EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31994L0067

Richtlijn 94/67/EG van de Raad van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen

OJ L 365, 31.12.1994, p. 34–45 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 014 P. 186 - 197
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 014 P. 186 - 197
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 002 P. 413 - 424

No longer in force, Date of end of validity: 27/12/2000; opgeheven door 32000L0076

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1994/67/oj

31994L0067

Richtlijn 94/67/EG van de Raad van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen

Publicatieblad Nr. L 365 van 31/12/1994 blz. 0034 - 0045
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 14 blz. 0186
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 14 blz. 0186


RICHTLIJN 94/67/EG VAN DE RAAD van 16 december 1994 betreffende de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikel 130 S, lid 1,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (2),

Overeenkomstig de procedure van artikel 189 C van het Verdrag (3),

Overwegende dat de doelstellingen en beginselen van het milieubeleid van de Gemeenschap volgens artikel 130 R van het Verdrag in het bijzonder gericht zijn op voorkoming van verontreiniging, bestrijding van verontreiniging door bij voorrang aan de bron op te treden, en toepassing van het beginsel dat de vervuiler betaalt;

Overwegende dat de Commissie in de Resolutie van de Raad van 7 mei 1990 betreffende het afvalstoffenbeleid (4) is verzocht haar voorstellen inzake verbrandingsinstallaties voor industrieel afval met spoed te vervolledigen;

Overwegende dat de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen emissies tot gevolg heeft die verontreiniging kunnen veroorzaken en daardoor, indien niet op de juiste wijze beheerst, de volksgezondheid en het milieu kunnen schaden; dat in sommige gevallen grensoverschrijdende verontreiniging kan plaatsvinden;

Overwegende dat derhalve preventief handelen is vereist om het milieu te beschermen tegen gevaarlijke emissies als gevolg van de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen;

Overwegende dat de huidige verschillen tussen de nationale bepalingen inzake de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, en, in sommige gevallen, het ontbreken van dergelijke bepalingen, een optreden op Gemeenschapsniveau rechtvaardigen;

Overwegende dat de aanneming van deze richtlijn overeenkomstig artikel 130 T van het Verdrag niet belet dat een Lid-Staat maatregelen voor een verdergaande bescherming van het milieu handhaaft of treft die verenigbaar zijn met het Verdrag;

Overwegende dat in artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen (5) is bepaald dat de Lid-Staten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of de verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu; dat te dien einde in artikel 9 van die richtlijn is bepaald dat iedere afvalverwerkende installatie of onderneming een vergunning van de bevoegde instantie moet verkrijgen die onder meer betrekking heeft op de te nemen voorzorgsmaatregelen;

Overwegende dat in de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 84/360/EEG van de Raad van 28 juni 1984 betreffende de bestrijding van door industriële inrichtingen veroorzaakte luchtverontreiniging (6) is bepaald dat voor de exploitatie van industriële installaties die behoren tot de in die richtlijn vermelde categorieën, waaronder afvalverbrandingsinstallaties, een voorafgaande vergunning is vereist;

Overwegende dat de overeenkomstig deze richtlijn opgerichte en geëxploiteerde verbrandingsinstallaties tot doel hebben de met verontreiniging verband houdende risico's van gevaarlijke afvalstoffen door middel van een oxidatieproces te verminderen, de hoeveelheid en het volume van het afval te verkleinen en reststoffen voort te brengen die op veilige wijze kunnen worden hergebruikt of verwijderd;

Overwegende dat een hoog niveau van milieubescherming de vaststelling en handhaving van passende bedrijfsvoorwaarden en emissiegrenswaarden voor verbrandingsinstallaties voor gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap vergt; dat bijzondere bepalingen noodzakelijk zijn in het geval van emissies van dioxinen en furanen, waarvoor het van essentieel belang is dat zij door gebruik van de modernste technologie worden verminderd;

Overwegende dat voor het controleren van de emissies op de naleving van de emissiegrenswaarden en de richtwaarden voor de verontreinigende stoffen hoogwaardige meettechnieken vereist zijn;

Overwegende dat een geïntegreerde bescherming van het milieu tegen de emissies van de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen vereist is; dat waterige afvalstoffen van het wassen van rookgassen daarom slechts mogen worden geloosd na een aparte behandeling om de overgang van verontreiniging van het ene milieucompartiment naar het andere te beperken; dat binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn specifieke emissiegrenswaarden voor verontreinigende stoffen in dergelijke waterige afvalstoffen dienen te worden vastgesteld;

Overwegende dat er bepalingen moeten worden vastgesteld voor gevallen waarin de emissiegrenswaarden worden overschreden en voor technisch onvermijdelijke stilleggingen, storingen of defecten van de reinigingsinstallaties;

Overwegende dat het bijstoken van gevaarlijke afvalstoffen in niet in hoofdzaak voor de verbranding van gevaarlijke stoffen bestemde installaties geen hogere emissies van verontreinigende stoffen mag veroorzaken in het deel van het rookgasvolume dat door dit bijstoken vrijkomt; dat daarvoor dus passende beperkingen dienen te gelden;

Overwegende dat voor een betere bescherming van de gezondheid van personen en het milieu een snelle aanpassing van de bestaande verbrandingsinstallaties aan de in deze richtlijn opgenomen emissiegrenswaarden is vereist, om te voorkomen dat er meer gevaarlijke afvalstoffen naar deze installaties worden overgebracht;

Overwegende dat er een comité dient te worden ingesteld dat tot taak heeft de Commissie bij de uitvoering van deze richtlijn en bij de aanpassing ervan aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang bij te staan;

Overwegende dat de verslagen over de uitvoering van deze richtlijn voor de Commissie en de Lid-Staten een belangrijke bron zijn van informatie over de vorderingen bij de ontwikkeling van emissiebeheersingstechnieken;

Overwegende dat er vóór 31 december 2000 voorstellen tot herziening van de emissiegrenswaarden en bijbehorende bepalingen van deze richtlijn aan de Raad dienen te worden voorgelegd in het licht van de verwachte ontwikkelingen in de stand van de technologie, de ervaringen met de exploitatie van de verbrandingsinstallaties en de milieu-eisen,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn strekt ertoe maatregelen en procedures vast te stellen om de negatieve milieu-effecten van verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, in het bijzonder verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater, alsmede de daaruit voortvloeiende risico's voor de gezondheid van personen te voorkomen of, wanneer dat niet uitvoerbaar is, zoveel mogelijk te verminderen, en te dien einde voor verbrandingsinstallaties voor gevaarlijke afvalstoffen in de Gemeenschap passende exploitatievoorwaarden en emissiegrenswaarden vast te stellen en te handhaven.

2. Deze richtlijn doet niet af aan de andere communautaire voorschriften ter zake, met name betreffende afvalstoffen en de bescherming van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij verbrandingsinstallaties.

Artikel 2

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1. "gevaarlijke afvalstoffen": iedere vaste of vloeibare afvalstof als bedoeld in artikel 1, lid 4, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad van 12 december 1991 betreffende gevaarlijke afvalstoffen (1).

De volgende gevaarlijke afvalstoffen vallen echter niet onder het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn:

- brandbare vloeibare afvalstoffen, waaronder afgewerkte olie als omschreven in artikel 1 van Richtlijn 75/439/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de verwijdering van afgewerkte olie (2), indien zij voldoen aan de volgende drie criteria:

i) de concentratie gepolychloreerde aromatische koolwaterstoffen, bijvoorbeeld polychloorbifenylen (PCB's) of pentachloorfenol (PCP), bedraagt niet meer dan de in de communautaire regelgeving ter zake vermelde concentraties,

ii) deze afvalstoffen die niet gevaarlijk zijn ten gevolge van de aanwezigheid van andere bestanddelen als genoemd in bijlage II van Richtlijn 91/689/EEG in hoeveelheden of concentraties die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG, en iii) de netto calorische waarde bedraagt ten minste 30 MJ per kg;

- brandbare vloeibare afvalstoffen die in het rookgas dat rechtstreeks bij hun verbranding ontstaat geen andere emissies kunnen veroorzaken dan die van gasolie als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 75/716/EEG (3) en geen hogere concentratie van emissies dan door de verbranding van de aldus omschreven gasolie wordt veroorzaakt;

- gevaarlijke afvalstoffen die ontstaan bij de exploratie en de exploitatie van olie- en gasbronnen vanaf offshore-installaties en die aan boord worden verbrand;

- stedelijk afval dat onder de Richtlijnen 89/369/EEG (1) en 89/429/EEG (2) valt;

- van de behandeling van stedelijk afvalwater afkomstig zuiveringsslib dat niet gevaarlijk is ten gevolge van de aanwezigheid van bestanddelen als genoemd in bijlage II van Richtlijn 91/689/EEG in hoeveelheden of concentraties - tot de in artikel 1, lid 4, van die richtlijn bedoelde lijst van gevaarlijke afvalstoffen is opgesteld, als bepaald door de Lid-Staten - die onverenigbaar zijn met de doelstellingen van artikel 4 van Richtlijn 75/442/EEG. Deze uitsluiting doet niet af aan het bepaalde in Richtlijn 86/278/EEG (3);

2. "verbrandingsinstallatie": elke technische inrichting die voor de verbranding door oxidatie van gevaarlijke afvalstoffen, al dan niet met terugwinning van de geproduceerde verbrandingswarmte, wordt gebruikt, met inbegrip van voorbehandeling, pyrolyse of andere thermische behandelingsprocessen, bijvoorbeeld het plasmaproces, voor zover de produkten daarvan vervolgens worden verbrand. Hieronder vallen ook de verbrandingsinstallaties waarin deze afvalstoffen als gewone brandstof of voor het bijstoken ten behoeve van industriële processen worden gebruikt.

Deze definitie omvat het terrein en de gehele installatie met de voorzieningen voor de inontvangstname van afval, opslag en voorbehandeling, de verbrandingsoven, de systemen voor de toevoer van afval, brandstof en lucht, de voorzieningen voor rookgas- en afvalwaterbehandeling, alsook de apparatuur en systemen voor de regeling van het verbrandingsproces en voor het continu registreren en bewaken van de verbrandingsomstandigheden.

De volgende installaties vallen niet onder deze definitie:

- verbrandingsinstallaties voor kadavers of dierlijke resten;

- verbrandingsinstallaties voor infectieus ziekenhuisafval dat niet gevaarlijk is als gevolg van de aanwezigheid van andere bestanddelen als genoemd in bijlage II van Richtlijn 91/689/EEG; of - verbrandingsinstallaties voor stedelijk afval waarin ook infectieus ziekenhuisafval wordt verbrand dat niet wordt vermengd met andere afvalstoffen die gevaarlijk zijn doordat zij een van de andere in bijlage III van Richtlijn 91/689/EEG genoemde eigenschappen bezitten;

3. "nieuwe verbrandingsinstallatie": een installatie waarvoor op of na de in artikel 18, lid 1, genoemde datum een exploitatievergunning wordt verleend;

4. "bestaande verbrandingsinstallatie": een installatie waarvoor de oorspronkelijke exploitatievergunning vóór de in artikel 18, lid 1, genoemde datum is verleend;

5. "emissiegrenswaarde": massaconcentratie van verontreinigende stoffen die in van installaties afkomstige emissies gedurende een bepaalde periode niet mag worden overschreden;

6. "exploitant": iedere natuurlijke of rechtspersoon die de verbrandingsinstallatie exploiteert of daarover economische zeggenschap bezit of aan wie een dergelijke zeggenschap is overgedragen.

Artikel 3

1. De in de artikelen 9 en 10 van Richtlijn 75/442/EEG, in artikel 11 van de richtlijn als aangevuld door artikel 3 van Richtlijn 91/689/EEG en in artikel 3 van Richtlijn 84/360/EEG bedoelde vergunning wordt slechts verleend, indien uit de aanvraag blijkt dat de verbrandingsinstallatie zodanig ontworpen en uitgerust is en geëxploiteerd zal worden dat alle geschikte maatregelen ter voorkomig van milieuverontreiniging zullen zijn genomen en dat aan de voorschriften van de artikelen 5 tot en met 12 van de onderhavige richtlijn zal worden voldaan.

2. De door de bevoegde autoriteiten afgegeven vergunning vermeldt uitdrukkelijk de soorten en hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen die in de verbrandingsinstallatie mogen worden verwerkt, alsmede de totale capaciteit van de verbrandingsoven.

3. Wanneer in een installatie die niet in hoofdzaak voor verbranding van gevaarlijke afvalstoffen is bestemd, gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand (bijstoken) waarvan de vrijkomende warmte nooit meer bedraagt dan 40 % van de totale warmte die op dat moment vrijkomt, gelden ten minste de volgende artikelen:

- de artikelen 1 tot en met 5,

- artikel 6, leden 1 en 5,

- artikel 7, met inbegrip van de bepalingen betreffende de in de artikelen 10 en 11 bedoelde meetvoorschriften,

- artikel 9,

- de artikelen 12, 13 en 14.

4. De vergunning voor bijstoken als omschreven in lid 3 wordt slechts verleend, indien in de aanvraag wordt aangetoond:

- dat de branders voor gevaarlijke afvalstoffen zodanig zijn geplaatst en de afvalstoffen op zodanige wijze worden toegevoegd dat deze afvalstoffen zo volledig mogelijk worden verbrand, en - dat volgens de in bijlage II beschreven berekeningen aan de bepalingen van artikel 7 zal worden voldaan.

Deze vergunning vermeldt uitdrukkelijk de soorten en hoeveelheden gevaarlijke afvalstoffen waarvoor bijstoken is toegestaan. De vergunning vermeldt tevens de minimale en de maximale toevoer van deze gevaarlijke afvalstoffen, de laagste en de hoogste calorische waarde ervan, alsmede de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen, bijvoorbeeld PCB's, PCP, chloor, fluor, zwavel en zware metalen.

De resultaten van de binnen zes maanden na de inbedrijfstelling onder de slechtst denkbare omstandigheden verrichte metingen moeten uitwijzen dat aan de bepalingen van artikel 7 is voldaan. De bevoegde autoriteiten kunnen voor deze periode ontheffing verlenen van het in lid 3 genoemde percentage.

Artikel 4

De aanvragen voor een vergunning en de besluiten van de bevoegde autoriteiten dienaangaande, alsmede de resultaten van de in artikel 11 van deze richtlijn voorgeschreven metingen worden overeenkomstig Richtlijn 90/313/EEG van de Raad van 7 juni 1990 inzake de vrije toegang tot milieu-informatie (1) ter beschikking van het publiek gesteld.

Artikel 5

1. De exploitant treft alle nodige maatregelen met betrekking tot de aflevering en de inontvangstneming van afvalstoffen om negatieve milieu-effecten, in het bijzonder verontreiniging van lucht, bodem, oppervlaktewater en grondwater, alsmede risico's voor de gezondheid van personen te voorkomen of, wanneer dat niet uitvoerbaar is, zoveel mogelijk te verminderen. Deze maatregelen moeten ten minste voldoen aan de voorschriften van de leden 2 en 3.

2. Voordat de afvalstoffen bij de verbrandingsinstallatie worden aanvaard, moet de exploitant een beschrijving van de afvalstoffen ter beschikking zijn gesteld waarin zijn vermeld:

- de fysische en, voor zover doenlijk, de chemische samenstelling van de afvalstoffen, alsmede alle benodigde gegevens voor de beoordeling van de geschiktheid van die stoffen voor het beoogde verbrandingsproces;

- de gevaarlijke eigenschappen van de afvalstoffen, de stoffen waarmee zij niet mogen worden gemengd en de bij behandeling van de afvalstoffen te treffen voorzorgsmaatregelen.

3. Voordat de afvalstoffen bij de verbrandingsinstallatie worden aanvaard, moet de exploitant van de installatie ten minste de volgende inontvangstnemingsprocedures volgen:

- bepaling van de massa van de afvalstoffen;

- controle van de documenten die vereist zijn op grond van Richtlijn 91/689/EEG alsmede, in voorkomend geval, op grond van Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (2) en de voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke goederen;

- tenzij dit niet dienstig is, moeten er, zo mogelijk voordat de lading wordt gelost, representatieve monsters worden genomen om aan de hand van controles na te gaan of zij met de in lid 2 bedoelde beschrijving overeenstemmen en om het de bevoegde autoriteiten mogelijk te maken de aard van de behandelde afvalstoffen vast te stellen. Deze monsters moeten gedurende ten minste een maand na de verbranding worden bewaard.

4. De bevoegde autoriteiten kunnen een ontheffing van de leden 2 en 3 verlenen voor ondernemingen of industriële inrichtingen die alleen eigen afvalstoffen verbranden op de plaats van voortbrenging van de afvalstoffen, mits hetzelfde niveau van bescherming wordt bereikt.

Artikel 6

1. De installaties voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen worden zodanig geëxploiteerd dat de afvalstoffen zo volledig mogelijk worden verbrand. Dit kan de toepassing van geschikte afvalvoorbehandelingstechnieken vergen.

2. Alle verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd dat het bij verbranding van gevaarlijke afvalstoffen ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, op een beheerste en homogene wijze zelfs in de slechtst denkbare omstandigheden wordt verhit tot een temperatuur van ten minste 850°C, gedurende ten minste twee seconden bereikt aan of nabij de binnenwand van de verbrandingskamer bij een zuurstofgehalte van ten minste 6 %; indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van meer dan 1 % gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt als chloor, worden verbrand, dient de temperatuur tot ten minste 1 100°C te worden opgevoerd.

Wordt de oven gestookt met uitsluitend vloeibare gevaarlijke afvalstoffen of met een mengsel van gasvormige stoffen en van poedervormige vaste stoffen afkomstig van een thermische voorbehandeling van gevaarlijke afvalstoffen in een zuurstofarme omgeving, en wordt meer dan 50 % van de totale hoeveelheid vrijkomende warmte geleverd door de gassen, dan dient het zuurstofgehalte na de laatste verbrandingsluchttoevoer ten minste 3 % te bedragen.

3. Alle verbrandingsinstallaties worden uitgerust met branders die automatisch worden ingeschakeld wanneer de relevante minimumtemperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingsgas onder de in lid 2 genoemde minimumtemperatuur daalt. De branders dienen ook te worden gebruikt bij het starten en stilleggen van de installatie, teneinde te waarborgen dat de relevante minimumtemperatuur gehandhaafd blijft, zolang zich onverbrande afvalstoffen in de verbrandingsoven bevinden.

Tijdens starten en stilleggen of wanneer de temperatuur van het verbrandingsgas beneden de in lid 2 vermelde temperatuur daalt, mogen naar de branders geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan die welke ontstaan bij het stoken van gasolie als omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 75/716/EEG, vloeibaar gas of aardgas.

Een verbrandingsinstallatie dient verplicht te zijn voorzien van een systeem waarmee de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen wordt belet:

- bij het starten, totdat de vereiste minimale verbrandingstemperatuur is bereikt;

- wanneer de vereiste minimale verbrandingstemperatuur niet behouden blijft;

- wanneer de in artikel 11, lid 1, onder a), voorgeschreven continumetingen uitwijzen dat een emissiegrenswaarde wordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de reinigingsinstallaties.

4. Van de bepalingen van lid 2 afwijkende en in de vergunning voor bepaalde gevaarlijke afvalstoffen vermelde voorschriften, mogen door de bevoegde autoriteiten worden toegestaan. Evenwel moet ten minste aan de bepalingen van artikel 7 zijn voldaan en moeten de dioxine- en furanenemissieniveaus lager zijn dan of gelijk zijn aan de volgens de voorschriften van lid 2 van dit artikel verkregen niveaus.

De op grond van de bepalingen van dit lid vastgestelde exploitatievoorwaarden en de uitslagen van de verrichte controles dienen aan de Commissie te worden medegedeeld als deel van de overeenkomstig artikel 17 verstrekte informatie.

5. Wanneer de verbrandingsinstallatie in bedrijf is, mogen de volgende grenswaarden voor koolstofmonoxide (CO)-concentraties in de verbrandingsgassen niet worden overschreden:

a) een als daggemiddelde bepaalde waarde van 50 mg/m³ verbrandingsgas;

b) 150 mg/m³ verbrandingsgas bij ten minste 95 % van alle metingen, bepaald als in een willekeurige periode van 24 uur genomen gemiddelde waarden over 10 minuten, of 100 mg/m³ verbrandingsgas bij alle metingen, bepaald als in een willekeurige periode van 24 uur genomen halfuurgemiddelden.

6. Alle verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd dat emissies in de lucht die zouden leiden tot luchtverontreiniging van betekenis aan de grond worden voorkomen; met name rookgassen dienen op gecontroleerde wijze langs de schoorsteen te worden geloosd.

De schoorsteenhoogte dient zodanig berekend te zijn dat de gezondheid van personen en het milieu voor gevaar worden behoed.

Artikel 7

1. Verbrandingsinstallaties worden zodanig ontworpen, uitgerust en geëxploiteerd dat in het rookgas ten minste de onderstaande emissiegrenswaarden niet worden overschreden:

a) daggemiddelden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) halfuurgemiddelden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) alle gemiddelde waarden over een bemonsteringsperiode van minimaal dertig minuten en maximaal acht uur:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze gemiddelde waarden gelden ook voor de gas- en dampvormige emissies van de betreffende zware metalen en verbindingen daarvan.

2. De emissie van dioxinen en furanen wordt met de modernste technieken verminderd. Uiterlijk met ingang van 1 januari 1997 mogen alle in een bemonsteringstijd van minimaal 6 en maximaal 8 uur gemeten gemiddelde waarden een grenswaarde van 0,1 ng/m³ niet overschrijden, tenzij uiterlijk zes maanden voor die datum door de Commissie volgens de procedure van artikel 16 niet op Gemeenschapsniveau is gezorgd voor de beschikbaarheid van geharmoniseerde meetmethoden. Deze grenswaarde wordt omschreven als de som van de overeenkomstig bijlage I berekende concentraties van de afzonderlijke dioxinen en furanen. Tot de datum waarop deze grenswaarde van kracht wordt, dienen de Lid-Staten deze waarde ten minste als richtwaarde te hanteren.

3. De resultaten van de metingen, verricht ter controle op de naleving van de in artikel 6 en in het onderhavige artikel vermelde grens- en richtwaarden, worden herleid tot de in artikel 11, lid 2, vermelde condities.

4. Indien gevaarlijke afvalstoffen worden bijgestookt als bedoeld in artikel 3, lid 3, gelden de bepalingen van artikel 6, lid 5, en van de leden 1, 2 en 3 van het onderhavige artikel slechts voor het door verbranding van deze afvalstoffen ontstane deel van het rookgasvolume, overeenkomstig de criteria van bijlage II.

Voor de betrokken verontreinigende stoffen in het rookgas van de in artikel 3, lid 3, bedoelde installaties worden passende emissiegrens- en richtwaarden vastgesteld overeenkomstig bijlage II.

Artikel 8

1. Afvalwater van een verbrandingsinstallatie mag alleen geloosd worden indien daartoe door de bevoegde autoriteiten een vergunning is verleend.

2. Lozingen in het aquatische milieu van waterige afvalstoffen van de reiniging van rookgassen moeten zoveel mogelijk beperkt worden.

Mits dit in de vergunning specifiek is bepaald, mogen de waterige afvalstoffen na afzonderlijke behandeling worden geloosd, op voorwaarde dat:

- de desbetreffende communautaire, nationale en plaatselijke voorschriften worden nageleefd in de vorm van emissiegrenswaarden; en - de massa zware metalen, dioxinen en furanen in die waterige afvalstoffen in verhouding tot de hoeveelheid verwerkte gevaarlijke afvalstoffen zodanig wordt verminderd dat de massa die in het water mag worden geloosd geringer is dan de massa welke in de lucht mag worden geloosd.

3. Onverminderd lid 2 stelt de Raad op voorstel van de Commissie binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn een reeks specifieke grenswaarden vast voor de verontreinigende stoffen in de te lozen effluenten van de reiniging van rookgassen.

4. Verbrandingsinstallaties met de bijbehorende terreinen voor opslag van gevaarlijke afvalstoffen worden zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het binnendringen van verontreinigende stoffen in bodem en grondwater overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 80/68/EEG van de Raad van 17 december 1979 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging veroorzaakt door de lozing van bepaalde gevaarlijke stoffen (1) wordt voorkomen. Bovendien moet worden voorzien in opvangcapaciteit voor van het terrein van de verbrandingsinstallatie wegvloeiend regenwater en voor bij overlopen of brandbestrijding ontstaan verontreinigd water. De opvangcapaciteit dient zodanig te zijn dat dit water, alvorens het wordt geloosd, zo nodig getest en gezuiverd kan worden.

Artikel 9

1. Door de werking van de verbrandingsinstallatie ontstane reststoffen worden overeenkomstig de Richtlijnen 75/442/EEG en 91/689/EEG nuttig toegepast of verwijderd. Daartoe kan voorbehandeling van die reststoffen nodig zijn. Deze reststoffen dienen gescheiden van elkaar te worden gehouden in afwachting van de keuze tussen nuttige toepassing of verwijdering; ter bevordering hiervan dienen de geschikte technologieën te worden toegepast.

2. Vervoer en tussentijdse opslag van droge reststoffen in de vorm van stof, bijvoorbeeld stof van ketels en droge reststoffen van de rookgasbehandeling, geschieden in gesloten houders.

3. Eventueel bij de verbrandingsprocessen vrijgekomen warmte dient zoveel mogelijk te worden gebruikt.

4. Alvorens de methoden van verwijdering of nuttige toepassing van de verbrandingsreststoffen vast te stellen, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan welke de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de verschillende verbrandingsreststoffen zijn. De analyse heeft in het bijzonder betrekking op de oplosbare fractie en zware metalen.

Artikel 10

1. De meetvoorschriften voor het overeenkomstig artikel 11 controleren van de voor het verbrandingsproces van belang zijnde parameters, condities en massaconcentraties van de verontreinigende stoffen worden in de door de bevoegde autoriteiten af te geven vergunning, in de daaraan verbonden voorwaarden of in de relevante bindende algemene regels inzake meetvoorschriften bepaald.

2. De vergunning wordt slechts verleend, indien uit de aanvraag blijkt dat de voorgestelde meettechnieken aan bijlage III beantwoorden. De waarden van het (95 %) betrouwbaarheidsinterval, bepaald bij de emissiegrenswaarden van artikel 6, lid 5, onder a), en artikel 7, lid 1, onder a), punten 1, 2, 3 en 5, mogen de waarden van bijlage III, punt 4, niet overschrijden.

De juiste installatie en de werking van de geautomatiseerde controleapparatuur worden onderworpen aan controle en aan een jaarlijkse test.

3. De bemonsterings- en meetmethoden die worden gehanteerd om aan de voorschriften inzake periodieke meting van iedere luchtverontreinigende stof te voldoen en de plaats van de monstername- of meetpunten worden in de door de bevoegde autoriteiten af te geven vergunning, in de daaraan verbonden voorwaarden of in de relevante bindende algemene regels inzake bemonsterings- en meetvoorschriften bepaald.

De voorschriften inzake periodieke metingen worden door de bevoegde autoriteiten overeenkomstig bijlage III vastgesteld.

Artikel 11

1. In de verbrandingsinstallatie worden overeenkomstig bijlage III de volgende metingen verricht:

a) continumetingen van de in artikel 6, lid 5, en artikel 7, lid 1, onder a) en b), genoemde stoffen;

b) continumetingen van de volgende procesparameters:

- temperatuur als vermeld in artikel 6, leden 2 en 4,

- zuurstofgehalte, druk, temperatuur en waterdampgehalte van de rookgassen;

c) ten minste twee metingen per jaar van de in artikel 7, lid 1, onder c), en lid 2, genoemde stoffen; gedurende de eerste twaalf maanden na de inbedrijfstelling wordt echter om de twee maanden een meting verricht;

d) een passende controle van de verblijftijd, de relevante minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de rookgassen als omschreven in artikel 6, leden 2 en 4, en wel ten minste één keer, wanneer de verbrandingsinstallatie in bedrijf wordt gesteld, alsmede onder de slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden.

Continumeting van HF mag achterwege blijven, indien voor HCI behandelingsstappen worden gevolgd, die waarborgen dat de emissiegrenswaarde van artikel 7, lid 1, onder a), punt 3, en onder b), punt 3, niet wordt overschreden. De HF-emissies worden in dit geval periodiek gemeten.

Continumeting van het waterdampgehalte is niet nodig, indien de als monster gebruikte rookgassen worden gedroogd alvorens de emissies worden geanalyseerd.

Metingen van de in artikel 7, lid 1, vermelde verontreinigende stoffen zijn niet nodig, indien in de vergunning verbranding slechts wordt toegestaan voor gevaarlijke afvalstoffen die geen gemiddelde waarden van die verontreinigende stoffen kunnen veroorzaken welke hoger zijn dan 10 % van de emissiegrenswaarden van artikel 7, lid 1.

Zodra in de Gemeenschap geschikte meettechnieken beschikbaar zijn, zal de Commissie volgens de procedure van artikel 16 besluiten vanaf welke datum continumetingen van de in artikel 7, lid 1, onder c), en lid 2, genoemde stoffen overeenkomstig bijlage III moeten worden uitgevoerd.

2. De resultaten van de metingen, verricht ter controle op de naleving van de in de artikelen 6 en 7 neergelegde grens- en richtwaarden, worden tot de volgende condities herleid:

- temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 11 %, droog gas;

- temperatuur 273 K, druk 101,3 kPa, zuurstofgehalte 3 %, droog gas, uitsluitend bij verbranding van afgewerkte olie als gedefinieerd in Richtlijn 75/439/EEG.

Wanneer de gevaarlijke afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand, mogen de meetresultaten worden herleid tot een door de bevoegde autoriteiten vastgesteld zuurstofgehalte dat de bijzondere omstandigheden van het individuele geval weerspiegelt. In het geval van artikel 3, lid 3, worden de meetresultaten herleid tot een totaal zuurstofgehalte als berekend in bijlage II.

Wanneer de emissies van verontreinigende stoffen door behandeling van het rookgas worden verminderd, geschiedt de herleiding met betrekking tot de in de eerste alinea vermelde zuurstofgehaltes slechts indien het over dezelfde periode als voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante standaardzuurstofgehalte.

3. De emissiegrenswaarden zijn nageleefd, indien:

- alle daggemiddelden de emissiegrenswaarden van artikel 6, lid 5, onder a), en artikel 7, lid 1, onder a), niet overschrijden, en ofwel alle halfuurgemiddelden in één jaar de emissiegrenswaarden in kolom A van artikel 7, lid 1, onder b), niet overschrijden,

ofwel 97 % van de halfuurgemiddelden in één jaar de emissiegrenswaarden in kolom B van artikel 7, lid 1, onder b), niet overschrijdt,

- alle gemiddelden over de monsternemingsperiode van artikel 7, lid 1, onder c), de daarin vermelde emissiegrenswaarden niet overschrijden;

- aan het bepaalde in artikel 6, lid 5, onder b), wordt voldaan.

Om te beoordelen of de emissiegrenswaarden zijn nageleefd, worden de gemiddelde waarden die worden bepaald binnen de in artikel 12, lid 2, bedoelde perioden niet in aanmerking genomen.

De halfuurgemiddelden en de 10-minuten-gemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de installatie werkelijk in bedrijf is (met inbegrip van de voor starten en stilleggen benodigde tijd, wanneer gevaarlijke afvalstoffen worden verbrand) aan de hand van de meetwaarden, waarvan de waarde van het betrouwbaarheidsinterval van bijlage III, punt 4, is afgetrokken. De daggemiddelden worden bepaald op basis van die gevalideerde gemiddelde waarden.

De gemiddelden over de monsternemingsperiode, en in het geval van periodieke metingen van HF de gemiddelde waarden voor HF, worden bepaald overeenkomstig de voorschriften van artikel 10, lid 3.

Artikel 12

1. Indien uit de verrichte metingen blijkt dat de in deze richtlijn vastgestelde emissiegrenswaarden zijn overschreden, worden de bevoegde autoriteiten daarvan terstond op de hoogte gebracht. In de betrokken installatie mogen geen gevaarlijke afvalstoffen meer worden verbrand zolang de emissiegrenswaarden niet worden nageleefd, totdat de bevoegde autoriteiten toestemming verlenen voor de hervatting van de verbranding van deze afvalstoffen.

2. Voor technisch onvermijdelijke stilleggingen of storingen dan wel voor defecten aan rookgasreinigingsinstallaties of meetinstallaties stellen de bevoegde autoriteiten de maximaal toelaatbare periode vast, gedurende welke de concentraties van de in de lucht uitgestoten, onder de voorschriften vallende stoffen de voorgeschreven emissiegrenswaarden mogen overschrijden. De installatie mag in geen geval langer dan vier uur onafgebroken met verbranding van gevaarlijke afvalstoffen voortgaan; voorts mag de totale duur waarin de installatie in de loop van één jaar onder die omstandigheden in bedrijf is niet meer dan 60 uur bedragen.

In geval van een defect moet de exploitant de activiteit van de installatie zo spoedig als uitvoerbaar is verminderen of de installatie stilleggen, totdat normaal bedrijf opnieuw mogelijk is. In installaties als bedoeld in artikel 3, lid 3, wordt het bijstoken van gevaarlijke afvalstoffen gestaakt.

Het totale stofgehalte van de uitstoot mag onder geen beding meer bedragen dan 150 mg/m³, uitgedrukt als halfuurgemiddelde. Voorts mogen de emissiegrenswaarden van artikel 7, lid 1, onder a), punt 2, en onder b), punt 2, niet worden overschreden. Aan alle overige voorwaarden van artikel 6 dient te worden voldaan.

Artikel 13

1. De bepalingen van deze richtlijn worden binnen drie jaar en zes maanden na de in artikel 18, lid 1, bepaalde datum van toepassing voor bestaande verbrandingsinstallaties.

2. De exploitant kan de bevoegde autoriteiten echter binnen zes maanden na de in artikel 18, lid 1, bepaalde datum ervan in kennis stellen dat de bestaande installatie niet langer dan 20 000 uur binnen een met de kennisgeving van de exploitant aanvangende periode van ten hoogste vijf jaar in bedrijf zal zijn, alvorens zij defintief buiten werking wordt gesteld. In dat geval is lid 1 niet van toepassing.

Artikel 14

Vóór 31 december 2000, en met name in het licht van de verwachte ontwikkeling van de stand van de technologie, de ervaringen met de exploitatie van de installaties en de milieu-eisen, dient de Commissie bij de Raad een verslag in over de ervaringen met de toepassing van de richtlijn en de vooruitgang op het gebied van emissiebeheersingstechnieken, samen met voorstellen voor de herziening van de emissiegrenswaarden en bijbehorende bepalingen van deze richtlijn.

Eventuele ingevolge een dergelijke herziening vastgestelde emissiegrenswaarden zijn niet vóór 31 december 2006 van toepassing op bestaande verbrandingsinstallaties.

Artikel 15

De Commissie stelt volgens de procedure van artikel 16 de wijzigingen vast die nodig zijn om de bepalingen van de artikelen 10, 11 en 12 en van de bijlagen I tot en met III aan te passen aan de technische vooruitgang.

Artikel 16

1. De Commissie wordt bijgestaan door een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

Artikel 17

De verslagen over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn worden opgesteld volgens de procedure van artikel 5 van Richtlijn 91/692/EEG. Het eerste verslag bestrijkt de eerste volledige periode van drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn.

Artikel 18

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 31 december 1996 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 19

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 20

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 16 december 1994.

Voor de Raad De Voorzitter A. MERKEL

(1) PB nr. C 130 van 21. 5. 1992, blz. 1.

(2) PB nr. C 332 van 16. 12. 1992, blz. 49.

(3) Advies van het Europees Parlement uitgebracht op 10 maart 1993 (PB nr. C 115 van 26. 4. 1993, blz. 90). Gemeenschappelijk standpunt van de Raad van 11 juli 1994 (PB nr. C 232 van 20. 8. 1994, blz. 35) en van het Europees Parlement van 17 november 1994 (PB nr. C 341 van 5. 12. 1994).

(4) PB nr. C 122 van 18. 5. 1990, blz. 2.

(5) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 47. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG (PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 48).

(6) PB nr. L 188 van 16. 7. 1984, blz. 20. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG.

(1) PB nr. L 377 van 31. 12. 1991, blz. 20.

(2) PB nr. L 194 van 25. 7. 1975, blz. 23. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG.

(3) Richtlijn 75/716/EEG van de Raad van 24 november 1975 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake het zwavelgehalte van bepaalde vloeibare brandstoffen (PB nr. L 307 van 27. 11. 1975, blz. 22). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG.

(1) Richtlijn 89/369/EEG van de Raad van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging (PB nr. L 163 van 14. 6. 1989, blz. 32).

(2) Richtlijn 89/429/EEG van de Raad van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande installaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging (PB nr. L 203 van 15. 7. 1989, blz. 50).

(3) Richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw (PB nr. L 181 van 4. 7. 1986, blz. 6). Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG.

(1) PB nr. L 158 van 23. 6. 1990, blz. 56.

(2) PB nr. L 30 van 6. 2. 1993, blz. 1.

(*) Nieuwe installaties.

(**) Bestaande installaties.

(1) PB nr. L 20 van 26. 1. 1980, blz. 43. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/692/EEG.

BIJLAGE I

EQUIVALENTIEFACTOREN VOOR DIOXINEN EN DIBENZOFURANEN

Voor de bepaling van de opgetelde waarden zoals aangegeven in artikel 7, lid 2, moeten de massaconcentraties van de volgende dioxinen en dibenzofuranen, alvorens ze worden opgeteld, vermenigvuldigd worden met de volgende equivalentiefactoren (gebruikt wordt het begrip "toxiciteitsequivalent").

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE II

BEPALING VAN DE EMISSIEGRENSWAARDEN EN -RICHTWAARDEN VOOR HET BIJSTOKEN VAN GEVAARLIJKE AFVALSTOFFEN

De grens- of richtwaarden voor elke relevante verontreinigende stof en voor koolstofmonoxide in het rookgas die ontstaan als gevolg van het bijstoken van gevaarlijke afvalstoffen moeten als volgt berekend worden:

Vafvalstoffen × Cafvalstoffen + Vproces × Cproces Vafvalstoffen + Vproces = C Vafvalstoffen: volume rookgas ten gevolge van de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen, uitsluitend bepaald op basis van de afvalstof met de laagste calorische waarde, gespecificeerd in de vergunning, en herleid tot de in artikel 11, lid 2, vermelde omstandigheden.

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafvalstoffen worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren.

Cafvalstoffen: emissiegrenswaarden voor installaties die uitsluitend gevaarlijke afvalstoffen verbranden (minimaal de emissiegrenswaarden en richtwaarden voor de verontreinigende stoffen en voor koolstofmonoxide zoals deze in artikel 7, leden 1 en 2, en in artikel 6, lid 5, vastgesteld zijn).

Vproces: volume rookgas dat volgt uit de werkwijze van de installatie, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de verbrandingsinstallatie gebruikte brandstoffen (geen gevaarlijke afvalstoffen), bepaald op basis van het zuurstofgehalte waartoe de emissies herleid moeten worden, zoals vastgesteld in de communautaire of nationale voorschriften. Als er geen voorschriften voor dit soort verbrandingsinstallaties bestaan, moet het reële zuurstofgehalte in de rookgassen, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht gebruikt worden. Voor het overige moet het volume worden herleid tot de in artikel 11, lid 2, vermelde omstandigheden.

Cproces: emissiegrenswaarden van de relevante verontreinigende stoffen en koolstofmonoxide in het rookgas van verbrandingsinstallaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen (geen gevaarlijke afvalstoffen) worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen worden de in de vergunning vermelde emissiegrenswaarden gebruikt. Bij ontstentenis van een vergunning worden de werkelijke massaconcentraties gebruikt.

C: totale emissiegrenswaarde of -richtwaarde voor CO en de relevante verontreinigende stoffen ter vervanging van de emissiegrenswaarden en de richtwaarden als vermeld in artikel 6, lid 5, en in artikel 7, leden 1 en 2. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding in de artikelen 6 en 7 vervangt, wordt berekend op basis van het bovenstaande gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.

Hierbij mogen niet geteld worden:

verontreinigende stoffen en CO die niet rechtstreeks ontstaan door de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen of door de verbranding van brandstoffen (maar b.v. door materialen die nodig zijn voor de produktie of door produkten), evenals het CO dat rechtstreeks ontstaat door deze verbranding, indien - de hogere CO-concentraties in het verbrandingsgas vereist zijn voor het produktieproces, en - aan Cafvalstoffen (zoals boven gedefinieerd) voor dioxinen en furanen voldaan is.

In elk geval moet, uitgaande van de toegestane gevaarlijke afvalstoffen die mogen worden bijgestookt, de totale emissiegrenswaarde (C) zodanig berekend worden dat de emissies in het milieu zo gering mogelijk zijn.

BIJLAGE III

MEETTECHNIEKEN

1. Concentratiebepalingen van luchtverontreinigende stoffen in gasleidingen moeten representatief gebeuren.

2. Bemonstering en analyse van alle verontreinigende stoffen, met inbegrip van de dioxinen en furanen, evenals de referentiemetingen ter ijking van automatische meetsystemen, moeten uitgevoerd worden volgens de CEN-normen die in opdracht van de Commissie worden opgesteld. In afwachting van de CEN-normen gelden de nationale normen.

3. Een controlemethode voor dioxinen en furanen kan alleen goedgekeurd worden indien de detectiegrens voor bemonstering en analyse van de individuele dioxinen en furanen voldoende laag is om in termen van toxiciteits-equivalenten een zinvol resultaat te kunnen bepalen.

4. De waarden van de 95 %-betrouwbaarheidsintervallen, bepaald bij de emissiegrenswaarden, mogen de volgende percentages van de emissiegrenswaarden niet overschrijden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top