Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31998D0466

98/466/EG: Beschikking van de Commissie van 21 januari 1998 houdende voorwaardelijke goedkeuring van de voorgenomen steun van Frankrijk aan Société française de production (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 230) (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 205, 22.7.1998, p. 68–74 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/1998/466/oj

31998D0466

98/466/EG: Beschikking van de Commissie van 21 januari 1998 houdende voorwaardelijke goedkeuring van de voorgenomen steun van Frankrijk aan Société française de production (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 230) (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst)

Publicatieblad Nr. L 205 van 22/07/1998 blz. 0068 - 0074


BESCHIKKING VAN DE COMMISSIE van 21 januari 1998 houdende voorwaardelijke goedkeuring van de voorgenomen steun van Frankrijk aan Société française de production (kennisgeving geschied onder nummer C(1998) 230) (Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek) (Voor de EER relevante tekst) (98/466/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 93, lid 2, eerste alinea,

Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, inzonderheid op artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

1. INLEIDING

De huidige beschikking sluit aan bij het besluit (2) van de Commissie van 12 februari 1997 tot inleiding van de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag. Deze procedure en de onderhavige beschikking betreffen 2,5 miljard FRF (379 miljoen ECU) (3) steun - waarvan 1,2 miljard FRF (182 miljoen ECU) voor bedrijfsherstructurering en 1,3 miljard FRF (197 miljoen ECU) voor financiële herstructurering - die Frankrijk voornemens is te verlenen aan Société française de production (SFP). Bij de inleiding van de procedure stond de Commissie, in afwachting van de tenuitvoerlegging van het voorgelegde herstructureringsplan, 350 miljoen FRF reddingssteun toe, om het voortbestaan van SFP op korte termijn te verzekeren.

SFP verricht technische diensten ten behoeve van de audiovisuele sector, met name aan producenten van televisie-uitzendingen. Toen de openbare omroeporganisatie ORTF in 1974 werd opgesplitst in verschillende ondernemingen, werden de televisieproductieactiviteiten in het kader van een nieuwe onderneming - SFP - voortgezet, terwijl de omroepactiviteiten aan verschillende andere organisaties werden toevertrouwd. SFP behield echter een beschermde positie op de Franse audiovisuele markt. SFP staat thans voor 100 % onder zeggenschap van de staat.

In Frankrijk werd de sector audiovisuele productie in 1986 voor mededinging opengesteld. SFP, die slecht op deze nieuwe concurrentiële omgeving was voorbereid, zag haar omzet dalen en raakte in financiële moeilijkheden. Ondertussen werd het personeel aanzienlijk verminderd, van 2 515 werknemers in 1985 tot 996 eind 1997. De verliezen sedert 1986 werden door de staat en door de andere aandeelhouders uit de overheidssector vergoed. Sedertdien verleenden de Franse autoriteiten bij vier verschillende maatregelen in totaal 2,37 miljard FRF steun. Van dit bedrag (4) keurde de Commissie in totaal 1,26 miljard FRF steun goed bij haar beschikkingen van 27 februari en 25 maart 1992. Beschikking 97/238/EG van de Commissie (waar men ook nadere gegevens vindt) heeft betrekking op het verschil van 1,11 miljard FRF; het betreft een negatieve beschikking die in wezen voortvloeit uit het ontbreken van elke vorm van herstructureringsplan. De Franse autoriteiten hebben de Commissie toegezegd dat zij deze steun (die thans - vermeerderd met rente - 1,3 miljard FRF bedraagt) ingevolge deze negatieve beschikking onverwijld zullen terugvorderen.

Met inbegrip van de steun voor bedrijfsherstructurering waarop de onderhavige beschikking betrekking heeft, bedraagt de tot dusver aan SFP toegekende steun 3,57 miljard FRF (2,37 miljard FRF plus 1,2 miljard FRF), of 541 miljoen ECU.

Bij de inleiding van deze procedure was Frankrijk voornemens SFP te privatiseren door de onderneming te verkopen aan de particuliere ondernemingen Images télévision internationale en Générale d'image (ITI/GI). Deze overnemers moesten vervolgens de herstructurering waarvan de voormelde steun deel uitmaakte, ten uitvoer leggen. In april 1997 bleek dat de verkoop aan de overnemers niet zou plaatsvinden. Op 24 november 1997 legden de Franse autoriteiten de Commissie een herstructureringsplan voor dat vergelijkbaar was met het vorige plan dat was opgesteld door ondernemingen die SFP wilden overnemen, met dit verschil dat geen privatisering meer werd beoogd.

2. HET HERSTRUCTURERINGSPLAN

2.1. De onderdelen

Het op 24 november 1997 voorgelegde plan gaat uit van de vermindering van de exploitatiekosten van SFP en van een betere commerciële werking. Het plan loopt over de periode 1 januari 1998 - eind 2000. De weerslag ervan op de omzet, de resultaten en het vaste en tijdelijke personeel worden in de onderstaande tabel aangegeven.

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het financiële evenwicht moet worden bereikt tegen het jaar 2000 met een positief resultaat van 28 miljoen FRF, hetgeen overeenstemt met een rendement van 14 % op de eigen middelen. De verhouding eigen middelen/balanstotaal zal 32 % bedragen.

[ . . . ]

In het voorgestelde plan wordt uitgegaan van een inspanning met betrekking tot de twee belangrijkste posten, te weten de externe lasten en de personeelskosten. Door de reorganisatie van SFP moeten de externe lasten dalen als gevolg van een beter inkoopbeleid, een verbetering van het voorraadbeheer en een vermindering van de exploitatiekosten in verband met de vereenvoudiging van de structuren. De personeelskosten vormen het grootste deel van de exploitatiekosten van SFP. Om het evenwicht te herstellen moeten deze kosten worden verminderd, zowel naar de mening van de ondernemingen die SFP willen overnemen als van de Franse autoriteiten die op dit punt nog drastischer willen optreden dan deze ondernemingen van plan waren. Het vaste personeel zou worden teruggebracht tot ongeveer 450 werknemers. Dit komt neer op ongeveer 566 ontslagen en 20 aanwervingen. Deze 566 ontslagen zullen worden bereikt door de tenuitvoerlegging van een aantal maatregelen:

- het vertrek, uiterlijk op 31 december 1998, van werknemers die minstens 55 jaar en twee maanden oud zijn (469 werknemers). SFP zal een aantal werknemers die geen 55 jaar en twee maanden oud zijn, maar op 31 december 1998 minstens 50 jaar oud zijn, voorstellen - rekening houdend met de behoeften van het bedrijf - een persoonlijk project te voltooien of van werkzaamheden te worden vrijgesteld met een inkomensgarantie. Een groep van 252 werknemers valt onder deze maatregel;

- vrijwillig vertrek met stimulerende maatregelen, met name ter begeleiding van persoonlijke projecten (55 werknemers);

- overschakeling op het tijdelijke statuut van de amusementssector (20 werknemers);

- pensionering (12 werknemers); en

- overgang naar de openbare audiovisuele diensten (10 werknemers, hetgeen overeenstemt met het jaargemiddelde in de periode 1994-1996).

De situatie van het vaste personeel zal zich naar verwachting als volgt ontwikkelen: 996 (januari 1998), 965 (juli 1998), 435 (januari 1999), 450 (juli 1999) en 450 (januari 2000).

Tegenover deze ontwikkeling bij het vaste personeel staat een beperkte toename van het tijdelijke technisch personeel, van 123 werknemers in 1997 tot 270 eind 2000.

Het systeem waardoor de openbare televisieomroepen werden verplicht bij SFP bestellingen te plaatsen, is al enige jaren geleden afgeschaft. SFP moet bijgevolg bestellingen verwerven in concurrentie met de overige audiovisuele ondernemingen op de markt en haar omzet wordt dus niet langer door dit systeem gegarandeerd. Ondanks deze situatie en de personeelsinkrimping zou de omzet in de periode 1997-2000 min of meer op hetzelfde niveau kunnen worden gehandhaafd door maatregelen voor een efficiëntere organisatie:

- de versterking van de commerciële dienst (er zou één commerciële dienst moeten worden opgericht die aansluit bij de betrokken markten; de commerciële directie van SFP moet een bevoorrechte en persoonlijke relatie onderhouden met de afnemers; door vereenvoudigde procedures moet sneller kunnen worden gereageerd);

- de vereenvoudiging van de uiteindelijk aan de nieuwe, beperktere omvang van de onderneming aangepaste structuren (hergroepering van programmatie- en planningtaken, informatisering van de planning, systematisch zoeken van de voordeligste organisatievormen); en

- een arbeidsregeling die eenvoudiger is en stimulerender werkt door flexibelere arbeidstijden en een aanpassing van de premieregeling bij SFP.

Door deze grotere doelmatigheid moet de productiviteit van het vaste personeel met 12 tot 15 % stijgen, naargelang van de verschillende activiteiten. Aangezien de audiovisuele markt groeit - vooral door een toenemend aantal televisieomroepen en doordat vele omroepen zelf meer programma's produceren komt het ongeveer bestendigen van de omzet van SFP in feite neer op een inkrimping van haar marktaandeel.

Het bedrag van 2,5 miljard FRF steun omvat zowel een bedrag ter dekking van de kosten voor deze bedrijfsherstructurering als een bedrag voor de financiële herstructurering. Gebleken is, dat deze laatste steun dient om nieuwe liquide middelen beschikbaar te stellen, hetgeen noodzakelijk werd door de aanzuivering van de schulden uit het verleden, [ . . . ].

2.2. Vergelijking met het plan van ITI/GI

Uit de vergelijking met het aanvankelijk aan de Commissie voorgelegde plan van ITI/GI, dat in het besluit tot inleiding van de procedure werd beschreven, blijkt dat deze beide plannen sterke overeenkomsten vertonen. Beide gaan uit van hetzelfde bedrag voor de bedrijfsherstructurering (1,2 miljard FRF) en hetzelfde bedrag voor de financiële herstructurering (1,3 miljoen FRF). De economische kerngegevens uit de tabel hierboven en die uit het ITI/GI-plan zoals vermeld in het besluit tot inleiding van de procedure, zijn van dezelfde strekking:

- ITI/GI hadden aan hun plan verscheidene voorwaarden verbonden. De belangrijkste voorwaarde, waarvoor een verschil lijkt te bestaan en die derhalve dient te worden onderzocht, is de vermindering van het aantal vaste werknemers en de opzegging van de CAO. In het huidige plan is de personeelsvermindering nog groter (- 566 werknemers) dan in het aanvankelijke plan (- 460 werknemers). Er wordt niet meer voorzien in de opzegging van de CAO, maar door gelijkwaardige maatregelen wordt hetzelfde effect bereikt: flexibelere arbeidstijden en een aanpassing van de premieregeling bij SFP;

- in het plan van ITI/GI was sprake van een omzet van 600 miljoen FRF in 1999, terwijl in het laatst aangemelde plan sprake is van een vergelijkbaar bedrag - 606 miljoen FRF - waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de verschillende omschrijving van het begrip "omzet" in de beide plannen;

- in het oude plan bedroegen de kosten in 1999 590 miljoen FRF, terwijl de hierboven vermelde kosten iets lager - 578 miljoen FRF - liggen.

3. DE INGEKOMEN OPMERKINGEN

De Franse autoriteiten hebben naar aanleiding van de inleiding van de procedure geen opmerkingen meegedeeld. Daarentegen hebben zij in hun antwoord van 5 december 1997 op de brief van de Commissie van 2 december 1997 de vragen aangaande het plan van 24 november 1997 beantwoord. Bij schrijven van 23 december 1997 werden nog aanvullende vragen gesteld, waarop op 8 januari 1998 een antwoord werd ontvangen.

Klaagster, die de Commissie op 7 april 1994 een klacht over steun aan SFP had doen toekomen, deelde bij schrijven van 20 mei 1997 haar reactie op de inleiding van de procedure mee. Daarin stelde zij dat ITI en G1 hun bod op 31 maart 1997 hadden ingetrokken en dat Frankrijk vervolgens de opschorting van de privatiseringsprocedure had aangekondigd, zodat de Commissie geen opmerkingen over het bekendgemaakte plan meer behoefden te worden meegedeeld.

Vervolgens verzocht klaagster, verwijzend naar persberichten over het op 24 november 1997 aan de Commissie voorgelegde herstructureringsplan, bij schrijven van 19 december 1997 haar opmerkingen over het huidige plan kenbaar te mogen maken door een uitbreiding van de procedure van artikel 93, lid 2.

Voorts hebben de ondernemingsraad van SFP en de vakbonden van de werknemers zich tot de Commissie gewend, zonder dat binnen de voor de procedure geldende termijn opmerkingen werden gemaakt die de Franse autoriteiten met het oog op een reactie konden worden meegedeeld.

4. DE PROCEDURE

Het feit dat het huidige herstructureringsplan niet formeel is gebaseerd op het door de particuliere ondernemingen ITI/GI in het kader van hun overnamebod op SFP opgestelde plan en thans in een herstructurering onder de verantwoordelijkheid van de overheid voorziet, heeft geen invloed op de hierboven vermelde steun. Het gaat immers om een plan dat - in hoofdlijnen - vergelijkbaar is met het eerste plan, ja zelfs drastischer is dan dat.

Aangezien de bij de inleiding van de procedure op 12 februari 1997 geplande privatisering niet essentieel is om uiteindelijk vast te stellen of de onderneming levensvatbaar is, mag, gelet op artikel 222 van het Verdrag, worden geconcludeerd dat er ten opzichte van de inleiding van de procedure geen nieuwe feiten zijn, zodat een uitbreiding van deze procedure niet vereist is en de uiteindelijke grondslag van de conclusie van deze procedure door deze wijziging van het plan als gevolg van de omstandigheden niet wordt aangetast.

5. BEOORDELING

De in punt 1 beschreven financiering, die bestemd is voor het herstructureringsplan van SFP zoals in punt 2 is uiteengezet, moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 92, lid 1, van het Verdrag, om uit te maken of zij als steun is aan te merken. De aan de onderneming te betalen staatsmiddelen zijn geen rendabele investering, omdat zij nooit bedrijfswinsten zullen opleveren die overeenstemmen met de aanzienlijke middelen die ter beschikking worden gesteld. Dit zou onaanvaardbaar zijn voor een particuliere investeerder die onder de normale voorwaarden in een markteconomie handelt (5).

Op grond van artikel 92, lid 1, vormt de inbreng van financiële middelen staatssteun, voorzover hij door een staat of met staatsmiddelen plaatsvindt. Het is aan de Commissie om na te gaan of de voorgenomen steun de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door de begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties en of hij het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

Aan deze voorwaarden is in dit geval voldaan voor de twee onderdelen van het staatsoptreden: de financiële bijdrage voor de bedrijfsherstructurering (1,2 miljard FRF) en de financiële herstructurering als onderdeel van een aanzuivering van schulden (1,3 miljard FRF).

De steun houdt het gevaar in, dat SFP in een betere positie wordt geplaatst om haar diensten in Frankrijk en in de overige lidstaten of in de EER-lidstaten te verkopen. Ook dreigt hij de penetratie op de Franse markt voor diensten die door buitenlandse audiovisuele ondernemingen worden verkocht, te bemoeilijken

De steun vervalst de mededinging tussen de lidstaten of dreigt deze te vervalsen. Er bestaat een Europese markt voor audiovisuele producten waar facilitaire bedrijven met elkaar concurreren. Er bestaat een sterke concurrentie zowel voor de productie van geïntegreerde audiovisuele werken als voor het louter beschikbaar stellen van opnameteams of -studio's. Op deze markt zijn er naast enkele geïntegreerde producenten die - zoals SFP - alle technische faciliteiten aanbieden, ook een groot aantal gespecialiseerde bedrijven die enkel bepaalde diensten aanbieden. In dit opzicht moet worden vermeld dat SFP zelf reeds op buitenlandse markten aanwezig is en dat deze aanwezigheid volgens het herstructureringsplan wordt gehandhaafd. De Commissie merkt ook op dat klaagster zowel in Frankrijk als in andere lidstaten werkzaam is. In dit verband moet worden herhaald dat klaagster, die bij de procedure van artikel 93, lid 2, van het Verdrag betrokken was, na de bekendmaking van de inleiding van deze procedure en na persberichten herhaaldelijk bezwaren kenbaar heeft gemaakt.

Tevens moet ermee rekening worden gehouden, dat er een Europese markt voor televisie- en filmproducties bestaat. Deze wordt gekenmerkt door de verwezenlijking van coproducties door Europese producenten en door de distributie van audiovisuele producten buiten het land van productie. Dit aspect is bijzonder belangrijk voor de Franse markt, omdat Frankrijk een actief beleid voert voor de distributie van Franse werken in andere landen.

Bijgevolg moet de betrokken steun worden beschouwd als steun die onder artikel 92, lid 1, van het Verdrag valt.

6. ONDERZOEK VAN DE VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN

Nu de Commissie heeft vastgesteld dat de betrokken financiële inbreng staatssteun is in de zin van artikel 92, lid 1, dient zij te onderzoeken of deze steun op grond van artikel 92, leden 2 en 3, als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt kan worden beschouwd.

De uitzonderingen van artikel 92, lid 2 en lid 3, onder a) en b), zijn voor dit geval niet relevant, omdat de steun niet dient ter bevordering van de ontwikkeling van achtergestelde streken of de opheffing van een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat.

Voor steunmaatregelen om de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen, als bedoeld in artikel 92, lid 3, onder d), zou op basis van deze bepaling een uitzondering kunnen worden toegestaan. Evenwel moet worden vastgesteld dat de betrokken steun ten doel heeft het voortbestaan van SFP veilig te stellen en dat Frankrijk geen enkel element naar voren heeft gebracht op grond waarvan zou kunnen worden gesteld dat de steun ten doel had de cultuur en de instandhouding van het culturele erfgoed te bevorderen in de zin van artikel 92, lid 3, onder d). Daarom kan de Commissie de steun alleen toetsen aan de in artikel 92, lid 3, onder c), bedoelde uitzondering, die betrekking heeft op steunmaatregelen om de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid te vergemakkelijken.

De voorwaarden waaronder de uitzonderingsbepaling van artikel 92, lid 3, onder c), mag worden toegepast op steun aan ondernemingen in moeilijkheden, zijn door de Commissie nader uitgewerkt in de communautaire kaderregeling voor reddings- een en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (6); daarin zijn een aantal criteria vastgesteld waaraan de steun moet voldoen. In deze kaderregeling wordt onderscheid gemaakt tussen reddingssteun en herstructureringssteun.

De kaderregeling heeft voor herstructureringssteun de volgende criteria gegeven:

- de steun moet zijn gekoppeld aan een levensvatbaar herstructurerings- of herstelprogramma dat in detail aan de Commissie moet worden voorgelegd, en waarmee binnen een redelijk tijdsbestek de langetermijnlevensvatbaarheid van de onderneming moet kunnen worden hersteld;

- de voorgestelde maatregelen moeten vervalsing van de mededinging zoveel mogelijk beperken en verenigbaar blijven met het gemeenschappelijk belang. Het effect ervan op de marktpositie van de begunstigde moet in redelijke mate de door de steun veroorzaakte vervalsing van de mededinging compenseren;

- de steun moet tot het strikt noodzakelijke minimum worden beperkt en evenredig zijn met de kosten en baten van de herstructurering;

- de onderneming moet het herstructureringsplan volledig uitvoeren en de opgelegde voorwaarden in acht nemen; en

- de uitvoering van het plan en de inachtneming van de voorwaarden moeten worden gecontroleerd door middel van een gedetailleerd verslag dat de Commissie jaarlijks wordt voorgelegd.

6.1. Levensvatbaarheid

De belangrijkste maatregelen van het herstructureringsplan zijn: de vermindering van de productiekosten - vooral de verlaging van de personeelskosten -, het behalen van een omzet die gebaseerd is op realistische prognoses en de toekenning van steun. De periode van drie jaar voor het bereiken van het financiële evenwicht in het jaar 2000, met een positief resultaat van 28 miljoen FRF, een rendement op de eigen middelen van 14 % en een verhouding eigen middelen/balanstotaal van 32 % kunnen alle als redelijke elementen worden beschouwd. De waarschijnlijkheid dat dit evenwicht daadwerkelijk wordt bereikt en duurzaam is (hetgeen een garantie vormt voor de langetermijnlevensvatbaarheid), hangt af van het definitieve en duurzame karakter van elk dezer maatregelen en de onderlinge samenhang ervan. Zo blijkt bij de analyse van de aanzienlijke totale vermindering van de kosten over de periode 1997-2000 - met ongeveer 220 miljoen FRF (of 28 % van de kosten in 1997) - dat deze voortvloeit uit een vermindering in de verschillende categorieën kosten. De belangrijkste categorieën zijn de personeelskosten, die in de periode 1997-2000 met 130 miljoen FRF zullen worden verminderd. Dit resultaat moeten worden behaald door in de periode tot het jaar 2000 het aantal vaste personeelsleden te verminderen van 996 tot 450 en, als gedeeltelijke vervanging, in toenemende mate een beroep te doen op tijdelijke technici (van 123 in 1997 tot 270 in het jaar 2000), van wie de loonkosten lager liggen dan die van het vaste personeel. Deze verminderingen zijn duurzame besparingen en dragen derhalve bij tot de systematische en definitieve verbetering van de toekomstige resultaten.

Een andere factor waaruit de duurzaamheid en de samenhang van de voorgenomen maatregelen blijkt, is de verhouding personeelskosten/omzet. Bij de voltooiing van het plan en rekening gehouden met 270 tijdelijke medewerkers komt deze verhouding uit op de voor de sector gangbare norm (50 tot 55 % voor vergelijkbare facilitaire bedrijven, zoals bijvoorbeeld het Franse VCF).

Volgens de Franse autoriteiten zijn de in het tijdsschema geplande vermindering van het totale aantal vaste en tijdelijke werknemers en de aanpassing van de verhouding tussen beide categorieën essentieel om de onderneming levensvatbaar te maken, zoals blijkt uit de analyse van de gevolgen van het uitblijven van dergelijke herstructureringsmaatregelen in het verleden. Bovendien zal het herstel van de levensvatbaarheid van de onderneming gebaseerd zijn op interne maatregelen en niet op een te verwachten omzetstijging. De totale productie zou tegen het jaar 2000 met omstreeks 30 miljoen FRF moeten dalen (5 % van het bedrag voor 1997). Deze raming moet als realistisch worden beschouwd wanneer de verhouding omzet/totaal aantal arbeidsplaatsen vergelijkbaar is met de in de bedrijfstak waargenomen gemiddelde verhouding. De verhouding van SFP zou, rekening houdend met de tijdelijke werknemers, verbeteren tot 731 000 FRF in het jaar 2000. Voor een facilitair bedrijf dat wat activiteiten betreft vergelijkbaar is met SFP (het om zijn doelmatigheid bekende Nederlandse NOB) komt deze verhouding in de buurt, namelijk omstreeks 740 000 FRF. Wordt de vergelijking voor SFP beperkt tot de activiteiten in de videosector, dan raamt SFP haar omzet per werknemer op ongeveer 1 miljoen FRF, een bedrag dat vergelijkbaar is met dat van concurrenten (VCF).

Deze verbetering waarbij de verhouding omzet/totaal aantal arbeidsplaatsen op het niveau van de concurrenten uitkomt, zou vooral moeten worden bereikt door interne maatregelen binnen de onderneming en berust niet op een eventuele - moeilijk te verwezenlijken - verhoging van de prijs voor de diensten. Het feit dat het huidige plan overeenstemt met het plan van de particuliere overnemers - erkende specialisten uit de audiovisuele sector die voorzagen dat met hetzelfde bedrag aan steun de onderneming op middellange termijn levensvatbaar zou worden -, is een belangrijk argument om het huidige plan te beschouwen als een daadwerkelijk middel om de levensvatbaarheid te herstellen.

Dankzij de 2,5 miljard FRF steun kunnen de maatregelen worden uitgevoerd om de kosten terug te brengen en de omzet kwalitatief te verbeteren door een grotere productiviteit. Deze steun omvat zowel de bedrijfsherstructurering als het financiële gedeelte, dat bestemd is voor de herkapitalisering van de onderneming, die zwaar onder haar verleden gebukt gaat.

De betrokken steun stemt overeen met wat de onderneming minimaal nodig heeft om de financiële herstructurering en de herstructurering van de activiteiten (vooral de vermindering van personeelskosten) door te voeren en draagt zo bij tot de verbetering van de resultaten, hetgeen SFP nodig heeft om de bedrijfsactiviteiten weer levensvatbaar te maken. Zonder financiële herstructurering zou SFP een bijzonder negatief eigen vermogen hebben, hetgeen - zonder aanvullende steun van de staat - tot het faillissement van de onderneming zou leiden, waardoor de voltooiing van de bedrijfsherstructurering zou worden verhinderd.

Gelet op het voorgaande, is de Commissie van oordeel dat het steunpakket één geheel vormt, dat zowel de inbreng van liquide middelen als de betaling van schulden uit het verleden omvat. Deze beide steunmaatregelen zijn onderling des te nauwer verbonden omdat de ene zinloos is zonder de andere en omdat, wanneer zij zouden uitblijven, de levensvatbaarheid van de onderneming niet kan worden hersteld. De gegrondheid van een dergelijke beoordeling van alle onderscheiden steunmaatregelen in hun totaliteit is bevestigd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 14 november 1984 in zaak 323/82, Intermills/Commissie (7).

6.2. Beperking van de mededingingsvervalsing

In de afgelopen jaren is de omzet van SFP ernstig verslechterd doordat zij niet tegen concurrerende prijzen kon produceren. De omzetdaling wordt in het herstructureringsplan bevestigd. Gelet op de marktgroei, betekent dit dat SFP daadwerkelijk marktaandelen verliest. Dit vormt een belangrijke tegenprestatie voor de steun. De in het herstructureringsplan vastgelegde capaciteitsvermindering is een gewichtige tegenprestatie. Volgens het plan moeten de opbrengsten van de SFP-diensten alle gemaakte kosten dekken, hetgeen bewijst dat SFP zich niet meer zal kunnen onttrekken aan de marktvoorwaarden waaronder haar concurrenten moesten werken.

Bovendien is de Commissie van oordeel dat de moeilijkheden van SFP te wijten zijn aan de specifieke commerciële positie van SFP op de markt. SFP maakte integrerend deel uit van de openbare audiovisuele sector. Uit deze periode heeft zij een zware economische structuur geërfd, die haar concurrentievermogen niet bevordert. Voorts had zij voordien een bevoorrechte toegang tot overheidsmiddelen. Deze situatie van zuivere openbare dienstverleners, die hun diensten alleen aan openbare omroepen verlenen en niet op de markt concurreren, bestaat in de meeste lidstaten nog en zelfs in Frankrijk, voor andere dienstverleners dan SFP. De herstructurering van SFP moet bijgevolg als noodzakelijk voor haar levensvatbaarheid worden aangemerkt, maar tegelijkertijd betreft het een ingewikkeld proces waarbij een zekere mate van mededingingsvervalsing niet kan worden vermeden.

6.3. Beperking van de steun

De steun wordt aangewend om specifieke doelstellingen te bereiken en houdt nauw verband met de financiële behoeften die door deze doelstellingen worden opgelegd. De steun is bijgevolg niet buitensporig. Dit wordt tevens bevestigd door het feit dat het geplande resultaat louter de totstandbrenging van het financiële evenwicht is. De verbetering van de resultaten is derhalve niet zo groot dat zij tot een aanhoudende mededingingsvervalsing kan leiden. Vanuit dit oogpunt is de steun bijgevolg niet strijdig met het gemeenschappelijk belang.

De 2,5 miljard FRF kan niet worden beperkt omdat dit onmiddellijk zou leiden tot een verslechtering van de voorlopige resultaten, die SFP zou beletten het nagestreefde doel - de levensvatbaarheid - te bereiken.

6.4. Uitvoering van het plan en voorwaarden

Hoewel alle maatregelen uit het herstructureringsplan ten uitvoer moeten worden gelegd, moet volgens de Franse autoriteiten ermee rekening worden gehouden dat de kern van het plan de verlaging van de personeelskosten is. Volgens de Commissie wordt voor dit standpunt bevestiging gevonden in de ervaring uit het verleden, die heeft aangetoond dat de moeilijkheden om de personeelskosten aan het activiteitenniveau aan te passen, duidelijk de hoofdoorzaak zijn van de - nog voortdurende - moeilijkheden van de onderneming. Daarom is de Commissie van oordeel dat in bijzondere garanties moet worden voorzien. Om ervoor te zorgen dat het herstructureringsplan ditmaal tot een goed einde wordt gebracht, is het van essentieel belang dat Frankrijk de steun pas toekent wanneer alle onderdelen van het plan - met inbegrip van de verlaging van de personeelskosten - definitief tot stand zijn gebracht.

De steun moet worden betaald volgens de voorwaarden van het plan, opdat de steun pas zou worden uitgekeerd op het tijdstip waarop SFP de middelen voor de vastgestelde doeleinden daadwerkelijk uitgeeft.

Hoewel de steun in de huidige beschikking in het licht van de verschillende afwegingen die bij herstructureringssteun moeten worden gemaakt, niet als buitensporig wordt aangemerkt, kan de Commissie niet ontkennen dat dezelfde onderneming sinds 1986 voor verschillende steunmaatregelen in aanmerking is gekomen. Bij deze steunmaatregelen ging het in totaal om zeer aanzienlijke bedragen, waarvan twee als herstructureringssteun werden goedgekeurd. Het spreekt vanzelf dat de steun waarop deze beschikking van toepassing is, de laatste steun is - behoudens buiten de onderneming gelegen uitzonderlijke omstandigheden die in deze fase niet te voorzien zijn - die ten behoeve van SFP of haar activiteiten kan worden toegekend (zie voor een recente toepassing van dit beginsel de voorwaardelijke positieve beschikking van de Commissie van 1 oktober 1997 in de zaak Thomson SA-Thomson multimédia (8)).

Frankrijk mag SFP noch rechtstreeks noch zijdelings door middel van de openbare televisieomroepen begunstigen, met name niet door deze omroepen te verplichten orders bij SFP te plaatsen.

6.5. Gedetailleerde verslagen

Volgens het vaste beleid van de Commissie inzake herstructureringsplannen en, inzonderheid in het licht van het steunbedrag en het belang van de correcte tenuitvoerlegging van het plan, moet de Commissie door middel van halfjaarlijkse verslagen van de Franse autoriteiten toezicht op de tenuitvoerlegging uitoefenen.

7. CONCLUSIE

De steun in het herstructureringsplan van 24 november 1997 van SFP in de vorm van 1,2 miljard FRF steun voor bedrijfsherstructurering en 1,3 miljard FRF steun voor financiële herstructurering is een steunmaatregel in de zin van artikel 92, lid 1, van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 1, van de EER-Overeenkomst.

Deze steun kan op grond van artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt worden beschouwd, mits Frankrijk aan de in deze beschikking vastgestelde voorwaarden voldoet,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING GEGEVEN:

Artikel 1

De in het herstructureringsplan van 24 november 1997 van Société française de production vervatte steun van Frankrijk in de vorm van 1,2 miljard FRF (182 miljoen ECU) steun voor bedrijfsherstructurering en 1,3 miljard FRF (197 miljoen ECU) steun voor financiële herstructurering is op grond van artikel 92, lid 3, onder c), van het EG-Verdrag en artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-Overeenkomst verenigbaar met de gemeenschappelijke markt, mits Frankrijk aan de in artikel 2 vastgestelde voorwaarden voldoet.

Artikel 2

1. Voordat enige steun wordt betaald, geeft Frankrijk de Commissie de verzekering dat het herstructureringsplan - met inbegrip van de personeelsverminderingen en het voor die verminderingen vastgestelde tijdsschema - definitief is goedgekeurd.

2. De steun wordt pas betaald naarmate het plan wordt uitgevoerd.

3. Deze steun is de laatste steun die aan SFP kan worden verleend. In de toekomst mag geen nieuwe steun worden verleend, behoudens buiten de onderneming gelegen uitzonderlijke omstandigheden die in deze fase niet te voorzien zijn.

4. Frankrijk legt vanaf 1 januari 1998 tot en met het eind van het jaar 2000 om de zes maanden aan de Commissie een uitvoerig verslag over de tenuitvoerlegging van het plan voor.

5. Frankrijk mag SFP noch rechtstreeks noch zijdelings door middel van de openbare televisieomroepen begunstigen, met name niet door deze omroepen te verplichten orders bij SFP te plaatsen.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 21 januari 1998.

Voor de Commissie

Karel VAN MIERT

Lid van de Commissie

(1) PB C 126 van 23. 4. 1997, blz. 4.

(2) Zie voetnoot 1.

(3) 1 ECU = 6,6 FRF.

(4) PB L 95 van 10. 4. 1997, blz. 19.

(5) "Deelneming van overheidsinstanties in het kapitaal van ondernemingen", Bulletin EG 9-1984 (zie de punten 3.2 en 3.3 voor de criteria aan de hand waarvan de kapitaalinbreng met staatssteun wordt onderscheiden van die zonder staatssteun).

(6) PB C 368 van 23. 12. 1994, blz. 12.

(7) Jurispr. 1984, blz. 3809, r.o. 39.

(8) PB L 67 van 7. 3. 1998, blz. 31.

Top