Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32001F0220

2001/220/JBZ: Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure

OJ L 82, 22.3.2001, p. 1–4 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Estonian: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Latvian: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Lithuanian: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Hungarian Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Maltese: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Polish: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Slovak: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Slovene: Chapter 19 Volume 004 P. 72 - 75
Special edition in Bulgarian: Chapter 19 Volume 003 P. 104 - 107
Special edition in Romanian: Chapter 19 Volume 003 P. 104 - 107
Special edition in Croatian: Chapter 19 Volume 003 P. 53 - 56

No longer in force, Date of end of validity: 15/11/2012; vervangen door 32012L0029

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_framw/2001/220/oj

32001F0220

2001/220/JBZ: Kaderbesluit van de Raad van 15 maart 2001 inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure

Publicatieblad Nr. L 082 van 22/03/2001 blz. 0001 - 0004


Kaderbesluit van de Raad

van 15 maart 2001

inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure

(2001/220/JBZ)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, inzonderheid op artikel 31 en artikel 34, lid 2, onder b),

Gezien het initiatief van de Portugese Republiek(1),

Gezien het advies van het Europees Parlement(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Overeenkomstig het actieplan van de Raad en de Commissie over hoe de bepalingen van het Verdrag van Amsterdam inzake de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid het best kunnen worden uitgevoerd, en inzonderheid punt 19 en punt 51, onder c), dient de kwestie van slachtofferhulp binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het Verdrag te worden aangepakt door een vergelijkende studie van slachtoffervergoedingsregelingen te maken en na te gaan of actie binnen de Unie haalbaar is.

(2) De Commissie heeft op 14 juli 1999 een mededeling betreffende "Slachtoffers van misdrijven in de Europese Unie: reflecties over normen en maatregelen" toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité. Het Europees Parlement heeft op 15 juni 2000 een resolutie aangenomen over de mededeling van de Commissie.

(3) In de conclusies van de Europese Raad van Tampere van 15 en 16 oktober 1999, inzonderheid in punt 32, is bepaald dat minimumnormen dienen te worden opgesteld voor de bescherming van slachtoffers van misdrijven, in het bijzonder inzake de toegang tot de rechter voor slachtoffers van misdrijven en hun recht op schadevergoeding, met inbegrip van de proceskosten. Voorts dienen nationale programma's te worden uitgewerkt ter financiering van al dan niet van overheidswege getroffen maatregelen voor hulp aan en bescherming van slachtoffers.

(4) De lidstaten dienen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen onderling aan te passen voorzover dit nodig is ter verwezenlijking van het doel, de slachtoffers van misdrijven een hoog beschermingsniveau te bieden, ongeacht in welke lidstaat zij zich bevinden.

(5) Het is belangrijk dat de noden van slachtoffers op een alomvattende en gestructureerde wijze worden bezien en behandeld, en dat gedeeltelijke of incoherente oplossingen die tot secundaire victimisatie aanleiding kunnen geven, worden vermeden.

(6) Daarom zijn de bepalingen van dit kaderbesluit niet beperkt tot de behartiging van de belangen van het slachtoffer in het kader van de strafprocedure sensu stricto. Zij behelzen ook een aantal maatregelen voor bijstand aan slachtoffers vóór, tijdens of na de strafprocedure, die de effecten van het misdrijf kunnen verlichten.

(7) De maatregelen voor hulp aan slachtoffers van misdrijven, in het bijzonder de bepalingen over schadeloosstelling en bemiddeling, staan los van de oplossingen die de burgerlijke procedure biedt.

(8) Er is een onderlinge aanpassing nodig van de voorschriften en praktijken met betrekking tot de status en de voornaamste rechten van het slachtoffer, met bijzondere aandacht voor het recht van het slachtoffer met respect te worden bejegend, te spreken en geïnformeerd te worden, te begrijpen en begrepen te worden, en beschermd te worden in de verschillende fasen van de procedure; ook moet rekening worden gehouden met het nadelige feit dat het slachtoffer in een andere lidstaat verblijft dan die waar het misdrijf is gepleegd.

(9) De bepalingen van dit kaderbesluit verplichten de lidstaten echter niet de slachtoffers een behandeling te garanderen die gelijkwaardig is aan die van de procespartijen.

(10) Het optreden van gespecialiseerde diensten en van organisaties voor slachtofferhulp vóór, tijdens en na de strafprocedure is belangrijk.

(11) De personen die in contact staan met het slachtoffer moeten een passende en degelijke opleiding krijgen; dit is van fundamenteel belang zowel voor het slachtoffer als voor het bereiken van de doelstellingen van de procedure.

(12) Er dient gebruik te worden gemaakt van coördinatieregelingen voor netwerken van contactpunten in de lidstaten, hetzij in het gerechtelijk systeem, hetzij tussen organisaties voor slachtofferhulp,

HEEFT HET VOLGENDE KADERBESLUIT AANGENOMEN:

Artikel 1

Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit kaderbesluit wordt verstaan onder:

a) slachtoffer: de natuurlijke persoon die als direct gevolg van het handelen of nalaten dat in strijd is met de strafwetgeving van een lidstaat schade, met inbegrip van lichamelijk of geestelijk letsel, geestelijke pijn en economische schade, heeft geleden;

b) organisatie voor slachtofferhulp: legaal in een lidstaat gevestigde niet-gouvernementele organisatie waarvan de kosteloze activiteiten van hulp aan slachtoffers van een strafbaar feit, in omstandigheden die zich daarvoor lenen, een aanvulling vormen op de desbetreffende activiteiten van de staat;

c) strafprocedure: strafprocedure in de zin van het toepasselijk nationaal recht;

d) procedure: in ruime zin, dat wil zeggen naast de strafprocedure, alle door het slachtoffer in die hoedanigheid gelegde contacten met ongeacht welke autoriteit, overheidsdienst of organisatie voor slachtofferhulp vóór, tijdens en na de strafprocedure;

e) bemiddeling in strafzaken: vóór of tijdens de strafprocedure, het zoeken naar een via onderhandelingen tot stand gebrachte schikking tussen het slachtoffer en degene die het strafbare feit heeft gepleegd, door bemiddeling van een bevoegde persoon.

Artikel 2

Respect en erkenning

1. Elke lidstaat ruimt in zijn strafrecht een reële en passende rol in voor het slachtoffer. Hij blijft al het nodige doen om te waarborgen dat het slachtoffer tijdens de procedure met het gepaste respect voor zijn persoonlijke waardigheid wordt bejegend, en erkent de rechten en rechtmatige belangen van het slachtoffer, in het bijzonder in de strafprocedure.

2. Elke lidstaat waarborgt dat bijzonder kwetsbare slachtoffers een specifieke behandeling kunnen krijgen die zo goed mogelijk aan hun situatie beantwoordt.

Artikel 3

Hoor en bewijslevering

Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer de mogelijkheid om tijdens de procedure gehoord te worden en bewijselementen aan te dragen.

Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer slechts voorzover noodzakelijk ten behoeve van de strafprocedure wordt ondervraagd door de autoriteiten.

Artikel 4

Recht op informatie

1. Elke lidstaat waarborgt dat het slachtoffer in het bijzonder vanaf het eerste contact met de handhavingsdiensten, met middelen die hij daartoe geschikt acht en zoveel mogelijk in de algemeen begrepen talen, toegang heeft tot de voor de bescherming van zijn belangen relevante informatie. Deze informatie omvat ten minste het volgende:

a) tot welke diensten of organisaties kan het slachtoffer zich met het oog op hulp richten;

b) welke soort hulp kan het slachtoffer ontvangen;

c) waar en hoe kan het slachtoffer een klacht indienen;

d) welke procedurele stappen volgen op de klacht en welke rol kan het slachtoffer in verband met dergelijke procedures spelen;

e) hoe en onder welke omstandigheden kan het slachtoffer bescherming krijgen;

f) in hoeverre en onder welke voorwaarden heeft het slachtoffer toegang tot:

i) juridisch advies,

ii) rechtsbijstand, of

iii) enige andere vorm van advies,

indien het slachtoffer daar recht op heeft in de onder i) en ii) bedoelde gevallen;

g) welke vereisten zijn verbonden aan het recht van het slachtoffer op schadeloosstelling;

h) op welke bijzondere mechanismen kan het slachtoffer zich, ter bescherming van zijn belangen, beroepen wanneer het in een andere staat woont.

2. Elke lidstaat waarborgt dat een slachtoffer dat de wens daartoe kenbaar heeft gemaakt, in kennis wordt gesteld van:

a) het gevolg dat aan zijn klacht is gegeven;

b) in geval van vervolging, de gegevens op basis waarvan het slachtoffer zich kan informeren over het verloop van de strafprocedure tegen de persoon die voor de hem betreffende feiten wordt vervolgd, behalve in uitzonderlijke gevallen waar het goede verloop van de zaak nadelig kan worden beïnvloed;

c) de door de rechter uitgesproken beslissing.

3. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer, ten minste in de gevallen waarin voor hem een gevaar bestaat, indien nodig op de hoogte kan worden gesteld op het ogenblik van de invrijheidstelling van de persoon die wegens het feit vervolgd of veroordeeld is.

4. Wanneer een lidstaat op eigen initiatief de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie verstrekt, moet hij het slachtoffer het recht waarborgen om ervoor te kiezen deze informatie niet te ontvangen, tenzij toezending daarvan volgens de toepasselijke strafprocedure verplicht is.

Artikel 5

Waarborgen in verband met de communicatie

Elke lidstaat treft de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het slachtoffer dat als getuige of partij bij de procedure betrokken is, zo weinig mogelijk communicatieproblemen ondervindt met betrekking tot het begrip van of zijn eigen rol in de belangrijke fasen van de strafprocedure in kwestie, zoals hij dergelijke maatregelen ook ten aanzien van de verdachte treft.

Artikel 6

Specifieke bijstand ten behoeve van het slachtoffer

Elke lidstaat waarborgt dat het slachtoffer, zo nodig kosteloos, toegang heeft tot advies in de zin van artikel 4, lid 1, onder f), punt iii), over zijn rol in de procedure alsmede, in voorkomend geval, tot rechtsbijstand in de zin van artikel 4, lid 1, onder f), punt ii), indien het slachtoffer de status van partij bij de strafprocedure kan hebben.

Artikel 7

Uitgaven van het slachtoffer in verband met de strafprocedure

Elke lidstaat biedt het slachtoffer dat de status van partij of van getuige heeft, volgens de toepasselijke nationale voorschriften de mogelijkheid om de uitgaven vergoed te krijgen die voortvloeien uit zijn rechtmatige deelneming aan de strafprocedure.

Artikel 8

Recht op bescherming

1. Elke lidstaat waarborgt een passend niveau van bescherming voor het slachtoffer en, in voorkomend geval, diens familieleden of gelijkgestelde personen, met name wat betreft hun veiligheid en de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer, wanneer er naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een ernstige dreiging van wraakacties bestaat of er sterke aanwijzingen zijn dat de persoonlijke levenssfeer ernstig en opzettelijk wordt aangetast.

2. Daartoe waarborgt elke lidstaat onverminderd lid 4 de mogelijkheid tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de goede naam van het slachtoffer, diens familieleden of gelijkgestelde personen, indien nodig in het kader van een rechterlijke procedure.

3. Elke lidstaat waarborgt tevens dat contact tussen slachtoffers en daders in gerechtsgebouwen vermeden kan worden, tenzij dit contact in het kader van de strafprocedure noodzakelijk is. Zo nodig rust elke lidstaat de gerechtsgebouwen daartoe geleidelijk uit met afzonderlijke wachtkamers voor slachtoffers.

4. Elke lidstaat waarborgt dat wanneer slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, beschermd moeten worden tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, zij op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.

Artikel 9

Recht op schadeloosstelling in het kader van de strafprocedure

1. Elke lidstaat waarborgt het slachtoffer van een strafbaar feit het recht om in het kader van de strafprocedure binnen een redelijke termijn een beslissing te verkrijgen met betrekking tot de schadeloosstelling door de dader, tenzij de nationale wet in bepaalde gevallen bepaalt dat de schadeloosstelling in een ander kader geschiedt.

2. Elke lidstaat treft maatregelen om ervoor te zorgen dat de dader het slachtoffer voldoende schadeloos stelt.

3. De voorwerpen van het slachtoffer die in de strafprocedure in beslag zijn genomen en teruggegeven kunnen worden, worden onverwijld aan het slachtoffer teruggegeven, tenzij dit in het kader van de strafprocedure volstrekt onmogelijk is.

Artikel 10

Bemiddeling in strafzaken

1. Elke lidstaat zorgt voor de bevordering van bemiddeling in strafzaken met betrekking tot de strafbare feiten waarvoor hij die maatregel passend acht.

2. Elke lidstaat ziet erop toe dat elke overeenkomst die in een bemiddeling in strafzaken tussen het slachtoffer en de dader wordt bereikt, in aanmerking kan worden genomen.

Artikel 11

Slachtoffers met woonplaats in een andere lidstaat

1. Elke lidstaat zorgt ervoor dat zijn bevoegde autoriteiten in staat zijn passende maatregelen te treffen om de problemen die het gevolg zijn van het feit dat het slachtoffer in een andere staat woont dan die waar het strafbare feit begaan is, zo beperkt mogelijk te houden, in het bijzonder voor wat betreft het verloop van de procedure. Daartoe moeten die autoriteiten in het bijzonder in staat zijn:

- te beslissen dat het slachtoffer meteen nadat het strafbaar feit gepleegd is, een verklaring kan afleggen;

- voor het verhoor van getuigen met woonplaats in een andere lidstaat zoveel mogelijk gebruik te maken van de bepalingen over videoconferentie en telefoonconferentie in de artikelen 10 en 11 van de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie van 29 mei 2000 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken(3).

2. Elke lidstaat zorgt ervoor dat het slachtoffer van een strafbaar feit in een andere lidstaat dan de staat van zijn woonplaats een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van zijn woonplaats indien hij dat niet heeft kunnen of, bij een ernstig feit, niet heeft willen doen in de staat waar het strafbare feit werd gepleegd.

Indien de bevoegde autoriteit waarbij de klacht is ingediend, niet zelf gebruikmaakt van haar bevoegdheid terzake, verwijst zij de klacht onverwijld naar de bevoegde autoriteit van de lidstaat op het grondgebied waarvan het strafbare feit is gepleegd. Deze klacht wordt behandeld volgens het nationale recht van de staat waar het feit gepleegd is.

Artikel 12

Samenwerking tussen lidstaten

Elke lidstaat ondersteunt, ontwikkelt en verbetert de samenwerking tussen de lidstaten teneinde een doeltreffender bescherming van de belangen van het slachtoffer in de strafprocedure te vergemakkelijken, in de vorm van rechtstreeks aan het gerechtelijk systeem gerelateerde netwerken of van banden tussen de organisaties voor slachtofferhulp.

Artikel 13

Gespecialiseerde diensten en organisaties voor slachtofferhulp

1. Elke lidstaat bevordert dat in het kader van de strafprocedure slachtofferhulp plaatsvindt in de vorm van organisatie van de initiële opvang van het slachtoffer, en daarna van hulp en bijstand aan het slachtoffer, door speciaal daarvoor opgeleid overheidspersoneel beschikbaar te stellen, of door organisaties voor slachtofferhulp te erkennen en te financieren.

2. Elke lidstaat stimuleert het handelen van dat overheidspersoneel of van organisaties voor slachtofferhulp in de strafprocedure, in het bijzonder met betrekking tot:

a) informatie aan het slachtoffer;

b) hulp aan het slachtoffer overeenkomstig zijn onmiddellijke behoeften;

c) waar nodig en mogelijk, begeleiding van het slachtoffer tijdens de strafprocedure;

d) bijstand aan het slachtoffer op diens verzoek na afloop van de strafprocedure.

Artikel 14

Beroepsopleiding van de personen die in de strafprocedure optreden of anderszins met het slachtoffer in contact staan

1. Elke lidstaat stimuleert via overheidsdiensten of door financiering van organisaties voor slachtofferhulp, initiatieven die een passende en op de specifieke behoeften van de meest kwetsbare groepen afgestemde beroepsopleiding mogelijk maken voor de personen die in de procedure optreden of anderszins met het slachtoffer in contact staan.

2. Lid 1 geldt in het bijzonder voor politiediensten en rechtsbeoefenaars.

Artikel 15

Praktische voorwaarden inzake de situatie van het slachtoffer in de strafprocedure

1. Elke lidstaat streeft ernaar om in het kader van de strafprocedure in het algemeen en in het bijzonder in de gebouwen waar strafprocedures kunnen worden ingesteld, geleidelijk de voorwaarden te scheppen die nodig zijn om te trachten secundaire victimisatie te voorkomen en onnodige druk op het slachtoffer te vermijden, in het bijzonder door te zorgen voor goede opvang, en voor aan de situatie aangepaste omstandigheden in de betrokken gebouwen.

2. Voor de toepassing van lid 1 schenkt elke lidstaat in het bijzonder aandacht aan faciliteiten in gerechtsgebouwen, bij politiediensten, overheidsdiensten en organisaties voor slachtofferhulp.

Artikel 16

Territoriale werkingssfeer

Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.

Artikel 17

Uitvoering

Elke lidstaat doet de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om aan dit kaderbesluit te voldoen:

- voor wat artikel 10 betreft, uiterlijk op 22 maart 2006;

- voor wat de artikelen 5 en 6 betreft, uiterlijk op 22 maart 2004;

- voor wat de overige bepalingen betreft, uiterlijk op 22 maart 2002.

Artikel 18

Evaluatie

Elke lidstaat deelt op de in artikel 17 genoemde data het secretariaat-generaal van de Raad en de Commissie de tekst mee van de voorschriften waarmee zij hun verplichtingen uit hoofde van dit kaderbesluit in hun nationale recht omzetten. De Raad beoordeelt binnen een termijn van een jaar volgend op die data de maatregelen die de lidstaten hebben getroffen om dit kaderbesluit na te leven, aan de hand van een verslag dat door het secretariaat-generaal van de Raad wordt opgesteld op basis van de gegevens van de lidstaten en een schriftelijk verslag van de Commissie.

Artikel 19

Inwerkingtreding

Dit kaderbesluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Gedaan te Brussel, 15 maart 2001.

Voor de Raad

De voorzitter

M-I. Klingvall

(1) PB C 243 van 24.8.2000, blz. 4.

(2) Advies uitgebracht op 12 december 2000 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(3) PB C 197 van 12.7.2000, blz. 1.

Top