Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998R0850

Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen

OJ L 125, 27.4.1998, p. 1–36 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Estonian: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Latvian: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Lithuanian: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Hungarian Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Maltese: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Polish: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Slovak: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Slovene: Chapter 04 Volume 003 P. 217 - 255
Special edition in Bulgarian: Chapter 04 Volume 004 P. 60 - 98
Special edition in Romanian: Chapter 04 Volume 004 P. 60 - 98
Special edition in Croatian: Chapter 04 Volume 002 P. 50 - 85

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1998/850/oj

31998R0850

Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen

Publicatieblad Nr. L 125 van 27/04/1998 blz. 0001 - 0036


VERORDENING (EG) Nr. 850/98 VAN DE RAAD van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat Verordening (EG) nr. 894/97 (4) de gecodificeerde versie is van Verordening (EEG) nr. 3094/86 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden, die herhaaldelijk en ingrijpend is gewijzigd;

(2) Overwegende dat bij de uitvoering van Verordening (EEG) nr. 3094/86 tekortkomingen aan de dag getreden zijn die problemen opleveren bij de toepassing en het afdwingen van de naleving van die verordening, welke tekortkomingen moeten worden gecorrigeerd, met name door het aantal verschillende voorschriften inzake maaswijdten te verminderen, het concept "beschermde soorten" te schrappen en het aantal verschillende maaswijdten van aan boord aanwezige netten te beperken; dat het derhalve gewenst is Verordening (EG) nr. 894/97 van de Raad te vervangen door een nieuwe tekst, met uitzondering van de artikelen 11, 18, 19 en 20;

(3) Overwegende dat op het niveau van de Gemeenschap bepaalde beginselen en procedures ter uitvoering van de technische maatregelen moeten worden vastgesteld, zodat iedere lidstaat de visserijactiviteiten in de maritieme wateren die onder zijn jurisdictie of zijn soevereiniteit vallen, kan reguleren;

(4) Overwegende dat een evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds de aanpassing van de technische instandhoudingsmaatregelen aan de uiteenlopende situaties in de verschillende visserijtakken en anderzijds de behoefte aan homogene, gemakkelijk toe te passen regels;

(5) Overwegende dat in artikel 130 R, lid 2, van het Verdrag is bepaald dat bij alle maatregelen van de Gemeenschap de eisen terzake van milieubescherming geïntegreerd moeten worden, met name in het licht van het voorzorgsbeginsel;

(6) Overwegende dat het overboord zetten van vis zoveel mogelijk moet worden beperkt;

(7) Overwegende dat ervoor moet worden gezorgd dat de kinderkamers worden beschermd, rekening houdend met de specifieke biologische omstandigheden in de betrokken gebieden;

(8) Overwegende dat de Raad in Richtlijn 92/43/EEG (5) maatregelen vastlegt voor de instandhouding van natuurlijke habitats en van de natuurlijke fauna; dat de lijst van mariene organismen namen van soorten bevat die worden beschermd op grond van de vereisten van die richtlijn;

(9) Overwegende dat het Europees Parlement op 25 oktober 1996 zijn resolutie over de mededeling van de Commissie inzake de toepassing van de technische maatregelen in het gemeenschappelijk visserijbeleid heeft aangenomen;

(10) Overwegende dat met het oog op de bescherming van de levende rijkdommen van de zee enerzijds en een evenwichtige exploitatie van de visbestanden anderzijds, in het belang van zowel de vissers als de consumenten, technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden moeten worden vastgesteld, onder meer met betrekking tot passende maaswijdten en combinaties daarvan voor de vangst van bepaalde soorten, alsmede met betrekking tot andere vistuigkenmerken, minimummaten van mariene organismen, en beperkingen van de visserij in bepaalde zones en perioden en met bepaalde soorten vistuig en toebehoren;

(11) Overwegende dat, in het licht van wetenschappelijke adviezen, grotere maaswijdten moeten worden vastgesteld voor gesleept vistuig waarmee op mariene organismen van bepaalde soorten wordt gevist, en dat het gebruik van netdelen met vierkante mazen verplicht moet worden gesteld, aangezien dit aanzienlijk kan bijdragen tot een vermindering van de vangst van jonge exemplaren van mariene organismen;

(12) Overwegende dat moet worden voorkomen dat staand vistuig met steeds kleinere maaswijdten wordt gebruikt, omdat dit leidt tot een hogere sterfte van jonge exemplaren van de soorten waarop in de betrokken visserijtakken wordt gevist, en dat het derhalve noodzakelijk is om maaswijdten voor staand vistuig vast te stellen;

(13) Overwegende dat de soortensamenstelling van de vangsten en de toegepaste visserijpraktijken verschillen naar gelang van de geografische gebieden; dat op grond van deze verschillen in die gebieden onderling verschillende maatregelen moeten worden toegepast;

(14) Overwegende dat de vangst van bepaalde voor verwerking tot meel of olie bestemde soorten mag plaatsvinden met netten met kleine maaswijdten, op voorwaarde dat zulks geen negatieve invloed heeft op andere soorten;

(15) Overwegende dat minimummaten moeten worden toegepast voor de soorten die het belangrijkste deel uitmaken van de aanvoer door de communautaire vissersvloot en voor de soorten die het overboord zetten overleven;

(16) Overwegende dat de minimummaat van een soort moet overeenstemmen met de selectiviteit van de voor die soort geldende maaswijdte;

(17) Overwegende dat moet worden bepaald hoe mariene organismen moeten worden gemeten;

(18) Overwegende dat, met het oog op de bescherming van jonge haring, specifieke bepalingen moeten worden vastgesteld inzake de vangst en het aan boord houden van sprot;

(19) Overwegende dat, om rekening te houden met traditionele visserijpraktijken in bepaalde zones, specifieke bepalingen moeten worden vastgesteld inzake de vangst en het aan boord houden van ansjovis en tonijn;

(20) Overwegende dat controle moet kunnen worden uitgeoefend op visserijactiviteiten, in bepaalde gebieden, van vaartuigen die aan specifieke voorwaarden voldoen, en dat dergelijke gebieden derhalve alleen toegankelijk mogen zijn met een speciaal visdocument als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1627/94 van de Raad van 27 juni 1994 tot vaststelling van algemene bepalingen inzake speciale visdocumenten (6);

(21) Overwegende dat het gebruik van de ringzegen om scholen vis te vangen die samen met zeezoogdieren leven, tot vangst en sterfte van laatstgenoemde dieren kan leiden; dat de ringzegenvisserij echter, wanneer ze behoorlijk wordt bedreven, een doeltreffende methode is om uitsluitend de doelsoorten te vangen; dat derhalve het insluiten van zeezoogdieren met ringzegens moet worden verboden;

(22) Overwegende dat, om het wetenschappelijk onderzoek en het kunstmatig uitzetten en overbrengen van mariene organismen niet te belemmeren, deze verordening niet mag gelden voor activiteiten die met het oog daarop nodig zijn;

(23) Overwegende dat bepaalde voor de instandhouding van de bestanden noodzakelijke maatregelen zijn vervat in Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (7) en Verordening (EEG) nr. 2847/93 van de Raad van 12 oktober 1993 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (8) en daarom niet nogmaals hoeven te worden vastgesteld;

(24) Overwegende dat de Commissie en de lidstaten dienen te worden gemachtigd om, als de instandhouding van de visbestanden ernstig wordt bedreigd, passende voorlopige maatregelen te nemen;

(25) Overwegende dat aanvullende nationale maatregelen voor strikt lokale toepassing mogen worden gehandhaafd of vastgesteld, onder voorbehoud van onderzoek door de Commissie naar de verenigbaarheid ervan met het Gemeenschapsrecht en het gemeenschappelijk visserijbeleid;

(26) Overwegende dat bepalingen ter uitvoering van deze verordening, indien nodig, moeten worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 (9),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze verordening houdende technische instandhoudingsmaatregelen betreft, onverminderd de artikelen 26 en 33, de vangst en aanvoer van levende rijkdommen uit de zeewateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de lidstaten vallen en zich bevinden in een van de in artikel 2 bedoelde gebieden.

TITEL I DEFINITIES

Artikel 2

1. In deze verordening wordt onder "zeewateren" het volgende verstaan:

(a) Gebied 1:

alle wateren ten noorden en ten westen van een lijn die loopt van een punt op 48° noorderbreedte en 18° westerlengte, vandaar rechtwijzend noord tot 60° noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot 5° westerlengte, vandaar rechtwijzend noord tot 60°30' noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot 4° westerlengte, vandaar rechtwijzend noord tot 64° noorderbreedte, vandaar rechtwijzend oost tot de kust van Noorwegen.

(b) Gebied 2:

alle wateren benoorden 48° noorderbreedte, met uitzondering van de wateren in gebied 1 en de ICES-sectoren III b, III c, en III d.

(c) Gebied 3:

alle wateren in de ICES-deelgebieden VIII en IX.

(d) Gebied 4:

alle wateren in ICES-deelgebied X.

(e) Gebied 5:

alle wateren in het centraal-oostelijke deel van de Atlantische Oceaan omvattende de sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.1.3 en deelgebied 34.2.0 van visserijgebied 34 van de Cecaf-zone.

(f) Gebied 6:

alle wateren voor de kust van het Franse departement Guyana die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk vallen.

(g) Gebied 7:

alle wateren voor de kust van de Franse departementen Martinique en Guadeloupe die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk vallen.

(h) Gebied 8:

alle wateren voor de kust van het Franse departement Réunion die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Frankrijk vallen.

2. De in deze verordening met "ICES" en "Cecaf" aangeduide geografische zones komen overeen met de gebieden die gedefinieerd zijn door respectievelijk de Internationale Raad voor het Onderzoek van de Zee en de Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan. Zij zijn, onder voorbehoud van latere wijzigingen, beschreven in de mededelingen van de Commissie nr. 85/C 335/02 (10) en nr. 85/C 347/05 (11).

3. De in lid 1 bedoelde gebieden kunnen volgens de in artikel 48 bedoelde procedure worden onderverdeeld in geografische zones, met name aan de hand van de in lid 2 bedoelde definities.

4. In afwijking van lid 2 wordt in de zin van deze verordening:

- het Kattegat in het noorden begrensd door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar de vuurtoren van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de kust van Zweden, en in het zuiden door een lijn van kaap Hasenøre naar kaap Gniben, van Korshage naar Spodsbjerg en van kaap Gilbjerg naar Kullen;

- het Skagerrak in het westen begrensd door een lijn van de vuurtoren van Hanstholm naar de vuurtoren van Lindesnes, en in het zuiden door een lijn van de vuurtoren van Skagen naar de vuurtoren van Tistlarna en vandaar naar het dichtstbijgelegen punt op de kust van Zweden;

- onder de Noordzee verstaan, ICES-deelgebied IV en het aangrenzende gedeelte van ICES-sector II a bezuiden 64° noorderbreedte alsmede het gedeelte van ICES-sector III a dat geen deel uitmaakt van het Skagerrak zoals dat in het tweede streepje van dit lid is omschreven.

Artikel 3

In deze verordening wordt verstaan onder:

a) "mariene organismen": alle mariene vis, met inbegrip van anadrome en katadrome soorten tijdens hun mariene levensduur, schaal-, schelp- en weekdieren en delen daarvan;

b) "maaswijdte" van een gesleept net: de maaswijdte van kuilen en tunnels die aan boord van een vissersvaartuig worden aangetroffen en bevestigd zijn of kunnen worden aan een gesleept net. De maaswijdte wordt vastgesteld volgens de procedures van Verordening (EEG) nr. 2108/84 (12). Deze definitie van maaswijdte is niet van toepassing op de maaswijdte van netgedeelten met vierkante mazen;

c) "meervoudig getwijnde netten": netten die vervaardigd zijn uit netmateriaal met twee of meer twijnen die tussen de knopen gescheiden kunnen worden zonder dat de twijnstructuur wordt aangetast;

d) "netgedeelte met vierkante mazen": een netconstructie die zo is aangebracht dat van de twee stellen parallelle lijnen die door de benen van de mazen worden gevormd, het ene stel evenwijdig loopt met de lengteas van het net en het andere stel daar loodrecht op staat;

e) "maaswijdte van een paneel met vierkante mazen": de grootste wijdte die kan worden vastgesteld voor de mazen van een dergelijk paneel dat deel uitmaakt van een gesleept net. De maaswijdte wordt vastgesteld volgens de procedures van Verordening (EEG) nr. 2108/84;

f) "knooploze netten": netten die bestaan uit mazen met vier zijden van ongeveer gelijke lengte waarbij de hoeken van de mazen worden gevormd door elkaar snijdende zijden van de maas die door elkaar heen worden geweven;

g) "geankerd kieuwnet" of "warnet": elk enkelwandig staand net dat op enigerlei wijze op de zeebodem is verankerd, of verankerd kan worden;

h) "schakel": elk staand net dat bestaat uit twee of meer wanden die parallel zijn opgehangen van één enkele hoofdlijn, en op enigerlei wijze op de zeebodem is verankerd, of verankerd kan worden.

TITEL II NETTEN EN BEPALINGEN INZAKE HET GEBRUIK ERVAN

HOOFDSTUK I BEPALINGEN VOOR GESLEEPT TUIG

Artikel 4

1. Voor elk van de in de bijlagen I tot en met V genoemde gebieden of geografische zones en, in voorkomend geval, voor het overeenkomstige tijdvak worden voor alle maaswijdteklassen de doelsoorten vastgesteld in de betreffende bijlage.

2. In alle in de bijlagen I tot en met V genoemde gebieden of geografische zones is het verboden tijdens visreizen sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken met andere maaswijdten dan de in de betreffende bijlage genoemde.

3. a) Voor elk van de in de bijlagen VIII en IX genoemde gebieden of geografische zones en, in voorkomend geval, voor het overeenkomstige tijdvak is het verboden tijdens visreizen sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig aan boord te hebben of te gebruiken, tenzij de maaswijdten van de aan boord aanwezige netten voldoen aan de voorwaarden in de betreffende bijlage.

b) Communautaire vissersvaartuigen mogen echter tijdens visreizen binnen de communautaire viswateren netten aan boord hebben met maaswijdten van minder dan 120 mm die niet voldoen aan de in de bijlagen VIII en IX genoemde voorwaarden, mits:

- een vergunning kan worden overgelegd om tijdens de visreis buiten de communautaire wateren te vissen; en

- tijdens de vaart in de communautaire wateren alle netten met maaswijdten die niet voldoen aan de in de bijlagen VIII en IX genoemde voorwaarden, zijn vastgezet en opgeborgen overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

4. Aan boord gehouden vangsten die afkomstig zijn uit een van de in de bijlagen I tot en met V, X en XI genoemde gebieden of geografische zones mogen niet worden aangevoerd, tenzij de procentuele samenstelling daarvan in overeenstemming is met de in de betreffende bijlage genoemde voorwaarden.

5. Het percentage doelsoorten en andere soorten wordt bereikt door alle aan boord gehouden of overgeladen hoeveelheden van de doelsoorten en van andere soorten als bedoeld in de bijlagen I tot en met V samen te tellen.

Artikel 5

1. De in de bijlagen I tot en met V, X en XI bedoelde percentages worden berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid mariene organismen die na sortering of bij aanvoer aan boord is.

2. Voor vissersvaartuigen waarvan bepaalde hoeveelheden mariene organismen zijn overgeladen, wordt voor de berekening van de in lid 1 bedoelde percentages echter wel met die hoeveelheden rekening gehouden.

3. Kapiteins van vissersvaartuigen die geen logboek bijhouden overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 mogen geen mariene organismen op een ander vaartuig overladen of een lading mariene organismen van een ander vaartuig aan boord nemen.

4. De in lid 1 bedoelde percentages mogen worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters.

5. In afwijking van lid 1 mag bij de aan boord gehouden vangst van zandspiering waarvoor netten met een maaswijdte van minder dan 16 mm zijn gebruikt, het percentage worden berekend vóór sortering.

6. Voor de toepassing van dit artikel wordt voor de berekening van het gewicht van hele langoestines het gewicht van staarten van langoestines met drie vermenigvuldigd.

Artikel 6

1. Het is verboden bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig aan boord te hebben of te gebruiken waarvan het aantal mazen waar ook in de omtrek van de kuil, met uitsluiting van de aanslag en de naadlijn, groter is dan 100. Deze bepaling is van toepassing op bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijke sleepnetten met een maaswijdte tussen 90 en 119 mm.

De bepalingen zijn niet van toepassing op boomkorren.

2. In enkelvoudige kuilen in enge zin mag het aantal mazen waar ook in de omtrek van de kuil van voor naar achteren niet toenemen. Deze bepaling is van toepassing op alle gesleepte netten met een maaswijdte van 55 mm of meer.

3. Het aantal mazen, de mazen in de naadlijnen niet meegerekend, op elk punt waar ook in de omtrek van de tunnel mag niet kleiner zijn dan het maximumaantal mazen in de omtrek aan de voorkant van de kuil in enge zin, de mazen in de naadlijnen niet meegerekend. Deze bepaling is van toepassing op alle gesleepte netten met een maaswijdte van 55 mm of meer.

Artikel 7

1. a) In gesleepte netten mogen panelen met vierkante mazen met een maaswijdte van ten minste 80 mm worden aangebracht.

b) Bij wijze van alternatief mogen bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijke gesleepte netten met een maaswijdte van 100 mm of meer voorzien zijn van panelen die goedgekeurd zijn volgens Verordening (EEG) nr. 1866/86 van de Raad van 12 juni 1986 houdende technische maatregelen voor de instandhouding van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Øresund (13).

2. Panelen met vierkante mazen:

a) moeten worden aangebracht in de bovenste helft of de bovenkant van een net vóór de tunnel, dan wel op enig punt tussen de voorkant van de tunnel en het achtereinde van de kuil;

b) mogen op geen enkele wijze worden geblokkeerd door aan de binnen- of buitenzijde aangebrachte toebehoren;

c) dienen ten minste drie meter lang te zijn tenzij de panelen deel uitmaken van netten die worden gesleept door vaartuigen met een vermogen van minder dan 112 kilowatt, in welk geval de lengte ten minste twee meter bedraagt;

d) moeten vervaardigd zijn uit knooploos netmateriaal of netmateriaal met niet-slippende knopen en moeten zo aangebracht zijn dat de mazen bij het vissen steeds volledig open blijven;

e) moeten zo vervaardigd zijn dat het aantal mazen in de voorste rij mazen van het paneel gelijk is aan of groter is dan het aantal mazen in de achterste rij mazen van het paneel.

3. In netten waarin een paneel met vierkante mazen wordt aangebracht op een plaats waar het net niet nauwer wordt, moeten zich ten minste vijf open ruitvormige mazen bevinden tussen elke rand van het paneel en de aangrenzende naadlijnen van het net.

In netten waarin een paneel met vierkante mazen in zijn geheel of voor een deel wordt aangebracht op een plaats waar het net nauwer wordt, moeten zich ten minste vijf open ruitvormige mazen bevinden tussen de achterste rij mazen van het paneel met vierkante mazen en de aangrenzende naadlijnen van het net.

4. In afwijking van lid 1, onder a), en lid 2, onder a), moeten alle bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig met een maaswijdte tussen 70 en 79 mm vóór de kuil zijn voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 80 mm of meer.

5. In afwijking van lid 1, onder a), is het verboden schaaldieren van de soort Pandalus aan boord te houden die gevangen zijn met demersale sleepnetten met een maaswijdte tussen 32 en 54 mm, tenzij het net is voorzien van een paneel met vierkante mazen met een maaswijdte van 70 mm of meer.

6. Het in de leden 4 en 5 bepaalde is uitsluitend van toepassing in de gebieden 1 en 2.

7. Bij de vaststelling van de maaswijdte van een gesleept net wordt geen rekening gehouden met de maaswijdte van netgedeelten met vierkante mazen die in ongeacht welk gedeelte van het net zijn aangebracht.

Artikel 8

1. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken die, in de kuil, geheel of gedeeltelijk vervaardigd zijn uit netmateriaal waarvan het enkelvoudig getwijnd garen een dikte van meer dan acht mm heeft.

2. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken die, in de kuil, geheel of gedeeltelijk vervaardigd zijn uit netmateriaal van meervoudig getwijnd garen, tenzij het meervoudig getwijnd garen bestaat uit draden van ongeveer dezelfde dikte en tenzij de som van die dikten aan de maaszijden nergens meer dan twaalf mm bedraagt.

3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op pelagische trawls.

Artikel 9

1. Het is verboden sleepnetten aan boord te hebben of te gebruiken waarvan de kuil geheel of gedeeltelijk bestaat uit netmateriaal met andere dan vierkante of ruitvormige mazen.

2. Lid 1 is niet van toepassing op sleepnetten waarvan de kuil een maaswijdte van 31 mm of minder heeft.

Artikel 10

Dreggen vallen niet onder de bepalingen van artikel 4 op voorwaarde dat de met dit vistuig gevangen en aan boord gehouden hoeveelheden mariene organismen, andere dan tweekleppige weekdieren, niet groter zijn dan 5 % van het totale gewicht van de mariene organismen aan boord.

HOOFDSTUK II BEPALINGEN VOOR STAAND VISTUIG

Artikel 11

1. Voor elk van de in bijlagen VI en VII genoemde gebieden of geografische zones en, in voorkomend geval, voor het overeenkomstige tijdvak is het verboden verankerde kieuwnetten, warnetten of schakels aan boord te hebben of te gebruiken tenzij:

a) de met dat net verrichte en aan boord gehouden vangst voor niet minder dan 70 % uit doelsoorten bestaat; en

b) - bij verankerde kieuwnetten en warnetten, de maaswijdte overeenkomt met een van de in de betreffende bijlage vermelde klassen,

- bij schakels, de maaswijdte in het kleinmazigste deel van het net overeenkomt met een van de in de betreffende bijlage vermelde klassen.

2. Het minimumpercentage van de doelsoorten mag worden bereikt door de hoeveelheden van alle gevangen doelsoorten samen te tellen.

Artikel 12

1. Het in artikel 11, lid 1, bedoelde percentage wordt berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid mariene organismen die na sortering of bij aanvoer aan boord is.

2. Het in lid 1 bedoelde percentage mag worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters.

Artikel 13

De artikelen 11 en 12 zijn niet van toepassing op de vangsten van zalmachtigen, prikvissen of slijmprikken.

HOOFDSTUK III ALGEMENE BEPALINGEN INZAKE NETTEN EN HET GEBRUIK ERVAN

Artikel 14

Het sorteren vindt plaats onmiddellijk nadat de vangst uit het net of de netten is verwijderd.

Artikel 15

1. De gevangen hoeveelheden mariene organismen die de in de bijlagen I tot en met VII, X en XI toegestane percentages overschrijden, worden voor de terugkeer naar de haven in zee teruggezet.

2. Het percentage van de in de bijlagen I tot en met VII, X en XI genoemde doelsoorten dat aan boord wordt gehouden, moet voor de terugkeer naar de haven te allen tijde ten minste de helft zijn van de in die bijlagen vermelde minimumpercentages.

3. Nadat de eerste 24 uur van een visreis zijn verstreken, moet aan het vereiste inzake het minimumpercentage doelsoorten als bepaald in de bijlagen I tot en met VII, X en XI worden voldaan op het tijdstip waarop het logboek overeenkomstig het bepaalde in artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2847/93 dagelijks wordt bijgewerkt.

Artikel 16

Het is verboden voorzieningen aan netten aan te brengen die de mazen in enig deel van het net kunnen versperren of de feitelijke afmetingen daarvan kunnen verkleinen.

Deze bepaling sluit echter niet uit dat voorzieningen worden gebruikt waarvan de lijst en de technische beschrijvingen worden vastgesteld volgens de in artikel 48 bedoelde procedure.

TITEL III MINIMUMMAAT VAN MARIENE ORGANISMEN

Artikel 17

Mariene organismen zijn ondermaats als zij kleiner zijn dan de minimummaat die in bijlage XII voor de betrokken soort en de betrokken geografische zone is vastgesteld.

Artikel 18

1. Mariene organismen worden gemeten overeenkomstig bijlage XIII.

2. Als meer dan één methode voor het meten van een marien organisme toegestaan is, wordt het organisme geacht de minimummaat te hebben als de maat volgens een van deze methoden gelijk is aan of groter dan de voor de betrokken soort geldende minimummaat.

3. Zeekreeften, langoesten, tweekleppige en buikpotige weekdieren die behoren tot een van de soorten waarvoor in bijlage XII minimummaten zijn vastgesteld, mogen slechts in hun geheel aan boord gehouden en aangevoerd worden.

4. a) Noordzeekrabben mogen slechts in hun geheel aan boord gehouden en aangevoerd worden.

b) Een bepaalde hoeveelheid aan boord of bij aanvoer mag evenwel uit losse scharen bestaan, op voorwaarde dat die hoeveelheid niet groter is dan 5 % van het gewicht van de totale vangst aan Noordzeekrabben en delen daarvan die aan boord gehouden en aangevoerd wordt.

Artikel 19

1. Ondermaatse mariene organismen mogen niet aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moeten onmiddellijk in zee worden teruggezet.

2. Lid 1 is niet van toepassing:

a) op sardine, ansjovis, haring, horsmakreel en makreel, voor maximaal 10 % van het levend gewicht van de totale vangsten die van elk van die soorten aan boord worden gehouden. Het percentage ondermaatse sardine, ansjovis, haring, horsmakreel en makreel wordt berekend ten opzichte van het levend gewicht van de totale hoeveelheid mariene organismen die na sortering of bij aanvoer aan boord is. De percentages mogen worden berekend aan de hand van een of meer representatieve monsters. Het maximum van 10 % mag tijdens het overladen, de aanvoer, het vervoer, de opslag, de uitstalling en de verkoop niet worden overschreden;

b) op andere mariene organismen dan die welke in de bijlagen I tot en met V zijn gedefinieerd als doelsoorten voor de maaswijdteklassen kleiner dan 16 mm of van 16 tot en met 31 mm en zijn gevangen met sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 32 mm, op voorwaarde dat de genoemde organismen niet zijn gesorteerd en niet voor menselijke consumptie worden verkocht, uitgestald of te koop aangeboden.

3. Ondermaatse sardine, ansjovis, horsmakreel of makreel die is gevangen om als levend aas te worden gebruikt, mag echter aan boord worden gehouden, op voorwaarde dat ervoor wordt gezorgd dat deze soorten in leven blijven.

TITEL IV BIJZONDERE BEPALINGEN BETREFFENDE HET VISSEN OP BEPAALDE MARIENE ORGANISMEN

Artikel 20 Beperkingen op de haringvisserij

1. Het is verboden haring aan boord te houden die is gevangen in de geografische zones en tijdens de periodes die hierna worden gespecificeerd:

a) van 1 januari tot en met 30 april in de geografische zone ten noordoosten van de lijn tussen Mull of Kintyre en Corsewall Point;

b) van 1 juli tot en met 31 oktober in de geografische zone met de volgende coördinaten:

- 55°30' noorderbreedte op de westkust van Denemarken,

- 55°30' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 57°00' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 57°00' noorderbreedte op de westkust van Denemarken;

c) van 15 augustus tot en met 15 september in de zone van zes tot twaalf mijl voor de oostkust van het Verenigd Koninkrijk, gemeten vanaf de basislijnen, tussen 55°30' noorderbreedte en 55°45' noorderbreedte;

d) van 15 augustus tot en met 30 september in de geografische zone die gelegen is binnen een lijn die gaat langs:

- Butt of Lewis,

- Kaap Wrath,

- een punt op 58°55' noorderbreedte en 5°00' westerlengte,

- een punt op 58°55' noorderbreedte en 7°10' westerlengte,

- een punt op 58°20' noorderbreedte en 8°20' westerlengte,

- een punt op 57°40' noorderbreedte en 8°20' westerlengte,

- een punt op de westkust van het eiland North Uist op 57°40' noorderbreedte en dan langs de noordkust van dat eiland naar een punt op 57°40'36″ noorderbreedte en 7°20'39″ westerlengte,

- een punt op 57°50'3″ noorderbreedte en 7°8'6″ westerlengte,

- en dan langs de westkust van het eiland Lewis in noordoostelijke richting naar het beginpunt (Butt of Lewis);

e) van 15 augustus tot en met 30 september in de zone van zes tot twaalf mijl voor de oostkust van het Verenigd Koninkrijk, gemeten vanaf de basislijnen, tussen 54°10' noorderbreedte en 54°45' noorderbreedte;

f) van 21 september tot en met 31 december in de gedeelten van ICES-sector VII a met de volgende coördinaten:

i) - 54°20' noorderbreedte op de oostkust van het eiland Man,

- 54°20' noorderbreedte, 3°40' westerlengte,

- 53°50' noorderbreedte, 3°50' westerlengte,

- 53°50' noorderbreedte, 4°50' westerlengte,

- 4°50' westerlengte op de zuidwestkust van het eiland Man,

en

ii) - 54°15' noorderbreedte op de oostkust van Noord-Ierland,

- 54°15' noorderbreedte, 5°15' westerlengte,

- 53°50' noorderbreedte, 5°50' westerlengte,

- 53°50' noorderbreedte op de oostkust van Ierland;

g) het hele jaar in ICES-sector VII a, in de geografische zone tussen de westkust van Schotland, Engeland en Wales en een lijn op twaalf mijl van de basislijnen van deze kust, met als zuidelijke grens 53°20' noorderbreedte en als noordwestelijke grens een lijn tussen Mull of Galloway (Schotland) en Point of Ayre (eiland Man);

h) het hele jaar in Logan Bay, zijnde de wateren ten oosten van een lijn van Mull of Logan op 54°44' noorderbreedte en 4°59' westerlengte naar Laggantalluch Head op 54°41' noorderbreedte en 4°58' westerlengte;

i) In 1997, en in elk daaropvolgend derde jaar, vanaf de tweede vrijdag van januari voor een periode van 16 opeenvolgende dagen in de zone met de volgende coördinaten:

- 52°00' noorderbreedte op de zuidoostkust van Ierland,

- 52°00' noorderbreedte, 6°00' westerlengte,

- 52°30' noorderbreedte, 6°00' westerlengte,

- 52°30' noorderbreedte op de zuidoostkust van Ierland;

j) In 1997, en in elk daaropvolgend derde jaar, vanaf de eerste vrijdag van november voor een periode van 16 opeenvolgende dagen in de zone met de volgende coördinaten:

- 9°00' westerlengte op de zuidkust van Ierland,

- 51°15' noorderbreedte, 9°00' westerlengte,

- 51°15' noorderbreedte, 11°00' westerlengte,

- 52°30' noorderbreedte, 11°00' westerlengte,

- 52°30' noorderbreedte op de westkust van Ierland;

k) In 1998, en in elk daaropvolgend derde jaar, vanaf de eerste vrijdag van november voor een periode van 16 opeenvolgende dagen in de zone met de volgende coördinaten:

- 9°00' westerlengte op de zuidkust van Ierland,

- 51°15' noorderbreedte, 9°00' westerlengte,

- 51°15' noorderbreedte, 7°30' westerlengte,

- 52°00' noorderbreedte op de zuidkust van Ierland.

2. Hoeveelheden haring die afkomstig zijn uit een van de omschreven zones, mogen echter aan boord worden gehouden op voorwaarde dat die hoeveelheden niet groter zijn dan 5 % van het totale levend gewicht van de mariene organismen aan boord die in elke afzonderlijke zone in één van de genoemde perioden zijn gevangen.

3. In afwijking van lid 1, onder f), ii) en onder h), mogen vaartuigen met een lengte van ten hoogste 12,2 meter die hun thuishaven hebben aan de oostkust van Ierland en Noord-Ierland tussen 53°00' en 55°00' noorderbreedte, hoeveelheden haring aan boord houden uit de onder f), ii) en onder h), vermelde zones. De enige toegestane vangstmethode is het gebruik van drijfnetten met een maaswijdte van 54 mm of meer.

Artikel 21 Beperkingen op de sprotvisserij om haring te beschermen

1. Het is verboden sprot aan boord te houden die is gevangen in de geografische zones en tijdens de periodes die hierna worden gespecificeerd:

a) van 1 januari tot en met 31 maart en van 1 oktober tot en met 31 december in het statistische ICES-vak 39E8. Voor de toepassing van deze verordening geldt als grens van dit ICES-vak een lijn die rechtwijzend oost loopt van de oostkust van Engeland, langs breedtegraad 55°00' noorderbreedte tot 1°00' westerlengte, vervolgens rechtwijzend noord tot 55°30' noorderbreedte en dan weer rechtwijzend west tot de kust van het Verenigd Koninkrijk;

b) van 1 januari tot en met 31 maart en van 1 oktober tot en met 31 december in de binnenwateren van de Moray Firth ten westen van 3°30' westerlengte en in de binnenwateren van de Firth of Forth ten westen van 3°00' westerlengte,

c) van 1 juli tot en met 31 oktober in de geografische zone met de volgende coördinaten:

- 55°30' noorderbreedte op de westkust van Denemarken,

- 55°30' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 57°00' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 57°00' noorderbreedte op de westkust van Denemarken.

2. Hoeveelheden sprot die afkomstig zijn uit een van de omschreven zones, mogen echter aan boord worden gehouden op voorwaarde dat die hoeveelheden niet groter zijn dan 5 % van het totale levend gewicht van de mariene organismen aan boord die in elke afzonderlijke zone in één van de genoemde perioden zijn gevangen.

Artikel 22 Beperkingen op de makreelvisserij

1. Het is verboden makreel aan boord te houden die gevangen is in de geografische zone met de volgende coördinaten:

- 2°00' westerlengte op de zuidkust van het Verenigd Koninkrijk;

- 49°30' noorderbreedte, 2°00' westerlengte;

- 49°30' noorderbreedte, 7°00' westerlengte;

- 52°00' noorderbreedte, 7°00' westerlengte;

- 52°00' noorderbreedte op de westkust van het Verenigd Koninkrijk,

tenzij de hoeveelheid makreel niet groter is dan 15 % van het levend gewicht van de totale hoeveelheid makreel en andere mariene organismen aan boord die in deze zone zijn gevangen.

2. Lid 1 is niet van toepassing:

a) op vaartuigen die uitsluitend vissen met kieuwnetten en/of met de beug;

b) op vaartuigen die vissen met bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig, wanneer het levend gewicht van de totale vangst aan boord van deze vaartuigen voor ten minste 75 % bestaat uit andere mariene organismen dan ansjovis, haring, horsmakreel, makreel, pelagische koppotigen en sardines, als percentage van het totale levend gewicht van alle mariene organismen aan boord;

c) op vaartuigen die niet uitgerust zijn voor de visserij en waarop makreel wordt overgeladen.

3. Alle makreel aan boord van een vaartuig wordt geacht in de in lid 1 bedoelde zone te zijn gevangen, met uitzondering van makreel waarvoor, voordat het vaartuig deze zone is binnengevaren, overeenkomstig het bepaalde in de volgende alinea's is gemeld dat hij aan boord is.

De kapitein van een vaartuig die voornemens is deze zone binnen te varen om daar te vissen en die makreel aan boord heeft, moet de controleautoriteit van de lidstaat in de visserijzone waarvan hij voornemens is te gaan vissen, van het vermoedelijke tijdstip en de vermoedelijke plaats van aankomst in deze zone in kennis stellen, ten vroegste 36 uur en ten laatste 24 uur vóór het binnenvaren van deze zone.

Bij het binnenvaren van deze zone dient hij de bevoegde controleautoriteit op de hoogte te brengen van de hoeveelheden makreel die hij aan boord heeft en in het logboek heeft genoteerd. De kapitein kan worden verzocht zijn logboek en de aan boord zijnde vangst te laten controleren op een door de bevoegde controleautoriteit vast te stellen tijdstip en positie. Dit tijdstip mag niet later liggen dan zes uur nadat de controleautoriteit de boodschap heeft ontvangen waarin de aan boord zijnde hoeveelheden makreel worden meegedeeld, en de positie dient zich zo dicht mogelijk te bevinden bij de plaats waar het vaartuig deze zone binnenvaart.

De kapitein van een vaartuig die voornemens is deze zone binnen te varen om makreel op zijn vaartuig de laten overladen, moet de controleautoriteit van de lidstaat in de visserijzone waarvan de overlading zal plaatsvinden, van het tijdstip en de plaats van de voorgenomen overlading in kennis stellen ten vroegste 36 uur en ten laatste 24 uur vóór de overlading begint. De kapitein dient de bevoegde controleautoriteit onmiddellijk na de overlading in kennis te stellen van de hoeveelheden makreel die op zijn vaartuig zijn overgeladen.

De bevoegde controleautoriteiten zijn:

- in Frankrijk:

Mimer, telex: Paris 25 08 23;

- in Ierland:

Department of Marine, telex: Dublin 91798 MRNE;

- in het Verenigd Koninkrijk:

Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, telex: London 21 27 4.

Artikel 23 Beperkingen op de ansjovisvisserij

1. Het is verboden ansjovis aan boord te houden die met pelagische trawls in ICES-sector VIII c is gevangen, of in deze sector met pelagische trawls op ansjovis te vissen.

2. In de in lid 1 bedoelde sector is het verboden zowel pelagische trawls als ringzegens aan boord te hebben.

Artikel 24 Beperkingen op de tonijnvisserij

1. Het is verboden gestreepte tonijn, grootoogtonijn of geelvintonijn aan boord te houden die met ringzegens is gevangen in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Portugal vallen in ICES-deelgebied X ten noorden van 36°30' noorderbreedte, alsmede in de Cecaf-zones ten noorden van 31° noorderbreedte en ten oosten van 17°30' westerlengte, of in genoemde zones met genoemd vistuig op genoemde soorten te vissen.

2. Het is verboden tonijn aan boord te houden die met drijfnetten is gevangen in de wateren die onder de soevereiniteit of de jurisdictie van Spanje of Portugal vallen in de ICES-deel-gebieden VIII, IX en X en in de Cecaf-zones rond de Canarische Eilanden en Madeira, of in genoemde zones met genoemd vistuig op genoemde soorten te vissen.

Artikel 25 Beperkingen op de garnaalvisserij om platvis te beschermen

1. Het is verboden Noordzeegarnalen of ringsprietgarnalen aan boord te houden die zijn gevangen met gesleepte demersale visnetten met een maaswijdte tussen 16 en 31 mm, tenzij op het vaartuig een in werking zijnde inrichting aanwezig is om na de vangst platvis van Noordzeegarnalen en ringsprietgarnalen te scheiden.

2. Bij de vangst van Noordzeegarnalen en ringsprietgarnalen wordt gebruik gemaakt van een zeeflap of van een net met een sorteerrooster. De bepalingen ter uitvoering van dit lid worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 49.

3. Er mogen echter hoeveelheden Noordzeegarnalen of ringsprietgarnalen aan boord worden gehouden door vissersvaartuigen die niet aan het bepaalde in de leden 1 en 2 voldoen, op voorwaarde dat die hoeveelheden niet groter zijn dan 5 % van het totale levend gewicht van de mariene organismen aan boord.

Artikel 26 Beperkingen op de zalm- en de zeeforelvisserij

1. Zalm en zeeforel mogen niet aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moeten onmiddellijk in zee worden teruggezet:

- wanneer zij in de gebieden 1, 2, 3 en 4 zijn gevangen in wateren buiten de 6 mijl vanaf de basislijnen van de lidstaten;

- in afwijking van artikel 2, lid 1, wanneer zij in de gebieden 1, 2, 3 en 4 gevangen zijn buiten de wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van de lidstaten, behalve in de wateren onder de jurisdictie van Groenland of de Faeröer;

- wanneer zij gevangen zijn met sleepnetten.

2. Lid 1 is niet van toepassing op zalm en zeeforel die in het Skagerrak of het Kattegat worden gevangen.

Artikel 27 Beperkingen op de visserij op kever om andere rondvis te beschermen

1. Het is verboden kever aan boord te houden die met gesleept vistuig is gevangen in een zone die gelegen is binnen een lijn die het volgende traject volgt:

- een punt op 56° noorderbreedte op de oostkust van het Verenigd Koninkrijk oostwaarts tot 2° oosterlengte;

- vandaar noordwaarts naar 58° noorderbreedte, vandaar westwaarts naar 0°30' westerlengte, vandaar noordwaarts naar 59°15' noorderbreedte, vandaar oostwaarts naar 1° oosterlengte, vandaar noordwaarts naar 60° noorderbreedte en vandaar westwaarts naar 0°00';

- vanaf dat punt noordwaarts naar 60°30' noorderbreedte, vandaar westwaarts naar de oostkust van de Shetland Islands, vervolgens vanaf 60° noorderbreedte op de westkust van de Shetland Islands westwaarts naar 3° westerlengte, vandaar zuidwaarts naar 58°30' noorderbreedte;

- en vandaar tenslotte westwaarts naar de kust van het Verenigd Koninkrijk.

2. Hoeveelheden kever uit de in lid 1 beschreven zone die met het in dat lid genoemde vistuig zijn gevangen, mogen echter aan boord worden gehouden op voorwaarde dat die hoeveelheden niet groter zijn dan 5 % van het totale gewicht van de mariene organismen aan boord die in het genoemde gebied met het genoemde vistuig zijn gevangen.

Artikel 28 Beperkingen op de heekvisserij

1. Het is verboden met sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig te vissen in de geografische zones en tijdens de periodes die hierna worden gespecificeerd:

a) van 1 september tot en met 31 december in de geografische zone die wordt begrensd door een lijn tussen de punten met de volgende coördinaten:

- het punt op de noordkust van Spanje met de naam Cabo Prior (43°34' noorderbreedte, 8°19' westerlengte),

- 43°50' noorderbreedte, 8°19' westerlengte,

- 43°25' noorderbreedte, 9°12' westerlengte,

- het punt op de westkust van Spanje met de naam Cabo Villano (43°10' noorderbreedte, 9°12' westerlengte);

b) van 1 oktober tot en met 31 december in de geografische zone die wordt begrensd door een lijn tussen de punten met de volgende coördinaten:

- het punt op de westkust van Spanje met de naam Cabo Corrubedo (42°35' noorderbreedte, 9°5' westerlengte),

- 42°35' noorderbreedte, 9°25' westerlengte,

- 43°00' noorderbreedte, 9°30' westerlengte,

- 43°00' noorderbreedte op de westkust van Spanje;

c) van 1 december tot en met de laatste dag van februari van het daaropvolgende jaar in de geografische zone die wordt begrensd door een lijn tussen de punten met de volgende coördinaten:

- 37°50' noorderbreedte op de westkust van Portugal,

- 37°50' noorderbreedte, 9°8' westerlengte,

- 37°00' noorderbreedte, 9°7' westerlengte,

- 37°00' noorderbreedte op de westkust van Portugal.

2. In de zones en tijdens de periodes als bedoeld in lid 1, is het verboden bodemtrawls sleepnetten, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig aan boord te hebben, tenzij dat vistuig is opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

Artikel 29 Beperkingen op de scholvisserij

1. Vaartuigen met een lengte over alles van meer dan acht meter mogen geen bodemtrawls, Deense zegennetten of soortgelijk gesleept tuig gebruiken in de volgende geografische zones:

a) de zone binnen twaalf mijl van de kusten van Frankrijk, benoorden 51°00' noorderbreedte, van België en van Nederland tot 53°00' noorderbreedte, gemeten vanaf de basislijnen;

b) de zone die wordt begrensd door een lijn tussen de punten met de volgende coördinaten:

- 57°00' noorderbreedte op de westkust van Denemarken,

- 57°00' noorderbreedte, 7°15' oosterlengte,

- 55°00' noorderbreedte, 7°15' oosterlengte,

- 55°00' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 54°30' noorderbreedte, 7°00' oosterlengte,

- 54°30' noorderbreedte, 7°30' oosterlengte,

- 54°00' noorderbreedte, 7°30' oosterlengte,

- 54°00' noorderbreedte, 6°00' oosterlengte,

- 53°50' noorderbreedte, 6°00' oosterlengte,

- 53°50' noorderbreedte, 5°00' oosterlengte,

- 53°30' noorderbreedte, 5°00' oosterlengte,

- 53°30' noorderbreedte, 4°15' oosterlengte,

- 53°00' noorderbreedte, 4°15' oosterlengte,

- 53°00' noorderbreedte op de kust van Nederland;

c) de zone binnen twaalf mijl van de westkust van Denemarken van 57°00' noorderbreedte naar het noorden tot de vuurtoren van Hirtshals, gemeten vanaf de basislijnen.

2. a) Vaartuigen waarvoor een speciaal visdocument is afgegeven overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1627/94 mogen echter in de in lid 1 bedoelde zones met boomkorren vissen. Het is evenwel verboden gebruik te maken van een boomkor, respectievelijk van boomkorren, waarvan de boomlengte, respectievelijk de totale boomlengte, dat wil zeggen de som van de lengten van elke boom, meer dan negen meter bedraagt of tot meer dan negen meter kan worden verlengd, behalve wanneer vistuig wordt gebruikt met een maaswijdte tussen 16 en 31 mm. De lengte van een boom wordt gemeten tussen de uiterste punten, met inbegrip van alle toebehoren.

b) In afwijking van artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1627/94 mogen voor de onder a) genoemde doeleinden speciale visdocumenten worden afgegeven voor vaartuigen met een lengte over alles van meer dan acht meter.

c) Vaartuigen waarvoor het onder a) en b) genoemde speciale visdocument is afgegeven, moeten aan de volgende criteria voldoen:

- voorkomen op een door elke lidstaat aan de Commissie toe te zenden lijst, die zo is samengesteld dat het totale motorvermogen per lidstaat dat van 1 januari 1998 niet overschrijdt;

- een motorvermogen hebben dat 221 kW nooit overschrijdt en, in geval van een afgestelde motor, vóór de afstelling niet meer dan 300 kW bedroeg.

d) Elk vaartuig op de lijst mag worden vervangen door een of meer andere vaartuigen, op voorwaarde dat:

- vervanging in geen enkel geval leidt tot een verhoging van het onder c), eerste streepje, bedoelde totale motorvermogen per lidstaat;

- het motorvermogen van vervangende vaartuigen 221 kW nooit overschrijdt;

- de motor van het vervangende vaartuig niet is afgesteld; en

- de lengte over alles van het vervangende vaartuig niet meer dan 24 meter bedraagt.

e) De motoren van de vaartuigen die voorkomen op de lijsten van de lidstaten mogen worden vervangen, op voorwaarde dat:

- de vervanging van een motor er nooit toe leidt dat het motorvermogen van een vaartuig 221 kW overschrijdt;

- de ruilmotor niet is afgesteld; en

- het vermogen van de ruilmotor niet zodanig is dat de vervanging leidt tot een verhoging van het totale motorvermogen voor de betrokken lidstaat als bedoeld onder c), eerste streepje.

f) Van vissersvaartuigen die niet voldoen aan de criteria van dit lid, wordt het speciaal visdocument ingetrokken.

3. In afwijking van lid 2, onder a), mogen vaartuigen waarvoor een speciaal visdocument is afgegeven en waarvan de voornaamste activiteit de garnalenvisserij is, bomen gebruiken waarvan de totale boomlengte, dat wil zeggen de som van de lengten van elke boom, groter is dan negen meter, wanneer zij vissen met tuig met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm, mits voor deze vaartuigen voor dat doel een aanvullend speciaal visdocument is afgegeven. Dit aanvullend speciaal visdocument moet jaarlijks opnieuw worden bezien.

Het is toegestaan een vaartuig of de vaartuigen waarvoor zo'n aanvullend speciaal visdocument is afgegeven, door een ander vaartuig te vervangen, op voorwaarde dat:

- het vervangende vaartuig een tonnenmaat heeft van ten hoogste 70 BRT en een lengte over alles van niet meer dan 20 meter; of

- op voorwaarde dat het een vermogen heeft van ten hoogste 180 kW en een lengte over alles van niet meer dan 20 meter.

Van vaartuigen die niet meer voldoen aan de criteria van dit lid, wordt het speciaal visdocument voorgoed ingetrokken.

4. a) In afwijking van lid 1 mogen:

- vaartuigen waarvan het motorvermogen 221 kW nooit overschrijdt en, in geval van een afgestelde motor, vóór de afstelling niet meer dan 300 kW bedroeg, in de in lid 1 bedoelde zones met demersale bordentrawls vissen;

- in span vissende vaartuigen waarvan het totale motorvermogen 221 kW nooit overschrijdt en, in geval van een afgestelde motor, vóór afstelling niet meer dan 300 kW bedroeg, in de genoemde zones met demersale spannetten vissen.

b) Vaartuigen met een motorvermogen van meer dan 221 kW mogen echter demersale bordentrawls gebruiken, en in span vissende vaartuigen met een totaal motorvermogen van meer dan 221 kW mogen demersale spannetten gebruiken, op voorwaarde dat:

i) - de in deze zone gevangen en aan boord gehouden hoeveelheid zandspiering en/of sprot ten minste gelijk is aan 90 % van het totale levend gewicht van de in de genoemde zone gevangen en aan boord gehouden mariene organismen, en

- de in deze zone gevangen en aan boord gehouden hoeveelheden schol en/of tong niet groter zijn dan 2 % van het totale levend gewicht van de in de genoemde zone gevangen en aan boord gehouden mariene organismen;

ofwel

ii)- netten worden gebruikt met een maaswijdte van ten minste 100 mm, en

- de in deze zone gevangen en aan boord gehouden hoeveelheden schol en/of tong niet groter zijn dan 5 % van het totale gewicht van de in de genoemde zone gevangen en aan boord gehouden mariene organismen;

ofwel

iii) - netten worden gebruikt met een maaswijdte van ten minste 80 mm, en

- het gebruik van die maaswijdten beperkt blijft tot een zone van niet meer dan twaalf mijl vanaf de kust van Frankrijk ten noorden van 51°00' noorderbreedte, en

- de in deze zone gevangen en aan boord gehouden hoeveelheden schol en tong niet groter zijn dan 5 % van het totale levend gewicht van de in de genoemde zone gevangen en aan boord gehouden mariene organismen.

5. In de zones waar geen boomkorren, bordentrawls of bodemspannetten mogen worden gebruikt, mogen dergelijke netten alleen aan boord zijn als zij zijn opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

6. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 48.

TITEL V BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN BEPAALDE VISSERIJMETHODEN EN AANVERWANTE ACTIVITEITEN

Artikel 30 Beperkingen op het gebruik van gesleept demersaal vistuig

1. Vaartuigen mogen geen boomkor waarvan de boomlengte, respectievelijk geen boomkorren waarvan de totale boomlengte, dat wil zeggen de som van de lengten van elke boom, groter is dan 24 meter of kan worden verlengd tot meer dan 24 meter, aan boord hebben of gebruiken. De lengte van een boom wordt gemeten tussen de uiterste punten, met inbegrip van alle toebehoren.

2. Vaartuigen mogen geen boomkorren met een maaswijdte tussen 32 en 99 mm gebruiken in de volgende geografische zones:

a) de Noordzee ten noorden van een lijn die het volgende traject volgt:

- 55° noorderbreedte op de oostkust van het Verenigd Koninkrijk,

- dan oostwaarts tot 55° noorderbreedte en 5° oosterlengte,

- dan noordwaarts tot 56° noorderbreedte,

- en tenslotte naar 56° noorderbreedte op de westkust van Denemarken;

b) ICES-sector, V b, ICES-deelgebied VI benoorden 56° noorderbreedte en ICES-deelgebied XII benoorden 56° noorderbreedte.

Binnen de onder a) en b) genoemde zones is het verboden boomkorren met een maaswijdte tussen 32 en 99 mm aan boord te hebben, tenzij die zijn opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

3. Vaartuigen mogen binnen de in lid 2, onder a), vermelde geografische zone geen demersale bordentrawls, demersale spannetten of Deense zegennetten met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm gebruiken. Binnen deze zone is het verboden demersale bordentrawls, demersale spannetten of Deense zegennetten met een maaswijdte tussen 80 en 99 mm aan boord te hebben, tenzij die zijn opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

Artikel 31 Niet-conventionele visserijmethoden

1. Het is verboden mariene organismen te vangen met gebruikmaking van explosieven, giftige of bedwelmende stoffen, of elektrische stroom.

2. Het is verboden mariene organismen die zijn gevangen met gebruikmaking van enigerlei projectiel, te verkopen, uit te stallen of te koop aan te bieden.

Artikel 32 Beperkingen op het gebruik van automatische sorteermachines

1. Op vissersvaartuigen mogen geen machines aan boord zijn of gebruikt worden waarmee haring, makreel en horsmakreel automatisch naar grootte of geslacht gesorteerd worden.

2. Dergelijke machines mogen evenwel aan boord zijn en gebruikt worden, op voorwaarde dat:

a) er tegelijkertijd geen gesleept tuig met een maaswijdte van minder dan 70 mm dan wel een of meer ringzegens of soortgelijke visnetten aan boord van het vaartuig zijn of gebruikt worden;

of

b) i) de gehele vangst die legaal aan boord mag zijn, in bevroren toestand wordt opgeslagen, de gesorteerde vis onmiddellijk na sortering wordt bevroren en er geen gesorteerde vis overboord wordt gezet, behoudens om te voldoen aan de vereisten van artikel 19,

en

ii) de machines op het vaartuig op een zodanige wijze geïnstalleerd en gesitueerd zijn dat gewaarborgd wordt dat de vis onmiddellijk wordt bevroren en niet meer in zee kan worden teruggezet.

3. Vaartuigen die in de Oostzee, de Belten of de Øresund mogen vissen, mogen in het Kattegat automatische sorteermachines aan boord hebben mits een speciaal visdocument voor dat doel is afgegeven.

In het speciaal visdocument dient vermeld te zijn voor welke soorten, zones en perioden en onder welke andere voorwaarden de sorteermachines aan boord mogen zijn en gebruikt mogen worden.

Artikel 33 Beperkingen op het gebruik van ringzegens

1. Het is verboden scholen of groepen zeezoogdieren met ringzegens in te sluiten.

2. In afwijking van artikel 1, is lid 1 in alle wateren van toepassing op alle vaartuigen die de vlag van een lidstaat voeren of die in een lidstaat zijn geregistreerd.

Artikel 34 Beperkingen op de visserij in de twaalfmijlszone rond het Verenigd Koninkrijk en Ierland

1. Vaartuigen mogen in de zone van twaalf mijl van de kusten van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gemeten vanaf de basislijnen vanwaar de territoriale wateren worden gemeten, geen boomkorren gebruiken.

2. Vaartuigen van een van de volgende categorieën mogen echter in de in lid 1 bedoelde zone met boomkorren vissen:

a) vaartuigen die vóór 1 januari 1987 in bedrijf zijn genomen en waarvan het motorvermogen niet meer dan 221 kW bedraagt en, in geval van een afgestelde motor, vóór de afstelling, niet meer dan 300 kW bedroeg;

b) vaartuigen die na 31 december 1986 in bedrijf zijn genomen, waarvan de motor niet is afgesteld en het motorvermogen niet meer dan 221 kW bedraagt, en waarvan de lengte over alles niet meer dan 24 meter bedraagt;

c) vaartuigen waarvan de motor na 31 december 1986 is vervangen door een motor die niet is afgesteld en waarvan het vermogen niet meer dan 221 kW bedraagt.

3. In afwijking van lid 2 is het verboden gebruik te maken van een boomkor, respectievelijk van boomkorren, waarvan de boomlengte, respectievelijk de totale boomlengte, dat wil zeggen de som van de lengten van elke boom, meer dan negen meter bedraagt of tot meer dan negen meter kan worden verlengd, behalve wanneer vistuig met een maaswijdte tussen 16 en 31 mm wordt gebruikt. De lengte van een boom wordt gemeten tussen de uiterste punten, met inbegrip van alle toebehoren.

4. Vissersvaartuigen die niet voldoen aan de in de leden 2 en 3 vastgestelde criteria mogen de in deze leden vermelde visserijactiviteiten niet uitoefenen.

5. Voor vaartuigen die geen boomkorren mogen gebruiken, is het verboden dergelijke netten in de zone genoemd in dit artikel aan boord te hebben, tenzij zij zijn opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

6. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 48.

TITEL VI SPECIFIEKE BEPALINGEN VOOR HET SKAGERRAK EN HET KATTEGAT

Artikel 35

In afwijking van artikel 19, lid 1, mogen in het Skagerrak of het Kattegat gevangen ondermaatse mariene organismen aan boord worden gehouden of worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, mits daarbij een maximum van 10 % van het levend gewicht van het totaal van de aan boord gehouden vangsten niet wordt overschreden.

Artikel 36

Zalm en zeeforel mogen niet aan boord worden gehouden, noch worden overgeladen, aangevoerd, vervoerd, opgeslagen, verkocht, uitgestald of te koop aangeboden, maar moeten onmiddellijk in zee worden teruggezet als zij gevangen zijn in delen van het Skagerrak en het Kattegat buiten vier mijl van de basislijnen van de lidstaten.

Artikel 37

1. In de wateren van het Skagerrak en het Kattegat binnen drie mijl van de basislijnen mogen van 1 juli tot en met 15 september geen sleepnetten met een maaswijdte van minder dan 32 mm worden gebruikt.

2. In deze periode mag echter in de in lid 1 bedoelde wateren met sleepnetten worden gevist op:

- Noorse garnaal (Pandalus borealis), met netten met een minimummaaswijdte van 30 mm;

- puitaal (Zoarces viviparus), grondels (Gobiidae) of schorpioenvissen (Cottus ssp.) voor gebruik als aas, met netten van elke maaswijdte.

Artikel 38

Het is verboden haring, makreel of sprot aan boord te houden die in het Skagerrak van zaterdag te middernacht tot en met zondag te middernacht en in het Kattegat van vrijdag te middernacht tot en met zondag te middernacht met sleepnetten of ringzegens is gevangen.

Artikel 39

In het Kattegat mag niet met boomkorren worden gevist.

Artikel 40

Gedurende de perioden en binnen de zones die worden genoemd in de artikelen 37, 38 en 39 en waarin geen sleepnetten of boomkorren mogen worden gebruikt, is het verboden dergelijke netten aan boord te hebben, tenzij zij zijn opgeborgen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 2847/93.

Artikel 41

In afwijking van artikel 31 mogen in het Skagerrak en het Kattegat elektrische stroom en harpoengeweren worden gebruikt om tonijn en reuzenhaai (Cetorhinus maximus) te vangen.

TITEL VII TECHNISCHE BEPALINGEN

Artikel 42 Bewerkingen

1. Aan boord van vissersvaartuigen mag geen fysische of chemische verwerking van vis tot vismeel, visolie of dergelijke producten plaatsvinden; ook mogen er geen visvangsten voor dergelijke doeleinden worden overgeladen. Dit verbod is niet van toepassing op de verwerking of het overladen van afval.

2. Lid 1 is evenwel niet van toepassing op de productie van surimi en visvezels aan boord van vissersvaartuigen.

Artikel 43 Wetenschappelijk onderzoek

1. Deze verordening is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek dat wordt uitgevoerd met toestemming en onder het gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten en waarvan de Commissie en de lidstaat of lidstaten in de wateren waarvan het onderzoek plaatsvindt, tevoren in kennis zijn gesteld.

2. Mariene organismen die voor de in lid 1 genoemde doeleinden gevangen zijn, mogen worden verkocht, opgeslagen, uitgestald of te koop aangeboden, op voorwaarde dat:

- zij voldoen aan de normen van bijlage XII en de handelsnormen die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3759/92 van de Raad van 17 december 1992 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (14); of

- zij rechtstreeks worden verkocht voor andere doeleinden dan menselijke consumptie.

Artikel 44 Kunstmatig uitzetten en overbrengen

1. Deze verordening is niet van toepassing op visserijactiviteiten die uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van het kunstmatig uitzetten of overbrengen van mariene organismen met toestemming en onder gezag van de betrokken lidstaat of lidstaten. Wanneer mariene organismen kunstmatig worden uitgezet in of overgebracht naar de wateren van een andere lidstaat of andere lidstaten, dienen de Commissie en alle betrokken lidstaten daarvan tevoren in kennis te worden gesteld.

2. Mariene organismen die voor de in lid 1 genoemde doeleinden gevangen zijn en vervolgens levend zijn teruggezet in zee, mogen worden verkocht, opgeslagen, uitgestald of te koop aangeboden, mits zij voldoen aan de handelsnormen die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 3759/92.

TITEL VIII SLOTBEPALINGEN

Artikel 45

1. Indien de instandhouding van bestanden van mariene organismen onmiddellijk optreden vergt, kan de Commissie volgens de in artikel 48 bedoelde procedure in aanvulling op of in afwijking van deze verordening alle nodige maatregelen nemen.

2. Wanneer de instandhouding van bepaalde soorten of bepaalde visgronden ernstig wordt bedreigd en elk uitstel moeilijk te herstellen schade zou meebrengen, kan de lidstaat voor de wateren onder zijn jurisdictie niet-discriminerende instandhoudingsmaatregelen nemen.

3. Zodra de in lid 2 bedoelde maatregelen zijn genomen, worden zij met een toelichting ter kennis gebracht van de Commissie en de andere lidstaten.

Binnen tien werkdagen na de ontvangst van deze kennisgeving bevestigt de Commissie deze maatregelen of eist zij de annulering of wijziging ervan. Het besluit van de Commissie wordt onmiddellijk ter kennis van de lidstaten gebracht.

Elke lidstaat kan binnen tien werkdagen na de ontvangst van deze kennisgeving het door de Commissie genomen besluit aan de Raad voorleggen.

De Raad kan met gekwalificeerde meerderheid binnen een maand een andersluidend besluit nemen.

Artikel 46

1. De lidstaten kunnen maatregelen vaststellen voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden:

a) wanneer het gaat om strikt lokale visbestanden die slechts voor de vissers van de betrokken lidstaat van belang zijn; of

b) in de vorm van voorwaarden of voorschriften ter beperking van de vangsten via technische maatregelen:

i) die een aanvulling vormen op de communautaire visserijwetgeving, of

ii) die verder gaan dan de minimumeisen die in de genoemde wetgeving zijn vastgesteld,

één en ander op voorwaarde dat die maatregelen uitsluitend van toepassing zijn op de vissers uit de betrokken lidstaat, verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en in overeenstemming zijn met het gemeenschappelijk visserijbeleid.

2. De Commissie wordt van ieder voornemen tot invoering of wijziging van nationale technische maatregelen tijdig genoeg in kennis gesteld om haar opmerkingen te kunnen maken.

Op een daartoe strekkend en binnen een maand na deze kennisgeving in te dienen verzoek van de Commissie wordt de inwerkingtreding van de voorgenomen maatregelen door de betrokken lidstaat opgeschort tot drie maanden na de datum van kennisgeving, teneinde de Commissie in staat te stellen te bepalen of deze maatregelen in overeenstemming zijn met lid 1.

Wanneer de Commissie, in een besluit dat zij aan alle lidstaten meedeelt, constateert dat een voorgenomen maatregel niet in overeenstemming is met lid 1, kan de betrokken lidstaat die maatregel alleen in werking doen treden als hierin de nodige wijzigingen zijn aangebracht.

De betrokken lidstaat stelt de andere lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis van de vastgestelde maatregelen, in voorkomend geval nadat de nodige wijzigingen zijn aangebracht.

3. De lidstaten verstrekken de Commissie op haar verzoek alle gegevens die nodig zijn om te beoordelen of hun nationale technische maatregelen in overeenstemming zijn met lid 1.

4. Op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat kan over de vraag of een door een lidstaat toegepaste nationale technische maatregel in overeenstemming is met lid 1, volgens de in artikel 48 bedoelde procedure een besluit worden genomen. In geval van een dergelijk besluit is het bepaalde in lid 2, derde en vierde alinea, van overeenkomstige toepassing.

5. De maatregelen met betrekking tot de strandvisserij worden door de betrokken lidstaat louter ter informatie aan de Commissie meegedeeld.

Artikel 47

1. Uiterlijk één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening besluit de Raad op basis van een voorstel van de Commissie over de vaststelling van bepalingen die vanaf de toepassingsdatum van deze verordening voor het gebruik van combinaties van maaswijdten moeten worden gehanteerd.

Uiterlijk drie jaar na de toepassingsdatum van deze verordening besluit de Raad op basis van een voorstel van de Commissie over herzieningen en wijzigingen in de voorwaarden van de bijlagen I tot en met XI, die moeten worden toegepast binnen één jaar na dat besluit.

2. Gedurende de jaren 1998, 1999 en 2000 verlenen de lidstaten bij het indienen van hun verzoeken om financiering door de Commissie van experimentele projecten, voorrang aan experimentele projecten die betrekking hebben op het nut van panelen met vierkante mazen of andere voorzieningen om de selectiviteit van gesleept vistuig te vergroten. De Commissie verleent bij haar beoordeling van te financieren experimentele projecten voorrang aan dergelijke projecten.

Uiterlijk vier jaar na de datum waarop deze verordening wordt aangenomen brengt de Commissie aan de Raad verslag uit over de resultaten van deze experimentele projecten en legt hem daarbij passende voorstellen voor.

Uiterlijk één jaar na de indiening van deze voorstellen neemt de Raad daarover een besluit.

Artikel 48

Volgens de procedure van artikel 18 van Verordening (EEG) nr. 3760/92 kunnen bepalingen ter uitvoering van deze verordening worden vastgesteld. Deze bepalingen kunnen onder meer omvatten:

- technische voorschriften voor het bepalen van de twijndikte;

- technische voorschriften voor het bepalen van de maaswijdte;

- voorschriften voor het nemen van monsters;

- lijsten en technische beschrijvingen van voorzieningen die aan de netten mogen worden aangebracht;

- technische voorschriften voor het meten van het motorvermogen;

- technische voorschriften voor netgedeeltes met vierkante mazen;

- technische voorschriften voor netmateriaal;

- wijzigingen op de regels voor het gebruik van combinaties van maaswijdten.

Artikel 49

De volgende artikelen, leden en bijlagen van Verordening (EG) nr. 894/97 worden met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken:

- de artikelen 1 tot en met 10;

- de artikelen 12 tot en met 17;

- de bijlagen I tot en met VII.

Verwijzingen naar de genoemde verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening, volgens de concordantietabel in bijlage XV.

De wetenschappelijke benamingen van de mariene organismen die in de onderhavige verordening worden genoemd, staan in bijlage XIV.

Artikel 50

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is met ingang van 1 januari 2000 van toepassing, met uitzondering van artikel 32, lid 3 en artikel 47, die van toepassing zijn met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 maart 1998.

Voor de Raad

De Voorzitter

Lord SIMON of HIGHBURY

(1) PB C 292 van 4.10.1996, blz. 1 en

PB C 245 van 12.8.1997, blz. 10.

(2) PB C 132 van 28.4.1997, blz. 235.

(3) PB C 30 van 30.1.1997, blz. 26.

(4) PB L 132 van 23.5.1997, blz. 1.

(5) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(6) PB L 171 van 6.7.1994, blz. 7.

(7) PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1. Verordening gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3259/94 (PB L 339 van 29.12.1994, blz. 11).

(8) PB L 261 van 20.10.1993, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 686/97 (PB L 102 van 19.4.1997, blz. 1).

(9) PB L 389 van 31.12.1992, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(10) PB C 335 van 24.12.1985, blz. 2.

(11) PB C 347 van 31.12.1985, blz. 14.

(12) PB L 194 van 24.7.1984, blz. 22.

(13) PB L 162 van 18.6.1986, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1821/96 (PB L 241 van 21.9.1996, blz. 8).

(14) PB L 388 van 31.12.1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 3318/94 (PB L 350 van 31.12.1994, blz. 15).

BIJLAGE I

GESLEEPT VISTUIG: Gebieden 1 en 2 met uitzondering van het Skagerrak en het Kattegat

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

GESLEEPT VISTUIG: Gebied 3, met uitzondering van ICES-sector IXa oostelijk van 7°23'48″ westerlengte

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

GESLEEPT VISTUIG: ICES-sector IXa ten oosten van 7°23'48″ westerlengte

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

GESLEEPT VISTUIG: Skagerrak en Kattegat

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE V

GESLEEPT VISTUIG: Gebieden 4, 5 en 6

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VI

STAAND VISTUIG: Gebieden 1 en 2

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VII

STAAND VISTUIG: Gebied 3

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VIII

Toegestane combinaties van maaswijdten voor de gebieden 1 en 2 met uitzondering van het Skagerrak en het Kattegat

Millimeter

< 16 + 16-31

16-31 + 32-54

16-31 + 70-79

16-31 + 80-99

16-31 + ≥ 100

32-54 + 70-79

32-54 + 80-99

32-54 + ≥ 100

70-79 + 80-99

70-79 + ≥ 100

80-99 + ≥ 100

BIJLAGE IX

Toegestane combinaties van maaswijdten voor gebied 3, met uitzondering van ICES-sector IXa ten oosten van 7° 23' 48″ westerlengte

Millimeter

16-31 + 32-54

16-31 + ≥ 70

32-54 + ≥ 70

55-59 + ≥ 70

70-79 + ≥ 70

BIJLAGE X

Voorwaarden voor het gebruik van combinaties van maaswijdten in de gebieden 1 en 2, met uitzondering van het Skagerrak en het Kattegat

p.m.

BIJLAGE XI

Voorwaarden voor het gebruik van combinaties van maaswijdten in gebied 3, met uitzondering van ICES-sector IXa ten oosten van 7°23'48″ westerlengte

p.m.

BIJLAGE XII

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(1*) Voetnoot van de vertaler: volgens bijlage XIV luidt de Latijnse benaming van de Amerikaanse venusschelp "Mercenaria mercenaria" (Engels: "hard clam").

(2) Totale lengte (lengte van de schaal).

(3) 30 cm voor industriële doeleinden.

(4) Met ingang van 1 januari 2002 is een schaallengte van 87 mm van toepassing.

(5) Het is verboden in aantal meer dan 15 % zwaardvis van minder dan 25 kg of 125 cm aan te voeren.

(6) Het is verboden in aantal meer dan 15 % gewone tonijn van minder dan 6,4 kg of 70 cm aan te voeren. Daarnaast is het verboden gewone tonijnen aan te voeren met een gewicht van minder dan 1,8 kg.

BIJLAGE XIII

BEPALING VAN DE AFMETING VAN MARIENE ORGANISMEN

1. Elke vis wordt, zoals figuur 1 laat zien, gemeten van de punt van de snuit tot het uiteinde van de staartvin.

2. Langoestines worden, zoals figuur 2 laat zien, gemeten:

- in de lengte van het kopborststuk, evenwijdig aan de middellijn, vanaf de achterkant van een oogkas tot aan de verste rand van het kopborststuk, en/of

- in de totale lengte, vanaf de punt van het rostrum tot aan het achterste uiteinde van het telson, met uitsluiting van de setae (borstelharen), en/of

- bij losse staarten van langoestines, vanaf de voorkant van het eerste aanwezige segment van de staart tot aan het achterste uiteinde van het telson, met uitsluiting van de setae (borstelharen). De staart wordt plat gemeten, zonder deze uit te rekken, en op de rugzijde.

3. Zeekreeften en langoesten uit de gebieden 1 tot en met 5 met uitzondering van Skagerrak/Kattegat worden, zoals figuur 3 laat zien, gemeten in de lengte van het kopborststuk, evenwijdig aan de middellijn vanaf de achterkant van een oogkas tot aan de verste rand van het kopborststuk.

4. Zeekreeften uit het Skagerrak of het Kattegat worden, zoals figuur 3 laat zien, gemeten:

- in de lengte van de schaal, evenwijdig aan de middellijn, vanaf de achterkant van een oogkas tot aan de verste rand van het kopborststuk, en/of

- in de totale lengte, vanaf de punt van het rostrum tot aan het achterste uiteinde van het telson, met uitsluiting van de setae (borstelharen).

5. Spinkrabben of Noordzeekrabben worden, zoals de figuren 4A respectievelijk 4B laten zien, gemeten over de maximumbreedte van de schaal, haaks op de middellijn over voor- en achterkant van de schaal.

6. Tweekleppige weekdieren worden, zoals figuur 5 laat zien, gemeten over de grootste afmeting van de schelp.

7. Wulken worden zoals figuur 6 laat zien, gemeten in de lengte van de schelp.

Figuur 1

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Figuur 2

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Figuur 3

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

a) Lengte van het kopborststuk

b) Totale lengte>EIND VAN DE GRAFIEK>

Figuur 4A

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Figuur 4B

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Figuur 5

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

Figuur 6

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

BIJLAGE XIV

GANGBARE EN WETENSCHAPPELIJKE NAMEN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE XV

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top