Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31992R2913

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek

OJ L 302, 19.10.1992, p. 1–50 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 02 Volume 016 P. 4 - 53
Special edition in Swedish: Chapter 02 Volume 016 P. 4 - 53
Special edition in Czech: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Estonian: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Latvian: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Lithuanian: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Hungarian Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Maltese: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Polish: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Slovak: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Slovene: Chapter 02 Volume 004 P. 307 - 356
Special edition in Bulgarian: Chapter 02 Volume 005 P. 58 - 107
Special edition in Romanian: Chapter 02 Volume 005 P. 58 - 107
Special edition in Croatian: Chapter 02 Volume 002 P. 110 - 159

No longer in force, Date of end of validity: 30/04/2016; opgeheven door 32008R0450 zie 32013R0952

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/1992/2913/oj

31992R2913

Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek

Publicatieblad Nr. L 302 van 19/10/1992 blz. 0001 - 0050
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 2 Deel 16 blz. 0004
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 2 Deel 16 blz. 0004


VERORDENING (EEG) Nr. 2913/92 VAN DE RAAD van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op de artikelen 28, 100 A en 113,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de Gemeenschap op een douane-unie is gegrondvest; dat het zowel voor de economische subjecten van de Gemeenschap als voor de douaneadministraties wenselijk is dat de bepalingen van het douanerecht, die thans nog over tal van communautaire verordeningen en richtlijnen verspreid zijn, in een wetboek worden samengebracht; dat zulks in het vooruitzicht van de interne markt van wezenlijk belang is;

Overwegende dat het aldus samengestelde communautair douanewetboek, hierna "wetboek" te noemen, de huidige douanewetgeving dient te omvatten; dat het evenwel wenselijk is in deze wetgeving wijzigingen aan te brengen, ten einde haar samenhangender te maken en te vereenvoudigen en ten einde daarin bepaalde nog bestaande leemten op te vullen om een volledige communautaire wetgeving op dit gebied vast te stellen;

Overwegende dat, uitgaande van het gegeven van een interne markt, het wetboek de algemene regels en procedures dient te bevatten voor de toepassing van de tariefmaatregelen en de andere maatregelen die in het kader van het goederenverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen op communautair niveau zijn ingesteld, met inbegrip van die van het landbouwbeleid en de handelspolitiek; dat daarbij rekening dient te worden gehouden met de vereisten van die vormen van gemeenschappelijk beleid;

Overwegende dat het opportuun lijkt te bepalen dat dit wetboek geen afbreuk doet aan de bijzondere bepalingen welke op andere gebieden zijn vastgesteld; dat dergelijke bijzondere regels met name kunnen bestaan of kunnen worden ingesteld in het kader van de voorschriften op het gebied van de landbouw, de statistiek, de handelspolitiek en de eigen middelen;

Overwegende dat, ten einde te zorgen voor een evenwicht tussen enerzijds de behoefte van de douaneadministraties om een goede toepassing van de douanewetgeving te waarborgen en anderzijds het recht van de economische subjecten op een billijke behandeling, de douaneadministraties met name uitgebreide controlemogelijkheden en de economische subjecten een recht op beroep moeten krijgen; dat het Verenigd Koninkrijk voor de totstandbrenging van een beroepsprocedure op douanegebied nieuwe administratieve procedures moet invoeren, hetgeen niet kan worden verwezenlijkt vóór 1 januari 1995;

Overwegende dat het wenselijk is de douaneformaliteiten en -controles af te schaffen of deze ten minste zoveel mogelijk te beperken in verband met het grote belang dat de buitenlandse handel voor de Gemeenschap heeft;

Overwegende dat het van belang is een eenvormige toepassing van dit wetboek te waarborgen; dat te dien einde moet worden voorzien in een communautaire procedure die het mogelijk maakt te zijner tijd de toepassingsbepalingen van dit wetboek vast te stellen; dat het nodig is een Comité douanewetboek in te stellen ten einde op dit gebied een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Lid-Staten en de Commissie mogelijk te maken;

Overwegende dat bij het vaststellen van de uitvoeringsmaatregelen van dit wetboek zoveel mogelijk moet worden gelet op de voorkoming van fraude en onregelmatigheden die nadelig kunnen zijn voor de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I ALGEMENE BEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

TOEPASSINGSGEBIED EN BASISDEFINITIES

Artikel 1

Dit wetboek, alsmede de communautaire en nationale bepalingen die ter uitvoering ervan worden vastgesteld, vormen de douanewetgeving. Onverminderd de bijzondere bepalingen die op andere gebieden zijn vastgesteld, is het wetboek van toepassing op

- het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen;

- de goederen die onder een van de Verdragen tot oprichting van respectievelijk de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie vallen.

Artikel 2

1. Behoudens andersluidende bepalingen die hetzij uit internationale overeenkomsten of uit gebruikelijke handelwijzen met een beperkte geografische en economische draagwijdte, hetzij uit autonome communautaire maatregelen voortvloeien, is de communautaire douanewetgeving in het gehele douanegebied van de Gemeenschap op eenvormige wijze van toepassing.

2. Sommige bepalingen van de communautaire douanewetgeving kunnen eveneens buiten het douanegebied van de Gemeenschap van toepassing zijn, in het kader van hetzij specifieke regelingen, hetzij internationale overeenkomsten.

Artikel 3

1. Het douanegebied van de Gemeenschap omvat:

- het grondgebied van het Koninkrijk België;

- het grondgebied van het Koninkrijk Denemarken, met uitzondering van de Faeroeer en Groenland;

- het grondgebied van de Bondsrepubliek Duitsland, met uitzondering van enerzijds het eiland Helgoland en anderzijds het grondgebied van Buesingen (Verdrag van 23 november 1964 tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Zwitserse Bondsstaat);

- het grondgebied van het Koninkrijk Spanje, met uitzondering van Ceuta en Melilla;

- het grondgebied van de Helleense Republiek;

- het grondgebied van de Franse Republiek, met uitzondering van de gebieden overzee en de territoriale lichamen (collectivités territoriales);

- het grondgebied van Ierland;

- het grondgebied van de Italiaanse Republiek, met uitzondering van de gemeenten Livigno en Campione d'Italia, alsmede van de nationale wateren van het Meer van Lugano vanaf de oever tot aan de politieke grens van de zone tussen Ponte Tresa en Porto Ceresio;

- het grondgebied van het Groothertogdom Luxemburg;

- het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden in Europa;

- het grondgebied van de Portugese Republiek;

- het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, alsmede de Kanaaleilanden en het eiland Man.

2. De volgende gebieden worden, hoewel zij buiten het grondgebied van de Lid-Staten zijn gelegen, gezien de daarop van toepassing zijnde overeenkomsten en verdragen, beschouwd als deel uitmakende van het douanegebied van de Gemeenschap:

a) DUITSLAND

De Oostenrijkse gebieden Jungholz en Mittelberg, zoals omschreven in de volgende verdragen:

- Jungholz: Verdrag van 3 mei 1868 (Bayrisches Regierungsblatt 1868, blz. 1245);

- Mittelberg: Verdrag van 2 december 1890 (Reichsgesetzblatt 1891, blz. 59).

b) FRANKRIJK

Het grondgebied van het Vorstendom Monaco, zoals omschreven in de op 18 mei 1963 in Parijs ondertekende douaneovereenkomst (Journal Officiel van 27 september 1963, blz. 8679).

c) ITALIË

Het grondgebied van de Republiek San Marino, zoals omschreven in de Overeenkomst van 31 maart 1939 (Wet van 6 juni 1939, nr. 1220).

3. In het douanegebied van de Gemeenschap zijn begrepen de territoriale zee, de maritieme binnenwateren en het luchtruim van de Lid-Staten en van de in lid 2 bedoelde gebieden, met uitzondering van de territoriale zee, de maritieme binnenwateren en het luchtruim van de gebieden die overeenkomstig lid 1 niet onder het douanegebied van de Gemeenschap vallen.

Artikel 4

In de zin van dit wetboek wordt verstaan onder:

1. persoon:

- een natuurlijk persoon, of

- een rechtspersoon, of

- wanneer de geldende voorschriften in deze mogelijkheid voorzien, een vereniging van personen die als handelingsbekwaam wordt erkend zonder de wettelijke status van rechtspersoon te bezitten;

2. in de Gemeenschap gevestigd persoon:

- indien het een natuurlijk persoon betreft, een ieder die in de Gemeenschap zijn normale verblijfplaats heeft,

- indien het een rechtspersoon of een vereniging van personen betreft, elke persoon die in de Gemeenschap zijn statutaire zetel, zijn hoofdbestuur of een vaste inrichting heeft;

3. douaneautoriteiten: de autoriteiten die onder meer voor de toepassing van de douanewetgeving bevoegd zijn;

4. douanekantoor: elk kantoor waar de in de douanewetgeving voorgeschreven formaliteiten volledig of gedeeltelijk kunnen worden vervuld;

5. beschikking: elke administratieve beslissing verband houdend met de douanewetgeving die door een douaneautoriteit over een bepaald geval wordt genomen en die voor een of meer personen wier identiteit bekend is of kan worden vastgesteld, rechtsgevolgen heeft; hieronder vallen onder meer bindende tariefinlichtingen als bedoeld in artikel 12;

6. douanestatus: de status van goederen, zijnde hetzij communautaire, hetzij niet-communautaire goederen;

7. communautaire goederen: goederen die

- geheel zijn verkregen in het douanegebied van de Gemeenschap onder de in artikel 23 bedoelde voorwaarden, zonder toevoeging van goederen die zijn ingevoerd uit landen of gebieden welke geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap;

- zijn ingevoerd uit landen of gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap en die in het vrije verkeer zijn gebracht;

- in het douanegebied van de Gemeenschap zijn verkregen, hetzij uitsluitend uit goederen als bedoeld in het tweede streepje, hetzij uit goederen als bedoeld in het eerste en het tweede streepje;

8. niet-communautaire goederen: andere dan de in punt 7 bedoelde goederen.

Onverminderd de artikelen 163 en 164 verliezen communautaire goederen deze douanestatus wanneer zij het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk verlaten;

9. douaneschuld: de op een persoon rustende verplichting tot betaling van de rechten bij invoer (douaneschuld bij invoer) of de rechten bij uitvoer (douaneschuld bij uitvoer) die op bepaalde goederen van toepassing zijn uit hoofde van de geldende communautaire bepalingen;

10. rechten bij invoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de invoer van goederen van toepassing zijn;

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;

11. rechten bij uitvoer:

- de douanerechten en heffingen van gelijke werking die bij de uitvoer van goederen van toepassing zijn;

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij uitvoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;

12. schuldenaar: elke persoon die gehouden is tot betaling van het bedrag van de douaneschuld;

13. toezicht van de douaneautoriteiten: de activiteiten die door deze autoriteiten in het algemeen worden ontplooid ten einde te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn;

14. controle door de douaneautoriteiten: het verrichten van specifieke handelingen, zoals verificatie van goederen, controle op de aanwezigheid en de echtheid van documenten, onderzoek van de boekhouding van ondernemingen en onderzoek van andere bescheiden, controle van vervoermiddelen, controle van bagage en andere goederen die personen bij of op zich dragen, en het verrichten van administratief onderzoek en andere soortgelijke handelingen, een en ander om te zorgen voor de naleving van de douanewetgeving en, in voorkomend geval, van de andere bepalingen die op goederen onder douanetoezicht van toepassing zijn;

15. douanebestemming van goederen:

a) plaatsing van goederen onder een douaneregeling;

b) binnenbrengen van goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot;

c) wederuitvoer van goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap;

d) vernietiging van goederen;

e) afstaan van goederen aan de Schatkist;

16. douaneregeling:

a) in het vrije verkeer brengen;

b) douanevervoer;

c) douane-entrepot;

d) actieve veredeling;

e) behandeling onder douanetoezicht;

f) tijdelijke invoer;

g) passieve veredeling

h) uitvoer;

17. douaneaangifte: handeling waarbij een persoon, in de voorgeschreven vorm en op de voorgeschreven wijze, het voornemen kenbaar maakt goederen onder een bepaalde douaneregeling te plaatsen;

18. aangever: de persoon die in eigen naam een douaneaangifte doet of de persoon in wiens naam een douaneaangifte wordt gedaan;

19. aanbrengen bij de douane: mededeling aan de douaneautoriteiten, in de vereiste vorm, van de aankomst van de goederen bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;

20. vrijgave van goederen: terbeschikkingstelling, door de douaneautoriteiten, van goederen voor de doeleinden die zijn voorzien in de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst;

21. subject van de regeling: de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte is gedaan of de persoon aan wie de uit een douaneregeling voortvloeiende rechten en verplichtingen van de eerstgenoemde persoon zijn overgedragen;

22. vergunninghouder: persoon aan wie een vergunning is verleend;

23. geldende bepalingen: de communautaire of de nationale bepalingen;

24. procedure van het Comité: de procedure als omschreven of bedoeld in artikel 249.

HOOFDSTUK 2

DIVERSE ALGEMENE BEPALINGEN BETREFFENDE MET NAME DE RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PERSONEN TEN AANZIEN VAN DE DOUANEWETGEVING

Afdeling 1

Recht van vertegenwoordiging

Artikel 5

1. Onder de in artikel 64, lid 2, gestelde voorwaarden en onder voorbehoud van de in het kader van artikel 245 geldende bepalingen kan iedere persoon zich voor het vervullen van de in de douanewetgeving voorgeschreven handelingen en formaliteiten bij de douaneautoriteiten doen vertegenwoordigen.

2. De vertegenwoordiging kan:

- direct zijn wanneer de vertegenwoordiger in naam en voor rekening van een andere persoon handelt, dan wel

- indirect zijn, wanneer de vertegenwoordiger in eigen naam, doch voor rekening van een andere persoon handelt.

De Lid-Staten kunnen het recht om op hun grondgebied douaneaangiften te doen

- volgens de methode van de directe vertegenwoordiging, of

- volgens de methode van de indirecte vertegenwoordiging,

zodanig voorbehouden dat de vertegenwoordiger een douanecommissionair moet zijn die daar zijn beroep uitoefent.

3. Met uitzondering van de in artikel 64, lid 2, onder b), en lid 3, bedoelde gevallen dient de vertegenwoordiger in de Gemeenschap te zijn gevestigd.

4. De vertegenwoordiger dient te verklaren voor de vertegenwoordigde persoon te handelen; voorts dient hij aan te geven of het een directe dan wel een indirecte vertegenwoordiging betreft en moet hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezitten.

De persoon die niet verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen of die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, zonder dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit, wordt geacht in eigen naam en voor eigen rekening te handelen.

5. De douaneautoriteiten kunnen van elke persoon die verklaart in naam of voor rekening van een andere persoon te handelen, het bewijs eisen dat hij vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.

Afdeling 2

Beschikkingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving

Artikel 6

1. Indien een persoon de douaneautoriteiten verzoekt een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving te nemen, verstrekt hij deze autoriteiten alle gegevens en bescheiden die zij behoeven om het besluit te nemen.

2. De beschikking moet zo spoedig mogelijk worden genomen en vervolgens zo spoedig mogelijk aan de verzoeker worden bekendgemaakt.

Indien het daartoe strekkende verzoek schriftelijk is gedaan, moet de beschikking worden genomen binnen een overeenkomstig de geldende bepalingen vastgestelde termijn te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten het verzoek hebben ontvangen. De beschikking moet schriftelijk aan de verzoeker worden bekendgemaakt.

Deze termijn mag echter worden overschreden indien het voor de douaneautoriteiten niet mogelijk is hem in acht te nemen. In dat geval stellen deze autoriteiten de verzoeker hiervan vóór het verstrijken van de hierboven vastgestelde termijn in kennis, onder vermelding van de redenen welke aan deze overschrijding ten grondslag liggen en van de nieuwe termijn die zij nodig achten om een beschikking te nemen.

3. De schriftelijk genomen beschikkingen waarbij verzoeken niet worden ingewilligd of die ongunstige gevolgen hebben voor de personen tot wie zij zijn gericht, worden door de douaneautoriteiten met redenen omkleed. In deze beschikkingen dient melding te worden gemaakt van de mogelijkheid tot beroep als bedoeld in artikel 243.

4. Bepaald kan worden dat lid 3, eerste volzin, eveneens op andere beschikkingen van toepassing is.

Artikel 7

Met uitzondering van de in artikel 244, tweede alinea, bedoelde gevallen zijn de genomen beschikkingen onmiddellijk uitvoerbaar door de douaneautoriteiten.

Artikel 8

1. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking wordt met terugwerkende kracht ingetrokken indien deze werd genomen op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en:

- de verzoeker van de onjuistheid of de onvolledigheid van die gegevens kennis droeg of redelijkerwijze kennis had moeten dragen, en

- de beschikking op grond van de juiste en volledige gegevens niet had kunnen worden genomen.

2. De intrekking met terugwerkende kracht van de beschikking wordt bekendgemaakt aan degene tot wie zij was gericht.

3. De intrekking met terugwerkende kracht geldt met ingang van de datum waarop de met terugwerkende kracht ingetrokken beschikking werd genomen.

Artikel 9

1. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking wordt ingetrokken of gewijzigd indien, in andere dan de in artikel 8 genoemde gevallen, aan een of meer daaraan verbonden voorwaarden niet is of niet meer wordt voldaan.

2. Een voor de belanghebbende gunstige beschikking kan worden ingetrokken wanneer degene tot wie zij is gericht, niet voldoet aan een verplichting die, in voorkomend geval, ingevolge deze beschikking op hem rust.

3. De intrekking of de wijziging van de beschikking wordt bekendgemaakt aan degene tot wie zij is gericht.

4. De intrekking of de wijziging van de beschikking wordt van kracht op de datum waarop zij wordt bekendgemaakt. In uitzonderlijke gevallen en voor zover de rechtmatige belangen van degene tot wie de beschikking is gericht, zulks vereisen, kunnen de douaneautoriteiten het van kracht worden echter op een latere datum doen ingaan.

Artikel 10

De artikelen 8 en 9 doen geen afbreuk aan de nationale voorschriften die inhouden dat een beschikking geen werking heeft of haar werking verliest om redenen die niet specifiek verband houden met de douanewetgeving.

Afdeling 3

Inlichtingen

Artikel 11

1. Iedere persoon kan de douaneautoriteiten om inlichtingen betreffende de toepassing van de douanewetgeving verzoeken.

Een dergelijk verzoek kan worden afgewezen indien het geen verband houdt met een daadwerkelijk voorgenomen in- of uitvoertransactie.

2. De inlichtingen worden de aanvrager gratis verstrekt. Indien de douaneautoriteiten echter speciale kosten hebben gemaakt, met name voor analyses, expertises of de terugzending van de goederen naar de aanvrager, kunnen deze kosten de aanvrager in rekening worden gebracht.

Artikel 12

1. De douaneautoriteiten verstrekken op schriftelijk verzoek bindende tariefinlichtingen overeenkomstig de volgens de procedure van het Comité vastgestelde nadere regels.

2. De bindende tariefinlichting verbindt de douaneautoriteiten tegenover de verkrijger van de inlichting slechts voor wat de tariefindeling van een goed betreft.

De bindende tariefinlichting verbindt de douaneautoriteiten slechts ten aanzien van de goederen waarvoor de douaneformaliteiten worden vervuld na de datum waarop de inlichting door die autoriteiten is verstrekt.

3. De verkrijger van de inlichting moet aantonen dat het aangegeven goed in elk opzicht overeenstemt met het goed dat in de inlichting is beschreven.

4. Een bindende tariefinlichting is zes jaar geldig, te rekenen vanaf het tijdstip van de verstrekking. In afwijking van artikel 8 wordt zij met terugwerkende kracht ingetrokken indien zij is verstrekt op de grondslag van onjuiste of onvolledige gegevens van de aanvrager.

5. Een bindende tariefinlichting verliest haar geldigheid:

a) indien zij ten gevolge van de vaststelling van een verordening met het aldus geldende recht niet meer in overeenstemming is;

b) indien zij niet langer verenigbaar is met de interpretatie van een van de nomenclaturen als bedoeld in artikel 20, lid 6, hetzij op communautair niveau door een wijziging in de toelichtingen bij de gecombineerde nomenclatuur of door een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap, hetzij op internationaal niveau door een indelingsadvies of door een door de Internationale Douaneraad aangenomen wijziging van de toelichtingen bij de nomenclatuur van het geharmoniseerde systeem inzake de omschrijving en de codering van goederen; in dat geval is de datum waarop de bindende tariefinlichting haar geldigheid verliest, die van de bekendmaking van deze maatregelen of, voor internationale maatregelen, de datum van een mededeling van de Commissie, in de C-serie van het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen;

c) indien de verkrijger van de inlichting in kennis is gesteld van de intrekking of de wijziging van de bindende tariefinlichting.

6. Een bindende tariefinlichting die overeenkomstig lid 5, onder b) of c), haar geldigheid verliest, mag door de verkrijger van de inlichting nog gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf het tijdstip van de desbetreffende bekendmaking of kennisgeving worden gebruikt, indien de verkrijger van de inlichting vóór de aanneming van de tariefmaatregel in kwestie vaste en definitieve overeenkomsten voor de aankoop of de verkoop van de betrokken goederen heeft gesloten. Indien het echter gaat om produkten waarvoor bij de vervulling van de douaneformaliteiten een invoer-, uitvoer- of prefixatiecertificaat wordt overgelegd, wordt de periode van zes maanden vervangen door de resterende geldigheidsduur van het betrokken certificaat.

In het in lid 5, onder a), bedoelde geval kan in de verordening een termijn worden vastgesteld gedurende welke de vorige alinea van toepassing is.

7. De toepassing, onder de voorwaarden van lid 6, van de indeling die in de bindende tariefinlichting is aangegeven, geldt alleen voor:

- de vaststelling van de rechten bij invoer of bij uitvoer,

- de berekening van de restituties bij uitvoer en van alle andere bedragen die bij invoer of uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden toegekend,

- het gebruik van invoer-, uitvoer- of prefixatiecertificaten die worden overgelegd bij het vervullen van de formaliteiten met het oog op de aanvaarding van de douaneaangifte betreffende de betrokken goederen, voor zover deze vergunningen of certificaten zijn afgegeven op basis van voornoemde inlichting.

Daarenboven kan in uitzonderlijke gevallen, waarin de goede werking van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid vastgestelde regelingen in gevaar kan komen, volgens de procedure van artikel 38 van Verordening nr. 136/66/EEG (4) en van de overeenkomstige artikelen in andere verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der markten, besloten worden om af te wijken van het bepaalde in lid 6.

Afdeling 4

Overige bepalingen

Artikel 13

De douaneautoriteiten kunnen onder de overeenkomstig de geldende bepalingen vastgestelde voorwaarden alle controlemaatregelen nemen die zij voor de correcte toepassing van de douanewetgeving nodig achten.

Artikel 14

Voor de toepassing van de douanewetgeving dient elke persoon die direct of indirect bij de desbetreffende transacties die in het kader van het goederenverkeer worden verricht, is betrokken, de douaneautoriteiten op hun verzoek en binnen de eventueel vastgestelde termijnen alle nodige bescheiden en inlichtingen, ongeacht de dragers waarop die bescheiden en inlichtingen zich bevinden, te verstrekken en deze autoriteiten alle nodige bijstand te verlenen.

Artikel 15

Alle inlichtingen van vertrouwelijke aard of die als vertrouwelijk zijn verstrekt, vallen onder het beroepsgeheim en worden door de douaneautoriteiten niet bekendgemaakt zonder uitdrukkelijke toestemming van de persoon of de autoriteit die deze inlichtingen heeft verstrekt; het doorgeven van inlichtingen is toegestaan voor zover de douaneautoriteiten daartoe overeenkomstig de geldende bepalingen, met name inzake gegevensbescherming, of in het kader van gerechtelijke procedures gehouden of gemachtigd zijn.

Artikel 16

De betrokken personen dienen de in artikel 14 bedoelde bescheiden, ongeacht de dragers waarop die bescheiden zich bevinden, met het oog op de douanecontrole, gedurende de in de geldende bepalingen vastgestelde termijn en ten minste gedurende drie kalenderjaren te bewaren. Deze termijn vangt aan:

a) voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht in andere dan de onder b) bedoelde gevallen of voor goederen die ten uitvoer zijn aangegeven, aan het einde van het jaar waarin de aangiften voor het vrije verkeer of de aangiften ten uitvoer zijn aanvaard;

b) voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van het gebruik ervan voor bijzondere doeleinden, aan het einde van het jaar waarin het douanetoezicht op de goederen wordt opgeheven;

c) voor goederen die onder een andere douaneregeling zijn geplaatst, aan het einde van het jaar waarin de desbetreffende douaneregeling is beëindigd;

d) voor goederen die in een vrije zone of in een vrij entrepot zijn binnengebracht, aan het einde van het jaar waarin zij de betrokken onderneming verlaten.

Onverminderd het bepaalde in artikel 221, lid 3, tweede volzin, worden de bescheiden, indien uit een controle van de douaneautoriteiten in verband met een douaneschuld blijkt dat de desbetreffende boeking moet worden herzien, na afloop van de in de eerste alinea bedoelde termijn nog zolang bewaard als voor de herziening en de controle nodig is.

Artikel 17

Indien overeenkomstig de douanewetgeving een termijn, datum of vervaldag wordt vastgesteld voor de toepassing van de voorschriften daarvan, kan de termijn slechts worden verlengd en de datum of vervaldag slechts worden uitgesteld wanneer de desbetreffende voorschriften daarin uitdrukkelijk voorzien.

Artikel 18

1. De in het kader van de douanewetgeving toe te passen tegenwaarde van de ecu in nationale valuta's wordt eenmaal per jaar vastgesteld. De voor deze omrekening toe te passen koersen zijn die van de eerste werkdag van oktober en zij worden van kracht op 1 januari van het volgende kalenderjaar. Indien voor een bepaalde nationale valuta geen koers beschikbaar is, geldt voor die valuta de koers van de laatste dag waarvoor in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen een koers is bekendgemaakt.

2. Indien er zich evenwel een wijziging in de bilaterale spilkoersen van een of meer nationale valuta's voordoet:

a) in de loop van een kalenderjaar, dan worden met het oog op de vaststelling van de tariefindeling van de goederen, van de douanerechten en van de heffingen van gelijke werking voor de omrekening van de ecu in nationale valuta's de gewijzigde koersen gebruikt en gelden zij vanaf de tiende dag volgende op die waarop deze koersen beschikbaar zijn;

b) na de eerste werkdag van oktober, dan worden met het oog op de vaststelling van de tariefindeling van de goederen, van de douanerechten en van de heffingen van gelijke werking voor de omrekening van de ecu in nationale valuta's de gewijzigde koersen gebruikt en blijven zij, in afwijking van lid 1, gedurende het volgende volle kalenderjaar van toepassing, mits zich in de loop van dat jaar geen wijziging in de bilaterale spilkoersen voordoet, in welk geval punt a) van toepassing is.

Onder "gewijzigde koersen" wordt verstaan de koersen van de eerste dag volgende op die waarop de bilaterale spilkoersen werden gewijzigd en waarop deze koersen voor alle communautaire valuta's beschikbaar zijn.

Artikel 19

Volgens de procedure van het Comité wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden vereenvoudigingen bij de toepassing van de douanewetgeving kunnen worden toegestaan.

TITEL II ELEMENTEN WELKE TEN GRONDSLAG LIGGEN AAN DE TOEPASSING VAN DE RECHTEN BIJ INVOER EN DE RECHTEN BIJ UITVOER EN DE ANDERE MAATREGELEN WAARAAN HET GOEDERENVERKEER IS ONDERWORPEN

HOOFDSTUK 1

DOUANETARIEF VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN EN TARIEFINDELING VAN GOEDEREN

Artikel 20

1. De bij het ontstaan van een douaneschuld wettelijk verschuldigde rechten zijn op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen gebaseerd.

2. De andere maatregelen die uit hoofde van specifieke communautaire bepalingen in het kader van het goederenverkeer zijn vastgesteld, worden, in voorkomend geval, naar gelang van de tariefindeling van deze goederen toegepast.

3. Het douanetarief van de Europese Gemeenschappen omvat:

a) de gecombineerde nomenclatuur van de goederen;

b) iedere andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van onderverdelingen wordt overgenomen en die voor de toepassing van tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen wordt vastgesteld;

c) de percentages en andere heffingsgrondslagen die op goederen welke in de gecombineerde nomenclatuur zijn opgenomen normaal van toepassing zijn met betrekking tot:

- de douanerechten, en

- de landbouwheffingen en andere belastingen bij invoer die zijn vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn;

d) de preferentiële tariefmaatregelen in de overeenkomsten die de Gemeenschap met bepaalde landen of groepen van landen heeft gesloten en die in een preferentiële tariefbehandeling voorzien;

e) de preferentiële tariefmaatregelen die door de Gemeenschap ten gunste van bepaalde landen, groepen van landen of gebieden unilateraal zijn vastgesteld;

f) de autonome schorsingsmaatregelen waarbij voor bepaalde goederen in een verlaging of een vrijstelling van de rechten bij invoer is voorzien;

g) de overige in het kader van andere communautaire voorschriften vastgestelde tariefmaatregelen.

4. Onverminderd de voorschriften met betrekking tot de forfaitaire heffing, treden de in lid 3, onder d), e) en f), bedoelde maatregelen op verzoek van de aangever in de plaats van de onder c) genoemde, wanneer de betrokken goederen aan de in de eerstgenoemde maatregelen vervatte voorwaarden voldoen. Het verzoek kan achteraf worden ingediend zolang aan de voorwaarden ter zake is voldaan.

5. Indien de toepassing van de in lid 3, onder d), e) en f), bedoelde maatregelen tot een bepaald invoervolume wordt beperkt, neemt deze toepassing een einde:

a) voor tariefcontingenten, zodra het vastgestelde invoervolume is bereikt;

b) voor tariefplafonds, bij verordening van de Commissie.

6. Tariefindeling van goederen is de vaststelling, overeenkomstig de geldende bepalingen, van:

a) hetzij de onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur, hetzij die van een andere, in lid 3, onder b), bedoelde nomenclatuur,

b) hetzij de onderverdeling van enige andere nomenclatuur waarin de gecombineerde nomenclatuur geheel of gedeeltelijk of eventueel met toevoeging van onderverdelingen is overgenomen en die voor de toepassing van andere maatregelen dan tariefmaatregelen in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen wordt vastgesteld,

waaronder de goederen moeten worden ingedeeld.

Artikel 21

1. De gunstige tariefbehandeling waarvoor bepaalde goederen uit hoofde van hun aard of bijzondere bestemming in aanmerking kunnen komen, is onderworpen aan voorwaarden die volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld. Indien een vergunning is vereist, zijn de artikelen 86 en 87 van toepassing.

2. In de zin van lid 1 wordt onder "gunstige tariefbehandeling" verstaan, elke verlaging of schorsing, ook in het kader van een tariefcontingent, van een recht bij invoer.

HOOFDSTUK 2

OORSPRONG VAN GOEDEREN

Afdeling 1

Niet-preferentiële oorsprong

Artikel 22

In de artikelen 23 tot en met 26 is de niet-preferentiële oorsprong van de goederen omschreven met het oog op:

a) de toepassing van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen, met uitzondering van de in artikel 20, lid 3, onder d) en e), bedoelde maatregelen;

b) de toepassing van andere maatregelen dan tariefmaatregelen die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld;

c) de opstelling en de afgifte van oorsprongscertificaten.

Artikel 23

1. Van oorsprong uit een land zijn goederen die geheel en al in dat land zijn verkregen.

2. Onder "goederen die geheel en al in een land zijn verkregen" wordt verstaan:

a) in dat land gewonnen minerale produkten;

b) aldaar geoogste produkten van het plantenrijk;

c) aldaar geboren en opgefokte levende dieren;

d) produkten afkomstig van aldaar gehouden levende dieren;

e) voortbrengselen van de aldaar bedreven jacht en visserij;

f) produkten van de zeevisserij en andere produkten die buiten de territoriale zee van een land uit zee zijn gewonnen door in dat land ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van dat land voeren;

g) goederen die aan boord van fabrieksschepen zijn verkregen uit onder f) bedoelde produkten welke van oorsprong zijn uit dat land, voor zover deze schepen aldaar zijn ingeschreven of geregistreerd en de vlag van dat land voeren;

h) produkten gewonnen van en uit de buiten de territoriale zee gelegen zeebodem voor zover dat land, met het oog op exploitatie, exclusieve rechten over deze zeebodem uitoefent;

i) uitval en afval afkomstig van fabrieksbewerkingen en artikelen die niet meer in gebruik zijn, mits zij in dat land zijn verzameld en slechts voor de terugwinning van grondstoffen kunnen dienen;

j) goederen die aldaar uitsluitend zijn verkregen uit de onder a) tot en met i) bedoelde goederen of derivaten daarvan, in ongeacht welk stadium van derivatie.

3. Voor de toepassing van lid 2 wordt onder "land" ook de territoriale zee van het land in kwestie begrepen.

Artikel 24

Goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw produkt heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

Artikel 25

Indien ten aanzien van bepaalde be- of verwerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat daarmee slechts ontduiking wordt beoogd van de bepalingen die in de Gemeenschap op goederen uit bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht op grond van artikel 24 van oorsprong te zijn uit het land waar deze be- of verwerkingen hebben plaatsgevonden.

Artikel 26

1. In de douanewetgeving of in andere specifieke communautaire wetgeving kan worden bepaald dat de oorsprong van goederen moet worden aangetoond door overlegging van een document.

2. Niettegenstaande de overlegging van dit document kunnen de douaneautoriteiten, in geval van ernstige twijfel, elk aanvullend bewijs eisen om zich ervan te vergewissen dat de vermelding van de oorsprong wel beantwoordt aan de regels die in de desbetreffende communautaire voorschriften zijn vastgesteld.

Afdeling 2

Preferentiële oorsprong

Artikel 27

De regels betreffende de preferentiële oorsprong behelzen de voorwaarden waaraan de goederen moeten voldoen om de preferentiële oorsprong te verkrijgen ten einde voor de in artikel 20, lid 3, onder d) of e), bedoelde maatregelen in aanmerking te komen.

Deze regels worden vastgesteld:

a) voor de goederen die onder de overeenkomsten bedoeld in artikel 20, lid 3, onder d), vallen, bij deze overeenkomsten;

b) voor de goederen die voor de in artikel 20, lid 3, onder e), bedoelde preferentiële tariefmaatregelen in aanmerking komen, volgens de procedure van het Comité.

HOOFDSTUK 3

DOUANEWAARDE VAN GOEDEREN

Artikel 28

Krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk wordt de douanewaarde vastgesteld voor de toepassing van het douanetarief van de Europese Gemeenschappen en van andere maatregelen dan tariefmaatregelen die in het kader van het goederenverkeer bij specifieke communautaire bepalingen zijn vastgesteld.

Artikel 29

1. De douanewaarde van ingevoerde goederen is de transactiewaarde van die goederen, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs indien zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Gemeenschap worden verkocht, in voorkomend geval na aanpassing overeenkomstig de artikelen 32 en 33, mits:

a) er ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper geen beperkingen zijn, met uitzondering van die welke

- bij de wet of door de autoriteiten in de Gemeenschap worden opgelegd of geëist,

- het geografische gebied beperken waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht,

of

- de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloeden;

b) de verkoop of de prijs niet afhankelijk is gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld;

c) geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht, onderscheidenlijk van elk later gebruik van de goederen door de koper, direct of indirect de verkoper ten goede zal komen, tenzij krachtens artikel 32 een geëigende aanpassing kan worden uitgevoerd, en

d) koper en verkoper niet onderling zijn verbonden of, indien dat wel het geval is, de transactiewaarde voor douanedoeleinden aanvaardbaar is overeenkomstig lid 2.

2. a) Ter bepaling van de aanvaardbaarheid van de transactiewaarde voor de toepassing van lid 1 vormt de omstandigheid dat de koper en de verkoper onderling verbonden zijn, op zich geen voldoende reden om de transactiewaarde als niet aanvaardbaar aan te merken. Indien noodzakelijk worden de omstandigheden van de verkoop onderzocht en wordt de transactiewaarde aanvaard wanneer het verbonden zijn geen invloed op de prijs heeft gehad. Indien de douaneautoriteiten, op grond van de informatie die van de aangever of uit andere bron is verkregen, redenen hebben om aan te nemen dat het feit van het verbonden zijn de prijs heeft beïnvloed, delen zij die redenen aan de aangever mede en geven hem een redelijke mogelijkheid om te antwoorden. De aangever wordt desgewenst van de redenen schriftelijk in kennis gesteld.

b) Bij een verkoop tussen verbonden personen wordt de transactiewaarde aanvaard en wordt de waarde van de goederen bepaald overeenkomstig lid 1, wanneer de aangever aantoont dat die waarde op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip een van de volgende waarden zeer dicht benadert:

i) de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen bij verkopen, tussen kopers en verkopers die in geen enkel bijzonder geval onderling verbonden zijn, voor uitvoer naar de Gemeenschap;

ii) de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals deze met toepassing van artikel 30, lid 2, onder c), is vastgesteld;

iii) de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals deze met toepassing van artikel 30, lid 2, onder d), is vastgesteld.

Bij de toepassing van de vorenstaande criteria wordt naar behoren rekening gehouden met aangetoonde verschillen ten aanzien van de handelsniveaus, de hoeveelheden, de in artikel 32 genoemde elementen en de kosten die de verkoper bij verkopen aan een niet met hem verbonden koper draagt, maar die hij bij verkopen aan een wel met hem verbonden koper niet draagt.

c) De onder b) genoemde criteria moeten op initiatief van de aangever worden toegepast en mogen slechts dienen ter vergelijking. Vervangende waarden mogen niet met toepassing van het bepaalde onder b) worden vastgesteld.

3. a) De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden gedaan en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, hetzij door de koper aan de verkoper, hetzij door de koper aan een derde ter nakoming van een verplichting van de verkoper, werkelijk zijn of moeten worden gedaan. De betaling behoeft niet noodzakelijk in geld te geschieden; zij kan door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier worden verricht en zowel direct als indirect geschieden.

b) De door de koper of voor zijn rekening verrichte activiteiten, waaronder die welke verband houden met het verhandelen van de goederen, doch met uitzondering van de activiteiten waarvoor in artikel 32 in een aanpassing is voorzien, worden niet als een indirecte betaling aan de verkoper beschouwd, ook niet indien deze activiteiten kunnen worden geacht de verkoper tot voordeel te strekken of met diens instemming te zijn verricht. De kosten van deze activiteiten worden bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs geteld.

Artikel 30

1. Indien de douanewaarde niet met toepassing van artikel 29 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welke van de punten a), b), c) en d) van lid 2 van toepassing is. De douanewaarde dient in dit geval te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt, behoudens wanneer op verzoek van de aangever de volgorde van de punten c) en d) dient te worden omgekeerd. Slechts indien de douanewaarde niet met toepassing van een bepaald punt kan worden vastgesteld, mag het onmiddellijk daarop volgende punt worden toegepast, in de krachtens dit lid vastgestelde volgorde.

2. De met toepassing van dit artikel vastgestelde douanewaarden zijn:

a) de transactiewaarde van identieke goederen die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn verkocht en op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald;

b) de transactiewaarde van soortgelijke goederen die voor uitvoer naar de Gemeenschap zijn verkocht en op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd als de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald;

c) de waarde die berust op de prijs per eenheid bij verkoop in de Gemeenschap van de ingevoerde goederen of van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de grootste totale hoeveelheid, aan niet met de verkopers verbonden personen;

d) de berekende waarde, bestaande uit de som van:

- de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte handelingen;

- een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk is aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Gemeenschap verkopen;

- de kosten of waarde van de in artikel 32, lid 1, onder e), genoemde elementen.

3. De aanvullende voorwaarden en uitvoeringsbepalingen van lid 2 worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 31

1. Indien de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet met toepassing van de artikelen 29 en 30 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van de in de Gemeenschap beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van:

- de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel;

- artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel, en

- de bepalingen van het onderhavige hoofdstuk.

2. De met toepassing van lid 1 vastgestelde douanewaarde berust niet op:

a) de verkoopprijs, in de Gemeenschap, van goederen die in de Gemeenschap zijn voortgebracht;

b) een stelsel dat voor douanedoeleinden voorziet in de aanvaarding van de hoogste van twee in aanmerking komende waarden;

c) de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;

d) de kosten van voortbrenging, andere dan de berekende waarden die overeenkomstig artikel 30, lid 2, onder d), voor identieke of soortgelijke goederen zijn vastgesteld;

e) prijzen voor uitvoer naar een land dat niet tot het douanegebied van de Gemeenschap behoort;

f) minimumdouanewaarden, of

g) willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

Artikel 32

1. Voor het vaststellen van de douanewaarde met toepassing van artikel 29 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

a) de volgende elementen, voor zover zij ten laste komen van de koper en niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs:

i) commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies,

ii) kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen,

iii) kosten van het verpakken, waaronder zowel het arbeidsloon als het materiaal is begrepen;

b) de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:

i) materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt;

ii) werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt;

iii) materialen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden verbruikt;

iv) engineering, ontwikkeling, werken van kunst en ontwerpen, tekeningen en schetsen, die elders dan in de Gemeenschap worden verricht of gemaakt en voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen noodzakelijk zijn;

c) royalties en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, die de koper, als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen, hetzij direct, hetzij indirect moet betalen, voor zover deze royalties en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen;

d) de waarde van elk deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de ingevoerde goederen dat de verkoper direct of indirect ten goede komt;

e) i) de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen en

ii) de met het vervoer verband houdende kosten van het laden en van de behandeling van de ingevoerde goederen,

tot de plaats van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Gemeenschap.

2. Indien met toepassing van dit artikel elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, dient zulks uitsluitend op grond van objectieve en meetbare gegevens te geschieden.

3. Voor de vaststelling van de douanewaarde worden aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs geen elementen toegevoegd, met uitzondering van die welke in dit artikel zijn genoemd.

4. In dit hoofdstuk wordt onder "inkoopcommissies" verstaan, de door een importeur aan zijn agent betaalde vergoedingen voor de dienst die erin bestaat hem te vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald.

5. Niettegenstaande het bepaalde in lid 1, onder c),

a) worden de kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging van de in de Gemeenschap ingevoerde goederen bij de vaststelling van de douanewaarde niet aan de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs toegevoegd, en

b) worden de door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen niet aan de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs toegevoegd indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de ingevoerde goederen voor uitvoer naar de Gemeenschap.

Artikel 33

De hierna genoemde elementen maken geen deel uit van de douanewaarde, op voorwaarde dat zij van de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn onderscheiden:

a) kosten van vervoer van de goederen na aankomst op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Gemeenschap;

b) kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand welke met betrekking tot ingevoerde goederen, zoals industriële installaties, machines of materieel, na de invoer zijn verricht;

c) te betalen rente uit hoofde van een door de koper in verband met de aankoop van ingevoerde goederen gesloten financieringsovereenkomst, ongeacht of de financiering door de verkoper of door een andere persoon wordt verstrekt, wanneer de desbetreffende financieringsovereenkomst schriftelijk is en de koper, desgevraagd, kan aantonen dat:

- die goederen werkelijk tegen de prijs die als werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, worden verkocht, en

- de gevraagde rentevoet niet hoger is dan in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden voor dergelijke transacties gebruikelijk is;

d) kosten die zijn gemaakt ter verkrijging van het recht de ingevoerde goederen in de Gemeenschap te verveelvoudigen;

e) inkoopcommissies;

f) rechten bij invoer en andere belastingen die in de Gemeenschap ingevolge de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan.

Artikel 34

Volgens de procedure van het Comité kunnen bijzondere regels worden vastgesteld voor het bepalen van de douanewaarde van informatiedragers die gegevens of instructies bevatten en voor gebruik in gegevensverwerkende apparatuur zijn bestemd.

Artikel 35

Wanneer elementen aan de hand waarvan de douanewaarde van goederen wordt vastgesteld, in een andere valuta zijn uitgedrukt dan in die van de Lid-Staat waar deze waarde wordt bepaald, is de toe te passen wisselkoers die welke door de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat naar behoren werd bekendgemaakt.

Een dergelijke wisselkoers dient de bij handelstransacties gangbare waarde van deze valuta, uitgedrukt in de valuta van de betrokken Lid-Staat, zo getrouw mogelijk weer te geven en is van toepassing gedurende een volgens de procedure van het Comité vastgestelde termijn.

Bij ontbreken van een dergelijke koers wordt de toe te passen wisselkoers vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 36

1. Het bepaalde in dit hoofdstuk doet geen afbreuk aan de specifieke voorschriften met betrekking tot de vaststelling van de douanewaarde van goederen die in aansluiting op een andere douanebestemming in het vrije verkeer zijn gebracht.

2. In afwijking van de artikelen 29, 30 en 31 kan de douanewaarde van aan bederf onderhevige goederen die gewoonlijk met toepassing van de handelsregeling inzake consignatieverkoop worden geleverd, op verzoek van de aangever worden bepaald overeenkomstig vereenvoudigde procedures die volgens de procedure van het Comité voor de gehele Gemeenschap worden vastgesteld.

TITEL III BEPALINGEN DIE OP DE IN HET DOUANEGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP BINNENGEBRACHTE GOEDEREN VAN TOEPASSING ZIJN TOT DEZE EEN DOUANEBESTEMMING HEBBEN GEKREGEN

HOOFDSTUK I

HET BINNENBRENGEN VAN GOEDEREN IN HET DOUANEGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP

Artikel 37

1. De in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen zijn vanaf het ogenblik waarop zij worden binnengebracht aan douanetoezicht onderworpen. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten worden gecontroleerd.

2. Deze goederen blijven onder douanetoezicht zolang dit nodig is om de douanestatus ervan te bepalen en wanneer het niet-communautaire goederen betreft en onverminderd artikel 82, lid 1, tot het ogenblik waarop zij hetzij een andere douanestatus krijgen, hetzij in een vrije zone of een vrij entrepot worden binnengebracht, hetzij worden wederuitgevoerd of vernietigd overeenkomstig artikel 182.

Artikel 38

1. Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap binnenkomen, moeten onverwijld door de persoon die deze binnenbrengt, in voorkomend geval langs de door de douaneautoriteiten aangegeven weg en op de door deze autoriteiten vastgestelde wijze, worden gebracht:

a) hetzij naar het door de douaneautoriteiten aangewezen douanekantoor of naar enige andere, door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats;

b) hetzij naar een vrije zone, indien het binnenbrengen van de goederen in deze vrije zone rechtstreeks kan geschieden:

- hetzij over zee of door de lucht;

- hetzij over land, doch niet via een ander deel van het douanegebied van de Gemeenschap wanneer het om een aan de landgrens tussen een Lid-Staat en een derde land grenzende vrije zone gaat.

2. Elke persoon die zich met het vervoer van de goederen belast, nadat deze in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht, met name na overlading, is voor het nakomen van de in lid 1 bedoelde verplichting aansprakelijk.

3. Met in het douanegebied van de Gemeenschap binnengebrachte goederen worden gelijkgesteld de goederen die, ofschoon zij zich nog buiten dit gebied bevinden, krachtens de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat aan controle kunnen worden onderworpen, met name ingevolge een tussen deze Lid-Staat en een derde land gesloten overeenkomst.

4. Lid 1, onder a), laat de toepassing van de geldende bepalingen inzake het toeristisch verkeer, het grensverkeer, het postverkeer en het verkeer van te verwaarlozen economisch belang onverlet, voor zover het douanetoezicht en de mogelijkheden tot controle door de douane hierdoor niet in het gedrang komen.

5. De leden 1 tot en met 4 en de artikelen 39 tot en met 53 zijn niet van toepassing op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap tijdelijk hebben verlaten, terwijl zij over zee of door de lucht tussen twee in dit gebied gelegen plaatsen werden vervoerd, op voorwaarde dat het rechtstreeks geregeld vervoer met een lijnvliegtuig of een lijnboot betrof waarbij geen tussenlanding werd gemaakt of nergens werd aangelegd buiten het douanegebied van de Gemeenschap.

Deze bepaling is niet van toepassing op in havens of luchthavens van derde landen of in vrije havens geladen goederen.

6. Lid 1 is niet van toepassing op goederen die zich bevinden aan boord van schepen of luchtvaartuigen die de territoriale zee respectievelijk het luchtruim van de Lid-Staten doorkruisen zonder een in deze Lid-Staten gelegen haven of luchthaven als bestemming te hebben.

Artikel 39

1. Wanneer de in artikel 38, lid 1, bedoelde verplichting ten gevolge van toeval of overmacht niet kan worden nagekomen, stelt de persoon op wie deze verplichting rust of iedere andere persoon die namens hem handelt, de douaneautoriteiten hiervan onverwijld in kennis. Wanneer de goederen bij het toeval of de overmacht niet volledig zijn teloorgegaan, dienen de douaneautoriteiten bovendien in kennis te worden gesteld van de juiste plaats waar deze goederen zich bevinden.

2. Wanneer een in artikel 38, lid 6, bedoeld schip of luchtvaartuig ten gevolge van toeval of overmacht wordt gedwongen het douanegebied van de Gemeenschap aan te doen of daar tijdelijk te verblijven zonder aan de in artikel 38, lid 1, bedoelde verplichting te kunnen voldoen, stelt de persoon die dit schip of luchtvaartuig het genoemde douanegebied heeft binnengebracht, of ieder ander die namens hem handelt, de douaneautoriteiten hiervan onverwijld in kennis.

3. De douaneautoriteiten stellen de maatregelen vast die in acht moeten worden genomen om het douanetoezicht op de in lid 1 bedoelde goederen en op de zich in het in lid 2 bedoelde geval aan boord van een schip of luchtvaartuig bevindende goederen mogelijk te maken en er in voorkomend geval voor te zorgen dat deze goederen vervolgens naar een douanekantoor of enige andere door hen aangewezen of goedgekeurde plaats worden overgebracht.

HOOFDSTUK 2

HET AANBRENGEN VAN GOEDEREN BIJ DE DOUANE

Artikel 40

Goederen die overeenkomstig artikel 38, lid 1, onder a), bij het douanekantoor of op enige andere, door de douaneautoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaats aankomen, dienen bij de douane te worden aangebracht door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht.

Artikel 41

Artikel 40

doet geen afbreuk aan de toepassing van de geldende bepalingen inzake:

a) door reizigers vervoerde goederen;

b) goederen die onder een douaneregeling zijn geplaatst zonder bij de douane te zijn aangebracht.

Artikel 42

Zodra de goederen bij de douane zijn aangebracht, kunnen zij, met toestemming van de douaneautoriteiten, worden onderzocht of kunnen daarvan monsters worden genomen met het doel de goederen een douanebestemming te geven.

HOOFDSTUK 3

SUMMIERE AANGIFTE EN LOSSING VAN BIJ DE DOUANE AANGEBRACHTE GOEDEREN

Artikel 43

Onder voorbehoud van artikel 45 dient van de overeenkomstig artikel 40 bij de douane aangebrachte goederen een summiere aangifte te worden gedaan.

De summiere aangifte wordt ingediend zodra de goederen bij de douane zijn aangebracht. De douaneautoriteiten kunnen voor de indiening van deze aangifte echter uitstel verlenen gedurende een termijn die verstrijkt uiterlijk op de eerste werkdag volgende op die waarop de goederen bij de douane zijn aangebracht.

Artikel 44

1. De summiere aangifte moet worden opgesteld op een formulier dat in overeenstemming is met het door de douaneautoriteiten vastgestelde model. De douaneautoriteiten kunnen evenwel aanvaarden dat als summiere aangifte elk handels- of administratief bescheid wordt gebruikt dat de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens bevat.

2. De summiere aangifte wordt ingediend:

a) hetzij door de persoon die de goederen het douanegebied van de Gemeenschap heeft binnengebracht of, in voorkomend geval, door de persoon die zich met het vervoer van de goederen belast nadat deze zijn binnengebracht;

b) hetzij door de persoon in wiens naam de onder a) bedoelde personen hebben gehandeld.

Artikel 45

Onverminderd de geldende bepalingen inzake door reizigers ingevoerde goederen, postzendingen en postcolli, kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis dat een summiere aangifte wordt ingediend, voor zover hierdoor aan het douanetoezicht op de goederen geen afbreuk wordt gedaan, wanneer de formaliteiten om de genoemde goederen een douanebestemming te geven, vóór het verstrijken van de in artikel 43 bedoelde termijn worden vervuld.

Artikel 46

1. Lossen of overladen van de goederen van of uit het vervoermiddel waarop zij zich bevinden, mag slechts met toestemming van de douaneautoriteiten en op de door deze autoriteiten aangewezen of goedgekeurde plaatsen geschieden.

Deze toestemming is evenwel niet vereist in het geval van een dreigend gevaar dat ertoe noopt de goederen onverwijld geheel of gedeeltelijk te lossen. In dat geval worden douaneautoriteiten daarvan onverwijld in kennis gesteld.

2. De douaneautoriteiten kunnen, met het oog op de controle van zowel de goederen als het vervoermiddel waarop deze zich bevinden, op ieder ogenblik eisen dat de goederen worden gelost en uitgepakt.

Artikel 47

Zonder toestemming van de douaneautoriteiten mogen de goederen niet worden weggevoerd van de plaats waar zij aanvankelijk werden geplaatst.

HOOFDSTUK 4

VERPLICHTING DE BIJ DE DOUANE AANGEBRACHTE GOEDEREN EEN DOUANEBESTEMMING TE GEVEN

Artikel 48

De bij de douane aangebrachte niet-communautaire goederen moeten een voor die goederen toegestane douanebestemming krijgen.

Artikel 49

1. Indien voor de goederen een summiere aangifte is gedaan, dienen de formaliteiten te worden vervuld om deze goederen een douanebestemming te geven binnen de volgende termijnen:

a) vijfenveertig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die over zee zijn aangevoerd;

b) twintig dagen te rekenen vanaf de datum van indiening van de summiere aangifte voor goederen die anders dan over zee zijn aangevoerd.

2. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de douaneautoriteiten een kortere termijn vaststellen of een verlenging van de in lid 1 genoemde termijnen toestaan. Deze verlenging mag evenwel de door de omstandigheden gerechtvaardigde werkelijke behoefte niet overschrijden.

HOOFDSTUK 5

TIJDELIJKE OPSLAG VAN GOEDEREN

Artikel 50

De bij de douane aangebrachte goederen hebben, zodra zij zijn aangebracht, tot het tijdstip waarop zij een douanebestemming krijgen, de status van goederen in tijdelijke opslag. Deze goederen worden hierna "goederen in tijdelijke opslag" genoemd.

Artikel 51

1. Goederen in tijdelijke opslag mogen alleen op door de douaneautoriteiten goedgekeurde plaatsen verblijven, onder de door deze autoriteiten vastgestelde voorwaarden.

2. De douaneautoriteiten kunnen van de persoon die houder van de goederen is, eisen dat deze een zekerheid stelt ten einde de betaling van iedere douaneschuld te waarborgen die uit hoofde van artikel 203 of 204 kan ontstaan.

Artikel 52

Onverminderd artikel 42 mogen goederen in tijdelijke opslag geen andere behandelingen ondergaan dan die welke noodzakelijk zijn om deze goederen in ongewijzigde staat te behouden, zonder dat de presentatie of de technische kenmerken ervan worden gewijzigd.

Artikel 53

1. De douaneautoriteiten nemen onverwijld alle nodige maatregelen, met inbegrip van de verkoop van de goederen, om de situatie te regelen van goederen ten aanzien waarvan binnen de overeenkomstig artikel 49 vastgestelde termijnen geen begin is gemaakt met de formaliteiten die moeten worden vervuld om de goederen een douanebestemming te geven.

2. De douaneautoriteiten kunnen de goederen voor risico en op kosten van de persoon die er houder van is, naar een speciale, onder hun toezicht staande plaats doen overbrengen totdat tot regularisering van de situatie van die goederen wordt overgegaan.

HOOFDSTUK 6

BEPALINGEN WELKE VAN TOEPASSING ZIJN OP NIET-COMMUNAUTAIRE GOEDEREN DIE ONDER EEN REGELING VOOR DOUANEVERVOER ZIJN VERVOERD

Artikel 54

Artikel 38, met uitzondering van lid 1, onder a), en de artikelen 39 tot en met 53 zijn niet van toepassing bij het binnenbrengen in het douanegebied van de Gemeenschap van goederen welke reeds onder een regeling voor douanevervoer zijn geplaatst.

Artikel 55

Zodra niet-communautaire goederen die onder een regeling voor douanevervoer zijn vervoerd, in het douanegebied van de Gemeenschap op hun bestemming zijn aangekomen en bij de douane zijn aangebracht overeenkomstig de geldende bepalingen inzake douanevervoer, zijn de bepalingen van de artikelen 43 tot en met 53 van toepassing.

HOOFDSTUK 7

OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 56

Indien de omstandigheden zulks vereisen, kunnen de douaneautoriteiten de bij de douane aangebrachte goederen doen vernietigen. De douaneautoriteiten stellen de houder van de goederen daarvan in kennis. De aan de vernietiging verbonden kosten komen te zijnen laste.

Artikel 57

Indien de douaneautoriteiten vaststellen dat goederen onregelmatig in het douanegebied van de Gemeenschap zijn binnengebracht of aan het douanetoezicht zijn onttrokken, nemen zij alle nodige maatregelen, met inbegrip van de verkoop van de goederen, om de situatie van deze goederen te regelen.

TITEL IV DOUANEBESTEMMINGEN

HOOFDSTUK 1

ALGEMEEN

Artikel 58

1. Behoudens andersluidende bepalingen kunnen goederen, ongeacht aard, hoeveelheid,oorsprong, herkomst of bestemming, te allen tijde onder de vastgestelde voorwaarden een douanebestemming krijgen.

2. Lid 1 vormt geen beletsel voor de toepassing van verboden of beperkingen welke gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van de openbare zedelijkheid, de openbare orde, de openbare veiligheid, de gezondheid en het leven van personen, dieren of planten, het nationaal artistiek, historisch en archeologisch bezit of uit hoofde van bescherming van de industriële en commerciële eigendom.

HOOFDSTUK 2

DOUANEREGELINGEN

Afdeling 1

Plaatsing van goederen onder een douaneregeling

Artikel 59

1. Voor goederen die bestemd zijn om onder een douaneregeling te worden geplaatst, moet een aangifte tot plaatsing onder deze douaneregeling worden gedaan.

2. De voor de regeling uitvoer, de regeling passieve veredeling, de regeling douanevervoer of de voor het stelsel van douane-entrepots aangegeven communautaire goederen bevinden zich onder douanetoezicht vanaf het ogenblik waarop de douaneaangifte is aanvaard en tot op het ogenblik waarop zij het douanegebied van de Gemeenschap verlaten of worden vernietigd of tot op het ogenblik waarop de douaneaangifte ongeldig wordt verklaard.

Artikel 60

Voor zover in de communautaire douanewetgeving hieromtrent geen bepalingen zijn vervat, stellen de Lid-Staten de bevoegdheid van de diverse op hun grondgebied gelegen douanekantoren vast, in voorkomend geval rekening houdend met de aard van de goederen of met de douaneregeling waaronder de goederen moeten worden geplaatst.

Artikel 61

De douaneaangifte wordt gedaan:

a) hetzij schriftelijk;

b) hetzij met gebruikmaking van automatische gegevensverwerking, wanneer in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen in deze mogelijkheid is voorzien of wanneer zulks door de douaneautoriteiten is toegestaan;

c) hetzij door middel van een mondelinge aangifte of enige andere handeling waarmee de houder van de goederen de wens te kennen geeft deze onder een douaneregeling te plaatsen, wanneer in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen in deze mogelijkheid is voorzien.

A. Schriftelijke aangiften

I. Normale procedure

Artikel 62

1. Schriftelijke aangiften moeten zijn gesteld op een formulier dat overeenkomt met het daartoe vastgestelde officiële model. Zij moeten zijn ondertekend en alle vermeldingen bevatten die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven.

2. Bij de aangifte moeten alle bescheiden worden gevoegd die moeten worden overgelegd om de toepassing mogelijk te maken van de bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

Artikel 63

De aangiften die aan de voorwaarden van artikel 62 voldoen, worden onmiddellijk door de douaneautoriteiten aanvaard, voor zover de desbetreffende goederen bij de douane zijn aangebracht.

Artikel 64

1. Behoudens artikel 5 kan de douaneaangifte worden gedaan door elke persoon die in staat is de goederen bij de douane aan te brengen of te doen aanbrengen en die alle bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor deze goederen zijn aangegeven.

2. Voorwaarde is evenwel dat:

a) indien de aanvaarding van een douaneaangifte bijzondere verplichtingen voor een bepaalde persoon met zich brengt, de aangifte door deze persoon of voor diens rekening wordt gedaan;

b) de aangever in de Gemeenschap is gevestigd.

De voorwaarde onder b) geldt evenwel niet voor personen die:

- een aangifte voor douanevervoer of tot tijdelijke invoer doen;

- incidenteel goederen aangeven, voor zover de bevoegde autoriteiten zulks gerechtvaardigd achten.

3. Het bepaalde in lid 2, onder b), vormt geen beletsel voor de toepassing door de Lid-Staten van met derde landen gesloten bilaterale overeenkomsten of van gebruikelijke handelwijzen met een soortgelijke uitwerking op grond waarvan de ingezetenen van de betrokken landen op het grondgebied van die Lid-Staten douaneaangiften kunnen doen, mits wederkerigheid geldt.

Artikel 65

Aan de aangever wordt, op zijn verzoek, toegestaan een of meer van de vermeldingen in de aangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

Er wordt evenwel geen wijziging meer toegestaan wanneer het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten:

a) hetzij de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) hetzij hebben geconstateerd dat de betrokken vermeldingen onjuist zijn;

c) hetzij de goederen hebben vrijgegeven.

Artikel 66

1. Op verzoek van de aangever maken de douaneautoriteiten een reeds aanvaarde aangifte ongeldig wanneer de aangever aantoont dat de goederen bij vergissing voor de in deze aangifte genoemde douaneregeling zijn aangegeven of dat, ten gevolge van bijzondere omstandigheden, de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor zij zijn aangegeven, niet meer gerechtvaardigd is.

Wanneer de douaneautoriteiten de aangever evenwel in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen, kan het verzoek tot ongeldigmaking van de aangifte slechts worden aanvaard nadat het onderzoek heeft plaatsgevonden.

2. Behalve in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen wordt de aangifte niet ongeldig gemaakt nadat de goederen zijn vrijgegeven.

3. De ongeldigmaking van de aangifte is niet van invloed op de toepassing van de geldende strafbepalingen.

Artikel 67

Behoudens andersluidende specifieke bepalingen geldt de datum van aanvaarding van de aangifte door de douaneautoriteiten als datum die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van alle bepalingen welke gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven.

Artikel 68

Ten einde de juistheid van de door hen aanvaarde aangiften te verifiëren kunnen de douaneautoriteiten overgaan tot:

a) een controle van de aangifte en de daarbij gevoegde documenten. De douaneautoriteiten kunnen van de aangever eisen dat nog andere documenten worden overgelegd met het oog op de verificatie van de juistheid van de in de aangifte voorkomende vermeldingen;

b) het onderzoek van de goederen en het eventueel nemen van monsters voor analyse of grondige controle.

Artikel 69

1. Het vervoer van de goederen naar de plaats waar het onderzoek en, in voorkomend geval, de monsterneming dienen plaats te vinden, alsmede alle handelingen welke voor dit onderzoek of deze monsterneming noodzakelijk zijn, worden door de aangever of onder diens verantwoordelijkheid verricht. De hieraan verbonden kosten komen ten laste van de aangever.

2. De aangever heeft het recht bij het onderzoek van de goederen alsmede, in voorkomend geval, bij de monsterneming aanwezig te zijn. Wanneer zij zulks nuttig achten, eisen de douaneautoriteiten van de aangever dat hij bij het onderzoek van de goederen of de monsterneming aanwezig is of zich daarbij laat vertegenwoordigen ten einde hun de noodzakelijke bijstand te verlenen om dit onderzoek of deze monsterneming te vergemakkelijken

3. Indien zulks volgens de geldende bepalingen gebeurt, geeft de monsterneming door de douaneautoriteiten geen aanleiding tot enige vergoeding van de zijde van de administratie. De aan de analyse of de controle verbonden kosten komen echter ten laste van deze laatste.

Artikel 70

1. Wanneer slechts een gedeelte van de goederen waarop een aangifte betrekking heeft, wordt onderzocht, gelden de resultaten van het onderzoek voor alle goederen van deze aangifte.

De aangever kan evenwel om een aanvullend onderzoek van de goederen verzoeken wanneer hij van mening is dat de resultaten van het gedeeltelijke onderzoek niet voor de rest van de aangegeven goederen gelden.

2. Voor de toepassing van lid 1 worden, wanneer een aangifteformulier verscheidene artikelen omvat, de vermeldingen met betrekking tot elk artikel geacht een afzonderlijke aangifte te vormen.

Artikel 71

1. De resultaten van de verificatie van de aangifte dienen als grondslag voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waaronder de goederen zijn geplaatst.

2. Indien er geen verificatie van de aangifte wordt uitgevoerd, vindt de toepassing van de in lid 1 bedoelde bepalingen plaats aan de hand van de vermeldingen in de aangifte.

Artikel 72

1. De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de goederen te kunnen identificeren wanneer deze identificatie noodzakelijk is ter waarborging van de naleving van de voorwaarden die zijn verbonden aan de douaneregeling waarvoor de betrokken goederen zijn aangegeven.

2. De identificatiemiddelen die op de goederen of de vervoermiddelen zijn aangebracht, mogen alleen door de douaneautoriteiten of met hun toestemming worden verwijderd of vernietigd, tenzij ten gevolge van toeval of overmacht het verwijderen of vernietigen ervan voor het behoud van de goederen of de vervoermiddelen absoluut noodzakelijk is.

Artikel 73

1. Onverminderd artikel 74 en wanneer voldaan is aan de voorwaarden voor de plaatsing van de goederen onder de betrokken regeling en voor zover de goederen niet onder verbods- of beperkende maatregelen vallen, geven de douaneautoriteiten de goederen vrij zodra de vermeldingen op de aangifte zijn geverifieerd of zonder verificatie zijn aangenomen. Dit is eveneens het geval wanneer de verificatie niet binnen een redelijke termijn kan worden beëindigd en de goederen niet meer aanwezig behoeven te zijn met het oog op deze verificatie.

2. Alle goederen waarop een aangifte betrekking heeft, worden tegelijkertijd vrijgegeven.

Voor de toepassing van dit lid worden, wanneer een aangifteformulier verscheidene artikelen omvat, de vermeldingen met betrekking tot elk artikel geacht een afzonderlijke aangifte te vormen.

Artikel 74

1. Indien de aanvaarding van een douaneaangifte een douaneschuld doet ontstaan, kunnen de goederen waarop deze aangifte betrekking heeft slechts worden vrijgegeven indien het bedrag van de douaneschuld is betaald of indien daarvoor een zekerheid is gesteld. Onverminderd lid 2 is deze bepaling evenwel niet van toepassing op de regeling voor tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer.

2. Indien de douaneautoriteiten op grond van de bepalingen inzake de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, het stellen van een zekerheid eisen, kan de vrijgave van de goederen voor de betrokken douaneregeling slechts worden toegestaan nadat deze zekerheid is gesteld.

Artikel 75

Alle nodige maatregelen, waaronder verbeurdverklaring en verkoop, worden genomen om de situatie te regelen van goederen die:

a) niet konden worden vrijgegeven:

- hetzij omdat het onderzoek ervan niet binnen de door de douaneautoriteiten gestelde termijnen kon worden aangevangen of voortgezet om redenen die aan de aangever te wijten zijn;

- hetzij omdat de bescheiden die vereist zijn voor de plaatsing van de goederen onder de douaneregeling waarvoor deze werden aangegeven, niet werden overgelegd;

- hetzij omdat de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer, naar gelang van het geval, niet binnen de gestelde termijnen werden betaald of er binnen die termijnen geen zekerheid voor werd gesteld;

- hetzij omdat zij onderworpen zijn aan verbods- of beperkende maatregelen;

b) na vrijgave niet binnen een redelijke termijn zijn weggevoerd.

II. Vereenvoudigde procedures

Artikel 76

1. Ten einde, met inachtneming van de regelmatigheid van de verrichtingen, het vervullen van de formaliteiten en de procedures zoveel mogelijk te versoepelen, staan de douaneautoriteiten onder de volgens de procedure van het Comité vastgestelde voorwaarden toe dat:

a) de in artikel 62 bedoelde aangifte bepaalde van de in lid 1 van dat artikel bedoelde vermeldingen niet bevat of dat bepaalde van de in lid 2 van genoemd artikel bedoelde documenten niet bij deze aangifte worden gevoegd;

b) in plaats van de in artikel 62 bedoelde aangifte een handels- of administratief document wordt overgelegd, vergezeld van een verzoek tot plaatsing van de goederen onder de betrokken douaneregeling;

c) de aangifte van de goederen voor de betrokken regeling door inschrijving van de goederen in de administratie geschiedt; in dat geval kunnen de douaneautoriteiten de aangever ontheffen van de verplichting de goederen bij de douane aan te brengen.

De vereenvoudigde aangifte, het handels- of administratief bescheid en de inschrijving in de administratie dienen ten minste de voor de identificatie van de goederen noodzakelijke gegevens te bevatten. Bij de inschrijving in de administratie dient tevens te worden vermeld de datum waarop deze plaatsvindt.

2. Behalve in de volgens de procedure van het Comité vast te stellen gevallen, dient de aangever een aanvullende aangifte in te dienen, die een algemeen, periodiek of samenvattend karakter kan hebben.

3. De aanvullende aangiften worden geacht samen met de in lid 1, onder a), b) of c), bedoelde vereenvoudigde aangiften één enkele en ondeelbare akte te vormen, die geldig is vanaf de datum van aanvaarding van de vereenvoudigde aangiften; in de in lid 1, onder c), bedoelde gevallen heeft inschrijving in de administratie dezelfde juridische waarde als de aanvaarding van de in artikel 62 bedoelde aangifte.

4. Bijzondere vereenvoudigde procedures voor de regeling communautair douanevervoer worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

B. Andere aangiften

Artikel 77

Wanneer de douaneaangifte met gebruikmaking van automatische gegevensverwerking in de zin van artikel 61, onder b), of mondeling wordt gedaan, dan wel door middel van een andere handeling in de zin van artikel 61, onder c), zijn de artikelen 62 tot en met 76 mutatis mutandis van toepassing, zonder aan de daarin vervatte beginselen afbreuk te doen.

C. Controle achteraf van de aangiften

Artikel 78

1. De douaneautoriteiten kunnen na de vrijgave van de goederen ambtshalve of op verzoek van de aangever tot herziening van de aangifte overgaan.

2. De douaneautoriteiten kunnen, na de goederen te hebben vrijgegeven en ten einde zich van de juistheid van de vermeldingen in de aangifte te vergewissen, overgaan tot een controle van de handelsdocumenten en -gegevens aangaande de in- of uitvoertransacties ten aanzien van de betrokken goederen en aangaande de handelstransacties die later in verband met deze goederen plaatsvinden. Deze controles kunnen worden uitgeoefend bij de aangever en bij elke persoon die beroepshalve direct of indirect bij de genoemde transacties is betrokken, alsmede bij elke andere persoon die beroepshalve over de genoemde documenten en gegevens beschikt. De douaneautoriteiten kunnen eveneens overgaan tot het onderzoek van de goederen wanneer deze nog kunnen worden aangebracht.

3. Indien uit de herziening van de aangifte of uit de controles achteraf blijkt dat de bepalingen die voor de betrokken douaneregeling gelden, op grond van onjuiste of onvolledige gegevens zijn toegepast, nemen de douaneautoriteiten, met inachtneming van de eventueel vastgestelde bepalingen, de nodige maatregelen om een en ander recht te zetten, rekening houdend met de nieuwe gegevens waarover zij beschikken.

Afdeling 2

Het in het vrije verkeer brengen

Artikel 79

Niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, verkrijgen daardoor de douanestatus van communautaire goederen.

Het in het vrije verkeer brengen omvat de toepassing van de handelspolitieke maatregelen en het vervullen van de andere formaliteiten voor de invoer van goederen alsmede de toepassing van de wettelijk verschuldigde rechten.

Artikel 80

1. In afwijking van artikel 67 en voor zover het recht bij invoer waaraan de goederen onderworpen zijn een van de rechten is die in artikel 4, onder 10, eerste streepje, zijn bedoeld en het tarief van dit recht na de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is aanvaard, doch voordat de goederen zijn vrijgegeven, wordt verlaagd, mag de aangever om toepassing van dit gunstigere tarief verzoeken.

2. Lid 1 is niet van toepasing wanneer de vrijgave van de goederen niet heeft kunnen plaatsvinden om redenen die uitsluitend aan de aangever te wijten zijn.

Artikel 81

Indien een zending bestaat uit goederen waarvan de tariefindeling verschillend is en voor het opstellen van de aangifte van elk dezer goederen volgens zijn tariefindeling werk en kosten zou meebrengen die in geen verhouding staan tot het bedrag van de verschuldigde rechten bij invoer, kunnen de douaneautoriteiten er op verzoek van de aangever mee instemmen dat de gehele zending wordt aangegeven als goederen die aan het hoogste recht bij invoer zijn onderworpen.

Artikel 82

1. Indien goederen, uit hoofde van hun bijzondere bestemming, onder toepassing van een verlaagd recht of van een nulrecht bij invoer in het vrije verkeer worden gebracht, blijven zij onder douanetoezicht. Het douanetoezicht eindigt wanneer de voor toekenning van het verlaagde recht of van het nulrecht vastgestelde voorwaarden niet meer van toepassing zijn, wanneer de goederen worden uitgevoerd of vernietigd, dan wel wanneer tegen betaling van de verschuldigde rechten wordt toegestaan dat de goederen worden gebruikt voor andere doeleinden dan die welke zijn voorgeschreven voor de toepassing van het verlaagde recht bij invoer of van het nulrecht.

2. De artikelen 88 en 90 zijn mutatis mutandis van toepassing op de in lid 1 bedoelde goederen.

Artikel 83

De in het vrije verkeer gebrachte goederen verliezen de douanestatus van communautaire goederen wanneer:

a) de aangifte voor het vrije verkeer na vrijgave ongeldig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 66, lid 2, of

b) de rechten bij invoer voor deze goederen worden terugbetaald of kwijtgescholden:

- hetzij in het kader van de regeling actieve veredeling in de vorm van het terugbetalingssysteem;

- hetzij overeenkomstig artikel 238 voor goederen die gebreken vertonen of die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract;

- hetzij in de in artikel 239 bedoelde situaties wanneer aan de terugbetaling of de kwijtschelding de voorwaarde is verbonden dat de goederen worden uitgevoerd of wederuitgevoerd of een daarvoor in de plaats tredende douanebestemming krijgen.

Afdeling 3

De schorsingsregelingen en de economische douaneregelingen

A. Bepalingen die verscheidene regelingen gemeen hebben

Artikel 84

1. Indien in de artikelen 85 tot en met 90

a) de term "schorsingsregeling" wordt gebruikt, heeft deze in het geval van niet-communautaire goederen betrekking op de volgende regelingen:

- extern douanevervoer,

- douane-entrepot,

- actieve veredeling in de vorm van het systeem inzake schorsing,

- behandeling onder douanetoezicht, en

- tijdelijke invoer;

b) de term "economische douaneregeling" wordt gebruikt, heeft deze betrekking op de volgende regelingen:

- douane-entrepot,

- actieve veredeling,

- behandeling onder douanetoezicht,

- tijdelijke invoer, en

- passieve veredeling.

2. Als invoergoederen worden beschouwd de onder een schorsingsregeling geplaatste goederen, alsmede de goederen waarvoor in het kader van de regeling actieve veredeling het terugbetalingssysteem is toegepast en de bij het in het vrije verkeer brengen voorgeschreven formaliteiten, evenals de in artikel 125 bedoelde formaliteiten zijn vervuld.

3. Als goederen in ongewijzigde staat worden beschouwd invoergoederen die in het kader van de regeling actieve veredeling en de regeling behandeling onder douanetoezicht geen enkele veredeling noch behandeling hebben ondergaan.

Artikel 85

Voor het gebruik van iedere economische douaneregeling is een door de douaneautoriteiten afgegeven vergunning vereist.

Artikel 86

Onverminderd de in het kader van de betrokken regeling vastgestelde bijzondere voorwaarden, worden de in artikel 85 en in artikel 100, lid 1, bedoelde vergunningen slechts afgegeven:

- aan personen die alle noodzakelijke waarborgen bieden voor het goede verloop van de handelingen;

- indien de douaneautoriteiten het toezicht en de controle op de regeling kunnen uitoefenen zonder administratieve maatregelen te moeten nemen die niet in verhouding staan tot de economische behoeften.

Artikel 87

1. De voorwaarden waaronder de betrokken regeling wordt gebruikt, worden in de vergunning vastgesteld.

2. De houder van de vergunning dient de douaneautoriteiten mededeling te doen van elk feit dat zich na afgifte van de vergunning voordoet en dat gevolgen kan hebben voor de handhaving of de inhoud van de vergunning.

Artikel 88

De douaneautoriteiten kunnen aan de plaatsing van de goederen onder een schorsingsregeling de voorwaarde verbinden dat een zekerheid wordt gesteld als waarborg voor de betaling van de douaneschuld die ten aanzien van deze goederen kan ontstaan.

In het kader van een specifieke schorsingsregeling kunnen bijzondere bepalingen betreffende het stellen van een zekerheid worden vastgesteld.

Artikel 89

1. Een economische schorsingsregeling wordt beëindigd wanneer de onder deze regeling geplaatste goederen of, in voorkomend geval, de onder deze regeling verkregen veredelings- of behandelde produkten een nieuwe toegestane douanebestemming krijgen.

2. De douaneautoriteiten nemen de nodige maatregelen om de situatie te regelen van goederen waarvoor de regeling niet onder de vastgestelde voorwaarden wordt beëindigd.

Artikel 90

De rechten en verplichtingen van het subject van een economische douaneregeling kunnen onder de door de douaneautoriteiten vastgestelde voorwaarden worden overgedragen aan andere personen die voldoen aan de voorwaarden welke voor de toepassing van de betrokken regeling zijn gesteld.

B. Extern douanevervoer

I. Algemene bepalingen

Artikel 91

1. De regeling extern douanevervoer maakt het vervoer mogelijk van een plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap:

a) van niet-communautaire goederen zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer en andere belastingen of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;

b) van communautaire goederen die het voorwerp zijn van een communautaire maatregel die hun uitvoer naar derde landen noodzakelijk maakt en waarvoor de overeenkomstige douaneformaliteiten bij uitvoer zijn vervuld.

2. Het in lid 1 bedoelde vervoer geschiedt:

a) hetzij met toepassing van de regeling extern communautair douanevervoer;

b) hetzij onder geleide van een carnet TIR (TIR-Overeenkomst), op voorwaarde dat

1. dit vervoer buiten de Gemeenschap is begonnen of zal eindigen, dan wel dat

2. dit vervoer betrekking heeft op zendingen van goederen die in het douanegebied van de Gemeenschap moeten worden gelost en die worden vervoerd samen met in een derde land te lossen goederen, of dat

3. dit vervoer geschiedt van één plaats in de Gemeenschap naar een andere plaats in de Gemeenschap over het grondgebied van een derde land;

c) hetzij onder geleide van een carnet ATA (ATA-Overeenkomst) dat wordt gebruikt als document voor douanevervoer;

d) hetzij onder geleide van het Rijnvaartmanifest (artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte);

e) hetzij onder geleide van het formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

f) hetzij door middel van postzendingen (postcolli daaronder begrepen).

3. De regeling extern douanevervoer doet geen afbreuk aan de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op het vervoer van goederen die onder een economische douaneregeling zijn geplaatst.

Artikel 92

De regeling extern douanevervoer eindigt wanneer de goederen samen met het bijbehorende document bij de douane worden aangebracht op het kantoor van bestemming overeenkomstig de bepalingen van de betrokken regeling.

II. Bijzondere bepalingen betreffende het externe communautaire douanevervoer

Artikel 93

De regeling extern communautair douanevervoer is slechts van toepassing op het vervoer dat over het grondgebied van een derde land geschiedt, wanneer:

a) een internationale overeenkomst in een dergelijke mogelijkheid voorziet, of

b) de doorvoer door dat derde land geschiedt onder geleide van één enkel in het douanegebied van de Gemeenschap opgesteld transportbescheid; in dat geval wordt de werking van die regeling gedurende het vervoer op het grondgebied van het derde land geschorst.

Artikel 94

1. Onder voorbehoud van artikel 95 is de aangever verplicht een zekerheid te stellen als waarborg voor de betaling van de douaneschuld en van de andere belastingschulden die ten aanzien van de goederen kunnen ontstaan.

2. Behalve in naar behoefte volgens de procedure van het Comité vast te stellen gevallen, dient er geen zekerheid te worden gesteld voor:

a) het vervoer over zee en door de lucht;

b) het vervoer van goederen over de Rijn en de Rijnvaartwegen;

c) het vervoer door middel van pijpleidingen;

d) het door de spoorwegmaatschappijen van de Lid-Staten verrichte vervoer.

3. Volgens de procedure van het Comité wordt bepaald in welke gevallen ontheffing van zekerheidstelling wordt verleend voor het vervoer van goederen over andere dan de in lid 2, onder b), bedoelde binnenwateren.

Artikel 95

1. Elke persoon die voldoet aan de in lid 2 gestelde voorwaarden kan van de douaneautoriteiten van de Lid-Staat waar hij gevestigd is, met inachtneming van de in lid 3 vervatte beperkingen, ontheffing van zekerheidstelling verkrijgen voor het door hem te verrichten externe communautair douanevervoer, ongeacht de Lid-Staat van vertrek en de Lid-Staten waarvan het grondgebied voor deze verrichtingen wordt gebruikt.

2. De in lid 1 bedoelde ontheffing wordt slechts verleend aan personen:

a) die gevestigd zijn in de Lid-Staat waar de ontheffing van zekerheidstelling wordt verleend,

b) die de regeling communautair douanevervoer op niet-incidentele wijze gebruiken,

c) die financieel in staat zijn aan hun verplichtingen te voldoen,

d) die geen ernstige overtreding hebben begaan van de douane- en belastingwetgeving, en

e) die, volgens een nader vast te stellen model, een verbintenis zijn aangegaan om op het eerste schriftelijke verzoek van de douaneautoriteiten de bedragen te betalen die worden gevorderd uit hoofde van het door hen verrichte communautaire douanevervoer.

3. De ontheffing van zekerheidstelling die wordt verleend overeenkomstig de leden 1 en 2 is niet van toepassing op communautair douanevervoer met betrekking tot goederen:

a) met een totale waarde die een volgens de procedure van het Comité vastgesteld bedrag overschrijdt, of

b) die verhoogde risico's met zich meebrengen, gezien de hoogte van de rechten bij invoer en andere heffingen waaraan deze goederen in een of meer Lid-Staten onderworpen zijn.

4. Aan elke persoon die ontheffing van zekerheidstelling heeft verkregen, wordt door de autoriteiten die de ontheffing hebben verleend, in een of meer exemplaren een certificaat inzake ontheffing van zekerheidstelling verstrekt.

Artikel 96

1. De aangever is het subject van de regeling extern communautair douanevervoer. Hij is verplicht:

a) de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen;

b) de bepalingen betreffende de regeling communautair douanevervoer na te leven.

2. Onverminderd de in lid 1 bedoelde verplichtingen van de aangever, is een vervoerder of een ontvanger van goederen die de goederen aanvaardt in de wetenschap dat deze onder de regeling communautair douanevervoer zijn geplaatst, eveneens verplicht deze binnen de gestelde termijn ongeschonden bij de douane aan te brengen op het kantoor van bestemming, met inachtneming van de door de douaneautoriteiten getroffen identificatiemaatregelen.

Artikel 97

1. De uitvoeringsbepalingen van de procedure en de uitzonderingen worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

2. Mits de toepassing van de communautaire maatregelen waaraan de goederen onderworpen zijn, wordt gewaarborgd:

a) staat het de Lid-Staten vrij om onderling, via bilaterale of multilaterale regelingen, vereenvoudigde procedures in te stellen die in overeenstemming zijn met zo nodig nader vast te stellen criteria en die van toepassing zijn op bepaalde goederenbewegingen of bepaalde ondernemingen;

b) staat het elke Lid-Staat vrij om vereenvoudigde procedures in te stellen die in bepaalde omstandigheden van toepassing zijn op goederen die niet bestemd zijn om over het grondgebied van een andere Lid-Staat te worden vervoerd.

C. Douane-entrepots

Artikel 98

1. Onder het stelsel van douane-entrepots kunnen in douane-entrepot worden opgeslagen:

a) niet-communautaire goederen, zonder dat deze aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen;

b) communautaire goederen waarvoor specifieke communautaire wetgeving, wegens plaatsing in een douane-entrepot, voorziet in maatregelen die in beginsel aan de uitvoer van goederen zijn verbonden.

2. Onder "douane-entrepot" wordt verstaan: elke door de douaneautoriteiten erkende, aan hun toezicht onderworpen plaats waar goederen onder de vastgestelde voorwaarden kunnen worden opgeslagen.

3. De gevallen waarin de in lid 2 bedoelde goederen onder het stelsel van douane-entrepots kunnen worden geplaatst zonder in een douane-entrepot te worden opgeslagen, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 99

Het douane-entrepot kan een publiek entrepot dan wel een particulier entrepot zijn.

Wordt verstaan onder:

- "publiek entrepot":douane-entrepot dat door elke persoon voor de opslag van goederen kan worden gebruikt;

- "particulier entrepot": douane-entrepot dat is gereserveerd voor de opslag van goederen door de entreposeur.

De entreposeur is de persoon aan wie vergunning is verleend het douane-entrepot te beheren.

De entrepositaris is de persoon die gehouden is tot nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de aangifte tot plaatsing van de goederen onder het stelsel van douane-entrepots of aan wie de rechten en verplichtingen van eerstgenoemde zijn overgedragen.

Artikel 100

1. Tenzij de douaneautoriteiten zelf het beheer voeren, is voor het beheer van een douane-entrepot een vergunning van deze autoriteiten vereist.

2. De persoon die een douane-entrepot wenst te beheren, dient daartoe een schriftelijk verzoek in te dienen dat alle voor de vergunning benodigde gegevens bevat, met name die waaruit blijkt dat er een economische behoefte bestaat aan opslag in een douane-entrepot. In de vergunning wordt vastgesteld onder welke voorwaarden het douane-entrepot wordt beheerd.

3. De vergunning wordt slechts afgegeven aan in de Gemeenschap gevestigde personen.

Artikel 101

De entreposeur dient ervoor te zorgen dat:

a) goederen tijdens hun verblijf in het douane-entrepot niet aan het douanetoezicht worden onttrokken;

b) de verplichtingen worden nagekomen welke voortvloeien uit de opslag van goederen die zich onder het stelsel van douane-entrepots bevinden;

c) wordt voldaan aan de bijzondere voorwaarden die in de vergunning zijn vastgesteld.

Artikel 102

1. In afwijking van artikel 101 kan in de vergunning voor een publiek entrepot worden bepaald dat de in artikel 101, onder a) en/of b), bedoelde verplichtingen uitsluitend bij de entrepositaris berusten.

2. De entrepositaris is altijd verantwoordelijk voor het nakomen van de verplichtingen die voortvloeien uit de plaatsing van de goederen onder het stelsel van douane-entrepots.

Artikel 103

De rechten en verplichtingen van de entreposeur kunnen, met toestemming van de douaneautoriteiten, aan een andere persoon worden overgedragen.

Artikel 104

Onverminderd artikel 88 kunnen de douaneautoriteiten verlangen dat de entreposeur een zekerheid stelt met betrekking tot de in artikel 101 bedoelde verplichtingen.

Artikel 105

De door de douaneautoriteiten aangewezen persoon dient in de door deze autoriteiten goedgekeurde vorm een voorraadadministratie te voeren van alle onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen. Een voorraadadministratie is niet vereist wanneer een publiek entrepot door de douane-autoriteiten wordt beheerd.

Onder voorbehoud van toepassing van artikel 86 kunnen de douaneautoriteiten afzien van de eis van voorraadadministratie wanneer de in artikel 101, onder a) en/of b), bedoelde verplichtingen uitsluitend bij de entrepositaris berusten en de goederen onder het stelsel worden geplaatst op basis van een schriftelijke aangifte in het kader van de normale procedure of van een administratief bescheid, overeenkomstig artikel 76, lid 1, onder b).

Artikel 106

1. Bij een economische behoefte en mits het douanetoezicht er niet door in het gedrang komt, kunnen de douaneautoriteiten toestaan dat:

a) andere communautaire goederen dan die bedoeld in artikel 98, lid 1, onder b), in de ruimten van het douane-entrepot worden opgeslagen;

b) niet-communautaire goederen in de ruimten van het douane-entrepot, in het kader van de regeling actieve veredeling en onder de bij die regeling vastgestelde voorwaarden, veredelingshandelingen ondergaan. De formaliteiten die in een douane-entrepot achterwege kunnen worden gelaten, worden bepaald volgens de procedure van het Comité;

c) niet-communautaire goederen in de ruimten van het douane-entrepot, in het kader van de regeling behandeling onder douanetoezicht en onder de bij die regeling vastgestelde voorwaarden, behandelingen ondergaan. De formaliteiten die in een douane-entrepot achterwege kunnen worden gelaten, worden bepaald volgens de procedure van het Comité.

2. In de in lid 1 bedoelde gevallen bevinden de goederen zich niet onder het stelsel van douane-entrepots.

3. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de in lid 1 bedoelde goederen in de bij artikel 105 voorgeschreven voorraadadministratie worden opgenomen.

Artikel 107

De onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen dienen bij de inslag in het douane-entrepot in de bij artikel 105 voorgeschreven voorraadadministratie te worden opgenomen.

Artikel 108

1. Voor de opslag van goederen onder het stelsel van douane-entrepots geldt geen tijdsbeperking.

Niettemin kunnen de douaneautoriteiten in uitzonderlijke gevallen een termijn vaststellen vóór het verstrijken waarvan de entrepositaris aan de goederen een nieuwe douanebestemming dient te geven.

2. Voor bepaalde in artikel 98, lid 1, onder b), bedoelde goederen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, kunnen volgens de procedure van het Comité specifieke termijnen worden vastgesteld.

Artikel 109

1. De invoergoederen kunnen de gebruikelijke behandelingen ondergaan om bewaring in goede staat te verzekeren, de presentatie of handelskwaliteit te verbeteren of de distributie of wederverkoop voor te bereiden.

Voor zover noodzakelijk voor de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten kan een lijst worden opgesteld van de gevallen waarin deze behandelingen verboden zijn voor goederen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen.

2. Communautaire goederen als bedoeld in artikel 98, lid 1, onder b), die onder het stelsel van douane-entrepots worden geplaatst en die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, kunnen slechts de uitdrukkelijk voor deze goederen vastgestelde behandelingen ondergaan.

3. Voor de in lid 1, eerste alinea, en de in lid 2 bedoelde behandelingen dient voorafgaande toestemming te worden verleend door de douaneautoriteiten, die de voorwaarden vaststellen waaronder zij kunnen plaatsvinden.

4. De lijsten van de in de leden 1 en 2 bedoelde behandelingen worden opgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 110

Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen tijdelijk uit het douane-entrepot worden uitgeslagen. Voor deze uitslag dient voorafgaande toestemming te worden verleend door de douaneautoriteiten, die de voorwaarden vaststellen waaronder deze uitslag kan geschieden.

Gedurende het verblijf van de goederen buiten het douane-entrepot kunnen deze de in artikel 109 vermelde behandelingen, onder dezelfde voorwaarden, ondergaan.

Artikel 111

De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat de onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste goederen van het ene douane-entrepot naar het andere worden overgebracht.

Artikel 112

1. Wanneer ten aanzien van invoergoederen een douaneschuld ontstaat en de douanewaarde van deze goederen gebaseerd is op een werkelijk betaalde of te betalen prijs die ook de kosten van het opslaan en het in goede staat bewaren van de goederen gedurende het verblijf in het entrepot omvat, behoeven deze kosten niet in de douanewaarde te worden begrepen, op voorwaarde dat zij onderscheiden zijn van de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs.

2. Wanneer de in lid 1 bedoelde goederen gebruikelijke behandelingen in de zin van artikel 109 hebben ondergaan, wordt, op verzoek van de aangever, voor het vaststellen van het bedrag van de rechten bij invoer uitgegaan van de soort, de douanewaarde en de hoeveelheid die op het in artikel 214 bedoelde tijdstip in aanmerking zouden zijn genomen indien de goederen niet aan de genoemde behandelingen waren onderworpen. Volgens de procedure van het Comité kunnen echter afwijkingen van deze bepaling worden vastgesteld.

3. Worden de invoergoederen overeenkomstig artikel 76 in het vrije verkeer gebracht zonder bij de douane te zijn aangebracht en voordat de desbetreffende aangifte is ingediend en zijn de heffingsgrondslagen voor deze goederen erkend of toegestaan bij de plaatsing ervan onder het stelsel van douane-entrepots, dan worden deze grondslagen geacht die te zijn welke overeenkomstig artikel 214 in aanmerking moeten worden genomen, onverminderd een controle achteraf in de zin van artikel 78.

Artikel 113

De onder het stelsel van douane-entrepots geplaatste en onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallende communautaire goederen, bedoeld in artikel 98, lid 1, onder b), dienen te worden uitgevoerd of dienen een van de andere bestemmingen te krijgen die bij de in dat artikel bedoelde specifieke communautaire wetgeving zijn vastgesteld.

D. Actieve veredeling

I. Algemeen

Artikel 114

1. Onverminderd artikel 115, kunnen in het douanegebied van de Gemeenschap onder de regeling actieve veredeling de volgende goederen een of meer veredelingshandelingen ondergaan:

a) niet-communautaire goederen die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsprodukten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen onderworpen zijn;

b) in het vrije verkeer gebrachte goederen, waarbij de voor deze goederen geldende rechten bij invoer worden terugbetaald of kwijtgescholden indien zij in de vorm van veredelingsprodukten uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd.

2. Er wordt verstaan onder:

a) systeem inzake schorsing: de regeling actieve veredeling in de in lid 1, onder a), bedoelde vorm;

b) terugbetalingssysteem: de regeling actieve veredeling in de in lid 1, onder b), bedoelde vorm;

c) veredelingshandelingen:

- de bewerking van goederen, met inbegrip van het monteren, het assembleren en het aanpassen ervan aan andere goederen,

- de verwerking van goederen,

- de herstelling van goederen, met inbegrip van revisie en afstelling, alsmede

- het gebruik van bepaalde, volgens de procedure van het Comité vastgestelde goederen die niet meer in de veredelingsprodukten voorkomen, maar die de vervaardiging van deze produkten mogelijk maken of vergemakkelijken, zelfs indien zij tijdens dit gebruik geheel of gedeeltelijk verdwijnen;

d) veredelingsprodukten: alle produkten die het resultaat zijn van veredelingshandelingen;

e) equivalente goederen: communautaire goederen die in plaats van de invoergoederen worden gebruikt voor de vervaardiging van veredelingsprodukten;

f) opbrengst: de hoeveelheid of het percentage veredelingsprodukten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid invoergoederen.

Artikel 115

1. Wanneer is voldaan aan de voorwaarden van lid 2, staan de douaneautoriteiten, onder voorbehoud van lid 4, toe dat:

a) de veredelingsprodukten uit equivalente goederen worden verkregen;

b) de uit equivalente goederen verkregen veredelingsprodukten uit de Gemeenschap worden uitgevoerd alvorens de invoer van invoergoederen is geschied.

2. De equivalente goederen moeten dezelfde kwaliteit en dezelfde kenmerken hebben als de invoergoederen. In bijzondere, volgens de procedure van het Comité vastgestelde gevallen, kan echter worden toegestaan dat de equivalente goederen zich in een verder gevorderd stadium van fabricage bevinden dan de invoergoederen.

3. Bij toepassing van lid 1 bevinden de invoergoederen zich in de douanesituatie van de equivalente goederen en deze laatste in de douanesituatie van de invoergoederen.

4. Maatregelen om de toepassing van het bepaalde in lid 1 te verbieden of te beperken, kunnen worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

5. Indien de veredelingsprodukten aan rechten bij uitvoer onderworpen zouden zijn geweest, indien deze niet in het kader van de actieve veredeling waren uitgevoerd of wederuitgevoerd, dient de houder van de vergunning bij toepassing van lid 1, onder b), een zekerheid te stellen om de betaling van deze rechten te waarborgen voor het geval de invoer van de invoergoederen niet binnen de gestelde termijn zal geschieden.

II. Afgifte van de vergunning

Artikel 116

De vergunning voor actieve veredeling wordt afgegeven op verzoek van de persoon die veredelingshandelingen verricht of laat verrichten.

Artikel 117

De vergunning wordt slechts verleend:

a) aan personen die in de Gemeenschap zijn gevestigd. Wanneer het echter gaat om invoer zonder commercieel karakter, kan de vergunning worden verleend aan personen die buiten de Gemeenschap zijn gevestigd;

b) wanneer, onverminderd het gebruik van de in artikel 114, lid 2, onder c), laatste streepje, bedoelde goederen, de invoergoederen in de veredelingsprodukten kunnen worden geïdentificeerd of, in het in artikel 115 bedoelde geval, wanneer kan worden nagegaan of aan de voor equivalente goederen vastgestelde voorwaarden is voldaan;

c) in de gevallen waarin de regeling actieve veredeling kan bijdragen tot het scheppen van de gunstigste voorwaarden voor de uitvoer of de wederuitvoer van de veredelingsprodukten mits de wezenlijke belangen van de communautaire producenten niet worden geschaad (economische voorwaarden).

III. Werking van de regeling

Artikel 118

1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de veredelingsprodukten uitgevoerd of wederuitgevoerd moeten zijn of een andere douanebestemming moeten hebben gekregen. Bij de vaststelling van deze termijn wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is voor het verrichten van de veredelingshandelingen en de afzet van de veredelingsprodukten.

2. De termijn gaat in op de datum waarop de niet-communautaire goederen onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst. De douaneautoriteiten kunnen deze termijn verlenen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder.

Ter vereenvoudiging kan worden besloten dat termijnen die ingaan in de loop van een kalendermaand of kwartaal, verstrijken op de laatste dag van een latere kalendermaand, respectievelijk van een later kwartaal.

3. In geval van toepassing van artikel 115, lid 1, onder b), stellen de douaneautoriteiten de termijn vast waarbinnen de niet-communautaire goederen voor de regeling moeten worden aangegeven. Deze termijn gaat in op de datum van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer van de veredelingsprodukten die uit de betrokken equivalente goederen zijn verkregen.

4. Volgens de procedure van het Comité kunnen voor bepaalde veredelingshandelingen of voor bepaalde invoergoederen specifieke termijnen worden vastgesteld.

Artikel 119

1. De douaneautoriteiten stellen hetzij de opbrengst van de veredelingshandeling vast, hetzij, in voorkomend geval, de wijze waarop deze opbrengst wordt bepaald. De opbrengst wordt vastgesteld met inachtneming van de werkelijke omstandigheden waaronder de veredelingshandeling geschiedt of zal geschieden.

2. Wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen en met name wanneer het veredelingshandelingen betreft die van oudsher verlopen onder duidelijk omschreven technische voorwaarden en die betrekking hebben op goederen met vrijwel constante eigenschappen, waardoor veredelingsprodukten van constante kwaliteit worden verkregen, kunnen volgens de procedure van het Comité forfaitaire opbrengstpercentages worden vastgesteld op grond van vooraf vastgestelde feitelijke gegevens.

Artikel 120

De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder goederen in ongewijzigde staat of veredelingsprodukten worden geacht in het vrije verkeer te zijn gebracht, kunnen volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld.

Artikel 121

1. Onder voorbehoud van artikel 122 wordt, wanneer een douaneschuld ontstaat, het bedrag van deze schuld vastgesteld aan de hand van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling actieve veredeling is aanvaard.

2. Indien de invoergoederen op het in lid 1 bedoelde tijdstip voldeden aan de voorwaarden om in het kader van tariefcontingenten of tariefplafonds in aanmerking te komen voor een preferentiële tariefbehandeling, kunnen deze goederen in aanmerking komen voor de preferentiële tariefbehandeling die voor identieke goederen eventueel geldt op het tijdstip waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen is aanvaard.

Artikel 122

In afwijking van artikel 121:

a) worden de veredelingsprodukten onderworpen aan de voor dergelijke produkten geldende rechten bij invoer indien:

- zij in het vrije verkeer worden gebracht en op de volgens de procedure van het Comité vastgestelde lijst voorkomen en voor zover zij proportioneel overeenstemmen met het uitgevoerde gedeelte van de niet op die lijst vermelde veredelingsprodukten. De vergunninghouder mag evenwel verzoeken om die produkten overeenkomstig de voorwaarden van artikel 121 te belasten;

- zij aan in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde belastingen zijn onderworpen en de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen daarin voorzien;

b) worden de veredelingsprodukten onderworpen aan de rechten bij invoer die zijn vastgesteld volgens de voorschriften die in het kader van de betrokken douaneregeling dan wel voor de vrije zones of de vrije entrepots gelden, wanneer zij onder een schorsingsregeling dan wel in een vrije zone of een vrij entrepot zijn geplaatst.

Niettemin:

- kan de belanghebbende om de heffing overeenkomstig artikel 121 verzoeken,

- dient in de gevallen waarin de veredelingsprodukten een van de hierboven bedoelde douanebestemmingen, niet zijnde de behandeling onder douanetoezicht, hebben gekregen, het bedrag aan rechten bij invoer ten minste gelijk te zijn aan het overeenkomstig artikel 121 vastgestelde bedrag;

c) worden de veredelingsprodukten eventueel onderworpen aan de heffingsregels welke zijn vastgesteld in het kader van de regeling behandeling onder douanetoezicht, indien de invoergoederen onder deze regeling hadden kunnen worden geplaatst;

d) komen de veredelingsprodukten vanwege hun bijzondere bestemming in aanmerking voor een gunstige tariefbehandeling, wanneer een dergelijke regeling voor identieke ingevoerde goederen geldt;

e) worden de veredelingsprodukten met vrijstelling van rechten bij invoer toegelaten wanneer, overeenkomstig artikel 184, voor identieke ingevoerde goederen in een dergelijke vrijstelling wordt voorzien.

IV. Buiten het douanegebied van de Gemeenschap te verrichten veredelingshandelingen

Artikel 123

1. De veredelingsprodukten of de goederen in ongewijzigde staat kunnen, geheel of gedeeltelijk, tijdelijk worden uitgevoerd met het oog op aanvullende veredelingshandelingen buiten het douanegebied van de Gemeenschap, mits de douaneautoriteiten daartoe een vergunning verlenen, overeenkomstig de bij de bepalingen betreffende passieve veredeling voorgeschreven voorwaarden.

2. Indien ten aanzien van de wederingevoerde produkten een douaneschuld ontstaat, worden:

a) over de veredelingsprodukten of de goederen in ongewijzigde staat als bedoeld in lid 1, de rechten bij invoer geheven die worden berekend overeenkomstig de artikelen 121 en 122;

b) over de produkten die worden wederingevoerd na buiten het douanegebied van de Gemeenschap te zijn veredeld, de rechten bij invoer geheven waarvan het bedrag wordt berekend overeenkomstig de bepalingen betreffende de regeling passieve veredeling, en wel onder dezelfde voorwaarden als die welke zouden gelden wanneer de in het kader van de genoemde regeling uitgevoerde produkten vóór deze uitvoer in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

V. Bijzondere bepalingen met betrekking tot het terugbetalingssysteem

Artikel 124

1. Het terugbetalingssysteem kan worden toegepast voor alle goederen, met uitzondering van die welke op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen:

- aan kwantitatieve invoerbeperkingen zijn onderworpen;

- in het kader van een contingent voor een preferentiële tariefmaatregel of voor een autonome schorsingsmaatregel in de zin van artikel 20, lid 3, onder d), e) en f), in aanmerking kunnen komen;

- zijn onderworpen aan een landbouwheffing of aan een andere belasting bij invoer die is vastgesteld in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of in het kader van de specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.

2. Bovendien kan het terugbetalingssysteem slechts worden toegepast indien op het tijdstip waarop de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de invoergoederen is aanvaard, voor de veredelingsprodukten geen uitvoerrestitutie is vastgesteld.

3. Gebruikmaking van het terugbetalingssysteem kan slechts worden toegestaan indien op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer van de veredelingsprodukten

- de invoergoederen niet zijn onderworpen aan een van de belastingen als bedoeld in lid 1, derde streepje,

- voor de veredelingsprodukten geen uitvoerrestitutie is vastgesteld.

Artikel 125

1. In de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen moet worden vermeld dat van het terugbetalingssysteem gebruik wordt gemaakt en moet naar de vergunning worden verwezen.

2. Op verzoek van de douaneautoriteiten moet genoemde vergunning bij de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen worden gevoegd.

Artikel 126

In het kader van het terugbetalingssysteem zijn artikel 115, lid 1, onder b), en de leden 3 en 5, artikel 118, lid 3, de artikelen 120 en 121, artikel 122, onder a), tweede streepje, en onder c), alsmede artikel 129, niet van toepassing.

Artikel 127

Tijdelijke uitvoer van veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 123, lid 1, wordt niet als uitvoer in de zin van artikel 128 beschouwd, behalve wanneer deze produkten niet binnen de gestelde termijn in de Gemeenschap worden wederingevoerd.

Artikel 128

1. De vergunninghouder kan om terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer verzoeken indien hij, naar genoegen van de douaneautoriteiten, aantoont dat veredelingsprodukten die zijn verkregen uit invoergoederen die met toepassing van het terugbetalingssysteem in het vrije verkeer zijn gebracht:

- hetzij zijn uitgevoerd,

- hetzij, met het oog op de latere wederuitvoer ervan, onder de regeling douanevervoer, het stelsel van douane-entrepots, de regeling tijdelijke invoer, de regeling actieve veredeling - systeem inzake schorsing - dan wel in een vrije zone of een vrij entrepot zijn geplaatst.

mits voor het overige aan alle voorwaarden voor de toepassing van de regeling is voldaan.

2. Om een van de in lid 1, tweede streepje, bedoelde douanebestemmingen te krijgen, worden de veredelingsprodukten als niet-communautair beschouwd.

3. De termijn waarbinnen het verzoek om terugbetaling moet worden ingediend, wordt vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

4. Veredelingsprodukten die overeenkomstig het bepaalde in lid 1 onder een douaneregeling of in een vrije zone of een vrij entrepot zijn geplaatst, mogen slechts met toestemming van de douaneautoriteiten in het vrije verkeer worden gebracht. De douaneautoriteiten verlenen deze toestemming wanneer de omstandigheden zulks rechtvaardigen.

In dit geval, en onverminderd artikel 122, onder b), wordt het terugbetaalde of kwijtgescholden bedrag van de rechten bij invoer geacht het bedrag van de douaneschuld te vormen.

5. Voor de vaststelling van het bedrag aan terug te betalen of kwijt te schelden rechten bij invoer is artikel 122, onder a), eerste streepje, mutatis mutandis van toepassing.

VI. Overige bepalingen

Artikel 129

De regeling actieve veredeling met gebruikmaking van het systeem inzake schorsing kan eveneens worden toegepast om de veredelingsprodukten vrij te stellen van de rechten bij uitvoer waaraan identieke produkten, verkregen uit communautaire goederen in plaats van uit invoergoederen, zouden zijn onderworpen.

E. Behandeling onder douanetoezicht

Artikel 130

De regeling behandeling onder douanetoezicht maakt het mogelijk niet-communautaire goederen in het douanegebied van de Gemeenschap een behandeling te doen ondergaan die de soort of de staat ervan wijzigt, zonder dat zij aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen, en de door deze behandeling verkregen produkten in het vrije verkeer te brengen tegen de daarvoor geldende rechten bij invoer. Deze produkten worden "behandelde produkten" genoemd.

Artikel 131

De lijst van de gevallen waarin de regeling behandeling onder douanetoezicht kan worden toegepast, wordt vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 132

De vergunning tot behandeling onder douanetoezicht wordt afgegeven op verzoek van de persoon die de behandeling verricht of laat verrichten.

Artikel 133

De vergunning wordt slechts verleend:

a) aan in de Gemeenschap gevestigde personen;

b) indien het mogelijk is in de behandelde produkten de invoergoederen te identificeren;

c) indien de goederen na behandeling niet meer op economisch verantwoorde wijze kunnen worden teruggebracht tot de soort waartoe zij behoorden of tot de staat waarin zij zich bevonden toen zij onder de regeling werden geplaatst;

d) indien gebruikmaking van de regeling er niet toe kan leiden dat de gevolgen van de regels inzake oorsprong en inzake de kwantitatieve beperkingen welke op de ingevoerde goederen van toepassing zijn, worden ontdoken;

e) indien de regeling ertoe kan bijdragen dat het ontstaan of de instandhouding van een behandelingsactiviteit in de Gemeenschap wordt bevorderd, zonder dat de wezenlijke belangen van communautaire producenten van soortgelijke goederen worden geschaad (economische voorwaarden).

Artikel 134

Artikel 118, leden 1, 2 en 4, en artikel 119 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 135

Indien een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen in ongewijzigde staat of van produkten die zich in een tussenstadium van behandeling bevinden ten opzichte van het in de vergunning genoemde stadium, wordt het bedrag van deze schuld vastgesteld op grond van de heffingsgrondslagen geldend voor de invoergoederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling behandeling onder douanetoezicht is aanvaard.

Artikel 136

1. Indien de invoergoederen op het tijdstip waarop zij onder de regeling behandeling onder douanetoezicht werden geplaatst, voldeden aan de voorwaarden om voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking te komen, en indien dezelfde preferentiële tariefbehandeling van toepassing is op produkten welke identiek zijn met de in het vrije verkeer gebrachte behandelde produkten, worden de rechten bij invoer waaraan de behandelde produkten worden onderworpen, berekend door het recht toe te passen dat in het kader van deze tariefbehandeling geldt.

2. Indien de in lid 1 bedoelde preferentiële tariefbehandeling voor de invoergoederen is voorgeschreven in het kader van tariefcontingenten of tariefplafonds, is aan de toepassing van het in lid 1 bedoelde recht ten aanzien van de behandelde produkten ook de voorwaarde verbonden dat deze preferentiële tariefbehandeling op de invoergoederen van toepassing is op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen. In dat geval wordt de hoeveelheid invoergoederen die daadwerkelijk bij de vervaardiging van de in het vrije verkeer gebrachte behandelde produkten is gebruikt, afgeboekt op de tariefcontingenten of tariefplafonds die gelden op het ogenblik van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen, en wordt niet overgegaan tot afboeking op die tariefcontingenten of tariefplafonds die zijn geopend voor produkten die identiek zijn met de behandelde produkten.

F. Tijdelijke invoer

Artikel 137

De regeling tijdelijke invoer maakt het mogelijk om in het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer en zonder dat zij aan handelspolitieke maatregelen worden onderworpen, niet-communautaire goederen te gebruiken die zijn bestemd om te worden wederuitgevoerd zonder wijzigingen te hebben ondergaan, met uitzondering van hun normale waardevermindering ten gevolge van het gebruik dat ervan is gemaakt.

Artikel 138

De vergunning tot tijdelijke invoer wordt afgegeven op verzoek van de persoon die de genoemde goederen gebruikt of laat gebruiken.

Artikel 139

De douaneautoriteiten weigeren de regeling tijdelijke invoer toe te staan wanneer het onmogelijk is de identificatie van de invoergoederen te waarborgen.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer toestaan zonder de identificatie van de goederen te waarborgen, wanneer het ontbreken van identificatiemaatregelen wegens de aard van de goederen of de aard van de te verrichten bewerkingen niet tot misbruik van de regeling kan leiden.

Artikel 140

1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de invoergoederen wederuitgevoerd moeten zijn of een nieuwe douanebestemming moeten hebben gekregen. Deze termijn moet lang genoeg zijn om het doel van het toegestane gebruik te bereiken.

2. Onverminderd de overeenkomstig artikel 141 vastgestelde bijzondere termijnen mogen goederen zich 24 maanden onder de regeling tijdelijke invoer bevinden. De douaneautoriteiten kunnen echter, in overleg met de betrokkene, kortere termijnen vaststellen.

3. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de douaneautoriteiten de in de leden 1 en 2 bedoelde termijnen evenwel op verzoek van de betrokkene binnen redelijke grenzen verlengen, om het toegestane gebruik mogelijk te maken.

Artikel 141

De gevallen waarin en de bijzondere voorwaarden waaronder gebruik kan worden gemaakt van de regeling tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van de rechten bij invoer, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 142

1. Gebruikmaking van de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer wordt toegestaan voor goederen die eigendom blijven van een buiten het douanegebied van de Gemeenschap gevestigde persoon doch die niet in de overeenkomstig artikel 141 vastgestelde bepalingen zijn genoemd, of die daarin wel zijn genoemd, doch niet voldoen aan alle voorwaarden die in die bepalingen zijn gesteld voor het verlenen van toestemming tot tijdelijke invoer met volledige vrijstelling.

2. De lijst van goederen welke van de mogelijkheid tot tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer zijn uitgesloten, wordt vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 143

1. Het bedrag van de rechten bij invoer die verschuldigd zijn ten aanzien van goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer zijn geplaatst, wordt per maand of gedeelte van een maand dat de goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling hebben bevonden, vastgesteld op 3 % van het bedrag van de rechten die over de genoemde goederen zouden zijn geheven indien deze op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

2. Het bedrag van de te heffen rechten bij invoer mag niet hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de betrokken goederen op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht, waarbij de eventueel verschuldigde interesten buiten beschouwing worden gelaten.

3. Overdracht van de rechten en verplichtingen welke uit de regeling tijdelijke invoer voortvloeien, overeenkomstig artikel 90, houdt niet in dat dezelfde vrijstellingsregeling moet worden toegepast voor elk van de in aanmerking te nemen gebruiksperioden.

4. Geschiedt de in lid 3 bedoelde overdracht met toepassing van het systeem van gedeeltelijke vrijstelling voor beide personen die in de loop van een zelfde maand subject van de regeling zijn, dan is de eerste van de twee schuldenaar voor het voor die gehele maand verschuldigde bedrag aan rechten bij invoer.

Artikel 144

1. Wanneer ten aanzien van invoergoederen een douaneschuld ontstaat, wordt het bedrag van deze schuld vastgesteld op grond van de heffingsgrondslagen geldend voor deze goederen op het tijdstip waarop de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling tijdelijke invoer is aanvaard. In de gevallen waarin zulks overeenkomstig artikel 141 is voorgeschreven, wordt het bedrag van de schuld evenwel vastgesteld op grond van de heffingsgrondslagen geldend voor de betrokken goederen op het in artikel 214 bedoelde tijdstip.

2. Wanneer om een andere reden dan de plaatsing onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer, voor onder die regeling geplaatste goederen een douaneschuld ontstaat, is het bedrag van die schuld gelijk aan het verschil tussen het overeenkomstig lid 1 vastgestelde bedrag aan rechten en het overeenkomstig artikel 143 verschuldigde bedrag.

G. Passieve veredeling

I. Algemeen

Artikel 145

1. Onverminderd de specifieke bepalingen die van toepassing zijn op het in de artikelen 154 tot en met 159 geregelde systeem uitwisselingsverkeer en onverminderd artikel 123, maakt de regeling passieve veredeling het mogelijk communautaire goederen tijdelijk uit het douanegebied van de Gemeenschap uit te voeren ten einde deze aan veredelingshandelingen te onderwerpen en de uit die handelingen voortkomende veredelingsprodukten met gehele of geeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer in het vrije verkeer te brengen.

2. De tijdelijke uitvoer van communautaire goederen gaat gepaard met de toepassing van de rechten bij uitvoer, de handelspolitieke maatregelen en de overige formaliteiten die gelden voor het buiten het douanegebied van de Gemeenschap brengen van communautaire goederen.

3. Er wordt verstaan onder:

a) tijdelijk uitgevoerde goederen: de onder de regeling passieve veredeling geplaatste goederen;

b) veredelingshandelingen: de in artikel 114, lid 2, onder c), eerste, tweede en derde streepje, bedoelde handelingen;

c) veredelingsprodukten: alle produkten die het resultaat zijn van veredelingshandelingen;

d) opbrengst: de hoeveelheid of het percentage veredelingsprodukten verkregen bij de veredeling van een bepaalde hoeveelheid tijdelijk uitgevoerde goederen.

Artikel 146

1. Onder de regeling passieve veredeling kunnen niet worden geplaatst communautaire goederen

- waarvan de uitvoer een terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer tot gevolg heeft;

- die, alvorens zij werden uitgevoerd, wegens hun bijzondere bestemming met totale vrijstelling van de rechten bij invoer in het vrije verkeer waren gebracht, zolang de voorwaarden voor de toekenning van deze vrijstelling van toepassing blijven;

- waarvan de uitvoer aanleiding geeft tot de toekenning van restituties bij uitvoer, of waarvoor wegens de uitvoer in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een ander financieel voordeel dan de genoemde restituties wordt toegekend.

2. Er kunnen evenwel afwijkingen van lid 1, tweede streepje, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

II. Afgifte van de vergunning

Artikel 147

1. De vergunning voor passieve veredeling wordt afgegeven op verzoek van de persoon die de veredelingshandelingen laat verrichten.

2. In afwijking van lid 1 kan voor goederen van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van titel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, gebruikmaking van de regeling passieve veredeling aan een andere persoon worden toegestaan, indien de veredelingshandeling bestaat in de opneming van deze goederen in buiten de Gemeenschap verkregen goederen die als veredelingsprodukten zijn ingevoerd, mits het gebruik van de regeling bijdraagt aan bevordering van de verkoop van de uitvoergoederen zonder dat de wezenlijke belangen van de communautaire producenten van identieke of soortgelijke produkten als de ingevoerde veredelingsprodukten worden geschaad.

De gevallen waarin en de wijze waarop de eerste alinea van toepassing is, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 148

De vergunning wordt slechts verleend;

a) aan in de Gemeenschap gevestigde personen;

b) indien wordt geoordeeld dat zal kunnen worden vastgesteld dat de veredelingsprodukten het resultaat zijn van de behandeling van de tijdelijk uitgevoerde goederen.

De gevallen waarin afwijkingen van het bepaalde onder b) van toepassing kunnen zijn en de voorwaarden waaronder deze afwijkingen van toepassing zijn, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité;

c) indien gebruikmaking van de regeling passieve veredeling er niet toe leidt dat de wezenlijke belangen van de communautaire veredelaars ernstig worden geschaad (economische voorwaarden).

III. Werking van de regeling

Artikel 149

1. De douaneautoriteiten stellen de termijn vast waarbinnen de veredelingsprodukten in het douanegebied van de Gemeenschap moeten worden wederingevoerd. Zij kunnen deze termijn verlengen op met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder.

2. De douaneautoriteiten stellen hetzij de opbrengst van de veredelingshandeling vast, hetzij, in voorkomend geval, de wijze waarop deze opbrengst wordt bepaald.

Artikel 150

1. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer als bedoeld in artikel 151, lid 1, wordt slechts verleend wanneer de veredelingsprodukten voor het vrije verkeer worden aangegeven op naam of voor rekening van:

a) hetzij de vergunninghouder;

b) hetzij een andere in de Gemeenschap gevestigde persoon, op voorwaarde dat deze van de vergunninghouder toestemming heeft verkregen en voor zover aan de voorwaarden van de vergunning wordt voldaan.

2. Gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer als bedoeld in artikel 151, lid 1, wordt niet verleend wanneer aan een van de voorwaarden of verplichtingen met betrekking tot de regeling passieve veredeling niet is voldaan, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van deze regeling.

Artikel 151

1. De hoogte van de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer als bedoeld in artikel 145 wordt vastgesteld door het bedrag van de rechten bij invoer die op de in het vrije verkeer gebrachte veredelingsprodukten van toepassing zijn, te verminderen met het bedrag van de rechten bij invoer die op dezelfde datum op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zouden zijn, indien deze goederen uit het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling is verricht, in het douanegebied van de Gemeenschap zouden worden ingevoerd.

2. Het krachtens lid 1 in mindering te brengen bedrag wordt berekend aan de hand van de hoeveelheid en de soort van de betrokken goederen op de datum van aanvaarding van de aangifte tot plaatsing onder de regeling passieve veredeling en op grond van de andere heffingselementen die op deze goederen van toepassing zijn op de datum van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de veredelingsprodukten.

De waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen is die welke voor deze goederen in aanmerking wordt genomen bij het vaststellen van de douanewaarde van de veredelingsprodukten overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder b), i) of, indien de waarde niet op deze wijze kan worden vastgesteld, het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsprodukten en de met redelijke middelen vastgestelde veredelingskosten.

Niettemin:

- worden bepaalde, volgens de procedure van het Comité vastgestelde heffingen voor de berekening van het in mindering te brengen bedrag niet in aanmerking genomen;

- is, indien de tijdelijk uitgevoerde goederen, alvorens zij onder de regeling passieve veredeling werden geplaatst, wegens hun bijzondere bestemming met toepassing van een verlaagd recht in het vrije verkeer waren gebracht en zolang de voorwaarden voor de toekenning van dit verlaagde recht blijven gelden, het in mindering te brengen bedrag gelijk aan het daadwerkelijk bij het in vrije verkeer brengen geïnde bedrag van de rechten bij invoer.

3. Indien voor de tijdelijk uitgevoerde goederen bij het in het vrije verkeer brengen een verlaagd recht of een nulrecht zou kunnen gelden wegens een bijzondere bestemming, wordt dit recht in aanmerking genomen voor zover deze goederen in het land waar de veredelingshandeling of de laatste veredelingshandeling is verricht, dezelfde veredelingshandelingen hebben ondergaan als die waarin voor een dergelijke bestemming is voorzien.

4. Indien voor de veredelingsprodukten een preferentiële tariefmaatregel geldt in de zin van artikel 20, lid 3, onder d) of e), en wanneer deze maatregel ook bestaat voor goederen met dezelfde tariefindeling als de tijdelijk uitgevoerde goederen, zijn de rechten bij invoer die voor de berekening van het krachtens lid 1 in mindering te brengen bedrag in aanmerking moeten worden genomen, gelijk aan de rechten welke van toepassing zouden zijn indien de tijdelijk uitgevoerde goederen zouden voldoen aan de voorwaarden krachtens welke deze preferentiële tariefmaatregel kan worden toegepast.

5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de toepassing van de bepalingen die zijn of kunnen worden vastgesteld in het kader van het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en derde landen waarbij voor bepaalde veredelingsprodukten vrijstelling van de rechten bij invoer wordt verleend.

Artikel 152

1. Wanneer de veredelingshandeling bestaat in de herstelling van de tijdelijk uitgevoerde goederen, geschiedt het in het vrije verkeer brengen van deze goederen met volledige vrijstelling van de rechten bij invoer, indien ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt vastgesteld dat de herstelling gratis werd verricht, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een fabricagefout.

2. Lid 1 is niet van toepassing wanneer op het tijdstip waarop de betrokken goederen voor het eerst in het vrije verkeer werden gebracht, rekening is gehouden met de gebreken die zij vertonen.

Artikel 153

Indien de veredelingshandeling bestaat in de herstelling van de tijdelijk uitgevoerde goederen en deze herstelling tegen betaling wordt verricht, vindt de in artikel 145 bedoelde gedeeltelijke vrijstelling van rechten bij invoer plaats door het bedrag van de van toepassing zijnde rechten te bepalen op grond van de heffingselementen die op de veredelingsprodukten van toepassing zijn op de datum van aanvaarding van de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van genoemde produkten, waarbij als douanewaarde een bedrag in aanmerking wordt genomen dat gelijk is aan de herstellingskosten, mits de betaling van deze kosten de enige prestatie van de vergunninghouder vormt en niet beïnvloed is door de verbondenheid tussen hem en degene die de veredelingshandeling heeft verricht.

IV. Passieve veredeling met gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer

Artikel 154

1. Onder de in de onderhavige afdeling IV vastgestelde voorwaarden, die als aanvulling op de voorgaande bepalingen gelden, biedt het systeem uitwisselingsverkeer de mogelijkheid een ingevoerd goed, hierna "vervangend produkt" genoemd, in de plaats te laten komen van een veredelingsprodukt.

2. De douaneautoriteiten staan gebruikmaking van het systeem uitwisselingsverkeer toe, indien de veredelingshandeling bestaat in de herstelling van andere communautaire goederen dan die welke vallen onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid of onder specifieke regelingen die op bepaalde door verwerking van landbouwprodukten verkregen goederen van toepassing zijn.

3. Onverminderd artikel 159 zijn de bepalingen die van toepassing zijn op veredelingsprodukten eveneens van toepassing op vervangende produkten.

4. De douaneautoriteiten staan toe dat de vervangende produkten onder de door hen vastgestelde voorwaarden worden ingevoerd voordat de tijdelijk uit te voeren goederen worden uitgevoerd (voorafgaande invoer).

Bij voorafgaande invoer van een vervangend produkt dient een zekerheid te worden gesteld voor het bedrag van de rechten bij invoer.

Artikel 155

1. De vervangende produkten moeten onder dezelfde tariefindeling vallen, van dezelfde handelskwaliteit zijn en dezelfde technische kenmerken bezitten als de tijdelijk uitgevoerde goederen indien deze laatste de beoogde herstelling zouden hebben ondergaan.

2. Indien de tijdelijk uitgevoerde goederen voorafgaand aan de uitvoer zijn gebruikt, moeten de vervangende produkten eveneens zijn gebruikt en mogen het geen nieuwe produkten zijn.

De douaneautoriteiten kunnen echter afwijkingen van deze regel toestaan indien het vervangende produkt gratis is geleverd, hetzij op grond van een contractuele of wettelijke garantieverplichting, hetzij wegens een fabricagefout.

Artikel 156

Uitwisselingsverkeer wordt slechts toegestaan wanneer het mogelijk is na te gaan of aan de voorwaarden van artikel 155 is voldaan.

Artikel 157

1. In geval van voorafgaande invoer dient de uitvoer van de tijdelijk uit te voeren goederen binnen een termijn van twee maanden te geschieden, te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten de aangifte tot het in het vrije verkeer brengen van de vervangende produkten hebben aanvaard.

2. Wanneer uitzonderlijke omstandigheden zulks rechtvaardigen, kunnen de douaneautoriteiten de in lid 1 genoemde termijn echter op aanvraag van de betrokkene binnen redelijke grenzen verlengen.

Artikel 158

In geval van voorafgaande invoer en wanneer artikel 151 wordt toegepast, wordt het in mindering te brengen bedrag vastgesteld aan de hand van de heffingselementen die op de tijdelijk uitgevoerde goederen van toepassing zijn op de datum van aanvaarding van de aangifte tot plaatsing van deze goederen onder de regeling.

Artikel 159

Artikel 147, lid 2, en artikel 148, onder b), zijn niet van toepassing in het kader van het uitwisselingsverkeer.

V. Overige bepalingen

Artikel 160

De in het kader van de regeling passieve veredeling bepaalde procedures zijn eveneens van toepassing voor de tenuitvoerlegging van de niet-tarifaire maatregelen van de gemeenschappelijke handelspolitiek.

Afdeling 4

Uitvoer

Artikel 161

1. De regeling uitvoer maakt het mogelijk dat communautaire goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten.

De uitvoer brengt mee de toepassing van de voor het verlaten van genoemd gebied vastgestelde formaliteiten, met inbegrip van de handelspolitieke maatregelen en, in voorkomend geval, de rechten bij uitvoer.

2. Met uitzondering van de goederen die onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst of die overeenkomstig artikel 163 onder een regeling voor douanevervooer zijn geplaatst, en onverminderd artikel 164, dienen alle voor uitvoer bestemde communautaire goederen onder de regeling uitvoer te worden geplaatst.

3. Goederen die naar het eiland Helgoland zijn verzonden, worden niet beschouwd als uitgevoerd uit het douanegebied van de Gemeenschap.

4. De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, niet ten uitvoer behoeven te worden aangegeven, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

5. De aangifte ten uitvoer moet worden ingediend bij het douanekantoor dat bevoegd is voor het toezicht op de plaats waar de exporteur is gevestigd of waar de goederen zijn verpakt of met het oog op de uitvoer in of op het vervoermiddel zijn geladen. Afwijkingen worden volgens de procedure van het Comité vastgesteld.

Artikel 162

Vrijgave voor uitvoer wordt verleend op voorwaarde dat de betrokken goederen het douanegebied van de Gemeenschap verlaten in de staat waarin zij zich bevonden op het tijdstip van aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

Afdeling 5

Intern douanevervoer

Artikel 163

1. De regeling intern douanevervoer maakt, onder de in de leden 2, 3 en 4 genoemde voorwaarden, het vervoer mogelijk van communautaire goederen van één plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap via het grondgebied van een derde land, zonder wijziging van hun douanestatus. Deze bepaling laat de toepassing van artikel 91, lid 1, onder b), onverlet.

2. Het in lid 1 bedoelde vervoer kan geschieden:

a) hetzij met toepassing van de regeling intern communautair douanevervoer indien een internationale overeenkomst in deze mogelijkheid voorziet;

b) hetzij onder geleide van een carnet TIR (TIR-Overeenkomst);

c) hetzij onder geleide van een carnet ATA (ATA-Overeenkomst) dat wordt gebruikt als document voor douanevervoer;

d) hetzij onder geleide van het Rijnvaartmanifest (artikel 9 van de Herziene Rijnvaartakte);

e) hetzij onder geleide van het formulier 302 dat is voorgeschreven in het kader van het op 19 juni 1951 te Londen ondertekende Verdrag tussen de Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, nopens de rechtspositie van hun krijgsmachten;

f) hetzij door middel van postzendingen (postcolli daaronder begrepen).

3. In het in lid 2, onder a), bedoelde geval zijn de artikelen 92, 94, 95, 96 en 97 van overeenkomstige toepassing.

4. In de in lid 2, onder b) tot en met f), bedoelde gevallen behouden de goederen hun douanestatus slechts wanneer deze status wordt vastgesteld onder de voorwaarden en in de vorm bedoeld in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen.

Artikel 164

Volgens de procedure van het Comité wordt bepaald onder welke voorwaarden communautaire goederen, zonder aan een douaneregeling te zijn onderworpen, van één plaats in het douanegebied van de Gemeenschap naar een andere plaats in het douanegebied van de Gemeenschap en tijdelijk daarbuiten, mogen worden vervoerd, zonder wijziging van hun douanestatus.

Artikel 165

De regeling intern communautair douanevervoer geldt eveneens indien de toepassing daarvan uitdrukkelijk in een communautaire bepaling wordt voorgeschreven.

HOOFDSTUK 3

DE OVERIGE DOUANEBESTEMMINGEN

Afdeling 1

Vrije zones en vrije entrepots

A. Algemeen

Artikel 166

Vrije zones en vrije entrepots zijn delen van het douanegebied van de Gemeenschap of zich in dit gebied bevindende ruimten die van de rest van dit gebied zijn afgescheiden en waarin:

a) niet-communautaire goederen voor de toepassing van de rechten bij invoer en de handelspolitieke maatregelen bij invoer worden geacht zich niet op het douanegebied van de Gemeenschap te bevinden, voor zover zij niet in het vrije verkeer zijn gebracht of onder een andere douaneregeling zijn geplaatst of worden ge- of verbruikt onder andere voorwaarden dan in de douanewetgeving vermeld;

b) communautaire goederen wegens plaatsing in een vrije zone of in een vrij entrepot in aanmerking komen voor maatregelen die in beginsel aan de uitvoer van goederen zijn verbonden indien specifieke communautaire wetgeving daarin voorziet.

Artikel 167

1. De Lid-Staten kunnen in bepaalde delen van het douanegebied van de Gemeenschap vrije zones instellen of de oprichting van vrije entrepots toestaan.

2. De Lid-Staten bepalen van elke zone de geografische grenzen. De ruimten die bestemd zijn om als vrij entrepot te worden gebruikt, dienen door de Lid-Staten te worden goedgekeurd.

3. Vrije zones zijn afgesloten. De Lid-Staten stellen de in- en uitgangen van elke vrije zone of vrij entrepot vast.

4. Voor de oprichting van gebouwen in een vrije zone is voorafgaande toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

Artikel 168

1. De grenzen en de in- en uitgangen van de vrije zones en de vrije entrepots staan onder toezicht van de douaneautoriteiten.

2. Personen en vervoermiddelen die een vrije zone of een vrij entrepot binnenkomen of verlaten, kunnen aan douanecontrole worden onderworpen.

3. Personen die niet de nodige waarborgen bieden voor de naleving van de in dit wetboek vervatte bepalingen, kan de toegang tot een vrije zone of een vrij entrepot worden ontzegd.

4. De douaneautoriteiten kunnen goederen die een vrije zone of een vrij entrepot binnenkomen, erin verblijven of verlaten, aan controle onderwerpen. Met het oog op deze controle dient een kopie van het vervoerdocument waarvan de goederen bij hun binnenkomst en vertrek vergezeld moeten zijn, aan de douaneautoriteiten te worden overgelegd of bij elke door de genoemde autoriteiten aangewezen persoon te hunner beschikking te worden gehouden. Wanneer deze controle wordt geëist, dienen de goederen ter beschikking van de douaneautoriteiten te worden gesteld.

B. Binnenkomst van goederen in vrije zones of vrije entrepots

Artikel 169

In een vrije zone of een vrij entrepot kunnen zowel communautaire als niet-communautaire goederen worden geplaatst.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel eisen dat goederen die gevaar opleveren of die andere goederen zouden kunnen aantasten of waarvoor om andere redenen bijzondere voorzieningen nodig zijn, in speciaal voor de opslag van dergelijke goederen uitgeruste ruimten worden geplaatst.

Artikel 170

1. Onverminderd artikel 168, lid 4, behoeven goederen bij binnenkomst in een vrije zone of een vrij entrepot niet bij de douaneautoriteiten te worden aangebracht en behoeft geen douaneaangifte te worden ingediend.

2. Bij de douane dienen slechts die goederen te worden aangebracht en douaneformaliteiten dienen slechts voor die goederen te worden vervuld:

a) die onder een douaneregeling zijn geplaatst welke door de binnenkomst van deze goederen in een vrije zone of een vrij entrepot wordt beëindigd; het aanbrengen is evenwel niet nodig indien in het kader van de betrokken douaneregeling vrijstelling van de verplichting tot het aanbrengen van de goederen wordt verleend;

b) waarvoor een beschikking tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is gegeven, waarbij de plaatsing van deze goederen in een vrije zone of een vrij entrepot wordt toegestaan;

c) die onder de in artikel 166, onder b), bedoelde maatregelen vallen.

3. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de goederen die aan rechten bij uitvoer of aan andere bepalingen betreffende de uitvoer onderworpen zijn, bij de douanedienst worden aangemeld.

4. Op verzoek van de belanghebbende geven de douaneautoriteiten een verklaring af betreffende de communautaire of de niet-communautaire status van de in een vrije zone of een vrij entrepot geplaatste goederen.

C. Werking van de vrije zones en de vrije entrepots

Artikel 171

1. Voor de opslag van goederen in een vrije zone of een vrij entrepot geldt geen tijdsbeperking.

2. Voor bepaalde in artikel 166, onder b), bedoelde goederen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, kunnen volgens de procedure van het Comité specifieke termijnen worden vastgesteld.

Artikel 172

1. In een vrije zone of een vrij entrepot is onder de voorwaarden van dit wetboek elke activiteit van industriële of commerciële aard of met het karakter van dienstverrichting toegestaan. De douaneautoriteiten worden vooraf van de uitoefening van deze activiteiten in kennis gesteld.

2. De douaneautoriteiten kunnen, rekening houdend met de aard van de goederen waarop de genoemde activiteiten betrekking hebben of ten behoeve van het douanetoezicht, bepaalde verboden of beperkingen van de in lid 1 bedoelde activiteiten instellen.

3. De douaneautoriteiten kunnen personen die niet de nodige waarborgen bieden voor de naleving van de in dit wetboek vervatte bepalingen, de uitoefening van een activiteit in een vrije zone of een vrij entrepot verbieden.

Artikel 173

In een vrije zone of een vrij entrepot geplaatste niet-communautaire goederen kunnen tijdens hun verblijf in een vrije zone of een vrij entrepot:

a) in het vrije verkeer worden gebracht onder de bij die regeling en bij artikel 178 bepaalde voorwaarden;

b) zonder vergunning de in artikel 109, lid 1, bedoelde gebruikelijke behandelingen ondergaan;

c) onder de regeling actieve veredeling worden geplaatst onder de bij die regeling vastgestelde voorwaarden.

De veredelingshandelingen die worden verricht op het grondgebied van de oude vrijhaven Hamburg, in de vrije zones van de Canarische eilanden, van de Azoren, van Madeira en van de overzeese departementen, zijn evenwel niet aan de economische voorwaarden onderworpen.

Indien echter, wat de oude vrijhaven Hamburg betreft, de concurrentievoorwaarden in de Gemeenschap in een bepaalde sector van economische actitiveit door deze afwijking ongunstig worden beïnvloed, besluit de Raad, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen, dat op de overeenkomstige, op het grondgebied van de oude vrijhaven Hamburg gevestigde economische activiteit de economische voorwaarden van toepassing zijn;

d) onder de regeling behandeling onder douanetoezicht worden geplaatst onder de bij die regeling vastgestelde voorwaarden;

e) onder de regeling tijdelijke invoer worden geplaatst onder de bij die regeling vastgestelde voorwaarden;

f) worden afgestaan overeenkomstig artikel 182;

g) worden vernietigd, op voorwaarde dat de betrokkene de douaneautoriteiten alle door deze autoriteiten nodig geachte inlichtingen verschaft.

Indien de goederen onder een van de onder c), d) of e) bedoelde regelingen worden geplaatst, kunnen de Lid-Staten de terzake geldende controlevoorschriften aanpassen, voor zover dit nodig is om rekening te houden met de voorwaarden inzake de werking van en het douanetoezicht op de vrije zones en de vrije entrepots.

Artikel 174

De in artikel 166, onder b), bedoelde communautaire goederen die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, kunnen slechts de behandelingen ondergaan welke overeenkomstig artikel 109, lid 2, uitdrukkelijk voor deze goederen zijn vastgesteld. Deze behandelingen kunnen zonder vergunning geschieden.

Artikel 175

1. Indien de artikelen 173 en 174 niet worden toegepast, mogen niet-communautaire goederen en de in artikel 166, onder b), bedoelde communautaire goederen niet in vrije zones of vrije entrepots worden verbruikt, noch gebruikt.

2. Onverminderd de bepalingen die op bevoorradingsprodukten van toepassing zijn en voor zover de betrokken regeling dit toestaat, vormt lid 1 geen beletsel voor het ge- of verbruik van goederen die, indien zij in het vrije verkeer zouden worden gebracht of tijdelijk zouden worden ingevoerd, niet aan de toepassing van rechten bij invoer of aan maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de handelspolitiek onderworpen zouden zijn. In dit geval is geen aangifte tot het in het vrije verkeer brengen of tot tijdelijke invoer vereist.

Aangifte is evenwel vereist indien deze goederen op een contingent of plafond moeten worden afgeboekt.

Artikel 176

1. Elke persoon die een activiteit uitoefent, hetzij opslag, bewerking of verwerking, hetzij aankoop of verkoop van goederen in een vrije zone of een vrij entrepot, dient een voorraadadministratie te voeren in de door de douaneautoriteiten goedgekeurde vorm. Zodra de goederen in de bedrijfsruimten van genoemde persoon aankomen, dienen zij in deze voorraadadministratie te worden opgenomen. De voorraadadministratie moet de douaneautoriteiten in staat stellen de goederen te identificeren en de bewegingen ervan na te gaan.

2. Bij overlading van goederen binnen een vrije zone dienen de op de goederen betrekking hebbende bescheiden ter beschikking van de douaneautoriteiten te worden gehouden. De opslag van goederen voor korte tijd, die inherent is aan deze overlading, wordt beschouwd als onderdeel van de overlading.

D. Uitslag van goederen uit vrije zones of vrije entrepots

Artikel 177

Onverminderd de bijzondere bepalingen die in het kader van specifieke wetgeving inzake douane zijn vastgesteld, kunnen goederen die een vrije zone of een vrij entrepot verlaten:

- uit het douanegebied van de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, of

- in de andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht.

De bepalingen van titel III zijn, met uitzondering van de artikelen 48 tot en met 53 wat communautaire goederen betreft, van toepassing op goederen die in de andere delen van het genoemde douanegebied worden binnengebracht, behalve wanneer het goederen betreft die deze zone over zee of door de lucht verlaten zonder onder een regeling voor douanevervoer of een andere douaneregeling te zijn geplaatst.

Artikel 178

1. Indien een douaneschuld ontstaat ten aanzien van niet-communautaire goederen en de douanewaarde van deze goederen op een werkelijk betaalde of te betalen prijs berust die ook de kosten van het opslaan en het in goede staat bewaren van de goederen gedurende het verblijf in een vrije zone of een vrij entrepot omvat, dienen deze kosten niet in de douanewaarde te worden begrepen, op voorwaarde dat zij zijn te onderscheiden van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs.

2. Indien deze genoemde goederen in een vrije zone of een vrij entrepot bepaalde gebruikelijke behandelingen in de zin van artikel 109, lid 1, hebben ondergaan, wordt op verzoek van de aangever en op voorwaarde dat genoemde behandelingen met overeenkomstig lid 3 van genoemd artikel gegeven toestemming zijn geschied, voor het vaststellen van het bedrag van de rechten bij invoer uitgegaan van de soort, de douanewaarde en de hoeveelheid die, wat deze goederen betreft, op het in artikel 214 vermelde tijdstip in aanmerking zouden zijn genomen indien de betrokken goederen genoemde behandelingen niet zouden hebben ondergaan. Er kunnen evenwel afwijkingen van die bepaling worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 179

1. De in een vrije zone of een vrij entrepot geplaatste communautaire goederen, bedoeld in artikel 166, onder b), die onder het gemeenschappelijk landbouwbeleid vallen, dienen een van de bestemmingen te krijgen die zijn vastgesteld bij de wetgeving die voor deze goederen, wegens de plaatsing ervan in een vrije zone of een vrij entrepot, voorziet in maatregelen die in beginsel aan de uitvoer van goederen zijn verbonden.

2. Indien deze goederen opnieuw in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht of indien bij het verstrijken van de overeenkomstig artikel 171, lid 2, vastgestelde termijn geen verzoek is ingediend om aan de goederen een van de in lid 1 bedoelde bestemmingen te geven, nemen de douaneautoriteiten de maatregelen die zijn vastgesteld bij de betrokken specifieke wetgeving die bij niet-inachtneming van de voorgeschreven bestemming geldt.

Artikel 180

1. Ingeval de goederen in andere delen van het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht of daar opnieuw worden binnengebracht of onder een douaneregeling worden geplaatst, kan de in artikel 170, lid 4, bedoelde verklaring worden gebruikt om de communautaire of de niet-communautaire status van deze goederen aan te tonen.

2. Indien noch door middel van de verklaring noch anderszins is aangetoond dat de goederen de status van communautaire of van niet-communautaire goederen hebben, worden deze goederen beschouwd:

- als communautaire goederen, voor de toepassing van de rechten bij uitvoer en de uitvoercertificaten alsmede van de in het kader van de handelspolitiek ten aanzien van de uitvoer vastgestelde maatregelen;

- als niet-communautaire goederen, in de overige gevallen.

Artikel 181

De douaneautoriteiten vergewissen zich ervan dat, wanneer goederen uit een vrije zone of een vrij entrepot worden uitgevoerd of wederuitgevoerd, de geldende bepalingen inzake de uitvoer of de wederuitvoer worden nageleefd.

Afdeling 2

Wederuitvoer, vernietiging en afstand van goederen

Artikel 182

1. Niet-communautaire goederen kunnen:

- uit het douanegebied van de Gemeenschap worden wederuitgevoerd;

- worden vernietigd;

- aan de Schatkist worden afgestaan indien de nationale wetgeving in deze mogelijkheid voorziet.

2. De wederuitvoer behelst in voorkomend geval de toepassing van de voor de uitslag van goederen voorgeschreven formaliteiten, met inbegrip van de handelspolitieke maatregelen.

Volgens de procedure van het Comité kunnen de gevallen worden bepaald waarin niet-communautaire goederen onder een schorsingsregeling kunnen worden geplaatst met het oog op de niet-toepassing van handelspolitieke maatregelen bij uitvoer.

3. De douaneautoriteiten worden vooraf van de wederuitvoer of de vernietiging van goederen in kennis gesteld. De douaneautoriteiten verbieden de wederuitvoer wanneer de in lid 2, eerste alinea, bedoelde formaliteiten of maatregelen zulks voorschrijven. Wanneer goederen die tijdens hun verblijf in het douanegebied van de Gemeenschap onder een economische douaneregeling waren geplaatst, bestemd zijn voor wederuitvoer, dient een douaneaangifte in de zin van de artikelen 59 tot en met 78 te worden ingediend. In dit geval zijn de leden 4 en 5 van artikel 161 van toepassing.

Het afstaan van goederen geschiedt overeenkomstig de nationale bepalingen.

4. Het vernietigen of afstaan van de goederen mag voor de Schatkist geen kosten meebrengen.

5. De eventuele resten en afvallen van de vernietiging dienen zelf een van de voor niet-communautaire goederen vastgestelde douanebestemmingen te krijgen.

Zij bevinden zich onder douanetoezicht tot het in artikel 37, lid 2, bedoelde tijdstip.

TITEL V GOEDEREN DIE HET DOUANEGEBIED VAN DE GEMEENSCHAP VERLATEN

Artikel 183

Goederen die het douanegebied van de Gemeenschap verlaten, zijn onderworpen aan douanetoezicht. Zij kunnen overeenkomstig de geldende bepalingen door de douaneautoriteiten aan controles worden onderworpen. Zij dienen dat gebied te verlaten, in voorkomend geval, langs de weg die door de douaneautoriteiten is vastgesteld en op de door deze autoriteiten bepaalde wijze.

TITEL VI DE BEGUNSTIGDE VERRICHTINGEN

HOOFDSTUK 1

VRIJSTELLINGEN

Artikel 184

De Raad stelt, op voorstel van de Commissie, met gekwalificeerde meerderheid van stemmen de gevallen vast waarin, wegens bijzondere omstandigheden, bij het in het vrije verkeer brengen of de uitvoer van goederen vrijstelling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend.

HOOFDSTUK 2

TERUGKERENDE GOEDEREN

Artikel 185

1. Communautaire goederen die, na uit het douanegebied van de Gemeenschap te zijn uitgevoerd, opnieuw in dit douanegebied worden binnengebracht en binnen een termijn van drie jaar in het vrije verkeer worden gebracht, worden op verzoek van de belanghebbende van rechten bij invoer vrijgesteld.

Evenwel geldt dat:

- de termijn van drie jaar kan worden overschreden om rekening te houden met bijzondere omstandigheden;

- indien de terugkerende goederen vóór hun uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap in het vrije verkeer waren gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van het gebruik ervan voor bijzondere doeleinden, de in lid 1 bedoelde vrijstelling slechts mag worden verleend indien de goederen opnieuw voor dezelfde doeleinden worden gebruikt.

Indien de goederen niet voor dezelfde doeleinden worden gebruikt, wordt het bedrag aan rechten bij invoer waaraan zij zijn onderworpen, verminderd met het bedrag dat eventueel is geheven op het tijdstip waarop zij voor het eerst in het vrije verkeer werden gebracht. Als dit laatste bedrag hoger is dan het bedrag dat voortvloeit uit het in het vrije verkeer brengen van de terugkerende goederen, wordt geen terugbetaling verleend.

2. De in lid 1 bedoelde vrijstelling van rechten bij invoer wordt niet verleend voor:

a) goederen die in het kader van de regeling passieve veredeling uit het douanegebied van de Gemeenschap zijn uitgevoerd, tenzij deze goederen zich nog bevinden in de staat waarin zij werden uitgevoerd;

b) goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een communautaire maatregel die de uitvoer ervan naar derde landen inhield. De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder van deze bepaling kan worden afgeweken, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 186

De in artikel 185 bedoelde vrijstelling van rechten bij invoer wordt slechts verleend wanneer de goederen worden wederingevoerd in de staat waarin zij werden uitgevoerd. De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder van deze voorwaarde kan worden afgeweken, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 187

De artikelen 185 en 186 zijn mutatis mutandis van toepassing op veredelingsprodukten die oorspronkelijk werden uitgevoerd of wederuitgevoerd na onder een regeling actieve veredeling te zijn geplaatst.

Het bedrag aan wettelijk verschuldigde rechten bij invoer wordt vastgesteld volgens de bepalingen die in het kader van de regeling actieve veredeling gelden. De datum van de wederuitvoer van de veredelingsprodukten wordt beschouwd als de datum van het in het vrije verkeer brengen.

HOOFDSTUK 3

PRODUKTEN VAN DE ZEEVISSERIJ EN ANDERE UIT ZEE GEWONNEN PRODUKTEN

Artikel 188

Onverminderd artikel 23, lid 2, onder f), zijn bij het in het vrije verkeer brengen van de rechten bij invoer vrijgesteld:

a) visserijprodukten en andere produkten die in de territoriale zee van een derde land zijn gewonnen door in een Lid-Staat ingeschreven of geregistreerde schepen die de vlag van deze Lid-Staat voeren;

b) produkten die aan boord van fabrieksschepen die aan de onder a) genoemde voorwaarden voldoen, uit de onder a) bedoelde produkten zijn verkregen.

TITEL VII DOUANESCHULD

HOOFDSTUK I

ZEKERHEIDSTELLING VOOR HET BEDRAG VAN DE DOUANESCHULD

Artikel 189

1. Indien, overeenkomstig de douanewetgeving, de douaneautoriteiten eisen dat zekerheid wordt gesteld om de betaling van een douaneschuld te waarborgen, dient deze zekerheid te worden gesteld door de schuldenaar of door de persoon die schuldenaar kan worden.

2. De douaneautoriteiten kunnen voor een zelfde douaneschuld slechts één zekerheidstelling eisen.

Indien een zekerheid wordt gesteld in het kader van een douaneregeling die voor bepaalde goederen in verscheidene Lid-Staten kan worden gebruikt, is deze zekerheid, binnen de grenzen van de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen, in de betrokken Lid-Staten geldig.

3. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat zekerheid wordt gesteld door een derde in plaats van door de persoon van wie de zekerheidstelling was geëist.

4. Geen zekerheidstelling is vereist wanneer de schuldenaar of de persoon die schuldenaar kan worden een overheidslichaam is.

5. De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot zekerheidstelling wanneer het bedrag van de te stellen zekerheid niet meer dan 500 ecu bedraagt.

Artikel 190

1. Indien de douanewetgeving in facultatieve zekerheidstelling voorziet, oordelen de douaneautoriteiten of zekerheid moet worden geëist, in de mate waarin het niet zeker is dat de betaling binnen de gestelde termijnen van een douaneschuld die is of kan ontstaan, gewaarborgd is.

Indien de in de eerste alinea bedoelde zekerheid niet wordt geëist, kunnen de douaneautoriteiten niettemin de in artikel 189, lid 1, bedoelde persoon vragen dat deze zich ertoe verbindt de verplichtingen waartoe hij wettelijk is gehouden, na te komen.

2. De in lid 1, eerste alinea, bedoelde zekerheidstelling kan worden geëist:

- hetzij op het tijdstip zelf waarop de bepalingen worden toegepast die in de mogelijkheid voorzien een dergelijke zekerheidstelling te eisen,

- hetzij op enig later tijdstip waarop de douaneautoriteiten vaststellen dat de betaling binnen de gestelde termijnen van de douaneschuld die is of kan ontstaan, niet zeker is.

Artikel 191

Op verzoek van de in artikel 189, lid 1 of lid 3, bedoelde persoon staan de douaneautoriteiten toe dat ter dekking van verscheidene transacties die tot het ontstaan van een douaneschuld aanleiding geven of kunnen geven, een doorlopende zekerheid wordt gesteld.

Artikel 192

1. Indien de douanewetgeving tot zekerheidstelling verplicht, stellen de douaneautoriteiten het bedrag van deze zekerheid vast op een niveau dat gelijk is aan:

- het juiste bedrag van de desbetreffende douaneschuld of -schulden, indien dit bedrag op het tijdstip waarop de zekerheidstelling wordt geëist, nauwkeurig kan worden bepaald,

- het door de douaneautoriteiten geraamde hoogste bedrag van de douaneschuld of -schulden die zijn of kunnen ontstaan in de overige gevallen.

Indien voor douaneschulden waarvan het bedrag in de tijd varieert, een doorlopende zekerheid wordt gesteld, dient deze zekerheid op een zodanig niveau te worden vastgesteld dat het bedrag van de betrokken douaneschulden steeds is gedekt.

2. Indien de douanewetgeving in facultatieve zekerheidstelling voorziet en de douaneautoriteiten zekerheidstelling eisen, stellen deze autoriteiten het bedrag van de zekerheid vast op een niveau dat niet hoger ligt dan dat bedoeld in lid 1.

3. De gevallen waarin en de voorwaarden waaronder een forfaitaire zekerheid kan worden gesteld, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité.

Artikel 193

De zekerheid kan worden gesteld:

- hetzij door storting van contant geld;

- hetzij door borgstelling.

Artikel 194

1. De storting van contant geld geschiedt in de valuta van de Lid-Staat waar de zekerheidstelling wordt geëist.

Met storting van contant geld worden gelijkgesteld:

- het deponeren van een cheque waarvan de betaling door de instelling waarop deze cheque is getrokken, wordt gegarandeerd op gelijk welke voor de douaneautoriteiten aanvaardbare wijze;

- het deponeren van elk ander, door genoemde autoriteiten als betaalmiddel erkend waardepapier.

2. De storting van contant geld of het deponeren van daarmee gelijkgestelde waardepapieren dient te geschieden overeenkomstig de voorschriften van de Lid-Staat waar de zekerheidstelling wordt geëist.

Artikel 195

De borg dient er zich schriftelijk toe te verbinden het bedrag waarvoor zekerheid is gesteld, hoofdelijk met de schuldenaar te betalen, indien de douaneschuld opeisbaar wordt.

De borg is een in de Gemeenschap gevestigde derde die door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat is erkend.

De douaneautoriteiten kunnen weigeren de voorgestelde borg te erkennen, indien deze naar hun mening niet alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijn zal worden betaald.

Artikel 196

De zekerheidplichtige heeft de vrije keuze tussen de in artikel 193 genoemde wijzen van zekerheidstelling.

De douaneautoriteiten kunnen echter weigeren de voorgestelde wijze van zekerheidstelling te aanvaarden wanneer deze onverenigbaar is met de goede werking van de desbetreffende douaneprocedure. Hetzelfde geldt voor de voorgestelde zekerheid. De douaneautoriteiten kunnen eisen dat de gekozen wijze van zekerheidstelling gedurende een bepaalde periode gehandhaafd blijft.

Artikel 197

1. Voor zover de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen daarin voorzien, kunnen de douaneautoriteiten andere dan de in artikel 193 genoemde wijzen van zekerheidstelling aanvaarden, mits deze de betaling van de douaneschuld op een gelijkwaardige wijze waarborgen.

De douaneautoriteiten weigeren de door de schuldenaar voorgestelde zekerheid wanneer het, naar hun mening, niet zeker is dat deze de betaling van de douaneschuld waarborgt.

2. Onder hetzelfde voorbehoud als bedoeld in lid 1, tweede alinea, kunnen de douaneautoriteiten een storting van contant geld aanvaarden zonder dat aan de in artikel 194, lid 1, gestelde voorwaarden is voldaan.

Artikel 198

Indien de douaneautoriteiten vaststellen dat de gestelde zekerheid niet of niet meer alle waarborgen biedt dat de douaneschuld binnen de gestelde termijnen in haar geheel zal worden voldaan, eisen zij van de in artikel 189, lid 1, bedoelde persoon dat deze, naar eigen keuze, hetzij een aanvullende zekerheid stelt, hetzij de oorspronkelijke zekerheid door een nieuwe vervangt.

Artikel 199

1. De zekerheid kan niet worden vrijgegeven zolang de douaneschuld waarvoor zij werd gesteld, niet is tenietgegaan of nog kan ontstaan. Zodra de douaneschuld is tenietgegaan of niet meer kan ontstaan, dient de zekerheid onmiddellijk te worden vrijgegeven.

2. Indien de douaneschuld ten dele is tenietgegaan of voor een gedeelte van het bedrag waarvoor zekerheid werd gesteld, niet meer kan ontstaan, wordt de gestelde zekerheid op verzoek van de betrokkene dienovereenkomstig gedeeltelijk vrijgegeven, tenzij het betrokken bedrag zulks niet rechtvaardigt.

Artikel 200

Indien nodig worden, volgens de procedure van het Comité, van dit hoofdstuk afwijkende bepalingen vastgesteld ten einde met internationale overeenkomsten rekening te houden.

HOOFDSTUK 2

ONTSTAAN VAN DE DOUANESCHULD

Artikel 201

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) wanneer aan rechten bij invoer onderworpen goederen in het vrije verkeer worden gebracht, of

b) wanneer dergelijke goederen onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer worden geplaatst.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneaangifte wordt aanvaard.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de douaneaangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Wanneer een douaneaangifte voor een van de in lid 1 bedoelde regelingen is opgesteld op basis van gegevens die ertoe leiden dat de wettelijk veschuldigde rechten geheel of gedeeltelijk niet worden geheven, kunnen de personen die deze voor de opstelling van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren, overeenkomstig de geldende nationale bepalingen eveneens als schuldenaar worden beschouwd.

Artikel 202

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen op onregelmatige wijze in het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht, of

b) indien dergelijke, zich in een vrije zone of een vrij entrepot bevindende goederen op onregelmatige wijze in een ander deel van genoemd douanegebied worden binnengebracht.

Onder "op onregelmatige wijze binnenbrengen" van goederen in de zin van dit artikel wordt verstaan: elk binnenbrengen van goederen in strijd met de bepalingen van de artikelen 38 tot en met 41 en met die van artikel 177, tweede streepje.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen op onregelmatige wijze worden binnengebracht.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen op onregelmatige wijze heeft binnengebracht;

- de personen die aan dit binnenbrengen van goederen hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat zulks op onregelmatige wijze geschiedde;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die, op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze op onregelmatige wijze waren binnengebracht.

Artikel 203

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken.

3. Schuldenaren zijn:

- de persoon die de goederen aan het douanetoezicht heeft onttrokken;

- de personen die aan deze onttrekking hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat de goederen aan het douanetoezicht werden onttrokken;

- de personen die de betrokken goederen hebben verworven of deze onder zich hebben gehad en die op het ogenblik waarop zij de goederen verwierven of ontvingen, wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat deze aan het douanetoezicht waren ontrokken;

- alsmede, in voorkomend geval, de persoon die de verplichtingen welke voortvloeien uit de tijdelijke opslag van de goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze waren geplaatst, dient na te komen.

Artikel 204

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of

b) indien een van de voorwaarden die voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen zijn gesteld, niet in acht is genomen,

in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling.

2. De douaneschuld ontstaat, hetzij op het tijdstip waarop niet meer wordt voldaan aan de verplichting waarvan de niet-nakoming de douaneschuld doet ontstaan, hetzij op het tijdstip waarop de goederen onder de betrokken douaneregeling werden geplaatst, wanneer achteraf blijkt dat aan een van de voorwaarden voor de plaatsing van de genoemde goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van de bijzondere bestemming van de goederen, niet is voldaan.

3. Schuldenaar is de persoon die, naar gelang van het geval, hetzij de verplichtingen moet nakomen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst, hetzij de aan de plaatsing van de goederen onder de regeling verbonden voorwaarden in acht moet nemen.

Artikel 205

1. Een douaneschuld bij invoer ontstaat indien aan rechten bij invoer onderworpen goederen in een vrije zone of in een vrij entrepot worden verbruikt of gebruikt op een andere wijze dan bij de geldende bepalingen is voorgeschreven.

Ingeval goederen verdwijnen en deze verdwijning niet ten genoegen van de douaneautoriteiten kan worden gerechtvaardigd, kunnen deze oordelen dat de goederen in de vrije zone of het vrije entrepot zijn verbruikt of gebruikt.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen worden verbruikt of voor het eerst worden gebruikt op een andere wijze dan bij de geldende bepalingen is voorgeschreven.

3. Schuldenaar is de persoon die de goederen heeft verbruikt of gebruikt evenals de personen die aan dit verbruik of gebruik hebben deelgenomen, terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat dit verbruik of gebruik op een andere wijze geschiedde dan bij de geldende bepalingen is voorgeschreven.

Indien de douaneautoriteiten bij verdwijning van goederen van oordeel zijn dat die goederen zijn verbruikt of gebruikt in de vrije zone of het vrije entrepot en het niet mogelijk is de voorgaande alinea toe te passen, is schuldenaar de persoon die, voor zover deze autoriteiten bekend, als laatste de goederen in zijn bezit heeft gehad.

Artikel 206

1. In afwijking van de artikelen 202 en 204, lid 1, onder a), wordt ten aanzien van bepaalde goederen geen douaneschuld bij invoer geacht te ontstaan wanneer de belanghebbende het bewijs levert dat de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit:

- hetzij de artikelen 38 tot en met 41 of artikel 177, tweede streepje,

- hetzij de tijdelijke opslag van de betrokken goederen,

- hetzij het gebruik van de douaneregeling waaronder deze goederen zijn geplaatst,

het gevolg is van de algehele vernietiging of het onherstelbare verlies van bedoelde goederen door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht of wel na toestemming van de douaneautoriteiten.

In de zin van dit lid zijn goederen onherstelbaar verloren wanneer zij voor een ieder onbruikbaar zijn geworden.

2. Een douaneschuld bij invoer wordt evenmin geacht te ontstaan ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, wanneer deze goederen met toestemming van de douaneautoriteiten worden uitgevoerd of wederuitgevoerd.

Artikel 207

Indien overeenkomstig artikel 206, lid 1, geen douaneschuld wordt geacht te ontstaan ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van hun bijzondere bestemming, worden de resten en afvallen van de vernietiging als niet-communautaire goederen beschouwd.

Artikel 208

Indien overeenkomstig artikel 203 of 204 een douaneschuld ontstaat ten aanzien van goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht met toepassing van een verlaagd recht bij invoer uit hoofde van hun bijzondere bestemming, wordt het bij het in het vrije verkeer brengen betaalde bedrag op het bedrag van de ontstane douaneschuld in mindering gebracht.

Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing wanneer een douaneschuld ontstaat ten aanzien van de resten en afvallen die het resultaat zijn van de vernietiging van dergelijke goederen.

Artikel 209

1. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat bij de uitvoer uit het douanegebied van de Gemeenschap, met douaneaangifte, van goederen welke aan rechten bij uitvoer zijn onderworpen.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip van aanvaarding van deze douaneaangifte.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Artikel 210

1. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat indien aan rechten bij uitvoer onderworpen goederen het douanegebied van de Gemeenschap zonder douaneaangifte verlaten.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de genoemde goederen het douanegebied van de Gemeenschap daadwerkelijk verlaten.

3. Schuldenaar is:

- de persoon die de goederen heeft doen uitgaan, alsmede

- de personen die hieraan hebben deelgenomen terwijl zij wisten of redelijkerwijze hadden moeten weten dat geen douaneaangifte was ingediend, ofschoon een dergelijke aangifte wel had moeten worden ingediend.

Artikel 211

1. Een douaneschuld bij uitvoer ontstaat bij niet-nakoming van de voorwaarden waaronder de goederen het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij uitvoer konden verlaten.

2. De douaneschuld ontstaat op het tijdstip waarop de goederen een andere bestemming bereiken dan die op grond waarvan zij het douanegebied van de Gemeenschap met gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij uitvoer konden verlaten of, indien de douaneautoriteiten niet in staat zijn dit tijdstip te bepalen, het tijdstip waarop de termijn verstrijkt welke is vastgesteld om het bewijs te leveren dat aan de voorwaarden welke aan deze vrijstelling zijn verbonden, is voldaan.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

Artikel 212

De in de artikelen 201 tot en met 205 en 209 tot en met 211 bedoelde douaneschuld ontstaat zelfs indien zij betrekking heeft op goederen die het voorwerp van een verbod of en beperking van de invoer of de uitvoer uitmaken, ongeacht de aard daarvan. Er ontstaat echter geen douaneschuld bij het op onregelmatige wijze binnenbrengen in het douanegebied van de Gemeenschap van vals geld of verdovende middelen en psychotrope stoffen die geen deel uitmaken van het door de bevoegde autoriteiten streng gecontroleerde economische circuit ten behoeve van gebruik voor medische en wetenschappelijke doeleinden. Voor de strafwetgeving van toepassing op inbreuken op de douanewetgeving wordt deze douaneschuld evenwel geacht te zijn ontstaan indien de strafwetgeving van een Lid-Staat bepaalt dat de douanerechten als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties, of indien het bestaan van een douaneschuld een grond vormt tot strafvervolging.

Artikel 213

Indien er voor een zelfde douaneschuld verscheidende schuldenaren zijn, zijn zij hoofdelijk tot betaling van deze schuld gehouden.

Artikel 214

1. Behoudens andersluidende specifieke bepalingen die in dit wetboek zijn vastgesteld en onverminderd lid 2, wordt het bedrag van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer waaraan goederen zijn onderworpen, vastgesteld op grond van de voor deze goederen geldende heffingsgrondslagen op het tijdstip waarop de desbetreffende douaneschuld ontstaat.

2. Indien het tijdstip waarop de douaneschuld ontstaat, niet nauwkeurig kan worden bepaald, is het tijdstip dat voor de vaststelling van de voor de betrokken goederen geldende heffingsgrondslagen in aanmerking moet worden genomen, het tijdstip waarop de douaneautoriteiten vaststellen dat deze goederen zich in een situatie bevinden die een douaneschuld heeft doen ontstaan.

Indien evenwel uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld op een eerder tijdstip is ontstaan dan dat waarop zij die vaststelling hebben gedaan, wordt het bedrag van de rechten bij invoer of de rechten bij uitvoer voor de betrokken goederen vastgesteld op grond van de heffingsgrondslagen die daarvoor golden op het vroegste tijdstip waarop het bestaan van de uit die situatie voortvloeiende douaneschuld aan de hand van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld.

3. Ten einde ieder financieel voordeel op grond van uitstel van de datum van ontstaan of boeking van de douaneschuld te voorkomen, is in de gevallen en onder de voorwaarden die zijn omschreven in de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen, compensatierente verschuldigd.

Artikel 215

1. De douaneschuld ontstaat op de plaats waar de feiten zich voordoen die tot het ontstaan van deze schuld leiden.

2. Indien de in lid bedoelde plaats niet kan worden bepaald, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waar de douaneautoriteiten vaststellen dat de goederen zich in een situatie bevinden die tot het ontstaan van een douaneschuld heeft geleid.

3. Indien een douaneregeling voor bepaalde goederen niet is beëindigd, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan:

- op de plaats waar de goederen onder de regeling zijn geplaatst, of

- op de plaats waar de goederen de Gemeenschap onder de betrokken regeling zijn binnengekomen.

4. Indien evenwel uit de gegevens waarover de douaneautoriteiten beschikken, blijkt dat de douaneschuld reeds op een eerder tijdstip was ontstaan, toen de goederen zich op een andere plaats bevonden, wordt de douaneschuld geacht te zijn ontstaan op de plaats waarvan kan worden vastgesteld dat zij zich daar bevonden op het vroegste tijdstip waarvan het bestaan van de douaneschuld kan worden vastgesteld.

Artikel 216

1. Voor zover tussen de Gemeenschap en bepaalde derde landen gesloten overeenkomsten voor goederen van oorsprong uit de Gemeenschap in de zin van deze overeenkomsten in de toekenning, bij invoer in deze derde landen, van een preferentiële tariefbehandeling voorzien, onder het voorbehoud dat, wanneer deze goederen onder de regeling actieve veredeling zijn verkregen, de daarin verwerkte niet-communautaire goederen aan de betaling van de daarop betrekking hebbende rechten bij invoer zijn onderworpen, ontstaat een douaneschuld bij invoer door de geldigmaking van de documenten die voor het in derde landen verkrijgen van deze preferentiële tariefbehandeling nodig zijn.

2. Het tijdstip waarop deze douaneschuld ontstaat, wordt geacht het tijdstip te zijn waarop de douaneautoriteiten de aangifte ten uitvoer van de betrokken goederen aanvaarden.

3. Schuldenaar is de aangever. In geval van indirecte vertegenwoordiging is de persoon voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, eveneens schuldenaar.

4. Het bedrag van de rechten bij invoer waarop deze douaneschuld betrekking heeft, wordt vastgesteld alsof het een douaneschuld betrof die door de aanvaarding, op dezelfde datum, van de aangifte voor het vrije verkeer van de betrokken goederen ter beëindiging van de regeling actieve veredeling is ontstaan.

HOOFDSTUK 3

INVORDERING VAN HET BEDRAG VAN DE DOUANESCHULD

Afdeling 1

Boeking en mededeling van het bedrag van de rechten aan de schuldenaar

Artikel 217

1. Elk bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer dat voortvloeit uit een douaneschuld, hierna "bedrag aan rechten" genoemd, dient door de douaneautoriteiten te worden berekend zodra deze over de nodige gegevens beschikken en dient door deze autoriteiten in de boekhouding of op iedere andere drager die als zodanig dienst doet, te worden geregistreerd (boeking).

De eerste alinea is niet van toepassing in gevallen:

a) waarin een voorlopig anti-dumpingrecht of compenserend recht is ingesteld;

b) waarin het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten hoger is dan het bedrag dat op grond van een bindende tariefinlichting is vastgesteld;

c) waarin de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen de douaneautoriteiten van de verplichting ontheffen bedragen aan rechten te boeken die kleiner zijn dan een bepaald bedrag.

De douaneautoriteiten mogen afzien van de boeking van bedragen aan rechten waarvan de schuldenaar, overeenkomstig artikel 218, lid 3, niet in kennis mag worden gesteld omdat de termijn daarvoor is verstreken.

2. De Lid-Staten stellen nadere voorschriften vast voor de boeking van de bedragen aan rechten. Deze voorschriften kunnen verschillen naar gelang de douaneautoriteiten, rekening houdend met de omstandigheden waaronder de douaneschuld is ontstaan, er al dan niet verzekerd van zijn dat de genoemde bedragen zullen worden betaald.

Artikel 218

1. Indien door de aanvaarding van de aangifte van goederen voor een andere douaneregeling dan die van de tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van de rechten bij invoer, of door enige andere handeling die dezelfde rechtsgevolgen heeft als die aanvaarding, een douaneschuld ontstaat, dient het met die douaneschuld overeenkomende bedrag te worden geboekt zodra dit bedrag is berekend, of uiterlijk op de tweede dag volgende op de dag waarop de goederen zijn vrijgegeven.

Niettemin kunnen, onder voorbehoud dat de betaling gewaarborgd is, alle bedragen met betrekking tot goederen die tijdens een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste eenendertig dagen ten gunste van een zelfde persoon werden vrijgegeven, aan het einde van deze periode in één keer worden geboekt. Deze boeking dient te geschieden binnen een termijn van vijf dagen te rekenen vanaf de datum waarop de betrokken periode verstrijkt.

2. Indien is bepaald dat goederen kunnen worden vrijgegeven in afwachting dat wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden van het gemeenschapsrecht die, hetzij aan de vaststelling van het bedrag van de ontstane douaneschuld, hetzij aan de inning van dit bedrag zijn verbonden, dient de boeking te geschieden uiterlijk twee dagen na de dag waarop, hetzij het bedrag van de douaneschuld, hetzij de verplichting tot betaling van de uit deze douaneschuld voortvloeiende rechten is vastgesteld.

Indien de douaneschuld evenwel betrekking heeft op een voorlopig anti-dumpingrecht of compenserend recht, dient dit recht te worden geboekt uiterlijk twee maanden na het tijdstip waarop de verordening tot instelling van een definitief anti-dumpingrecht of van een definitief compenserend recht in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen is bekendgemaakt.

3. Indien een douaneschuld ontstaat onder andere omstandigheden dan die bedoeld in lid 1, dient het overeenkomstige bedrag aan rechten te worden geboekt binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten in staat zijn:

a) het bedrag van de desbetreffende rechten te berekenen, en

b) de schuldenaar aan te wijzen.

Artikel 219

1. De in artikel 218 bedoelde termijnen voor de boeking kunnen worden verlengd:

a) hetzij om redenen die met de administratieve organisatie van de Lid-Staten verband houden, met name in geval van een gecentraliseerde comptabiliteit;

b) hetzij in gevallen waarin bijzondere omstandigheden de douaneautoriteiten beletten deze termijnen na te leven.

De aldus verlengde termijnen mogen niet meer dan veertien dagen bedragen.

2. De in lid 1 bedoelde termijnen zijn niet van toepassing in onvoorziene gevallen of bij overmacht.

Artikel 220

1. Indien het bedrag aan rechten dat voortvloeit uit een douaneschuld, niet is geboekt overeenkomstig de artikelen 218 en 219 of wanneer een lager bedrag is geboekt dan het wettelijk verschuldigde bedrag, dient de boeking van het in te vorderen of aanvullend in te vorderen bedrag aan rechten te geschieden binnen een termijn van twee dagen te rekenen vanaf de datum waarop de douaneautoriteiten deze situatie hebben vastgesteld en het wettelijk verschuldigde bedrag kunnen berekenen en zij de schuldenaar kunnen aanwijzen (boeking achteraf). Deze termijn kan overeenkomstig artikel 219 worden verlengd.

2. Behalve in de gevallen als bedoeld in artikel 217, lid 1, tweede en derde alinea, wordt niet tot boeking achteraf overgegaan wanneer:

a) het oorspronkelijke besluit om de rechten niet te boeken of een lager bedrag te boeken dan het wettelijk verschuldigde bedrag is genomen op grond van algemene bepalingen die naderhand bij een rechterlijke uitspraak ongeldig zijn verklaard;

b) het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt, ten gevolge van een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij deze laatste zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan;

c) de volgens de procedure van het Comité vastgestelde bepalingen de autoriteiten ontheffing verlenen van boeking achteraf van bedragen aan rechten die kleiner zijn dan een bepaald bedrag.

Artikel 221

1. Het bedrag van de rechten dient onmiddellijk na de boeking op een daartoe geëigende wijze aan de schuldenaar te worden medegedeeld.

2. Indien het verschuldigde bedrag aan rechten ter informatie in de douaneaangifte is vermeld, kunnen de douaneautoriteiten bepalen dat de in lid 1 bedoelde mededeling slechts wordt gedaan indien het vermelde bedrag aan rechten van het door hen vastgestelde bedrag afwijkt.

Indien van de in de eerste alinea van dit lid geboden mogelijkheid gebruik wordt gemaakt, geldt, onverminderd de toepassing van artikel 218, lid 1, tweede alinea, de vrijgave van de goederen door de douaneautoriteiten als mededeling van het geboekte bedrag van de rechten aan de schuldenaar.

3. De mededeling aan de schuldenaar mag niet meer geschieden na het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop de douaneschuld is ontstaan. Wanneer de douaneautoriteiten evenwel ingevolge een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet in staat waren het juiste bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten vast te stellen, mag de vorenbedoelde mededeling, voor zover de geldende bepalingen daarin voorzien, nog na het verstrijken van de genoemde termijn van drie jaar worden gedaan.

Afdeling 2

Termijn en wijzen van betaling van het bedrag aan rechten

Artikel 222

1. Elk bedrag aan rechten dat is medegedeeld als bedoeld in artikel 221, dient binnen de hierna volgende termijnen door de schuldenaar te worden voldaan:

a) indien deze persoon voor geen van de in de artikelen 224 tot en met 229 bedoelde betalingsfaciliteiten in aanmerking komt, dient de betaling binnen de hem toegestane termijn te geschieden.

Onverminderd artikel 244, tweede alinea, mag deze termijn niet meer bedragen dan tien dagen te rekenen vanaf de datum waarop het verschuldigde bedrag aan rechten aan de schuldenaar werd medegedeeld en dient deze, in geval van boeking van alle bedragen in één keer onder de in artikel 218, lid 1, tweede alinea, bedoelde voorwaarden, zodanig te worden vastgesteld dat de schuldenaar geen langere betalingstermijn wordt toegekend dan wanneer hij voor uitstel van betaling in aanmerking zou zijn gekomen.

Verlenging van de termijn wordt ambtshalve toegestaan wanneer vaststaat dat de belanghebbende de mededeling te laat heeft ontvangen om de voor betaling toegekende termijn in acht te kunnen nemen.

Voorts kunnen de douaneautoriteiten op verzoek van de schuldenaar een verlenging van de termijn toestaan waneer het verschuldigde bedrag aan rechten uit een navordering voortvloeit. Onverminderd artikel 229, onder a), mag de aldus toegestane verlenging van de termijn niet meer bedragen dan de tijd die de schuldenaar nodig heeft om de maatregelen te nemen welke noodzakelijk zijn om zijn verplichtingen na te komen;

b) indien deze persoon voor een van de in de artikelen 224 tot en met 229 bedoelde betalingsfaciliteiten in aanmerking komt, dient betaling uiterlijk op de laatste dag van de in het kader van deze faciliteiten vastgestelde termijn of termijnen te geschieden.

2. Indien een verzoek tot kwijtschelding van rechten wordt ingediend overeenkomstig artikel 238, 239 of 240 of wanneer goederen in beslag worden genomen met het oog op verbeurdverklaring naderhand overeenkomstig artikel 233, onder c), tweede streepje, of d), wordt de verplichting van de schuldenaar om de rechten te voldoen opgeschort onder de volgens de procedure van het Comité vastgestelde voorwaarden.

Artikel 223

De betaling dient in contanten te geschieden of met elk ander middel dat een soortgelijk bevrijdend karakter heeft overeenkomstig de geldende bepalingen. De betaling mag door compensatie geschieden wanneer de geldende bepalingen daarin voorzien.

Artikel 224

Voor zover het bedrag aan rechten betrekking heeft op goederen die zijn aangegeven voor een douaneregeling welke de verplichting tot betaling van dergelijke rechten inhoudt, staan de douaneautoriteiten de belanghebbende, op zijn verzoek, onder de in de artikelen 225, 226 en 227 vastgestelde voorwaarden uitstel van betaling van dat bedrag toe.

Artikel 225

Aan het verlenen van uitstel van betaling is de voorwaarde verbonden dat de verzoeker zekerheid stelt.

Daarenboven kan het verlenen van uitstel van betaling leiden tot het invorderen van bijkomende bedragen voor het aanleggen van een dossier of voor verleende diensten.

Artikel 226

Uitstel van betaling wordt door de douaneautoriteiten in een van de onderstaande vormen verleend:

a) hetzij afzonderlijk voor elk bedrag aan rechten dat onder de voorwaarden van artikel 218, lid 1, eerste alinea, of van artikel 220, lid 1, wordt geboekt;

b) hetzij voor het totaal van de bedragen aan rechten die onder de voorwaarden van artikel 218, lid 1, eerste alinea, worden geboekt binnen een door de douaneautoriteiten vastgestelde periode van ten hoogste eenendertig dagen;

c) hetzij voor het totaal van de bedragen aan rechten die uit hoofde van artikel 218, lid 1, tweede alinea, in één keer worden geboekt.

Artikel 227

1. De termijn waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, bedraagt dertig dagen. Deze termijn wordt als volgt berekend:

a) indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 226, onder a), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop het bedrag aan rechten door de douaneautoriteiten wordt geboekt.

Indien artikel 219 wordt toegepast, wordt de overeenkomstig de eerste alinea berekende termijn van dertig dagen verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan het gedeelte van de voor de boeking gebruikte termijn dat een tijdsverloop van twee dagen overschrijdt;

b) indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 226, onder b), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop de periode verstrijkt waarbinnen de bedragen aan rechten waarvoor uitstel van betaling wordt verleend, zijn geboekt. De termijn wordt verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal dagen dat deze periode omvat;

c) indien uitstel van betaling wordt verleend overeenkomstig artikel 226, onder c), gaat de termijn in op de dag volgende op die waarop de periode verstrijkt waarin de betrokken goederen werden vrijgegeven. De termijn wordt verminderd met een aantal dagen dat gelijk is aan de helft van het aantal dagen dat deze periode omvat.

2. Indien de in lid 1, onder b) en c), bedoelde perioden uit een oneven aantal dagen bestaan, is het aantal dagen dat overeenkomstig lid 1, onder b) en c), op de termijn van dertig dagen in mindering moet worden gebracht, gelijk aan de helft van het even getal dat onmiddellijk aan het oneven getal voorafgaat.

3. Bij wijze van vereenvoudiging kunnen de Lid-Staten, wanneer de in lid 1, onder b) en c), bedoelde perioden een kalenderweek of een kalendermaand bestrijken, bepalen dat de bedragen aan rechten waarvoor uitstel van betaling werd verleend, dienen te worden betaald:

a) indien het een kalenderweek betreft, op de vrijdag van de vierde week volgende op die kalenderweek;

b) indien het een kalendermaand betreft, uiterlijk op de zestiende dag van de maand volgende op die kalendermaand.

Artikel 228

1. Uitstel van betaling kan niet worden verleend voor bedragen aan rechten die, ofschoon zij betrekking hebben op goederen die zijn aangegeven voor een douaneregeling welke de verplichting tot betaling van dergelijke rechten inhoudt, worden geboekt overeenkomstig de geldende bepalingen met betrekking tot de aanvaarding van onvolledige aangiften, wegens het feit dat de aangever bij het verstrijken van de vastgestelde termijn niet de voor de definitieve vaststelling van de douanewaarde van de goederen noodzakelijke gegevens heeft verstrekt of dat hij op het tijdstip van aanvaarding van de onvolledige aangifte niet de ontbrekende gegevens heeft verstrekt of het ontbrekende bescheid heeft overgelegd.

2. Uitstel van betaling kan evenwel worden verleend in de in lid 1 bedoelde gevallen wanneer het bedrag aan in te vorderen rechten wordt geboekt vóór het verstrijken van een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de datum van boeking van het oorspronkelijk gevorderde bedrag of, indien geen boeking is verricht, te rekenen vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte die op de betrokken goederen betrekking heeft. De termijn van uitstel van betaling die onder deze omstandigheden wordt toegestaan, mag niet verder reiken dan de datum waarop de periode verstrijkt die overeenkomstig artikel 227 voor het oorspronkelijk vastgestelde bedrag aan rechten werd toegestaan of zou zijn toegestaan indien het bedrag van de wettelijk verschuldigde rechten bij de aangifte van de betrokken goederen was geboekt.

Artikel 229

De douaneautoriteiten kunnen de schuldenaar andere betalingsfaciliteiten dan uitstel van betaling toestaan.

De toekenning van deze betalingsfaciliteiten:

a) is onderworpen aan zekerheidstelling. Van deze eis tot zekerheidstelling kan evenwel worden afgezien wanneer een dergelijke eis, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken;

b) geeft aanleiding tot de invordering, naast het bedrag van de rechten, van een rente voor kredietverlening. Het bedrag van deze rente dient zodanig te worden berekend dat het gelijk is aan het bedrag dat uit dien hoofde op de binnenlandse geld- en kapitaalmarkt van de valuta waarin het bedrag dient te worden voldaan, zou worden geëist.

De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot betaling van een rente voor kredietverlening wanneer een dergelijke rente, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.

Artikel 230

Ongeacht de aan de schuldenaar verleende betalingsfaciliteit kan deze het bedrag van de rechten steeds geheel of ten dele vóór het verstrijken van de hem toegestane termijn voldoen.

Artikel 231

Elk bedrag aan rechten kan door een andere persoon dan de schuldenaar worden voldaan.

Artikel 232

1. Wanneer het bedrag van de rechten niet binnen de gestelde termijn is voldaan:

a) kunnen de douaneautoriteiten zich van de betaling van dit bedrag verzekeren met alle middelen die hun krachtens geldende bepalingen ter beschikking staan, met inbegrip van gedwongen tenuitvoerlegging.

Ten aanzien van de borgen kunnen in het kader van de regeling douanevervoer bijzondere bepalingen worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité;

b) wordt naast het bedrag van de rechten een moratoire interest ingevorderd. Het percentage van de moratoire interest mag hoger zijn dan dat van de rentevoet voor kredietverlening. Het mag niet lager zijn dan dit laatste percentage.

2. De douaneautoriteiten kunnen afzien van de eis tot betaling van een moratoire interest:

a) indien zulks, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken,

b) indien het bedrag van deze interest een volgens de procedure van het Comité vastgesteld bedrag niet overschrijdt, of

c) indien de rechten worden betaald binnen een termijn van vijf dagen na het verstrijken van de voor de betaling vastgestelde termijn.

3. De douaneautoriteiten kunnen overgaan tot de vaststelling van:

a) minimumperioden voor de interestberekening,

b) minimumbedragen die als moratoire interest zijn verschuldigd.

HOOFDSTUK 4

TENIETGAAN VAN DE DOUANESCHULD

Artikel 233

Onverminderd de geldende bepalingen inzake de verjaring van de douaneschuld alsmede inzake de niet-invordering van het bedrag van de douaneschuld ingeval van een gerechtelijk geconstateerde insolventie van de schuldenaar, gaat de douaneschuld teniet:

a) door betaling van het bedrag van de rechten;

b) door kwijtschelding van het bedrag van de rechten;

c) indien ten aanzien van goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling die de verplichting tot betaling van rechten inhoudt:

- de douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt overeenkomstig artikel 66;

- de goederen vóór de vrijgave ervan, hetzij in beslag worden genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand worden verbeurdverklaard, hetzij in opdracht van de douaneautoriteiten worden vernietigd, hetzij overeenkomstig artikel 182 worden vernietigd of afgestaan, hetzij door een oorzaak die met de aard van de goederen verband houdt, dan wel door toeval of overmacht worden vernietigd of onherstelbaar verloren gaan;

d) indien goederen ten aanzien waarvan ingevolge artikel 202 een douaneschuld is ontstaan, bij het onregelmatig binnenbrengen in beslag worden genomen en op hetzelfde tijdstip of naderhand worden verbeurdverklaard.

In geval van inbeslagneming en verbeurdverklaring wordt de douaneschuld voor de strafwetgeving die van toepassing is op inbreuken op de douanewetgeving evenwel geacht niet te zijn tenietgegaan indien de strafwetgeving van een Lid-Staat bepaalt dat de douanerechten als grondslag dienen voor de vaststelling van sancties, of indien het bestaan van een douaneschuld een grond vormt tot strafvervolging.

Artikel 234

De in artikel 216 bedoelde douaneschuld gaat eveneens teniet wanneer wordt overgegaan tot ongedaanmaking van de formaliteiten die ter verkrijging van de in artikel 216 bedoelde preferentiële tariefbehandeling zijn vervuld.

HOOFDSTUK 5

TERUGBETALING EN KWIJTSCHELDING VAN RECHTEN

Artikel 235

Wordt verstaan onder:

a) terugbetaling: de volledige of gedeeltelijke teruggave van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer die zijn voldaan;

b) kwijtschelding: hetzij een beschikking ingevolge welke een douaneschuld geheel of gedeeltelijk niet wordt ingevorderd, hetzij een beschikking waarbij de boeking van een niet voldaan bedrag aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer geheel of gedeeltelijk ongeldig wordt verklaard.

Artikel 236

1. Tot terugbetaling van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

Tot kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van deze rechten op het tijdstip van boeking niet wettelijk verschuldig was, dan wel dat het bedrag in strijd met artikel 220, lid 2, werd geboekt.

Er wordt geen terugbetaling of kwijtschelding verleend wanneer de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de betaling of de boeking van een wettelijk niet verschuldigd bedrag het gevolg zijn van een frauduleuze handeling van de zijde van de belanghebbende.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer wordt verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

Deze termijn wordt verlengd indien de belanghebbende het bewijs levert dat hij ten gevolge van toeval of overmacht zijn verzoek niet binnen de genoemde termijn heeft kunnen indienen.

De douaneautoriteiten gaan ambtshalve tot terugbetaling of kwijtschelding over wanneer zij zelf gedurende deze termijn het bestaan van een der in lid 1, eerste en tweede alinea, bedoelde omstandigheden vaststellen.

Artikel 237

Tot terugbetaling van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer wordt overgegaan wanneer een douaneaangifte ongeldig wordt gemaakt en de rechten zijn betaald. Terugbetaling wordt toegestaan indien de belanghebbende, binnen de voor de indiening van de verzoeken tot ongeldigmaking van de douaneaangifte vastgestelde termijn, een daartoe strekkend verzoek indient.

Artikel 238

1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt overgegaan indien wordt vastgesteld dat het geboekte bedrag van deze rechten betrekking heeft op goederen die onder de desbetreffende douaneregeling zijn geplaatst en die door de importeur worden geweigerd omdat zij op het in artikel 67 bedoelde tijdstip gebreken vertonen of niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van het contract op grond waarvan zij zijn ingevoerd.

Goederen die vóór de vrijgave zijn beschadigd, worden gelijkgesteld met goederen die gebreken vertonen in de zin van de eerste alinea.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer is afhankelijk van:

a) de voorwaarde dat de goederen niet zijn gebruikt, tenzij een begin van gebruik noodzakelijk was om de gebreken van deze goederen of het feit dat zij niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn, vast te stellen;

b) de uitvoer van deze goederen uit het douanegebied van de Gemeenschap.

Op verzoek van de belanghebbende staan de douaneautoriteiten toe dat de uitvoer van de goederen wordt vervangen door de vernietiging ervan of door de plaatsing ervan, met het oog op wederuitvoer, onder de regeling extern douanevervoer of onder het stelsel van douane-entrepots, dan wel door opslag in een vrije zone of in een vrij entrepot.

Indien de goederen een van de in de vorige alinea bedoelde douanebestemmingen krijgen, worden zij als niet-communautaire goederen beschouwd.

3. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer wordt niet toegestaan voor goederen die, voorafgaand aan de douaneaangifte ervan, voor proefnemingen tijdelijk waren ingevoerd, tenzij wordt vastgesteld dat de gebreken van deze goederen of het feit dat zij niet met de bepalingen van het contract in overeenstemming zijn, normaal niet tijdens deze proefnemingen konden, onderscheidenlijk kon worden vastgesteld.

4. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer om de in lid 1 vermelde redenen wordt verleend, indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden.

Artikel 239

1. Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer of van de rechten bij uitvoer kan ook worden overgegaan in de gevallen andere dan bedoeld in de artikelen 236, 237 en 238

- welke volgens de procedure van het Comité worden vastgesteld;

- welke het gevolg zijn van omstandigheden die van de zijde van de belanghebbende geen frauduleuze handeling noch klaarblijkelijke nalatigheid inhouden. De gevallen waarin op deze bepaling een beroep kan worden gedaan en de te dien einde toe te passen procedures, worden vastgesteld volgens de procedure van het Comité. Aan de terugbetaling of de kwijtschelding kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

2. Terugbetaling of kwijtschelding van de rechten om de in lid 1 genoemde redenen wordt toegestaan indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan de schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

De douaneautoriteiten kunnen evenwel in naar behoren aangetoonde uitzonderingsgevallen toestaan dat deze termijn wordt overschreden.

Artikel 240

Tot terugbetaling of kwijtschelding van de rechten bij invoer onder de in dit hoofdstuk vastgestelde voorwaarden wordt slechts overgegaan wanneer het terug te betalen of kwijt te schelden bedrag een volgens de procedure van het Comité vastgesteld bedrag overschrijdt.

De douaneautoriteiten kunnen echter eveneens gevolg geven aan een verzoek tot terugbetaling of kwijtschelding dat betrekking heeft op een kleiner bedrag dan het bovenbedoelde.

Artikel 241

Terugbetaling door de douaneautoriteiten van bedragen aan rechten bij invoer of aan rechten bij uitvoer en van eventueel bij de betaling van die bedragen ingevorderde rente voor kredietverlening of moratoire interest geeft geen aanleiding tot betaling van moratoire interest door genoemde autoriteiten. Moratoire interest wordt echter wel betaald:

- wanneer een naar aanleiding van een verzoek om terugbetaling genomen beschikking niet binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag waarop deze beschikking werd genomen, ten uitvoer wordt gelegd;

- wanneer de nationale bepalingen daarin voorzien.

Het bedrag van deze interest dient zodanig te worden berekend dat het gelijk is aan het bedrag dat uit dien hoofde op de binnenlandse geld- en kapitaalmarkt zou worden geëist.

Artikel 242

Indien een douaneschuld ten onrechte is kwijtgescholden of het overeenkomstige bedrag aan rechten ten onrechte is terugbetaald, wordt de oorspronkelijke schuld opnieuw opeisbaar. De eventueel uit hoofde van artikel 241 betaalde interest moet worden terugbetaald.

TITEL VIII RECHT OP BEROEP

Artikel 243

1. Iedere persoon heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.

De persoon die de douaneautoriteiten om een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving heeft verzocht, doch binnen de in artikel 6, lid 2, bedoelde termijn van deze autoriteiten geen beschikking heeft verkregen, heeft eveneens het recht beroep in te stellen.

Het beroep moet worden ingesteld in de Lid-Staat waar de beschikking is genomen of waar om een beschikking is verzocht.

2. Het recht op beroep kan worden uitgeoefend:

a) in een eerste fase (bezwaar), bij de daartoe door de Lid-Staten aangewezen douaneautoriteit;

b) in een tweede fase (beroep), bij een onafhankelijke instantie, die overeenkomstig de in de Lid-Staten geldende bepalingen, een rechterlijke instantie of een gelijkwaardig gespecialiseerd orgaan kan zijn.

Artikel 244

Instelling van beroep heeft ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking geen schorsende werking.

De douaneautoriteiten schorten de tenuitvoerlegging van de aangevochten beschikking evenwel geheel of gedeeltelijk op indien zij gegronde redenen hebben om aan de overeenstemming van die beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

Indien de aangevochten beschikking tot de toepassing van rechten bij invoer of van rechten bij uitvoer leidt, dient ingeval van opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking een zekerheid te bestaan of te worden gesteld. Van die eis kan evenwel worden afgezien wanneer deze, gezien de omstandigheden waarin de schuldenaar verkeert, ernstige economische of sociale moeilijkheden zou kunnen veroorzaken.

Artikel 245

De bepalingen betreffende de tenuitvoerlegging van de beroepsprocedure worden vastgesteld door de Lid-Staten.

Artikel 246

Deze titel is niet van toepassing op beroepen die zijn ingesteld met het oog op de intrekking met terugwerkende kracht of de wijziging van een op grond van het strafrecht door de douaneautoriteiten genomen beschikking.

TITEL IX SLOTBEPALINGEN

HOOFDSTUK 1

COMITÉ DOUANEWETBOEK

Artikel 247

1. Er wordt een Comité douanewetboek ingesteld, hierna "Comité" genoemd, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten, dat wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.

2. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 248

Het Comité kan elk vraagstuk met betrekking tot de douanewetgeving onderzoeken dat door zijn voorzitter, hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, aan de orde wordt gesteld.

Artikel 249

1. De bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van dit wetboek, inclusief de toepassing van de in artikel 184 bedoelde verordening, met uitzondering van titel VIII en onder voorbehoud van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 (5) alsmede van lid 4, worden vastgesteld volgens de in de leden 2 en 3 omschreven procedure, met inachtneming van de door de Gemeenschap aangegane internationale verplichtingen.

2. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met de meerderheid van stemmen die in artikel 148, lid 2, van het Verdrag is voorgeschreven voor de aanneming van de besluiten die de Raad op voorstel van de Commissie dient te nemen. Bij de stemming in het Comité worden de stemmen van de vertegenwoordigers van de Lid-Staten gewogen overeenkomstig genoemd artikel. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

3. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde bepalingen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebacht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

c) Indien de Raad na verloop van een termijn van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld.

4. De bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de artikelen 11, 12 en 21 worden vastgesteld volgens de procedure die in artikel 10 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 is omschreven.

HOOFDSTUK 2

RECHTSGEVOLGEN IN EEN LID-STAAT VAN IN EEN ANDERE LID-STAAT GETROFFEN MAATREGELEN, VAN ALDAAR AFGEGEVEN DOCUMENTEN EN ALDAAR GEDANE VASTSTELLINGEN

Artikel 250

Indien een douaneregeling in verscheidene Lid-Staten wordt gebruikt,

- hebben de door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat genomen besluiten, getroffen of aanvaarde identificatiemaatregelen en afgegeven documenten in de andere Lid-Staten dezelfde rechtsgevolgen als door de douaneautoriteiten van elk van deze Lid-Staten genomen besluiten, getroffen maatregelen en afgegeven documenten;

- hebben de door de douaneautoriteiten van een Lid-Staat tijdens controles gedane vaststellingen in de andere Lid-Staten dezelfde bewijskracht als door de douaneautoriteiten van elk van deze Lid-Staten gedane vaststellingen.

HOOFDSTUK 3

OVERIGE SLOTBEPALINGEN

Artikel 251

1. De hierna volgende verordeningen en richtlijnen worden ingetrokken:

- Verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen" (6), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 456/91 (7);

- Verordening (EEG) nr. 754/76 van de Raad van 25 maart 1976 betreffende de tariefbehandeling die van toepassing is op naar het douanegebied van de Gemeenschap terugkerende goederen (8), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1147/86 (9);

- Verordening (EEG) nr. 2779/78 van de Raad van 23 november 1978 houdende toepassing van de Europese rekeneenheid (ERE) op de op douanegebied genomen besluiten (10), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 289/84 (11);

- Verordening (EEG) nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (12), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1854/89 (13);

- Verordening (EEG) nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (14), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1854/89 (15);

- Richtlijn 79/695/EEG van de Raad van 24 juli 1979 inzake de harmonisatie van de procedures voor het in het vrije verkeer brengen van goederen (16), laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/504/EEG (17);

- Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980 inzake de douanewaarde van de goederen (18), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 4046/89 (19)();

- Richtlijn 81/177/EEG van de Raad van 24 februari 1981 betreffende de harmonisatie van de procedures voor de uitvoer van communautaire goederen (20), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1854/89 (21);

- Verordening (EEG) nr. 3599/82 van de Raad van 21 december 1982 betreffende de regeling tijdelijke invoer (22), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1620/85 (23);

- Verordening (EEG) nr. 2763/83 van de Raad van 26 september 1983 inzake de regeling volgens welke goederen onder douanetoezicht kunnen worden behandeld alvorens zij in het vrije verkeer worden gebracht (24), laatstelijk gewijzigd gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 720/91 (25);

- Verordening (EEG) nr. 2151/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende het douanegebied van de Gemeenschap (26)), laatstelijk gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal;

¹¹¹¹¹¹¹¹¹- Verordening (EEG) nr. 1999/85 van de Raad van 16 juli 1985 betreffende de regeling actieve veredeling (27);

- Verordening (EEG) nr. 3632/85 van de Raad van 12 december 1985 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder een persoon een douaneaangifte kan doen (28);

- Verordening (EEG) nr. 2473/86 van de Raad van 24 juli 1986 betreffende de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer (29)();

- Verordening (EEG) nr. 2144/87 van de Raad van 13 juli 1987 inzake de douaneschuld (30), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 4108/88 (31);

- Verordening (EEG) nr. 1031/88 van de Raad van 18 april 1988 betreffende de vaststelling van de personen die gehouden zijn tot betaling van een douaneschuld (32), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1716/90 (33);

- Verordening (EEG) nr. 1970/88 van de Raad van 30 juni 1988 betreffende het driehoeksverkeer in het kader van de regeling passieve veredeling en het systeem uitwisselingsverkeer (34);

- Verordening (EEG) nr. 2503/88 van de Raad van 25 juli 1988 betreffende de douane-entrepots (35), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 2561/90 (36));

- Verordening (EEG) nr. 2504/88 van de Raad van 25 juli 1988 betreffende de vrije zones en de vrije entrepots (37), gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 1604/92 (38);

- Verordening (EEG) nr. 4151/88 van de Raad van 21 december 1988 tot vaststelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht (39)();

- Verordening (EEG) nr. 1854/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de boeking en de betalingsvoorwaarden voor uit hoofde van een douaneschuld te vereffenen bedragen aan rechten bij in- of bij uitvoer (40);

- Verordening (EEG) nr. 1855/89 van de Raad van 14 juni 1989 betreffende de regeling tijdelijke invoer van vervoermiddelen (41);

- Verordening (EEG) nr. 3312/89 van de Raad van 30 oktober 1989 betreffende de regeling tijdelijke invoer van containers (42);

- Verordening (EEG) nr. 4046/89 van de Raad van 21 december 1989 betreffende de zekerheid die moet worden gesteld om de betaling van een douaneschuld te waarborgen (43);

- Verordening (EEG) nr. 1715/90 van de Raad van 20 juni 1990 betreffende de inlichtingen die door de douaneautoriteiten van de Lid-Staten worden verstrekt op het gebied van de indeling van goederen in de douanenomenclatuur (44);

- Verordening (EEG) nr. 2726/90 van de Raad van 17 september 1990 betreffende communautair douanevervoer (45), met uitzondering van artikel 3, lid 3, onder b);

- Verordening (EEG) nr. 717/91 van de Raad van 21 maart 1991 betreffende het enig document (46);

- Verordening (EEG) nr. 719/91 van de Raad van 21 maart 1991 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van carnets TIR en carnets ATA als doorvoerdocumenten (47);

2. In alle communautaire besluiten waarin naar de in lid 1 genoemde verordeningen of richtlijnen wordt verwezen, worden deze verwijzingen geacht te zijn naar dit wetboek.

Artikel 252

1. De artikelen 141, 142 en 143 van Verordening (EEG) nr. 918/83 (48) vervallen.

2. Verordening (EEG) nr. 2658/87 (49), laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 3492/91 (50), wordt als volgt gewijzigd:

a) in artikel 8 wordt na het woord "comité" de volgende tekst ingevoegd: "bedoeld in artikel 247 van het communautair douanewetboek";

b) in artikel 10, lid 1, wordt de aanhef vervangen door: "De vertegenwoordiger van de Commissie legt aan het comité bedoeld in artikel 247 van het communautair douanewetboek een ontwerp voor . . .";

c) de artikelen 7 en 11 vervallen.

Artikel 253

Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 1994.

Titel VIII is pas met ingang van 1 januari 1995 van toepassing op het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 161

en, voor zover het wederuitvoer betreft, de artikelen 182 en 183, zijn evenwel van toepassing met ingang van 1 januari 1993. Indien in genoemde artikelen naar bepalingen van dit wetboek wordt verwezen en zolang deze bepalingen nog niet van toepassing zijn, worden de verwijzingen geacht naar de overeenkomstige bepalingen van de in artikel 251 genoemde verordeningen en richtlijnen te zijn gedaan.

Vóór 1 oktober 1993 zal de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie over de stand van de werkzaamheden met betrekking tot de gevolgen van de monetaire omrekeningskoers die moet worden gebruikt voor de toepassing van de maatregelen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, het probleem van het goederenverkeer tussen de Lid-Staten in het kader van de interne markt opnieuw bespreken. Dit verslag wordt vergezeld van eventuele voorstellen, waarover de Raad zich overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag uitspreekt.

Vóór 1 januari 1998 zal de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, dit wetboek opnieuw bezien om er de wijzigingen in aan te brengen die met name in het licht van de totstandbrenging van de interne markt noodzakelijk mochten blijken. Dit verslag wordt vergezeld van eventuele voorstellen, waarover de Raad zich overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag uitspreekt.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke Lid-Staat.

Gedaan te Luxemburg, 12 oktober 1992.

Voor de Raad

De Voorzitter

W. WALDGRAVE

(1) PB nr. C 128 van 23. 5. 1990, blz. 1.(2) PB nr. C 72 van 18. 3. 1991, blz. 176, en besluit van 16 september 1992 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).(3) PB nr. C 60 van 8. 3. 1991, blz. 5.(4) PB nr 172 van 30. 9. 1966, blz. 3025/66.(5) PB nr. L 256 van 7. 9. 1987, blz. 1.(6) PB nr. L 148 van 28. 6. 1968, blz. 1.(7) PB nr. L 54 van 28. 2. 1991, blz. 4.(8) PB nr. L 89, van 2. 4. 1976, blz. 1.(9) PB nr. L 105 van 22. 4. 1986, blz. 1.(10) PB nr. L 333 van 30. 11. 1978, blz. 5.(11) PB nr. L 33 van 4. 2. 1984, blz. 2.(12) PB nr. L 175 van 12. 7. 1979, blz. 1.(13) PB nr. L 186 van 30. 6. 1989, blz. 1.(14) PB nr. L 197 van 3. 8. 1979, blz. 1.(15) PB nr. L 186 van 30. 6. 1989, blz. 1.(16) PB nr. L 205 van 13. 8. 1979, blz. 19.(17) PB nr. L 281 van 12. 10. 1990, blz. 28.(18) PB nr. L 134 van 31. 5. 1980, blz. 1.(19)() PB nr. L 388 van 30. 12. 1989, blz. 27.(20) PB nr. L 83 van 30. 3. 1981, blz. 40.(21) PB nr. L 186 van 30. 6. 1989, blz. 1.(22) PB nr. L 376 van 31. 12. 1982, blz. 1.(23) PB nr. L 155 van 14. 6. 1985, blz. 54.(24) PB nr. L 272 van 5. 10. 1983, blz. 1.(25) PB nr. L 78 van 26. 3. 1991, blz. 9.(26)) PB nr. L 197 van 27. 7. 1984, blz. .1.(27) PB nr. L 188 van 20. 7. 1985, blz. 1.(28) PB nr. L 350 van 27. 12. 1985, blz. 1.(29)() PB nr. L 212 van 2. 8. 1986, blz. 1.(30) PB nr. L 201 van 22. 7. 1987, blz. 15.(31) PB nr. L 361 van 29. 12. 1988, blz. 2.(32) PB nr. L 102 van 21. 4. 1988, blz. 5.(33) PB nr. L 160 van 26. 6. 1990, blz. 6.(34) PB nr. L 174 van 6. 7. 1988, blz. 1.(35) PB nr. L 225 van 15. 8. 1988, blz. 1.(36)) PB nr. L 246 van 10. 9. 1990, blz. 1.(37) PB nr. L 225 van 15. 8. 1988, blz. 8.(38) PB nr. L 173 van 26. 6. 1992, blz. 30.(39)() PB nr. L 367 van 31. 12. 1988, blz. 1.(40) PB nr. L 186 van 30. 6. 1989, blz. 1.(41) PB nr. L 186 van 30. 6.1989, blz. 8.(42) PB nr. L 321 van 4. 11. 1989, blz. 5.(43) PB nr. L 388 van 30. 12. 1989, blz. 1.(44) PB nr. L 160 van 26. 6.1990, blz. 1.(45) PB nr. L 262 van 26. 9. 1990, blz. 1.(46) PB nr. L 78 van 26. 3. 1991, blz. 1.(47) PB nr. L 78 van 26. 3. 1991, blz. 6.(48) PB nr. L 105 van 23. 4. 1983, blz. 1.(49) PB nr. L 256 van 7. 9. 1987, blz. 1.(50) PB nr. L 328 van 30. 11. 1991, blz. 80.

Top