Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998L0013

Richtlijn 98/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 1998 betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations alsmede inzake de onderlinge erkenning van de conformiteit van die apparatuur

OJ L 74, 12.3.1998, p. 1–26 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

No longer in force, Date of end of validity: 07/04/2000; afgeschaft en vervangen door 399L0005

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1998/13/oj

31998L0013

Richtlijn 98/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 1998 betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations alsmede inzake de onderlinge erkenning van de conformiteit van die apparatuur

Publicatieblad Nr. L 074 van 12/03/1998 blz. 0001 - 0026


RICHTLIJN 98/13/EG VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 12 februari 1998 betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations alsmede inzake de onderlinge erkenning van de conformiteit van die apparatuur

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (1),

Volgens de procedure van artikel 189 B van het Verdrag (2),

(1) Overwegende dat het, om redenen van zowel rationele ordening als duidelijkheid van de tekst, dienstig is over te gaan tot codificatie van Richtlijn 91/263/EEG van de Raad van 29 april 1991 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en de onderlinge erkenning van de conformiteit van de apparatuur (3), alsook van Richtlijn 93/97/EEG van de Raad van 29 oktober 1993 houdende aanvulling van Richtlijn 91/263/EEG wat de apparatuur voor satellietgrondstations betreft (4), waarbij deze in één tekst worden samengebracht;

(2) Overwegende dat de sector eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations een essentieel onderdeel van de telecommunicatie-industrie is, welke zelf één van de steunpilaren van de economie in de Gemeenschap vormt;

(3) Overwegende dat de Commissie in haar Groenboek over de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor telecommunicatiediensten en -apparatuur heeft voorgesteld de volledige wederzijdse erkenning van typegoedkeuringen versneld in te voeren, aangezien dat voor de ontwikkeling van een concurrerende communautaire markt voor eindapparatuur van essentieel belang is;

(4) Overwegende dat de Commissie in haar Groenboek over een gezamenlijke aanpak op het gebied van satellietcommunicatie in de Gemeenschap heeft voorgesteld over te gaan tot onderlinge erkenning van de typegoedkeuring van apparatuur voor satellietgrondstations als één van de voornaamste vereisten voor, onder meer, een communautaire markt voor apparatuur voor satellietgrondstations;

(5) Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 30 juni 1988 inzake de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor telecommunicatiediensten en -apparatuur (5) heeft bevestigd dat volledige wederzijdse erkenning van de typegoedkeuring van eindapparatuur op basis van snel op te stellen gemeenschappelijke Europese specificaties van conformiteit een hoofddoel van het telecommunicatiebeleid is;

(6) Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 19 december 1991 inzake de ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor satellietcommunicatiediensten en -apparatuur (6) de harmonisatie en liberalisatie van geschikte apparatuur voor satellietgrondstations, onder voorbehoud met name van de nodige voorwaarden om aan de fundamentele voorschriften te voldoen, als een hoofddoel van het satellietcommunicatiebeleid heeft erkend;

(7) Overwegende dat de Raad in zijn Beschikking 87/95/EEG (7) de maatregelen heeft vastgesteld die ter bevordering van de normalisatie in Europa en van de uitwerking en toepassing van normen op het gebied van de informatietechnologieën en de telecommunicatie ten uitvoer moeten worden gelegd;

(8) Overwegende dat de Raad in zijn resolutie van 7 mei 1985 (8) een nieuwe aanpak van de technische harmonisatie en normalisatie heeft uitgestippeld;

(9) Overwegende dat het toepassingsgebied van deze richtlijn op een algemene definitie van de termen "eindapparatuur" en "apparatuur voor satellietgrondstations" moet zijn gebaseerd, zodat de technische ontwikkeling van producten mogelijk blijft; dat speciaal geconstrueerde apparatuur voor satellietgrondstations bestemd om deel uit te maken van de infrastructuur van het openbare aardse telecommunicatienet, van het toepassingsgebied is uitgesloten; dat aldus wordt beoogd onder meer satellietgrondstations voor grootschalige doorgifte van sterk gebundeld telefoonverkeer in het kader van de infrastructuurvoorziening (zoals stations met grote schoteldiameter) en grondstations voor het volgen en de controle van satellieten uit te sluiten;

(10) Overwegende dat deze richtlijn geen afbreuk doet aan de bestaande bijzondere of uitsluitende rechten op het vlak van de satellietcommunicatie welke de lidstaten overeenkomstig het Gemeenschapsrecht mogen handhaven;

(11) Overwegende dat de harmonisatie van de voorwaarden voor het in de handel brengen van eindapparatuur voor telecommunicatie de voorwaarden voor een open en eengemaakte markt schept; dat evenzo de totstandbrenging van een geavanceerde en open markt op communautaire schaal voor apparatuur voor satellietgrondstations efficiënte geharmoniseerde procedures van een hoog niveau vereist voor de certificatie, de beproeving, het markeren, de kwaliteitsbewaking en de productcontrole; dat het alternatief voor een communautaire regelgeving bestaat in een vergelijkbaar stelsel van bepalingen die op basis van onderhandelingen tussen de lidstaten tot stand worden gebracht, hetgeen uiteraard problemen met zich zou brengen gezien het grote aantal bij dergelijke veelvoudige bilaterale onderhandelingen betrokken instanties; dat deze oplossing nauwelijks haalbaar is en niet snel en efficiënt zou zijn; dat de doelstellingen van de voorgestelde maatregel dus in ontoereikende mate door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt; dat echter de vorm van een communautaire richtlijn reeds bij herhaling en onder andere in de telecommunicatiesector een werkbaar, snel en efficiënt middel is gebleken; dat de doelstellingen van de voorgenomen maatregel derhalve beter op communautair niveau kunnen worden bereikt;

(12) Overwegende dat naar huidig Gemeenschapsrecht, in afwijking van één van de grondregels van de Gemeenschap, namelijk vrijheid van verkeer van goederen, belemmeringen voor het handelsverkeer binnen de Gemeenschap als gevolg van verschillen in de nationale wetgevingen inzake het in de handel brengen van producten moeten worden aanvaard voorzover deze noodzakelijk kunnen worden geacht om aan dwingende eisen te voldoen; dat de harmonisatie van de wetgevingen in dit geval dan ook beperkt moet blijven tot louter die eisen die nodig zijn om aan de fundamentele voorschriften inzake eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations te voldoen; dat deze voorschriften, omdat zij fundamenteel zijn, in de plaats van de desbetreffende nationale voorschriften moeten komen;

(13) Overwegende dat aan de fundamentele voorschriften moet worden voldaan teneinde het algemeen belang veilig te stellen; dat deze voorschriften oordeelkundig moeten worden toegepast om rekening te houden met de stand van de techniek ten tijde van de fabricage en met de economische eisen;

(14) Overwegende dat Richtlijn 73/23/EEG van de Raad van 19 februari 1973 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (9) en Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (10) onder meer van toepassing zijn op het gebied van telecommunicatie en informatietechnologie;

(15) Overwegende dat Richtlijn 73/23/EEG in het algemeen ook de veiligheid van personen bestrijkt;

(16) Overwegende dat Richtlijn 89/336/EEG van de Raad van 3 mei 1989 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake elektromagnetische compatibiliteit (11) geharmoniseerde procedures voor de bescherming van apparatuur tegen elektromagnetische storingen bevat en dat daarin de beschermingseisen alsmede de controlemodaliteiten zijn vastgesteld; dat de algemene voorschriften in Richtlijn 89/336/EEG van toepassing zijn op onder meer het gebied van telecommunicatie en informatietechnologie en tevens op apparatuur voor satellietgrondstations; dat de eisen inzake elektromagnetische compatibiliteit, in zoverre deze specifiek zijn voor eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations, onder de onderhavige richtlijn vallen;

(17) Overwegende dat het, met betrekking tot de fundamentele voorschriften en om voor de fabrikanten het bewijs dat aan die voorschriften is voldaan, te vergemakkelijken, wenselijk is op Europees niveau over geharmoniseerde normen te beschikken om het algemeen belang bij het ontwerpen en de fabricage van eindapparatuur veilig te stellen en controle op de overeenstemming met deze fundamentele voorschriften mogelijk te maken; dat deze, op Europees niveau geharmoniseerde normen door privaatrechtelijke instellingen worden opgesteld en dat het niet-bindende karakter ervan dient te worden behouden; dat daartoe het Europees Comité voor normalisatie (CEN), het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (Cenelec) en het Europees Instituut voor telecommunicatienormen (ETSI) zijn erkend als de bevoegde instellingen voor de vaststellingen van de geharmoniseerde normen; dat in de zin van de onderhavige richtlijn onder een "geharmoniseerde norm" wordt verstaan, een technische specificatie (Europese norm of harmonisatiedocument) die door één van genoemde instellingen is aangenomen na opdracht van de Commissie, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 83/189/EEG en overeenkomstig bovengenoemde algemene richtsnoeren;

(18) Overwegende dat aan de fundamentele voorschriften inzake interactie met, en in gevallen waarin zulks gerechtvaardigd is, via openbare telecommunicatienetten over het algemeen niet anders kan worden voldaan dan door de toepassing van technische oplossingen ad hoc; dat dergelijke oplossingen derhalve verplicht moeten worden gesteld;

(19) Overwegende dat de voorstellen voor gemeenschappelijke technische voorschriften in het algemeen worden opgesteld op basis van geharmoniseerde normen en, met het oog op een passende technische coördinatie op een brede Europese basis, van bijkomend overleg, in het bijzonder met het Comité voor de toepassing van telecommunicatievoorschriften (TRAC);

(20) Overwegende dat apparatuur voor satellietgrondstations, wat de interface met het in de ruimte gestationeerde systeem betreft, ofwel voor uitzending van radiocommunicatiesignalen, ofwel voor zowel uitzending als ontvangst van radiocommunicatiesignalen, ofwel alleen voor ontvangst van radiocommunicatiesignalen wordt ontworpen;

(21) Overwegende dat apparatuur voor satellietgrondstations, wat de grondinterface ervan betreft, al dan niet voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet wordt bestemd;

(22) Overwegende dat banen (zoals de geostationaire baan, de lageomloopbanen en de elliptische banen) trajecten in de ruimte zijn die worden beschreven door satellieten of andere in de ruimte gestationeerde systemen en die beperkte natuurlijke hulpbronnen vormen;

(23) Overwegende dat de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen worden gebruikt in combinatie met het radiofrequentiespectrum, dat eveneens een beperkte natuurlijke hulpbron is; dat de uitzendende apparatuur van satellietgrondstations gebruik maakt van deze beide hulpbronnen;

(24) Overwegende dat het doelmatige gebruik van de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen in combinatie met het radiofrequentiespectrum en de voorkoming van storende interferentie tussen in de ruimte gestationeerde en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen van belang is voor de ontwikkeling van de satellietcommunicatie in Europa: dat de ITU (International Telecommunications Union) criteria vaststelt voor een doelmatig gebruik van de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen en voor coördinatie van radiofrequenties, zodat ruimte- en grondsystemen zonder ongewenste interferentie naast elkaar kunnen bestaan;

(25) Overwegende dat harmonisatie van de voorwaarden voor het in de handel brengen van apparatuur voor satellietgrondstations zal leiden tot een doelmatig gebruik van de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen en van het radiofrequentiespectrum, en de voorkoming van storende interferentie tussen in de ruimte gestationeerde en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen zal vergemakkelijken;

(26) Overwegende dat ten aanzien van de fundamentele voorschriften met betrekking tot het doelmatige gebruik van de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen en van het radiofrequentiespectrum, en met betrekking tot de voorkoming van storende interferentie tussen ruimte- en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen, over het algemeen aan deze voorschriften niet anders kan worden voldaan dan door de toepassing van specifieke technische oplossingen; dat gemeenschappelijke technische voorschriften derhalve geboden zijn;

(27) Overwegende dat op apparatuur voor satellietgrondstations die gebruikt kan worden voor uitzending of voor uitzending en ontvangst van radiocommunicatiesignalen naast de bepalingen van deze richtlijn ook een vergunningenstelsel van toepassing kan zijn;

(28) Overwegende dat apparatuur voor satellietgrondstations die alleen gebruikt kan worden voor het ontvangen van radiocommunicatiesignalen, niet aan een vergunningenstelsel mag worden onderworpen, doch uitsluitend aan de bepalingen van deze richtlijn moet voldoen, tenzij deze apparatuur voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet wordt bestemd, zoals voorgesteld in het Groenboek over satellietcommunicatie in de Gemeenschap; dat het gebruik van dergelijke apparatuur voor satellietgrondstations in overeenstemming moet zijn met de nationale voorschriften die zich met het Gemeenschapsrecht verdragen;

(29) Overwegende dat het van wezenlijk belang is ervoor te zorgen dat de aangemelde instanties in de gehele Gemeenschap van hoog niveau zijn en voldoen aan de minimumcriteria inzake bekwaamheid, onpartijdigheid, alsmede financiële en andere onafhankelijkheid van cliënten;

(30) Overwegende dat het bij de uitoefening van de haar verleende bevoegdheden dienstig lijkt dat de Commissie wordt bijgestaan door een Comité voor de goedkeuring van eindapparatuur (ACTE), dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten en wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie;

(31) Overwegende dat de vertegenwoordigers van de telecommunicatieorganisaties, van de gebruikers, van de consumenten, van de fabrikanten, van de dienstverleners alsmede van de vakbonden het recht moeten hebben geraadpleegd te worden;

(32) Overwegende dat het ACTE nauw dient samen te werken met de comités die bevoegd zijn voor de vergunningsprocedures voor satellietnetwerken en satellietdiensten;

(33) Overwegende dat de verantwoordelijkheid van de lidstaten op hun grondgebied voor veiligheid, gezondheid en andere, onder de fundamentele voorschriften vallende aspecten moet worden erkend in een vrijwaringsclausule die in adequate communautaire beschermingsprocedures voorziet;

(34) Overwegende dat degenen tot wie een in het kader van deze richtlijn genomen besluit is gericht, in kennis moeten worden gesteld van de redenen voor dat besluit en van hun ter beschikking staande rechtsmiddelen;

(35) Overwegende dat overgangsregelingen nodig zijn om de fabrikanten tijd te geven het ontwerp en de productie van apparatuur voor satellietgrondstations aan te passen aan de gemeenschappelijke technische voorschriften; dat de overgangsregelingen per geval moeten worden uitgewerkt met het oog op de nodige flexibiliteit; dat de nodige overgangsregelingen in de gemeenschappelijke technische voorschriften moeten worden opgenomen;

(36) Overwegende dat voor Europese fabrikanten een reële vergelijkbare toegang tot de markten van derde landen, in het bijzonder van de Verenigde Staten van Amerika en van Japan, bij voorkeur tot stand moet worden gebracht via multilaterale onderhandelingen in Wereldhandelsorganisatie (WTO)-verband, hoewel ook bilaterale besprekingen tussen de Gemeenschap en derde landen hiertoe kunnen bijdragen;

(37) Overwegende dat deze richtlijn geen afbreuk mag doen aan de verplichtingen van de lidstaten betreffende de transponeringstermijnen van de in bijlage X, deel B, vermelde richtlijnen,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

INHOUDSOPGAVE

Bladzijde

Artikel 1: Toepassingsgebied en definities . 5

Titel I: Eindapparatuur voor telecommunicatie . 5

Titel II: Apparatuur voor satellietgrondstations . 8

Titel III: Algemene bepalingen . 11

Bijlage I: EG-typeonderzoek . 13

Bijlage II: Overeenstemming met het type . 15

Bijlage III: Productkwaliteitsbewaking . 16

Bijlage IV: Volledige kwaliteitsbewaking . 18

Bijlage V: Door de lidstaten in acht te nemen minimumcriteria bij de aanwijzing van de overeenkomstig artikel 11, lid 1, aan te melden instanties . 20

Bijlage VI: Markeringen voor de in artikel 12, lid 1, bedoelde eindapparatuur . 21

Bijlage VII: Markeringen voor apparatuur als bedoeld in artikel 12, lid 4 . 21

Bijlage VIII: Model van de verklaring als bedoeld in artikel 3, lid 1 . 22

Bijlage IX: Procedure van de interne EG-fabricagecontrole . 23

Bijlage X: Deel A - Lijst van ingetrokken richtlijnen en bepalingen . 24

Deel B - Lijst met transponeringstermijnen in nationaal recht . 24

Bijlage XI: Concordantietabel . 25

Artikel 1 Toepassingsgebied en definities

1. Deze richtlijn is van toepassing op eindapparatuur en op apparatuur voor satellietgrondstations.

2. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

- "openbaar telecommunicatienet": de openbare telecommunicatie-infrastructuur die het transport mogelijk maakt van signalen tussen gedefinieerde netwerkaansluitpunten via draadverbindingen, microgolfsystemen, optische middelen of andere elektromagnetische middelen;

- "eindapparatuur": apparatuur die bestemd is om op het openbare telecommunicatienetwerk te worden aangesloten, d.w.z.

a) om rechtstreeks op de aansluitingspunten van een openbaar telecommunicatienet te worden aangesloten, of

b) voor interactie met een openbaar telecommunicatienet via rechtstreekse of onrechtstreekse aansluiting op de aansluitingspunten van een openbaar telecommunicatienet,

ten behoeve van de uitzending, verwerking of ontvangst van informatie.

Het verbindingssysteem kan bestaan uit draad-, radio- of optische systemen of uit enig ander elektromagnetisch systeem;

- "technische specificatie": de specificatie die is vervat in een document ter omschrijving van de vereiste kenmerken van een product, zoals kwaliteitsniveaus, gebruiksgeschiktheid, veiligheid, afmetingen, met inbegrip van de voorschriften inzake terminologie, symbolen, beproevingen en beproevingsmethoden, verpakking, markering en etikettering, die op het product van toepassing zijn;

- "norm": de technische specificatie die door een erkende, normen opstellende, instelling voor herhaalde of doorlopende toepassing is vastgesteld, doch waarvan naleving niet verplicht is;

- "apparatuur voor satellietgrondstations": apparatuur die gebruikt kan worden ofwel uitsluitend voor het uitzenden ofwel voor het uitzenden en het ontvangen ("uitzenders/ontvangers") ofwel uitsluitend voor het ontvangen ("ontvangers") van radiocommunicatiesignalen door middel van satellieten of andere in de ruimte gestationeerde systemen, doch met uitsluiting van speciaal geconstrueerde apparatuur voor satellietgrondstations die bestemd is voor gebruik als onderdeel van het openbare telecommunicatienet van een lidstaat;

- "grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet": elke aansluiting op het openbare telecommunicatienet die geen ruimtesegment omvat.

TITEL I EINDAPPARATUUR VOOR TELECOMMUNICATIE

Hoofdstuk I Het in de handel brengen en vrij verkeer

Artikel 2

De bestemming van de apparatuur wordt aangegeven door de fabrikant of de leverancier van de apparatuur. Eindapparatuur in de zin van artikel 1, lid 2, tweede streepje, waarbij gebruik wordt gemaakt van een verbindingssysteem met benutting van het radiofrequentiespectrum, wordt evenwel geacht te zijn bestemd voor aansluiting op het openbare telecommunicatienet.

Artikel 3

1. Niettegenstaande de artikelen 1 en 2, moet apparatuur die op openbare telecommunicatienetten kan worden aangesloten, maar niet voor dit doel is bestemd, vergezeld gaan van een verklaring van de fabrikant of van de leverancier, waarvan het model in bijlage VII staat, en van de handleiding. Wanneer de apparatuur voor het eerst in de handel wordt gebracht, moet een exemplaar van deze documentatie worden toegezonden aan de in artikel 11, lid 1, bedoelde aangemelde instantie in de lidstaat waar de apparatuur voor het eerst in de handel wordt gebracht. Bovendien geldt voor deze apparatuur het bepaalde in artikel 12, lid 4.

2. De fabrikant of de leverancier moet bereid zijn eenmaal, op verzoek van elke in artikel 11, lid 1, bedoelde aangemelde instantie, de bestemming van de apparatuur te rechtvaardigen op basis van de relevante technische kenmerken en van de functies ervan, alsmede van het marktsegment waarvoor de apparatuur wordt bestemd.

Artikel 4

1. De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat eindapparatuur uitsluitend in de handel wordt gebracht en in bedrijf gesteld indien deze is voorzien van de in artikel 12 bedoelde CE-markering, waarbij wordt bevestigd dat de apparatuur voldoet aan de voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de in hoofdstuk II bedoelde overeenstemmingsbeoordelingsprocedures, wanneer de apparatuur op de juiste wijze geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig de bestemming ervan gebruikt wordt.

2. De lidstaten nemen tevens alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3 bedoelde apparatuur uitsluitend in de handel wordt gebracht en op de markt mag blijven indien deze aan de voorschriften van deze richtlijn voor die apparatuur voldoet en niet op het openbare telecommunicatienet wordt aangesloten in de zin van artikel 1, lid 2, eerste streepje.

3. De lidstaten nemen tevens alle dienstige maatregelen om ervoor te zorgen dat de in artikel 3 bedoelde eindapparatuur of apparatuur van het openbare telecommunicatienet wordt losgekoppeld indien deze apparatuur niet overeenkomstig de bestemming ervan wordt gebruikt. Voorts nemen de lidstaten, overeenkomstig hun nationale wetgeving, alle dienstige maatregelen om te voorkomen dat eindapparatuur die niet overeenkomstig de bestemming ervan wordt gebruikt, wordt aangesloten op het openbare telecommunicatienetwerk.

4. a) Indien de eindapparatuur met betrekking tot andere aspecten onder andere richtlijnen valt die voorzien in het aanbrengen van de CE-markering, geeft deze markering aan dat de eindapparatuur geacht wordt ook aan de voorschriften van deze andere richtlijnen te voldoen.

b) Indien echter in een of meer van deze richtlijnen gedurende een overgangsperiode de fabrikant de keuze van de toe te passen regeling wordt gelaten, geeft de CE-markering alleen aan dat aan de voorschriften van de door de fabrikant toegepaste richtlijnen is voldaan. In dat geval moeten de in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen bekendgemaakte referenties van de toegepaste richtlijnen worden vermeld op de door deze richtlijnen vereiste documenten, handleidingen of gebruiksaanwijzingen die bij de eindapparatuur zijn gevoegd.

Artikel 5

Eindapparatuur moet aan de volgende fundamentele voorschriften voldoen:

a) veiligheid van de gebruiker voorzover dit voorschrift niet valt onder het toepassingsgebied van Richtlijn 73/23/EEG. Voor de doeleinden van deze richtlijn omvatten de fundamentele voorschriften de veiligheid van personen op dezelfde wijze als bij Richtlijn 73/23/EEG is geregeld;

b) veiligheid van het personeel van de exploitanten van openbare telecommunicatienetten voorzover dit voorschrift niet valt onder het toepassingsgebied van Richtlijn 73/23/EEG;

c) elektromagnetischecompatibiliteitseisen voorzover zij specifiek zijn voor eindapparatuur;

d) bescherming van het openbare telecommunicatienet tegen schade;

e) doelmatig gebruik van het radiofrequentiespectrum, in voorkomend geval;

f) interactie van eindapparatuur met apparatuur van openbare telecommunicatienetten ten behoeve van het tot stand brengen, het wijzigen, het aanrekenen, het in stand houden en het beëindigen van reële of virtuele verbindingen;

g) interactie van eindapparatuur via het openbare telecommunicatienet in gerechtvaardigde gevallen.

De gevallen waarin de door eindapparatuur verzekerde dienst:

i) een gereserveerde dienst is overeenkomstig de communautaire wetgeving, of

ii) een dienst is ten aanzien waarvan de Raad besloten heeft dat deze in de gehele Gemeenschap beschikbaar moet zijn,

worden beschouwd als gerechtvaardigde gevallen en de eisen inzake deze interactie worden bepaald volgens de procedure van artikel 29. Voorts kan de Commissie, na overleg met vertegenwoordigers van de in artikel 28, lid 3, bedoelde instanties en rekening houdend met het resultaat van dat overleg, voorstellen dit essentiële voorschrift als gerechtvaardigd voor andere eindapparatuur te beschouwen in het kader van de procedure van artikel 29.

Artikel 6

De lidstaten belemmeren niet het in de handel brengen, het vrije verkeer en het gebruik op hun grondgebied van eindapparatuur die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet.

Artikel 7

1. De lidstaten gaan ervan uit dat eindapparatuur voldoet aan de fundamentele voorschriften van artikel 5, onder a) en b), indien die apparatuur in overeenstemming is met de nationale normen, waarin de desbetreffende geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt, zijn omgezet. De lidstaten maken de referenties van deze nationale normen bekend.

2. Volgens de procedure van artikel 29 stelt de Commissie vast:

- in een eerste fase, de maatregel waarbij omschreven wordt voor welk type eindapparatuur gemeenschappelijke technische voorschriften vereist zijn, alsmede de daarmee samenhangende verklaring betreffende de draagwijdte van deze voorschriften, teneinde deze aan de desbetreffende normalisatie-instellingen toe te zenden;

- in een tweede fase, na voorbereiding door de betrokken normalisatie-instellingen, de overeenkomstige geharmoniseerde normen, of onderdelen daarvan, ter uitvoering van de in artikel 5, onder c) tot en met g), bedoelde fundamentele voorschriften, welke zullen worden omgezet in bindende gemeenschappelijke, technische voorschriften waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

Artikel 8

Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat de in artikel 7 bedoelde geharmoniseerde normen verder gaan dan of niet geheel voldoen aan de fundamentele voorschriften van artikel 5, legt de Commissie of de betrokken lidstaat de zaak, met opgave van de redenen, voor aan het comité van artikel 28. Het comité brengt zo spoedig mogelijk advies uit.

Aan de hand van het advies van het comité en na raadpleging van het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde permanente comité, stelt de Commissie de lidstaten ervan in kennis dat de referenties van deze normen en van daarmee verband houdende technische voorschriften al dan niet uit het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen moeten worden verwijderd en neemt zij de nodige maatregelen opdat de geconstateerde gebreken in de normen gecorrigeerd worden.

Artikel 9

1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat eindapparatuur die, overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III, van markering is voorzien en overeenkomstig de door de fabrikant beoogde bestemming wordt gebruikt, niet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften voldoet, neemt hij alle nodige maatregelen om de apparatuur uit de handel te nemen of het in de handel brengen ervan te verbieden of te beperken.

De betrokken lidstaat stelt de Commissie onmiddellijk van deze maatregel in kennis en geeft de redenen van zijn besluit aan, met name of de niet-conformiteit voortvloeit uit:

a) een onjuiste toepassing van de in artikel 7 bedoelde geharmoniseerde normen of gemeenschappelijke technische voorschriften;

b) een leemte in de in artikel 7 bedoelde geharmoniseerde normen of gemeenschappelijke technische voorschriften zelf.

2. De Commissie raadpleegt de betrokken partijen zo spoedig mogelijk. Indien de Commissie na deze raadpleging tot de bevinding komt dat een maatregel als bedoeld in lid 1 gerechtvaardigd is, stelt zij de lidstaat die de maatregel heeft genomen en de overige lidstaten hiervan onmiddellijk in kennis. Wanneer de reden van het in lid 1 bedoelde besluit een leemte in de geharmoniseerde normen of de gemeenschappelijke technische voorschriften is, en de lidstaat die de maatregelen heeft genomen, deze wil handhaven, legt de Commissie deze zaak, na raadpleging van de betrokken partijen, binnen twee maanden aan het in artikel 8 bedoelde comité voor en leidt zij de procedure van artikel 8 in.

3. Wanneer eindapparatuur die niet met de betrokken fundamentele voorschriften in overeenstemming is, toch van de markering "CE" is voorzien, neemt de bevoegde lidstaat tegen degene die de markering heeft aangebracht, passende maatregelen en stelt de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis.

4. De Commissie houdt de lidstaten op de hoogte van de voortgang en het resultaat van deze procedure.

Hoofdstuk II Conformiteitsbeoordeling

Artikel 10

1. Al naar gelang van de keuze van de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde wordt eindapparatuur ofwel onderworpen aan een EG-typeonderzoek als beschreven in bijlage I ofwel aan de EG-verklaring van overeenstemming als beschreven in bijlage IV.

2. Een EG-typeonderzoek als beschreven in bijlage I gaat vergezeld van een verklaring die wordt afgegeven overeenkomstig de procedure voor de EG-verklaring van typeovereenstemming als beschreven in bijlage II of bijlage III.

3. De dossiers en de correspondentie in verband met de in dit artikel bedoelde procedures worden gesteld in een officiële taal van de lidstaat waar de genoemde procedure wordt gevolgd of in een taal die voor de betrokken aangemelde instantie aanvaardbaar is.

Artikel 11

1. De lidstaten delen de Commissie en de overige lidstaten mee welke in de Gemeenschap gevestigde instanties zij hebben belast met de certificatie, de productcontroles en het daarmee verband houdende toezicht met betrekking tot de in artikel 10 bedoelde procedures en welk identificatienummer door de Commissie vooraf aan deze instanties is toegekend.

De lidstaten passen voor de aanwijzing van die instanties de minimumcriteria van bijlage V toe. Instanties die voldoen aan de criteria van de desbetreffende geharmoniseerde normen, worden geacht aan de criteria van bijlage V te voldoen.

2. Elke lidstaat licht de Commissie in over de in de Gemeenschap gevestigde beproevingslaboratoria die hij heeft aangewezen voor het verrichten van proeven met betrekking tot de in artikel 10 bedoelde procedures. De aangemelde instanties passen voor de aanwijzing van die laboratoria de criteria toe die zijn vastgesteld in de desbetreffende onderdelen van de geharmoniseerde normen.

3. De Commissie publiceert in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen de lijst van aangemelde instanties met hun identificatienummer en de lijst van beproevingslaboratoria, samen met de taken waarvoor zij zijn aangewezen; zij zorgt voor de bijwerking van deze lijsten.

4. Een lidstaat die krachtens lid 1 of lid 2 een aangemelde instantie of een beproevingslaboratorium heeft aangewezen, vernietigt deze aanwijzing indien de instantie of het laboratorium niet langer voldoet aan de desbetreffende criteria voor aanwijzing.

Hij stelt de overige lidstaten en de Commissie onverwijld daarvan op de hoogte en trekt de aanmelding in. Indien een lidstaat of de Commissie van oordeel is dat een aangemelde instantie die of het beproevingslaboratorium dat door een lidstaat is aangewezen, niet voldoet aan de desbetreffende criteria, wordt deze zaak voorgelegd aan het in artikel 28 bedoelde comité, dat binnen drie maanden advies uitbrengt; in het licht van het advies van het comité stelt de Commissie de betrokken lidstaat in kennis van eventuele wijzigingen die noodzakelijk zijn opdat die aangemelde instantie of dat beproevingslaboratorium de erkende status kan behouden.

5. Teneinde gemakkelijker te kunnen vaststellen of eindapparatuur met de technische voorschriften en normen overeenstemt, erkennen de aangemelde instanties documentatie die door bevoegde instanties in derde landen is verstrekt, indien tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land overeenkomsten zijn gesloten op basis van een voor beide partijen bevredigende overeenstemming.

6. Wanneer de in lid 1 bedoelde aangemelde instanties de in bijlage I bedoelde verklaring van EG-typeonderzoek alsmede het in bijlage II of III bedoelde document verstrekken of een in bijlage IV bedoeld besluit nemen inzake de beoordeling van de kwaliteitsbewaking, gaan deze instanties tevens over tot een administratieve goedkeuring houdende machtiging tot aansluiting van de betrokken eindapparatuur op het openbare telecommunicatienet.

Hoofdstuk III CE-markering van overeenstemming en vermeldingen

Artikel 12

1. Het markeren van met de richtlijn in overeenstemming zijnde eindapparatuur bestaat in het aanbrengen van de CE-markering in de vorm van de initialen "CE", gevolgd door het identificatienummer van de aangemelde instantie die in de productiecontrolefase optreedt, en een merkteken dat aangeeft dat de apparatuur bestemd en geschikt is om op het openbare telecommunicatienet te worden aangesloten. Het model van de te gebruiken CE-markering en de aanvullende aanduidingen worden in bijlage VI beschreven.

2. Het is verboden markeringen aan te brengen die derden kunnen misleiden omtrent de betekenis of de grafische vorm van de markeringen als beschreven in de bijlagen VI en VII. Op apparatuur mogen andere markeringen worden aangebracht op voorwaarde dat de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet worden verminderd.

3. Op eindapparatuur wordt, ter identificatie, door de fabrikant aan de hand van het model een partij- en/of serienummer vermeld, alsmede de naam van de fabrikant en/of de leverancier die bevoegd is voor het in de handel brengen van de apparatuur.

4. Fabrikanten of leveranciers die apparatuur in de handel brengen als bedoeld in artikel 3, brengen het in bijlage VII weergegeven symbool zodanig aan dat dit volgt op de in bijlage VI afgebeelde initialen "CE" en visueel een integrerend deel van de totale markering vormt.

Artikel 13

Onverminderd artikel 9:

a) ontstaat, wanneer een lidstaat vaststelt dat de CE-markering ten onrechte is aangebracht, voor de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde de verplichting om onder de door deze lidstaat gestelde voorwaarden het product in overeenstemming te brengen met de bepalingen inzake de CE-markering en aan de inbreuk een einde te maken;

b) treft de lidstaat, indien de niet-overeenstemming voortduurt, alle nodige maatregelen om overeenkomstig de procedures van artikel 9 het in de handel brengen van het bewuste product te beperken of te verbieden dan wel ervoor zorg te dragen dat het uit de handel wordt genomen.

TITEL II APPARATUUR VOOR SATELLIETGRONDSTATIONS

Hoofdstuk I Het in de handel brengen en vrij verkeer

Artikel 14

De fabrikant of de leverancier van apparatuur voor satellietgrondstations geeft aan of de apparatuur al dan niet wordt bestemd voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet.

Artikel 15

1. De lidstaten nemen de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat uitsluitend voor ontvangst dienende apparatuur voor satellietgrondstations die niet bestemd is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, overeenkomstig met de voorschriften van het Gemeenschapsrecht conforme nationale wettelijke voorschriften op hun grondgebied in de handel gebracht en in bedrijf gesteld mag worden, mits deze apparatuur aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet wanneer deze op de juiste wijze wordt geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig de doeleinden waarvoor deze apparatuur is bestemd, wordt gebruikt.

Dit gebruik moet in overeenstemming zijn met elke nationale wetgeving die zich met het Gemeenschapsrecht verdraagt en die het gebruik beperkt tot de ontvangst van diensten die voor de betrokken gebruiker zijn bestemd.

2. De lidstaten nemen de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat andere apparatuur voor satellietgrondstations alleen in de handel kan worden gebracht indien die apparatuur aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet wanneer deze op de juiste wijze wordt geïnstalleerd en onderhouden en overeenkomstig de doeleinden waarvoor deze apparatuur is bestemd, wordt gebruikt. Het gebruik van deze apparatuur mag worden onderworpen aan een met het Gemeenschapsrecht conform vergunningenstelsel.

3. De lidstaten nemen tevens de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat apparatuur voor satellietgrondstations die niet wordt bestemd voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, niet op het openbare telecommunicatienet mag worden aangesloten.

4. De lidstaten nemen tevens de passende maatregelen om ervoor te zorgen dat apparatuur voor satellietgrondstations die niet bestemd is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, van het openbare telecommunicatienet wordt losgekoppeld.

Voorts nemen de lidstaten overeenkomstig hun nationale wetgeving alle passende maatregelen om te voorkomen dat dergelijke apparatuur via een grondaansluiting met het openbare telecommunicatienet wordt verbonden.

Artikel 16

De lidstaten belemmeren niet het vrije verkeer en het in de handel brengen van apparatuur voor satellietgrondstations die aan de bepalingen van deze richtlijn voldoet.

Artikel 17

1. Apparatuur voor satellietgrondstations moet aan dezelfde fundamentele voorschriften voldoen als vermeld in artikel 5.

2. Voor de doeleinden van deze richtlijn omvatten de fundamentele voorschriften van artikel 5, onder a), de veiligheid van personen op dezelfde wijze als dat bij Richtlijn 73/23/EEG is geregeld.

3. Ten aanzien van uitzend- of uitzend/ontvangapparatuur voor satellietgrondstations is in het fundamentele voorschrift van artikel 5, onder e), betreffende het doelmatige gebruik van het radiofrequentiespectrum, tevens begrepen het doelmatige gebruik van de uit banen in de ruimte bestaande hulpbronnen en de voorkoming van storende interferentie tussen in de ruimte gestationeerde en grondcommunicatiesystemen en andere technische systemen.

4. Ten aanzien van apparatuur voor satellietgrondstations geldt voor de elektromagnetische compatibiliteitseisen, voorzover deze voor genoemde apparatuur specifiek zijn, het fundamentele voorschrift van artikel 5, onder c).

5. Apparatuur voor satellietgrondstations moet voldoen aan het fundamentele voorschrift van artikel 5, onder f), voor wat betreft de interactie van apparatuur voor satellietgrondstations met het openbare telecommunicatienet.

6. Apparatuur voor satellietgrondstations moet voldoen aan het fundamentele voorschrift van artikel 5, onder g), voor wat betreft de interactie van apparatuur voor satellietgrondstations via het openbare telecommunicatienet in gerechtvaardigde gevallen.

De gevallen waarin de apparatuur voor satellietgrondstations geschikt en bedoeld is om een dienst te verschaffen ten aanzien waarvan de Raad besloten heeft dat deze in de gehele Gemeenschap beschikbaar moet zijn, worden beschouwd als gerechtvaardigde gevallen en de eisen inzake deze interactie worden bepaald volgens de procedure van artikel 29.

7. Niettegenstaande de leden 1, 5 en 6, behoeft apparatuur voor satellietgrondstations die niet wordt bestemd voor aansluiting op het openbare telecommunicatienet, niet te voldoen aan de fundamentele voorschriften van artikel 5, onder b), d), f) en g).

Artikel 18

1. De lidstaten gaan ervan uit dat apparatuur voor satellietgrondstations voldoet aan de fundamentele voorschriften van artikel 5, onder a) en b), indien deze in overeenstemming is met de nationale normen waarin de desbetreffende geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt, zijn omgezet. De lidstaten maken de referenties van deze nationale normen bekend.

2. De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 29 vast:

- in een eerste fase, de maatregel waarbij omschreven wordt voor welk type apparatuur voor satellietgrondstations gemeenschappelijke technische voorschriften vereist zijn, alsmede de daarmee samenhangende verklaring betreffende de draagwijdte van deze voorschriften, teneinde deze aan de desbetreffende normalisatie-instellingen toe te zenden,

- in een tweede fase, wanneer zij zijn opgesteld door de relevante normalisatie-instellingen, de overeenkomstige geharmoniseerde normen, of delen daarvan, ter uitvoering van de in artikel 17, leden 3 tot en met 6, bedoelde fundamentele voorschriften, die worden omgezet in bindende gemeenschappelijke technische voorschriften en waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen worden bekendgemaakt.

Artikel 19

Wanneer een lidstaat of de Commissie van mening is dat de in artikel 18 bedoelde geharmoniseerde normen verder gaan dan of niet geheel voldoen aan de desbetreffende fundamentele voorschriften van artikel 17, zijn dezelfde onderzoek- en kennisgevingsprocedures van toepassing als bepaald in artikel 8.

Artikel 20

1. Wanneer een lidstaat vaststelt dat apparatuur voor satellietgrondstations die is voorzien van de markering zoals bepaald in hoofdstuk III en waarvan overeenkomstig de door de fabrikant beoogde bestemming een juist gebruik wordt gemaakt, niet aan de desbetreffende fundamentele voorschriften voldoet, gelden dezelfde maatregelen, kennisgevings- en raadplegingsprocedures als die vermeld in artikel 9, leden 1, 2 en 4.

2. Wanneer apparatuur voor satellietgrondstations die niet met de betrokken fundamentele voorschriften in overeenstemming is, van de markering "CE" is voorzien, neemt de bevoegde lidstaat tegen degene die de markering heeft aangebracht, passende maatregelen. Dezelfde kennisgevingsprocedures gelden als die vermeld in artikel 9, leden 3 en 4.

Hoofdstuk II Conformiteitsbeoordeling

Artikel 21

1. Alle uitzend- of uitzend/ontvangapparatuur voor satellietgrondstations wordt naar keuze van de fabrikant of van diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde onderworpen aan alle bepalingen van artikel 10, leden 1 en 2, betreffende de conformiteitsbeoordeling.

2. Ten aanzien van de taalvoorschriften zijn dezelfde procedures van toepassing als die vermeld in artikel 10, lid 3.

Artikel 22

Ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die bestemd is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet is, wat de grondinterface betreft, onderworpen aan de bepalingen van artikel 21, lid 1, betreffende de conformiteitsbeoordeling en, wat de overige aspecten betreft, aan hetzij de bepalingen van artikel 21, lid 1, hetzij de procedure van de interne EG-fabricagecontrole als beschreven in bijlage IX.

Artikel 23

Ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die niet bedoeld is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, is onderworpen aan hetzij de bepalingen van artikel 21, lid 1, hetzij de procedure van de interne EG-fabricagecontrole als beschreven in bijlage IX.

Artikel 24

Naast de bepalingen van de artikelen 21, 22 en 23 gaat apparatuur voor satellietgrondstations die niet bestemd is voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet, vergezeld van een verklaring van de fabrikant of van de leverancier, die wordt opgesteld en toegezonden volgens dezelfde procedures als die in artikel 3 en in bijlage VIII.

Artikel 25

Voor apparatuur voor satellietgrondstations zijn ten aanzien van aangemelde instanties en beproevingslaboratoria dezelfde procedures van toepassing als die in artikel 11 en in bijlage V.

Hoofdstuk III CE-markering van overeenstemming en vermeldingen

Artikel 26

1. Het markeren van met deze richtlijn conforme apparatuur voor satellietgrondstations bestaat uit het aanbrengen van de CE-markering, in de vorm van de initialen "CE", gevolgd door het identificatienummer van de verantwoordelijke aangemelde instantie en, in voorkomend geval, door een symbool dat aangeeft dat de apparatuur bestemd is en geschikt is om via grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet te worden aangesloten. De initialen "CE" en het identificatienummer alsmede het symbool zijn die welke zijn beschreven in bijlage VI.

2. Het aanbrengen van merktekens die kunnen worden verward met de in lid 1 bedoelde CE-markering is verboden.

3. Op apparatuur voor satellietgrondstations wordt, ter identificatie, door de fabrikant aan de hand van het model een partij- en/of serienummer aangebracht alsmede de naam van de fabrikant en/of de leverancier die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de apparatuur.

4. Onverminderd lid 1 wordt ontvangapparatuur voor satellietgrondstations die niet wordt bestemd voor grondaansluiting op het openbare telecommunicatienet en die is onderworpen aan de procedure van de interne EG-fabricagecontrole als beschreven in bijlage IX, gemarkeerd met de uit de initialen "CE" bestaande CE-markering.

Artikel 27

Indien wordt vastgesteld dat de in artikel 26, lid 1, bedoelde markering is aangebracht op apparatuur voor satellietgrondstations die:

- niet met een goedgekeurd type overeenstemt, of

- overeenstemt met een goedgekeurd type dat niet aan de daarvoor geldende fundamentele voorschriften voldoet,

of indien de fabrikant niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen in het kader van de desbetreffende EG-verklaring van overeenstemming, zijn dezelfde procedures van toepassing als die vermeld in artikel 13.

TITEL III ALGEMENE BEPALINGEN

Hoofdstuk I Comité

Artikel 28

1. De Commissie wordt bijgestaan door een raadgevend comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. Het draagt de naam "Comité voor de goedkeuring van eindapparatuur" (ACTE).

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie, advies uit over dit ontwerp, zo nodig door middel van een stemming.

Het advies wordt in de notulen opgenomen; voorts heeft iedere lidstaat het recht te verzoeken dat zijn standpunt in de notulen wordt opgenomen.

De Commissie houdt zoveel mogelijk rekening met het door het comité uitgebrachte advies. Zij brengt het comité op de hoogte van de wijze waarop zij rekening heeft gehouden met zijn advies.

3. De Commissie raadpleegt op gezette tijden de vertegenwoordigers van de telecommunicatieorganisaties, van de gebruikers, van de consumenten, van de fabrikanten, van de dienstverleners alsmede van de vakbonden en deelt het comité het resultaat van deze raadpleging mede opdat het met dit resultaat naar behoren rekening kan houden.

Artikel 29

1. Niettegenstaande artikel 28, leden 1 en 2, is de volgende procedure van toepassing voor aangelegenheden die onder artikel 5, onder g), artikel 7, lid 2, artikel 17, lid 6, en artikel 18, lid 2, vallen.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het in artikel 28 bedoelde comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 5, onder g), artikel 7, lid 2, artikel 17, lid 6, en artikel 18, lid 2. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de lidstaten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid.

Indien de Raad binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

Hoofdstuk II Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 30

1. De Commissie stelt om de twee jaar een rapport op over de uitvoering van deze richtlijn, de voortgang bij het opstellen van de desbetreffende geharmoniseerde normen en de omzetting daarvan in technische voorschriften, alsmede over problemen die bij de uitvoering zijn gerezen. In het rapport worden ook de werkzaamheden van het comité vermeld en wordt de voortgang beoordeeld die is geboekt bij het tot stand brengen van een open markt met vrije mededinging voor eindapparatuur op Gemeenschapsniveau in overeenstemming met de fundamentele voorschriften bedoeld in artikel 5.

2. Bij de indiening van de in artikel 18, lid 2, bedoelde ontwerpmaatregelen betreffende gemeenschappelijke technische voorschriften zorgt de Commissie ervoor dat in voorkomend geval overgangsregelingen in de ontwerpmaatregelen worden opgenomen.

Artikel 31

Artikel 10, lid 5, van Richtlijn 89/336/EEG is niet van toepassing op apparatuur die binnen het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn valt.

Artikel 32

1. Elke typegoedkeuring welke overeenkomstig Richtlijn 86/361/EEG van de Raad (12) door de lidstaten is verleend, mag krachtens de wetgeving van de lidstaten geldig blijven binnen de terzake van de oorspronkelijke goedkeuring toepasselijke geldigheidscriteria.

2. De krachtens Richtlijn 86/361/EEG aangenomen maatregelen worden volgens de procedure van artikel 29 aan het comité voorgelegd met het oog op eventuele omzetting ervan in gemeenschappelijke technische voorschriften.

Artikel 33

De lidstaten delen de Commissie de voornaamste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 34

1. De richtlijnen en bepalingen die in bijlage X, deel A, zijn opgenomen, worden hierbij ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage X, deel B, vermelde transponeringstermijnen betreft.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage XI opgenomen concordantietabel.

Artikel 35

Deze richtlijn wordt van kracht op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 36

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 februari 1998.

Voor het Europees Parlement

De Voorzitter

J. M. GIL-ROBLES

Voor de Raad

De Voorzitter

J. BATTLE

(1) PB C 204 van 15.7.1996, blz. 3.

(2) Advies van het Europees Parlement van 22 mei 1996 (PB C 166 van 10.6.1996, blz. 60), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 16 oktober 1997 (PB C 375 van 10.12.1997, blz. 48), besluit van het Europees Parlement van 19 november 1997 en besluit van de Raad van 18 december 1997.

(3) PB L 128 van 23.5.1991, blz. 1. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/68/EEG (PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1).

(4) PB L 290 van 24.11.1993, blz. 1.

(5) PB C 257 van 4.10.1988, blz. 1.

(6) PB C 8 van 14.1.1992, blz. 1.

(7) PB L 36 van 7.2.1987, blz. 31.

(8) PB C 136 van 4.6.1985, blz. 1.

(9) PB L 77 van 26.3.1973, blz. 29. Richtlijn gewijzigd bij Richtlijn 93/68/EEG (PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1).

(10) PB L 109 van 26.4.1983, blz. 8. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/10/EG (PB L 100 van 19.4.1994, blz. 30).

(11) PB L 139 van 23.5.1989, blz. 19. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 93/68/EEG (PB L 220 van 30.8.1993, blz. 1).

(12) PB L 217 van 5.8.1986, blz. 21. Richtlijn ingetrokken bij Richtlijn 91/263/EEG.

BIJLAGE I

EG-TYPEONDERZOEK

1. Het EG-typeonderzoek is dat deel van de procedure in het kader waarvan een aangemelde instantie vaststelt en verklaart dat een representatief exemplaar van de betrokken productie aan de daarop van toepassing zijnde bepalingen van de richtlijn beantwoordt.

2. De aanvraag om een EG-typeonderzoek wordt door de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde ingediend bij een aangemelde instantie van zijn keuze.

De aanvraag omvat:

- naam en adres van de fabrikant, alsmede naam en adres van de gemachtigde indien de aanvraag door laatstgenoemde wordt ingediend,

- een schriftelijke verklaring dat er geen gelijkluidende aanvraag is ingediend bij een andere aangemelde instantie,

- de technische documentatie als omschreven in punt 3.

De aanvrager stelt een voor de betrokken productie representatief exemplaar, hierna "type" (1) te noemen, ter beschikking van de aangemelde instantie. De aangemelde instantie kan om meer exemplaren verzoeken indien dit nodig is voor het beproevingsprogramma.

3. Op basis van de technische documentatie moet beoordeeld kunnen worden of het product in overeenstemming is met de fundamentele voorschriften van de richtlijn. Voorzover dat voor deze beoordeling nodig is, dient de technische documentatie het ontwerp, het fabricageproces en de werking van het product te bestrijken.

De documentatie omvat, voor wat deze beoordeling betreft, bijvoorbeeld:

- een algemene beschrijving van het type, die volstaat om het goedgekeurde product te identificeren, bij voorkeur aan de hand van foto's;

- ontwerp- en fabricagetekeningen, alsmede lijsten van delen, onderdelen, circuits enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en lijsten en van de werking van het product;

- een lijst van de in artikel 7 bedoelde normen die geheel of gedeeltelijk zijn toegepast en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om aan de fundamentele voorschriften van de richtlijn te voldoen ingeval de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen niet zijn toegepast;

- de resultaten van de verrichte onderzoeken enz.;

- de beproevingsrapporten;

- de voorgestelde aanwijzingen voor de gebruiker of voorgestelde handleiding.

4. De aangemelde instantie

4.1. bestudeert de technische documentatie, controleert of het type in overeenstemming daarmee vervaardigd is en identificeert de onderdelen die ontworpen zijn overeenkomstig de relevante bepalingen van de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen, alsook die waarvan het ontwerp niet op geëigende bepalingen van die normen berust;

4.2. verricht of laat de passende onderzoeken en de noodzakelijke proeven verrichten om na te gaan of de door de fabrikant gekozen oplossingen aan de in artikel 5, onder a) en b), genoemde fundamentele voorschriften van de richtlijn voldoen;

4.3. verricht of laat de passende onderzoeken en de noodzakelijke proeven verrichten om na te gaan of het type voldoet aan de in artikel 7, lid 2, genoemde desbetreffende gemeenschappelijke technische voorschriften;

4.4. stelt in overleg met de aanvrager de plaats vast waar de onderzoeken en noodzakelijke proeven zullen worden verricht.

5. Indien het type voldoet aan de bepalingen van de richtlijn, verstrekt de aangemelde instantie een verklaring van EG-typeonderzoek aan de aanvrager. De verklaring bevat naam en adres van de fabrikant, de conclusies van de controle, de voorwaarden voor de geldigheid van de verklaring en de noodzakelijke gegevens voor de identificatie van het goedgekeurde type.

Een lijst van de belangrijke onderdelen van de technische documentatie wordt als bijlage bij de verklaring gevoegd en een afschrift daarvan wordt door de aangemelde instantie bewaard.

6. De aangemelde instantie die in het bezit is van de technische documentatie betreffende de verklaring van EG-typeonderzoek, wordt door de aanvrager in kennis gesteld van alle in het goedgekeurde product aangebrachte wijzigingen; voor de betrokken wijzigingen moet een aanvullende goedkeuring worden verleend indien zij van invloed kunnen zijn op de overeenstemming met de fundamentele voorschriften of met de voor het product voorgeschreven gebruiksomstandigheden. Deze aanvullende goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een aanvulling op de oorspronkelijke verklaring van EG-typeonderzoek.

7. Iedere aangemelde instantie deelt aan de andere aangemelde instanties de dienstige gegevens mee van de verstrekte en ingetrokken verklaringen van EG-typeonderzoek en aanvullingen.

8. De overige aangemelde instanties kunnen afschriften van de verklaringen van EG-typeonderzoek en/of van de aanvullingen ervan krijgen. De bijlagen bij de verklaringen worden ter beschikking van de overige aangemelde instanties gehouden.

9. Gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product bewaart de fabrikant of zijn gemachtigde naast de technische documentatie ook een afschrift van de verklaring van EG-typeonderzoek en van de aanvullingen daarop.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die met het in de handel brengen van het product in de Gemeenschap is belast, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

(1) Een type kan verscheidene productievarianten omvatten voorzover de verschillen tussen de varianten geen nadelige invloed hebben op het veiligheidsniveau en de andere prestatie-eisen van het product.

BIJLAGE II

OVEREENSTEMMING MET HET TYPE

1. De verklaring van typeovereenstemming is dat deel van de procedure in het kader waarvan de fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde garandeert en verklaart dat de betrokken producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en voldoen aan de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt op ieder product de in artikel 12, lid 1, bedoelde CE-markeringen aan en stelt een verklaring van typeovereenstemming op.

2. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en met de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn.

3. Gedurende een periode van ten minste tien jaar nadat het laatste product is vervaardigd, bewaart de fabrikant of zijn gevolmachtigde een afschrift van de verklaring van overeenstemming.

Indien noch de fabrikant noch zijn gevolmachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de voor het in de handel brengen van het product in de Gemeenschap verantwoordelijke persoon, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

4. Een door de fabrikant gekozen aangemelde instantie verricht met willekeurige tussenpozen productcontroles of laat deze verrichten. Op de plaats van fabricage wordt door de aangemelde instantie of voor haar rekening een adequaat monster van de eindproducten genomen, dat aan een onderzoek wordt onderworpen en waarop passende proeven worden verricht teneinde de overeenstemming van de producten met de desbetreffende voorschriften van de richtlijn te controleren. Ingeval een of meer van de gecontroleerde producten niet in overeenstemming zijn, neemt de aangemelde instantie passende maatregelen.

BIJLAGE III

PRODUCTKWALITEITSBEWAKING

1. De productkwaliteitsbewaking is de procedure waarbij de fabrikant die aan de voorschriften van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en voldoen aan de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt op ieder product de in artikel 12, lid 1, bedoelde CE-markeringen aan en stelt een verklaring van typeovereenstemming op.

2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor fabricage, eindproductcontrole en beproeving, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan het toezicht als omschreven in punt 4.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient voor de betrokken producten bij een aangemelde instantie van zijn keuze een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag behelst:

- alle relevante informatie voor de bedoelde categorie producten;

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- in voorkomend geval, de technische documentatie over het goedgekeurde type en een afschrift van de verklaring van EG-typeonderzoek.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de producten in overeenstemming zijn met het type als beschreven in de verklaring van EG-typeonderzoek en met de voorschriften van de richtlijn die op de producten van toepassing zijn.

Alle door de fabrikant gevolgde elementen, voorschriften en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient het mogelijk te maken dat de kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -rapporten eenvormig worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een adequate beschrijving te bevatten van:

- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot de productkwaliteit;

- de fabricage-, kwaliteitscontrole- en kwaliteitsbewakingstechnieken, de procédés en de systematische handelingen die zullen worden toegepast;

- de controles en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren;

- de kwaliteitsrapporten, zoals controlerapporten, beproevingsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.;

- de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste productkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de voorschriften van punt 3.2. Zij veronderstelt dat aan deze voorschriften wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast (1).

Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient ervaring te hebben met het beoordelen van de producttechnologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een evaluatiebezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem, na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gevolmachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen aanpassing van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde aanpassing en beslist of het aangepaste kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de voorschriften van punt 3.2, dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar besluit in kennis. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. Toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de fabricage-, controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name:

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- de kwaliteitsrapporten, zoals controleverslagen, beproevingsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.

4.3. De aangemelde instantie gaat met redelijke tussenpozen over tot beoordeling om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem in stand houdt en toepast en verstrekt de fabrikant een beoordelingsrapport.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een rapport van het bezoek en, voorzover van toepassing, een beproevingsrapport.

5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar nadat het laatste product is vervaardigd de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;

- de in punt 3.4, laatste alinea, respectievelijk in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde besluiten en rapporten van de aangemelde instantie.

6. Iedere in artikel 11, lid 1, bedoelde aangemelde instantie stelt de andere in dat artikel bedoelde aangemelde instanties de terzake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen ter beschikking.

(1) Namelijk EN ISO-norm 9002, zo nodig aangevuld om rekening te houden met het specifieke karakter van de producten waarop deze norm wordt toegepast.

BIJLAGE IV

VOLLEDIGE KWALITEITSBEWAKING

1. Volledige kwaliteitsbewaking is de procedure waarbij de fabrikant die aan de voorschriften van punt 2 voldoet, garandeert en verklaart dat de betrokken producten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn. De fabrikant of zijn in de Gemeenschap gevestigde gevolmachtigde brengt op ieder product de in artikel 12, lid 1, bedoelde CE-markeringen aan en stelt een verklaring van typeovereenstemming op.

2. De fabrikant hanteert een goedgekeurd kwaliteitssysteem voor ontwerp, fabricage, eindproductcontrole en beproeving, als omschreven in punt 3, en is onderworpen aan het toezicht als omschreven in punt 4.

3. Kwaliteitssysteem

3.1. De fabrikant dient bij een aangemelde instantie een aanvraag voor beoordeling van zijn kwaliteitssysteem in.

Deze aanvraag behelst:

- alle relevante informatie voor de bedoelde producten;

- de documentatie over het kwaliteitssysteem.

3.2. Het kwaliteitssysteem moet waarborgen dat de producten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de richtlijn die op de producten van toepassing zijn.

Alle door de fabrikant gevolgde elementen, voorschriften en bepalingen moeten systematisch en ordelijk worden aangegeven in een documentatie van schriftelijk vastgelegde beleidslijnen, procedures en instructies. Deze documentatie over het kwaliteitssysteem dient het mogelijk te maken dat de kwaliteitbepalende beleidsmaatregelen en procedures, zoals kwaliteitsprogramma's, -plannen, -handleidingen en -rapporten, eenvormig worden geïnterpreteerd.

Zij dient met name een adequate beschrijving te bevatten van:

- de kwaliteitsdoelstellingen, het organisatieschema en de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de bedrijfsleiding met betrekking tot ontwerp- en productkwaliteit;

- de technische specificaties, met inbegrip van de geharmoniseerde normen en technische voorschriften alsmede de desbetreffende beproevingsspecificaties die zullen worden toegepast en, indien de in artikel 7, lid 1, bedoelde normen niet volledig worden toegepast, de middelen die zullen worden aangewend om te waarborgen dat wordt voldaan aan de fundamentele voorschriften van de richtlijn die op de producten van toepassing zijn;

- de controle- en keuringstechnieken voor het ontwerp, de procédés en systematische handelingen die zullen worden toegepast bij het ontwerpen van de producten die onder de bedoelde productcategorie vallen;

- de overeenkomstige fabricage-, kwaliteitscontrole- en kwaliteitsbewakingstechnieken, de procédés en de systematische handelingen die zullen worden toegepast;

- de onderzoeken en proeven die vóór, tijdens en na de fabricage worden verricht en de frequentie waarmee dat zal gebeuren, alsmede, in voorkomend geval, de resultaten van de vóór de fabricage verrichte proeven;

- de middelen waarmee wordt gewaarborgd dat de beproevings- en onderzoekvoorzieningen voldoen aan de desbetreffende voorschriften voor het verrichten van de nodige proeven;

- de kwaliteitsrapporten, zoals controlerapporten, beproevingsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.;

- de middelen om controle uit te oefenen op het bereiken van de vereiste ontwerp- en productkwaliteit en de doeltreffende werking van het kwaliteitssysteem.

3.3. De aangemelde instantie beoordeelt het kwaliteitssysteem om na te gaan of dit voldoet aan de voorschriften van punt 3.2. Zij veronderstelt dat aan deze voorschriften wordt voldaan wanneer het gaat om kwaliteitssystemen waarbij de desbetreffende geharmoniseerde norm wordt toegepast (1).

De aangemelde instantie beoordeelt in het bijzonder of het systeem voor de kwaliteitscontrole waarborgt dat de producten in overeenstemming zijn met de voorschriften van de richtlijn, zulks in het licht van de met inachtneming van de punten 3.1 en 3.2 verstrekte relevante documentatie, met inbegrip van, in voorkomend geval, door de fabrikant verstrekte testresultaten.

Ten minste één lid van het beoordelingsteam dient ervaring te hebben met het beoordelen van de producttechnologie in kwestie. De beoordelingsprocedure omvat een evaluatiebezoek aan de installaties van de fabrikant.

De fabrikant wordt van de beslissing in kennis gesteld. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

3.4. De fabrikant verbindt zich ertoe de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem, na te komen en ervoor te zorgen dat het passend en doeltreffend blijft.

De aangemelde instantie die het kwaliteitssysteem heeft goedgekeurd, wordt door de fabrikant of zijn gevolmachtigde op de hoogte gebracht van elke voorgenomen aanpassing van het kwaliteitssysteem.

De aangemelde instantie beoordeelt de voorgestelde aanpassingen en beslist of het aangepaste kwaliteitssysteem nog steeds voldoet aan de in punt 3.2 bedoelde eisen, dan wel of een nieuwe beoordeling noodzakelijk is.

Zij stelt de fabrikant van haar besluit in kennis. De kennisgeving bevat de conclusies van het onderzoek en het met redenen omklede beoordelingsbesluit.

4. EG-toezicht onder verantwoordelijkheid van de aangemelde instantie

4.1. Het toezicht heeft tot doel ervoor te zorgen dat de fabrikant naar behoren voldoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit het goedgekeurde kwaliteitssysteem.

4.2. De fabrikant verleent de aangemelde instantie voor controledoeleinden toegang tot de ontwerp-, fabricage-, controle-, beproevings- en opslagruimten en verstrekt haar alle nodige informatie, met name

- de documentatie over het kwaliteitssysteem;

- de kwaliteitsrapporten die in het kader van het ontwerpgedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals resultaten van analyses, berekeningen, proeven enz.;

- de kwaliteitsrapporten die in het kader van het fabricagegedeelte van het kwaliteitssysteem moeten worden opgemaakt, zoals controleverslagen, beproevingsgegevens, ijkgegevens, rapporten betreffende de kwalificatie van het betrokken personeel enz.

4.3. De aangemelde instantie gaat met redelijke tussenpozen over tot beoordelingen om erop toe te zien dat de fabrikant het kwaliteitssysteem in stand houdt en toepast en verstrekt de fabrikant een beoordelingsrapport.

4.4. De aangemelde instantie kan bovendien onaangekondigde bezoeken brengen aan de fabrikant. Bij die bezoeken kan de aangemelde instantie zo nodig proeven verrichten of laten verrichten om zich van de goede werking van het kwaliteitssysteem te vergewissen. Zij verstrekt de fabrikant een rapport van het bezoek en, voorzover van toepassing, een beproevingsrapport.

5. De fabrikant houdt gedurende een periode van ten minste tien jaar nadat het laatste product is vervaardigd de volgende gegevens ter beschikking van de nationale autoriteiten:

- de in punt 3.1, tweede alinea, tweede streepje, bedoelde documentatie;

- de in punt 3.4, tweede alinea, bedoelde aanpassingen;

- de in punt 3.4, laatste alinea, respectievelijk in de punten 4.3 en 4.4 bedoelde besluiten en rapporten van de aangemelde instantie.

6. Iedere in artikel 11, lid 1, bedoelde aangemelde instantie stelt de andere in dat artikel bedoelde aangemelde instanties de terzake dienende informatie over afgifte en intrekking van kwaliteitssysteemgoedkeuringen, met inbegrip van de referenties van het (de) betrokken product(en), ter beschikking.

(1) Namelijk EN ISO 9001, zo nodig aangevuld om rekening te houden met het specifieke karakter van de producten waarop deze norm wordt toegepast.

BIJLAGE V

DOOR DE LIDSTATEN IN ACHT TE NEMEN MINIMUMCRITERIA BIJ DE AANWIJZING VAN DE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 11, LID 1, AAN TE MELDEN INSTANTIES

1. De aangemelde instantie, de directeur en het personeel dat is belast met de taken waarvoor de instantie is aangewezen, mogen niet de ontwerper, de fabrikant, de leverancier of de installateur van eindapparatuur, een netexploitant of een dienstverlener zijn, noch de gemachtigde van een der genoemde personen. Zij mogen niet rechtstreeks worden betrokken bij het ontwerp, de fabricage, de verkoop of het onderhoud van eindapparatuur, noch optreden als gemachtigden van de hierbij betrokkenen. Deze bepaling staat een eventuele uitwisseling van technische informatie tussen de fabrikant en de aangemelde instantie niet in de weg.

2. De aangemelde instantie en het personeel dienen de taken waarmee de instantie is belast, uit te voeren met de grootst mogelijke mate van beroepsintegriteit en technische bekwaamheid; zij dienen vrij te zijn van elke druk en beïnvloeding, voornamelijk van financiële aard, die bij hun beoordeling een rol kan spelen dan wel van invloed kan zijn op de resultaten van een controle, inzonderheid van personen of groepen van personen die bij dergelijke resultaten belang hebben.

3. De aangemelde instantie dient te beschikken over het nodige personeel en de nodige voorzieningen om de technische en administratieve werkzaamheden die voortvloeien uit de taken waarvoor zij is aangewezen, naar behoren te kunnen verrichten.

4. Het personeel dat met de controles is belast, moet:

- een goede technische en beroepsopleiding hebben genoten,

- een behoorlijke kennis van de voorschriften inzake de proeven en controles die worden verricht, alsmede voldoende ervaring met dergelijke proeven en controles bezitten,

- de bekwaamheid bezitten om attesten, dossiers en rapporten op te stellen ter bekrachtiging van de controle-uitslagen.

5. De onpartijdigheid van de personeelsleden die met de controles zijn belast, dient te zijn gewaarborgd. Hun bezoldiging mag niet afhangen van het aantal uitgevoerde proeven of controles, noch van de uitslagen daarvan.

6. De aangemelde instantie dient een wettelijkeaansprakelijkheidsverzekering te sluiten, tenzij haar wettelijke aansprakelijkheid overeenkomstig het nationale recht door de staat wordt gedekt dan wel de lidstaat zelf rechtstreeks verantwoordelijk is.

7. Het personeel van de aangemelde instantie is gebonden door het beroepsgeheim ten aanzien van alle informatie die het bij de uitoefening van zijn taak in het kader van deze richtlijn of van de bepalingen van intern recht die daaraan uitvoering geven, ter kennis is gekomen (behalve tegenover de terzake bevoegde overheidsinstanties van de staat waarin de instantie haar werkzaamheden uitoefent).

BIJLAGE VI

MARKERINGEN VOOR DE IN ARTIKEL 12, LID 1, BEDOELDE EINDAPPARATUUR

- De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de initialen "CE" in de volgende grafische vorm, gevolgd door de in artikel 12, lid 1, bedoelde aanvullende aanduidingen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

(Voor het lettertype wordt verwezen naar het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.)

- Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de verhoudingen van bovenstaande afbeelding in acht worden genomen.

- De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.

BIJLAGE VII

MARKERINGEN VOOR APPARATUUR ALS BEDOELD IN ARTIKEL 12, LID 4

>REFERENTIE NAAR EEN GRAFIEK>

- Bij vergroting of verkleining van de CE-markering moeten de verhoudingen van bovenstaande afbeelding in acht worden genomen.

- De onderscheiden onderdelen van de CE-markering moeten nagenoeg dezelfde hoogte hebben, die minimaal 5 mm bedraagt.

BIJLAGE VIII

MODEL VAN DE VERKLARING als bedoeld in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 98/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 februari 1998 betreffende eindapparatuur voor telecommunicatie en apparatuur voor satellietgrondstations alsmede inzake de onderlinge erkenning van de conformiteit van die apparatuur (Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 74 van 12 maart 1998)

>BEGIN VAN DE GRAFIEK>

>EIND VAN DE GRAFIEK>

BIJLAGE IX

PROCEDURE VAN DE INTERNE EG-FABRICAGECONTROLE

1. In deze bijlage wordt de procedure beschreven waarbij de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, die de in punt 2 bedoelde verplichtingen uitvoert, garandeert en verklaart dat de betrokken producten voldoen aan de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn.

De fabrikant brengt op ieder product de CE-markering aan en stelt een schriftelijke verklaring van overeenstemming op.

2. De fabrikant stelt de in punt 3 omschreven technische documentatie op en hij of zijn in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde houdt deze gedurende ten minste tien jaar na de vervaardiging van het laatste product voor inspectiedoeleinden ter beschikking van de betrokken nationale instanties.

Indien noch de fabrikant noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, is de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van het product in de Gemeenschap, degene die de technische documentatie ter beschikking moet houden.

3. Op basis van de technische documentatie moet beoordeeld kunnen worden of het product in overeenstemming is met de voorschriften van de richtlijn die op dat product van toepassing zijn. Voorzover dit nodig is voor de beoordeling, dient de technische documentatie te omvatten:

- een algemene beschrijving van het product;

- ontwerp- en fabricagetekeningen alsmede lijsten van onderdelen, deelsystemen, circuits enz.;

- beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het begrijpen van genoemde tekeningen en lijsten en van de werking van het product;

- een lijst van de geheel of voorzover relevant toegepaste normen als bedoeld in artikel 18, of bij ontstentenis van dergelijke normen het technische constructiedossier en een beschrijving van de oplossingen die zijn gekozen om te voldoen aan de op de producten toepasselijke voorschriften van deze richtlijn;

- de resultaten van berekeningen, onderzoeken enz.;

- beproevingsrapporten.

4. De fabrikant of zijn gemachtigde bewaart een afschrift van de verklaring van overeenstemming met de technische documentatie.

5. De fabrikant neemt alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het fabricageproces waarborgt dat de vervaardigde producten in overeenstemming zijn met de in punt 2 bedoelde technische documentatie en met de voorschriften van de richtlijn die op die producten van toepassing zijn.

BIJLAGE X

DEEL A

Lijst van ingetrokken richtlijnen en bepalingen (als bedoeld in artikel 34)

Richtlijn 91/263/EEG

Artikel 11 van Richtlijn 93/68/EEG

Richtlijn 93/97/EEG

DEEL B

Lijst met transponeringstermijnen in nationaal recht (als bedoeld in artikel 34)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE XI

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top