETREKKINGEN MET DE COMMISSIE

Artikel 26

1.   De lidstaten en de Commissie onderzoeken en beoordelen de werking van de op grond van deze verordening ingestelde regeling voor administratieve samenwerking. Voor de toepassing van dit artikel verzamelt de Commissie de ervaringen van de lidstaten teneinde de werking van deze regeling te verbeteren. De daartoe door de lidstaten verstrekte informatie bevat geen individuele of persoonsgegevens.

2.   De lidstaten verstrekken de Commissie alle beschikbare inlichtingen over de wijze waarop zij deze verordening toepassen, met inbegrip van alle statistische gegevens die nodig zijn voor de beoordeling van deze toepassing. Deze statistische gegevens worden volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld, en worden alleen meegedeeld voorzover zij beschikbaar zijn en de mededeling ervan naar verwachting geen onredelijke administratieve lasten met zich brengt.

3.   De lidstaten verstrekken de Commissie alle beschikbare informatie over de methoden en praktijken die daadwerkelijk of vermoedelijk werden gebruikt voor het overtreden van de accijnswetgeving, die tekortkomingen of leemten aan het licht heeft gebracht in de werking van de bij deze verordening ingestelde regeling voor administratieve samenwerking dan wel in de toepasselijke accijnsbepalingen, wanneer deze informatie geacht kan worden van bijzonder belang voor andere lidstaten te zijn.

4.   Teneinde de doeltreffendheid van deze regeling voor administratieve samenwerking in de strijd tegen belastingfraude en -ontwijking te beoordelen, kunnen de lidstaten de Commissie alle andere in artikel 1 bedoelde beschikbare inlichtingen verstrekken.

5.   De Commissie doet de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde inlichtingen aan de andere betrokken lidstaten toekomen.

HOOFDSTUK VI

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 27

1.   Wanneer door een derde land aan de bevoegde autoriteit van een lidstaat inlichtingen zijn meegedeeld, kan laatstgenoemde deze doorgeven aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die in deze inlichtingen geïnteresseerd zouden kunnen zijn en in elk geval aan de autoriteiten die erom verzoeken, voorzover de bijstandsregelingen in het derde land in kwestie dat toelaten. Dergelijke inlichtingen kunnen ook aan de Commissie worden meegedeeld wanneer zij van communautair belang zijn.

2.   Mits het betrokken derde land er zich juridisch toe verbonden heeft de bijstand te verlenen die nodig is om bewijsmateriaal bijeen te brengen omtrent het onregelmatige karakter van verrichtingen die strijdig lijken met de accijnswetgeving, kunnen de krachtens deze verordening verkregen inlichtingen aan dat derde land worden meegedeeld, met toestemming van de bevoegde autoriteiten die deze hebben verstrekt en met inachtneming van hun nationale wetgeving betreffende de overdracht van persoonsgegevens aan derde landen.

HOOFDSTUK VII

VOORWAARDEN VOOR DE UITWISSELING VAN INLICHTINGEN

Artikel 28

De verstrekking van inlichtingen uit hoofde van deze verordening geschiedt voorzover mogelijk langs elektronische weg, overeenkomstig de praktische regelingen die worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 29

De verzoeken om bijstand, waaronder de verzoeken tot kennisgeving, en de bijgevoegde stukken mogen gesteld zijn in een door de aangezochte en de verzoekende autoriteit overeengekomen taal. De bovengenoemde verzoeken gaan slechts in bijzondere gevallen, wanneer de aangezochte autoriteit daartoe een met redenen omkleed verzoek heeft gedaan, vergezeld van een vertaling in de officiële taal of in één van de officiële talen van de lidstaat waar die autoriteit is gevestigd.

Artikel 30

1.   De aangezochte autoriteit van een lidstaat verstrekt de in artikel 1 bedoelde inlichtingen aan de verzoekende autoriteit van een andere lidstaat op voorwaarde dat:

a)

het aantal en de aard van de binnen een bepaalde periode door deze verzoekende autoriteit ingediende verzoeken om inlichtingen de aangezochte autoriteit administratief niet onevenredig zwaar belasten,

b)

de verzoekende autoriteit voor het verkrijgen van de inlichtingen eerst een beroep heeft gedaan op alle gebruikelijke bronnen die zij in de gegeven omstandigheden had kunnen benutten zonder het verkrijgen van het beoogde resultaat in gevaar te brengen.

2.   Wanneer met de wederzijdse bijstand bijzondere problemen gepaard gaan die voor de verzoekende en de aangezochte autoriteit buitensporige kosten met zich meebrengen, kunnen deze autoriteiten in onderling overleg en per geval een speciale vergoedingsregeling vaststellen.

3.   Deze verordening legt niet de verplichting op onderzoek in te stellen of inlichtingen te verstrekken wanneer de wetgeving of de administratieve praktijk van de lidstaat die de inlichtingen moet verstrekken, de bevoegde autoriteit niet toestaat dergelijk onderzoek in te stellen of zodanige inlichtingen in te winnen of te gebruiken voor de eigen doeleinden van deze lidstaat.

4.   De bevoegde autoriteit van een lidstaat kan weigeren inlichtingen te verstrekken indien de verzoekende lidstaat op wettelijke gronden niet in staat is gelijksoortige inlichtingen te verstrekken.

5.   Het verstrekken van inlichtingen kan worden geweigerd indien dit zou leiden tot onthulling van een commercieel, industrieel of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling met de openbare orde in strijd zou zijn.

6.   De aangezochte autoriteit stelt de verzoekende autoriteit in kennis van de redenen voor de afwijzing van het verzoek om bijstand. De categorieën van met redenen omklede afwijzingen worden ook jaarlijks voor statistische doeleinden aan de Commissie meegedeeld.

7.   Een minimumbedrag op grond waarvan een verzoek om bijstand kan worden voorgelegd, kan worden vastgesteld volgens de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 31

1.   De uit hoofde van deze verordening verstrekte inlichtingen vallen onder de geheimhoudingsplicht en genieten de bescherming waarin de nationale wetgeving van de ontvangende lidstaat en de overeenkomstige bepalingen die voor de communautaire instanties gelden, voor soortgelijke inlichtingen voorzien.

Dergelijke inlichtingen mogen worden gebruikt voor de vaststelling van de maatstaf van heffing, de inning, de administratieve controle van de accijnzen, de controle op het verkeer van accijnsgoederen, de risicoanalyses en de onderzoeken.

Zij kunnen worden gebruikt in verband met de eventuele toepassing van tot sancties leidende gerechtelijke of administratieve procedures die als gevolg van inbreuken op de belastingwetgeving zijn ingesteld, onverminderd de algemene voorschriften en de wettelijke bepalingen betreffende de rechten van verdachten en getuigen in deze procedures.

Zij kunnen tevens worden gebruikt om andere onder artikel 2 van Richtlijn 76/308/EEG van de Raad vallende belastingen, rechten en heffingen vast te stellen.

Personen die daartoe zijn gemachtigd door de instantie voor veiligheidsaccreditatie van de Commissie mogen alleen toegang hebben tot deze inlichtingen voorzover dat nodig is voor de instandhouding, het onderhoud en de ontwikkeling van het CCN/CSI-netwerk.

2.   In afwijking van lid 1 staat de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de inlichtingen verstrekt toe, dat deze inlichtingen in de lidstaat van de verzoekende autoriteit ook voor andere doeleinden worden gebruikt, indien de wetgeving van de lidstaat van de aangezochte autoriteit het gebruik van de inlichtingen voor soortgelijke doeleinden toestaat.

3.   Wanneer de verzoekende autoriteit van mening is dat de inlichtingen die zij van de aangezochte autoriteit heeft ontvangen, van nut kunnen zijn voor de bevoegde autoriteit van een derde lidstaat, kan zij deze inlichtingen aan laatstgenoemde autoriteit doorgeven. Zij stelt de aangezochte autoriteit daarvan in kennis. De aangezochte autoriteit kan het doorgeven van de inlichtingen aan een derde lidstaat verbinden aan de voorwaarde dat zij daarmee vooraf moet instemmen.

4.   De lidstaten beperken de reikwijdte van de verplichtingen en rechten neergelegd in artikel 10, artikel 11, lid 1, en de artikelen 12 en 21 van Richtlijn 95/46/EG, voorzover dit noodzakelijk is om de in artikel 13, lid 1, onder e), van die richtlijn bedoelde belangen te vrijwaren.

Artikel 32

De verslagen, verklaringen en overige bescheiden alsmede de voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of uittreksels daarvan, die door de ambtenaren van de aangezochte autoriteit zijn verkregen en aan de verzoekende autoriteit zijn doorgegeven in het kader van de bijstandsregeling van deze verordening, kunnen door de bevoegde instanties van de lidstaat van de verzoekende autoriteit als bewijs worden gebruikt op dezelfde voet als soortgelijke bescheiden die door een andere instantie van het eigen land worden doorgegeven.

Artikel 33

1.   Voor de toepassing van deze verordening nemen de lidstaten alle nodige maatregelen teneinde:

a)

een effectieve interne coördinatie tussen de in artikel 3 bedoelde bevoegde autoriteiten te verzekeren;

b)

te zorgen voor rechtstreekse samenwerking tussen de instanties die speciaal tot die coördinatie zijn gemachtigd;

c)

de goede werking van de bij deze verordening ingestelde regeling voor de uitwisseling van inlichtingen te verzekeren.

2.   De Commissie deelt alle inlichtingen die zij ontvangt en die zij kan verstrekken, zo spoedig mogelijk aan de bevoegde autoriteit van elke lidstaat mee.

HOOFDSTUK VIII

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 34

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 24, lid 1, van Richtlijn 92/12/EEG ingestelde Accijnscomité.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3.   Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 35

1.   Om de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening, dient de Commissie, met name op basis van de door de lidstaten verstrekte inlichtingen, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering van deze verordening.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze verordening vallende gebied vaststellen.

Artikel 36

1.   Wanneer de bevoegde autoriteiten bilaterale regelingen treffen voor onder deze verordening vallende aangelegenheden, behalve voor het afwikkelen van een op zichzelf staand geval, stellen zij de Commissie daarvan onverwijld in kennis. De Commissie stelt op haar beurt de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 37

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2005.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 november 2004.

Voor de Raad

De voorzitter

G. ZALM


(1)  Advies van 1.4.2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  PB C 112 van 30.4.2004, blz. 64.

(3)  PB L 336 van 27.12.1977, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/56/EG (PB L 127 van 29.4.2004, blz. 70).

(4)  PB L 264 van 15.10.2003, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 885/2004 (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 1).

(5)  PB L 76 van 23.3.92, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(6)  Akte van de Raad van 18 december 1997 (PB C 24 van 23.1.1998, blz. 1).

(7)  PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1882/2003 (PB L 284 van 31.10.2003, blz. 1).

(8)  PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9)  PB L 162 van 1.7.2003, blz. 5.

(10)  PB L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/66/EG (PB L 168 van 1.5.2004, blz. 35).

(11)  PB L 283 van 31.10.2003, blz. 51. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2004/75/EG (PB L 157 van 30.4.2004, blz. 100).

(12)  PB L 73 van 19.3.1976, blz. 18. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 2003.


Top