Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32003L0008

Richtlijn 2002/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen

OJ L 26, 31.1.2003, p. 41–47 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 006 P. 90 - 96
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 006 P. 41 - 47
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 006 P. 41 - 47
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 003 P. 105 - 111

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2003/8/oj

32003L0008

Richtlijn 2002/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen

Publicatieblad Nr. L 026 van 31/01/2003 blz. 0041 - 0047


Richtlijn 2002/8/EG van de Raad

van 27 januari 2003

tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, met name op artikel 61, onder c), en artikel 67,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is, te handhaven en te ontwikkelen. Voor de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte moet de Gemeenschap onder meer maatregelen nemen op het gebied van samenwerking in burgerlijke zaken met grensoverschrijdende gevolgen en voorzover nodig voor de goede werking van de interne markt.

(2) Volgens artikel 65, onder c), van het Verdrag moeten maatregelen tot afschaffing van de hinderpalen voor de goede werking van burgerrechtelijke procedures, zo nodig door bevordering van de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering, daar ook onder vallen.

(3) De Europese Raad, te Tampere bijeen op 15 en 16 oktober 1999, heeft de Raad gevraagd minimumnormen vast te stellen om in de gehele Unie een adequaat niveau van rechtsbijstand bij grensoverschrijdende rechtszaken te waarborgen.

(4) Alle lidstaten zijn verdragsluitende partij bij het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De in deze richtlijn bedoelde zaken moeten worden behandeld met inachtneming van dat Verdrag, in het bijzonder de eerbiediging van de gelijkheid der procespartijen bij een geschil.

(5) Deze richtlijn is gericht op de bevordering van de toepassing van rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen ten behoeve van personen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, indien bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Het algemeen erkende recht op toegang tot de rechter is ook neergelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(6) Het gebrek aan middelen van een persoon die als eiser of verweerder betrokken is bij een geschil, noch moeilijkheden die verband houden met het grensoverschrijdende karakter van een geschil, mogen de daadwerkelijke toegang tot de rechter belemmeren.

(7) Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn niet op afdoende wijze kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op communautair niveau, kan de Gemeenschap maatregelen nemen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel dat is neergelegd in artikel 5 van het Verdrag. Overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, dat in hetzelfde artikel is neergelegd, gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(8) Deze richtlijn is in de eerste plaats bedoeld om bij grensoverschrijdende geschillen een adequaat niveau van rechtsbijstand te waarborgen door middel van bepaalde gemeenschappelijke minimumnormen inzake rechtsbijstand bij die geschillen. Een richtlijn van de Raad is het meest geschikte wetgevingsinstrument om dit doel te bereiken.

(9) Deze richtlijn is bij grensoverschrijdende geschillen van toepassing op burgerlijke en handelszaken.

(10) Eenieder die betrokken is bij een burgerrechtelijk of handelsgeschil binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn moet zijn rechten in rechte kunnen doen gelden, ook indien zijn persoonlijke financiële positie hem niet in staat stelt de proceskosten te dragen. De rechtsbijstand wordt adequaat geacht wanneer deze bijstand de begunstigde onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden daadwerkelijk toegang tot de rechter biedt.

(11) De rechtsbijstand dient zich uit te strekken tot advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er gerechtelijke procedures worden ingeleid, juridische bijstand om een zaak bij de rechter aanhangig te maken en vertegenwoordiging in rechte, en een tegemoetkoming in of vrijstelling van de proceskosten.

(12) Het wordt overgelaten aan het recht van de lidstaat waar de zaak behandeld wordt of waar tenuitvoerlegging verlangd wordt, of de proceskosten ook de aan de begunstigde van de rechtsbijstand opgelegde kosten van de wederpartij kunnen inhouden.

(13) Alle burgers van de Unie moeten, ongeacht hun woonplaats of gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat, rechtsbijstand in grensoverschrijdende geschillen kunnen krijgen indien zij voldoen aan de in de richtlijn gestelde voorwaarden. Dat geldt ook voor onderdanen van derde landen die legaal hun gewone verblijfplaats op het grondgebied van een lidstaat hebben.

(14) De lidstaten moeten de vrijheid behouden drempels te bepalen waarboven iemand geacht wordt de proceskosten zelf te kunnen dragen, onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden. Die drempels moeten worden bepaald aan de hand van een aantal objectieve criteria, zoals inkomen, vermogen en de gezinssituatie.

(15) Het doel van de richtlijn kan evenwel niet worden bereikt indien de verzoekers om rechtsbijstand niet de mogelijkheid wordt gelaten te bewijzen dat zij de proceskosten niet kunnen dragen, zelfs wanneer hun middelen de drempel overschrijden die is bepaald door de lidstaat waar de zaak wordt behandeld. Wanneer de autoriteiten van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld beoordelen of op die gronden rechtsbijstand moet worden toegekend, kunnen zij rekening houden met informatie waaruit blijkt dat de verzoeker in de lidstaat waarin hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, voldoet aan de financiële criteria om in aanmerking te komen voor rechtsbijstand.

(16) De mogelijkheid in de betrokken zaak een beroep te doen op andere regelingen die de daadwerkelijke toegang tot de rechter garanderen, is geen vorm van rechtsbijstand. Die mogelijkheid kan er evenwel toe leiden dat de betrokken persoon geacht wordt de proceskosten te kunnen dragen ondanks zijn ongunstige financiële positie.

(17) De lidstaten moeten in staat worden gesteld verzoeken om rechtsbijstand af te wijzen voor kennelijk ongegronde vorderingen of om redenen die verband houden met de grond van de zaak, voor zover advies in de precontentieuze fase wordt verleend en de toegang tot de rechter gewaarborgd is. Bij het nemen van een besluit over de gegrondheid van een verzoek mogen de lidstaten een verzoek om rechtsbijstand afwijzen indien de verzoeker die geen materieel of financieel verlies heeft geleden, toch een schadevergoeding wegens aantasting van de goede naam vordert, of indien het verzoek een vordering betreft die rechtstreeks uit de bedrijfsactiviteiten of zelfstandige beroepsactiviteiten van de verzoeker voortvloeit.

(18) De complexiteit van en de verschillen tussen de rechtsstelsels van de lidstaten, alsook de kosten die inherent zijn aan het grensoverschrijdende karakter van een geschil mogen de toegang tot de rechter niet belemmeren. Derhalve moet de rechtsbijstand de kosten dekken die rechtstreeks verband houden met het grensoverschrijdende karakter van een geschil.

(19) Bij de vaststelling of de fysieke aanwezigheid van een persoon ter terechtzitting vereist is, dienen de rechters van een lidstaat rekening te houden met alle voordelen van de mogelijkheden die worden geboden door Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken(4).

(20) Indien rechtsbijstand wordt toegekend, moet deze de gehele procedure bestrijken, inclusief de kosten om een beslissing ten uitvoer te leggen; de begunstigde blijft die bijstand ontvangen wanneer hetzij door hem, hetzij tegen hem een rechtsmiddel wordt ingesteld, voorzover de voorwaarden inzake de financiële middelen en de grond van het geschil vervuld blijven.

(21) Rechtsbijstand moet, ongeacht of het gaat om traditionele gerechtelijke dan wel buitengerechtelijke procedures, zoals bemiddeling, op dezelfde voorwaarden worden toegekend wanneer het gebruik van dergelijke procedures door de wet of door de rechter wordt geboden.

(22) Ook voor de tenuitvoerlegging van authentieke akten in een andere lidstaat dient rechtsbijstand te worden toegekend onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden.

(23) Omdat de rechtsbijstand wordt verleend door de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of waar om tenuitvoerlegging wordt verzocht, met uitzondering van de precontentieuze bijstand indien de verzoeker om rechtsbijstand zijn woonplaats of gewone verblijfplaats niet heeft in de lidstaat waar de zaak behandeld wordt, moet deze lidstaat zijn eigen wetgeving toepassen en daarbij de beginselen van deze richtlijn in acht nemen.

(24) Het is passend dat rechtsbijstand wordt toegekend of geweigerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of waar een beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Dat is zowel het geval wanneer de zaak ten gronde wordt behandeld als wanneer eerst uitspraak moet worden gedaan over de bevoegdheid.

(25) De justitiële samenwerking tussen de lidstaten in burgerlijke zaken moet op zodanige wijze worden georganiseerd dat de burger en de beroepskringen goed ingelicht worden en de verzending van verzoeken om rechtsbijstand van de ene lidstaat naar de andere eenvoudiger en sneller verloopt.

(26) Het kennisgevings- en verzendingssysteem dat in deze richtlijn wordt bepaald, is rechtstreeks gebaseerd op de regelingen die zijn ingevoerd bij de Europese overeenkomst inzake het verzenden van verzoeken om rechtsbijstand, die op 27 januari 1977 te Straatsburg is ondertekend, hierna "de overeenkomst van 1977" genoemd. Een termijn voor de verzending van verzoeken om rechtsbijstand, waarin de overeenkomst van 1977 niet voorziet, wordt ingevoerd. De vaststelling van een relatief korte termijn draagt bij tot een goede rechtsbedeling.

(27) De krachtens deze richtlijn verzonden gegevens moeten beschermd worden. Aangezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(5), alsmede Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector(6) van toepassing zijn, behoeven daartoe in deze richtlijn geen specifieke bepalingen inzake gegevensbescherming te worden opgenomen.

(28) Een modelformulier voor rechtsbijstandsverzoeken en voor de verzending van rechtsbijstandsverzoeken bij grensoverschrijdende geschillen zal het verloop van de procedures vergemakkelijken en bespoedigen.

(29) Voorts dienen deze formulieren, alsmede de nationale aanvraagformulieren op Europees niveau beschikbaar te worden gesteld via het informatiesysteem van het Europees justitieel netwerk, dat bij Beschikking 2001/470/EG(7) is opgericht.

(30) De voor de uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(8).

(31) Er zij op gewezen dat de invoering van minimumnormen in grensoverschrijdende geschillen de lidstaten niet belet gunstiger bepalingen in te voeren voor personen die om rechtsbijstand verzoeken en voor personen die rechtsbijstand genieten.

(32) De overeenkomst van 1977 en het aanvullend protocol bij de Europese Overeenkomst inzake het verzenden van verzoeken om rechtsbijstand, ondertekend te Moskou in 2001, blijven van toepassing in de betrekkingen tussen de lidstaten en de derde staten die partij zijn bij deze overeenkomst en dat protocol. Daarentegen heeft deze richtlijn voorrang op de bepalingen van de overeenkomst van 1977 en het Protocol voorzover het de betrekkingen tussen de lidstaten betreft.

(33) Overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, hebben het Verenigd Koninkrijk en Ierland laten weten dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en de toepassing van deze richtlijn.

(34) Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van de onderhavige richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in Denemarken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Doelstellingen en toepassingsgebied

1. Deze richtlijn is gericht op de verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand in die geschillen.

2. De richtlijn is in grensoverschrijdende geschillen van toepassing op burgerlijke en handelszaken, ongeacht de aard van het gerecht. Zij heeft met name geen betrekking op fiscale zaken, douanezaken of administratiefrechtelijke zaken.

3. In deze richtlijn wordt onder "lidstaat" verstaan, de lidstaten met uitzondering van Denemarken.

Artikel 2

Grensoverschrijdende geschillen

1. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder grensoverschrijdend geschil verstaan, een geschil waarbij de partij die in het kader van deze richtlijn om rechtsbijstand verzoekt haar woonplaats of gewone verblijfplaats heeft in een andere lidstaat dan die waar de zaak behandeld wordt of waar de beslissing ten uitvoer gelegd moet worden.

2. De lidstaat waarin een partij haar woonplaats heeft, wordt vastgesteld in overeenstemming met artikel 59 van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken(9).

3. Het tijdstip dat in aanmerking moet worden genomen om te bepalen of er sprake is van een grensoverschrijdend geschil, is dat van de indiening van het verzoek, in overeenstemming met deze richtlijn.

HOOFDSTUK II

RECHT OP RECHTSBIJSTAND

Artikel 3

Recht op rechtsbijstand

1. Natuurlijke personen die betrokken zijn bij een onder deze richtlijn vallend geschil, hebben recht op adequate rechtsbijstand teneinde hun daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen, onder de voorwaarden bepaald in deze richtlijn.

2. Rechtsbijstand wordt adequaat geacht wanneer hij voorziet in:

a) advies in de precontentieuze fase met het oog op het vinden van een oplossing voordat er gerechtelijke procedures worden ingeleid,

b) juridische bijstand en vertegenwoordiging in rechte, alsook vrijstelling van of tegemoetkoming in de proceskosten van de begunstigde, met inbegrip van de in artikel 7 bedoelde kosten en het honorarium van personen die in opdracht van de rechter in de procedure optreden.

In lidstaten waarin een in het ongelijk gestelde partij aansprakelijk is voor de kosten van de wederpartij, dekt de rechtsbijstand, indien de begunstigde de zaak verliest, de door de wederpartij gemaakte kosten, indien die kosten erdoor gedekt zouden worden als de begunstigde zijn woonplaats of gewone verblijfplaats zou hebben in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld.

3. De lidstaten hoeven niet in juridische bijstand of vertegenwoordiging in rechte te voorzien in procedures die specifiek bedoeld zijn om de procespartijen in staat te stellen persoonlijk hun argumenten uiteen te zetten, tenzij de rechter of enige andere bevoegde autoriteit anders beslist teneinde de gelijkheid der partijen te waarborgen of gezien de gecompliceerdheid van de zaak.

4. De lidstaten kunnen eisen dat de begunstigde van de rechtsbijstand een redelijke bijdrage in de proceskosten betaalt, rekening houdend met de in artikel 5 genoemde voorwaarden.

5. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteit de begunstigde van de rechtsbijstand ertoe kan verplichten deze bijstand geheel of gedeeltelijk terug te betalen indien zijn financiële positie merkbaar verbeterd is of indien de beslissing om rechtsbijstand te verlenen werd genomen op basis van onjuiste informatie die door de begunstigde werd verstrekt.

Artikel 4

Non-discriminatie

De lidstaten verlenen zonder onderscheid rechtsbijstand aan de burgers van de Unie en aan de onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven.

HOOFDSTUK III

VOORWAARDEN EN OMVANG VAN RECHTSBIJSTAND

Artikel 5

Voorwaarden inzake financiële middelen

1. De lidstaten kennen rechtsbijstand toe aan de in artikel 3, lid 1, bedoelde personen die wegens hun economische situatie geheel of ten dele niet in staat zijn de in artikel 3, lid 2, bedoelde proceskosten te dragen, teneinde hun daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

2. De economische situatie van een persoon wordt beoordeeld door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld aan de hand van verschillende objectieve criteria, zoals inkomen, vermogen en de gezinssituatie, met inbegrip van een raming van de middelen van personen die financieel afhankelijk zijn van de verzoeker.

3. De lidstaten kunnen drempels bepalen waarboven de verzoeker om rechtsbijstand geacht wordt de in artikel 3, lid 2, bedoelde proceskosten geheel of ten dele zelf te kunnen dragen. Deze drempels worden bepaald op basis van de in lid 2 bedoelde criteria.

4. De overeenkomstig lid 3 bepaalde drempels mogen niet beletten dat aan de verzoeker om rechtsbijstand die de drempels overschrijdt, rechtsbijstand wordt toegekend indien hij het bewijs levert dat hij de in artikel 3, lid 2, bedoelde proceskosten niet kan dragen als gevolg van de verschillen in de kosten van levensonderhoud tussen de lidstaat waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en de lidstaat waar de zaak wordt behandeld.

5. Rechtsbijstand hoeft niet te worden toegekend wanneer de verzoeker in het betrokken geschil daadwerkelijk toegang heeft tot andere regelingen voor de dekking van de in artikel 3, lid 2, bedoelde proceskosten.

Artikel 6

Voorwaarden die verband houden met de grond van het geschil

1. De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten verzoeken om rechtsbijstand die hun kennelijk ongegrond voorkomen, kunnen afwijzen.

2. Indien in de precontentieuze fase advies is verleend, kan verdere rechtsbijstand worden geweigerd of ingetrokken om redenen die verband houden met de grond van de zaak, mits de toegang tot de rechter gewaarborgd is.

3. Bij het nemen van een besluit over de gegrondheid van een verzoek nemen de lidstaten, onverminderd artikel 5, het belang van de afzonderlijke zaak voor de verzoeker in overweging, maar kunnen zij ook de aard van de zaak in aanmerking nemen, indien de verzoeker die geen materieel of financieel verlies heeft geleden, toch een schadevergoeding wegens aantasting van de goede naam vordert of indien het verzoek een vordering betreft die rechtstreeks uit de bedrijfsactiviteiten of de zelfstandige beroepsactiviteiten van de verzoeker voortvloeit.

Artikel 7

Kosten die verband houden met het grensoverschrijdende karakter van het geschil

Rechtsbijstand die wordt toegekend in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, omvat de volgende kosten die rechtstreeks verband houden met het grensoverschrijdende karakter van het geschil:

a) kosten van tolken;

b) kosten voor de vertaling van de voor de afdoening van de zaak benodigde stukken die door de rechter of de bevoegde autoriteit worden verlangd en door de begunstigde worden overgelegd; en

c) reiskosten die voor rekening van de verzoeker komen, voorzover bij het voorleggen van de zaak van de verzoeker de fysieke aanwezigheid van de betrokkenen ter terechtzitting bij de wet of door de rechter van die lidstaat geboden is en de rechter besluit dat de betrokkenen niet anderszins ten genoegen van de rechter kunnen worden gehoord.

Artikel 8

Kosten voor rekening van de lidstaat van de woonplaats of de gewone verblijfplaats

De lidstaat waar de verzoeker om rechtsbijstand zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, verleent de vereiste, in artikel 3, lid 2, bedoelde rechtsbijstand tot dekking van

a) de kosten in verband met de bijstand van een lokale advocaat of enige andere persoon die bij de wet gemachtigd is juridisch advies te verlenen, welke in die lidstaat zijn gemaakt totdat het verzoek om rechtsbijstand in overeenstemming met deze richtlijn is ontvangen in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld;

b) de kosten voor de vertaling van het verzoek en van de vereiste begeleidende stukken, wanneer het verzoek bij de autoriteiten in die lidstaat wordt ingediend.

Artikel 9

Continuïteit van de rechtsbijstand

1. De begunstigde blijft gehele of gedeeltelijke rechtsbijstand genieten tot dekking van de kosten om een beslissing ten uitvoer te doen leggen in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld.

2. De begunstigde die in de lidstaat waar de zaak wordt behandeld rechtsbijstand heeft genoten, geniet de rechtsbijstand waarin wordt voorzien door de wet van de lidstaat waar om erkenning of tenuitvoerlegging wordt verzocht.

3. Rechtsbijstand blijft beschikbaar wanneer hetzij tegen hetzij door de begunstigde een rechtsmiddel wordt ingesteld, behoudens de artikelen 5 en 6.

4. De lidstaten kunnen bepalen dat het verzoek om rechtsbijstand in iedere fase van de procedure opnieuw kan worden behandeld op de in artikel 3, leden 3 en 5, en de artikelen 5 en 6 bedoelde gronden, met inbegrip van de in de leden 1 tot en met 3 bedoelde procedures.

Artikel 10

Buitengerechtelijke procedures

Onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden wordt tevens rechtsbijstand toegekend in buitengerechtelijke procedures wanneer de partijen bij de wet verplicht zijn daarvan gebruik te maken, dan wel wanneer de partijen bij het geschil door de rechter naar een dergelijk middel zijn verwezen.

Artikel 11

Authentieke akten

Voor de tenuitvoerlegging van authentieke akten in een andere lidstaat wordt rechtsbijstand toegekend onder de in deze richtlijn bepaalde voorwaarden

HOOFDSTUK IV

PROCEDURE

Artikel 12

Autoriteit die rechtsbijstand toekent

Rechtsbijstand wordt toegekend of geweigerd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld, onverminderd artikel 8.

Artikel 13

Indiening en verzending van verzoeken om rechtsbijstand

1. Verzoeken om rechtsbijstand kunnen worden ingediend bij

a) hetzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verzoeker zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft (verzendende autoriteit),

b) hetzij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de zaak wordt behandeld of waar de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd (ontvangende autoriteit).

2. De verzoeken om rechtsbijstand worden ingevuld, en de begeleidende stukken worden vertaald

a) in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat van de bevoegde ontvangende autoriteit die een van de talen van de instellingen van de Gemeenschap is; of

b) in een andere taal waarvan die lidstaat in overeenstemming met artikel 14, lid 3, heeft verklaard dat hij deze kan aanvaarden.

3. De bevoegde verzendende autoriteiten kunnen besluiten de verzending van een verzoek te weigeren indien het kennelijk

a) ongegrond is, of

b) buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn valt.

De in artikel 15, leden 2 en 3, bedoelde voorwaarden zijn van toepassing op die besluiten.

4. De verzendende autoriteit staat de verzoeker bij door erop toe te zien dat het verzoek vergezeld gaat van alle begeleidende stukken die, voorzover haar bekend, vereist zijn opdat het verzoek in behandeling kan worden genomen. Tevens staat zij de verzoeker bij door in overeenstemming met artikel 8, onder b), te voorzien in de eventueel noodzakelijke vertaling van de begeleidende stukken.

De bevoegde verzendende autoriteit verzendt het verzoek binnen 15 dagen te rekenen vanaf het tijdstip van ontvangst van het naar behoren in een van de in lid 2 bedoelde talen ingevulde verzoek en de zo nodig in een van die talen vertaalde begeleidende stukken naar de bevoegde ontvangende autoriteit in de andere lidstaat.

5. Stukken die ingevolge deze richtlijn worden verzonden, zijn vrijgesteld van legalisatie of daarmee gelijk te stellen formaliteiten.

6. De lidstaten vragen geen vergoeding voor overeenkomstig lid 4 verstrekte diensten. De lidstaat waarin de verzoeker om rechtsbijstand zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, kan bepalen dat de verzoeker de door de bevoegde verzendende autoriteiten gedragen vertaalkosten moet terugbetalen indien het verzoek om rechtsbijstand door de ontvangende autoriteit wordt afgewezen.

Artikel 14

Bevoegde autoriteiten en talen

1. De lidstaten wijzen de autoriteit of autoriteiten aan, belast met de verzending ("verzendende autoriteiten") en de ontvangst ("ontvangende autoriteiten") van de verzoeken.

2. Iedere lidstaat verstrekt de Commissie de volgende gegevens:

- de benaming en het adres van de in lid 1 bedoelde bevoegde ontvangende of verzendende autoriteiten,

- hun territoriale bevoegdheid,

- de middelen waarover zij beschikken om verzoeken te ontvangen, en

- de talen die kunnen worden gebruikt om het verzoek in te vullen.

3. De lidstaten delen de Commissie mee welke andere officiële taal of andere officiële talen van de instellingen van de Gemeenschap dan hun eigen taal of talen voor de bevoegde ontvangende autoriteit aanvaardbaar is, respectievelijk zijn voor de invulling van inkomende rechtsbijstandsverzoeken, in overeenstemming met deze richtlijn.

4. De lidstaten delen de Commissie de in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens mee vóór 30 november 2004. Van alle latere wijzigingen van deze gegevens wordt de Commissie uiterlijk twee maanden voordat de wijziging in die lidstaat van kracht wordt in kennis gesteld.

5. De in de leden 2 en 3 bedoelde gegevens worden in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakt.

Artikel 15

Behandeling van verzoeken

1. De nationale autoriteiten die bevoegd zijn over verzoeken om rechtsbijstand te beslissen, zorgen ervoor dat de verzoeker volledig wordt geïnformeerd over de behandeling van het verzoek.

2. Indien verzoeken geheel of gedeeltelijk worden afgewezen, wordt de afwijzingsbeslissing met redenen omkleed.

3. De lidstaten voorzien in de mogelijkheid van toetsing van of beroep tegen beslissingen waarbij verzoeken om rechtsbijstand worden afgewezen. De lidstaten kunnen voorzien in een uitzondering voor zaken waarin het verzoek om rechtsbijstand wordt afgewezen door een rechter tegen wiens beslissing over de grond van de zaak volgens het nationale recht geen voorziening mogelijk is, of door een appèlrechter.

4. Is het beroep tegen een beslissing waarbij rechtsbijstand uit hoofde van artikel 6 wordt geweigerd of ingetrokken, een administratief beroep, dan moet deze beslissing uiteindelijk altijd voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn.

Artikel 16

Modelformulier

1. Om de verzending van verzoeken te vergemakkelijken wordt volgens de procedure van artikel 17, lid 2, een modelformulier opgesteld voor rechtsbijstandsverzoeken en voor de verzending daarvan.

2. Het modelformulier voor de verzending van rechtsbijstandsverzoeken wordt uiterlijk op 30 mei 2003 opgesteld.

Het modelformulier voor rechtsbijstandsverzoeken wordt uiterlijk op 30 november 2004 opgesteld.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 18

Informatie

De bevoegde nationale autoriteiten werken samen teneinde het publiek en de beroepskringen over de verschillende rechtsbijstandsregelingen te informeren, met name via het Europees justitieel netwerk, dat is opgericht bij Beschikking 2001/470/EG.

Artikel 19

Gunstiger bepalingen

Deze richtlijn belet niet dat de lidstaten bepalingen invoeren die gunstiger zijn voor de verzoekers om en de begunstigden van rechtsbijstand.

Artikel 20

Verhouding tot andere instrumenten

In de betrekkingen tussen de lidstaten en met betrekking tot aangelegenheden waarop zij van toepassing is, heeft deze richtlijn voorrang op door de lidstaten gesloten bilaterale en multilaterale overeenkomsten, met inbegrip van

a) de Overeenkomst van Straatsburg van 1977 inzake het verzenden van verzoeken om rechtsbijstand als gewijzigd bij het aanvullend protocol bij de Europese overeenkomst inzake het verzenden van verzoeken om rechtsbijstand, ondertekend te Moskou in 2001;

b) het Verdrag van 's-Gravenhage van 25 oktober 1980 inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen.

Artikel 21

Omzetting in de nationale wetgeving

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 november 2004 aan deze richtlijn te voldoen, met uitzondering van artikel 3, lid 2, onder a), waarvoor de richtlijn uiterlijk op 30 mei 2006 in nationaal recht moet zijn omgezet. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 23

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten, overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 27 januari 2003.

Voor de Raad

De voorzitter

G. Papandreou

(1) PB C 103 E van 30.4.2002, blz. 368.

(2) Advies bekendgemaakt op 25 september 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB C 221 van 17.9.2002, blz. 64.

(4) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 1.

(5) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(6) PB L 24 van 30.1.1998, blz. 1.

(7) PB L 174 van 27.6.2001, blz. 25.

(8) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(9) PB L 12 van 16.1.2001, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1496/2002 van de Commissie (PB L 225 van 22.8.2002, blz. 13).

Top