Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31993L0083

Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel

OJ L 248, 6.10.1993, p. 15–21 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 13 Volume 025 P. 33 - 39
Special edition in Swedish: Chapter 13 Volume 025 P. 33 - 39
Special edition in Czech: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Estonian: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Latvian: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Lithuanian: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Hungarian Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Maltese: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Polish: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Slovak: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Slovene: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Bulgarian: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Romanian: Chapter 17 Volume 001 P. 134 - 140
Special edition in Croatian: Chapter 17 Volume 001 P. 77 - 83

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1993/83/oj

31993L0083

Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel

Publicatieblad Nr. L 248 van 06/10/1993 blz. 0015 - 0021
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 13 Deel 25 blz. 0033
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 13 Deel 25 blz. 0033


RICHTLIJN 93/83/EEG VAN DE RAAD van 27 september 1993 tot cooerdinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, en artikel 66,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europees Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(1) Overwegende dat de in het Verdrag neergelegde doelstellingen van de Gemeenschap voorzien in het tot stand brengen van een steeds hechter verbond tussen de Europese volkeren en van nauwere betrekkingen tussen de in de Gemeenschap verenigde Staten, alsook in het waarborgen van de economische en sociale vooruitgang van de Lid-Staten door een gemeenschappelijk optreden dat erop gericht is de barrières die Europa verdelen, te verwijderen;

(2) Overwegende dat te dien einde volgens het Verdrag een gemeenschappelijke markt en een ruimte zonder binnengrenzen moeten worden ingesteld; dat dit onder andere inhoudt dat de hinderpalen voor het vrije verkeer van diensten worden verwijderd en dat er een regeling wordt ingevoerd waardoor wordt gewaarborgd dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt niet wordt vervalst; dat de Raad daartoe richtlijnen kan vaststellen met het oog op de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten betreffende de toegang tot en de uitoefening van werkzaamheden anders dan in loondienst;

(3) Overwegende dat grensoverschrijdende omroepuitzendingen binnen de Gemeenschap, met name via satelliet en kabel, een van de belangrijkste middelen vormen ter bevordering van bovengenoemde doelstellingen van de Gemeenschap, die tegelijkertijd van politieke, economische, sociale, culturele en juridische aard zijn;

(4) Overwegende dat de Raad ter verwezenlijking van bovengenoemde doelstellingen reeds Richtlijn 89/552/EEG van 3 oktober 1989 betreffende de cooerdinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de Lid-Staten inzake de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten (4) heeft vastgesteld, waarbij regelingen zijn getroffen ter bevordering van de distributie en produktie van Europese televisieprogramma's, alsook op het gebied van reclame en sponsoring, de bescherming van minderjarigen en het recht van weerwoord;

(5) Overwegende evenwel dat de verwezenlijking van deze doelstellingen op dit ogenblik zowel bij de grensoverschrijdende uitzending van programma's per satelliet als bij de doorgifte via de kabel van programma's uit andere Lid-Staten nog wordt belemmerd doordat de nationale bepalingen op het gebied van het auteursrecht op een aantal punten onderling afwijken en doordat er enige rechtsonzekerheid bestaat; dat de rechthebbenden daardoor het gevaar lopen dat hun werken worden geëxploiteerd zonder dat zij daarvoor een vergoeding ontvangen, of dat individuele houders van uitsluitende rechten in verschillende Lid-Staten de exploitatie van hun werken in de weg staan; dat de rechtsonzekerheid met name een directe belemmering vormt voor het vrije verkeer van programma's binnen de Gemeenschap;

(6) Overwegende dat er thans uit auteursrechtelijk oogpunt een onderscheid wordt gemaakt tussen mededeling aan het publiek per omroepsatelliet en mededeling aan het publiek per telecommunicatiesatelliet; dat individuele ontvangst bij beide satelliettypen tot de mogelijkheden behoort en heden ten dage economisch ook haalbaar is, zodat dit verschil in juridische behandeling niet langer te rechtvaardigen valt;

(7) Overwegende dat de vrije uitzending van programma's voorts wordt belemmerd door de huidige juridische onzekerheid ten aanzien van de vraag of uitzending via een satelliet waarvan de signalen rechtstreeks kunnen worden ontvangen, uitsluitend gevolgen heeft voor de rechten in het uitzendingsland dan wel voor de rechten in alle ontvangstlanden te zamen; dat, ingevolge de gelijkstelling uit auteursrechtelijk oogpunt van omroepsatellieten en telecommunicatiesatellieten, dit gebrek aan rechtszekerheid zich thans voor nagenoeg alle in de Gemeenschap per satelliet uitgezonden programma's doet gevoelen;

(8) Overwegende dat de voor het vrije verkeer van omroepuitzendingen binnen de Gemeenschap noodzakelijke rechtszekerheid voorts ook ontbreekt bij de invoering in en de doorgifte via kabelnetten van programma's over de grenzen heen;

(9) Overwegende dat de ontwikkeling op het stuk van contractuele verkrijging van rechten op basis van toestemming nu reeds op substantiële wijze bijdraagt tot de totstandbrenging van de beoogde Europese audiovisuele ruimte; dat bijgevolg het voortbestaan van dergelijke contractuele regelingen moet worden gewaarborgd en alles in het werk moet worden gesteld om de toepassing ervan in de praktijk zo soepel mogelijk te laten verlopen;

(10) Overwegende dat kabelmaatschappijen er op het ogenblik met name niet zeker van kunnen zijn daadwerkelijk alle rechten te hebben verkregen op de programma's die het voorwerp van een dergelijke contractuele regeling vormen;

(11) Overwegende ten slotte dat niet op alle betrokkenen in alle Lid-Staten in gelijke mate de verplichting rust om onderhandelingen over het verkrijgen van de noodzakelijke rechten voor de doorgifte via de kabel niet zonder geldige reden te weigeren of te doen mislukken;

(12) Overwegende dat de kaderregeling voor de totstandbrenging van een eengemaakte audiovisuele ruimte zoals neergelegd in Richtlijn 89/552/EEG, derhalve aanvulling behoeft wat het auteursrecht betreft;

(13) Overwegende dat daartoe een einde moet worden gemaakt aan het verschil in behandeling tussen de Lid-Staten met betrekking tot de doorgifte van programma's per telecommunicatiesatelliet, zodat die behandeling in de gehele Gemeenschap afhankelijk wordt gesteld van de fundamentele vraag of er sprake is van een mededeling van beschermde werken en andere beschermde prestaties aan het publiek; dat ook de aanbieders van grensoverschrijdende omroepprogramma's aldus op gelijke wijze zullen worden behandeld, ongeacht de vraag of zij voor de uitzending van de programma's van een omroepsatelliet dan wel van een telecommunicatiesatelliet gebruik maken;

(14) Overwegende dat het gebrek aan rechtszekerheid met betrekking tot de te verkrijgen rechten, waardoor de grensoverschrijdende uitzending van programma's per satelliet wordt belemmerd, moet worden weggenomen door het begrip mededeling aan het publiek per satelliet op communautair niveau te definiëren en in die definitie tegelijkertijd te specificeren waar de mededelingshandeling plaatsvindt; dat een dergelijke definitie noodzakelijk is om te voorkomen dat op één uitzendingshandeling op cumulatieve wijze het recht van verschillende landen wordt toegepast; dat de mededeling aan het publiek per satelliet uitsluitend plaatsvindt op het ogenblik waarop en in de Lid-Staat waar de programmadragende signalen onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt; dat normale technische procedures met betrekking tot de programmadragende signalen niet als een onderbreking van de uitzendingsketen moeten worden beschouwd;

(15) Overwegende dat de verkrijging bij overeenkomst van uitsluitende uitzendingsrechten moet geschieden in overeenstemming met de wetgeving inzake het auteursrecht en de naburige rechten van de Lid-Staat waar de mededeling aan het publiek per satelliet plaatsvindt;

(16) Overwegende dat het door het beginsel van contractvrijheid, waarop deze richtlijn is gebaseerd, mogelijk zal blijven beperkingen aan de exploitatie van deze rechten te stellen, met name wat bepaalde uitzendingstechnieken of bepaalde taalversies betreft;

(17) Overwegende dat de betrokkenen bij het bepalen van de vergoeding die voor het verwerven van de rechten moet worden betaald, rekening dienen te houden met alle voor de uitzending kenmerkende aspecten, zoals het daadwerkelijke aantal luisteraars of kijkers, het potentiële aantal luisteraars of kijkers en de taalversie;

(18) Overwegende dat de toepassing van het beginsel van het land van oorsprong in deze richtlijn een probleem kan opleveren met betrekking tot bestaande overeenkomsten; dat deze richtlijn moet voorzien in een periode van vijf jaar om de bestaande overeenkomsten, waar nodig, aan de bepalingen van de richtlijn aan te passen, dat het bijgevolg niet dienstig is genoemd beginsel van het land van oorsprong toe te passen op bestaande overeenkomsten die vóór 1 januari 2000 verstrijken; dat, indien de partijen op die datum nog belang stellen in de overeenkomst, deze opnieuw in onderhandeling dienen te kunnen treden over de voorwaarden van de overeenkomst;

(19) Overwegende dat bestaande internationale coproduktieovereenkomsten geïnterpreteerd moeten worden in het licht van het economische doel en het toepassingsgebied die de partijen bij de ondertekening voor ogen stonden; dat internationale coproduktieovereenkomsten in het verleden de mededeling aan het publiek per satelliet in de zin van deze richtlijn vaak niet uitdrukkelijk en specifiek als een bijzondere vorm van exploitatie hebben beschouwd; dat achter veel bestaande internationale coproduktieovereenkomsten de gedachte zit dat de coproduktierechten door elke coproducent afzonderlijk en onafhankelijk worden uitgeoefend via een onderlinge verdeling van de exploitatierechten op territoriale basis; dat in het algemeen, wanneer een mededeling aan het publiek per satelliet met toestemming van een coproducent de waarde van de exploitatierechten van een andere coproducent aantast, die bestaande overeenkomst normaliter in die zin moet worden uitgelegd dat voor het verlenen van toestemming door de eerste coproducent voor de mededeling aan het publiek per satelliet de instemming van die andere coproducent vereist is; dat de taalexclusiviteit van die andere coproducent wordt aangetast indien de taalversie(s) van de mededeling aan het publiek, ook in geval van nasynchronisatie of ondertiteling van de versie, overeenkomt met de taal of de talen die in ruime kring verstaan worden op het grondgebied dat bij de overeenkomst aan die andere coproducent is toegewezen; dat het begrip "exclusiviteit" in ruimere zin dient te worden opgevat wanneer de mededeling aan het publiek per satelliet een werk betreft dat alleen uit beelden bestaat en geen dialogen of ondertitels bevat; dat er een duidelijke regel nodig is voor gevallen waarin de internationale coproduktieovereenkomst geen uitdrukkelijke regeling bevat voor de verdeling van de rechten in het specifieke geval van mededeling aan het publiek per satelliet in de zin van deze richtlijn;

(20) Overwegende dat een mededeling aan het publiek per satelliet vanuit een derde land onder bepaalde voorwaarden zal worden geacht in een Lid-Staat van de Gemeenschap plaats te vinden;

(21) Overwegende dat moet worden gewaarborgd dat in alle Lid-Staten aan auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties bescherming wordt verleend en dat die bescherming niet aan een stelsel van wettelijke licenties wordt onderworpen; dat alleen op die manier kan worden voorkomen dat mogelijke verschillen in beschermingsniveau binnen de gemeenschappelijke markt tot vervalsing van de mededinging leiden;

(22) Overwegende dat de komst van nieuwe technologieën waarschijnlijk gevolgen zal hebben voor zowel de kwaliteit en de kwantiteit van de exploitatie van werken als voor andere zaken;

(23) Overwegende dat, in het licht van deze ontwikkelingen, het niveau van de bescherming die aan alle rechthebbenden op de onder deze richtlijn vallende terreinen wordt geboden, in het oog moet worden gehouden;

(24) Overwegende dat de met deze richtlijn beoogde harmonisatie van de wetgeving de harmonisatie met zich brengt van de bepalingen die auteurs, uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties een bescherming op hoog niveau waarborgen; dat ten gevolge van deze harmonisatie omroeporganisaties niet langer van verschillen in beschermingsniveau kunnen profiteren door hun activiteiten te verleggen, hetgeen nadelig is voor de audiovisuele produktie;

(25) Overwegende dat de bescherming van de naburige rechten voor wat de mededeling aan het publiek per satelliet betreft in overeenstemming moet worden gebracht met die waarin Richtlijn 92/100/EEG van de Raad van 19 november 1992 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (5) voorziet; dat er aldus met name voor wordt gezorgd dat uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen een passende vergoeding ontvangen voor de mededeling aan het publiek per satelliet van hun uitvoeringen of fonogrammen;

(26) Overwegende dat artikel 4 de Lid-Staten niet belet het in artikel 2, lid 5, van Richtlijn 92/100/EEG bedoelde vermoeden uit te breiden tot de uitsluitende rechten waarnaar in artikel 4 wordt verwezen; dat artikel 4 de Lid-Staten voorts niet belet te voorzien in een weerlegbaar vermoeden dat de exploitatie is toegestaan op grond van de in dat artikel neergelegde uitsluitende rechten van uitvoerende kunstenaars, mits dat vermoeden verenigbaar is met het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties;

(27) Overwegende dat de doorgifte via de kabel van programma's uit andere Lid-Staten een handeling is die aan auteursrechten en, in voorkomend geval, aan naburige rechten onderworpen is; dat de kabelmaatschappij bijgevolg voor elk onderdeel van het programma dat zij doorgeeft, de toestemming van alle rechthebbenden moet verkrijgen; dat deze toestemming volgens de onderhavige richtlijn op contractuele basis moet worden verleend, tenzij er in een tijdelijke uitzondering is voorzien voor reeds bestaande stelsels van wettelijke licenties;

(28) Overwegende dat, om te voorkomen dat aan het soepel functioneren van contractuele regelingen afbreuk wordt gedaan door het verzet van buitenstaanders die houder zijn van rechten op bepaalde programmaonderdelen, door het verplicht stellen van de inschakeling van maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging moet worden voorzien in een uitsluitend collectieve uitoefening van het toestemmingsrecht, voor zover zulks wegens de specificiteit van de doorgifte via de kabel noodzakelijk is; dat daarbij aan het toestemmingsrecht als zodanig niet mag worden geraakt en dat alleen de wijze van uitoefening van dat recht tot op zekere hoogte moet worden geregeld, zodat het recht om doorgifte via de kabel toe te staan, overdraagbaar blijft; dat deze richtlijn geen gevolgen heeft voor de uitoefening van morele rechten;

(29) Overwegende dat de uitzonderingsbepaling in artikel 10 geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor rechthebbenden om hun rechten te laten uitoefenen door een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging en zodoende een rechtstreeks aandeel te verkrijgen in de vergoeding die de kabelmaatschappij voor de doorgifte via de kabel betaalt;

(30) Overwegende dat er bovendien aanvullende maatregelen moeten komen om contractuele regelingen betreffende de toestemming voor doorgifte via de kabel te bevorderen; dat de partij die wenst dat er een algemene overeenkomst wordt gesloten, harerzijds verplicht moet zijn daartoe een collectief aanbod te doen; dat voorts elke betrokken partij te allen tijde een beroep moet kunnen doen op onpartijdige bemiddelaars, die bijstand verlenen bij het voeren van onderhandelingen en voorstellen kunnen doen; dat dergelijke voorstellen en eventuele bezwaren daartegen aan de betrokken partijen moeten worden betekend overeenkomstig de toepasselijke regels inzake de betekening van juridische bescheiden, met name die welke krachtens bestaande internationale overeenkomsten van toepassing zijn; dat er ten slotte voor moet worden gezorgd dat de onderhandelingen niet zonder geldige reden worden gedwarsboomd of dat het individuele rechthebbenden niet zonder geldige reden wordt belet aan die onderhandelingen deel te nemen; dat geen van deze maatregelen ter bevordering van de verkrijging van de kabelrechten afbreuk doet aan het contractuele karakter van die verkrijging;

(31) Overwegende dat de Lid-Staten bestaande organen die op hun grondgebied bevoegd zijn om kennis te nemen van gevallen waarin het recht op doorgifte van een programma via de kabel aan het publiek door een omroeporganisatie op onredelijke gronden is geweigerd of op onredelijke voorwaarden is aangeboden, gedurende een overgangsperiode moeten kunnen handhaven; dat het recht van de betrokken partijen om door het orgaan gehoord te worden, gewaarborgd moet zijn en dat het bestaan van een dergelijk orgaan geen beletsel mag vormen voor de betrokken partijen om zich op normale wijze tot de rechter te wenden;

(32) Overwegende dat er evenwel geen communautaire regeling hoeft te komen voor al die kwesties waarvan de consequenties, behalve in een aantal commercieel te verwaarlozen uitzonderingsgevallen, slechts binnen de grenzen van één Lid-Staat merkbaar zijn;

(33) Overwegende dat de nodige minimumregels moeten worden vastgesteld om de vrije, onbelemmerde uitzending van programma's per satelliet over de grenzen heen en de gelijktijdige, ongewijzigde doorgifte via de kabel van omroepprogramma's uit andere Lid-Staten op in beginsel contractuele grondslag te verwezenlijken en te waarborgen;

(34) Overwegende dat deze richtlijn niet in de weg staat aan verdere harmonisatie op het gebied van de auteursrechten, de naburige rechten en het collectieve beheer van dergelijke rechten; dat de aan de Lid-Staten gegeven mogelijkheid om de activiteiten van maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging te regelen, de vrijheid van onderhandelingen over overeenkomsten ter zake van de in deze richtlijn toegekende rechten onverlet moet laten, mits die onderhandelingen plaatsvinden in het kader van algemene of specifieke nationale voorschriften inzake de mededingingsregels of de voorkoming van misbruik van monopolies;

(35) Overwegende dat het derhalve aan de Lid-Staten moet worden overgelaten de algemene regeling die voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn noodzakelijk is, met nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan te vullen, mits deze niet tegen de met deze richtlijn beoogde doelstellingen indruisen en met het Gemeenschapsrecht verenigbaar zijn;

(36) Overwegende dat deze richtlijn de toepassing van de mededingingsregels van de artikelen 85 en 86 van het Verdrag onverlet laat,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I DEFINITIES

Artikel 1

Definities 1. In deze richtlijn wordt verstaan onder "satelliet": een satelliet die werkt op frequentiebanden die volgens het telecommunicatierecht alleen mogen worden gebruikt voor het uitzenden van signalen voor ontvangst door het publiek, of voor niet-openbare, individuele communicatie. In het laatste geval dient de individuele ontvangst van de signalen echter plaats te vinden onder omstandigheden die vergelijkbaar zijn met het eerste geval.

2. a) In deze richtlijn wordt verstaan onder "mededeling aan het publiek per satelliet": een handeling waarbij de programmadragende signalen voor ontvangst door het publiek onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt.

b) De mededeling aan het publiek per satelliet, vindt slechts plaats in de Lid-Staat waar de programmadragende signalen onder controle en verantwoordelijkheid van de omroeporganisatie worden ingevoerd in een ononderbroken mededelingenketen die naar de satelliet en terug naar de aarde loopt.

c) Indien de programmadragende signalen in gecodeerde vorm worden uitgezonden, is er sprake van mededeling aan het publiek per satelliet wanneer de middelen voor het decoderen van de uitzending door of met toestemming van de omroeporganisatie ter beschikking van het publiek worden gesteld.

d) Indien de mededeling aan het publiek per satelliet plaatsvindt in een Staat die niet tot de Gemeenschap behoort en die niet het niveau van bescherming biedt waarin hoofdstuk II van deze richtlijn voorziet, wordt,

i) indien de programmadragende signalen naar de satelliet worden doorgezonden vanuit een grondstation in een van de Lid-Staten, de mededeling aan het publiek per satelliet geacht in die Lid-Staat te hebben plaatsgevonden en kunnen de rechten bedoeld in hoofdstuk II worden uitgeoefend tegen de persoon die het grondstation exploiteert, of

ii) indien geen gebruik wordt gemaakt van een grondstation in een Lid-Staat, maar een in een Lid-Staat gevestigde omroeporganisatie opdracht heeft gegeven tot de mededeling aan het publiek per satelliet, die mededeling geacht te hebben plaatsgevonden in de Lid-Staat waar de omroeporganisatie haar hoofdvestiging binnen de Gemeenschap heeft, en kunnen de rechten bedoeld in hoofdstuk II worden uitgeoefend tegen de omroeporganisatie.

3. In deze richtlijn wordt verstaan onder "doorgifte via de kabel": de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem, aan het publiek, van een eerste uitzending uit een andere Lid-Staat, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van radio- of televisieprogramma's die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn.

4. In deze richtlijn wordt verstaan onder "maatschappij voor collectieve belangenbehartiging": een organisatie die auteursrechten of naburige rechten als enig doel of als een van haar voornaamste doelstellingen waarneemt of administreert.

5. In deze richtlijn wordt de hoofdregisseur van een cinematografisch of audiovisueel werk beschouwd als de auteur of één van de auteurs. De Lid-Staten kunnen bepalen dat andere personen als co-auteur worden beschouwd.

HOOFDSTUK II SATELLIETOMROEP

Artikel 2

Uitzendingsrecht Overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk kennen de Lid-Staten auteurs een uitsluitend recht toe de mededeling aan het publiek per satelliet van auteursrechtelijk beschermde werken toe te staan.

Artikel 3

Toestemming voor uitzending 1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de in artikel 2 genoemde toestemming uitsluitend bij overeenkomst kan worden verkregen.

2. De Lid-Staten mogen bepalen dat een collectieve overeenkomst tussen een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging en een omroeporganisatie die voor een bepaalde categorie werken is gesloten, kan worden uitgebreid tot de rechthebbenden van die categorie die niet door die maatschappij worden vertegenwoordigd, op voorwaarde dat:

- de mededeling aan het publiek per satelliet een gelijktijdige uitzending is van een gronduitzending door dezelfde omroeporganisatie, en

- een niet vertegenwoordigde rechthebbende te allen tijde de uitbreiding van de collectieve overeenkomst tot zijn werken kan uitsluiten en zijn rechten individueel of collectief kan uitoefenen.

3. Lid 2 is niet van toepassing op cinematografische werken, met inbegrip van werken die volgens een soortgelijk procédé als voor cinematografische werken tot stand zijn gebracht.

4. Indien een collectieve overeenkomst volgens de wettelijke regeling van een Lid-Staat overeenkomstig lid 2 kan worden uitgebreid, deelt deze Lid-Staat de Commissie mee welke omroeporganisaties gebruik mogen maken van deze wettelijke regeling. De Commissie maakt de lijst van deze omroeporganisaties bekend in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen (C-uitgave).

Artikel 4

Rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties 1. Voor de mededeling aan het publiek per satelliet worden de rechten van uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en omroeporganisaties beschermd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 6, 7, 8 en 10 van Richtlijn 92/100/EEG.

2. Voor de toepassing van lid 1 omvat de uitdrukking "uitzendingen via de ether" in Richtlijn 92/100/EEG ook de mededeling aan het publiek per satelliet.

3. Wat de uitoefening van de in lid 1 bedoelde rechten betreft, gelden artikel 2, lid 7, en artikel 12 van Richtlijn 92/100/EEG.

Artikel 5

Relatie tussen het auteursrecht en de naburige rechten De in deze richtlijn geregelde bescherming van de naburige rechten laat de bescherming van het auteursrecht onverlet en heeft daar generlei invloed op.

Artikel 6

Minimumbescherming 1. De Lid-Staten kunnen de houders van naburige rechten een ruimere bescherming bieden dan zij op grond van artikel 8 van Richtlijn 92/100/EEG verplicht zijn.

2. Bij de toepassing van lid 1 nemen de Lid-Staten de definities in artikel 1, leden 1 en 2, in acht.

Artikel 7

Overgangsbepalingen 1. Voor de toepassing in de tijd van de rechten als bedoeld in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, is artikel 13, leden 1, 2, 6 en 7, van Richtlijn 92/100/EEG van toepassing. Artikel 13, leden 4 en 5, van Richtlijn 92/100/EEG is van overeenkomstige toepassing.

2. Voor overeenkomsten betreffende de exploitatie van werken en andere beschermde prestaties, die op de in artikel 14, lid 1, genoemde datum van kracht zijn, gelden vanaf 1 januari 2000 de bepalingen van artikel 1, lid 2, en de artikelen 2 en 3, indien deze overeenkomsten na die datum verstrijken.

3. Indien een vóór de in artikel 14, lid 1, genoemde datum gesloten internationale coproduktieovereenkomst tussen een coproducent uit een Lid-Staat en een of meer coproducenten uit andere Lid-Staten of derde landen uitdrukkelijk voorziet in een regeling waarbij de exploitatierechten voor alle vormen van mededeling aan het publiek naar geografisch gebied tussen de coproducenten worden verdeeld, zonder dat de regeling die van toepassing is op de mededeling aan het publiek per satelliet onderscheiden wordt van de voorschriften die van toepassing zijn op de andere vormen van mededeling, en indien de mededeling van de coproduktie aan het publiek per satelliet de exclusiviteit, met name de taalexclusiviteit, van een van de coproducenten of van zijn rechtverkrijgenden op een bepaald grondgebied zou aantasten, is voor het verlenen van toestemming door een van de coproducenten of zijn rechtverkrijgenden voor een mededeling aan het publiek per satelliet de voorafgaande toestemming vereist van degene die recht op die exclusiviteit kan doen gelden, ongeacht of hij een coproducent dan wel een rechtverkrijgende is.

HOOFDSTUK III DOORGIFTE VIA DE KABEL

Artikel 8

Recht op doorgifte via de kabel 1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat de doorgifte via de kabel van omroepuitzendingen uit andere Lid-Staten op hun grondgebied met inachtneming van de toepasselijke auteursrechten en naburige rechten geschiedt en op grond van individuele of collectieve contractuele regelingen tussen de auteursrechthebbenden, de houders van naburige rechten en de kabelmaatschappijen.

2. Onverminderd lid 1 kunnen de Lid-Staten de per 31 juli 1991 bestaande wettelijke licenties of de uitdrukkelijk in een nationale wet vastgelegde mogelijkheid tot invoering van dergelijke wettelijke licenties tot 31 december 1997 handhaven.

Artikel 9

Uitoefening van het recht op doorgifte via de kabel 1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat het recht van auteursrechthebbenden en houders van naburige rechten om aan kabelmaatschappijen doorgifte via de kabel van een omroepuitzending toe te staan of te verbieden, uitsluitend door maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging kan worden uitgeoefend.

2. Indien een rechthebbende het beheer van zijn rechten niet aan een maatschappij voor collectieve belangenbehartiging heeft opgedragen, wordt de maatschappij die rechten van dezelfde categorie beheert, geacht met het beheer van zijn rechten te zijn belast. Indien de rechten van die categorie door meer dan één maatschappij voor collectieve belangenbehartiging worden beheerd, staat het de rechthebbende vrij te kiezen welke van die maatschappijen geacht wordt zijn rechten te beheren. Voor rechthebbenden waarnaar in dit lid wordt verwezen, gelden dezelfde rechten en plichten uit de overeenkomst tussen de kabelmaatschappij en de maatschappij voor collectieve belangenbehartiging die geacht wordt met het beheer van hun rechten te zijn belast, als voor de rechthebbenden die het beheer van hun rechten hebben opgedragen aan deze maatschappij voor collectieve belangenbehartiging; zij kunnen die rechten doen gelden binnen een termijn die door de betrokken Lid-Staat wordt vastgesteld en die niet korter mag zijn dan drie jaar vanaf de datum van de doorgifte via de kabel van een uitzending die hun werk of een andere beschermde prestatie omvat.

3. Een Lid-Staat kan bepalen dat, wanneer een rechthebbende de eerste uitzending van een werk of een andere beschermde prestatie op zijn grondgebied toestaat, hij geacht wordt te aanvaarden zijn rechten op doorgifte via de kabel niet op individuele basis, maar in overeenstemming met de bepalingen van deze richtlijn uit te oefenen.

Artikel 10

Uitoefening door omroeporganisaties van het recht op doorgifte via de kabel De Lid-Staten dragen er zorg voor dat artikel 9 niet van toepassing is op de rechten die door een omroeporganisatie worden uitgeoefend met betrekking tot haar eigen uitzendingen, ongeacht of het om de eigen rechten van die organisatie gaat dan wel om rechten die haar door andere anteursrechthebbenden en/of houders van naburige rechten zijn overgedragen.

Artikel 11

Bemiddelaars 1. De Lid-Staten dragen er zorg voor dat, wanneer geen overeenkomst wordt gesloten betreffende de toestemming voor doorgifte via de kabel van een omroepuitzending, elk der betrokkenen een beroep kan doen op een of meer bemiddelaars.

2. De bemiddelaars hebben tot taak bijstand te verlenen bij het voeren van onderhandelingen. Zij kunnen de betrokkenen eveneens voorstellen voorleggen.

3. Wanneer geen van de betrokkenen binnen een termijn van drie maanden bezwaar aantekent, worden alle betrokkenen geacht het voorstel als bedoeld in lid 2 te aanvaarden. Het voorstel en het bezwaar daartegen worden aan de betrokkenen betekend overeenkomstig de toepasselijke regels inzake de betekening van juridische bescheiden.

4. De selectie van de bemiddelaars geschiedt zodanig dat over hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid in redelijkheid geen twijfel kan bestaan.

Artikel 12

Voorkoming van misbruik van onderhandelingsposities 1. De Lid-Staten dragen er via civiel- of administratiefrechtelijke bepalingen, al naar gelang van het geval, zorg voor dat de betrokkenen de onderhandelingen over toestemming voor doorgifte via de kabel van omroepuitzendingen te goeder trouw aangaan en niet zonder geldige reden verhinderen of belemmeren.

2. Een Lid-Staat die op de in artikel 14, lid 1, genoemde datum over een orgaan beschikt dat op zijn grondgebied bevoegd is kennis te nemen van gevallen waarin het recht op doorgifte van een programma via de kabel aan het publiek in die Lid-Staat door een omroeporganisatie op onredelijke gronden is geweigerd of op onredelijke voorwaarden is aangeboden, mag dat orgaan handhaven.

3. Lid 2 is met ingang van de in artikel 14, lid 1, genoemde datum van toepassing voor een overgangsperiode van acht jaar.

HOOFDSTUK IV ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 13

Collectief beheer van rechten Deze richtlijn laat de wijze waarop de Lid-Staten de activiteiten van maatschappijen voor collectieve belangenbehartiging regelen, onverlet.

Artikel 14

Slotbepalingen 1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1995 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van alle bepalingen van intern recht mee, die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3. Uiterlijk op 1 januari 2000 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de toepassing van deze richtlijn, zo nodig vergezeld van voorstellen om de richtlijn aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen in de audio- en audiovisuele sector.

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 27 september 1993.

Voor de Raad

De Voorzitter

R. URBAIN

(1) PB nr. C 255 van 1. 10. 1991, blz. 3, en PB nr. C 25 van 28. 1. 1993, blz. 43.

(2) PB nr. C 305 van 23. 11. 1992, blz. 129, en PB nr. C 255 van 20. 9. 1993.

(3) PB nr. C 98 van 21. 4. 1992, blz. 44.

(4) PB nr. L 298 van 17. 10. 1989, blz. 23.

(5) PB nr. L 346 van 27. 11. 1992, blz. 61.

Top