Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32001R1206

Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken

OJ L 174, 27.6.2001, p. 1–24 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 004 P. 121 - 144
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 003 P. 138 - 161
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 003 P. 138 - 161
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 006 P. 6 - 29

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2001/1206/oj

32001R1206

Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken

Publicatieblad Nr. L 174 van 27/06/2001 blz. 0001 - 0024


Verordening (EG) Nr. 1206/2001 van de Raad

van 28 mei 2001

betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 61, onder c), en artikel 67, lid 1,

Gezien het initiatief van de Bondsrepubliek Duitsland(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld, de Unie te handhaven en te ontwikkelen als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrij verkeer van personen gewaarborgd is. Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een dergelijke ruimte dient de Gemeenschap onder meer de maatregelen op het gebied van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken aan te nemen die nodig zijn voor de goede werking van de interne markt.

(2) Ter wille van de goede werking van de interne markt moet de samenwerking tussen de gerechten op het gebied van bewijsverkrijging worden verbeterd, en in het bijzonder worden vereenvoudigd en bespoedigd.

(3) De Europese Raad heeft er op 15 en 16 oktober 1999 in Tampere op gewezen dat nieuwe procesregels voor grensoverschrijdende zaken moeten worden opgesteld, in het bijzonder op het gebied van bewijsverkrijging.

(4) Dit gebied valt onder artikel 65 van het EG-Verdrag.

(5) Daar de doelstellingen van het overwogen optreden, namelijk de verbetering van de samenwerking tussen de gerechten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt en derhalve beter door de Gemeenschap kunnen worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap overeenkomstig het in artikel 5 van het EG-Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doestellingen te verwezenlijken.

(6) Op het gebied van bewijsverkrijging bestaat er op dit ogenblik geen bindende overeenkomst tussen alle lidstaten van de Europese Unie. Het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken is slechts tussen elf lidstaten van de Europese Unie van kracht.

(7) Aangezien het voor een rechterlijke beslissing in een burgerlijke of handelszaak in een bepaalde lidstaat vaak nodig is dat in een andere lidstaat bewijs wordt verkregen, kan de Gemeenschap zich niet beperken tot de verzending van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken, zoals geregeld in Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken(4). Daarom moet de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging versterkt worden.

(8) Voorwaarde voor de doeltreffendheid van gerechtelijke procedures in burgerlijke en handelszaken is, dat de verzending en uitvoering van verzoeken om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten rechtstreeks en langs de snelste kanalen tussen de gerechten van de lidstaten verlopen.

(9) Een snelle verzending van een verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten vereist de inzet van alle daartoe geschikte middelen, waarbij bepaalde voorwaarden inzake de leesbaarheid en de betrouwbaarheid van het inkomende document in acht moeten worden genomen. Om zo veel mogelijk duidelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen, worden dergelijke verzoeken met een formulier verzonden, dat wordt ingevuld in de taal van de lidstaat van het aangezochte gerecht of in een andere door die lidstaat aanvaarde taal. Ook voor de verdere communicatie tussen de betrokken gerechten verdient het aanbeveling zo veel mogelijk gebruik te maken van formulieren.

(10) Een verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten dient vlot te worden uitgevoerd. Kan het verzoek niet binnen 90 dagen na ontvangst door het aangezochte gerecht worden uitgevoerd, dan is het aangezochte gerecht gehouden het verzoekende gerecht hiervan in kennis te stellen, met opgave van de redenen die een vlotte uitvoering van het verzoek in de weg staan.

(11) Met het oog op de doeltreffendheid van deze verordening blijft de mogelijkheid om een verzoek om een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten te weigeren, beperkt tot strikt begrensde buitengewone gevallen.

(12) Het aangezochte gerecht dient het verzoek overeenkomstig zijn nationale wet uit te voeren.

(13) De partijen en eventueel hun vertegenwoordigers moeten aanwezig kunnen zijn bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs, indien daarin is voorzien in de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht, om de procedure te kunnen volgen als werd de handeling in de lidstaat van het verzoekende gerecht verricht. Zij moeten ook het recht hebben te verzoeken aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs te mogen deelnemen om daarbij een actievere rol te kunnen spelen. De voorwaarden waaronder zij aan de verrichting van de handeling kunnen deelnemen worden evenwel door het aangezochte gerecht overeenkomstig zijn nationale recht vastgesteld.

(14) De vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht moeten aanwezig kunnen zijn bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs, indien zulks verenigbaar is met de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht, om het bewijs beter te kunnen beoordelen. Zij moeten ook het recht hebben te verzoeken onder de door het aangezochte gerecht overeenkomstig zijn nationale recht bepaalde voorwaarden aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs te mogen deelnemen om daarbij een actievere rol te kunnen spelen.

(15) Om de bewijsverkrijging te vergemakkelijken, moet het voor een gerecht van een lidstaat mogelijk zijn om overeenkomstig zijn nationale wet een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te verrichten, mits dit door de andere lidstaat wordt aanvaard en onder de door het centrale orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat bepaalde voorwaarden.

(16) De uitvoering van het verzoek overeenkomstig artikel 10 moet geen aanleiding geven tot terugbetaling van rechten of kosten. Indien het aangezochte gerecht evenwel om terugbetaling verzoekt, dienen de vergoedingen betaald aan deskundigen en tolken, alsmede de door de toepassing van artikel 10, leden 3 en 4, veroorzaakte kosten, niet door dat gerecht gedragen te worden. In een dergelijk geval, dient het verzoekende gerecht de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de terugbetaling onverwijld geschiedt. Wanneer het advies van een deskundige wordt vereist, kan het aangezochte gerecht, vóór de uitvoering van het verzoek, het verzoekende gerecht verzoeken om een passend deposito of voorschot voor de gevraagde kosten.

(17) In de betrekkingen tussen de lidstaten die partij zijn bij internationale overeenkomsten op de door deze verordening bestreken gebieden, heeft de verordening voorrang op die overeenkomsten. Deze verordening belet niet dat lidstaten onderling overeenkomsten of regelingen kunnen sluiten om de samenwerking op het gebied van bewijsverkrijging nog meer te vergemakkelijken.

(18) De krachtens deze verordening verzonden gegevens moeten beschermd worden. Aangezien Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens(5), alsmede Richtlijn 97/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de telecommunicatiesector(6) van toepassing zijn, behoeven daartoe in deze verordening geen specifieke bepalingen inzake gegevensbescherming te worden opgenomen.

(19) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(7).

(20) Voor de goede werking van deze verordening onderzoekt de Commissie de toepassing ervan en stelt, in voorkomend geval, de nodige wijzigingen voor.

(21) Het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben overeenkomstig artikel 3 van het Protocol betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, gemeld dat zij wensen deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening.

(22) Denemarken neemt, overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, niet deel aan de aanneming van deze verordening en deze verordening is derhalve niet verbindend voor, noch van toepassing in Denemarken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Werkingssfeer

1. Deze verordening is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer het gerecht van een lidstaat overeenkomstig de wettelijke bepalingen van die staat:

a) het bevoegde gerecht van een andere lidstaat verzoekt, een handeling tot het verkrijgen van bewijs te verrichten; of

b) verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten.

2. Er mag geen verzoek worden gedaan met het doel partijen in staat te stellen, zich bewijs te verschaffen dat niet bestemd is voor gebruik in een reeds aanhangige of in een voorgenomen procedure.

3. In deze verordening worden onder "lidstaat" de lidstaten met uitzondering van Denemarken verstaan.

Artikel 2

Rechtstreeks verkeer tussen de gerechten

1. Verzoeken uit hoofde van artikel 1, lid 1, onder a), hierna "verzoeken" te noemen, worden door het gerecht waarvoor de procedure reeds aanhangig of voorgenomen is, hierna "verzoekend gerecht" te noemen, rechtstreeks aan het bevoegde gerecht van een andere lidstaat, hierna het "aangezochte gerecht" te noemen, gezonden ter verrichting van handelingen tot het verkrijgen van bewijs.

2. Iedere lidstaat stelt een lijst op van de gerechten die bevoegd zijn om handelingen tot het verkrijgen van bewijs te verrichten overeenkomstig deze verordening. In de lijst worden ook de territoriale en, in voorkomend geval, de bijzondere bevoegdheid van deze gerechten aangegeven.

Artikel 3

Centraal orgaan

1. Iedere lidstaat wijst een centraal orgaan aan dat tot taak heeft:

a) de gerechten informatie te verschaffen;

b) oplossingen te zoeken indien zich moeilijkheden voordoen bij verzoeken;

c) in uitzonderingsgevallen, op verzoek van een verzoekend gerecht een verzoek aan het bevoegde gerecht te doen toekomen.

2. Een federale staat, een staat waarin verschillende rechtsstelsels van kracht zijn of een staat met autonome territoriale structuren heeft de bevoegdheid om meer dan één centraal orgaan aan te wijzen.

3. Iedere lidstaat wijst tevens het in lid 1 bedoelde centraal orgaan aan dat, dan wel een of meer bevoegde autoriteiten die tot taak hebben te beslissen over verzoeken uit hoofde van artikel 17.

HOOFDSTUK II

VERZENDING EN UITVOERING VAN VERZOEKEN

Afdeling 1

Verzending van het verzoek

Artikel 4

Vorm en inhoud van het verzoek

1. Het verzoek wordt ingediend met gebruikmaking van formulier A in de bijlage of, in voorkomend geval, formulier I. Het verzoek bevat de volgende gegevens:

a) het verzoekende en voorzover nodig het aangezochte gerecht;

b) de namen en adressen van de partijen en eventueel van hun vertegenwoordigers;

c) de aard en het onderwerp van het geding en een beknopte uiteenzetting van de feiten;

d) een omschrijving van de handeling tot het verkrijgen van bewijs die moet worden verricht;

e) bij een verzoek om een persoon te verhoren:

- de namen en adressen van de te verhoren personen,

- de vragen die aan de te verhoren personen moeten worden gesteld, dan wel de feiten waarover zij moeten worden verhoord,

- in voorkomend geval de vermelding van een recht van verschoning gegrond op de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht,

- het verzoek om de verklaring onder ede of belofte af te nemen en, eventueel, de formule die daarbij moet worden gebruikt,

- in voorkomend geval alle andere informatie die het verzoekende gerecht noodzakelijk acht,

f) bij een verzoek om enige andere vorm van bewijsverkrijging, de stukken of andere voorwerpen die moeten worden onderzocht;

g) in voorkomend geval een verzoek krachtens de artikel 10, leden 3 en 4, en de artikelen 11 en 12 en de voor de toepassing van die bepalingen noodzakelijke inlichtingen.

2. Noch het verzoek, noch de bij het verzoek gevoegde stukken behoeven legalisatie of enige andere vergelijkbare formaliteit.

3. Stukken die naar het oordeel van het verzoekende gerecht noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het verzoek en derhalve moeten worden toegevoegd, moeten vergezeld gaan van een vertaling in de taal waarin het verzoek is gesteld.

Artikel 5

Talen

Verzoeken en kennisgevingen uit hoofde van deze verordening worden gesteld in de officiële taal van de aangezochte lidstaat of, indien er verscheidene officiële talen in die lidstaat bestaan, in de officiële taal of een van de officiële talen van de plaats waar de verzochte handeling tot het verkrijgen van bewijs moet worden verricht, of in een andere taal die de aangezochte lidstaat heeft verklaard te kunnen aanvaarden. Elke lidstaat doet opgave van de officiële taal of talen van de instellingen van de Europese Gemeenschap, andere dan zijn eigen taal of talen, die voor de invulling van de formulieren worden aanvaard.

Artikel 6

Verzending van verzoeken en van overige kennisgevingen

Verzoeken en kennisgevingen uit hoofde van deze verordening worden verzonden langs de snelste weg die de aangezochte lidstaat heeft verklaard te kunnen aanvaarden. De verzending van verzoeken kan op elke passende wijze plaatsvinden, mits de inhoud van het ontvangen stuk precies overeenstemt met die van het verzonden stuk en alle informatie in het ontvangen stuk leesbaar is.

Afdeling 2

Ontvangst van het verzoek

Artikel 7

Ontvangst van het verzoek

1. Het aangezochte bevoegde gerecht stuurt het verzoekende gerecht binnen zeven dagen na ontvangst van het verzoek een ontvangstbewijs, met gebruikmaking van formulier B in de bijlage. Indien het verzoek niet voldoet aan de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden, maakt het aangezochte gerecht daarvan een aantekening in het ontvangstbewijs.

2. Indien de uitvoering van een verzoek dat met gebruikmaking van formulier A in de bijlage is ingediend en dat aan de in artikel 5 gestelde voorwaarden voldoet, niet behoort tot de bevoegdheid van het gerecht waaraan het verzoek is gericht, stuurt dit gerecht het verzoek door aan het wel bevoegde gerecht in dezelfde lidstaat en stelt het het verzoekende gerecht hiervan in kennis met gebruikmaking van formulier A in de bijlage.

Artikel 8

Onvolledige verzoeken

1. Indien een verzoek niet kan worden uitgevoerd omdat het niet alle in artikel 5 bedoelde gegevens bevat, stelt het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht daar onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek van in kennis, met gebruikmaking van formulier C in de bijlage, en verzoekt het het verzoekende gerecht de ontbrekende gegevens, waarvan zo nauwkeurig mogelijk opgave wordt gedaan, toe te zenden.

2. Indien een verzoek niet kan worden uitgevoerd omdat een deposito of voorschot noodzakelijk is overeenkomstig artikel 18, lid 3, stelt het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht hiervan onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek met gebruikmaking van formulier C in de bijlage in kennis met vermelding van de wijze waarop het deposito of voorschot dient te worden overgemaakt. Het aangezochte gerecht bevestigt de ontvangst van het deposito of voorschot onverwijld en uiterlijk binnen tien dagen na ontvangst ervan met gebruikmaking van formulier D.

Artikel 9

Aanvulling van het verzoek

1. Indien het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 7, lid 1, op het ontvangstbewijs aantekent dat het verzoek niet voldoet aan de in de artikelen 5 en 6 gestelde voorwaarden, of indien het het verzoekende gerecht er overeenkomstig artikel 8 van in kennis heeft gesteld dat het verzoek niet kan worden uitgevoerd omdat het niet alle in artikel 4 bedoelde gegevens bevat, vangt de in artikel 10, lid 1, bedoelde termijn aan wanneer het aangezochte gerecht het naar behoren aangevulde verzoek ontvangt.

2. Wanneer het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 18, lid 3, om een deposito of voorschot heeft verzocht, vangt deze termijn aan wanneer het deposito of voorschot is gestort.

Afdeling 3

Bewijsverkrijging door het aangezochte gerecht

Artikel 10

Algemene bepalingen betreffende de uitvoering van het verzoek

1. Het aangezochte gerecht voert het verzoek onverwijld en uiterlijk binnen 90 dagen na ontvangst van het verzoek uit.

2. Het aangezochte gerecht voert het verzoek uit overeenkomstig zijn nationale wet.

3. Het verzoekende gerecht kan met gebruikmaking van formulier A in de bijlage van het aangezochte gerecht verlangen dat het verzoek wordt uitgevoerd volgens een bijzondere vorm waarin wordt voorzien door zijn nationale wet. Aan die wens wordt door het aangezochte gerecht gehoor gegeven, tenzij deze vorm niet verenigbaar is met de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht, dan wel wegens grote praktische moeilijkheden niet mogelijk is. Indien het aangezochte gerecht op een van deze gronden geen gehoor geeft aan de wens, stelt het het verzoekende gerecht hiervan in kennis met gebruikmaking van formulier E in de bijlage.

4. Het verzoekende gerecht kan van het aangezochte gerecht verlangen dat bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs gebruik wordt gemaakt van communicatietechnologie, in het bijzonder video- en teleconferenties.

Aan die wens wordt door het aangezochte gerecht gehoor gegeven, tenzij deze vorm niet verenigbaar is met de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht, dan wel wegens grote praktische moeilijkheden niet mogelijk is.

Indien het aangezochte gerecht op een van deze gronden geen gehoor geeft aan de wens, stelt het het verzoekende gerecht hiervan in kennis met gebruikmaking van formulier E in de bijlage.

Indien het verzoekende of het aangezochte gerecht geen toegang heeft tot bovenbedoelde technische middelen, kunnen zij door de gerechten in onderlinge overeenstemming ter beschikking worden gesteld.

Artikel 11

Uitvoering in aanwezigheid en met deelneming van de partijen

1. Indien de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht daarin voorziet, hebben de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers het recht aanwezig te zijn bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht.

2. In zijn verzoek deelt het verzoekende gerecht het aangezochte gerecht met gebruikmaking van formulier A in de bijlage mee dat de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming wordt verzocht. Deze mededeling kan ook op enig ander passend tijdstip worden gedaan.

3. Indien wordt verzocht om de deelneming van de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs, bepaalt het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 10 de voorwaarden waaronder zij mogen deelnemen.

4. Het aangezochte gerecht stelt de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers met gebruikmaking van formulier F in de bijlage in kennis van het tijdstip waarop en de plaats waar de verlangde handeling zal worden verricht en, in voorkomend geval, van de voorwaarden waaronder zij mogen deelnemen.

5. De leden 1 tot en met 4 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor het aangezochte gerecht om de partijen en eventueel hun vertegenwoordigers te verzoeken bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs aanwezig te zijn of daaraan deel te nemen, indien zijn nationale wet in die mogelijkheid voorziet.

Artikel 12

Uitvoering in aanwezigheid van en met deelneming van vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht

1. De vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht hebben het recht aanwezig te zijn bij de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs door het aangezochte gerecht indien zulks verenigbaar is met de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht.

2. Voor de toepassing van dit artikel worden onder het begrip "vertegenwoordiger" de rechterlijke ambtenaren verstaan die door het verzoekende gerecht zijn aangewezen overeenkomstig zijn nationale wet. Het verzoekende gerecht kan overeenkomstig zijn nationale wet tevens enige andere persoon aanwijzen, zoals een deskundige.

3. In zijn verzoek deelt het verzoekende gerecht het aangezochte gerecht met gebruikmaking van formulier A in de bijlage mee dat zijn vertegenwoordigers aanwezig zullen zijn en, in voorkomend geval, dat om hun deelneming wordt verzocht. Deze mededeling kan ook op enig ander passend tijdstip worden gedaan.

4. Indien wordt verzocht om de deelneming van de vertegenwoordigers van het verzoekende gerecht aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs, bepaalt het aangezochte gerecht overeenkomstig artikel 10 de voorwaarden waaronder zij mogen deelnemen.

5. Het aangezochte gerecht stelt het verzoekende gerecht met gebruikmaking van formulier F in de bijlage in kennis van het tijdstip waarop en de plaats waar de verlangde handeling zal worden verricht en, in voorkomend geval, van de voorwaarden waaronder de vertegenwoordigers mogen deelnemen.

Artikel 13

Dwangmaatregelen

Voorzover nodig past het aangezochte gerecht bij de uitvoering van het verzoek de daartoe passende dwangmaatregelen toe waarin de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht voorziet, in de gevallen en in de mate waarin het daartoe verplicht zou zijn bij de uitvoering van een soortgelijk verzoek van de autoriteiten van de eigen staat of van een belanghebbende partij.

Artikel 14

Weigering van uitvoering

1. Een verzoek om een persoon te verhoren wordt niet uitgevoerd indien de betrokken persoon zich beroept op een recht van verschoning of een verbod om een verklaring af te leggen gegrond op:

a) de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht; of

b) de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht, en het verschoningsrecht of het verbod is vermeld in het verzoek of, eventueel, op verzoek van het aangezochte gerecht is bevestigd door het verzoekende gerecht.

2. Afgezien van de in lid 1 genoemde gronden kan de uitvoering van een verzoek niet worden geweigerd dan indien:

a) het verzoek niet binnen de werkingssfeer van deze verordening zoals bepaald in artikel 1 valt; of

b) de uitvoering van het verzoek volgens de wet van de lidstaat van het aangezochte gerecht niet behoort tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht; of

c) het verzoekende gerecht niet binnen 30 dagen gehoor geeft aan het verzoek van het aangezochte gerecht om het verzoek aan te vullen overeenkomstig artikel 8, of

d) een deposito of voorschot waarom overeenkomstig artikel 18, lid 3, is verzocht niet is gestort binnen 60 dagen nadat het aangezochte gerecht daarom heeft verzocht.

3. De uitvoering kan door het aangezochte gerecht niet worden geweigerd op de enkele grond dat de wet van zijn lidstaat van dat gerecht uitsluitende rechtsmacht toekent ten aanzien van de zaak waarop het verzoek betrekking heeft, dan wel dat de wet van die lidstaat een rechtsvordering als waarop het verzoek betrekking heeft niet toekent.

4. Indien de uitvoering van het verzoek op een van de in lid 2 genoemde gronden wordt geweigerd, stelt het aangezochte gerecht het verzoekende gerecht daar met gebruikmaking van formulier H in de bijlage binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek van in kennis.

Artikel 15

Kennisgeving van vertraging

Indien het aangezochte gerecht niet binnen 90 dagen na ontvangst aan het verzoek kan voldoen, stelt het het verzoekende gerecht hiervan in kennis met gebruikmaking van formulier G in de bijlage. Daarbij wordt opgave gedaan van de redenen voor de vertraging en van de tijd die het aangezochte gerecht meent nodig te hebben om aan het verzoek te kunnen voldoen.

Artikel 16

Procedure na de uitvoering van het verzoek

Het aangezochte gerecht doet het verzoekende gerecht onverwijld de stukken ten bewijze van de uitvoering van het verzoek toekomen en zendt in voorkomend geval de van het verzoekende gerecht ontvangen stukken terug. De stukken gaan vergezeld van een uitvoeringsbevestiging waarvoor formulier H in de bijlage wordt gebruikt.

Afdeling 4

Rechtstreekse bewijsverkrijging door het verzoekende gerecht

Artikel 17

1. Wanneer een gerecht verzoekt een handeling tot het verkrijgen van bewijs rechtstreeks in een andere lidstaat te mogen verrichten, dient het daartoe met gebruikmaking van formulier I in de bijlage een verzoek in bij het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van die staat, bedoeld in artikel 3, lid 3.

2. Een handeling tot het verkrijgen van bewijs kan alleen rechtstreeks worden verricht indien zij vrijwillig en zonder dwangmaatregelen kan worden uitgevoerd.

Indien de rechtstreekse verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs inhoudt dat een persoon wordt verhoord, stelt het verzoekende gerecht die persoon ervan in kennis dat de handeling vrijwillig wordt verricht.

3. De handeling tot het verkrijgen van bewijs wordt verricht door een rechterlijk ambtenaar of door een andere persoon, zoals een deskundige, die overeenkomstig de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht wordt aangewezen.

4. Binnen 30 dagen na ontvangst van het verzoek deelt het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit van de aangezochte lidstaat, bedoeld in artikel 3, lid 3, met gebruikmaking van formulier J aan het verzoekende gerecht mee of het verzoek wordt aanvaard en, indien nodig, onder welke voorwaarden de handeling overeenkomstig de wet van de aangezochte lidstaat moet worden verricht.

Met name kan het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit een gerecht van zijn lidstaat opdragen aan de verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs deel te nemen teneinde te garanderen dat dit artikel correct wordt toegepast en de gestelde voorwaarden in acht worden genomen.

Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit moedigt het gebruik aan van communicatietechnologie, zoals video- en teleconferenties.

5. Het centraal orgaan of de bevoegde autoriteit kan de rechtstreekse verrichting van een handeling tot het verkrijgen van bewijs slechts weigeren indien:

a) het verzoek niet binnen de werkingssfeer van deze verordening zoals bepaald in artikel 1 valt;

b) het verzoek niet alle in artikel 4 bedoelde gegevens bevat; of

c) de gevraagde rechtstreekse verrichting van de handeling tot het verkrijgen van bewijs strijdig is met fundamentele beginselen van zijn nationale recht.

6. Onverminderd de overeenkomstig lid 4 bepaalde voorwaarden handelt het verzoekende gerecht het verzoek af overeenkomstig zijn nationale wet.

Afdeling 5

Kosten

Artikel 18

1. De uitvoering van het verzoek overeenkomstig artikel 10 geeft geen aanleiding tot terugbetaling van rechten of kosten.

2. Indien het aangezochte gerecht evenwel om terugbetaling verzoekt, zorgt het verzoekende gerecht voor de onverwijlde terugbetaling van:

- de vergoedingen die betaald zijn aan deskundigen en tolken; en

- de kosten die veroorzaakt zijn door de toepassing van artikel 10, leden 3 en 4.

De wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht bepaalt wie verplicht is de vergoeding of kosten te dragen.

3. Wanneer het advies van een deskundige wordt vereist, kan het aangezochte gerecht, vóór de uitvoering van het verzoek, het verzoekende gerecht verzoeken om een passend deposito of voorschot voor de gevraagde kosten. In alle andere gevallen vormt een deposito of voorschot geen voorwaarde voor de uitvoering van een verzoek.

Partijen storten een deposito of voorschot indien de wet van de lidstaat van het verzoekende gerecht dat bepaalt.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Toepassingsvoorschriften

1. De Commissie stelt een handleiding op, die ook elektronisch beschikbaar is, met de gegevens die de lidstaten overeenkomstig artikel 22 hebben verstrekt en met de geldende overeenkomsten of regelingen overeenkomstig artikel 21, en werkt deze handleiding op gezette tijden bij.

2. De in de bijlage opgenomen modelformulieren worden bijgewerkt of technisch aangepast volgens de raadplegingsprocedure van artikel 20, lid 2.

Artikel 20

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 3 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 21

Verband met bestaande of toekomstige overeenkomsten of regelingen tussen lidstaten

1. In de betrekkingen tussen de lidstaten die partij zijn bij bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen, met name bij het Verdrag van Den Haag van 1 maart 1954 betreffende de burgerlijke rechtsvordering en het Verdrag van Den Haag van 18 maart 1970 inzake de verkrijging van bewijs in het buitenland in burgerlijke en in handelszaken, heeft deze verordening voor de aangelegenheden die zij bestrijkt voorrang op die overeenkomsten of regelingen.

2. Deze verordening belet twee of meer lidstaten niet onderling overeenkomsten of regelingen te handhaven of te sluiten om de bewijsverkrijging nog meer te vergemakkelijken, mits die overeenkomsten of regelingen met deze verordening verenigbaar zijn.

3. Elke lidstaat doet aan de Commissie:

a) uiterlijk op 1 juli 2003 een exemplaar toekomen van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten of regelingen met andere lidstaten die hij handhaaft;

b) een exemplaar toekomen van de in lid 2 bedoelde overeenkomsten of regelingen met andere lidstaten, alsook van de nog niet aangenomen ontwerpen daarvan; en

c) mededeling van de opzegging van of wijzigingen in deze overeenkomsten of regelingen.

Artikel 22

Mededelingen

Uiterlijk op 1 juli 2003 deelt elke lidstaat de Commissie het volgende mee:

1) de lijst met gegevens overeenkomstig artikel 2, lid 2, met vermelding van de territoriale en, voorzover van toepassing, de bijzondere bevoegdheid van de gerechten;

2) de namen en adressen van de centrale organen en bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 4, met vermelding van hun territoriale bevoegdheid;

3) de technische middelen voor de ontvangst van verzoeken waarover de in artikel 2, lid 2, bedoelde gerechten beschikken;

4) de talen waarin het verzoek kan worden gesteld zoals bepaald in artikel 5.

De lidstaten brengen de Commissie op de hoogte wanneer deze gegevens veranderen.

Artikel 23

Toetsing

Uiterlijk op 1 januari 2007 en vervolgens om de vijf jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze verordening, waarbij zij met name toeziet op de praktische toepassing van artikel 3, lid 1, onder c), en lid 3, en de artikelen 17 en 18.

Artikel 24

Inwerkingtreding

1. Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2001.

2. Deze verordening wordt van kracht op 1 januari 2004, met uitzondering van de artikelen 19, 21 en 22, die van kracht worden op 1 juli 2001.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Gedaan te Brussel, 28 mei 2001.

Voor de Raad

De voorzitter

T. Bodström

(1) PB C 314 van 3.11.2000, blz. 2.

(2) Advies uitgebracht op 14 maart 2001 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3) Advies uitgebracht op 28 februari 2001 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(4) PB L 160 van 30.6.2000, blz. 37.

(5) PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31.

(6) PB L 24 van 30.1.1998, blz. 1.

(7) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

BIJLAGE

>PIC FILE= "L_2001174NL.000902.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001001.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001101.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001201.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001301.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001401.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001501.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001601.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001701.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001801.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.001901.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.002001.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.002101.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.002201.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.002301.EPS">

>PIC FILE= "L_2001174NL.002401.EPS">

Top