Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32000R2037

Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

OJ L 244, 29.9.2000, p. 1–24 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 005 P. 190 - 215
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 006 P. 108 - 133
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 006 P. 108 - 133

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2009; opgeheven door 32009R1005

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2000/2037/oj

32000R2037

Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

Publicatieblad Nr. L 244 van 29/09/2000 blz. 0001 - 0024


Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad

van 29 juni 2000

betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 175, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie(1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Volgens de procedure van artikel 251 van het Verdrag(3), in het licht van de gemeenschappelijke tekst zoals goedgekeurd op 5 mei 2000 door het Bemiddelingscomité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Er is vastgesteld dat de aanhoudende emissie van ozonafbrekende stoffen op de huidige niveaus aan de ozonlaag significante schade blijft toebrengen. De aantasting van de ozonlaag heeft in het zuidelijk halfrond in 1998 een ongekende hoogte bereikt. In drie voorjaren op vier heeft zich recentelijk een sterke afname van de ozonconcentraties boven het noordpoolgebied voorgedaan. De toename van de UV-B-straling als gevolg van de aantasting van de ozonlaag vormt een ernstige bedreiging voor de gezondheid en het milieu. Derhalve dienen nadere maatregelen te worden genomen om een afdoende bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu te waarborgen.

(2) De Gemeenschap is, gezien haar verantwoordelijkheden ten aanzien van het milieu en de handel, bij Beschikking 88/540/EEG(4) partij geworden bij het Verdrag van Wenen ter bescherming van de ozonlaag en bij het Protocol van Montreal betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, zoals dat door de partijen bij het protocol in hun tweede vergadering in Londen en voorts in hun vierde vergadering in Kopenhagen is gewijzigd.

(3) De partijen bij het Protocol van Montreal hebben in hun zevende vergadering in Wenen in december 1995 alsook in hun negende vergadering in Montreal in september 1997, waaraan de Gemeenschap heeft deelgenomen, aanvullende maatregelen ter bescherming van de ozonlaag vastgesteld.

(4) Op Gemeenschapsniveau dienen maatregelen te worden genomen om de verplichtingen van de Gemeenschap uit hoofde van het Verdrag van Wenen na te komen alsmede wegens de meest recente wijzigingen en aanpassingen van het Protocol van Montreal, met name om binnen de Gemeenschap de productie en het op de markt brengen van methylbromide geleidelijk te beëindigen en niet alleen voor de invoer maar ook voor de uitvoer van ozonafbrekende stoffen een vergunningensysteem in te voeren.

(5) In bepaalde gevallen dienen, aangezien de technologieën voor de vervanging van ozonafbrekende stoffen eerder dan verwacht beschikbaar zijn, tijdpaden voor geleidelijke eliminatie te worden gevolgd die strikter zijn dan die in Verordening (EG) nr. 3093/94 van de Raad van 15 december 1994 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken(5) en in het Protocol van Montreal.

(6) Verordening (EG) nr. 3093/94 moet ingrijpend worden gewijzigd; met het oog op juridische duidelijkheid en doorzichtigheid is het wenselijk deze verordening volledig te herzien.

(7) Krachtens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 3093/94 is de productie van chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan en broomfluorkoolwaterstoffen geleidelijk beëindigd. De productie van deze gereguleerde stoffen is derhalve verboden behoudens mogelijke afwijkingen voor essentiële toepassingen en om in de fundamentele binnenlandse behoeften van de partijen overeenkomstig artikel 5 van het Protocol van Montreal te voorzien. Nu dient ook het op de markt brengen en het gebruik van deze stoffen en van producten en apparatuur die deze stoffen bevatten, geleidelijk te worden verboden.

(8) De Commissie kan ook na de eliminatie van de gereguleerde stoffen onder bepaalde voorwaarden vrijstellingen voor essentiële toepassingen toestaan.

(9) Er komen steeds meer alternatieven voor methylbromide beschikbaar, hetgeen in vergelijking met het Protocol van Montreal tot een versnelde eliminatie van methylbromide moet leiden. Productie en verbruik van methylbromide moeten volledig worden gestopt, behoudens mogelijke afwijkingen voor specifieke kritische toepassingen bepaald op Gemeenschapsniveau volgens de criteria van het Protocol van Montreal. Het gebruik van methylbromide voor quarantainedoeleinden of toepassingen dient voorafgaand aan het vervoer aan controle te worden onderworpen. Dat gebruik mag de huidige niveaus niet te boven gaan en dient uiteindelijk te worden gereduceerd in het licht van technische ontwikkelingen en ontwikkelingen ingevolge het Protocol van Montreal.

(10) De productie van alle andere ozonafbrekende stoffen wordt bij Verordening (EG) nr. 3093/94 gereguleerd, doch niet die van chloorfluorkoolwaterstoffen. Die reglementering dient ook voor laatstgenoemde stoffen te geschieden om ervoor te zorgen dat het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen niet wordt voortgezet wanneer er alternatieven zonder ozonafbraak bestaan. De maatregelen voor de regulering van de productie van chloorfluorkoolwaterstoffen dienen door alle partijen bij het Protocol van Montreal te worden genomen. Bevriezing van de productie van chloorfluorkoolwaterstoffen doet uitkomen dat de noodzaak daartoe bestaat. De Gemeenschap is vastbesloten hierbij het voortouw te nemen. De geproduceerde hoeveelheden dienen te worden aangepast aan de beperkingen om chloorfluorkoolwaterstoffen in de Gemeenschap op de markt te brengen, en aan de wereldwijd afnemende vraag ten gevolge van de krachtens het Protocol van Montreal vereiste beperkingen in het chloorfluorkoolwaterstoffenverbruik.

(11) In artikel 2F, lid 7, van het Protocol van Montreal is bepaald dat de partijen ernaar streven te waarborgen dat het chloorfluorkoolwaterstoffengebruik wordt beperkt tot toepassingen waarvoor geen uit milieuoogpunt verkieslijke alternatieve stoffen of technologieën beschikbaar zijn. Het op de markt brengen en het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen en van chloorfluorkoolwaterstoffen bevattende producten kunnen in het licht van de beschikbaarheid van alternatieve en vervangingstechnologieën verder worden beperkt. Besluit nr. VI/13 van de conferentie der partijen bij het Protocol van Montreal bepaalt dat bij de evaluatie van alternatieven voor chloorfluorkoolwaterstoffen rekening dient te worden gehouden met factoren zoals ozonafbrekend vermogen, energie-efficiëntie, ontvlambaarheid, giftigheid, aardopwarmingspotentieel en potentieel effect op het feitelijke gebruik en de geleidelijke eliminatie van chloorfluorkoolstoffen en halonen. Controle op chloorfluorkoolwaterstoffen krachtens het Protocol van Montreal dient aanzienlijk te worden verscherpt om de ozonlaag te beschermen en om de beschikbaarheid van alternatieven weer te geven.

(12) Quota om gereguleerde stoffen in de Gemeenschap in het vrije verkeer te brengen, mogen slechts voor beperkte toepassingen van gereguleerde stoffen worden toegewezen. Gereguleerde stoffen en gereguleerde stoffen bevattende producten uit landen die geen partij zijn bij het Protocol van Montreal, dienen niet te worden ingevoerd.

(13) De vergunningenregeling voor gereguleerde stoffen dient in die zin te worden uitgebreid dat deze ook de uitvoer van gereguleerde stoffen omvat, teneinde op de handel in ozonafbrekende stoffen toezicht uit te oefenen en een uitwisseling van informatie tussen de partijen mogelijk te maken.

(14) Er dient in een bepaling te worden voorzien voor de terugwinning van gebruikte gereguleerde stoffen en ter voorkoming van lekkages van gereguleerde stoffen.

(15) Krachtens het Protocol van Montreal dient verslag te worden uitgebracht over de handel in ozonafbrekende stoffen. De producenten, de importeurs en de exporteurs van gereguleerde stoffen dienen derhalve tot jaarlijkse rapportage te worden verplicht.

(16) De voor de uitvoering van deze verordening vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(6).

(17) Besluit nr. X/8 van de tiende vergadering van de partijen bij het Protocol van Montreal moedigt partijen aan actief maatregelen te treffen, waar passend, om de productie en het in de handel brengen van nieuwe ozonafbrekende stoffen en in het bijzonder broomchloormethaan tegen te gaan. Daartoe dient te worden voorzien in een mechanisme om nieuwe stoffen onder de werking van deze verordening te brengen. Productie, invoer, in de handel brengen en gebruik van broomchloormethaan dienen te worden verboden.

(18) De omschakeling op nieuwe technologieën of alternatieve producten wegens de beoogde beëindiging van de productie of van het gebruik van gereguleerde stoffen zou vooral voor kleine en middelgrote bedrijven (KMO's) problemen kunnen geven; de lidstaten moeten derhalve overwegen de noodzakelijke omschakeling door passende steunmaatregelen met name voor KMO's te bevorderen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

INLEIDENDE BEPALINGEN

Artikel 1

Werkingssfeer

Deze verordening is van toepassing op de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, het gebruik, de terugwinning, de recycling en de regeneratie alsmede de vernietiging van chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen en chloorfluorkoolwaterstoffen, op de rapportage van gegevens over die stoffen en op de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van die stoffen bevattende producten en apparatuur.

Deze verordening is ook van toepassing op de productie, de invoer, het op de markt brengen en het gebruik van de in bijlage II genoemde stoffen.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

- "protocol": het Protocol van Montreal van 1987 betreffende stoffen die de ozonlaag afbreken, zoals laatstelijk gewijzigd en aangepast;

- "partij": een partij bij het protocol;

- "staat die geen partij is bij het protocol": in verband met een bepaalde gereguleerde stof, een staat of regionale organisatie voor economische integratie die er niet in heeft toegestemd te worden gebonden door de bepalingen van het protocol welke voor die stof van kracht zijn;

- "gereguleerde stoffen" : chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen en chloorfluorkoolwaterstoffen, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde stoffen betreft. In deze definitie zijn niet begrepen gereguleerde stoffen in een ander industrieproduct dan een houder voor het vervoer of de opslag van de betrokken stof en te verwaarlozen hoeveelheden van een gereguleerde stof die afkomstig zijn van onbedoelde of toevallige productie tijdens een fabricageproces, van grondstoffen die niet hebben gereageerd, of van het gebruik als technische hulpstof die als spoorverontreiniging in chemische stoffen aanwezig is of tijdens de vervaardiging of bewerking van producten wordt uitgestoten;

- "chloorfluorkoolstoffen": de gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, groep I, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen": de gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, groep II, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "halonen": de gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, groep III, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "tetrachloorkoolstof" : de gereguleerde stof in bijlage I, groep IV;

- "1,1,1-trichloorethaan": de gereguleerde stof in bijlage I, groep V;

- "methylbromide" : de gereguleerde stof in bijlage I, groep VI;

- "broomfluorkoolwaterstoffen": de gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, groep VII, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK's)": de gereguleerde stoffen die zijn opgenomen in bijlage I, groep VIII, met inbegrip van de isomeren ervan;

- "nieuwe stoffen": de stoffen, genoemd in bijlage II. Deze definitie bestrijkt stoffen afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde stoffen betreft. In deze definitie zijn niet begrepen stoffen in een ander industrieproduct dan een houder voor het vervoer of de opslag van de betrokken stof en te verwaarlozen hoeveelheden van een nieuwe stof die afkomstig zijn van onbedoelde of toevallige productie tijdens een fabricageproces of van grondstoffen die niet hebben gereageerd;

- "grondstof": een gereguleerde stof of nieuwe stof die van chemische samenstelling verandert tijdens een procédé waarbij zij volledig wordt omgezet en waarvan de emissies onbeduidend zijn;

- "technische hulpstoffen": gereguleerde stoffen die in op 1 september 1997 bestaande installaties als chemische hulpstoffen worden gebruikt bij de in bijlage VI genoemde toepassingen waarbij de emissie te verwaarlozen is. Rekening houdend met deze criteria stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 18, lid 2, een lijst van ondernemingen op die gereguleerde stoffen als technische hulpstof mogen gebruiken met maximumemissieniveaus voor iedere onderneming op de lijst. Zij kan bijlage VI alsmede bovengenoemde lijst van ondernemingen volgens de procedure van artikel 18, lid 2, wijzigen op grond van nieuwe gegevens of technische ontwikkelingen waaronder de toetsing die volgens Besluit nr. X/14 van de conferentie der partijen bij het Protocol van Montreal wordt verricht;

- "producent": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gereguleerde stoffen in de Gemeenschap vervaardigt;

- "productie": de geproduceerde hoeveelheid gereguleerde stoffen, verminderd met de hoeveelheid die met door de partijen goedgekeurde technieken is vernietigd, en verminderd met de hoeveelheid die geheel als grondstof of als technische hulpstof bij de vervaardiging van andere chemicaliën wordt gebruikt. Teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde hoeveelheden worden niet tot de "productie" gerekend;

- "ozonafbrekend vermogen": het getal in de derde kolom van bijlage I, dat het potentiële effect van elke gereguleerde stof op de ozonlaag weergeeft;

- "berekend niveau": een hoeveelheid die wordt bepaald door de hoeveelheid van elke gereguleerde stof te vermenigvuldigen met het ozonafbrekend vermogen van die stof, en voor elke groep gereguleerde stoffen van bijlage I afzonderlijk de aldus verkregen getallen bij elkaar op te tellen;

- "industriële rationalisering": de overdracht, van het gehele berekende productieniveau of een gedeelte daarvan van de ene producent aan een andere, tussen partijen of binnen een lidstaat, voor een beter economisch rendement of om te voorzien in verwachte tekorten in het aanbod ten gevolge van bedrijfssluitingen;

- "op de markt brengen": de levering aan derden of het te hunner beschikking stellen, tegen betaling of kosteloos, van in deze verordening begrepen gereguleerde stoffen of producten die gereguleerde stoffen bevatten;

- "gebruik": het gebruiken van gereguleerde stoffen bij de productie of het onderhoud, met name het navullen, van producten of apparatuur of bij andere procédés, met uitzondering van het gebruik als grondstof of technische hulpstof;

- "omkeerbaar klimaatregelings/warmtepompsysteem" : een samenstel van met elkaar verbonden, koelmiddel bevattende delen die samen één gesloten koelcircuit vormen, waarin het koelmiddel circuleert om warmte te onttrekken en af te geven (d.w.z. te koelen en te verwarmen), waarbij "omkeerbaar" inhoudt dat de verdampers en de condensors zodanig zijn ontworpen dat zij qua functie onderling verwisselbaar zijn;

- "actieve veredeling": een procedure zoals bepaald in artikel 114, lid 1, onder a), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek(7).

- "terugwinning": het verzamelen en opslaan van gereguleerde stoffen, bijvoorbeeld uit machines, apparatuur en insluitsystemen, tijdens het onderhoud of voorafgaand aan de verwijdering;

- "recycling" : het hergebruik van een teruggewonnen gereguleerde stof na een eenvoudig reinigingsproces zoals filteren en drogen. Voor koelmiddelen omvat recycling in de regel het terugbrengen in de apparatuur zoals dat veelal ter plaatse geschiedt;

- "regeneratie": de opwerking en veredeling van een teruggewonnen gereguleerde stof door middel van filteren, drogen, destilleren en chemische behandeling en dergelijke, zodat die stof weer aan een bepaalde kwaliteitsnorm voldoet, waarbij de bewerking veelal elders in een centrale installatie geschiedt;

- "onderneming": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de Gemeenschap voor industriële of commerciële doeleinden gereguleerde stoffen produceert, recycleert om ze op de markt te brengen of gebruikt, of die dergelijke stoffen in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengt, of die dergelijke stoffen voor industriële of commerciële doeleinden uit de Gemeenschap uitvoert.

HOOFDSTUK II

TIJDSCHEMA VOOR DE GELEIDELIJKE ELIMINATIE

Artikel 3

Beheersing van de productie van gereguleerde stoffen

1. Onverminderd de leden 5 tot en met 10 geldt een verbod op de productie van:

a) chloorfluorkoolstoffen,

b) andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen,

c) halonen,

d) tetrachloorkoolstof,

e) 1,1,1-trichloorethaan en

f) broomfluorkoolwaterstoffen.

In het licht van de voorstellen van de lidstaten bepaalt de Commissie ieder jaar volgens de procedure van artikel 18, lid 2, aan de hand van de criteria van Besluit nr. IV/25 van de partijen bij het Protocol van Montreal, voor welke essentiële toepassingen de productie en de invoer van de in de eerste alinea genoemde gereguleerde stoffen in de Gemeenschap kunnen worden toegestaan en welke gebruikers in aanmerking komen voor die essentiële toepassingen. Deze productie en invoer worden slechts toegestaan, indien er van geen van de partijen passende alternatieven of gerecycleerde dan wel geregenereerde stoffen, genoemd in de eerste alinea, te verkrijgen zijn.

2. i) Onverminderd de leden 5 tot en met 10 draagt elke producent er zorg voor dat:

a) het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in de periode van 1 januari tot en met 31 december 1999 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 75 % van het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in 1991;

b) het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2001 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 40 % van het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in 1991;

c) het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 25 % van het berekende niveau van zijn productie van methylbromide in 1991;

d) hij na 31 december 2004 geen methylbromide produceert;

de onder a), b), c) en d) berekende niveaus niet de hoeveelheid methylbromide omvatten die geproduceerd is voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer.

ii) In het licht van de voorstellen van de lidstaten past de Commissie volgens de procedure van artikel 18, lid 2, de criteria van Besluit nr. IX/6 van de partijen bij het Protocol van Montreal toe, samen met andere toepasselijke criteria die de partijen bij het Protocol van Montreal eventueel zijn overeengekomen, om ieder jaar te bepalen voor welke kritische toepassingen de productie, de invoer en het gebruik van methylbromide in de Gemeenschap na 31 december 2004 kan worden toegelaten, welke hoeveelheden en toepassingen toegelaten worden en voor welke gebruikers deze vrijstelling kan gelden. Die productie en invoer wordt slechts toegestaan, indien er van geen van de partijen bij het protocol passende alternatieven of gerecycleerd of geregenereerd methylbromide te verkrijgen zijn.

In noodgevallen kan de Commissie, op verzoek van de bevoegde instantie van een lidstaat, wanneer een onverwachte uitbraak van bepaalde plagen of ziekten zulks vereist, een tijdelijk gebruik van methylbromide toestaan. Zulk een toestemming geldt voor een periode van maximaal 120 dagen en een hoeveelheid van maximaal 20 ton.

3. Onverminderd de leden 8, 9 en 10 draagt elke producent er zorg voor dat:

a) het berekende niveau van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2000 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan dat van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in 1997;

b) het berekende niveau van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 35 % van dat van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in 1997;

c) het berekende niveau van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2014 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 20 % van dat van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in 1997;

d) het berekende niveau van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2020 en in elke periode van twaalf maanden daarna niet hoger is dan 15 % van dat van zijn productie van chloorfluorkoolwaterstoffen in 1997;

e) hij na 31 december 2025 geen chloorfluorkoolwaterstoffen produceert.

De Commissie evalueert vóór 1 januari 2003 het productieniveau voor chloorfluorkoolwaterstoffen teneinde te bepalen:

- of er nog vóór 2008 een productievermindering dient te worden voorgesteld,

- en/of een wijziging van de productieniveaus, vermeld onder b), c) en d), dient te worden voorgesteld.

Bij die evaluatie wordt met de wereldwijde ontwikkeling van het chloorfluorkoolwaterstofverbruik, de chloorfluorkoolwaterstofuitvoer uit de Gemeenschap en uit andere OESO-landen en de technische en economische beschikbaarheid van alternatieve stoffen of technieken, alsmede internationale ontwikkelingen terzake binnen het protocol rekening gehouden.

4. De Commissie geeft vergunningen af aan de gebruikers die overeenkomstig lid 1, tweede alinea, en lid 2, onderdeel ii), zijn geselecteerd, en deelt hun mede voor welke toepassing zij toestemming hebben verkregen, alsmede welke stoffen zij mogen gebruiken en in welke hoeveelheden.

5. Een producent kan van de bevoegde instantie van de lidstaat waarin zijn betrokken productie plaatsvindt, toestemming krijgen om de in de leden 1 en 2 genoemde gereguleerde stoffen te produceren teneinde te voldoen aan de vraag waarvoor overeenkomstig lid 4 een vergunning is verleend. De bevoegde instantie van de betrokken lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van haar voornemen om een dergelijke toestemming te verlenen.

6. Een producent kan van de bevoegde instantie van de lidstaat waar zijn betrokken productie plaatsvindt, toestemming krijgen om de in de leden 1 en 2 vastgestelde berekende niveaus van zijn productie te overschrijden teneinde te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van de partijen krachtens artikel 5 van het protocol, mits de bijkomende berekende productieniveaus van de betrokken lidstaat de voor dat doel bij de artikelen 2A tot en met 2E en artikel 2H van het protocol voor de betrokken perioden toegestane niveaus niet overschrijden. De bevoegde instantie van de lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van haar voornemen om een dergelijke toestemming te verlenen.

7. Voorzover het protocol dit toelaat, kan een producent van de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de betrokken productie plaatsvindt, toestemming krijgen om de in de leden 1 en 2 vastgestelde berekende niveaus van zijn productie te overschrijden teneinde op verzoek van partijen te voorzien in hun behoeften voor essentiële of kritische toepassingen. De bevoegde instantie van de betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van haar voornemen een dergelijke toestemming te verlenen.

8. Voorzover het protocol dit toelaat, kan een producent van de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de betrokken productie plaatsvindt, toestemming krijgen om de in de leden 1 tot en met 7 vastgestelde berekende niveaus van zijn productie met het oog op de industriële rationalisering binnen de betrokken lidstaat te overschrijden, mits de berekende niveaus van de productie van die lidstaat niet hoger zijn dan de som van de berekende productieniveaus van de binnenlandse producenten, die in de leden 1 tot en met 7 voor de betrokken perioden zijn vastgesteld. De bevoegde instantie van de betrokken lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van haar voornemen een dergelijke toestemming te verlenen.

9. Voorzover het protocol dit toelaat, kan de Commissie een producent, met instemming van de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de betrokken productie plaatsvindt, toestemming geven om de in de leden 1 tot en met 8 vastgestelde berekende niveaus van zijn productie met het oog op de industriële rationalisering tussen lidstaten te overschrijden, mits de som van de berekende productieniveaus van de betrokken lidstaten niet hoger is dan de som van de berekende productieniveaus van hun binnenlandse producenten, die in de leden 1 tot en met 8 voor de betrokken perioden zijn vastgesteld. Hiervoor is tevens de instemming vereist van de bevoegde instantie van de lidstaat waar de productie zal worden verlaagd.

10. Voorzover het protocol dit toelaat, kan de Commissie een producent, met instemming van zowel de bevoegde instantie van de lidstaat waar de betrokken productie van een producent plaatsvindt als de regering van de betrokken derde partij, toestemming geven om de in de leden 1 tot en met 9 vastgestelde berekende niveaus van zijn productie met het oog op een met een derde partij uit te voeren industriële rationalisering te combineren met de berekende productieniveaus die voor een producent in een derde partij zijn toegestaan krachtens het protocol en de nationale wetgeving, mits de som van de berekende productieniveaus van de twee producenten niet hoger is dan de som van de krachtens de leden 1 tot en met 9 voor de producent in de Gemeenschap toegestane berekende niveaus van zijn productie en de voor de producent in de derde partij krachtens het protocol en de nationale wetgeving toegestane berekende niveaus van zijn productie.

Artikel 4

Beheersing van het op de markt brengen en het gebruik van gereguleerde stoffen

1. Onverminderd de leden 4 en 5 is het op de markt brengen en het gebruik van de volgende gereguleerde stoffen verboden:

a) chloorfluorkoolstoffen;

b) andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen;

c) halonen;

d) tetrachloorkoolstof;

e) 1,1,1-trichloorethaan;

f) broomfluorkoolwaterstoffen.

De Commissie kan in afwijking van lid 1 op verzoek van een bevoegde autoriteit van een lidstaat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, een tijdelijke vrijstelling verlenen voor het gebruik van chloorfluorkoolstoffen in hermetisch gesloten implantaten voor het toedienen van afgemeten doses medicijnen tot en met 31 december 2004, en in bestaande militaire toepassingen tot en met 31 december 2008, indien aangetoond wordt dat er geen technisch en economisch haalbare alternatieve stoffen of technieken ter beschikking staan of gebruikt kunnen worden.

2. i) Onverminderd de leden 4 en 5 draagt elke producent en importeur er zorg voor dat:

a) het berekende niveau van het methylbromide dat hij in de periode van 1 januari tot en met 31 december 1999 en in elke periode van twaalf maanden daarna op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt niet hoger is dan 75 % van het berekende niveau van het methylbromide dat hij in 1991 op de markt heeft gebracht of voor eigen rekening heeft gebruikt;

b) het berekende niveau van het methylbromide dat hij in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2001 en in elke periode van twaalf maanden daarna op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt niet hoger is dan 40 % van het berekende niveau van het methylbromide dat hij in 1991 op de markt heeft gebracht of voor eigen rekening heeft gebruikt;

c) het berekende niveau van het methylbromide dat hij in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 en in elke periode van twaalf maanden daarna op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt niet hoger is dan 25 % van het berekende niveau van het methylbromide dat hij in 1991 op de markt heeft gebracht of voor eigen rekening heeft gebruikt;

d) hij na 31 december 2004 geen methylbromide op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt.

Voorzover het protocol dit toelaat, wordt door de Commissie ingevolge een verzoek van een bevoegde instantie van een lidstaat overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 2, het in artikel 3, lid 2, punt i), onderdeel c), en in bovenstaand onderdeel c) bedoelde berekende niveau van het methylbromide aangepast, wanneer is aangetoond dat dit noodzakelijk is om aan de behoeften van die lidstaat te voldoen omdat technisch en economisch haalbare alternatieven of vervangingsmiddelen die met het oog op milieu en gezondheid aanvaardbaar zijn, niet beschikbaar of bruikbaar zijn.

In overleg met de lidstaten stimuleert de Commissie zo spoedig mogelijk de ontwikkeling, inclusief onderzoek, en het gebruik van alternatieven voor methylbromide.

ii) Onverminderd lid 4 is het op de markt brengen en het gebruik van methylbromide door anderen dan de producenten of de importeurs na 31 december 2005 verboden.

iii) De in punt i), onderdelen a), b), c) en d), en punt ii) bedoelde hoeveelheden omvatten niet de hoeveelheid methylbromide die voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer is geproduceerd of ingevoerd. Van 1 januari tot en met 31 december 2001 en voor iedere periode van twaalf maanden daarna verzekert iedere producent en importeur dat het berekende niveau van het methylbromide dat hij voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt, niet meer bedraagt dan het gemiddelde van het berekende niveau van het methylbromide dat hij in de jaren 1996, 1997 en 1998 voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op de markt heeft gebracht of voor eigen rekening heeft gebruikt.

De lidstaten rapporteren ieder jaar aan de Commissie voor welke hoeveelheden methylbromide voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op hun grondgebied een vergunning is gegeven, voor welke doeleinden het methylbromide is gebruikt en welke vorderingen zijn gemaakt met de evaluatie en het gebruik van alternatieven.

De Commissie neemt, volgens de procedure van artikel 18, lid 2, maatregelen om het berekende niveau van het methylbromide dat de producenten en importeurs voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer op de markt mogen brengen of voor eigen rekening mogen gebruiken te verlagen in verband met de technische en economische verkrijgbaarheid van alternatieve stoffen of technieken en de internationale ontwikkelingen dienaangaande binnen het Protocol van Montreal.

iv) De totale kwantitatieve beperkingen voor het op de markt brengen en het gebruik voor eigen rekening door de producenten en importeurs van methylbromide zijn in bijlage III vervat.

3. i) Onverminderd de leden 4 en 5 en artikel 5, lid 5, geldt het volgende:

a) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 1999 en in de daaropvolgende periode van twaalf maanden op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken, is niet hoger dan de som van:

- 2,6 % van het berekende niveau van de chloorfluorkoolstoffen die producenten en importeurs in 1989 op de markt gebracht of voor eigen rekening gebruikt hebben, en

- het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in 1989 op de markt gebracht of voor eigen rekening gebruikt hebben;

b) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2001 op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken is niet hoger dan de som van:

- 2,0 % van het berekende niveau van de chloorfluorkoolstoffen die producenten en importeurs in 1989 op de markt gebracht of voor eigen rekening gebruikt hebben, en

- het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in 1989 op de markt gebracht of voor eigen rekening gebruikt hebben;

c) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2002 op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken is niet hoger dan 85 % van het overeenkomstig onderdeel b) berekende niveau;

d) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken is niet hoger dan 45 % van het overeenkomstig onderdeel b) berekende niveau;

e) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2004 en in elke periode van twaalf maanden daarna op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken, is niet hoger dan 30 % van het overeenkomstig onderdeel b) berekende niveau;

f) het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die producenten en importeurs in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2008 en in elke periode van twaalf maanden daarna op de markt brengen of voor eigen rekening gebruiken, is niet hoger dan 25 % van het overeenkomstig onderdeel b) berekende niveau;

g) na 31 december 2009 worden er door producenten en importeurs geen chloorfluorkoolwaterstoffen op de markt gebracht of voor eigen rekening gebruikt;

h) elke producent en importeur draagt er zorg voor dat het berekende niveau van de chloorfluorkoolwaterstoffen die hij in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2001 en in de periode van twaalf maanden daarna tot en met 31 december 2002 op de markt brengt, of voor eigen rekening gebruikt, uitgedrukt als percentage van de overeenkomstig de onderdelen a) tot en met c) berekende niveaus, niet hoger is dan zijn procentuele marktaandeel in 1996.

ii) Vóór 1 januari 2001 stelt de Commissie volgens de procedure van artikel 18, lid 2, een regeling in om aan elke producent en importeur van de onder d) tot en met f) vastgestelde berekende niveaus quota toe te wijzen, die in de periode van 1 januari tot en met 31 december 2003 en in elke periode van twaalf maanden daarna van toepassing zijn.

iii) De in dit lid bedoelde hoeveelheden hebben betrekking op de hoeveelheden nieuw geproduceerde chloorfluorstoffen die een producent op de markt brengt of voor eigen rekening gebruikt in de Gemeenschap en die in de Gemeenschap zijn geproduceerd of ingevoerd.

iv) De totale kwantitatieve beperkingen voor het op de markt brengen en het gebruik voor eigen rekening door de producenten en importeurs van chloorfluorkoolwaterstoffen zijn in bijlage III vervat.

4. i) a) De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op het op de markt brengen van gereguleerde stoffen, indien die binnen de Gemeenschap met door de partijen goedgekeurde technieken worden vernietigd;

b) De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing op het op de markt brengen en het gebruik van gereguleerde stoffen, indien die:

- als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt, of

- worden gebruikt om te voorzien in de behoeften van volgens artikel 3, lid 1, bepaalde gebruikers voor essentiële toepassingen waarvoor een vergunning is verleend, om te voorzien in de behoeften voor kritische toepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 2, toestemming is verleend, of om te voldoen aan de behoeften voor toepassingen in noodgevallen waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 2, punt ii), toestemming is verleend.

ii) Lid 1 is tot en met 31 december 1999 niet van toepassing op het op de markt brengen door anderen dan de producenten van gereguleerde stoffen voor het onderhoud van koel- en klimaatregelingsapparatuur.

iii) Lid 1 is tot en met 31 december 2000 niet van toepassing op het gebruik van gereguleerde stoffen voor het onderhoud van koel- en klimaatregelingsapparatuur of bij vingerafdrukprocédés.

iv) Lid 1, onder c), is niet van toepassing op het op de markt brengen en het gebruik van teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde halonen in bestaande brandbeveiligingssystemen tot en met 31 december 2002 en evenmin op het op de markt brengen en het gebruik van halonen voor kritische toepassingen zoals bepaald in bijlage VII. De bevoegde autoriteit van de lidstaat stelt de Commissie ieder jaar in kennis van de hoeveelheden halonen die gebruikt zijn voor kritische toepassingen, de getroffen maatregelen ter beperking van de emissies van halonen en de geschatte hoeveelheid emissies, en deelt haar mee welke activiteiten gaande zijn om geschikte alternatieven te vinden en te gebruiken. De Commissie toetst de kritische toepassingen, genoemd in bijlage VII, ieder jaar en stelt zo nodig volgens de procedure van artikel 18, lid 2, wijzigingen vast.

v) Behoudens voor de in bijlage VII genoemde toepassingen worden halonen bevattende brandbeveiligingssystemen en blusapparaten voor 1 januari 2004 buiten gebruik gesteld onder terugwinning van de halonen in overeenstemming met artikel 16.

5. Een producent of importeur die gerechtigd is in dit artikel bedoelde gereguleerde stoffen op de markt te brengen of voor eigen rekening te gebruiken, mag dat recht ten aanzien van de overeenkomstig dit artikel vastgestelde hoeveelheid van die groep stoffen geheel of gedeeltelijk aan een andere producent of importeur van die groep stoffen binnen de Gemeenschap overdragen. Dergelijke overdrachten worden aan de Commissie vooraf medegedeeld. De overdracht van het recht om stoffen op de markt te brengen of te gebruiken, houdt geen bijkomend recht op productie of invoer in.

6. De invoer en het op de markt brengen van producten en apparatuur die chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan en broomfluorkoolwaterstoffen bevatten is verboden, met uitzondering van producten en apparatuur waarvoor het gebruik van de respectieve gereguleerde stoffen overeenkomstig artikel 3, lid 1, tweede alinea, is toegestaan of in bijlage VII genoemd is. Dit verbod geldt niet voor producten en apparatuur waarvan is aangetoond dat zij vóór de inwerkingtreding van deze verordening zijn geproduceerd.

Artikel 5

Beheersing van het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen

1. Het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen is onder de volgende voorwaarden verboden:

a) in aërosolen;

b) als oplosmiddel:

i) in open systemen, zoals open reinigers en open ontwateringssystemen zonder gekoelde zone, in kleefmiddelen en vormsmeermiddelen indien niet in een gesloten systeem gebruikt, voor afvoerreiniging indien de chloorfluorkoolwaterstoffen niet worden teruggewonnen;

ii) met ingang van 1 januari 2002 voor alle toepassingen met uitzondering van precisiereiniging van elektrische en andere componenten in luchtvaart- en ruimtevaarttoepassingen, waarvoor het verbod op 1 januari 2009 in werking treedt;

c) als koelmiddel:

i) in na 31 december 1995 vervaardigde apparatuur voor de volgende toepassingen:

- open systemen met rechtstreekse verdamping;

- huishoudelijke koelkasten en diepvriezers;

- systemen voor klimaatregeling in motorvoertuigen, trekkers, terreinwagens en aanhangwagens, ongeacht de energiebron, behoudens militaire toepassingen, waarvoor het verbod op 1 januari 2009 in werking treedt;

- systemen voor klimaatregeling in het openbaar vervoer over de weg;

ii) in na 31 december 1997 vervaardigde apparatuur voor klimaatregeling in het openbaar vervoer per spoor;

iii) met ingang van 1 januari 2000, in na 31 december 1999 vervaardigde apparatuur voor de volgende toepassingen:

- in openbare of voor de distributie gebruikte koelhuizen en pakhuizen;

- in apparatuur met een asvermogen van 150 kW of meer;

iv) met ingang van 1 januari 2001 in alle andere na 31 december 2000 vervaardigde koel- en klimaatregelingsapparatuur, met uitzondering van vaste klimaatregelingsapparatuur met een koelvermogen van minder dan 100 kW, waarvoor het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen met ingang van 1 juli 2002 verboden is voor na 30 juni 2002 geproduceerde apparatuur, en omkeerbare klimaatregelings-/warmtepompsystemen waarvoor het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen met ingang van 1 januari 2004 is verboden in alle na 31 december 2003 vervaardigde apparatuur;

v) met ingang van 1 januari 2010 is het gebruik van nieuw geproduceerde chloorfluorkoolwaterstoffen voor onderhoud van op die datum bestaande koel- en klimaatregelingsapparatuur verboden; met ingang van 1 januari 2015 zijn alle chloorfluorkoolwaterstoffen verboden;

Vóór 1 januari 2009 onderzoekt de Commissie de technische en economische beschikbaarheid van alternatieven voor gerecycleerde chloorfluorkoolwaterstoffen.

Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van technisch en economisch haalbare alternatieven voor chloorfluorkoolwaterstoffen in bestaande koelapparatuur, teneinde het onrechtmatig dumpen van apparatuur te voorkomen.

In aanmerking komende alternatieven moeten aanzienlijk minder schadelijke gevolgen voor het milieu hebben dan chloorfluorkoolwaterstoffen.

De Commissie dient het resultaat van het onderzoek in bij het Europees Parlement en de Raad. In voorkomend geval besluit zij overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 2, of de datum van 1 januari 2015 moet worden bijgesteld.

d) voor de vervaardiging van schuim:

i) voor de vervaardiging van alle soorten schuim behoudens integraalschuim voor veiligheidstoepassingen en isolerend hardschuim;

ii) met ingang van 1 oktober 2000 voor de vervaardiging van integraalschuim voor veiligheidstoepassingen en polyethyleenhardschuim;

iii) met ingang van 1 januari 2002 voor de vervaardiging van geëxtrudeerd isolerend polystyreenhardschuim, behalve bij gebruik voor geïsoleerd vervoer;

iv) met ingang van 1 januari 2003 voor de vervaardiging van polyurethaanschuim voor apparatuur, polyurethaan-laminaatschuim met een flexibel oppervlak en polyurethaansandwichpanelen, behalve, in de laatste twee gevallen, bij gebruik voor geïsoleerd vervoer;

v) met ingang van 1 januari 2004 voor de vervaardiging van elk schuim, met inbegrip van polyurethaanspuitschuim en polyurethaanschuimisolatieplaten;

e) als draaggas voor sterilisatiemiddelen in gesloten systemen in na 31 december 1997 vervaardigde apparatuur;

f) voor alle overige toepassingen.

2. In afwijking van lid 1 wordt het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen toegestaan:

a) in laboratoria, met inbegrip van werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling;

b) als grondstof bij de vervaardiging van andere chemische stoffen;

c) als technische hulpstof.

3. In afwijking van lid 1 kan het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen als blusmiddel in bestaande brandbeveiligingsapparatuur onder de volgende voorwaarden ter vervanging van halonen in de in bijlage VII vermelde toepassingen toegelaten worden:

- de in die brandbeveiligingsapparatuur aanwezige halonen worden geheel vervangen;

- de verwijderde halonen worden vernietigd;

- 70 % van de vernietigingskosten wordt gedragen door de leverancier van de chloorfluorkoolwaterstoffen;

- de lidstaten die gebruikmaken van deze bepaling stellen de Commissie ieder jaar op de hoogte van het aantal installaties en de hoeveelheden halonen waar het om gaat.

4. De invoer en het op de markt brengen van chloorfluorkoolwaterstoffen bevattende producten en apparatuur waarvoor krachtens dit artikel een gebruiksbeperking geldt, is verboden met ingang van de datum waarop de gebruiksbeperking van kracht wordt. Dit verbod geldt niet voor producten en apparatuur waarvan kan worden aangetoond dat zij vóór de datum van die gebruiksbeperking zijn vervaardigd.

5. Tot en met 31 december 2009 zijn de gebruiksbeperkingen krachtens dit artikel niet van toepassing op het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen voor de vervaardiging van producten die worden uitgevoerd naar landen waar het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen in die producten nog is toegestaan.

6. De Commissie kan de in lid 1 vermelde lijst en data volgens de procedure van artikel 18, lid 2, wijzigen, in het licht van de met de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring of om rekening te houden met de vooruitgang van de techniek, maar kan de daarin vastgelegde perioden in geen geval overschrijden, onverminderd de afwijkingen waarin in lid 7 is voorzien.

7. De Commissie kan op verzoek van een bevoegde instantie van een lidstaat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, een tijdelijke vrijstelling verlenen om het gebruik en het op de markt brengen van chloorfluorkoolwaterstoffen in afwijking van lid 1 en artikel 4, lid 3, toe te staan, wanneer wordt aangetoond dat voor een specifiek gebruik geen stoffen of technologieën als technisch en economisch haalbaar alternatief beschikbaar zijn of kunnen worden gebruikt. De Commissie stelt de lidstaten onverwijld in kennis van alle verleende vrijstellingen.

HOOFDSTUK III

HANDELSREGELING

Artikel 6

Vergunning voor de invoer uit niet-lidstaten

1. Het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen of de actieve veredeling van gereguleerde stoffen is onderworpen aan de voorlegging van een invoervergunning. Deze vergunningen worden door de Commissie afgegeven, nadat is nagegaan of aan de artikelen 6, 7, 8 en 13 is voldaan. De Commissie zendt van elke vergunning een afschrift aan de bevoegde instantie van de lidstaat waarin de betrokken stoffen zullen worden ingevoerd. Elke lidstaat wijst hiertoe een bevoegde instantie aan. De gereguleerde stoffen van de groepen I, II, III, IV en V van bijlage I worden niet voor actieve veredeling ingevoerd.

2. Wanneer de vergunning betrekking heeft op een procedure voor actieve veredeling, wordt deze slechts afgegeven indien de gereguleerde stoffen binnen het douanegebied van de Gemeenschap volgens het in artikel 114, lid 2, punt a), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 bedoelde systeem inzake schorsing worden gebruikt en mits de veredelingsproducten worden wederuitgevoerd naar een staat waar voor de vervaardiging, het verbruik en de invoer van die gereguleerde stof geen verbod geldt. De vergunning wordt slechts afgegeven na goedkeuring door de bevoegde instantie van de lidstaat waar de actieve veredeling zal geschieden.

3. In een aanvraag om een vergunning worden vermeld:

a) naam en adres van de importeur en die van de exporteur;

b) het land van uitvoer;

c) het land van eindbestemming indien de gereguleerde stoffen krachtens de in lid 2 bedoelde procedure voor actieve veredeling binnen het douanegebied van de Gemeenschap zullen worden gebruikt;

d) een omschrijving van elke gereguleerde stof met vermelding van:

- de handelsbenaming,

- de omschrijving en de GN-code, zoals opgenomen in bijlage IV,

- de aard van de stof (nieuw geproduceerd, teruggewonnen of geregenereerd),

- de hoeveelheid van de stof, uitgedrukt in kilogram;

e) het doel van de voorgenomen invoer;

f) indien bekend, plaats en datum van de voorgenomen invoer en, voorzover van toepassing, eventuele wijzigingen in die gegevens.

4. De Commissie kan een certificaat verlangen waarin de aard van de in te voeren stoffen wordt vermeld.

5. De Commissie kan volgens de procedure van artikel 18, lid 2, in de lijst van lid 3 en in bijlage IV wijzigingen aanbrengen.

Artikel 7

Invoer van gereguleerde stoffen uit derde landen

Het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van uit derde landen ingevoerde gereguleerde stoffen is aan kwantitatieve beperkingen onderworpen. Die beperkingen worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18, lid 2, voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 1999, en voor elke periode van twaalf maanden nadien, en aan ondernemingen worden quota toegewezen. Deze toewijzing gebeurt slechts:

a) voor gereguleerde stoffen, genoemd in bijlage I, van de groepen VI en VIII,

b) voor gereguleerde stoffen indien die voor essentiële of kritische toepassingen, dan wel voor quarantainedoeleinden of toepassingen voorafgaand aan het vervoer worden gebruikt,

c) voor gereguleerde stoffen indien die als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt of

d) voor teruggewonnen gereguleerde stoffen indien die met gebruikmaking van door de partijen goedgekeurde technologieën voor vernietiging in de Gemeenschap worden gebruikt.

Artikel 8

Invoer van gereguleerde stoffen uit staten die niet partij bij het protocol zijn

Het is verboden in de Gemeenschap gereguleerde stoffen in het vrije verkeer te brengen, of voor actieve veredeling vrij te geven, die zijn ingevoerd uit een staat die niet partij bij het protocol is.

Artikel 9

Invoer van gereguleerde stoffen bevattende producten uit staten die niet partij bij het protocol zijn

1. Het is verboden in de Gemeenschap gereguleerde stoffen bevattende producten en apparatuur in het vrije verkeer te brengen die zijn ingevoerd uit staten die niet partij bij het protocol zijn.

2. Als richtsnoer voor de douanediensten van de lidstaten bevat bijlage V een lijst met gereguleerde stoffen bevattende producten en de desbetreffende codes van de gecombineerde nomenclatuur. De Commissie kan in het licht van de door de partijen opgestelde lijsten volgens de procedure van artikel 18, lid 2, in deze lijst aanvullingen en wijzigingen aanbrengen, dan wel onderdelen daaruit schrappen.

Artikel 10

Invoer van met gereguleerde stoffen vervaardigde producten uit staten die niet partij bij het protocol zijn

In het licht van het besluit van de partijen stelt de Raad, op voorstel van de Commissie, voorschriften vast voor het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van producten die uit een niet partij bij het protocol zijnde staat zijn ingevoerd en die met gereguleerde stoffen zijn vervaardigd doch geen stoffen bevatten welke met zekerheid als gereguleerde stoffen kunnen worden geïdentificeerd. De bepaling van dergelijke producten geschiedt aan de hand van geregelde technische aanwijzingen aan de partijen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Artikel 11

Uitvoer van gereguleerde stoffen of gereguleerde stoffen bevattende producten

1. Het is verboden chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan en broomfluorkoolwaterstoffen of producten en apparatuur, andere dan persoonlijke goederen, welke die stoffen bevatten of nodig zullen hebben om in werking te blijven, uit de Gemeenschap uit te voeren. Dit verbod geldt niet voor de uitvoer van:

a) gereguleerde stoffen waarvan de productie op grond van artikel 3, lid 6, is toegestaan om te voorzien in de fundamentele binnenlandse behoeften van partijen overeenkomstig artikel 5 van het protocol;

b) gereguleerde stoffen of die stoffen bevattende producten en apparatuur, geproduceerd ingevolge artikel 3, lid 7, om te voorzien in de behoeften van de partijen voor essentiële of kritische toepassingen;

c) gereguleerde stoffen bevattende producten en apparatuur, geproduceerd ingevolge artikel 3, lid 5, of ingevoerd ingevolge artikel 7, onder b);

d) halonen bevattende producten en apparatuur, om te voorzien in de behoeften voor de in bijlage VII genoemde kritische toepassingen;

e) gereguleerde stoffen, bestemd voor gebruik als grondstof of hulpstof.

2. Het is verboden methylbromide uit de Gemeenschap uit te voeren naar een staat die geen partij is bij het protocol.

3. Met ingang van 1 januari 2004 is het verboden uit de Gemeenschap chloorfluorkoolwaterstoffen uit te voeren naar een geen partij bij het protocol zijnde staat. De Commissie bestudeert de voormelde datum overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 2, en in het licht van internationale ontwikkelingen dienaangaande binnen het protocol, en wijzigt deze zo nodig.

Artikel 12

Uitvoervergunning

1. De uitvoer van gereguleerde stoffen uit de Gemeenschap is aan een vergunning gebonden. Een uitvoervergunning wordt voor de periode van 1 januari tot en met 31 december 2001 en voor elke periode van twaalf maanden nadien door de Commissie aan ondernemingen afgegeven, nadat is nagegaan of aan artikel 11 is voldaan. De Commissie zendt een afschrift van elke uitvoervergunning aan de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat.

2. Een aanvraag om een uitvoervergunning behelst:

a) de naam en het adres van de exporteur en de producent, indien niet identiek;

b) een omschrijving van de voor uitvoer bestemde gereguleerde stof(fen) met vermelding van:

- de handelsbenaming,

- de omschrijving en de GN-code, zoals opgenomen in bijlage IV,

- de aard van de stof (nieuw geproduceerd, teruggewonnen of geregenereerd);

c) de totale hoeveelheid van de uit te voeren stof;

d) het/de land(en) van eindbestemming van de gereguleerde stof(fen);

e) het doel van de uitvoer.

3. Iedere exporteur stelt de Commissie in kennis van alle wijzigingen die zich ten opzichte van de volgens lid 2 meegedeelde gegevens gedurende de geldigheid van de vergunning voordoen. Iedere exporteur rapporteert aan de Commissie overeenkomstig artikel 19.

Artikel 13

Uitzonderlijke toestemming voor handel met staten die niet partij bij het protocol zijn

In afwijking van artikel 8, artikel 9, lid 1, artikel 10 en artikel 11, leden 2 en 3, kan de Commissie voor handel in gereguleerde stoffen en in een of meer van die stoffen bevattende of daarmee vervaardigde producten met een niet partij bij het protocol zijnde staat toestemming verlenen, voorzover in een vergadering van de partijen is vastgesteld dat die staat volledig aan het protocol voldoet en daaromtrent de in artikel 7 van het protocol gespecificeerde gegevens heeft verstrekt. De Commissie besluit volgens de procedure van artikel 18, lid 2.

Artikel 14

Handel met een niet door het protocol bestreken gebied

1. Onverminderd een krachtens lid 2 genomen besluit, gelden de bepalingen van de artikelen 8 en 9 en van artikel 11, leden 2 en 3, voor een niet door het protocol bestreken gebied, op dezelfde wijze als voor een staat die niet partij bij het protocol is.

2. Indien de autoriteiten van een niet door het protocol bestreken gebied volledig aan het protocol hebben voldaan en daaromtrent de in artikel 7 van het protocol gespecificeerde gegevens hebben verstrekt, kan de Commissie besluiten dat sommige of alle bepalingen van de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening niet voor dat gebied van toepassing zijn.

De Commissie besluit volgens de procedure van artikel 18, lid 2.

Artikel 15

Kennisgeving

De Commissie stelt de lidstaten onmiddellijk op de hoogte van maatregelen die zij eventueel neemt overeenkomstig de artikelen 6, 7, 9, 12, 13 en 14.

HOOFDSTUK IV

EMISSIEBEHEERSING

Artikel 16

Terugwinning van gebruikte gereguleerde stoffen

1. Gereguleerde stoffen in

- koelapparatuur, klimaatregelingsapparatuur en warmtepompsystemen, behoudens huishoudelijke koelkasten en diepvrieskasten,

- apparatuur die oplosmiddelen bevat,

- systemen voor brandbeveiliging en brandblusapparaten,

worden bij het onderhoud van de apparatuur of voor de ontmanteling of verwijdering daarvan teruggewonnen voor vernietiging met door de partijen goedgekeurde technieken of met een andere uit milieuoogpunt aanvaardbare vernietigingstechniek.

2. Gereguleerde stoffen in huishoudelijke koelkasten en diepvrieskasten worden na 31 december 2001 teruggewonnen en op de vorenvermelde wijze behandeld.

3. Gereguleerde stoffen in andere dan de in lid 1 en lid 2 genoemde producten, installaties en apparatuur worden teruggewonnen, indien dat uitvoerbaar is, en op de in lid 1 bedoelde wijze behandeld.

4. Gereguleerde stoffen worden niet in wegwerpverpakkingen op de markt gebracht, behoudens voor essentiële toepassingen.

5. De lidstaten nemen maatregelen om de terugwinning, recycling, regeneratie en vernietiging van gereguleerde stoffen te bevorderen en stellen de gebruikers, koelingtechnici en overige betrokkenen verantwoordelijk voor de naleving van het bepaalde in lid 1. De lidstaten bepalen de minimumopleidingseisen waaraan het aldaar werkzame personeel moet voldoen. Uiterlijk 31 december 2001 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over de programma's die verband houden met de voornoemde opleidingseisen. De Commissie beoordeelt de door de lidstaten getroffen maatregelen. In het licht van die beoordeling alsmede technische en andere van belang zijnde gegevens stelt de Commissie zo nodig maatregelen voor betreffende de minimumopleidingseisen waaraan moet worden voldaan.

6. De lidstaten brengen uiterlijk op 31 december 2001 bij de Commissie verslag uit over de regelingen die voor de terugwinning van gebruikte gereguleerde stoffen zijn ingevoerd en de hoeveelheden gebruikte gereguleerde stoffen die zijn teruggewonnen, gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd.

7. Deze bepaling laat Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen(8) en de krachtens artikel 2, lid 2, van die richtlijn vastgestelde maatregelen onverlet.

Artikel 17

Lekkage van gereguleerde stoffen

1. Alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekkage van gereguleerde stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken. Met name vaste apparatuur met meer dan 3 kg koelvloeistof wordt jaarlijks op lekkage gecontroleerd. De lidstaten bepalen de minimumopleidingseisen waaraan het betrokken personeel moet voldoen. Uiterlijk op 31 december 2001 brengen de lidstaten aan de Commissie verslag uit over de programma's die verband houden met de voornoemde opleidingseisen. De Commissie beoordeelt de door de lidstaten getroffen maatregelen. In het licht van die beoordeling alsmede technische en andere van belang zijnde gegevens stelt de Commissie zo nodig maatregelen voor betreffende die minimumopleidingseisen.

De Commissie bevordert de opstelling van Europese normen voor de beheersing van lekkages en de terugwinning van stoffen die lekken uit klimaatregelingsapparatuur en koelapparatuur in handel en industrie, brandbeveiligingssystemen en apparatuur die oplosmiddelen bevat, en zo nodig ook voor technische eisen aan de lekdichtheid van koelsystemen.

2. Alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekkage van methylbromide bij installaties en werkzaamheden voor ontsmetting waarbij methylbromide wordt gebruikt te voorkomen of tot een minimum te beperken. Wanneer methylbromide gebruikt wordt bij bodemontsmetting, is gebruik van een folie dat gedurende voldoende lange tijd zo goed als ondoorlatend is, of een andere techniek die een ten minste even hoog niveau van milieubescherming biedt, verplicht. De lidstaten stellen de minimumopleidingseisen voor het betrokken personeel vast.

3. Alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekkage van gereguleerde stoffen die als grondstof of technische hulpstof in chemicaliën worden gebruikt te voorkomen of tot een minimum te beperken.

4. Alle uitvoerbare voorzorgsmaatregelen worden getroffen om lekkage van gereguleerde stoffen die onopzettelijk bij de vervaardiging van andere chemicaliën worden geproduceerd te voorkomen of tot een minimum te beperken.

5. De Commissie stelt zo nodig instructies op met een beschrijving van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken voor het voorkomen en zoveel mogelijk beperken van lekkage en emissie van gereguleerde stoffen, en draagt zorg voor de verspreiding daarvan.

HOOFDSTUK V

COMITÉ, RAPPORTAGE, INSPECTIE EN STRAFFEN

Artikel 18

Comité

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8 van dat besluit.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op een maand.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 19

Rapportage

1. Elke producent, importeur en exporteur van gereguleerde stoffen verstrekt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat voor elke gereguleerde stof jaarlijks vóór 31 maart over de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorafgaande jaar de hieronder vermelde gegevens.

De vorm van dat rapport wordt volgens de procedure van artikel 18, lid 2, vastgesteld.

a) Iedere producent verstrekt de volgende gegevens:

- zijn totale productie voor elke gereguleerde stof;

- de in de Gemeenschap op de markt gebrachte of voor eigen rekening van de producent gebruikte geproduceerde hoeveelheden, gesplitst naar productie voor grondstof, technische hulpstof, quarantainedoeleinden, toepassingen voorafgaand aan het vervoer of andere toepassingen;

- de productie om te voorzien in de behoeften voor essentiële toepassingen in de Gemeenschap waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 4, vergunning is verleend;

- de productie om in de fundamentele binnenlandse behoeften van de partijen overeenkomstig artikel 5 van het protocol, waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 6, toestemming is verleend, te voorzien;

- de productie om in de essentiële of kritische toepassingen van de partijen waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 7, toestemming is verleend, te voorzien;

- een toename van de productie waarvoor in verband met industriële rationalisering krachtens artikel 3, leden 8, 9 en 10, toestemming is verleend;

- de hoeveelheden die zijn gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd;

- de voorraden.

b) Iedere importeur, met inbegrip van tevens invoerende producenten, verstrekt de volgende gegevens:

- de in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden, uitgesplitst naar invoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële of kritische toepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 3, lid 4, vergunning is verleend voor gebruik bij quarantainemaatregelen en toepassingen voorafgaand aan het vervoer en voor vernietiging;

- de hoeveelheden gereguleerde stoffen die onder de actieve veredelingsprocedure in de Gemeenschap zijn ingevoerd;

- de hoeveelheden gebruikte gereguleerde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn ingevoerd;

- de voorraden.

c) Iedere exporteur, met inbegrip van tevens uitvoerende producenten, verstrekt de volgende gegevens:

- de hoeveelheden uit de Gemeenschap uitgevoerde gereguleerde stoffen, met inbegrip van stoffen die onder de actieve veredelingsprocedure zijn ingevoerd, uitgesplitst naar uitvoer naar verschillende landen van bestemming, en naar uitvoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële toepassingen, voor kritische toepassingen, voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer, om in de fundamentele binnenlandse behoeften van de partijen overeenkomstig artikel 5 van het Protocol te voorzien, en voor vernietiging;

- de hoeveelheden gebruikte gereguleerde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn uitgevoerd;

- de voorraden.

2. De douanediensten van de lidstaten zenden de afgestempelde gebruikte vergunningsdocumenten elk jaar vóór 31 december aan de Commissie terug.

3. Elke gebruiker die volgens artikel 3, lid 1, toestemming heeft verkregen om van een vrijstelling voor essentiële toepassingen gebruik te maken, deelt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat jaarlijks vóór 1 maart voor alle stoffen waarvoor hij toestemming heeft verkregen, mee waarvoor die zijn gebruikt, welke hoeveelheden hij het voorgaande jaar heeft gebruikt, welke hoeveelheden hij in voorraad heeft, gerecycleerd of vernietigd heeft en welke hoeveelheden die stoffen bevattende producten hij op de communautaire markt gebracht en/of uitgevoerd heeft.

4. Elke onderneming die toestemming heeft verkregen om gereguleerde stoffen als technische hulpstof te gebruiken, deelt de Commissie jaarlijks vóór 1 maart de tijdens het voorgaande jaar gebruikte hoeveelheden en een raming van de emissies tijdens het gebruik mee.

5. De Commissie neemt passende maatregelen om het vertrouwelijke karakter van de op grond van dit artikel verkregen gegevens te beschermen.

6. Teneinde de in het kader van het protocol aangegane verbintenissen na te komen of de praktische toepassing van de rapportagevoorschriften te verbeteren, kan de Commissie overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 2, de in de leden 1 tot en met 4 vervatte rapportagevoorschriften wijzigen.

Artikel 20

Inspectie

1. Bij de uitvoering van de haar ingevolge deze verordening opgelegde taken kan de Commissie van de regeringen en de bevoegde instanties van de lidstaten en van ondernemingen alle benodigde gegevens verlangen.

2. Wanneer de Commissie een onderneming om gegevens verzoekt, zendt zij tegelijkertijd met het verzoek een afschrift aan de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan het hoofdkantoor van de onderneming is gevestigd, alsmede een verklaring waaruit blijkt waarom deze gegevens worden gevraagd.

3. De bevoegde instanties van de lidstaten stellen het onderzoek in dat de Commissie op grond van deze verordening nodig acht. De lidstaten voeren tevens steekproefcontroles uit met betrekking tot de invoer van gereguleerde stoffen en stellen de Commissie in kennis van het programma en de bevindingen van deze controles.

4. Indien de Commissie en de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan het onderzoek moet worden verricht, ermee instemmen, staan de ambtenaren van de Commissie die van genoemde instantie bij de uitvoering van hun taak bij.

5. De Commissie neemt passende maatregelen om adequate uitwisseling van informatie en samenwerking tussen de nationale instanties onderling alsmede tussen de nationale instanties en de Commissie te bevorderen. De Commissie neemt passende maatregelen om het vertrouwelijk karakter van de op grond van dit artikel verkregen gegevens te beschermen.

Artikel 21

Straffen

De lidstaten bepalen de straffen die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening. De straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2000 van die bepalingen in kennis en delen haar latere wijzigingen zo spoedig mogelijk mee.

HOOFDSTUK VI

NIEUWE STOFFEN

Artikel 22

Nieuwe stoffen

1. Behoudens lid 3 is de productie, het in het vrije verkeer brengen of vrijgeven voor actieve veredeling, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen, genoemd in bijlage II, verboden.

2. De Commissie doet zo nodig voorstellen om andere dan reeds gereguleerde stoffen in bijlage II op te nemen, waarvan de wetenschappelijke beoordelingsgroep van het Protocol van Montreal heeft vastgesteld dat zij een significant ozonafbrekend vermogen bezitten, of om vrijstellingen van lid 1 te verlenen.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Intrekking

Verordening (EG) nr. 3093/94 wordt per 1 oktober 2000 ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 24

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 oktober 2000.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 29 juni 2000.

Voor het Europees Parlement

De voorzitster

N. Fontaine

Voor de Raad

De voorzitter

M. Marques da Costa

(1) PB C 286 van 15.9.1998, blz. 6, en

PB C 83 van 25.3.1999, blz. 4.

(2) PB C 40 van 15.2.1999, blz. 34.

(3) Advies van het Europees Parlement van 17 december 1998 (PB C 98 van 9.4.1999, blz. 266), bevestigd op 16 september 1999, gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 23 februari 1999 (PB C 123 van 4.5.1999, blz. 28) en besluit van het Europees Parlement van 15 december 1999 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad). Besluit van het Europees Parlement van 13 juni 2000 en besluit van de Raad van 16 juni 2000.

(4) PB L 297 van 31.10.1988, blz. 8.

(5) PB L 333 van 22.12.1994, blz. 1.

(6) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(7) PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 955/1999 (PB L 119 van 7.5.1999, blz. 1).

(8) PB L 194 van 25.7.1975, blz. 39. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 96/350/EG van de Commissie (PB L 135 van 6.6.1996, blz. 32).

BIJLAGE I

Onder de verordening vallende gereguleerde stoffen

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

Nieuwe stoffen

Broomchloormethaan

BIJLAGE III

Totale kwantitatieve beperkingen voor het op de markt brengen en het gebruik voor eigen rekening van gereguleerde stoffen door de producenten en importeurs in de Gemeenschap

(berekende niveaus uitgedrukt in ton ODP)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

Codes en omschrijvingen van de gecombineerde nomenclatuur van 1999 (GN 99) voor de in de bijlagen I en III genoemde stoffen per groep

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

Codes van de gecombineerde nomenclatuur (GN) voor producten die gereguleerde stoffen bevatten(1)

1. Automobielen en vrachtwagens voorzien van klimaatregelingsinstallaties

GN-codes

8701 20 10 - 8701 90 90

8702 10 11 - 8702 90 90

8703 10 11 - 8703 90 90

8704 10 11 - 8704 90 00

8705 10 00 - 8705 90 90

8706 00 11 - 8706 00 99

2. Koel- en klimaatregeling/warmtepompapparatuur voor huishoudelijk en commercieel gebruik

Koelkasten:

GN-codes

8418 10 10 - 8418 29 00

8418 50 11 - 8418 50 99

8418 61 10 - 8418 69 99

Vrieskisten en vrieskasten:

GN-codes

8418 10 10 - 8418 29 00

8418 30 10 - 8418 30 99

8418 40 10 - 8418 40 99

8418 50 11 - 8418 50 99

8418 61 10 - 8418 61 90

8418 69 10 - 8418 69 99

Toestellen voor het onttrekken van vocht aan de lucht:

GN-codes

8415 10 00 - 8415 83 90

8479 60 00

8479 89 10

8479 89 98

Waterkoelers:

GN-codes

8419 60 00

8419 89 98

IJsmachines:

GN-codes

8418 10 10 - 8418 29 00

8418 30 10 - 8418 30 99

8418 40 10 - 8418 40 99

8418 50 11 - 8418 50 99

8418 61 10 - 8418 61 90

8418 69 10 - 8418 69 99

Klimaatregelings- en warmtepompinstallaties:

GN-codes

8415 10 00 - 8415 83 90

8418 61 10 - 8418 61 90

8418 69 10 - 8418 69 99

8418 99 10 - 8418 99 90

3. Aërosolen, met uitzondering van medische aërosolen

Voedingsmiddelen:

GN-codes

0404 90 21 - 0404 90 89

1517 90 10 - 1517 90 99

2106 90 92

2106 90 98

Verf en vernis, bereide waterverfpigmenten en kleurstoffen:

GN-codes

3208 10 10 - 3208 10 90

3208 20 10 - 3208 20 90

3208 90 11 - 3208 90 99

3209 10 00 - 3209 90 00

3210 00 10 - 3210 00 90

3212 90 90

Parfums; cosmetica en toiletartikelen:

GN-codes

3303 00 10 - 3303 00 90

3304 30 00

3304 99 00

3305 10 00 - 3305 90 90

3306 10 00 - 3306 90 00

3307 10 00 - 3307 30 00

3307 49 00

3307 90 00

Oppervlakte-actieve verbindingen:

GN-code

3402 20 10 - 3402 20 90

Smeermiddelen:

GN-codes

2710 00 81

2710 00 97

3403 11 00

3403 19 10 - 3403 19 99

3403 91 00

3403 99 10 - 3403 99 90

Huishoudelijke preparaten:

GN-codes

3405 10 00

3405 20 00

3405 30 00

3405 40 00

3405 90 10 - 3405 90 90

Artikelen uit ontvlambare stoffen:

GN-code

3606 10 00

Insecticiden, rodenticiden, fungiciden, herbiciden, enz.:

GN-codes

3808 10 10 - 3808 10 90

3808 20 10 - 3808 20 80

3808 30 11 - 3808 30 90

3808 40 10 - 3808 40 90

3808 90 10 - 3808 90 90

Appreteermiddelen, enz.:

GN-codes

3809 10 10 - 3809 10 90

3809 91 00 - 3809 93 00

Preparaten en ladingen voor brandblusapparaten; brandblusbommen met lading:

GN-code

3813 00 00

Mengsels van organische oplosmiddelen, enz.:

GN-codes

3814 00 10 - 3814 00 90

Vloeibare ontdooiingspreparaten:

GN-code

3820 00 00

Producten van de chemische of van aanverwante industrieën:

GN-codes

3824 90 10

3824 90 35

3824 90 40

3824 90 45 - 3824 90 95

Siliconen in primaire vormen:

GN-code

3910 00 00

Wapens:

GN-code

9304 00 00

4. Draagbare brandblusapparaten

GN-codes

8424 10 10 - 8424 10 99

5. Isolatieplaten, panelen en buisbekledingen

GN-codes

3917 21 10 - 3917 40 90

3920 10 23 - 3920 99 90

3921 11 00 - 3921 90 90

3925 10 00 - 3925 90 80

3926 90 10 - 3926 90 99

6. Prepolymeren

GN-codes

3901 10 10 - 3911 90 99

(1) Deze douanecodes worden ten behoeve van de douanediensten van de lidstaten vermeld.

BIJLAGE VI

Processen waarbij gereguleerde stoffen als technische hulpstof worden gebruikt

- Gebruik van tetrachloorkoolstof voor het verwijderen van stikstoftrichloride bij de productie van chloor en natriumhydroxide;

- gebruik van tetrachloorkoolstof bij de terugwinning van chloor in de afvoergassen bij de productie van chloor;

- gebruik van tetrachloorkoolstof bij de vervaardiging van chloorrubber;

- gebruik van tetrachloorkoolstof bij de vervaardiging van isobutylacetofenon (ibuprofeen - pijnstiller);

- gebruik van tetrachloorkoolstof bij de vervaardiging van polyfenyleentereftalamide;

- gebruik van chloorfluorkoolstof-11 bij de vervaardiging van dunne synthetische polyolefinevezelfilm;

- productie van chloorfluorkoolstof-113 bij de vervaardiging van vinorelbine (farmaceutisch product);

- gebruik van chloorfluorkoolstof-12 bij de fotochemische synthese van perfluorpolyetherpolyperoxide-voorlopers van Z-perfluorpolyethers en bifunctionele derivaten;

- gebruik van chloorfluorkoolstof-113 bij de reductie van het tussenproduct perfluorpolyetherpolyperoxide voor de productie van perfluorpolyetherdiesters;

- gebruik van chloorfluorkoolstof-113 bij de vervaardiging van hoogwaardige perfluorpolyetherdiolen;

- gebruik bij de productie van tralometrine (insecticide),

en het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen bij de bovengenoemde processen ter vervanging van chloorfluorkoolstoffen of tetrachloorkoolstof.

BIJLAGE VII

Kritische toepassingen van halonen

Gebruik van halon 1301:

- in luchtvaartuigen voor de beveiliging van bemanningscabines, motorgondels, vrachtruimten en droge ruimten (dry bays),

- in bemande ruimten en motorkamers van militaire landvoertuigen en zeeschepen,

- voor het inert maken van bemande ruimten waarin brandbare vloeistoffen en/of gassen kunnen vrijkomen in de militaire, de olie-, gas- en de petrochemische sector, en op bestaande vrachtschepen,

- voor het inert maken van bestaande, bemande communicatie- en commandoposten van de militaire sector of die om andere redenen essentieel zijn voor landsregeringen en voor de nationale veiligheid,

- voor het inert maken van ruimten waarin gevaar voor verspreiding van radioactief materiaal bestaat,

- in de Kanaaltunnel met de bijbehorende installaties en het rollend materieel.

Gebruik van halon 1211:

- in handblusapparaten en vaste blusapparatuur voor motoren aan boord van luchtvaartuigen,

- in luchtvaartuigen voor de beveiliging van bemanningscabines, motorgondels, vrachtruimten en droge ruimten (dry bays),

- in blusapparaten die essentieel zijn voor de persoonlijke veiligheid bij het eerste bluswerk door brandweerlieden,

- in blusapparaten van de militaire sector en van de politie voor gebruik op personen.

Top