Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998L0070

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad

OJ L 350, 28.12.1998, p. 58–68 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 023 P. 182 - 192
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 026 P. 3 - 13
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 026 P. 3 - 13
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 061 P. 59 - 69

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1998/70/oj

31998L0070

Richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad

Publicatieblad Nr. L 350 van 28/12/1998 blz. 0058 - 0068


RICHTLIJN 98/70/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (3) en gezien de op 29 juni 1998 door het bemiddelingscomité goedgekeurde gemeenschappelijke ontwerptekst,

(1) Overwegende dat verschillen tussen de door de lidstaten vastgestelde wetten of bestuursrechtelijke maatregelen inzake specificaties voor door voertuigen met motoren met elektrische ontsteking, respectievelijk met dieselmotoren, gebruikte conventionele en alternatieve brandstoffen, belemmeringen voor de handel in de Gemeenschap doen ontstaan en daardoor van rechtstreekse invloed kunnen zijn op de totstandbrenging en de werking van de interne markt en op het internationale concurrentievermogen van de Europese automobiel- en olieraffinage-industrie; dat het daarom, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 3 B van het Verdrag, nodig lijkt de wetgevingen op dit gebied nader tot elkaar te brengen;

(2) Overwegende dat in artikel 100 A, lid 3, van het Verdrag is bepaald dat voorstellen van de Commissie die op de totstandbrenging en de werking van de interne markt zijn gericht en onder andere de bescherming van de gezondheid en het milieu betreffen, van een hoog beschermingsniveau dienen uit te gaan;

(3) Overwegende dat primaire luchtverontreinigende stoffen zoals stikstofoxiden, onverbrande koolwaterstoffen, vaste deeltjes, koolmonoxide, benzenen en andere giftige uitlaatemissies die bijdragen tot het ontstaan van secundaire verontreinigende stoffen als ozon in grote hoeveelheden in de uitlaat- en verdampingsgassen van motorvoertuigen worden uitgestoten en daarbij rechtstreeks en onrechtstreeks een aanzienlijk gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu betekenen;

(4) Overwegende dat niettegenstaande de steeds stringenter wordende emissiegrenswaarden voor motorvoertuigen, die in Richtlijn 70/220/EEG van de Raad (4) en in Richtlijn 88/77/EEG van de Raad (5) zijn vastgelegd, teneinde tot een bevredigende luchtkwaliteit te komen, verdere maatregelen nodig zijn om de door voertuigen en andere bronnen veroorzaakte luchtverontreiniging te verminderen;

(5) Overwegende dat bij artikel 4 van Richtlijn 94/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) een nieuwe benadering ten aanzien van het emissieverminderingsbeleid vóór en na 2000 werd ingevoerd en dat daarbij van de Commissie werd verlangd dat zij onder meer een onderzoek instelt naar de bijdrage tot vermindering van de luchtverontreiniging die door verbeteringen in de kwaliteit van benzine, diesel en andere brandstoffen zou kunnen worden geleverd;

(6) Overwegende dat naast de specificaties voor brandstoffen die in een eerste fase vanaf het jaar 2000 zullen gelden, een tweede fase moet worden vastgesteld die in 2005 van kracht zal worden, teneinde de industrie in staat te stellen de investeringen te verrichten die nodig zijn om haar productieplanning aan te passen;

(7) Overwegende dat benzine en dieselbrandstof die voldoen aan de in de bijlagen I, II, III en IV vastgestelde specificaties reeds beschikbaar zijn op de markt in de Europese Gemeenschap;

(8) Overwegende dat het Europese "auto/olieprogramma", waarvan de bijzonderheden in de mededeling van de Commissie betreffende een toekomstige strategie voor de vermindering van de emissies van het wegvervoer zijn vervat, bijdraagt tot een wetenschappelijke, technische en economische grondslag om de invoering, op communautair niveau, aan te bevelen van nieuwe, milieutechnische specificaties voor benzine en voor dieselbrandstof;

(9) Overwegende dat de invoering van milieutechnische specificaties voor benzine en dieselbrandstof een belangrijk onderdeel vormt van een rendabel pakket pan-Europese nationale/regionale/lokale maatregelen dat moet worden uitgevoerd, rekening houdend met de kosten en baten van elke actie;

(10) Overwegende dat de uitvoering van een combinatie van pan-Europese en nationale/regionale/lokale maatregelen ter vermindering van de emissies van voertuigen deel uitmaakt van de algemene strategie van de Commissie om emissies van mobiele en stationaire bronnen op basis van een kosten-batenanalyse en op evenwichtige wijze te verminderen;

(11) Overwegende dat er op korte termijn met name in stedelijke gebieden een vermindering verwezenlijkt dient te worden van vervuilende emissies van voertuigen, waaronder primaire verontreinigende stoffen zoals onverbrande koolwaterstoffen en koolmonoxide, secundaire verontreinigende stoffen zoals ozon, giftige emissies zoals benzeen en emissies van vaste deeltjes; dat een vermindering van de vervuilende uitstoot van voertuigen in stedelijke gebieden onmiddellijk verwezenlijkt kan worden door in motorvoertuigen brandstoffen met een gewijzigde samenstelling toe te passen;

(12) Overwegende dat de toevoeging van zuurstof en een wezenlijke vermindering van aromatische stoffen, olefinen, benzeen en zwavel vanuit het oogpunt van de luchtkwaliteit een betere brandstofkwaliteit kan opleveren;

(13) Overwegende dat de bepalingen van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op minerale oliën (7), en in het bijzonder artikel 8, lid 4, daarvan, differentiatie van accijnzen door de lidstaten, teneinde versneld te komen tot een brandstofkwaliteit die boven de communautaire brandstofspecificaties ligt, ontmoedigen en kunnen verhinderen;

(14) Overwegende dat het gebruik van gedifferentieerde accijnzen door de lidstaten de invoering van meer geavanceerde brandstoffen kan aanmoedigen, overeenkomstig de nationale prioriteiten, mogelijkheden en vereisten;

(15) Overwegende dat de Commissie een voorstel heeft ingediend voor een richtlijn betreffende energieproducten; dat dat voorstel onder meer tot doel heeft de lidstaten de mogelijkheid te bieden om actiever gebruik te maken van fiscale prikkels door middel van gedifferentieerde accijnzen, teneinde de invoering van meer geavanceerde brandstoffen te bevorderen;

(16) Overwegende dat in het algemeen brandstofspecificaties ter vermindering van zowel uitlaat- als verdampingsemissies ontbreken;

(17) Overwegende dat luchtverontreiniging door lood afkomstig van de verbranding van gelode benzine een gevaar voor de menselijke gezondheid en het milieu inhoudt; dat het een grote stap voorwaarts is dat tegen het jaar 2000 vrijwel alle op benzine rijdende wegvoertuigen op ongelode benzine zullen kunnen rijden; dat het in de handel brengen van gelode benzine derhalve strikt dient te worden beperkt;

(18) Overwegende dat de noodzaak van een vermindering van de emissies van voertuigen en de beschikbaarheid van de benodigde raffinagetechnologie de vaststelling van milieutechnische specificaties voor het in de handel brengen van loodvrije benzine en dieselbrandstof rechtvaardigen;

(19) Overwegende dat het wenselijk lijkt dat wordt voorzien in de invoering van twee soorten diesel- en twee soorten benzinebrandstof, waarbij één diesel en één benzine van betere kwaliteit is; dat het wenselijk is dat de diesel en benzine van slechtere kwaliteit vóór 2005 op de markt worden vervangen door de diesel en benzine van betere kwaliteit; dat echter passende maatregelen moeten worden genomen om de vervanging uit te stellen indien toepassing van deze uiterste datum in een lidstaat ernstige moeilijkheden zou opleveren voor zijn industrieën wegens de noodzakelijke aanpassingen van de productie-installaties;

(20) Overwegende dat de lidstaten, ter bescherming van de menselijke gezondheid en/of het milieu in bepaalde agglomeraties of in bepaalde ecologisch kwetsbare gebieden met speciale luchtkwaliteitsproblemen, onder voorbehoud van een bij deze richtlijn in te stellen procedure dient te worden toegestaan te verlangen dat er alleen brandstoffen op de markt worden gebracht die beantwoorden aan strengere milieutechnische specificaties dan bij deze richtlijn worden vastgesteld; dat die procedure een afwijking is van de informatieprocedure die is ingesteld bij Richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (8);

(21) Overwegende dat de lidstaten bewakingssystemen dienen in te voeren om op de conformiteit met de uit hoofde van deze richtlijn vereiste brandstofkwaliteitsnormen te kunnen toezien; dat dergelijke bewakingssystemen op gemeenschappelijke bemonsterings- en testmethoden dienen te berusten; dat door de lidstaten verzamelde informatie over brandstofkwaliteit volgens een gemeenschappelijk model aan de Commissie moet worden medegedeeld;

(22) Overwegende dat de Commissie op basis van een alomvattende evaluatie een voorstel tot aanvulling van de in de bijlagen III en IV bedoelde, vanaf 1 januari 2005 toe te passen verplichte specificaties voor benzine en dieselbrandstof dient voor te leggen; dat de Commissievoorstellen in voorkomend geval ook kunnen voorzien in vaststelling van milieutechnische specificaties voor andere soorten brandstof, zoals vloeibaar petroleumgas, aardgas en biobrandstoffen; dat er bepaalde categorieën voertuigen zijn (bussen, taxi's en bedrijfsvoertuigen) die een groot deel van de luchtvervuiling in steden veroorzaken en die goed zouden kunnen profiteren van bijzondere specificaties;

(23) Overwegende dat, in het licht van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang, verdere ontwikkelingen op het gebied van referentiemethodes voor de meting van de in deze richtlijn aangegeven specificaties wenselijk kunnen zijn; dat daartoe zou moeten worden voorzien in de mogelijkheid van een aanpassing van de bijlagen van de richtlijn aan de technische vooruitgang;

(24) Overwegende dat Richtlijn 85/210/EEG van de Raad van 20 maart 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake het loodgehalte van benzine (9), Richtlijn 85/536/EEG van de Raad van 5 december 1985 betreffende de besparing van ruwe olie door het gebruik van vervangingscomponenten in benzine (10), alsmede artikel 1, lid 1, onder b), en artikel 2, lid 1, van Richtlijn 93/12/EEG van de Raad van 23 maart 1993 betreffende het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (11), bijgevolg dienen te worden ingetrokken;

(25) Overwegende dat de overgangsmaatregelen betreffende Oostenrijk, vermeld in artikel 69 van de Toetredingsakte van 1994, artikel 7 van Richtlijn 85/210/EEG omvatten; dat de toepassing van deze overgangsmaatregel om specifieke redenen van milieubescherming verlengd moet worden tot 1 januari 2000;

(26) Overwegende dat op 20 december 1994 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een modus vivendi is overeengekomen betreffende de maatregelen ter uitvoering van besluiten die zijn vastgesteld volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (12),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1 Toepassingsgebied

Deze richtlijn geeft technische specificaties van brandstoffen voor voertuigen met motoren met elektrische ontsteking en voertuigen met compressieontstekingsmotoren ter bescherming van de gezondheid en het milieu.

Artikel 2 Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "benzine": iedere vluchtige minerale olie voor verbrandingsmotoren met elektrische ontsteking voor de aandrijving van voertuigen die onder de GN-codes 2710 00 27, 2710 00 29, 2710 00 32, 2710 00 34 of 2710 00 36 valt;

2. "dieselbrandstof": gasolie die onder GN-code 2710 00 66 valt en gebruikt wordt voor de aandrijving van voertuigen als bedoeld in Richtlijn 70/220/EEG en Richtlijn 88/77/EEG.

De lidstaten kunnen voorschrijven dat het zwavelgehalte van gasolie voor de motoren van niet voor de weg bestemde mobiele machines en landbouwtrekkers moet voldoen aan eisen die gelden voor het zwavelgehalte van dieselbrandstoffen, als bepaald in deze richtlijn of in Richtlijn 93/12/EEG.

Artikel 3 Benzine

1. De lidstaten verbieden uiterlijk per 1 januari 2000 het op hun grondgebied in de handel brengen van gelode benzine.

2. a) De lidstaten zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts ongelode benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van bijlage I.

b) Onverminderd het bepaalde onder a), staan de lidstaten vanaf 1 januari 2000 toe dat ongelode benzine die beantwoordt aan de specificaties van bijlage III, in de handel wordt gebracht.

c) De lidstaten zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts ongelode benzine in de handel kan worden gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van bijlage III.

3. In afwijking van lid 1 kan een lidstaat op een uiterlijk 31 augustus 1999 bij de Commissie in te dienen verzoek toestemming krijgen om het in de handel brengen van gelode benzine op zijn grondgebied uiterlijk tot 1 januari 2005 te blijven toestaan, indien die lidstaat kan aantonen dat een verbod ernstige sociaal-economische moeilijkheden zou opleveren, of onder andere wegens de klimaatsomstandigheden in die lidstaat niet algemeen van voordeel zou zijn voor het milieu of de gezondheid.

Het loodgehalte van gelode benzine mag niet meer bedragen dan 0,15 g/l en het benzeengehalte moet beantwoorden aan de specificaties van bijlage I. De andere waarden van de specificaties mogen blijven zoals ze momenteel zijn.

4. Onverminderd de bepalingen van lid 2 kan een lidstaat op een uiterlijk 31 augustus 1999 bij de Commissie in te dienen verzoek toestemming krijgen om het in de handel brengen van ongelode benzine die niet voldoet aan de specificatie voor het zwavelgehalte in bijlage I op zijn grondgebied uiterlijk tot 1 januari 2003 te blijven toestaan, indien die lidstaat kan aantonen dat de noodzakelijke aanpassingen van de productie-installaties in de periode tussen de datum van aanneming van deze richtlijn en 1 januari 2000, ernstige moeilijkheden zouden opleveren voor zijn industrieën.

5. Onverminderd de bepalingen van lid 2 kan een lidstaat op een uiterlijk 31 augustus 2003 bij de Commissie in te dienen verzoek toestemming krijgen om het in de handel brengen op zijn grondgebied van ongelode benzine met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan bijlage III, maar wel aan bijlage I, uiterlijk tot 1 januari 2007 te blijven toestaan, indien die lidstaat kan aantonen dat de noodzakelijke aanpassingen van de productie-installaties in de periode tussen de datum van aanneming van deze richtlijn en 1 januari 2005, ernstige moeilijkheden zouden opleveren voor zijn industrieën.

6. De Commissie kan de in de leden 3, 4 en 5 bedoelde afwijkingen in overeenstemming met het Verdrag toestaan.

De Commissie stelt de lidstaten en het Europees Parlement en de Raad in kennis van haar besluit.

7. Onverminderd lid 1 kunnen de lidstaten het in de handel brengen van kleine hoeveelheden gelode benzine met de in lid 3 genoemde specificaties blijven toestaan tot een maximum van 0,5 % van de totale verkoop, voor distributie door speciale belanghebbende groeperingen ten behoeve van oude, karakteristieke voertuigen.

Artikel 4 Dieselbrandstof

1. a) De lidstaten zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2000 op hun grondgebied slechts dieselbrandstof in de handel wordt gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van bijlage II.

b) Onverminderd het bepaalde onder a) staan de lidstaten vanaf 1 januari 2000 toe dat dieselbrandstof die beantwoordt aan de specificaties van bijlage IV, in de handel wordt gebracht.

c) De lidstaten zien erop toe dat er uiterlijk per 1 januari 2005 op hun grondgebied slechts dieselbrandstof in de handel wordt gebracht die beantwoordt aan de milieutechnische specificaties van bijlage IV.

2. Onverminderd de bepalingen van lid 1 kan een lidstaat op een uiterlijk 31 augustus 1999 bij de Commissie in te dienen verzoek toestemming krijgen om het in de handel brengen op zijn grondgebied van dieselbrandstof met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan het bepaalde in bijlage II maar het huidige gehalte niet overschrijdt, uiterlijk tot 1 januari 2003 te blijven toestaan, indien die lidstaat kan aantonen dat de noodzakelijke aanpassingen van de productie-installaties in de periode tussen de datum van aanneming van deze richtlijn en 1 januari 2000 ernstige moeilijkheden zouden opleveren voor zijn industrieën.

3. Onverminderd de bepalingen van lid 1 kan een lidstaat op een uiterlijk 31 augustus 2003 bij de Commissie in te dienen verzoek toestemming krijgen om het in de handel brengen op zijn grondgebied van dieselbrandstof met een zwavelgehalte dat niet voldoet aan het bepaalde in bijlage IV maar wel aan het bepaalde in bijlage II, uiterlijk tot 1 januari 2007 te blijven toestaan, indien die lidstaat kan aantonen dat de noodzakelijke aanpassingen van de productie-installaties in de periode tussen de datum van aanneming van deze richtlijn en 1 januari 2005 ernstige moeilijkheden zouden opleveren voor zijn industrieën.

4. De Commissie kan de in de leden 2 en 3 bedoelde afwijking in overeenstemming met het Verdrag toestaan.

Zij stelt de lidstaten, de Raad en het Europees Parlement in kennis van haar besluit.

Artikel 5 Vrij verkeer

De lidstaten mogen het in de handel brengen van brandstoffen die met de voorschriften van deze richtlijn in overeenstemming zijn niet verbieden, beperken of beletten.

Artikel 6 In de handel brengen van brandstoffen met strengere milieutechnische specificaties

1. In afwijking van de artikelen 3, 4 en 5 kunnen de lidstaten voorschrijven dat er in bepaalde gebieden voor het gehele voertuigenpark of een deel daarvan slechts brandstoffen in de handel mogen worden gebracht die beantwoorden aan strengere milieutechnische specificaties dan die van deze richtlijn om de volksgezondheid in een bepaalde agglomeratie of het milieu in een bepaald ecologisch kwetsbaar gebied in een lidstaat te beschermen, wanneer de luchtverontreiniging een ernstig en steeds terugkerend probleem voor de menselijke gezondheid of het milieu vormt of redelijkerwijze kan worden verwacht dat zulks het geval is.

2. Een lidstaat die van een in lid 1 geboden afwijking gebruik wenst te maken, dient daartoe tevoren een met redenen omkleed verzoek in bij de Commissie. In de motivering moet worden aangetoond dat de afwijking het evenredigheidsbeginsel eerbiedigt en dat het vrije verkeer van personen en goederen er niet door wordt verstoord.

3. De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie de nodige gegevens over de luchtkwaliteit in het bewuste gebied en het verwachte effect van de voorgestelde maatregelen op de luchtkwaliteit.

4. De Commissie verstrekt die informatie onverwijld aan de andere lidstaten.

5. De lidstaten kunnen binnen twee maanden na de datum waarop de Commissie de informatie heeft verstrekt opmerkingen maken over het verzoek en de motivering ervan.

6. De Commissie beschikt op het verzoek binnen drie maanden na de datum waarop de lidstaten hun opmerkingen hebben ingediend. Zij houdt rekening met de opmerkingen van de lidstaten en brengt hen, de Raad en het Europees Parlement tegelijkertijd op de hoogte.

7. Een lidstaat kan het besluit van de Commissie, binnen een maand na kennisgeving voorleggen aan de Raad of, indien de Commissie geen besluit neemt, de zaak binnen een maand na het verstrijken van de in lid 6 genoemde termijn, aan de Raad voorleggen.

8. De Raad kan binnen twee maanden na de voorlegging van de zaak met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 7 Veranderingen in het aanbod van ruwe olie

Indien het voor de raffinaderijen in een lidstaat door uitzonderlijke gebeurtenissen moeilijk wordt de in de artikelen 3 en 4 bedoelde brandstofspecificaties in acht te nemen ten gevolge van een plotselinge verandering in het aanbod van ruwe olie of olieproducten, licht die lidstaat de Commissie daarover in. Na de andere lidstaten te hebben ingelicht kan de Commissie voor ten hoogste zes maanden in die lidstaat voor een of meer brandstofcomponenten hogere grenswaarden toestaan.

De Commissie stelt de lidstaten, het Europees Parlement en de Raad in kennis van haar besluit.

Iedere lidstaat kan het besluit van de Commissie binnen één maand na kennisgeving voorleggen aan de Raad.

De Raad kan binnen één maand na voorlegging van de zaak met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een andersluidend besluit nemen.

Artikel 8 Toezicht op de naleving en rapportage

1. De lidstaten zien er met behulp van de analysemethoden van de bijlagen I en II op toe dat aan de voorschriften van artikel 3 en artikel 4 wordt voldaan.

2. De Commissie bevordert de ontwikkeling van een uniform systeem voor toezicht op de brandstofkwaliteit. De Commissie kan het Europees Comité voor normalisatie (CEN) met het oog op de ontwikkeling van een dergelijk systeem om bijstand vragen.

3. De Commissie stelt uiterlijk 30 juni 2000 een gemeenschappelijk model vast voor de indiening van een overzichtsrapport over de nationale gegevens inzake brandstofkwaliteit.

4. De lidstaten leggen hun overzichtsrapport over het vorige kalenderjaar jaarlijks, uiterlijk op 30 juni, en wel voor het eerst in 2002, aan de Commissie voor.

Artikel 9 Toetsingsproces

1. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad op gezette tijden en voor het eerst niet later dan twaalf maanden na de datum van vaststelling van deze richtlijn, doch uiterlijk op 31 december 1999, in het licht van de overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 98/69/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van voertuigen en tot wijziging van Richtlijn 70/220/EEG van de Raad (13) verrichte evaluatie een voorstel tot herziening van deze richtlijn voor, als integraal onderdeel van de strategie die ontworpen is om resultaten te verkrijgen die beantwoorden aan de luchtkwaliteitsnormen en daarmee verband houdende doelstellingen van de Gemeenschap.

2. Het voorstel bevat milieuspecificaties tot aanvulling van de verplichte specificaties die in bijlage III zijn opgenomen voor benzine en in bijlage IV voor dieselbrandstof, op basis van onder andere kennis die is vergaard met betrekking tot de vereisten inzake emissiebeperking in verband met de kwaliteit van de lucht, de goede werking van nieuwe verontreinigingbeperkende technieken en ontwikkelingen die van invloed zijn op de internationale brandstoffenmarkten.

3. In aanvulling op het bepaalde in de leden 1 en 2 kan de Commissie onder andere voorstellen doen

- teneinde rekening te houden met de bijzondere situatie van bepaalde categorieën voertuigen en de noodzaak specificatieniveaus voor te stellen voor de bijzondere brandstoffen die zij gebruiken;

- tot vaststelling van specificatieniveaus voor vloeibaar petroleumgas, aardgas en biobrandstoffen.

Artikel 10 Procedure voor de aanpassing aan de vooruitgang van de techniek

De wijzigingen die nodig zijn om de meetmethoden in de rechterkolommen ("test") van de bijlagen I, II, III en IV van deze richtlijn aan de technische vooruitgang aan te passen worden volgens de procedure van artikel 11 vastgesteld door de Commissie, die wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld bij artikel 12 van Richtlijn 96/62/EG (14).

Een dergelijke aanpassing mag geen directe of indirecte wijziging van de in deze richtlijn vastgestelde grenswaarden inhouden en evenmin van de data van toepassing daarvan.

Artikel 11 Comitéprocedure

1. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het in artikel 10 bedoelde comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

2. De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Wanneer de Raad drie maanden na de datum van indiening geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Artikel 12 Intrekking, respectievelijk wijziging van de richtlijnen betreffende de kwaliteit van benzine en dieselbrandstoffen

1. De Richtlijnen 85/210/EEG, 85/536/EEG en 87/441/EEG worden ingetrokken met ingang van 1 januari 2000.

2. Richtlijn 93/12/EEG wordt gewijzigd door schrapping van artikel 1, lid 1, onder b), en van artikel 2, lid 1, op 1 januari 2000.

Artikel 13 Omzetting in het nationale recht

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 1 juli 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

De lidstaten passen deze bepalingen toe met ingang van 1 januari 2000.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van nationaal recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14 Oostenrijk

Artikel 7 van Richtlijn 85/210/EEG geldt ten aanzien van het benzeengehalte van benzine bedoeld in artikel 4 van die richtlijn, tot 1 januari 2000 niet voor Oostenrijk.

Artikel 15 Inwerkingtreding van de richtlijn

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 16 Geadresseerden

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 13 oktober 1998.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

J.M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De Voorzitter

C. EINEM

(1) PB C 77 van 11.3.1997, blz. 1, en PB C 209 van 10.7.1997, blz. 25.

(2) PB C 206 van 7.7.1997, blz. 113.

(3) Advies van het Europees Parlement van 10 april 1997 (PB C 132 van 28.4.1997, blz. 170), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 7 oktober 1997 (PB C 351 van 19.11.1997, blz. 1) en besluit van het Europees Parlement van 18 februari 1998 (PB C 80 van 16.3.1998, blz. 92). Besluit van het Europees Parlement van 15 september 1998 (PB C 313 van 12.10.1998). Besluit van de Raad van 17 september 1998.

(4) PB L 76 van 6.4.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/69/EG van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).

(5) PB L 36 van 9.2.1988, blz. 33. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 96/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 40 van 17.2.1996, blz. 1).

(6) PB L 100 van 19.4.1994, blz. 42.

(7) PB L 316 van 31.10.1992, blz. 12. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/74/EG (PB L 365 van 31.12.1994, blz. 46).

(8) PB L 204 van 21.7.1998, blz. 37. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/48/EG (PB L 217 van 5.8.1998, blz. 18).

(9) PB L 96 van 3.4.1985, blz. 25. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(10) PB L 334 van 12.12.1985, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 87/441/EEG van de Commissie (PB L 238 van 21.8.1987, blz. 40).

(11) PB L 74 van 27.3.1993, blz. 81.

(12) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 1.

(13) Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(14) PB L 296 van 21.11.1996, blz. 55.

BIJLAGE I

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET ELEKTRISCHE-ONTSTEKINGSMOTOREN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET COMPRESSIEONTSTEKINGSMOTOREN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE III

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET ELEKTRISCHE-ONTSTEKINGSMOTOREN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE IV

MILIEUTECHNISCHE SPECIFICATIES VOOR IN DE HANDEL VERKRIJGBARE BRANDSTOFFEN VOOR VOERTUIGEN MET COMPRESSIEONTSTEKINGSMOTOREN

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Verklaringen van de Commissie

Ad artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 3

Wanneer de Commissie de verzoeken om afwijking krachtens artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 3, in overweging neemt, vergewist zij zich ervan dat de afwijking verenigbaar is met de Gemeenschapswetgeving, inclusief het mededingingsrecht, rekening houdend met de beschikbaarheid in de Gemeenschap van adequate hoeveelheden brandstof van voldoende goede kwaliteit.

Ad amendement 18 van het Europees Parlement

De Commissie erkent het belang van belastingprikkels bij de bevordering van het gebruik van meer geavanceerde brandstoffen. Zij zal daarmee op passende wijze rekening houden bij de uitvoering van Richtlijn 92/81/EEG van de Raad en er binnen de grenzen van haar bevoegdheden voor zorgen dat de desbetreffende bepalingen van die richtlijn met bekwame spoed worden uitgevoerd.

Top