Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32004D0791

Besluit nr. 791/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding

OJ L 138, 30.4.2004, p. 31–39 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Estonian: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Latvian: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Lithuanian: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Hungarian Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Maltese: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Polish: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Slovak: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38
Special edition in Slovene: Chapter 16 Volume 002 P. 30 - 38

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2006

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2004/791(1)/oj

32004D0791

Besluit nr. 791/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding

Publicatieblad Nr. L 138 van 30/04/2004 blz. 0031 - 0039


Besluit Nr. 791/2004/EG van het Europees Parlement en de Raad

van 21 april 2004

tot vaststelling van een communautair actieprogramma ter bevordering van op Europees niveau actieve organisaties en ter ondersteuning van gerichte activiteiten op het gebied van onderwijs en opleiding

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 149, lid 4, en artikel 150, lid 4,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité [1],

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag [2],

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Het Verdrag bepaalt dat de Gemeenschap moet bijdragen tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door de activiteiten van de lidstaten te ondersteunen en aan te vullen, een beleid inzake beroepsopleiding ten uitvoer moet leggen waardoor de activiteiten van de lidstaten worden versterkt en aangevuld, en de samenwerking met derde landen moet bevorderen.

(2) De aan de conclusies van de Europese Raad van 14 en 15 december 2001 gehechte verklaring van Laken stelt dat een van de fundamentele uitdagingen voor de Europese Unie erin bestaat de burgers nader tot het Europese project en de Europese instellingen te brengen.

(3) In het op 14 juni 2002 door de Raad goedgekeurd gedetailleerd werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa [3] wordt een actieprogramma beschreven dat communautaire steun vereist.

(4) De verklaring van de Europese Unie ter gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (Wenen, 10 december 1998) pleit ervoor dat de Europese Unie in samenspraak met andere betrokken organisaties de samenwerking op het gebied van mensenrechten, zoals onderwijs- en opleidingsactiviteiten, verder ontwikkelt en zorgt voor de continuering van het door vijftien Europese universiteiten georganiseerde programma voor doctoraalstudie inzake mensenrechten en democratisering.

(5) De conclusies van de Europese Raad van Keulen van 4 juni 1999 stellen dat met het oog op de bestaanszekerheid en de continuïteit van het Europees programma voor doctoraalstudie inzake mensenrechten en democratisering "nadere aandacht moet worden besteed aan het vraagstuk van de begrotingscontinuïteit".

(6) De begrotingsonderdelen A-3010, A-3011, A-3012, A-3013, A-3014, A-3017, A-3022, A-3027, A-3044, B3-1000 en B3-304 van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2003 en voorgaande begrotingsjaren zijn op het gebied van onderwijs en opleiding doeltreffend gebleken.

(7) Het Europacollege, dat postuniversitaire opleidingen met een Europese dimensie op het gebied van recht, economie, menswetenschappen en politieke en sociale wetenschappen organiseert, het Europees Universitair Instituut, dat bijdraagt tot de ontwikkeling van het Europees cultureel en wetenschappelijk erfgoed via hoger onderwijs en onderzoek, het Europees Instituut voor bestuurskunde, dat opleidingen Europese integratie voor nationale en Europese ambtenaren organiseert, de Academie voor Europees recht in Trier, die universitaire opleidingen voor deskundigen in en gebruikers van Europees recht organiseert, het European Inter-University Centre for Human Rights and Democratisation, dat een Europese doctoraalstudie, Advanced Internships en andere onderwijs-, opleidings- en onderzoeksactiviteiten ter bevordering van de mensenrechten en de democratisering organiseert, het Europees Agentschap voor de ontwikkeling van het onderwijs voor leerlingen met bijzondere behoefte, dat streeft naar een kwalitatieve verbetering van het bijzonder onderwijs en naar duurzame Europese samenwerking op dit gebied, en het Centre international de formation européenne, dat voor onderwijs, opleiding en onderzoek zorgt met betrekking tot de Europese eenwording, de mondialisering, het federalisme, het regionalisme en de transformatie van eigentijdse maatschappelijke structuren, zijn organisaties die doelstellingen van algemeen Europees belang nastreven.

(8) Vooral sinds de aanneming van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels in de artikelen 81 en 82 van het Verdrag [4], die de nationale rechterlijke instanties meer bevoegdheden geeft om deze Verdragsbepalingen toe te passen, groeit de behoefte om nationale rechters via opleiding met de toepassing van het Gemeenschapsrecht vertrouwd te maken en ervoor te zorgen dat deze opleiding door de Gemeenschap wordt gesteund.

(9) Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad van 25 juni 2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen [5], hierna "het Financieel Reglement" genoemd, bepaalt dat voor de bestaande steunmaatregelen een basisbesluit vereist is.

(10) Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie hebben bij de goedkeuring van het Financieel Reglement toegezegd ervoor te zullen zorgen dat dit basisbesluit vanaf het begrotingsjaar 2004 in werking treedt; de Commissie heeft toegezegd rekening te zullen houden met de opmerkingen in de begroting in de context van de uitvoering.

(11) Er moet voor worden gezorgd dat voor de instellingen waaraan de Gemeenschap de afgelopen jaren financiële steun heeft verleend, voldoende stabiliteit en continuïteit van de financiering wordt gewaarborgd, met inachtneming van de nieuwe Financiële Reglementen en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften.

(12) Het geografisch bereik van het programma moet worden uitgebreid tot de toetredende lidstaten en, voor bepaalde acties, eventueel ook tot de landen van de EVA/EER en de kandidaat-lidstaten.

(13) Bij eventuele niet-communautaire financiering uit middelen van individuele landen moeten de artikelen 87 en 88 van het Verdrag in acht worden genomen.

(14) Dit besluit stelt voor de gehele duur van het programma de financiële middelen vast die voor de begrotingsautoriteit het voornaamste referentiepunt vormen in de zin van punt 33 van het Interinstitutioneel Akkoord van 6 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de begrotingsdiscipline en de verbetering van de begrotingsprocedure [6].

(15) Bij het verlenen van steun uit hoofde van dit besluit moeten het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel strikt worden nageleefd,

BESLUITEN:

Artikel 1

Doelstelling van het programma en activiteiten

1. Dit besluit stelt een communautair actieprogramma op het gebied van onderwijs en opleiding vast ter ondersteuning van organisaties en hun activiteiten die de kennis over de opbouw van Europa beogen te vergroten en te verdiepen of willen bijdragen aan de verwezenlijking van gemeenschappelijke beleidsdoelstellingen op het gebied van onderwijs en opleiding, zowel binnen als buiten de Gemeenschap, hierna het "programma" genoemd.

2. De algemene doelstelling van dit programma bestaat erin de activiteiten te steunen van organisaties op het gebied van onderwijs en opleiding.

Het programma bestrijkt de volgende activiteiten:

a) het lopend werkprogramma van een op Europees of wereldniveau actieve organisatie die een doelstelling van algemeen Europees belang op het gebied van onderwijs en opleiding nastreeft of een doelstelling die deel uitmaakt van het beleid van de Europese Unie op dit gebied;

b) een gerichte actie om het optreden van de Europese Unie op dit gebied te promoten, informatie over de Europese integratie en de doelstellingen van de Unie in het kader van de internationale betrekkingen te verspreiden of de actie van de Gemeenschap en de verspreiding ervan op nationaal niveau te bevorderen.

Deze activiteiten moeten met name bijdragen — of in staat zijn bij te dragen — aan de ontwikkeling en de uitvoering van het beleid en acties inzake communautaire samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding.

3. Dit programma loopt van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2006.

Artikel 2

Toegang tot het programma

Om voor een subsidie in aanmerking te komen, moeten organisaties aan de eisen van de bijlage voldoen en de volgende kenmerken hebben:

a) het moeten onafhankelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk zijn die voornamelijk op het gebied van onderwijs of opleiding actief zijn en een doelstelling van algemeen belang nastreven;

b) zij moeten juridisch langer dan twee jaar bestaan en hun boekhouding van de laatste twee jaar moet door een erkende accountant gecertificeerd zijn;

c) hun activiteiten moeten stroken met de basisbeginselen van de communautaire actie op het gebied van onderwijs en opleiding en rekening houden met de in de bijlage vermelde prioriteiten.

De Commissie kan in uitzonderlijke omstandigheden een afwijking van de voorwaarden van de eerste alinea, onder b), toestaan, mits de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschap daardoor niet in het gedrang komt.

Artikel 3

Deelname van derde landen

Deelname aan acties van dit programma is mogelijk voor organisaties die gevestigd zijn in:

a) de toetredende staten die het Toetredingsverdrag van 16 april 2003 ondertekend hebben;

b) de landen van de EVA/EER, overeenkomstig de voorwaarden in de EER-overeenkomst;

c) Roemenië en Bulgarije, waarbij de deelnemingsvoorwaarden dienen te worden vastgesteld overeenkomstig de Europaovereenkomsten, de aanvullende protocollen bij die overeenkomsten en de besluiten van de respectieve associatieraden;

d) Turkije, waarbij de deelnemingsvoorwaarden dienen te worden vastgesteld overeenkomstig de kaderovereenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Turkije van 26 februari 2002 inzake de algemene beginselen voor de deelname van Turkije aan communautaire programma's [7].

Artikel 4

Selectie van begunstigden

Het programma omvat twee groepen begunstigden:

a) groep 1: exploitatiesubsidies die rechtstreeks worden verleend aan de in punt 2 van de bijlage bij naam genoemde begunstigden;

b) groep 2: steun voor Europese organisaties die actief zijn op het gebied van onderwijs en opleiding, voor activiteiten op het gebied van hoger onderwijs inzake Europese integratie, met inbegrip van Jean Monnet-leerstoelen, voor activiteiten die bijdragen aan de verwezenlijking van de toekomstige doelstellingen van onderwijs- en opleidingssystemen in Europa, voor de opleiding van nationale rechters op het gebied van het Europees recht en voor organisaties voor justitiële samenwerking. De begunstigden worden geselecteerd op basis van een oproep tot het indienen van voorstellen overeenkomstig de in de bijlage opgenomen algemene criteria.

Artikel 5

Verlenen van een subsidie

Bij het verlenen van subsidies uit hoofde van de verschillende acties van het programma moeten de in het desbetreffende deel van de bijlage beschreven bepalingen in acht worden genomen.

Artikel 6

Financiële bepalingen

1. De financiële middelen voor de uitvoering van dit programma voor de in artikel 1, lid 3, vermelde periode worden vastgesteld op 77 miljoen EUR.

2. De jaarlijkse kredieten worden door de begrotingsautoriteit toegestaan binnen de grenzen van de financiële vooruitzichten.

Artikel 7

Uitvoering

De Commissie zorgt voor de uitvoering van dit programma overeenkomstig de in de bijlage opgenomen bepalingen.

Artikel 8

Toezicht en evaluatie

1. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2007 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.

Het verslag is met name gebaseerd op een extern evaluatieverslag dat uiterlijk eind 2006 beschikbaar moet zijn en waarin op zijn minst de algemene deugdelijkheid en samenhang van het programma, de efficiëntie van de uitvoering ervan (voorbereiding, selectie, uitvoering van acties) en de algemene en individuele efficiëntie van de verschillende acties (in termen van de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 1 en de bijlage) worden geëvalueerd.

De Commissie brengt voorts jaarlijks bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de uitvoering van het programma.

2. Het Europees Parlement en de Raad nemen overeenkomstig het Verdrag een besluit over de voortzetting van het programma vanaf 1 januari 2007.

Artikel 9

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag volgende op die van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 21 april 2004.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

D. Roche

[1] PB C 32 van 5.2.2004, blz. 52.

[2] Advies van het Europees Parlement van 6 november 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 22 december 2003 (PB C 72 E van 23.3.2004, blz. 19) en standpunt van het Europees Parlement van 10 maart 2004 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van de Raad van 30 maart 2004.

[3] PB C 142 van 14.6.2002, blz. 1.

[4] PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1.

[5] PB L 248 van 16.9.2002, blz. 1.

[6] PB C 172 van 18.6.1999, blz. 1. Akkoord laatstelijk gewijzigd bij Besluit 2003/429/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 147 van 14.6.2003, blz. 25).

[7] PB L 61 van 2.3.2003, blz. 29.

--------------------------------------------------

BIJLAGE

1. INLEIDING

De doelstellingen van artikel 1 worden nagestreefd via de in deze bijlage beschreven acties.

In deze bijlage worden twee belangrijke soorten acties beschreven:

- het eerste soort acties (actie 1 en 2) is bedoeld om steun te verlenen aan specifieke instellingen of geselecteerde organisaties die op Europees niveau actief zijn op het gebied van onderwijs en opleiding;

- het tweede soort acties (actie 3) is bedoeld om steun te verlenen aan specifieke, op de Europese integratie toegespitste activiteiten of projecten (actie 3A), aan EU-beleidsmaatregelen op het gebied van onderwijs en opleiding buiten de communautaire programma's op dit gebied (actie 3B) of aan opleidingen Europees recht, vooral ten behoeve van nationale rechters (actie 3C).

2. UITVOERING VAN DE ONDERSTEUNDE ACTIVITEITEN

De activiteiten van organisaties die uit hoofde van het programma een subsidie van de Gemeenschap kunnen krijgen, vallen onder een van de volgende groepen.

Actie 1: Steun voor specifieke instellingen die actief zijn op het gebied van onderwijs en opleiding

Er kunnen in het kader van deze actie subsidies worden verleend om huishoudelijke en administratieve kosten te dekken van de volgende instellingen die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven en op de volgende gebieden actief zijn:

- het Europacollege (campussen in Brugge en Natolin): postuniversitair onderwijs over de Europese dimensie van recht, economie, menswetenschappen en politieke en sociale wetenschappen;

- het Europees Universitair Instituut in Florence: levert een bijdrage aan de ontwikkeling van het Europees cultureel en wetenschappelijk erfgoed via hoger onderwijs en onderzoek;

- het Europees Instituut voor bestuurskunde in Maastricht: opleidingen voor nationale en Europese ambtenaren om deze in staat te stellen hun verantwoordelijkheid op te nemen op het gebied van de Europese integratie;

- de Academie voor Europees recht in Trier: permanente educatie op universitair niveau ten behoeve van deskundigen in en gebruikers van Europees recht;

- het European Inter-University Centre for Human Rights and Democratisation: voortzetting van het Europees doctoraalprogramma inzake mensenrechten en democratisering, het Advanced Intership Programme en andere onderwijs-, opleidings- en onderzoeksactiviteiten ter bevordering van de mensenrechten en de democratisering;

- het Europees Agentschap voor de ontwikkeling van het bijzonder onderwijs: kwalitatieve verbetering van het bijzonder onderwijs en grootschalige Europese samenwerking op lange termijn op dit gebied;

- het Internationaal Centrum voor Europese vorming: studie, onderwijs, opleiding en onderzoek met betrekking tot de Europese eenwording, de globalisering, het federalisme, het regionalisme en de transformatie van eigentijdse maatschappelijke structuren vanuit een brede, wereldfederalistische visie.

De Commissie kan de bovengenoemde instellingen subsidies verlenen na ontvangst van een deugdelijk werkplan en budget. De subsidies kunnen op grond van een kaderpartnerschapsovereenkomst met de Commissie op jaarbasis of op verlengbare basis worden verleend.

Het in artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement beschreven degressiviteitsbeginsel geldt niet voor de in het kader van deze actie verleende subsidies.

De activiteiten van de in het kader van deze actie gesubsidieerde instellingen kunnen binnen of buiten de grenzen van de Europese Unie plaatshebben.

De in het kader van actie 1 vast te leggen middelen bedragen maximum 65 % en minimum 58 % van het totale budget voor het programma.

Actie 2: Steun voor Europese organisaties die op het gebied van onderwijs of opleiding actief zijn

Er kunnen in het kader van deze actie subsidies worden verleend om huishoudelijke en administratieve kosten te dekken van Europese organisaties die op het gebied van onderwijs en opleiding actief zijn en aan de volgende minimumcriteria voldoen:

- een organisatie zijn die een doelstelling van algemeen Europees belang nastreeft, zoals bepaald in artikel 162 van de uitvoeringsvoorschriften bij het Financieel Reglement, vastgelegd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie [1];

- op Europees niveau op het gebied van onderwijs en opleiding actief zijn en duidelijke, in de officiële statuten van de organisatie verankerde doelstellingen nastreven;

- leden hebben in minstens twaalf lidstaten van de Europese Unie;

- samengesteld zijn uit nationale, regionale of plaatselijke organisaties;

- gevestigd zijn en juridische status hebben in een van de lidstaten van de Europese Unie;

- het merendeel van hun activiteiten organiseren in de lidstaten van de Europese Unie, landen van de Europese Economische Ruimte en/of kandidaat-lidstaten.

Er zullen in het kader van deze actie subsidies worden verleend na selectie van de voorstellen die in het kader van een of meer oproepen tot het indienen van voorstellen zijn ingediend. De subsidie van de Gemeenschap bedraagt maximum 75 % van de in een goedgekeurd werkplan van de organisatie beschreven subsidiabele kosten. De subsidies kunnen op grond van een kaderpartnerschapsovereenkomst met de Commissie op jaarbasis of op verlengbare basis worden verleend.

Het in artikel 113, lid 2, van het Financieel Reglement beschreven degressiviteitsbeginsel geldt niet voor de in het kader van deze actie verleende subsidies.

De in het kader van actie 2 vast te leggen middelen bedragen maximum 4 % van het totale budget voor het programma.

Actie 3A: Steun voor activiteiten in het hoger onderwijs ter bevordering van de Europese integratie (inclusief Jean Monnet-leerstoelen)

De activiteiten in het kader van deze actie hebben tot doel de acties van de Europese Unie in het hoger onderwijs te promoten, de bij het hoger onderwijs betrokken partijen bewust te maken van de Europese integratie en de doelstellingen die de Unie in haar internationale betrekkingen nastreeft, of de acties van de Gemeenschap en de verspreiding ervan op nationaal niveau te steunen.

De in het kader van deze actie gesubsidieerde activiteiten kunnen binnen of buiten de grenzen van de Europese Unie plaatshebben.

Overeenkomstig artikel 2 van het besluit wordt de aandacht vooral op de volgende activiteiten toegespitst:

- onderricht over de Europese integratie aan universiteiten geven;

- nationale organisaties van in de Europese integratie gespecialiseerde docenten oprichten en ondersteunen;

- de reflectie en het debat over het proces van de Europese integratie bevorderen;

- het academisch onderzoek — inclusief onderzoek door jonge wetenschappers — bevorderen over prioritaire EU-thema's, zoals de toekomst van Europa of de dialoog tussen volkeren en culturen.

Er zullen in het kader van deze actie subsidies worden verleend na selectie van de voorstellen die op grond van een of meer oproepen tot het indienen van voorstellen zijn ingediend. De subsidie van de Gemeenschap bedraagt maximum 75 % van de subsidiabele kosten van de activiteiten die in het kader van deze actie voor financiering zijn geselecteerd.

De in het kader van actie 3A vast te leggen middelen bedragen maximum 24 % en minimum 20 % van het totale budget voor het programma.

Actie 3B: Steun voor activiteiten die de toekomstige doelstellingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa helpen verwezenlijken

De activiteiten in het kader van actie 3B spitsen zich toe op de ondersteuning, de uitvoering, de bewustmaking en de promotie met betrekking tot de follow-up van de drie door de Europese Raad overeengekomen doelstellingen van de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa voor 2010 [2]:

- de kwaliteit en de efficiëntie van de onderwijs- en opleidingsstelsels in de Europese Unie verbeteren;

- de toegang tot de onderwijs- en opleidingsstelsels voor iedereen vergemakkelijken;

- de onderwijs- en opleidingsstelsels naar de buitenwereld openen;

en de 13 aanverwante deeldoelstellingen. Deze activiteiten kunnen toekomstgerichte benaderingswijzen voor de periode tot 2010 omvatten en zowel intra-Europese aspecten als aspecten met betrekking tot de plaats van Europa in de wereld bestrijken.

Er worden in het kader van deze actie activiteiten gesteund die de open coördinatiemethode op het gebied van onderwijs en opleiding toepassen, met name via collegiale toetsingen, de uitwisseling van goede praktijken, de uitwisseling van informatie en de ontwikkeling van indicatoren en benchmarks.

De aandacht wordt vooral toegespitst op de volgende activiteiten:

- steun voor studies, enquêtes en onderzoek met betrekking tot de verwezenlijking van toekomstige concrete doelstellingen;

- bijeenkomsten van deskundigen, seminars, conferenties en studiebezoeken ter ondersteuning van de uitvoering van het gedetailleerd werkprogramma inzake de doelstellingen;

- voorbereiding en realisatie van voorlichtingsactiviteiten en publicaties om de bij de onderwijs- en opleidingssector betrokken partijen bewust te maken, inclusief activiteiten om de actie van de Europese Unie op het gebied van onderwijs en opleiding te bevorderen alsook de kwaliteit van de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels te verbeteren, de toegang daartoe voor iedereen te vergemakkelijken en deze stelsels naar de buitenwereld te openen;

- diverse activiteiten ter ondersteuning van de communautaire actie, waarbij actoren uit het maatschappelijk middenveld worden betrokken die op nationaal of Europees niveau actief zijn op het gebied van onderwijs en opleiding.

Er zullen in het kader van deze actie subsidies worden verleend na selectie van de voorstellen die op grond van een of meer oproepen tot het indienen van voorstellen zijn ingediend.

Er kunnen subsidies worden verleend aan instellingen in de lidstaten van de Europese Unie, landen van de Europese Economische Ruimte of kandidaat-lidstaten. Er kunnen uitzonderlijk subsidies aan instellingen in andere derde landen worden verleend voor activiteiten in verband met de derde doelstelling (de onderwijs- en opleidingsstelsels naar de buitenwereld openen).

De subsidie van de Gemeenschap bedraagt normaliter maximum 75 % van de subsidiabele kosten van de geselecteerde voorstellen.

De in het kader van actie 3B vast te leggen middelen bedragen maximum 14 % en minimum 9 % van het totale budget voor het programma.

Actie 3C: Steun voor opleidingen Europees recht ten behoeve van nationale rechters

Er kunnen in het kader van deze actie subsidies worden verleend om activiteiten van organisaties voor gerechtelijke samenwerking en andere activiteiten ter bevordering van opleidingen Europees recht, met name ten behoeve van nationale rechters, te steunen.

De in het kader van deze actie gesteunde activiteiten kunnen in de lidstaten, in landen van de Europese Economische Ruimte of kandidaat-lidstaten plaatshebben.

Er zullen in het kader van deze actie subsidies worden verleend na selectie van de voorstellen die op grond van een of meer oproepen tot het indienen van voorstellen zijn ingediend. De subsidie van de Gemeenschap bedraagt normaliter maximum 75 % van de subsidiabele kosten van de in een goedgekeurd werkplan beschreven activiteiten.

De in het kader van actie 3C vast te leggen middelen bedragen maximum 4 % van het totale budget voor het programma.

3. TRANSPARANTIE

De begunstigde van een subsidie uit hoofde van een onderdeel van het programma geeft op een in het oog springende plaats, zoals de startpagina van zijn website of een jaarverslag, aan dat hij subsidiegelden uit de begroting van de Europese Unie heeft ontvangen.

4. CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN SUBSIDIEAANVRAGEN

Subsidieaanvragen die op grond van een oproep tot het indienen van voorstellen worden ingediend, worden aan de hand van de volgende criteria beoordeeld:

- relevantie voor de doelstellingen van het programma en van de specifieke actie in kwestie;

- relevantie voor de in de oproep tot het indienen van voorstellen beschreven prioriteiten of andere criteria;

- de kwaliteit van het voorstel;

- de verwachte effecten van het voorstel voor het onderwijs en/of de opleidingen op Europees niveau.

5. SUBSIDIABELE KOSTEN

Om het bedrag van uit hoofde van een actie van het programma verleende subsidies te bepalen, kan de Commissie gebruikmaken van op gepubliceerde tabellen van eenheidskosten gebaseerde forfaitaire bedragen.

Voor in 2004 toegekende subsidies kan het tijdvak voor subsidiëring op 1 januari 2004 van start gaan mits de desbetreffende uitgaven noch vóór de datum van indiening van de subsidieaanvraag, noch vóór het begin van het boekjaar van de begunstigde gedaan zijn.

In 2004 kan worden afgeweken van de verplichting dat de ondertekening van de subsidieovereenkomst uiterlijk binnen de eerste vier maanden na het begin van het boekjaar van de begunstigde moet plaatsvinden, zoals bepaald in artikel 112, lid 2, van het Financieel Reglement, voor begunstigden van wie het boekjaar voor 1 maart van het lopende jaar begint. In dit geval kunnen de subsidieovereenkomsten tot uiterlijk 30 juni 2004 worden ondertekend.

6. BEHEER VAN HET PROGRAMMA

De Commissie kan op basis van een kosten-batenanalyse besluiten om het beheer van het programma geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan een uitvoeringsagentschap, met inachtneming van artikel 55 van het Financieel Reglement. Zij kan ook een beroep doen op deskundigen of op andere vormen van technische of administratieve bijstand waarbij geen overheidstaken in het geding zijn. Deze bijstand kan worden verleend in het kader van specifieke dienstverleningscontracten. Bovendien kan de Commissie studies financieren en vergaderingen van deskundigen organiseren om de uitvoering van het programma te vergemakkelijken, alsook acties inzake informatie, publicatie en verspreiding ondernemen die rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het doel van het programma.

7. CONTROLES EN AUDITS

De begunstigde van een exploitatiesubsidie houdt alle bewijsstukken, ook het geverifieerde financiële overzicht, van uitgaven tijdens het jaar waarvoor de subsidie is verleend, gedurende vijf jaar na de laatste betaling ter beschikking van de Commissie. De begunstigde van een exploitatiesubsidie zorgt ervoor dat bewijsstukken die eventueel in het bezit van partners of leden zijn, ter beschikking van de Commissie worden gesteld.

De Commissie heeft het recht om de aanwending van de subsidie aan een audit te onderwerpen, hetzij rechtstreeks door haar personeel, hetzij door een bevoegde externe organisatie naar keuze. Deze audits kunnen worden uitgevoerd tijdens de volledige looptijd van de overeenkomst, evenals tijdens een periode van vijf jaar vanaf de datum waarop het saldo van de subsidie is betaald. De auditresultaten kunnen er eventueel toe leiden dat de Commissie besluiten tot terugvordering neemt.

Het personeel van de Commissie en de door de Commissie gemachtigde externe personen hebben op passende wijze toegang tot met name de kantoren van de begunstigde, en tot alle noodzakelijke gegevens, ook in elektronische vorm, om deze audits tot een goed einde te brengen.

De Europese Rekenkamer en het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) hebben dezelfde rechten als de Commissie, met name het recht van toegang.

Om de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden te beschermen, is de Commissie krachtens Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad [3] gemachtigd ter plaatse controles en verificaties in het kader van het programma uit te voeren. Eventueel voert het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) onderzoek uit overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad [4].

[1] PB L 357 van 31.12.2002, blz. 1.

[2] Gedetailleerd werkprogramma voor de follow-up inzake de doelstellingen voor de onderwijs- en opleidingsstelsels in Europa (PB C 142 van 14.6.2002, blz. 1).

[3] PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2.

[4] PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1.

--------------------------------------------------

Top