Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993R2055

Verordening (EEG) nr. 2055/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelprodukten

OJ L 187, 29.7.1993, p. 8–10 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 03 Volume 051 P. 77 - 79
Special edition in Swedish: Chapter 03 Volume 051 P. 77 - 79
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 014 P. 356 - 358
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 013 P. 93 - 95
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 013 P. 93 - 95

No longer in force, Date of end of validity: 07/02/2009; opgeheven door 32008R0072

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1993/2055/oj

31993R2055

Verordening (EEG) nr. 2055/93 van de Raad van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelprodukten

Publicatieblad Nr. L 187 van 29/07/1993 blz. 0008 - 0010
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 3 Deel 51 blz. 0077
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 3 Deel 51 blz. 0077


VERORDENING (EEG) Nr. 2055/93 VAN DE RAAD van 19 juli 1993 houdende toewijzing van een aanvullende specifieke referentiehoeveelheid aan bepaalde producenten van melk en zuivelprodukten

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 43,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

Gezien het advies van het Europees Parlement (2),

Overwegende dat sommige producenten van melk en zuivelprodukten, doordat zij de verbintenis hadden aangegaan om geen produkten in de handel te brengen of om te schakelen, geen melk of zuivelprodukten van hun bedrijf hebben geleverd in het referentiejaar dat door de betrokken Lid-Staat is aangehouden in het kader van de uitvoering van de quotaregeling; dat deze producenten als gevolg daarvan zijn uitgesloten van de toewijzing van een referentiehoeveelheid;

Overwegende dat Verordening (EEG) nr. 857/84 van de Raad van 31 maart 1984 houdende algemene voorschriften voor de toepassing van de in artikel 5 quater van Verordening (EEG) nr. 804/68 bedoelde heffing in de sector melk en zuivelprodukten (3) achtereenvolgens bij Verordening (EEG) nr. 764/89 (4) en Verordening (EEG) nr. 1639/91 (5) is gewijzigd ten voordele van de bovenbedoelde producenten;

Overwegende dat het Hof van Justitie in zijn arrest van 3 december 1992 in zaak C-224/90, artikel 3 bis, lid 1, tweede streepje, van Verordening (EEG) nr. 857/84, zoals vastgesteld bij de Verordeningen (EEG) nr. 764/89 en (EEG) nr. 1639/91, ongeldig heeft verklaard voor zover daarin cessionarissen van een krachtens Verordening (EEG) nr. 1078/77 van de Raad van 17 mei 1977 tot instelling van een stelsel van premies voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten en voor de omschakeling van het melkveebestand (6) toegekende premie van de toewijzing van een specifieke referentiehoeveelheid worden uitgesloten wanneer hen uit hoofde van artikel 2 of 6 van Verordening (EEG) nr. 857/84 reeds voor een ander bedrijf een referentiehoeveelheid is toegewezen;

Overwegende dat het Hof van Justitie, krachtens een arrest van 19 mei 1993 in de zaak C-81/91, zich, ter interpretatie, heeft moeten uitspreken over het beginsel en de toewijzingsbepalingen van een specifieke referentiehoeveelheid in geval van gedeeltelijke overdracht van een bedrijf, waarop in toepassing van artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84 een dergelijke hoeveelheid reeds beschikbaar was;

Overwegende dat bij Verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (7) Verordening (EEG) nr. 857/84 per 1 april 1993 is ingetrokken; dat bijgevolg de consequenties van de bovengenoemde arresten moeten worden getrokken door het aannemen van een nieuwe verordening die tot doel heeft om onder bepaalde voorwaarden een specifieke referentiehoeveelheid toe te kennen aan de cessionaris van een geheel bedrijf of een gedeelte daarvan die was uitgesloten van een dergelijke toekenning;

Overwegende dat, om volledig rekening te houden met de beslissingen van het Hof van Justitie, verschillende bepalingen moeten worden vastgesteld naargelang bedrijven geheel zijn overgedragen dan wel gedeeltelijk en, in het laatste geval, naargelang het bedrijf al dan niet reeds een specifieke referentiehoeveelheid had ontvangen krachtens artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84;

Overwegende dat luidens artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84 de specifieke referentiehoeveelheid eerst voorlopig en later definitief wordt toegewezen, en de toewijzing afhankelijk is van de naleving van bepaalde voorwaarden; dat deze voorwaarden met name betrekking hebben op het feit dat de betrokken aanvrager de melkproduktie, die hij volledig heeft moeten stopzetten, effectief moet hervatten; dat in het onderhavige geval de betrokken cessionarissen actieve melkproducenten zijn, overeenkomstig artikel 9, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3950/92; dat dus voor hen ten aanzien van de toewijzing van de specifieke referentiehoeveelheid niet dezelfde voorwaarden kunnen worden toegepast die zijn opgenomen in artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84;

Overwegende dat, indien een gedeeltelijk overgedragen bedrijf reeds een specifieke referentiehoeveelheid heeft ontvangen krachtens artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84, de betrokken hoeveelheid, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 19 mei 1993 dient te worden verdeeld tussen de cedent en de cessionaris, en de nodige regels voor deze verdeling dienen te worden vastgesteld, zonder evenwel afbreuk te doen aan de mogelijkheid van de Lid-Staten om zo nodig een beroep op de nationale reserve te doen;

Overwegende dat het, in die gevallen waarin moet worden voorzien op een beroep op de nationale reserve, verplicht dan wel facultatief, dienstig is te bepalen dat deze reserve met name daartoe wordt gevoed, als gevolg van het bepaalde in Verordening (EEG) nr. 1560/93, houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 3950/92 en, indien nodig, overeenkomstig artikel 5 en artikel 8, eerste streepje, van laatstgenoemde verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Aan de producent als omschreven in artikel 9, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3950/92, die:

- cessionaris is van de premie voor het niet in de handel brengen van melk en zuivelprodukten of voor de omschakeling overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 1078/77 en die van het bij artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84 toegekende voordeel is uitgesloten, omdat hem een referentiehoeveelheid was toegewezen op grond van artikel 2 of 6 van die verordening, of

- een deel heeft overgenomen van een bedrijf dat onder dezelfde bepalingen valt en waarvoor geen referentiehoeveelheid is toegewezen uit hoofde van artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84,

wordt op diens verzoek een specifieke referentiehoeveelheid toegewezen, op voorwaarde dat:

- hij aantoont dat hij voor het bedrijf of het overgenomen deel van het bedrijf de verbintenis tot niet-levering of omschakeling heeft overgenomen en is nagekomen,

- de vorenbedoelde verbintenis na 31 december 1982 is afgelopen,

- hij het bedrijf of het overgenomen deel van het bedrijf op de datum van zijn aanvraag niet volledig had overgedragen,

- hij ter staving van zijn aanvraag, aan de hand van nader te bepalen criteria, aantoont dat hij zijn produktie op zijn bedrijf kan verhogen tot de gevraagde specifieke referentiehoeveelheid.

2. Ingeval voor het bedrijf waarvan een deel is overgenomen terwijl het viel onder de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1078/77, uit hoofde van artikel 3 bis van Verordening (EEG) nr. 857/84 een referentiehoeveelheid is toegewezen op basis van de hoeveelheid waarvoor het recht op de premie uit hoofde van Verordening (EEG) nr. 1078/77 is behouden of verworven, wordt die referentiehoeveelheid verdeeld tussen de cedent en de gedeeltelijke cessionaris,

- op verzoek van deze laatste, wanneer hij beantwoordt aan de definitie van artikel 9, onder c), van Verordening (EEG) nr. 3950/92 en aan de voorwaarden van lid 1, derde, vierde en vijfde streepje,

- naar rato van de in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EEG) nr. 1391/78 bedoelde voederarealen, die zijn overgedragen, zulks overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EEG) nr. 3950/92.

Indien blijkt dat de verdeling gezien de rechten van de cessionaris onmogelijk of miniem is ingevolge overdrachten die de cedent met inachtneming van de ter zake geldende bepalingen heeft verricht, is lid 1 van toepassing.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de Lid-Staten de cessionaris zijn rechten verlenen uit de hoeveelheden van de in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde nationale reserve, voor zover de benodigde hoeveelheden beschikbaar zijn.

Artikel 2

De in artikel 1, lid 1, bedoelde specifieke referentiehoeveelheid wordt aan de hand van objectieve criteria door de Lid-Staat vastgesteld, naar rato van het in artikel 1, lid 1, onder d), van Verordening (EEG) nr. 1391/78 bedoelde voederareaal dat de producent op het tijdstip van zijn aanvraag exploiteert, op basis van de hoeveelheid waarvoor de premie berekend is, verminderd met een percentage dat representatief is voor alle verminderingen die zijn toegepast op de referentiehoeveelheden die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 857/84, en in elk geval een basiskorting van 4,5 %, of overeenkomstig artikel 6 van die verordening.

Ingeval de producent voor het bedrijf of het overgenomen deel van het bedrijf reeds een referentiehoeveelheid zou hebben gekregen krachtens artikel 3, leden 1 en 2, en/of artikel 4, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EEG) nr. 857/84 of artikel 5, lid 4, onder b), en/of artikel 9, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 1546/88, of krachtens artikel 2 van Verordening (EEG) nr. 857/84, indien de Lid-Staat voornoemd artikel 9, lid 2, niet heeft toegepast, en/of de artikelen 3 ter en 3 quater van Verordening (EEG) nr. 857/84 en/of artikel 2, lid 4, onder c), van Verordening (EEG) nr. 1637/91, wordt de in de eerste alinea bedoelde specifieke referentiehoeveelheid met dezelfde hoeveelheid verminderd.

Artikel 3

De hoeveelheden die nodig zijn voor de toekenning van de specifieke referentiehoeveelheden aan de in artikel 1, lid 1, bedoelde producenten, worden afgenomen van de in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 bedoelde reserve.

Als de cedent in het in artikel 1, lid 2, eerste alinea, bedoelde geval in de onmogelijkheid verkeert om op economisch verantwoorde wijze de melkproduktie op zijn bedrijf voort te zetten ingevolge de verdeling van de specifieke referentiehoeveelheid, kunnen hem van de nationale reserve afgenomen hoeveelheden worden toegewezen. Daartoe bepaalt de Lid-Staat welke criteria in overweging moeten worden genomen.

Artikel 4

Tot en met 31 december 1997 wordt de specifieke referentiehoeveelheid, indien de Lid-Staten de in artikel 1 omschreven producenten machtigen om over te gaan tot tijdelijke overdrachten als bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3950/92, voor de duur van de betrokken periode naar de nationale reserve overgedragen.

In geval van deelneming vóór 1 oktober 1996 aan maatregelen houdende definitieve opheffing van referentiehoeveelheden, wordt de specifieke referentiehoeveelheid weer opgenomen in de nationale reserve bedoeld in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3950/92 en wordt de vergoeding betaald voor de vrijgeaakte hoeveelheid, verminderd met genoemde specifieke hoeveelheid.

In geval van verkoop of verpachting, vóór 1 oktober 1996, van het bedrijf of een deel van het bedrijf, dat wordt gevormd door de samenvoeging van het verworven bedrijf of een gedeelte daarvan met de andere door de producent beheerde produktie-eenheden, wordt de specifieke referentiehoeveelheid naar rato van het verkochte of verpachte areaal weer opgenomen in de nationale reserve bedoeld in artikel 5 van Verordening (EEG) nr. 3950/92.

Artikel 5

Producenten aan wie krachtens deze verordening een specifieke referentiehoeveelheid is toegewezen, zijn geen extra heffing verschuldigd voor de hoeveelheden die zijn afgezet vóór 1 april 1993 en die de referentiehoeveelheid waarover zij reeds beschikken, vermeerderd met de bedoelde specifieke referentiehoeveelheid, niet overschrijden.

Producenten van wie de specifieke referentiehoeveelheid verminderd is uit hoofde van artikel 1, lid 2, zijn geen heffing verschuldigd voor de melkhoeveelheden die zijn afgezet vóór 1 april 1994 en die de hoeveelheid waarover zij op 1 april 1993 beschikten, niet overschrijden.

Artikel 6

Het bepaalde in deze verordening is eveneens van toepassing wanneer het betrokken bedrijf of deel daarvan door erfenis of op een met erfenis gelijk te stellen wijze is verworven van de in artikel 1 bedoelde producent.

Artikel 7

Gegadigde producenten moeten bij de bevoegde instantie van de betrokken Lid-Staat vóór 1 november 1993 een verzoek om toekenning van een specifieke referentiehoeveelheid indienen.

Artikel 8

De bepalingen ter uitvoering van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30 van Verordening (EEG) nr. 804/68.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Brussel, 19 juli 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

A. BOURGEOIS

(1) PB nr. C 107 van 17. 4. 1993, blz. 9.

(2) PB nr. C 176 van 28. 6. 1993.

(3) PB nr. L 90 van 1. 4. 1984, blz. 13.

(4) PB nr. L 84 van 29. 3. 1989, blz. 2.

(5) PB nr. L 150 van 15. 6. 1991, blz. 35.

(6) PB nr. L 131 van 26. 5. 1977, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzid bij Verordening (EEG) nr. 1300/84 (PB nr. L 125 van 12. 5. 1984, blz. 3).

(7) PB nr. L 405 van 31. 12. 1992, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1560/93 (PB nr. L 154 van 25. 6. 1993, blz. 30).

Top