Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003R2160

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers

OJ L 325, 12.12.2003, p. 1–15 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 041 P. 328 - 342
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 051 P. 252 - 266
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 051 P. 252 - 266
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 018 P. 215 - 229

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2003/2160/oj

32003R2160

Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers

Publicatieblad Nr. L 325 van 12/12/2003 blz. 0001 - 0015


Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad

van 17 november 2003

inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 152, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Levende dieren en producten van dierlijke oorsprong komen voor op de lijst in bijlage I bij het Verdrag. Veeteelt en het in de handel brengen van producten van dierlijke oorsprong vormen een belangrijke bron van inkomsten voor de landbouwbevolking. Een rationele ontwikkeling van deze sector kan worden bereikt door de uitvoering van veterinaire maatregelen voor de verbetering van de gezondheid van mens en dier in de Gemeenschap.

(2) De bescherming van de volksgezondheid tegen ziekten en besmettingen die direct of indirect van dieren op de mens kunnen worden overgedragen (zoönoses) is van het allergrootste belang.

(3) Via voedsel overgedragen zoönoses kunnen de oorzaak zijn van menselijk leed, maar ook van economisch verlies bij de voedselproductie en voor de levensmiddelenindustrie.

(4) Ook zoönoses die op een andere wijze dan via voedsel, vooral door wilde dieren en gezelschapsdieren, worden overgedragen, geven aanleiding tot bezorgdheid.

(5) De in het stadium van de primaire productie aanwezige zoönoses moeten op adequate wijze onder controle worden gehouden om te waarborgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt. In het geval van primaire productie die leidt tot rechtstreekse levering van kleine hoeveelheden primaire producten aan eindverbruikers of plaatselijke winkels door de levensmiddelenbedrijfexploitant die die producten produceert, dient de volksgezondheid echter door de nationale wetgeving te worden beschermd. In dat geval bestaat er een nauwe relatie tussen de producent en de consument. Die productie mag echter niet in belangrijke mate bijdragen aan de gemiddelde prevalentie van zoönoses in de veepopulaties van de gehele Gemeenschap. Het is mogelijk dat de algemene voorschriften voor bemonstering en onderzoek onpraktisch of ongeschikt zijn voor producenten met een zeer gering aantal dieren in regio's met speciale problemen van geografische oorsprong.

(6) Bij Richtlijn 92/117/EEG van de Raad van 17 december 1992 inzake maatregelen voor de bescherming tegen bepaalde zoönoses en bepaalde zoönoseverwekkers bij dieren en in producten van dierlijke oorsprong teneinde door voedsel overgedragen infecties en vergiftigingen te voorkomen(4) is voorzien in de invoering van een systeem voor de bewaking van bepaalde zoönoses en van controles op salmonella bij bepaalde pluimveekoppels.

(7) Krachtens die richtlijn moesten de lidstaten de nationale maatregelen die zij hadden genomen om het bij de richtlijn vastgestelde doel te bereiken, voorleggen aan de Commissie en moesten zij plannen opstellen voor het toezicht op salmonella's bij pluimvee. Krachtens Richtlijn 97/22/EG(5) tot wijziging van Richtlijn 92/117/EEG werd deze verplichting evenwel geschorst in afwachting van de in artikel 15 bis van Richtlijn 92/117/EEG bedoelde herziening.

(8) Verschillende lidstaten hebben reeds hun plannen voor het toezicht op salmonella ingediend, die door de Commissie zijn goedgekeurd. Voorts dienden alle lidstaten met ingang van 1 januari 1998 de minimummaatregelen ten uitvoer te leggen die voor salmonella zijn vastgesteld in bijlage III, deel I, bij Richtlijn 92/117/EEG, en dienden zij regels op te stellen voor maatregelen om te voorkomen dat salmonella op een bedrijf wordt binnengebracht.

(9) Deze minimummaatregelen betreffen vooral de bewaking en de controle van salmonella bij fokkoppels van de soort Gallus gallus. Wanneer besmetting met de serotypes Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium bij de betrokken monsters werd geconstateerd en bevestigd, moesten op grond van Richtlijn 92/117/EEG specifieke maatregelen worden genomen om de besmetting te bestrijden.

(10) Voorschriften voor de bewaking en de bestrijding van bepaalde zoönoses bij dieren zijn reeds vastgelegd in andere communautaire regelgeving. Met name Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens(6) heeft betrekking op rundertuberculose en runderbrucellose. Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten(7) heeft betrekking op schapen- en geitenbrucellose. De onderhavige verordening mag niet leiden tot onnodige overlapping van deze bestaande verplichtingen.

(11) Voorts dient een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake levensmiddelenhygiëne specifieke elementen voor de preventie, de bestrijding en de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers te bestrijken, en specifieke voorschriften voor de microbiologische kwaliteit van levensmiddelen te bevatten.

(12) Richtlijn 92/117/EEG voorziet in het verzamelen van gegevens over het vóórkomen van zoönoses en zoönoseverwekkers in diervoeders, bij dieren, in levensmiddelen en bij de mens. Hoewel de regeling inzake het verzamelen van de gegevens niet geharmoniseerd is en derhalve geen vergelijking tussen de lidstaten mogelijk maakt, vormt zij toch een basis voor de evaluatie van de huidige situatie met betrekking tot zoönoses en zoönoseverwekkers in de Gemeenschap.

(13) Uit de in het kader van de regeling verzamelde gegevens blijkt dat de meeste gevallen van zoönoses bij de mens worden veroorzaakt door Salmonella spp. en Campylobacter spp. Het aantal gevallen van salmonellose bij de mens lijkt af te nemen, vooral die welke worden veroorzaakt door Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium, waaruit mag worden geconcludeerd dat de in de Gemeenschap genomen bestrijdingsmaatregelen hiertegen succes hebben gehad. Toch wordt aangenomen dat vele gevallen niet worden gemeld en dat de verzamelde gegevens bijgevolg geen volledig beeld van de situatie geven.

(14) Het Wetenschappelijk Comité voor veterinaire maatregelen in verband met de volksgezondheid heeft in zijn advies inzake zoönoses van 12 april 2000 gesteld dat de huidige maatregelen voor de bestrijding van door voedsel overgedragen zoönoses ontoereikend zijn en dat de epidemiologische gegevens die momenteel door de lidstaten worden verzameld, onvolledig en niet helemaal vergelijkbaar zijn. Derhalve heeft het comité aanbevolen de bewakingsvoorschriften te verbeteren en heeft het mogelijke maatregelen inzake risicobeheer voorgesteld.

(15) Daarom moeten de bestaande regelingen voor de bestrijding van bepaalde zoönoseverwekkers worden verbeterd. Terzelfder tijd zullen de bij Richtlijn 92/117/EEG vastgestelde systemen voor bewaking en gegevensverzameling worden vervangen door de bepalingen die zijn vastgelegd in Richtlijn 2003/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bewaking van zoönoses en zoönoseverwekkers en houdende wijziging van Beschikking 90/424/EEG van de Raad en intrekking van Richtlijn 92/117/EEG van de Raad(8).

(16) Als beginsel moet worden vastgesteld dat de bestrijdingsmaatregelen betrekking moeten hebben op de hele voedselketen, van bij de boer tot op het bord.

(17) In het algemeen moeten de in de communautaire regelgeving inzake diervoeders, diergezondheid en levensmiddelenhygiëne vastgestelde voorschriften van toepassing zijn op die bestrijdingsmaatregelen.

(18) Voor bepaalde zoönoses en zoönoseverwekkers moeten evenwel specifieke bestrijdingsvoorschriften worden vastgesteld.

(19) Die specifieke bestrijdingsvoorschriften moeten worden gebaseerd op de doelstellingen inzake het terugdringen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers.

(20) De doelstellingen moeten voor zoönoses en zoönoseverwekkers bij dieren worden vastgesteld met inachtneming van de frequentie en de epidemiologische tendensen bij dieren en bij mensen alsook in diervoeder en levensmiddelen, de ernst voor mensen, de potentiële economische gevolgen, het wetenschappelijk advies en het bestaan van adequate maatregelen om de prevalentie terug te dringen. Indien nodig kunnen ook doelstellingen worden vastgesteld voor andere delen van de voedselketen.

(21) Om de doelstellingen tijdig te kunnen verwezenlijken, moeten de lidstaten specifieke bestrijdingsprogramma's opzetten die door de Gemeenschap moeten worden goedgekeurd.

(22) De voornaamste verantwoordelijkheid voor de veiligheid van levensmiddelen dient bij de exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven te berusten. De lidstaten moeten derhalve het opzetten van bestrijdingsprogramma's op bedrijfsniveau stimuleren.

(23) Het kan gebeuren dat lidstaten of exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven in het kader van hun bestrijdingsprogramma's specifieke bestrijdingsmethoden wensen te gebruiken. Bepaalde methoden evenwel zijn misschien niet acceptabel, in het bijzonder omdat zij het bereiken van het gestelde doel in het algemeen in de weg staan, omdat zij specifiek interfereren met noodzakelijke testmethoden, of omdat zij potentiële risico's voor de volksgezondheid opleveren. Daarom moet worden voorzien in adequate procedures waardoor de Gemeenschap kan besluiten dat bepaalde bestrijdingsmethoden niet in het kader van bestrijdingsprogramma's mogen worden gebruikt.

(24) Bestaande of nieuwe bestrijdingsmethoden vallen niet altijd onder een specifieke communautaire regelgeving inzake goedkeuring van producten, maar kunnen misschien wel bijdragen tot het bereiken van de doelstellingen inzake het terugdringen van de prevalentie van bepaalde zoönoses en zoönoseverwekkers. Daarom moet het mogelijk zijn om het gebruik van die methoden op communautair niveau toe te staan.

(25) Het is van cruciaal belang dat bij het herbevolken uitsluitend dieren worden gebruikt die komen uit koppels of beslagen die overeenkomstig deze verordening zijn gecontroleerd. De in het kader van een specifiek bestrijdingsprogramma verkregen testresultaten moeten worden meegedeeld aan de koper van de dieren. Daartoe moeten specifieke voorschriften worden opgenomen in de desbetreffende communautaire regelgeving inzake het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen, met name betreffende partijen levende dieren en broedeieren. Richtlijn 64/432/EEG, Richtlijn 72/462/EEG van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens en vers vlees uit derde landen(9) en Richtlijn 90/539/EEG van de Raad van 15 oktober 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren(10) moeten dienovereenkomstig worden aangepast.

(26) De aanneming van deze verordening mag geen afbreuk doen aan de aanvullende garanties die voor Finland en Zweden bij hun toetreding zijn overeengekomen en die door de Beschikkingen 94/968 EG(11), 95/50 EG(12), 95/160/EG(13), 95/161 EG(14), 95/168 EG(15) van de Commissie en de Beschikkingen 95/409/EG(16), 95/410/EG(17) en 95/411/EG(18) van de Raad zijn bevestigd. De verordening moet voorzien in een procedure voor de toekenning, gedurende een overgangsperiode, van garanties aan elke lidstaat met een goedgekeurd nationaal bestrijdingsprogramma dat verder reikt dan de minimumvereisten van de Gemeenschap met betrekking tot salmonella. De resultaten van de tests op levende dieren en broedeieren die met een dergelijke lidstaat verhandeld worden, moeten voldoen aan de in het nationale bestrijdingsprogramma van de lidstaat vastgestelde criteria. De Gemeenschapswetgeving tot vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor voedsel van dierlijke oorsprong dient in een soortgelijke procedure voor vlees en consumptie-eieren te voorzien.

(27) Gelijkwaardige maatregelen voor de bestrijding van zoönoses moeten ook ten uitvoer worden gelegd in derde landen die naar de Gemeenschap exporteren, op hetzelfde moment waarop maatregelen in de Gemeenschap worden toegepast.

(28) Wat de bestrijding van salmonella betreft, duidt de beschikbare informatie erop dat pluimveeproducten een belangrijke bron van salmonellose bij de mens zijn. De bestrijdingsmaatregelen moeten daarom worden toegepast op de productie van deze producten en op die manier de krachtens Richtlijn 92/117/EEG getroffen maatregelen uitbreiden. Wat de productie van consumptie-eieren betreft, is het van belang dat er specifieke maatregelen worden vastgesteld betreffende het in de handel brengen van producten afkomstig van koppels waarvan niet aan de hand van tests is vastgesteld dat zij vrij van de betrokken salmonella's zijn. Wat pluimveevlees betreft, is het streven dat er een redelijke garantie is dat het in de handel gebrachte pluimveevlees vrij is van de betrokken salmonella's. Voor exploitanten van een levensmiddelenbedrijf moet er een overgangsperiode komen zodat zij zich aan de beoogde maatregelen kunnen aanpassen; deze maatregelen kunnen later naar aanleiding van wetenschappelijke risico-evaluaties verder worden aangepast.

(29) Er dienen nationale en communautaire referentielaboratoria te worden aangewezen om advies en assistentie te verlenen inzake aangelegenheden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen.

(30) Om de uniforme toepassing van deze verordening te garanderen, moet worden voorzien in de organisatie van communautaire audits en controles overeenkomstig andere communautaire wetgeving terzake.

(31) Voorzien moet worden in de nodige procedures om sommige bepalingen van deze verordening aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang en om de nodige uitvoerings- en overgangsmaatregelen vast te stellen.

(32) Om rekening te houden met de technische en wetenschappelijke vooruitgang dient gezorgd te worden voor een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten binnen het Permanent Comité dat is ingesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden(19).

(33) De maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van deze verordening moeten worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(20),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Doel en toepassingsgebied

1. Deze verordening heeft tot doel erop toe te zien dat adequate en doeltreffende maatregelen worden getroffen voor de detectie en de bestrijding van salmonella en andere zoönoseverwekkers in alle stadia van productie, verwerking en distributie, in het bijzonder op het niveau van de primaire productie met inbegrip van diervoeders, teneinde de prevalentie ervan en het risico voor de volksgezondheid te verminderen.

2. Deze verordening betreft:

a) de vastlegging van doelstellingen voor de vermindering van de prevalentie van bepaalde zoönoses bij dierpopulaties:

i) in het stadium van de primaire productie en,

ii) wanneer zulks naar gelang van de betrokken zoönose of zoönoseverwekker nodig is, in andere stadia van de voedselketen, inclusief levensmiddelen en diervoeders;

b) de goedkeuring van door de lidstaten en door exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven vastgestelde specifieke bestrijdingsprogramma's;

c) de vaststelling van specifieke voorschriften inzake bepaalde bestrijdingsmethoden die worden toegepast om de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers te verminderen;

d) de vaststelling van voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer van bepaalde dieren en producten daarvan uit derde landen.

3. Deze verordening is niet van toepassing op primaire productie:

a) voor particulier huishoudelijk gebruik, of

b) die leidt tot rechtstreekse levering, door de producent, van kleine hoeveelheden primaire producten aan de eindverbruiker of plaatselijke detailhandelszaken die de producten rechtstreeks aan de eindverbruiker leveren.

4. De lidstaten stellen in het kader van de nationale wetgeving voor de in lid 3, onder b), bedoelde activiteiten regels vast om te waarborgen dat de doelstellingen van deze verordening verwezenlijkt worden.

5. Deze verordening is van toepassing onverminderd meer specifieke communautaire bepalingen betreffende diergezondheid, diervoeding, voedselhygiëne, overdraagbare menselijke ziekten, gezondheid en veiligheid op het werk, gentechnologie en overdraagbare spongiforme encefalopathieën.

Artikel 2

Definities

In deze verordening worden de volgende definities gebruikt:

1. de definities, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 178/2002;

2. de definities, vastgesteld in Richtlijn 2003/99/EG, en

3. de volgende definities:

a) "beslag": op een bedrijf als een epidemiologische eenheid gehouden dier of groep dieren; en

b) "koppel": alle pluimvee met dezelfde gezondheidsstatus dat in hetzelfde lokaal of binnen dezelfde uitloopruimte wordt gehouden en dat een epidemiologische eenheid vormt. In batterijen omvat deze term alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen.

Artikel 3

Bevoegde autoriteiten

1. Elke lidstaat wijst een bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten in het kader van deze verordening aan en stelt de Commissie daarvan in kennis. Indien een lidstaat meer dan één bevoegde autoriteit aanwijst:

a) deelt hij de Commissie mee welke bevoegde autoriteit als contactpunt voor de contacten met de Commissie zal fungeren en

b) ziet hij erop toe dat de bevoegde autoriteiten samenwerken om te zorgen dat de voorschriften van deze verordening correct worden toegepast.

2. De bevoegde autoriteit of autoriteiten is of zijn met name verantwoordelijk voor:

a) het opstellen van de in artikel 5, lid 1, bedoelde programma's en van eventuele wijzigingen daarvan die nodig kunnen blijken in het licht van de beschikbare gegevens en resultaten;

b) het verzamelen van de gegevens die nodig zijn voor de evaluatie van de aangewende middelen en van de resultaten die zijn verkregen bij de uitvoering van de nationale bestrijdingsprogramma's bedoeld in artikel 5 en het jaarlijks toezenden van deze gegevens en resultaten, inclusief de resultaten van eventuele onderzoeken, aan de Commissie, overeenkomstig de krachtens artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2003/99/EG vastgestelde voorschriften, inclusief de termijnen;

c) het uitvoeren van regelmatige controles ter plaatse van levensmiddelen- en, indien nodig, diervoederbedrijven om na te gaan of de bepalingen van deze verordening in acht worden genomen.

HOOFDSTUK II COMMUNAUTAIRE DOELSTELLINGEN

Artikel 4

Communautaire doelstellingen inzake het verminderen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers

1. Er worden communautaire doelstellingen voor het verminderen van de prevalentie van de in bijlage I, kolom 1, genoemde zoönoses en zoönoseverwekkers bij de dierpopulaties die zijn opgenomen in bijlage I, kolom 2, vastgelegd, met inachtneming van met name:

a) de ervaring die is opgedaan in het kader van de bestaande nationale maatregelen; en

b) de informatie die aan de Commissie of de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is verstrekt uit hoofde van de bestaande communautaire voorschriften, in het bijzonder in het kader van de informatie als bedoeld in Richtlijn 2003/99/EG, met name artikel 5.

De doelstellingen, en eventuele wijzigingen daarvan, worden vastgelegd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

2. De doelstellingen als bedoeld in lid 1 bestaan ten minste uit:

a) een numerieke uitdrukking van:

i) het maximumpercentage epidemiologische eenheden dat positief blijft en/of

ii) het minimumpercentage waarmee het aantal positief blijvende epidemiologische eenheden moet worden verminderd;

b) de maximumtermijn voor het bereiken van de doelstelling;

c) de definitie van de epidemiologische eenheden als bedoeld onder a);

d) de definitie van de nodige testschema's om na te gaan of de doelstelling is bereikt; en

e) de definitie, indien van toepassing, van de serotypes die van belang zijn voor de volksgezondheid, of van andere in bijlage I, kolom 1, genoemde subtypen van zoönoses of zoönoseverwekkers, daarbij rekening houdend met de in lid 6, onder c), opgesomde algemene criteria en met de in bijlage III genoemde specifieke criteria.

3. De communautaire doelstellingen worden voor de eerste keer vastgelegd vóór de in bijlage I, kolom 4, aangegeven tijdstippen.

4. a) Bij het bepalen van elke communautaire doelstelling zorgt de Commissie voor een analyse van de verwachte kosten en baten. In deze analyse wordt in het bijzonder rekening gehouden met de criteria van lid 6, onder c). Desgevraagd verlenen de lidstaten de Commissie alle nodige bijstand om haar in staat te stellen de analyse te maken.

b) Voordat zij een communautaire doelstelling voorstelt, raadpleegt de Commissie in het in artikel 14, lid 1, bedoelde comité de lidstaten over het resultaat van haar analyse.

c) In het licht van de resultaten van deze analyse en de raadpleging van de lidstaten stelt de Commissie waar passend communautaire doelstellingen voor.

5. In afwijking van lid 2, onder e), en lid 4, zijn gedurende een overgangsperiode evenwel de volgende voorschriften van toepassing op pluimvee.

De communautaire doelstelling die voor deze overgangsperiode wordt vastgesteld voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus, hebben betrekking op de vijf meest voorkomende serotypen salmonella in salmonellose bij de mens, die worden bepaald op basis van gegevens die met EG-monitoringsystemen zijn verzameld. De communautaire doelstellingen die voor de overgangsperiode worden vastgesteld voor legkippen, slachtkuikens en kalkoenen, hebben betrekking op Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium. Indien nodig kunnen deze doelstellingen op grond van de resultaten van een overeenkomstig lid 4 uitgevoerde analyse evenwel worden uitgebreid tot andere serotypes.

De overgangsperiode geldt voor elke communautaire doelstelling betreffende het verminderen van de prevalentie van salmonella bij pluimvee. Zij geldt telkens gedurende drie jaar en gaat in op de datum die is vermeld in bijlage I, kolom 5.

6. a) Bijlage I kan volgens de in artikel 14, lid 2, vastgestelde procedure worden gewijzigd met het oog op de onder b), vermelde doelstellingen, in het bijzonder rekening houdende met de onder c), vermelde criteria.

b) Wijzigingen van bijlage I kunnen de reikwijdte van de voorwaarden betreffende de vastlegging van de communautaire doelstellingen veranderen door aanvulling, beperking of wijziging van de betrokken:

i) zoönoses of zoönoseverwekkers,

ii) stadia van de voedselketen, en/of

iii) dierpopulaties.

c) De in overweging te nemen criteria vóór wijziging van bijlage I omvatten in verband met de betrokken zoönose of zoönoseverwekker:

i) de frequentie ervan bij dierpopulaties en menselijke populaties, in diervoeders en levensmiddelen,

ii) de ernst ervan bij de mens,

iii) de economische gevolgen op het gebied van dierlijke en menselijke gezondheidszorg en voor levensmiddelen- en diervoederbedrijven,

iv) de epidemiologische tendensen bij dierpopulaties en menselijke populaties en in diervoeder en levensmiddelen,

v) wetenschappelijk advies,

vi) technologische ontwikkelingen, met name in verband met de uitvoerbaarheid van de bestaande bestrijdingsmogelijkheden, en

vii) vereisten en tendensen betreffende fok- en productiemethoden.

7. Bijlage III kan gewijzigd of aangevuld worden volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

8. De Commissie evalueert de uitvoering van de communautaire doelstellingen en zal bij het voorstellen van verdere doelstellingen met die evaluatie rekening houden.

9. De maatregelen ter vermindering van de prevalentie van de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in bijlage I, worden uitgevoerd volgens de bij of krachtens deze verordening vastgestelde voorschriften.

HOOFDSTUK III BESTRIJDINGSPROGRAMMA'S

Artikel 5

Nationale bestrijdingsprogramma's

1. Teneinde de communautaire doelstellingen van artikel 4 te verwezenlijken stellen de lidstaten nationale bestrijdingsprogramma's vast voor elke in de lijst in bijlage I opgenomen zoönose en zoönoseverwekker. Nationale bestrijdingsprogramma's houden rekening met de geografische verspreiding van zoönoses binnen elke lidstaat en met de financiële implicaties die doeltreffende controles met zich meebrengen voor primaire producenten en exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven.

2. De nationale bestrijdingsprogramma's hebben een continu karakter en een looptijd van ten minste drie opeenvolgende jaren.

3. De nationale bestrijdingsprogramma's:

a) voorzien in de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers overeenkomstig de in bijlage II vastgestelde eisen en minimumbemonsteringsvoorschriften;

b) bepalen de respectieve verantwoordelijkheden van de bevoegde autoriteiten en van de exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven;

c) geven aan welke bestrijdingsmaatregelen moeten worden genomen ingeval zoönoses en zoönoseverwekkers worden opgespoord, in het bijzonder ter bescherming van de volksgezondheid, met inbegrip van de in bijlage II vermelde specifieke maatregelen;

d) bieden de mogelijkheid om de voortgang van de nationale bestrijdingsprogramma's te evalueren en de programma's eventueel te herzien, vooral in het licht van de resultaten die zijn verkregen bij de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers.

4. De nationale bestrijdingsprogramma's hebben betrekking op ten minste de volgende stadia van de voedselketen:

a) de productie van diervoeders;

b) de primaire dierlijke productie;

c) de verwerking en bereiding van levensmiddelen van dierlijke oorsprong.

5. De nationale bestrijdingsprogramma's bevatten waar van toepassing bepalingen met betrekking tot de testmethoden en de criteria aan de hand waarvan de resultaten van die tests worden beoordeeld, voor het testen van op het nationale grondgebied verzonden dieren en broedeieren in het kader van de officiële controles als bedoeld in bijlage II, deel A.

6. De in bijlage II vastgestelde eisen en minimumbemonsteringsvoorschriften kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden gewijzigd, aangepast of aangevuld, met name rekening houdende met de in artikel 4, lid 6, onder c), vermelde criteria.

7. Uiterlijk zes maanden nadat de in artikel 4 bedoelde communautaire doelstellingen zijn vastgelegd, dienen de lidstaten bij de Commissie een nationaal bestrijdingsprogramma in en lichten zij de uit te voeren maatregelen toe.

Artikel 6

Goedkeuring van de nationale bestrijdingsprogramma's

1. Wanneer een lidstaat overeenkomstig artikel 5 een nationaal bestrijdingsprogramma heeft ingediend, beschikt de Commissie over een termijn van twee maanden om deze lidstaat om relevante en noodzakelijke additionele informatie te verzoeken. De lidstaat verstrekt deze additionele informatie binnen twee maanden na de ontvangst van dit verzoek. Binnen twee maanden na de ontvangst van bedoelde informatie of, indien zij niet om additionele informatie had verzocht, binnen zes maanden na de indiening van het bestrijdingsprogramma, besluit de Commissie over de overeenstemming ervan met de toepasselijke voorschriften en met name met deze verordening.

2. Zodra de Commissie heeft besloten dat een programma in overeenstemming is met de voorschriften, of op verzoek van de lidstaat die het programma heeft ingediend, wordt dat programma onverwijld in overweging genomen met het oog op goedkeuring volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

3. Om rekening te kunnen houden met de ontwikkeling van de situatie in de lidstaat, met name in het licht van de resultaten als bedoeld in artikel 5, lid 3, onder d), kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, wijzigingen in een voorheen overeenkomstig lid 2 goedgekeurd programma worden goedgekeurd.

Artikel 7

Bestrijdingsprogramma's van exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven

1. Exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven of organisaties die dergelijke exploitanten vertegenwoordigen, mogen bestrijdingsprogramma's opstellen. Deze programma's bestrijken zoveel mogelijk alle stadia van productie, verwerking en distributie.

2. Indien exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven of representatieve organisaties daarvan wensen dat hun bestrijdingsprogramma's deel uitmaken van een nationaal bestrijdingsprogramma, leggen zij hun bestrijdingsprogramma's en alle wijzigingen daarvan ter goedkeuring voor aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar ze zijn gevestigd. Indien de betrokken activiteiten plaatsvinden in verschillende lidstaten, worden deze programma's voor elke lidstaat afzonderlijk goedgekeurd.

3. De bevoegde autoriteit keurt de op grond van lid 2 ingediende bestrijdingsprogramma's alleen goed indien zij ervan overtuigd is dat de bestrijdingsprogramma's voldoen aan de desbetreffende eisen van bijlage II en in overeenstemming zijn met de doelstellingen van de relevante nationale bestrijdingsprogramma's.

4. De lidstaten houden lijsten bij van de goedgekeurde bestrijdingsprogramma's van exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven of de representatieve organisaties daarvan. De lijsten worden op verzoek aan de Commissie ter beschikking gesteld.

5. Exploitanten van levensmiddelen- of diervoederbedrijven of representatieve organisaties daarvan delen de resultaten van de bestrijdingsprogramma's regelmatig mee aan de bevoegde autoriteiten.

HOOFDSTUK IV BESTRIJDINGSMETHODEN

Artikel 8

Specifieke bestrijdingsmethoden

1. Op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat en volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure:

a) kan worden besloten dat specifieke bestrijdingsmethoden kunnen of moeten worden toegepast met het oog op het terugdringen van de prevalentie van zoönoses en zoönoseverwekkers in het stadium van de primaire dierlijke productie en in andere stadia van de voedselketen;

b) kunnen voorschriften worden aangenomen voor de wijze waarop de onder a) bedoelde methoden mogen worden gebruikt;

c) kunnen uitvoeringsbepalingen worden aangenomen met betrekking tot de nodige documenten en procedures, alsmede minimumeisen voor de onder a) bedoelde methoden, en

d) kan worden besloten dat bepaalde specifieke bestrijdingsmethoden niet in het kader van de bestrijdingsprogramma's mogen worden gebruikt.

2. Het bepaalde in lid 1, onder a), b), en c), is niet van toepassing op de methoden waarbij stoffen of technieken worden gebruikt die vallen onder de communautaire regelgeving inzake diervoeders, levensmiddelenadditieven of diergeneesmiddelen.

HOOFDSTUK V HANDELSVERKEER

Artikel 9

Intracommunautair handelsverkeer

1. Uiterlijk met ingang van de in bijlage I, kolom 5, vastgestelde data worden koppels en beslagen van oorsprong van de in de tweede kolom genoemde diersoorten onderzocht op de in de eerste kolom vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers, voordat de levende dieren of broedeieren uit het levensmiddelenbedrijf van herkomst worden verzonden. De data en de resultaten van de tests worden opgenomen in de desbetreffende gezondheidscertificaten, zoals bepaald bij de Gemeenschapswetgeving.

2. De lidstaat van bestemming kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode te eisen dat de resultaten van de tests die moeten worden vermeld in de betrokken gezondheidscertificaten voor partijen dieren en broedeieren die in de lidstaat van verzending zijn getest, aan dezelfde criteria inzake salmonella voldoen als die welke de lidstaat van bestemming in zijn eigen goedgekeurde programma overeenkomstig artikel 5, lid 5, heeft vastgesteld voor partijen die binnen zijn grondgebied worden verzonden.

Deze toestemming kan volgens dezelfde procedure worden ingetrokken.

3. De bijzondere maatregelen met betrekking tot salmonella die voor de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing waren op de verzending van levende dieren naar Finland en Zweden, blijven van toepassing alsof zij overeenkomstig lid 2 waren toegestaan.

4. Onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van de in artikel 5, lid 5, en in lid 2 van onderhavig artikel bedoelde criteria door de lidstaten.

Artikel 10

Invoer uit derde landen

1. Met ingang van de in bijlage I, kolom 5, aangegeven data hangt de toelating of handhaving op de in de communautaire regelgeving opgenomen lijsten van derde landen voor de betrokken diersoort of categorie, waaruit de lidstaten de onder deze verordening vallende dieren of broedeieren mogen invoeren, af van de indiening door het betrokken derde land bij de Commissie van een programma dat gelijkwaardig is aan de in artikel 5 bedoelde programma's en van de goedkeuring ervan overeenkomstig dit artikel. Het programma dient bijzonderheden te verstrekken over de door het betrokken land geboden garanties ten aanzien van inspecties en controles inzake zoönoses en zoönoseverwekkers. Die garanties moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de door deze verordening geboden garanties. Het Voedsel- en Veterinair Bureau van de Commissie wordt nauw betrokken bij het verifiëren van het bestaan van gelijkwaardige bestrijdingsprogramma's in derde landen.

2. Deze programma's worden goedgekeurd volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure, op voorwaarde dat de gelijkwaardigheid van de in het kader van het programma beschreven maatregelen en de toepasselijke voorschriften uit hoofde van de communautaire wetgeving objectief aangetoond wordt. Andere dan de bij deze verordening vastgestelde garanties kunnen volgens dezelfde procedure worden toegestaan, op voorwaarde dat zij niet gunstiger zijn dan die welke gelden voor het intracommunautaire handelsverkeer.

3. Voor derde landen waarmee een regelmatig handelsverkeer bestaat, is het bepaalde in artikel 5, lid 7, en artikel 6, lid 1, betreffende de termijnen voor de indiening en goedkeuring van de programma's van toepassing. Voor derde landen waarmee het handelsverkeer pas tot stand gebracht is of hervat, gelden de termijnen van artikel 6.

4. Koppels en beslagen van oorsprong van de in bijlage I, tweede kolom, genoemde diersoorten worden onderzocht, voordat de levende dieren of broedeieren uit het levensmiddelenbedrijf van herkomst worden verzonden. De koppels en beslagen worden onderzocht op de in bijlage I, kolom 1, vermelde zoönoses en zoönoseverwekkers, of, indien dat nodig is om de in lid 1 bedoelde gelijkwaardige garanties te waarborgen, op de zoönoses en zoönoseverwekkers die worden bepaald volgens de procedure van artikel 14, lid 2. De datum en het resultaat van het onderzoek worden op de betrokken invoercertificaten vermeld; de modellen daarvoor in de communautaire regelgeving zullen dienovereenkomstig worden gewijzigd.

5. De lidstaat van bestemming kan volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden toegestaan om gedurende een overgangsperiode te eisen dat de resultaten van de in lid 4 bedoelde tests aan dezelfde criteria voldoen als die welke de lidstaat in zijn eigen programma overeenkomstig artikel 5, lid 5, heeft vastgesteld. De toestemming kan worden ingetrokken en onverminderd het bepaalde in artikel 5, lid 6, kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure specifieke voorschriften worden vastgesteld betreffende het vaststellen van dergelijke criteria.

6. De toelating of handhaving op de in de communautaire regelgeving opgenomen lijsten van derde landen voor de betrokken productcategorie waaruit de lidstaten de onder deze verordening vallende producten mogen invoeren, hangt af van de verstrekking door het betrokken derde land aan de Commissie van garanties die gelijkwaardig zijn aan de door deze verordening geboden garanties.

HOOFDSTUK VI LABORATORIA

Artikel 11

Referentielaboratoria

1. Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure worden de communautaire referentielaboratoria aangewezen voor de analyse van en het testen op de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I, kolom 1.

2. De verantwoordelijkheden en taken van de communautaire referentielaboratoria, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de nationale referentielaboratoria, worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2.

3. De lidstaten wijzen de nationale referentielaboratoria aan voor de analyse van en het testen op de zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I, kolom 1. De naam en het adres van de laboratoria worden meegedeeld aan de Commissie.

4. Volgens de procedure van artikel 14, lid 2, kunnen bepaalde verantwoordelijkheden en taken van de nationale referentielaboratoria worden vastgesteld, in het bijzonder wat betreft de coördinatie van hun werkzaamheden met die van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder a), aangegeven relevante laboratoria in de lidstaten.

Artikel 12

Erkenning van laboratoria, kwaliteitsvoorschriften en erkende testmethoden

1. De laboratoria die deelnemen aan de op grond van de artikelen 5 en 7 vastgestelde bestrijdingsprogramma's en waar de monsters worden geanalyseerd met het oog op de opsporing van zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I, kolom 1, worden

a) door de bevoegde autoriteit aangewezen; en

b) passen uiterlijk 24 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening, c.q. uiterlijk 24 maanden nadat er een nieuwe zoönose of zoönoseverwekker aan bijlage I, kolom 1, is toegevoegd, een kwaliteitsborgingssysteem toe dat beantwoordt aan de eisen van de vigerende EN/ISO-norm.

2. De laboratoria nemen regelmatig deel aan ringonderzoeken die worden georganiseerd of gecoördineerd door het nationale referentielaboratorium.

3. De tests op de aanwezigheid van zoönoses en zoönoseverwekkers die zijn vermeld in de lijst in bijlage I, kolom 1, worden uitgevoerd met als referentiemethoden de methoden en protocollen die zijn aanbevolen door de internationale normalisatieorganisaties.

Alternatieve methoden mogen worden gebruikt als die overeenkomstig internationaal erkende voorschriften zijn gevalideerd en resultaten opleveren die gelijkwaardig zijn aan de resultaten van de desbetreffende referentiemethode.

Zo nodig kunnen volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure andere testmethoden worden goedgekeurd.

HOOFDSTUK VII UITVOERING

Artikel 13

Uitvoerings- en overgangsmaatregelen

Volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure kunnen de nodige overgangsmaatregelen of uitvoeringsmaatregelen, met inbegrip van de noodzakelijke wijzigingen in de desbetreffende gezondheidscertificaten, worden vastgesteld.

Artikel 14

Comitéprocedure

1. De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 178/2002 (hierna "het comité" genoemd).

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 15

Raadpleging van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid

De Commissie raadpleegt de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid over alle aangelegenheden binnen de werkingssfeer van deze verordening die belangrijke gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben, en in het bijzonder vóór zij communautaire doelstellingen overeenkomstig artikel 4 of specifieke bestrijdingsmethoden overeenkomstig artikel 8 voorstelt.

Artikel 16

Verslag over financiële regelingen

1. De Commissie dient binnen een termijn van drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad.

2. Dit verslag behandelt:

a) de regelingen die op communautair en nationaal niveau bestaan om de genomen maatregelen ter bestrijding van zoönoses en zoönoseverwekkers te financieren;

b) het effect dat dergelijke regelingen sorteren op de doeltreffendheid van die maatregelen.

3. Indien nodig voegt de Commissie voorstellen dienaangaande bij haar verslag.

4. Op verzoek verlenen de lidstaten de Commissie alle nodige bijstand om haar in staat te stellen het verslag op te stellen.

HOOFDSTUK VIII ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Communautaire controles

1. Deskundigen van de Commissie verrichten, in samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, controles ter plaatse teneinde erop toe te zien dat de bepalingen van deze verordening, de op grond daarvan vastgestelde voorschriften en eventuele vrijwaringsmaatregelen op uniforme wijze worden toegepast. De lidstaat op het grondgebied waarvan de controles worden uitgevoerd, verleent de deskundigen alle bijstand die zij nodig hebben om hun taken uit te voeren. De Commissie brengt de bevoegde overheid op de hoogte van de uitgevoerde controles.

2. Voorschriften voor de uitvoering van dit artikel, met name die welke betrekking hebben op de procedure voor samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten, worden vastgesteld volgens de in artikel 14, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt van toepassing zes maanden na de datum van haar inwerkingtreding.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 november 2003.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

P. Cox

Voor de Raad

De voorzitter

G. Alemanno

(1) PB C 304 E van 30.10.2001, blz. 260.

(2) PB C 94 van 18.4.2002, blz. 18.

(3) Advies van het Europees Parlement van 15 mei 2002 (PB C 180 E van 31.7.2003, blz. 160), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 20 februari 2003 (PB C 90 E van 15.4.2003, blz. 25), standpunt van het Europees Parlement van 19 juni 2003 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 29 september 2003.

(4) PB L 62 van 15.3.1993, blz. 38. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003 (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 1).

(5) PB L 113 van 30.4.1997, blz. 9.

(6) PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1226/2002 van de Commissie (PB L 179 van 9.7.2002, blz. 13).

(7) PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(8) Zie bladzijde 31 van dit Publicatieblad.

(9) PB L 302 van 31.12.1972, blz. 28. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 807/2003 van de Commissie (PB L 122 van 16.5.2003, blz. 36).

(10) PB L 303 van 31.10.1990, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 806/2003.

(11) PB L 371 van 31.12.1994, blz. 36.

(12) PB L 53 van 9.3.1995, blz. 31.

(13) PB L 105 van 9.5.1995, blz. 40. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 97/278/EG (PB L 110 van 26.4.1997, blz. 77).

(14) PB L 105 van 9.5.1995, blz. 44. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 97/278/EG.

(15) PB L 109 van 16.5.1995, blz. 44. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 97/278/EG.

(16) PB L 243 van 11.10.1995, blz. 21. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 98/227/EG (PB L 87 van 21.3.1998, blz. 14).

(17) PB L 243 van 11.10.1995, blz. 25. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 98/227/EG.

(18) PB L 243 van 11.10.1995, blz. 29. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 98/227/EG.

(19) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(20) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE I

Zoönoses en zoönoseverwekkers waarvoor op communautair niveau doelstellingen inzake vermindering van de prevalentie moeten worden vastgelegd op grond van artikel 4

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

BESTRIJDING VAN DE IN BIJLAGE I VERMELDE ZOÖNOSES EN ZOÖNOSEVERWEKKERS

A. Algemene eisen voor nationale bestrijdingsprogramma's

Het programma dient rekening te houden met de aard van de zoönose en/of de zoönoseverwekker en met de specifieke situatie in de lidstaat, en

a) in het programma moet melding worden gemaakt van het doel ervan, met inachtneming van de omvang van de betrokken zoönose of zoönoseverwekker;

b) het programma moet voldoen aan de minimumbemonsteringsvoorschriften van deel B;

c) het programma moet waar van toepassing voldoen aan de in de delen C tot en met E vastgestelde specifieke eisen, en

d) in het programma moet melding worden gemaakt van het volgende.

1. Algemeen

1.1. De aanwezigheid van de betrokken zoönose of zoönoseverwekker in de lidstaat, met een specifieke verwijzing naar de resultaten van de bewaking overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2003/99/EG.

1.2. Het geografische gebied of, indien van toepassing, de epidemiologische eenheden waarop het programma van toepassing is.

1.3. De structuur en organisatie van de betrokken bevoegde autoriteiten.

1.4. De erkende laboratoria waar de in het kader van het programma verzamelde monsters worden onderzocht.

1.5. De bij het onderzoek van de zoönose of zoönoseverwekker gebruikte methoden.

1.6. De officiële controles (inclusief bemonsteringsschema's) van diervoeders, koppels en/of beslagen.

1.7. De officiële controles (inclusief bemonsteringsschema's) in andere stadia van de voedselketen.

1.8. De maatregelen die door de bevoegde autoriteiten zijn genomen met betrekking tot dieren of producten waarbij zoönoses of zoönoseverwekkers zijn gevonden, vooral ter bescherming van de volksgezondheid, alsmede preventieve maatregelen zoals inenting.

1.9. De terzake geldende nationale regelgeving, met inbegrip van de nationale bepalingen aangaande de in artikel 1, lid 3, onder b), bedoelde activiteiten.

1.10. De in het kader van het nationale bestrijdingsprogramma aan levensmiddelen- of diervoederbedrijven verstrekte financiële steun.

2. Levensmiddelenbedrijven en diervoederbedrijven waarvoor het programma van toepassing is

2.1. De productiestructuur voor de betrokken soort en de producten daarvan.

2.2. De productiestructuur voor diervoeders.

2.3. Relevante gidsen voor goede veehouderijpraktijken of andere richtsnoeren (bindende of facultatieve) waarin ten minste worden omschreven:

- het hygiënebeheer op bedrijven,

- maatregelen om de insleep via dieren, voedermiddelen, drinkwater, of op het bedrijf werkend personeel te voorkomen, en

- de hygiëne bij het transport van dieren van en naar het bedrijf.

2.4. Veterinair routinetoezicht op de bedrijven.

2.5. Registratie van de bedrijven.

2.6. Door de bedrijven te registreren gegevens.

2.7. Documenten waarvan de dieren bij verzending vergezeld moeten gaan.

2.8. Andere relevante maatregelen om de traceerbaarheid van dieren te garanderen.

B. Minimumbemonsteringsvoorschriften

1. Zodra het desbetreffende in artikel 5 bedoelde bestrijdingsprogramma is goedgekeurd, moet de exploitant van een levensmiddelenbedrijf monsters laten nemen en analyseren voor onderzoek op de in bijlage I, kolom 1, genoemde zoönoses of zoönoseverwekkers, met inachtneming van de in onderstaande tabel vermelde minimumbemonsteringsvoorschriften.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

2. De in punt 1 vastgestelde voorschriften laten de voorschriften van de communautaire wetgeving betreffende antemortemkeuring onverlet.

3. De resultaten van de analyse moeten geregistreerd worden, met de volgende informatie:

a) datum en plaats van bemonstering,

b) identificatie van het koppel/beslag.

4. Immunologische tests mogen niet worden gebruikt wanneer de dieren zijn gevaccineerd, tenzij is aangetoond dat het gebruikte vaccin niet interfereert met de gebruikte testmethoden.

C. Specifieke eisen voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus

1. Wanneer op basis van de analyses van de monsters overeenkomstig het bepaalde in deel B in de in punt 2 vermelde omstandigheden de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of van Salmonella typhimurium is aangetoond in een vermeerderingskoppel van Gallus gallus, moeten de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen.

2. a) Indien de bevoegde autoriteit de methode voor de analyse van de overeenkomstig deel B genomen monsters heeft goedgekeurd, kan zij eisen dat de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen, wanneer de analyse de aanwezigheid van Salmonella enteridis of Salmonella typhimurium aantoont.

b) In de overige gevallen moeten de in de punten 3 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen worden, wanneer de bevoegde autoriteit op grond van de analyse van de overeenkomstig punt B genomen monsters bevestigt dat er vermoedelijk Salmonella entiridis of Salmonella typhimurium aanwezig is.

3. Niet-bebroede eieren van een koppel moeten worden vernietigd.

Dergelijke eieren mogen echter voor menselijke consumptie worden gebruikt indien zij een behandeling hebben ondergaan waarbij de uitschakeling van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium gegarandeerd is overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.

4. Alle dieren - inclusief eendagskuikens - van het koppel moeten worden geslacht of vernietigd, waarbij elk risico op verspreiding van salmonella zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het slachten moet gebeuren overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne. Van dergelijke dieren afgeleide producten mogen overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne alsmede deel E, zodra dat van toepassing is, voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht. Indien deze producten niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, moeten zij worden gebruikt of verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten(1).

5. Als in een broederij nog broedeieren aanwezig zijn van koppels waarin Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium aanwezig is, moeten die eieren worden vernietigd of worden behandeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

D. Specifieke eisen voor koppels van legkippen

1. 72 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening mogen eieren uitsluitend voor rechtstreekse menselijke consumptie (consumptie-eieren) dienen, als zij afkomstig zijn van een commercieel legkippenkoppel, waarop een nationaal programma op grond van artikel 5 van toepassing is en waarvoor geen officiële restricties gelden.

2. Eieren afkomstig van een koppel met onbekende gezondheidsstatus waarvan wordt vermoed dat het besmet is, of van een besmet koppel, mogen voor menselijke consumptie worden gebruikt indien zij een behandeling hebben ondergaan waarbij de uitschakeling van alle serotypes van salmonella die van belang zijn voor de volksgezondheid, gegarandeerd is overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.

3. Wanneer dieren van een besmet koppel geslacht of vernietigd worden, moeten er maatregelen getroffen worden teneinde het risico van verspreiding van zoönoses zoveel mogelijk te voorkomen. Het slachten moet gebeuren overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne. Van dergelijke dieren afgeleide producten mogen overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne alsmede deel E, zodra dat van toepassing is, voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht. Indien deze producten niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, moeten zij worden gebruikt of verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002.

E. Specifieke eisen voor vers vlees

1. 84 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening mag vers pluimveevlees van in bijlage I opgenomen dieren niet voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht tenzij het aan het volgende criterium voldoet:

"Salmonella: afwezig in 25 g".

2. Binnen 72 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden er gedetailleerde regels voor dit criterium vastgesteld volgens de procedure van artikel 14, lid 2. Daarin zullen met name de bemonsteringsschema's en de analysemethoden nader worden vermeld.

3. Het in punt 1 genoemde criterium is echter niet van toepassing voor vers pluimveevlees dat bestemd is voor industriële hittebehandeling of een andere behandeling waarmee salmonella kan worden uitgeschakeld overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne.

(1) PB L 273 van 10.10.2002, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 808/2003 van de Commissie (PB L 117 van 13.5.2003, blz. 1).

BIJLAGE III

Specifieke criteria om vast te stellen welke serotypen salmonella van belang zijn voor de volksgezondheid

Wanneer bepaald wordt op welke serotypen salmonella die van belang zijn voor de volksgezondheid de communautaire doelstellingen worden toegepast, moet er rekening gehouden worden met de volgende criteria:

1. de meest voorkomende serotypen salmonella in salmonellose bij de mens, op basis van gegevens die met EG-monitoringssystemen zijn verzameld;

2. de besmettingsweg (d.w.z. de aanwezigheid van het serotype in de betrokken dierpopulaties en -voeders);

3. de vraag of recentelijk gebleken is dat het serotype zich snel verspreidt en ziekten verwekt bij mens en dier;

4. de vraag of bepaalde serotypes verhoogde virulentie vertonen, bijvoorbeeld op het gebied van invasiviteit of resistentie voor specifieke therapieën voor infecties bij mensen.

Top