EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31997L0011

Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu- effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

PB L 73 van 14.3.1997, p. 5–15 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (CS, ET, LV, LT, HU, MT, PL, SK, SL, BG, RO)

Legal status of the document No longer in force, Date of end of validity: 16/02/2012; opgeheven door 32011L0092

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1997/11/oj

31997L0011

Richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu- effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

Publicatieblad Nr. L 073 van 14/03/1997 blz. 0005 - 0015


RICHTLIJN 97/11/EG VAN DE RAAD van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (4),

(1) Overwegende dat met Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieu-effectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (5) wordt beoogd de bevoegde instanties passende informatie te verschaffen aan de hand waarvan zij over een bepaald project een besluit kunnen nemen met volledige kennis van zaken wat betreft de daarvan te verwachten aanzienlijke milieu-effecten; dat deze procedure een fundamenteel instrument is van het milieubeleid, zoals in artikel 130 R van het Verdrag omschreven, en van het vijfde beleidsplan/actieprogramma van de Gemeenschap inzake het milieu en duurzame ontwikkeling;

(2) Overwegende dat in artikel 130 R, lid 2, van het Verdrag is bepaald dat het milieubeleid van de Gemeenschap met name berust op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, alsmede op de beginselen dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden en dat de vervuiler betaalt;

(3) Overwegende dat de hoofdbeginselen van de milieu-effectbeoordeling geharmoniseerd moeten worden en dat de lidstaten ter bescherming van het milieu strengere voorschriften kunnen vaststellen;

(4) Overwegende dat uit de ervaringen met de milieu-effectbeoordeling, neergelegd in het verslag over de tenuitvoerlegging van Richtlijn 85/337/EEG dat op 2 april 1993 door de Commissie is goedgekeurd, de noodzaak blijkt van voorschriften ter verduidelijking, aanvulling en verbetering van de regelgeving inzake de beoordelingsprocedure, teneinde ervoor te zorgen dat de richtlijn op een meer en meer geharmoniseerde en doeltreffende wijze wordt toegepast;

(5) Overwegende dat een vergunning moet worden geëist voor projecten waarvoor een beoordeling vereist is; overwegende dat de beoordeling dient te worden uitgevoerd voordat die vergunning wordt verleend;

(6) Overwegende dat het dienstig is de lijst aan te vullen van projecten die aanzienlijke milieu-effecten hebben en derhalve in regel aan een systematische beoordeling moeten worden onderworpen;

(7) Overwegende dat andere soorten projecten niet in alle gevallen aanzienlijke milieu-effecten behoeven te hebben; dat die projecten beoordeeld moeten worden wanneer de lidstaten van mening zijn dat zij aanzienlijke milieu-effecten kunnen hebben;

(8) Overwegende dat de lidstaten drempels of criteria kunnen vaststellen om te bepalen welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieu-effecten moeten worden beoordeeld en dat van de lidstaten niet zal worden geëist dat zij projecten die onder die drempels blijven of buiten die criteria vallen stuk voor stuk bestuderen;

(9) Overwegende dat de lidstaten bij de vaststelling van deze drempels of criteria en bij het stuk voor stuk bestuderen van projecten om te bepalen, welke van die projecten op grond van de omvang van hun milieu-effecten moeten worden beoordeeld, rekening dienen te houden met de relevante selectiecriteria in deze richtlijn; dat de lidstaten volgens het subsidiariteitsbeginsel het meest in aanmerking komen om deze criteria in de praktijk toe te passen;

(10) Overwegende dat het bestaan van een locatiecriterium in verband met bijzondere beschermingsgebieden die door de lidstaten zijn aangewezen volgens Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (6) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (7), niet noodzakelijk inhoudt dat projecten in die gebieden automatisch een beoordeling volgens deze richtlijn moeten ondergaan;

(11) Overwegende dat het dienstig is een procedure in te voeren via welke de ontwikkelaar van de bevoegde overheidsinstanties kan vernemen waarover en in welke mate er informatie met het oog op de beoordeling dient te worden uitgewerkt en verstrekt; dat de lidstaten de ontwikkelaar in het kader van die procedure kunnen voorschrijven onder andere alternatieven te geven voor de projecten waarvoor hij van plan is een aanvraag in te dienen;

(12) Overwegende dat het gewenst is de voorschriften betreffende milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband te versterken teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen op internationaal niveau;

(13) Overwegende dat de Gemeenschap op 25 februari 1991 het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband heeft ondertekend,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 85/337/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. artikel 2, lid 1, wordt vervangen door:

"1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieu-effect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en een beoordeling van hun effecten moet plaatsvinden alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.";

2. in artikel 2 wordt een nieuw lid ingevoegd, dat als volgt luidt:

"2. a) De lidstaten kunnen voorzien in een enkelvoudige procedure om te voldoen aan de voorschriften van deze richtlijn en die van Richtlijn 96/61/EG van de Raad van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (1).

(1) PB nr. L 257 van 10. 10. 1996, blz. 26.";

3. de eerste alinea van artikel 2, lid 3, wordt vervangen door de volgende tekst:

"3. Onverminderd de bepalingen van artikel 7, kunnen de lidstaten in uitzonderlijke gevallen voor een welbepaald project gehele of gedeeltelijke vrijstelling verlenen van de bepalingen van deze richtlijn.";

4. in artikel 2, lid 3, onder c), worden de woorden "in voorkomend geval" vervangen door "waar dat van toepassing is";

5. artikel 3 wordt vervangen door:

"Artikel 3

Bij de milieu-effectbeoordeling worden de directe en indirecte effecten van een project overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 11 per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld op de volgende factoren:

- mens, dier en plant;

- bodem, water, lucht, klimaat en landschap;

- materiële goederen en het culturele erfgoed;

- de samenhang tussen de in het eerste, tweede en derde streepje genoemde factoren";

6. artikel 4 wordt vervangen door:

"Artikel 4

1. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2. Onder voorbehoud van artikel 2, lid 3, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten:

a) door middel van een onderzoek per geval, of

b) aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria,

of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.

3. Bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria bij de toepassing van lid 2 moet met de relevante selectiecriteria van bijlage III rekening worden gehouden.

4. De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 2 door de bevoegde instanties verrichte bepalingen ter beschikking van het publiek worden gesteld.";

7. artikel 5 wordt vervangen door:

"Artikel 5

1. Bij projecten die krachtens artikel 4 moeten worden onderworpen aan een milieu-effect-beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, treffen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de opdrachtgever in passende vorm de in bijlage IV bedoelde informatie verstrekt, voor zover:

a) de lidstaten deze informatie van belang achten in een bepaald stadium van de vergunningsprocedure en voor de specifieke kenmerken van een bepaald project of projecttype en van de milieu-aspecten die hierdoor kunnen worden beïnvloed;

b) de lidstaten, onder meer op grond van de bestaande kennis en beoordelingsmethoden, menen dat redelijkerwijs van een opdrachtgever mag worden verlangd dat hij die informatie verzamelt.

2. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, indien de opdrachtgever daarom verzoekt voordat hij een aanvraag om een vergunning indient, de bevoegde instantie advies uitbrengt over de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 te verstrekken informatie. De bevoegde instantie raadpleegt de opdrachtgever en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt.

Het feit dat de instantie overeenkomstig dit lid een advies heeft uitgebracht, belet haar niet vervolgens meer informatie van de opdrachtgever te verlangen.

De lidstaten kunnen de bevoegde instanties verplichten om een dergelijk advies te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt of niet.

3. De informatie die de opdrachtgever overeenkomstig lid 1 moet verstrekken, moet ten minste het volgende bevatten:

- een beschrijving van het project met informatie over vestigingsplaats, ontwerp en omvang van het project;

- een beschrijving van de beoogde maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen;

- de nodige gegevens om de voornaamste milieu-effecten die het project vermoedelijk zal hebben, te kunnen bepalen en beoordelen;

- een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieu-effecten;

- een niet-technische samenvatting van de in de vorige streepjes bedoelde gegevens.

4. Zo nodig zorgen de lidstaten ervoor dat instanties die over relevante informatie beschikkingen, in het bijzonder gelet op artikel 3, deze informatie ter beschikking stellen van de opdrachtgever.";

8. in artikel 6 wordt lid 1 vervangen door:

"1. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning. Te dien einde wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. De gedetailleerde regeling van deze raadpleging wordt door de lidstaten vastgesteld.";

artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

"2. De lidstaten zien erop toe dat elke aanvraag voor een vergunning en de krachtens artikel 5 verzamelde informatie binnen een redelijke termijn voor het publiek beschikbaar worden gesteld, zodat het betrokken publiek de mogelijkheid krijgt zijn mening te geven alvorens de vergunning wordt toegekend.";

9. artikel 7 wordt vervangen door:

"Artikel 7

1. Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieu-effecten zal hebben in een andere lidstaat, of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen:

a) een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;

b) informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen,

en geeft hij de andere lidstaat een redelijke termijn om kenbaar te maken of hij wenst deel te nemen aan de Milieu-Effect-Beoordelingsprocedure; tevens kan hij de in lid 2 bedoelde informatie verstrekken.

2. Indien een lidstaat die overeenkomstig lid 1 informatie ontvangt kenbaar maakt dat hij wil deelnemen aan de Milieu-Effect-Beoordelingsprocedure, zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, indien hij dat niet reeds heeft gedaan, aan de betrokken lidstaat de overeenkomstig artikel 5 verzamelde informatie alsmede relevante informatie betreffende de genoemde procedure waaronder de vergunningsaanvraag.

3. Ieder van de betrokken lidstaten zorgt er tevens voor, voor zover het hem betreft, dat:

a) de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie binnen een redelijke termijn ter beschikking wordt gesteld van de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties en van het betrokken publiek op het grondgebied van de lidstaat die vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden; en

b) die instanties en het betrokken publiek voordat een vergunning voor het project wordt verleend, de gelegenheid krijgen binnen een redelijke termijn advies over de verstrekte informatie uit te brengen aan de bevoegde instantie van de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren.

4. De betrokken lidstaten plegen overleg over onder andere de potentiële grensoverschrijdende effecten van het project en de maatregelen die worden overwogen om die effecten te beperken of teniet te doen en komen een redelijke termijn overeen waarbinnen het overleg moet plaatsvinden.

5. De gedetailleerde regelingen ter uitvoering van dit artikel kunnen door de betrokken lidstaten worden vastgesteld.";

10. artikel 8 wordt vervangen door:

"Artikel 8

De resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5, 6 en 7 ingewonnen informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure in aanmerking genomen.";

11. artikel 9 wordt vervangen door:

"Artikel 9

1. Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde instanties het publiek daarvan overeenkomstig de toepasselijke procedures op de hoogte en stellen zij de volgende informatie ter beschikking van het publiek:

- de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn verbonden;

- de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd;

- indien nodig, een beschrijving van de voornaamste maatregelen om aanzienlijke schadelijke effecten te voorkomen, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

2. De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd op de hoogte en doen hem de in lid 1 vermelde informatie toekomen.";

12. artikel 10 wordt vervangen door:

"Artikel 10

De bepalingen van deze richtlijn doen niet af aan de verplichting van de bevoegde instanties tot inachtneming van de door de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en de geldende rechtspraktijk opgelegde beperkingen ter bescherming van het industrieel en het handelsgeheim, met inbegrip van de intellectuele eigendom, en van het openbaar belang.

Wanneer artikel 7 van toepassing is, zijn de toezending van informatie aan een andere lidstaat en de ontvangst van informatie door een andere lidstaat onderworpen aan de beperkingen die gelden in de lidstaat waar het project wordt voorgesteld.";

13. artikel 11, lid 2, wordt als volgt gelezen:

"2. In het bijzonder stellen de lidstaten de Commissie in kennis van alle criteria en/of de drempelwaarden die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 4, lid 2, voor de selectie van de betrokken projecten zijn vastgesteld.";

14. artikel 13 vervalt;

15. de bijlagen I, II en III worden vervangen door de bijlagen I, II, III en IV, zoals opgenomen in de bijlage.

Artikel 2

Vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn brengt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing en de doeltreffendheid van Richtlijn 85/337/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn. Het verslag is gebaseerd op de uitwisseling van inlichtingen als bedoeld in artikel 11, leden 1 en 2.

Op basis van dat verslag legt de Commissie in voorkomend geval aan de Raad aanvullende voorstellen voor die moeten zorgen voor een verdere coördinatie van de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 3

1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 14 maart 1999 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2. Indien een vergunningsaanvraag vóór de afloop van de in lid 1 genoemde termijn bij een bevoegde instantie is ingediend, blijven de bepalingen van Richtlijn 85/337/EEG van vóór deze wijziging van kracht.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 3 maart 1997.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. DE BOER

(1) PB nr. C 130 van 12. 5. 1994, blz. 8 en PB nr. C 81 van 19. 3. 1996, blz. 14.

(2) PB nr. C 393 van 31. 12. 1994, blz. 1.

(3) PB nr. C 210 van 14. 8. 1995, blz. 78.

(4) Advies van het Europees Parlement van 11 oktober 1995 (PB nr. C 287 van 30. 10. 1995, blz. 101), gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 25 juni 1996 (PB nr. C 248 van 26. 8. 1996, blz. 75) en besluit van het Europees Parlement van 13 november 1996 (PB nr. C 362 van 2. 12. 1996, blz. 103).

(5) PB nr. L 175 van 5. 7. 1985, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(6) PB nr. L 103 van 25. 4. 1979, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

(7) PB nr. L 206 van 22. 7. 1992, blz. 7.

BIJLAGE

"BIJLAGE I

IN ARTIKEL 4, LID 1, BEDOELDE PROJECTEN

1. Raffinaderijen van ruwe aardolie (met uitzondering van de bedrijven die uitsluitend smeermiddelen uit ruwe olie vervaardigen), alsmede installaties voor de vergassing en vloeibaarmaking van ten minste 500 ton steenkool of bitumineuze schisten per dag.

2. - Thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties met een warmtevermogen van ten minste 300 megawatt, alsmede

- kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of buitengebruikstelling van dergelijke centrales of reactoren (*) (met uitzondering van onderzoekinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen, met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische kW).

3. a) Installaties voor de opwerking van bestraalde splijtstoffen.

b) Installaties die ontworpen zijn:

- voor de productie of de verrijking van splijtstoffen,

- voor de behandeling van bestraalde splijtstoffen of hoog radioactief afval,

- voor de definitieve verwijdering van bestraalde splijtstoffen,

- uitsluitend voor de definitieve verwijdering van radioactief afval,

- uitsluitend voor de (voor meer dan tien jaar geplande) opslag van bestraalde splijtstoffen of radioactief afval op een andere plaats dan het productieterrein.

4. - Geïntegreerde hoogovenbedrijven voor de productie van ruwijzer en staal.

- Installaties voor de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procédés.

5. Installaties voor de winning van asbest, alsmede voor de behandeling en de verwerking van asbest en asbesthoudende producten: voor producten van asbestcement, met een jaarproductie van meer dan 20 000 ton eindproducten, voor remvoeringen, met een jaarproductie van meer dan 50 ton eindproducten, alsmede - voor andere toepassingsmogelijkheden van asbest - met een gebruik van meer dan 200 ton per jaar.

6. Geïntegreerde chemische installaties, d.w.z. installaties voor de fabricage op industriële schaal van stoffen door chemische omzetting, waarin verscheidene eenheden naast elkaar bestaan en functioneel met elkaar verbonden zijn, bestemd voor de fabricage van:

i) organische basischemicaliën;

ii) anorganische basischemicaliën;

iii) fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen);

iv) basisproducten voor gewasbescherming en van biociden;

v) farmaceutische basisproducten met een chemisch of biologisch procédé;

vi) explosieven.

7. a) Aanleg van spoorlijnen voor spoorverkeer over lange afstand en aanleg van vliegvelden (1) met een start- en ladingsbaan van ten minste 2 100 meter.

b) Aanleg van autosnelwegen en autowegen (2).

c) Aanleg van nieuwe wegen met vier of meer rijstroken, of verlegging en/of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken, indien de nieuwe weg, of het verlegde en/of verbrede weggedeelte een ononderbroken lengte van 10 km of meer heeft.

8. a) Waterwegen en havens voor de binnenscheepvaart voor schepen van meer dan 1 350 ton.

b) Zeehandelshavens, met het land verbonden en buiten havens gelegen pieren voor lossen en laden (met uitzondering van pieren voor veerboten) die schepen van meer dan 1 350 ton kunnen ontvangen.

(*) Kerncentrales en andere kernreactoren houden op zulke installaties te zijn wanneer alle splijtstoffen en ander radioactief besmette elementen permanent van de plaats van installatie zijn verwijderd.

(1) In deze richtlijn verstaat men onder "vliegvelden" die vliegvelden die beantwoorden aan de definitie van het verdrag van Chicago van 1944 tot oprichting van de Internationale burgerluchtvaartorganisatie (bijlage 14).

(2) In deze richtlijn verstaat men onder "autowegen" die wegen die beantwoorden aan de definities van "de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen"van 15 november 1975.

(1) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 39. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Besluit 94/3/EG van de Commissie (PB nr. L 5 van 7. 1. 1994, blz. 15).

(2) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 94/31/EG (PB nr. L 168 van 2. 7. 1994, blz. 28).

(3) PB nr. L 135 van 30. 5. 1991, blz. 40. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij de Toetredingsakte van 1994.

9. Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding, de chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage II A bij Richtlijn 75/442/EEG (1) of het storten van gevaarlijke afvalstoffen (d.w.z. afvalstoffen waarop Richtlijn 91/689/EEG (2) van toepassing is).

10. Afvalverwijderingsinstallaties voor de verbranding of chemische behandeling zoals gedefinieerd in punt D9 van bijlage II A bij Richtlijn 75/442/EEG van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 100 ton per dag.

11. Werkzaamheden voor het onttreken of kunstmatig aanvullen van grondwater wanneer het jaarlijkse volume onttrokken of aangevuld water 10 miljoen m³ of meer bedraagt.

12. a) Projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer deze overbrenging ten doel heeft eventuele waterschaarste te voorkomen en de hoeveelheid overgebracht water meer bedraagt dan 100 miljoen m³ per jaar.

b) In alle andere gevallen, projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden wanneer het meerjarig gemiddelde jaardebiet van het bekken waaraan het water wordt onttrokken meer bedraagt dan 2 000 miljoen m³ en de hoeveelheid overgebracht water 5 % van dit debiet overschrijdt.

In beide gevallen is overbrenging van via leidingen aangevoerd drinkwater uitgesloten.

13. Rioolwaterzuiveringsinstallaties met een capaciteit van meer dan 150 000 inwonerequivalenten zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 91/271/EEG (3).

14. Commerciële winning van aardolie en aardgas wanneer de gewonnen hoeveelheid meer dan 500 ton aardolie per dag of meer dan 500 000 m³ aardgas per dag bedraagt.

15. Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of permanent opslaan van water, wanneer een nieuwe of extra hoeveelheid water van meer dan 10 miljoen m³ wordt gestuwd of opgeslagen.

16. Pijpleidingen voor gas, olie of chemicaliën met een diameter van meer dan 800 mm en een lengte van meer dan 40 km.

17. Installaties voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan:

a) 85 000 plaatsen voor mesthoenders, 60 000 plaatsen voor hennen;

b) 3 000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg) of

c) 900 plaatsen voor zeugen.

18. Industriële installaties voor:

a) de fabricage van papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen;

b) de fabricage van papier en karton met een productiecapaciteit van meer dan 200 ton per dag.

19. Steengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare.

20. Aanleg van bovengrondse hoogspanningsleidingen van 220 kV of meer en langer dan 15 km.

21. Installaties voor de opslag van aardolie, petrochemische of chemische producten met een capaciteit van 200 000 ton of meer.

BIJLAGE II

IN ARTIKEL 4, LID 2, BEDOELDE PROJECTEN

1. Landbouw, bosbouw en aquacultuur

a) Ruilverkavelingsprojecten.

b) Projecten voor het gebruik van niet in cultuur gebrachte gronden of semi-natuurlijke gebieden voor intensieve landbouw.

c) Waterbeheersingsprojecten voor landbouwdoeleinden, met inbegrip van irrigatie- en droogleggingsprojecten.

d) Eerste bebossing en ontbossing met het oog op omschakeling naar een ander bodemgebruik.

e) Intensieve veeteeltbedrijven (voor zover niet in bijlage I opgenomen).

f) Intensieve aquacultuur van vis.

g) Landwinning uit zee.

2. Extractieve bedrijven

a) Steengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten).

b) Ondergrondse mijnbouw.

c) Winning van mineralen door afbaggering van de zee- of rivierbodem.

d) Diepboringen met name

- geothermische boringen,

- boringen in verband met de opslag van kernafval,

- boringen voor watervoorziening,

met uitzondering van boringen voor het onderzoek naar de stabiliteit van de grond.

e) Oppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten.

3. Energiebedrijven

a) Industriële installaties voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water (niet onder bijlage I vallende projecten).

b) Industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water; transport van elektrische energie via bovengrondse leidingen (niet onder bijlage I vallende projecten).

c) Bovengrondse opslag van aardgas.

d) Ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen.

e) Bovengrondse opslag van fossiele brandstoffen.

f) Industrieel briketteren van steenkool en bruinkool.

g) Installaties voor de behandeling en de opslag van radioactief afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

h) Installaties voor de productie van hydro-elektrische energie.

i) Installaties voor de winning van windenergie voor de energieproductie (windturbineparken).

4. Productie en verwerking van metalen

a) Installaties voor de productie van ruwijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten.

b) Installaties voor verwerking van ferrometalen door

i) warmwalsen,

ii) smeden met hamers,

iii) het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal.

c) Smelterijen van ferrometalen.

d) Installaties voor het smelten, met inbegrip van het legeren, van non-ferrometalen, met uitzondering van edele metalen, inclusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten enz.).

e) Installaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en plastic materiaal door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé.

f) Automobielfabrieken en -assemblagebedrijven en fabrieken van automobielmotoren.

g) Scheepswerven.

h) Installaties voor de bouw en reparatie van luchtvaartuigen.

i) Spoorwegmaterieelfabrieken.

j) Uitstampen door middel van springstoffen.

k) Installaties voor het roosten en sinteren van ertsen.

5. Minerale industrie

a) Cokesovenbedrijven (droge distillatie van steenkool).

b) Installaties voor de vervaardiging van cement.

c) Installaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten (niet onder bijlage I vallende projecten).

d) Installaties voor de fabricage van glas, met inbegrip van glasvezels.

e) Installaties voor het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van installaties voor de fabricage van mineraalvezels.

f) Fabricage van keramische producten door middel van bakken, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein.

6. Chemische industrie (niet onder bijlage I vallende projecten).

a) Behandeling van tussenproducten en vervaardiging van chemicaliën.

b) Productie van bestrijdingsmiddelen en farmaceutische producten, verven en vernissen, elastomeren en peroxiden.

c) Opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten.

7. Voedings- en genotmiddelenindustrie

a) Vervaardiging van plantaardige en dierlijke oliën en vetten.

b) Conservenfabrieken voor dierlijke en plantaardige producten.

c) Zuivelfabrieken.

d) Bierbrouwerijen en mouterijen.

e) Suikerwaren- en siroopfabrieken.

f) Installaties voor het slachten van dieren.

g) Zetmeelfabrieken.

h) Vismeel- en visoliefabrieken.

i) Suikerfabrieken.

8. Textiel-, leder-, hout- en papierindustrie

a) Industriële installaties voor de fabricage van papier en karton (niet onder bijlage I vallende projecten).

b) Installaties voor de voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel.

c) Installaties voor het looien van huiden.

d) Installaties voor het produceren en bewerken van celstof.

9. Rubberverwerkende industrie

Vervaardiging en behandeling van producten op basis van elastomeren.

10. Infrastructuurprojecten

a) Industrieterreinontwikkeling.

b) Stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen.

c) Aanleg van spoorwegen en faciliteiten voor de overlading tussen vervoerswijzen en van overladingsstations (niet onder bijlage I vallende projecten).

d) Aanleg van vliegvelden (niet onder bijlage I vallende projecten).

e) Aanleg van wegen, havens en haveninstallaties, met inbegrip van visserijhavens (niet onder bijlage I vallende projecten).

f) Aanleg van waterwegen (projecten die niet zijn opgenomen in bijlage I, werken inzake kanalisering en ter beperking van overstromingen (= floodrelief werken)).

g) Stuwdammen en andere installaties voor het stuwen of voor de lange termijn opslaan van water (niet onder bijlage I vallende projecten).

h) Trams, boven- en ondergrondse spoorwegen, zweefspoor en dergelijke bijzondere constructies, welke uitsluitend of overwegend voor personenvervoer zijn bestemd.

i) Aanleg van olie- en gaspijpleidinginstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten).

j) Aanleg van aquaducten over lange afstand.

k) Kustwerken om erosie te bestrijden en maritieme werken die de kust kunnen wijzigen door de aanleg van onder meer dijken, pieren, havenhoofden, en andere kustverdedigingswerken, met uitzondering van het onderhoud en herstel van deze werken.

l) Niet in bijlage I opgenomen werken voor het onttrekken of kunstmatig aanvullen van grondwater.

m) Niet in bijlage I opgenomen projecten voor de overbrenging van water tussen stroomgebieden.

11. Andere projecten

a) Permanente race- en testbanen voor gemotoriseerde voertuigen.

b) Installaties voor de verwijdering van afval (niet onder bijlage I vallende projecten).

c) Rioolwaterzuiveringsinstallaties (niet onder bijlage I vallende projecten).

d) Slibstortplaatsen.

e) Opslag van schroot, met inbegrip van autowrakken.

f) Testbanken voor motoren, turbines of reactoren.

g) Installaties voor de vervaardiging van kunstmatige minerale vezels.

h) Installaties voor de terugwinning of vernietiging van explosieve stoffen.

i) Vilderijen.

12. Toerisme en recreatie

a) Skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen.

b) Jachthavens.

c) Vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen.

d) Permanente kampeer- en caravanterreinen.

e) Themaparken.

13. - Wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

- Projecten van bijlage I die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.

BIJLAGE III

IN ARTIKEL 4, LID 3, BEDOELDE SELECTIECRITERIA

1. Kenmerken van de projecten

Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

- de omvang van het project,

- de cumulatie met andere projecten,

- het gebruik van natuurlijke hulpbronnen,

- de productie van afvalstoffen,

- verontreiniging en hinder,

- risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën.

2. Plaats van de projecten

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

- het bestaande grondgebruik,

- de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied,

- het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

a) wetlands,

b) kustgebieden,

c) berg- en bosgebieden,

d) reservaten en natuurparken,

e) gebieden die in de wetgeving van de lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;

speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG en Richtlijn 92/43/EEG,

f) gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden,

g) gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid,

h) landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3. Kenmerken van het potentiële effect

Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen:

- het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking),

- het grensoverschrijdende karakter van het effect,

- de orde van grootte en de complexiteit van het effect,

- de waarschijnlijkheid van het effect,

- de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

BIJLAGE IV

INFORMATIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 5, LID 1

1. Beschrijving van het project, met in het bijzonder:

- een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en de eisen met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen,

- een beschrijving van de voornaamste kenmerken van de productieprocessen, bijvoorbeeld aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen,

- een prognose van de aard en hoeveelheid van de verwachte residuen en emissies (water-, lucht- en bodemverontreiniging, geluidshinder, trillingen, licht, warmte, straling, enz.) ten gevolge van het functioneren van het voorgenomen project.

2. In voorkomend geval een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, in het licht van de milieu-effecten.

3. Een beschrijving van de waarschijnlijk belangrijke milieu-effecten van het voorgenomen project op met name: de bevolking, fauna en flora, bodem, water, lucht, de klimatologische factoren, materiële goederen, met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap en de interrelatie tussen genoemde factoren.

4. Een beschrijving (1) van de waarschijnlijk aanzienlijke milieu-effecten van het voorgestelde project ten gevolge van:

- het bestaan van het project,

- het gebruik van de natuurlijke hulpbronnen,

- de lozing van verontreinigende stoffen, het ontstaan van milieuhinder en de eliminering van afvalstoffen,

en beschrijving van de methode die de opdrachtgever heeft gebruikt voor de milieu-effectbeoordeling.

5. Een beschrijving van de beoogde maatregelen om belangrijke nadelige milieu-effecten van het project te vermijden, te beperken en zo mogelijk te verhelpen.

6. Een niet-technische samenvatting van de overeenkomstig bovengenoemde punten verstrekte informatie.

7. Een opgave van de moeilijkheden (technische leemten of ontbrekende kennis) die de opdrachtgever eventueel heeft ondervonden bij het verzamelen van de vereiste informatie.

(1) Deze beschrijving zou betrekking moeten hebben op de directe, en in voorkomend geval op de indirecte, secundaire en cumulatieve effecten op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, positief en negatief van het project.".

Top