Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31992L0012

Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop

OJ L 76, 23.3.1992, p. 1–13 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 09 Volume 002 P. 57 - OP_DATPRO
Special edition in Swedish: Chapter 09 Volume 002 P. 57 - OP_DATPRO
Special edition in Czech: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Estonian: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Latvian: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Lithuanian: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Hungarian Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Maltese: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Polish: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Slovak: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Slovene: Chapter 09 Volume 001 P. 179 - 191
Special edition in Bulgarian: Chapter 09 Volume 001 P. 129 - 141
Special edition in Romanian: Chapter 09 Volume 001 P. 129 - 141

No longer in force, Date of end of validity: 15/01/2009; opgeheven door 32008L0118

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/12/oj

31992L0012

Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop

Publicatieblad Nr. L 076 van 23/03/1992 blz. 0001 - 0013
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 9 Deel 2 blz. 0057
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 9 Deel 2 blz. 0057


RICHTLIJN 92/12/EEG VAN DE RAAD van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsprodukten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 99,

Gezien het voorstel van de Commissie(1) ,

Gezien het advies van het Europese Parlement(2) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité(3) ,

Overwegende dat de totstandbrenging en de werking van de interne markt het vrije verkeer van goederen, ook van accijnsgoederen, impliceren;

Overwegende dat moet worden bepaald op welk grondgebied deze richtlijn en de richtlijnen inzake de tarieven en structuren van de rechten op accijnsprodukten van toepassing zijn;

Overwegende dat het begrip "accijnsprodukten" moet worden omschreven; dat communautaire bepalingen uitsluitend van toepassing kunnen zijn op goederen die als zodanig in alle Lid-Staten worden behandeld; dat op deze produkten andere indirecte belastingen mogen worden geheven met specifieke doeleinden; dat de handhaving of instelling van andere indirecte belastingen geen aanleiding mag geven tot formaliteiten bij het overschrijden van een grens;

Overwegende dat, om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen, de verschuldigdheid van de accijnzen in alle Lid-Staten gelijk moet worden geregeld;

Overwegende dat elke levering, elk voorhanden hebben met het oog op de levering of elk gebruik voor een zelfstandig bedrijf dan wel voor een publiekrechtelijk orgaan, welke plaatsvindt in een andere Lid-Staat dan die van de uitslag tot verbruik, aanleiding geeft tot verschuldigdheid van de accijns in die andere Lid-Staat;

Overwegende dat over door particulieren voor eigen gebruik verkregen en door hen zelf vervoerde accijnsprodukten belasting moet worden geheven in de Lid-Staat van verkrijging;

Overwegende dat de Lid-Staten met een aantal criteria rekening moeten houden ten einde te kunnen bepalen dat accijnsprodukten niet voor eigen gebruik maar voor handelsdoeleinden voorhanden worden gehouden;

Overwegende dat accijnsprodukten die gekocht worden door een andere persoon dan een erkend entrepothouder, een geregistreerd of niet-geregistreerd bedrijf, en die door de verkoper of voor diens rekening rechtstreeks of indirect worden verzonden of vervoerd, in de Lid-Staat van bestemming aan de accijns moeten worden onderworpen;

Overwegende dat, ten einde de inning van de belastingschuld op termijn te waarborgen, toezicht moet kunnen worden uitgeoefend in de produktiebedrijven en opslagbedrijven; dat een entrepotregeling, in het kader waarvan door de bevoegde autoriteiten vergunningen worden verleend, deze controles mogelijk moet maken;

Overwegende dat het overbrengen van het grondgebied van een Lid-Staat naar dat van een andere niet mag leiden tot een controle die het intracommunautaire vrije verkeer kan belemmeren; dat om redenen van verschuldigdheid niettemin het verkeer van aan accijns onderworpen produkten bekend moet zijn; dat derhalve moet worden voorzien in een geleidedocument voor deze produkten;

Overwegende dat de verplichtingen moeten worden vastgesteld waaraan erkende entrepothouders en bedrijven zonder erkenning als entrepothouders dienen te voldoen;

Overwegende dat met het oog op de heffing van de belasting tegen de tarieven als vastgesteld door de Lid-Staten, een procedure met betrekking tot het verkeer van deze produkten met schorsing van heffing moet worden ingevoerd;

Overwegende dat het daartoe in de eerste plaats noodzakelijk is dat elk produkt gemakkelijk kan worden geidentificeerd; dat de situatie van het produkt ten aanzien van de betrokken belastingschuld onmiddellijk moet kunnen worden vastgesteld; dat derhalve te dien einde een geleidedocument moet worden ingevoerd dat van administratieve of commerciële aard kan zijn; dat het gebruikte commerciële document alle noodzakelijke gegevens dient te bevatten die op het administratieve document voorkomen;

Overwegende dat nadere regels moeten worden omschreven voor de procedure volgens welke de belastingautoriteiten van de Lid-Staten door middel van dit geleidedocument door de bedrijven in kennis worden gesteld van verzonden of ontvangen leveringen;

Overwegende bovendien dat het geleidedocument niet dient te worden gebruikt wanneer de accijnsprodukten zich onder een andere communautaire douaneregeling bevinden dan het in het vrije verkeer brengen, dan wel in een vrije zone of vrij entrepot zijn geplaatst;

Overwegende dat eveneens de accijns in het kader van nationale bepalingen in geval van inbreuk of onregelmatigheid moet worden geind door de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de inbreuk of de onregelmatigheid is begaan, door de Lid-Staat waar die is geconstateerd, of door de Lid-Staat van vertrek ingeval een zending niet in de Lid-Staat van bestemming is aangeboden;

Overwegende dat de Lid-Staten mogen bepalen dat de in het vrije verkeer gebrachte produkten van fiscale werken of nationale herkenningstekens moeten zijn voorzien; dat het gebruik van deze tekens geen belemmering voor het intracommunautaire handelsverkeer met zich mag brengen;

Overwegende dat de voldoening van de accijns in de Lid-Staat waar de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, aanleiding moet kunnen geven tot teruggaaf van accijns indien de goederen niet voor verbruik in die Lid-Staat bestemd zijn;

Overwegende dat moet worden voorzien in vrijstellingen ingevolge door de Lid-Staten met andere Staten of met internationale organisaties gesloten overeenkomsten;

Overwegende dat wegens de afschaffing van het beginsel van belastingheffing bij invoer in het verkeer tussen de Lid-Staten de voorschriften inzake ontheffing en vrijstelling bij invoer zinledig worden ten aanzien van het verkeer tussen de Lid-Staten; dat deze voorschriften derhalve dienen te vervallen en de desbetreffende richtlijnen dienovereenkomstig moeten worden aangepast;

Overwegende dat een accijnscomité moet worden ingesteld dat belast wordt met het opstellen van de communautaire voorschriften die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de bepalingen inzake accijnzen;

Overwegende dat de verordening betreffende de afschaffing van de controles en de formaliteiten die van toepassing zijn op de handbagage en de ruimbagage van personen op intracommunautaire vluchten en op de bagage van personen bij intracommunautaire zeereizen, krachtens artikel 1, lid 2, daarvan van toepassing is onverminderd de controles in verband met door de Lid-Staten uitgevaardigde verboden of beperkingen, voor zover deze verenigbaar zijn met de drie Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen; dat de verificaties die nodig zijn ter naleving van de in artikel 26 bedoelde kwantitatieve beperkingen in dit verband als controles in de hierboven bedoelde zin moeten worden aangemerkt en als dusdanig verenigbaar zijn met de communautaire wetgeving;

Overwegende dat enige tijd moet worden besteed aan het treffen van de nodige maatregelen om zowel de sociale consequenties in de betrokken sectoren als de regionale problemen, met name in grensgebieden, te ondervangen die het gevolg zouden kunnen zijn van de afschaffing van de belastingheffing bij invoer en van de vrijstellingen bij uitvoer in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten; dat te dien einde aan de Lid-Staten machtiging moet worden gegeven om gedurende een periode die op 30 juni 1999 afloopt, vrijstelling te verlenen voor produkten die binnen de gestelde limieten worden geleverd door tax-free shops, een en ander in het verkeer door de lucht of over zee van reizigers tussen de Lid-Staten;

Overwegende dat kleine wijnproducenten dienen te kunnen worden ontheven van bepaalde verplichtingen in het kader van de algemene accijnsregeling;

Overwegende ten slotte dat Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen en de belasting over de toegevoegde waarde(4) dient te worden gewijzigd ten einde de bepalingen van die richtlijn tot de accijnzen uit te breiden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I Algemene bepalingen

Artikel 1

1. Deze richtlijn behelst de regeling van de produkten onderworpen aan accijnzen en andere indirecte belastingen die direct of indirect worden geheven op het verbruik van die produkten, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde en de door de Europese Gemeenschappen vastgestelde belastingen.

2. De bijzondere bepalingen betreffende de structuren en de tarieven van de accijnzen worden vervat in specifieke richtlijnen.

Artikel 2

1. Deze richtlijn, alsmede de in artikel 1, lid 2, genoemde richtlijnen zijn van toepassing op het grondgebied van de Gemeenschap zoals dat voor iedere Lid-Staat is omschreven in het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid in artikel 227, met uitzondering van de volgende nationale grondgebieden:

- voor de Bondsrepubliek Duitsland: het eiland Helgoland en het grondgebied van Buesingen;

- voor de Italiaanse Republiek: Livigno, Campione d'Italia en de Italiaanse wateren van het meer van Lugano;

- voor het Koninkrijk Spanje: Ceuta en Melilla.

2. In afwijking van lid 1 zijn deze richtlijn, alsmede de in artikel 1, lid 2, genoemde richtlijnen niet van toepassing op de Canarische eilanden. Het Koninkrijk Spanje kan er evenwel door een verklaring kennis van geven dat deze richtlijnen vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van die verklaring, op die gebieden van toepassing zijn voor wat betreft alle of sommige van de in artikel 3, lid 1, genoemde produkten.

3. In afwijking van lid 1 zijn deze richtlijn, alsmede de in artikel 1, lid 2, genoemde richtlijnen niet van toepassing op de overzeese departementen van de Franse Republiek.

De Franse Republiek kan er evenwel door een verklaring kennis van geven dat deze richtlijnen vanaf de eerste dag van de tweede maand volgende op de nederlegging van die verklaring op die gebieden van toepassing zijn, onder voorbehoud van maatregelen inzake aanpassing aan de ultraperifere ligging van deze gebieden.

4. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat transacties van herkomst uit of ter bestemming van:

- het Vorstendom Monaco behandeld worden als transacties van herkomst uit of ter bestemming van de Franse Republiek;

- Jungholz en Mittelberg (Kleines Walsertal) behandeld worden als transacties van herkomst uit of ter bestemming van de Bondsrepubliek Duitsland;

- het eiland Man behandeld worden als transacties van herkomst uit of ter bestemming van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland;

- San Marino behandeld worden als transacties van herkomst uit of ter bestemming van de Italiaanse Republiek.

5. De bepalingen van deze richtlijn vormen geen beletsel om in Griekenland het aan de Berg Athos verleende bijzondere statuut, zoals dit is gewaarborgd bij artikel 105 van de Griekse grondwet, te handhaven.

6. Indien de Commissie van mening is dat het bepaalde in de leden 1, 2, 3 en 4 niet langer gerechtvaardigd is, met name in het licht van de neutraliteit op het gebied van de mededinging, dient zij bij de Raad passende voorstellen in.

Artikel 3

1. Deze richtlijn is op communautair niveau van toepassing op de volgende produkten zoals die zijn omschreven in de desbetreffende richtlijnen:

- minerale oliën,

- alcohol en alcoholhoudende dranken,

- tabaksfabrikaten.

2. Op de in lid 1 genoemde produkten mogen nog andere indirecte belastingen met specifieke doeleinden worden geheven, mits daarbij de uit hoofde van de accijnzen en de BTW geldende voorschriften inzake belastingheffing in acht worden genomen wat betreft de vaststelling van de maatstaf van heffing en de berekening, de verschuldigdheid en de controle van de belasting.

3. De Lid-Staten blijven bevoegd belastingen op andere dan de in lid 1 genoemde produkten in te stellen of te handhaven, mits deze belastingen in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten geen aanleiding geven tot formaliteiten die verband houden met het overschrijden van een grens.

Onder deze zelfde voorwaarde zullen de Lid-Staten ook de mogelijkheid behouden om op dienstverrichtingen, met inbegrip van dienstverrichtingen in verband met accijnsprodukten, belastingen te heffen die geen omzetbelastingen zijn.

Artikel 4

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) erkend entrepothouder: de natuurlijke of rechtspersoon die door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsprodukten onder schorsing van accijns in een belastingentrepot te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden;

b) belastingentrepot: iedere plaats waar de erkende entrepothouder bij de bedrijfsuitoefening, accijnsprodukten onder schorsing van accijns produceert, verwerkt, voorhanden heeft, ontvangt of verzendt, zulks onder bepaalde voorwaarden die zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waar dit belastingentrepot gelegen is;

c) schorsingsregeling: belastingregeling die geldt voor de produktie, de verwerking, het voorhanden hebben en het verkeer van produkten onder schorsing van accijns;

d) geregistreerd bedrijf: de natuurlijke of rechtspersoon die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en die door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening accijnsprodukten onder schorsing van accijns uit een andere Lid-Staat te ontvangen. Dit bedrijf mag evenwel de accijnsprodukten niet onder de schorsing van accijns voorhanden hebben of verzenden;

e) niet-geregistreerd bedrijf: de natuurlijke of rechtspersoon die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit en die gemachtigd is om bij de bedrijfsuitoefening incidenteel accijnsprodukten onder schorsing van accijns uit een andere Lid-Staat te ontvangen. Dit bedrijf mag evenwel de accijnsprodukten niet onder de schorsing van accijns voorhanden hebben of verzenden. Het niet-geregistreerde bedrijf moet, voordat de goederen worden verzonden, een zekerheid stellen voor de betaling van de accijnsrechten bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming.

Artikel 5

1. De in artikel 3, lid 1, genoemde produkten worden aan accijns onderworpen bij de produktie ervan op het grondgebied van de Gemeenschap als omschreven in artikel 2 of bij de invoer ervan in dit grondgebied.

Als "invoer van een accijnsprodukt" wordt beschouwd, de binnenkomst van dat produkt in de Gemeenschap, met inbegrip van de binnenkomst uit een gebied bedoeld in de uitzonderingen van artikel 2, leden 1, 2 en 3, of uit de Kanaaleilanden.

Wanneer dat produkt bij binnenkomst in de Gemeenschap onder een communautaire douaneregeling wordt geplaatst, wordt de invoer van dat produkt evenwel geacht plaats te vinden op het tijdstip waarop het aan de communautaire douaneregeling wordt onttrokken.

2. Onverminderd de nationale en communautaire bepalingen inzake douaneregelingen worden accijnsprodukten van herkomst uit of met als bestemming derde landen, wanneer zij zich in het verkeer bevinden onder een andere communautaire douaneregeling dan het in het vrije verkeer brengen of wanneer zij worden binnengebracht in een vrije zone of in een vrij entrepot, geacht zich onder schorsing van accijns te bevinden.

Artikel 6

1. De accijns wordt verschuldigd bij de uitslag tot verbruik of bij het constateren van de tekorten die krachtens artikel 12, lid 3, aan accijnzen moeten worden onderworpen.

Als uitslag tot verbruik van accijnsprodukten wordt beschouwd:

a) iedere vorm van onttrekking, ook op onregelmatige wijze, aan een schorsingsregeling;

b) iedere fabricage, ook op onregelmatige wijze, van deze produkten buiten een schorsingsregeling;

c) elke invoer, ook op onregelmatige wijze, van deze produkten, wanneer deze produkten niet onder een schorsingsregeling worden geplaatst.

2. De voorwaarden voor verschuldigdheid en het toe te passen accijnstarief zijn die welke op het tijdstip van verschuldigd worden van kracht zijn in de Lid-Staat waar de uitslag tot verbruik of het constateren van tekorten plaatsvindt. De accijns wordt geheven en geind op de door elke Lid-Staat vastgestelde wijze, waarbij de Lid-Staten dezelfde heffings- en invorderingsprocedure toepassen op nationale produkten en op produkten uit andere Lid-Staten.

Artikel 7

1. Indien in een Lid-Staat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsprodukten in een andere Lid-Staat voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden, worden de accijnzen geheven in de Lid-Staat waar deze produkten voorhanden worden gehouden.

2. Hiertoe wordt de accijns, onverminderd artikel 6, indien produkten die bij toepassing van artikel 6 reeds in het verbruik zijn gebracht in een Lid-Staat, daarna worden geleverd of bestemd zijn om te worden geleverd in een andere Lid-Staat, of in een andere Lid-Staat worden bestemd voor de behoeften van een bedrijf dat op onafhankelijke wijze een economische activiteit uitoefent of van een publiekrechtelijke instelling, verschuldigd in die andere Lid-Staat.

3. De accijns is, al naar gelang het geval, verschuldigd door de persoon die de levering verricht, die de voor levering bestemde produkten voorhanden heeft of door de persoon waar de produkten worden bestemd in een andere Lid-Staat dan die waar de produkten reeds in het verbruik zijn gebracht, of door het zelfstandige bedrijf of publiekrechtelijke lichaam.

4. Het verkeer van de hierboven genoemde produkten tussen de grondgebieden van de verschillende Lid-Staten vindt plaats onder dekking van een geleidedocument, waarin de voornaamste punten van het in artikel 18, lid 1, bedoelde document vermeld staan. De vorm en de inhoud van dit document worden bepaald volgens de procedure van artikel 24.

5. De persoon, het bedrijf of het lichaam als bedoeld in lid 3, moet zich aan de onderstaande voorschriften houden:

a) voorafgaand aan de verzending van de goederen aangifte doen bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming en de betaling van de accijns waarborgen;

b) de accijns van de Lid-Staat van bestemming voldoen op de door die Lid-Staat vastgestelde wijze;

c) elke controle toelaten waardoor de overheidsdienst van de Lid-Staat van bestemming zich kan vergewissen van de daadwerkelijke ontvangst van de goederen en van de betaling van de accijns waartoe deze aanleiding geven.

6. De accijns die in de eerste, in lid 1 bedoelde Lid-Staat is voldaan, wordt volgens artikel 22, lid 3, teruggegeven.

Artikel 8

Voor door particulieren voor eigen behoefte verkregen en door hen zelf vervoerde produkten moet de accijns volgens het voor de interne markt geldende beginsel in de Lid-Staat van verkrijging worden geheven.

Artikel 9

1. Onverminderd de artikelen 6, 7 en 8, wordt de accijns verschuldigd wanneer de in een Lid-Staat tot verbruik uitgeslagen produkten in een andere Lid-Staat voor commerciële doeleinden voorhanden worden gehouden.

In dat geval moet de accijns worden betaald in de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de produkten zich bevinden en wordt hij verschuldigd door degene die de produkten voorhanden heeft.

2. Om vast te stellen of de in artikel 8 bedoelde produkten voor commerciële doeleinden bestemd zijn, moeten de Lid-Staten onder andere rekening houden met de volgende punten:

- de commerciële status en de beweegredenen van degene die de produkten voorhanden heeft;

- de plaats waar deze produkten zich bevinden of, in voorkomend geval, de gebruikte wijze van vervoer;

- elk document betreffende deze produkten;

- de aard van deze produkten;

- de hoeveelheid van deze produkten.

Voor de toepassing van de eerste alinea, vijfde streepje, kunnen de Lid-Staten, uitsluitend als bewijselement, indicatieve niveaus vaststellen. Deze indicatieve niveaus mogen niet lager zijn dan:

a) Tabaksprodukten

sigaretten800 stuks

cigarillo's (sigaren met een maximumgewicht van 3 g/stuk)400 stuks

sigaren200 stuks

rooktabak1,0 kg;

b) Alcoholhoudende dranken

gedistilleerde dranken 10 l

tussenprodukten 20 l

wijn (waarvan maximaal 60 l mousserende wijn) 90 l

bier 110 l.

Ierland mag tot en met 30 juni 1997 indicatieve niveaus toepassen die niet lager mogen liggen dan 45 liter voor wijn (waarvan maximaal 30 liter mousserende wijn) en 55 liter voor bier.

3. De Lid-Staten kunnen tevens bepalen dat de accijns in de Lid-Staat van verbruik verschuldigd wordt bij de verkrijging van minerale oliën die in een andere Lid-Staat reeds tot verbruik zijn uitgeslagen, indien deze produkten op een atypische wijze worden vervoerd door particulieren of voor hun rekening. Als atypisch vervoer moeten worden aangemerkt het vervoer van brandstof anders dan in de tank van de voertuigen of in een passend reserveblik, alsmede het vervoer van vloeibare verwarmingsprodukten anders dan in tankwagens die voor rekening van bedrijven worden gebruikt.

Artikel 10

1. Accijnsprodukten die worden gekocht door personen die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder of geregistreerd of niet-geregistreerd bedrijf hebben, en die direct of indirect door de verkoper of voor diens rekening worden verzonden of vervoerd, worden aan accijns onderworpen in de Lid-Staat van bestemming. Onder "Lid-Staat van bestemming" in de zin van dit artikel wordt verstaan de Lid-Staat van aankomst van de verzending of het vervoer.

2. Hiertoe wordt in de Lid-Staat van bestemming de accijns verschuldigd bij de levering van in een Lid-Staat reeds tot verbruik uitgeslagen accijnsprodukten die aanleiding geeft tot verzending of vervoer van deze produkten ter bestemming van een in lid 1 bedoelde, in een andere Lid-Staat gevestigde persoon, en welke produkten direct of indirect door de verkoper of voor diens rekening worden verzonden of vervoerd.

3. De accijns van de Lid-Staat van bestemming wordt door de verkoper verschuldigd op het tijdstip waarop de levering wordt verricht. De Lid-Staten kunnen echter bepalingen vaststellen op grond waarvan de accijns moet worden betaald door een fiscaal vertegenwoordiger die niet de geadresseerde van de produkten is. Deze fiscaal vertegenwoordiger moet in de Lid-Staat van bestemming gevestigd zijn en door de belastingautoriteiten van deze Lid-Staat erkend.

De Lid-Staat waar de verkoper gevestigd is, moet zich ervan vergewissen dat de verkoper zich houdt aan de onderstaande voorschriften:

- voorafgaand aan de verzending van de produkten de betaling van de accijns waarborgen onder de voorwaarden die de Lid-Staat van bestemming heeft vastgesteld, en na aankomst van de produkten voor de betaling van de accijns zorgen;

- een administratie voeren van de leveringen van de produkten.

4. In het in lid 2 bedoelde geval wordt de accijns die in de eerste Lid-Staat is voldaan, teruggegeven volgens artikel 22, lid 4.

5. De Lid-Staten kunnen met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, specifieke voorschriften ter uitvoering van deze bepaling vaststellen voor accijnsprodukten die onder een bijzondere nationale distributieregeling vallen die verenigbaar is met het Verdrag.

TITEL II Produktie, verwerking en voorhanden hebben

Artikel 11

1. Elke Lid-Staat stelt, met inachtneming van de bepalingen van deze richtlijn, zijn voorschriften inzake de produktie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsprodukten vast.

2. Wanneer de accijns niet voldaan is, vinden de produktie, de verwerking en het voorhanden hebben van accijnsprodukten plaats in een belastingentrepot.

Artikel 12

Voor de opening en het beheer van belastingentrepots is een vergunning van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten vereist.

Artikel 13

De erkend entrepothouder moet

a) een zekerheid stellen, indien vereist, inzake produktie, verwerking en voorhanden hebben, alsmede een verplichte zekerheid inzake verkeer, waarvan de voorwaarden worden vastgesteld door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat waar het belastingentrepot is erkend;

b) voldoen aan de verplichtingen die zijn vastgesteld door de Lid-Staat op wiens grondgebied het belastingentrepot zich bevindt;

c) een administratie voeren van de voorraden en het verkeer van produkten per belastingentrepot;

d) de produkten op verzoek tonen;

e) controle of inventarisatie toelaten.

Deze verplichtingen mogen geen inbreuk maken op het beginsel van non-discriminatie tussen nationale transacties en intracommunautaire transacties.

Artikel 14

1. De erkend entrepothouder wordt vrijgesteld voor de onder de schorsingsregeling opgetreden en aan toevallige omstandigheden of aan gevallen van overmacht te wijten verliezen die door de autoriteiten van elke Lid-Staat zijn geconstateerd. Tevens wordt hij onder de schorsingsregeling vrijgesteld voor de verliezen die inherent zijn aan de aard van de produkten tijdens het produktie- en verwerkingsproces, de opslag en het vervoer. Elke Lid-Staat stelt de voorwaarden vast waaronder deze vrijstellingen worden toegekend. De vrijstellingen gelden ook voor de in artikel 14 bedoelde bedrijven tijdens het vervoer van de produkten onder de schorsingsregeling.

2. De in lid 1 bedoelde verliezen die zijn opgetreden tijdens intracommunautair vervoer van produkten onder de schorsingsregeling, moeten worden geconstateerd volgens de regels van de Lid-Staat van bestemming.

3. Onverminderd artikel 20 wordt, in geval van andere tekorten dan de in lid 1 bedoelde verliezen en in geval van verliezen waarvoor de in lid 1 bedoelde vrijstellingen niet worden toegekend, de accijns geheven volgens de tarieven die in de betrokken Lid-Staat van kracht zijn op het ogenblik waarop de verliezen, die naar behoren moeten zijn vastgesteld door de bevoegde autoriteiten, zich hebben voorgedaan of, in voorkomend geval, op het ogenblik van de vaststelling van de tekorten.

TITEL III Verkeer

Artikel 15

1. Onverminderd artikel 5, lid 2, artikel 16 en artikel 19, lid 4, moet het verkeer van accijnsprodukten dat onder de schorsingsregeling plaatsvindt, geschieden tussen belastingentrepots.

2. De door de bevoegde autoriteiten van een Lid-Staat overeenkomstig artikel 13 erkende entrepothouders worden geacht te zijn erkend voor nationale en intracommunautaire verkeershandelingen.

3. De aan het intracommunautaire verkeer verbonden risico's worden gedekt door de zekerheid die overeenkomstig artikel 13 is gesteld door de erkend entrepothouder van verzending of, in voorkomend geval, door een hoofdelijke zekerheid van afzender en vervoerder. In voorkomend geval kunnen de Lid-Staten een zekerheid eisen van de geadresseerde.

De nadere regels van deze zekerheid worden door de Lid-Staten vastgesteld. De zekerheid moet in de gehele Gemeenschap geldig zijn.

4. Onverminderd artikel 20 kan de verantwoordelijkheid van de erkend entrepothouder van verzending en, in voorkomend geval, die van de vervoerder pas vervallen door middel van het bewijs dat de geadresseerde de produkten overneemt, met name middels het in artikel 18 genoemde geleidedocument onder de voorwaarden van artikel 19.

Artikel 16

1. In afwijking van artikel 15, lid 1, kan de geadresseerde een bedrijf zijn dat niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit. Dit bedrijf mag bij de uitoefening van zijn beroep accijnsprodukten onder de schorsingsregeling uit andere Lid-Staten ontvangen. Het mag deze produkten evenwel noch voorhanden hebben noch verzenden onder schorsing van accijns.

De Lid-Staten kunnen, met inachtneming van het Gemeenschapsrecht, specifieke voorschriften ter uitvoering van deze bepaling vaststellen voor accijnsprodukten die vallen onder een bijzondere nationale distributieregeling die verenigbaar is met het Verdrag.

2. Het in lid 1 bedoelde bedrijf kan, voorafgaand aan de ontvangst van de goederen, verzoeken om registratie bij de belastingautoriteiten van zijn Lid-Staat.

Het geregistreerde bedrijf moet zich aan de onderstaande voorschriften houden:

a) de betaling van de accijnzen waarborgen onder de voorwaarden die de belastingautoriteiten van zijn Lid-Staat hebben vastgesteld, onverminderd artikel 15, lid 4, waarin de verantwoordelijkheid van de erkend entrepothouder van verzending, en, in voorkomend geval, van de vervoerder is vastgelegd;

b) een administratie voeren van de leveringen der produkten;

c) de produkten op verzoek tonen;

d) controle of inventarisatie toelaten.

Voor dit bedrijf wordt de accijns verschuldigd bij de ontvangst van de goederen en wordt hij voldaan op de door elke Lid-Staat vastgestelde wijze.

3. Indien het in lid 1 bedoelde bedrijf niet bij de belastingautoriteiten van zijn Lid-Staat geregistreerd is, moet het zich aan de onderstaande voorschriften houden:

a) voorafgaand aan de verzending van de goederen aangifte doen bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming en de betaling van de accijns waarborgen, onverminderd het bepaalde in artikel 15, lid 4, waarin de verantwoordelijkheid van de erkend entrepothouder van verzending en, in voorkomend geval, van de vervoerder is vastgelegd;

b) de accijns van de Lid-Staat van bestemming bij de ontvangst van de goederen voldoen op de door die Lid-Staat vastgestelde wijze;

c) elke controle toelaten waardoor de overheidsdienst van de Lid-Staat van bestemming zich kan vergewissen van de daadwerkelijke ontvangst van de goederen en van de betaling van de accijns waartoe deze aanleiding geven.

4. Behoudens de leden 2 en 3, zijn de bepalingen van deze richtlijn inzake het verkeer van accijnsprodukten dat onder de schorsingsregeling plaatsvindt, van toepassing.

Artikel 17

De erkend entrepothouder van verzending kan een fiscaal vertegenwoordiger aanwijzen. Deze fiscaal vertegenwoordiger moet gevestigd zijn in de Lid-Staat van bestemming en erkend zijn door de belastingautoriteiten van deze Staat. Hij moet in plaats van de geadresseerde, die niet de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit, aan de onderstaande voorschriften voldoen:

a) de betaling van de accijns waarborgen onder de voorwaarden die de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming hebben vastgesteld, onverminderd artikel 15, lid 4, waarin de verantwoordelijkheid van de erkend entrepothouder van verzending en, in voorkomend geval, van de vervoerder is vastgelegd;

b) de accijns van de Lid-Staat van bestemming bij de ontvangst van de goederen voldoen op de door de Lid-Staat van bestemming vastgestelde wijze;

c) een administratie van de leveringen van produkten voeren en aan de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming mededelen waar de goederen worden geleverd.

Artikel 18

1. Niettegenstaande het eventuele gebruik van geautomatiseerde procedures gaat elk accijnsprodukt dat zich onder de schorsingsregeling in het verkeer tussen de grondgebieden van verschillende Lid-Staten bevindt, vergezeld van een door de afzender opgesteld document, namelijk een administratief of een commercieel document. Vorm en inhoud van dat document worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 24 van deze richtlijn.

2. Met het oog op de identificatie en de controle van de goederen moeten de colli worden geteld en moeten de produkten worden beschreven aan de hand van het in lid 1 bedoelde document; eventueel moet elke laadruimte door de afzender worden verzegeld wanneer het vervoermiddel kan worden erkend als geschikt voor verzegeling door de Lid-Staat van vertrek of moeten de colli door de afzender worden verzegeld.

3. Indien de geadresseerde geen erkend entrepothouder of geregistreerd bedrijf is, moet, niettegenstaande artikel 17, het in lid 1 genoemde document vergezeld gaan van een document waarin wordt verklaard dat de accijns in de Lid-Staat van bestemming is betaald of dat enige andere methode om de inning van die accijns te waarborgen, is gevolgd, onder de voorwaarden vastgesteld door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming.

Bovengenoemd document moet de volgende gegevens bevatten:

- het adres van het betrokken kantoor van de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming;

- de datum en de referentie van de betaling of van de aanvaarding door dit kantoor van de zekerheid voor de betaling.

4. Lid 1 is niet van toepassing wanneer de accijnsprodukten zich onder dekking van een in artikel 5, lid 2, bedoelde regeling in het verkeer bevinden.

5. Onverminderd artikel 3, lid 1, mogen de Lid-Staten hun voorschriften betreffende het verkeer en de opslag van grondstoffen die worden gebruikt voor de vervaardiging of de bereiding van accijnsprodukten handhaven.

Artikel 19

1. De belastingautoriteiten van de Lid-Staten worden door de bedrijven door middel van het document of van een verwijzing naar het document, bedoeld in artikel 18, op de hoogte gesteld van de partijen die zijn verzonden en ontvangen. Dit document wordt in vier exemplaren opgesteld:

- een door de afzender te bewaren exemplaar;

- een exemplaar voor de geadresseerde;

- een exemplaar dat voor zuivering naar de afzender wordt teruggezonden;

- een exemplaar bestemd voor de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming.

De bevoegde autoriteiten van elke Lid-Staat van verzending kunnen bepalen dat gebruik wordt gemaakt van een extra afschrift van het document voor de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van vertrek.

De Lid-Staat van bestemming kan bepalen dat het exemplaar dat voor zuivering naar de afzender wordt teruggezonden door zijn eigen autoriteiten wordt gecertificeerd of geviseerd. De Lid-Staten die deze bepaling toepassen moeten de Commissie hiervan in kennis stellen, die op haar beurt de overige Lid-Staten informeert.

De procedure die moet worden gevolgd voor het exemplaar voor de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming, wordt volgens de procedure van artikel 24 vastgesteld.

2. Indien de accijnsprodukten onder de schorsingsregeling in het verkeer zijn met als bestemming een erkend entrepothouder, een geregistreerd of een niet-geregistreerd bedrijf, wordt een exemplaar van het administratieve geleidedocument of een kopie van het commerciële document, naar behoren van aantekeningen voorzien, door de geadresseerde voor zuivering naar de afzender teruggezonden, en wel uiterlijk binnen twee weken na de maand waarin de goederen door de geadresseerde zijn ontvangen.

Het terug te zenden exemplaar dient de volgende vermeldingen te bevatten, die nodig zijn voor de zuivering:

a) het adres van het kantoor van de belastingautoriteiten waaronder de geadresseerde ressorteert;

b) datum en plaats van ontvangst van de goederen;

c) omschrijving van de ontvangen goederen om na te gaan of de zending overeenstemt met de gegevens op het document. In geval van overeenstemming moet de vermelding "zending conform" worden aangebracht;

d) het referentie- of registratienummer dat eventueel wordt afgegeven door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming die zo'n nummering gebruiken en/of het visum van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat van bestemming indien deze Lid-Staat voorschrijft dat het terug te zenden exemplaar door zijn eigen autoriteiten moet worden gecertificeerd of geviseerd;

e) de geautoriseerde handtekening van de geadresseerde.

3. De schorsingsregeling als omschreven in artikel 4, onder c), wordt gezuiverd door het plaatsen van de accijnsprodukten overeenkomstig artikel 5, lid 2, in een van de in artikel 5, lid 2, bedoelde situaties, met als gevolg schorsing van de accijns, zulks na ontvangst door de afzender van het terug te zenden exemplaar van het administratieve geleidedocument of van een afschrift van het commerciële document, waarop naar behoren aantekening is gemaakt van die plaatsing.

4. Wanneer accijnsprodukten die zijn geplaatst onder de schorsingsregeling als omschreven in artikel 4, onder c), worden uitgevoerd, wordt deze regeling gezuiverd door de certificering door het douanekantoor van uitgang uit de Gemeenschap, dat de produkten de Gemeenschap daadwerkelijk hebben verlaten. Dit douanekantoor moet aan de afzender het voor hem bestemde gecertificeerde terugzendingsexemplaar van het geleidedocument terugsturen.

5. Wanneer geen zuivering plaatsvindt, moet de afzender de belastingautoriteiten van zijn Lid-Staat daarvan in kennis stellen een door die autoriteiten vast te stellen termijn. Deze termijn mag echter niet langer zijn dan drie maanden na de datum van verzending van de goederen.

6. De Lid-Staten werken samen om steekproefcontroles, eventueel aan de hand van geautomatiseerde procedures, in te voeren.

Artikel 20

1. Wanneer tijdens het verkeer een onregelmatigheid of een overtreding is begaan waardoor de accijns verschuldigd wordt, moet de accijns worden betaald in de Lid-Staat waar de onregelmatigheid of de overtreding is begaan, en wel door de natuurlijke of rechtspersoon die een zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de accijns volgens artikel 15, lid 3, zulks onverminderd de instelling van strafvorderingen.

Wanneer de accijns wordt ingevorderd in een andere Lid-Staat dan die van vertrek, stelt de Lid-Staat die de invordering verricht, de bevoegde autoriteiten van het land van vertrek daarvan in kennis.

2. Wanneer tijdens het verkeer een overtreding of een onregelmatigheid is geconstateerd zonder dat kan worden vastgesteld waar zij is begaan, wordt zij geacht te zijn begaan in de Lid-Staat waarin zij is geconstateerd.

3. Onverminderd artikel 6, lid 2, wordt, wanneer de accijnsprodukten niet op de plaats van bestemming aankomen en niet kan worden vastgesteld waar de overtreding of de onregelmatigheid is begaan, deze overtreding of onregelmatigheid geacht te zijn begaan in de Lid-Staat van vertrek; deze vordert de accijns in tegen het op de datum van verzending van de produkten geldende tarief, tenzij binnen een termijn van vier maanden vanaf de datum van verzending van de produkten, naar genoegen van de bevoegde autoriteiten wordt aangetoond dat de handeling regelmatig was of op welke plaats de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan.

4. Indien vóór het verstrijken van een termijn van drie jaar te rekenen vanaf de datum van opstelling van het geleidedocument wordt vastgesteld in welke Lid-Staat de overtreding of de onregelmatigheid daadwerkelijk werd begaan, wordt de accijns door deze Lid-Staat ingevorderd tegen het op de datum van verzending geldende tarief. In dat geval wordt de aanvankelijk geheven accijns teruggegeven zodra het bewijs van deze invordering is geleverd.

Artikel 21

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 6, lid 1, kunnen de Lid-Staten bepalen dat de op hun grondgebied voor uitslag tot verbruik bestemde produkten voorzien moeten zijn van fiscale merktekens of van nationale herkenningstekens die voor belastingdoeleinden worden gebruikt.

2. Elke Lid-Staat die het gebruik van de in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of nationale herkenningstekens voorschrijft, moet deze ter beschikking stellen van de erkende entrepothouders van de andere Lid-Staten. Iedere Lid-Staat kan evenwel bepalen dat de fiscale merktekens ter beschikking worden gesteld van een door zijn belastingautoriteiten erkende fiscale vertegenwoordiger.

De Lid-Staten zorgen ervoor dat de procedure inzake deze tekens geen belemmeringen voor het vrije verkeer van accijnsprodukten doet ontstaan.

3. De in lid 1 bedoelde fiscale merktekens of herkenningstekens zijn uitsluitend geldig in de Lid-Staat die deze heeft afgegeven.

De Lid-Staten kunnen echter overgaan tot onderlinge erkenning van die tekens.

4. Minerale oliën mogen in Ierland, tenzij zij voldoen aan de in dat land gestelde eisen inzake controle en merktekens, niet elders voorhanden worden gehouden, vervoerd of gebruikt dan in de normale brandstoftanks van voertuigen die gebruik mogen maken van brandstof waarvoor een laag tarief geldt.

5. Het intracommunautaire verkeer van produkten die voorzien zijn van een in lid 1 bedoeld fiscaal merkteken of nationaal herkenningsteken van een Lid-Staat en die bestemd zijn voor verkoop in deze Lid-Staat, vindt op het grondgebied van een andere Lid-Staat plaats met het geleidedocument bedoeld in artikel 18, leden 1 en 3, of, in voorkomend geval, volgens het bepaalde in artikel 5, lid 2.

TITEL IV Teruggaaf

Artikel 22

1. Voor de tot verbruik uitgeslagen accijnsprodukten kan in daarvoor in aanmerking komende gevallen op verzoek van een bedrijf in het kader van de bedrijfsuitoefening de accijns worden teruggegeven door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat waarin de uitslag tot verbruik heeft plaatsgevonden, wanneer die produkten niet bestemd zijn om in die Lid-Staat te worden verbruikt.

Het staat de Lid-Staten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

2. Voor de toepassing van lid 1 gelden onderstaande bepalingen:

a) de afzender moet vóór de verzending van de goederen bij de bevoegde autoriteiten van zijn Lid-Staat een verzoek om teruggaaf indienen en naar behoren aantonen dat de accijns is voldaan. De bevoegde autoriteiten kunnen echter niet de teruggaaf weigeren enkel en alleen omdat het door diezelfde autoriteiten opgestelde document waaruit de oorspronkelijke betaling blijkt, niet is overgelegd;

b) het verkeer van de onder a) bedoelde goederen geschiedt door middel van het in artikel 18, lid 1, bedoelde document;

c) de afzender legt de bevoegde autoriteiten van zijn Lid-Staat het terug te zenden exemplaar van het onder b) bedoelde document voor, dat naar behoren door de geadresseerde van aantekeningen is voorzien en dat vergezeld moet gaan van een document waaruit blijkt dat betaling van de accijns is verzekerd in de Lid-Staat van verbruik, of dat voorzien moet zijn van de vermelding van:

- het adres van het betrokken kantoor van de belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming;

- de datum van aanvaarding van de aangifte door dit kantoor alsmede het referentie- of registratienummer van de aangifte;

d) voor de accijnsprodukten die in een Lid-Staat tot verbruik zijn uitgeslagen en uit dien hoofde voorzien zijn van een fiscaal merkteken of een herkenningsteken van die Lid-Staat, kan de accijns die moet worden betaald bij de belastingautoriteiten van de Lid-Staat welke deze fiscale merktekens of herkenningstekens heeft afgegeven, worden teruggegeven, voor zover de vernietiging van deze tekens geconstateerd wordt door de belastingautoriteiten van de Lid-Staat die ze heeft afgegeven.

3. In de in artikel 7 bedoelde gevallen moet de Lid-Staat van vertrek de voldane accijns enkel teruggeven indien de accijns reeds in de Lid-Staat van bestemming is voldaan volgens de procedure van artikel 7, lid 5.

Het staat de Lid-Staten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

4. In de in artikel 10 bedoelde gevallen moet de Lid-Staat van vertrek, op verzoek van de verkoper, de door hem voldane accijns teruggeven indien de verkoper de procedures van artikel 10, lid 3, heeft gevolgd.

Het staat de Lid-Staten evenwel vrij niet in te gaan op dit verzoek om teruggaaf wanneer het niet voldoet aan de regelmatigheidscriteria die zij vaststellen.

In de gevallen waarin de verkoper de hoedanigheid van erkend entrepothouder bezit, kunnen de Lid-Staten bepalen dat de teruggaafprocedure vereenvoudigd wordt.

5. De belastingautoriteiten van elke Lid-Staat stellen de procedures en de wijze van controle vast die gelden voor teruggaven op hun eigen grondgebied. De Lid-Staten zorgen ervoor dat de teruggaaf van de accijns niet hoger is dan het daadwerkelijk voldane bedrag.

TITEL V Vrijstellingen

Artikel 23

1. Accijnsprodukten zijn vrijgesteld van betaling van accijns wanneer zij bestemd zijn:

- om te worden geleverd in het kader van diplomatieke of consulaire betrekkingen;

- voor de als zodanig door de overheidsinstanties van de Lid-Staat van ontvangst erkende internationale organisaties, alsmede voor de leden van die organisaties, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zijn vastgesteld bij de internationale overeenkomsten tot oprichting van deze organisaties of bij de zetelovereenkomsten;

- voor de strijdkrachten van alle Staten die partij zijn bij het Noordatlantisch Verdrag, met uitzondering van de Lid-Staat waarin de accijns verschuldigd is, alsmede voor de gewapende strijdkrachten bedoeld in artikel 1 van Beschikking 90/640/EEG(5) , voor het gebruik door deze strijdkrachten, door het burgerlijk personeel dat hen vergezelt of voor de bevoorrading van hun messes of kantines;

- om te worden verbruikt in het kader van een met derde landen of internationale organisaties gesloten overeenkomst voor zover zo'n overeenkomst wordt aanvaard of toegestaan op het gebied van vrijstelling van BTW.

Totdat een uniforme belastingregeling wordt vastgesteld zijn deze vrijstellingen van toepassing onder de voorwaarden en binnen de grenzen die door de Lid-Staat van ontvangst zijn bepaald. De vrijstelling kan worden toegekend volgens een procedure inzake teruggaaf van accijns.

2. De Raad kan met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, iedere Lid-Staat machtigen om met een derde land of een internationale organisatie een overeenkomst te sluiten die vrijstellingen van accijns kan bevatten.

De Staat die een dergelijke overeenkomst wenst te sluiten, legt de zaak aan de Commissie voor en verstrekt alle voor de beoordeling dienstige gegevens. De Commissie stelt de overige Lid-Staten daarvan binnen een maand in kennis. Het besluit van de Raad wordt geacht te zijn genomen indien de aangelegenheid niet in de Raad aan de orde is gesteld binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf deze kennisgeving.

3. De in de volgende richtlijnen vervatte bepalingen betreffende de accijnsrechten zijn vanaf 31 december 1992 niet langer van kracht:

- Richtlijn 74/651/EEG(6) ,

- Richtlijn 83/183/EEG(7) ,

- Richtlijn 68/297/EEG(8) .

4. De bij Richtlijn 69/169/EEG(9) vastgestelde bepalingen inzake accijns zijn vanaf 31 december 1992 niet langer van kracht wat de betrekkingen tussen de Lid-Staten betreft.

5. Totdat de Raad met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, communautaire bepalingen betreffende de bevoorrading van schepen en luchtvaartuigen aanneemt, mogen de Lid-Staten hun nationale voorschriften ter zake handhaven.

TITEL VI Accijnscomité

Artikel 24

1. De Commissie wordt bijgestaan door een "Accijnscomité", hierna "Comité" te noemen. Dit Comité bestaat uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Het Comité stelt zijn reglement van orde vast.

2. De maatregelen die nodig zijn voor de toepassing van de artikelen 7, 18 en 19 worden volgens de procedure van de leden 3 en 4 vastgesteld.

3. De vertegenwoordiger van de Commissie legt het Comité een ontwerp voor van de te nemen maatregelen. Het Comité brengt advies uit over dit ontwerp binnen een termijn die de voorzitter kan vaststellen naar gelang van de urgentie van de materie. Het Comité spreekt zich uit met meerderheid van stemmen overeenkomstig artikel 148, lid 2, van het Verdrag. De voorzitter neemt niet aan de stemming deel.

4. a) De Commissie stelt de beoogde maatregelen vast wanneer zij in overeenstemming zijn met het advies van het Comité.

b) Wanneer de beoogde maatregelen niet in overeenstemming zijn met het advies van het Comité of indien geen advies is uitgebracht, dient de Commissie onverwijld bij de Raad een voorstel in betreffende de te nemen maatregelen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.

Indien de Raad na verloop van drie maanden na de indiening van het voorstel bij de Raad, geen besluit heeft genomen, worden de voorgestelde maatregelen door de Commissie vastgesteld, behalve wanneer de Raad zich met gewone meerderheid van stemmen tegen genoemde maatregelen heeft uitgesproken.

5. Naast de in lid 2 genoemde maatregelen bestudeert het Comité de kwesties die door de voorzitter worden voorgelegd op diens eigen initiatief of op verzoek van de vertegenwoordiger van een Lid-Staat, en die betrekking hebben op de toepassing van de communautaire bepalingen inzake accijnzen, evenwel met uitzondering van de in artikel 30 van deze richtlijn bedoelde bepalingen.

Artikel 25

De Lid-Staten en de Commissie bespreken en evalueren de toepassing van de communautaire bepalingen inzake accijns.

TITEL VII Slotbepalingen

Artikel 26

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 8 wordt Denemarken mits een herzieningsmechanisme wordt ingesteld in de trant van wat is vastgesteld in artikel 28 terdecies van Richtlijn 77/388/EEG(10) , tot en met 31 december 1996 gemachtigd om, in het algemene kader van de harmonisatie van de accijnstarieven, de specifieke bepalingen van de leden 2 en 3 toe te passen inzake gedistilleerde dranken en tabaksfabrikaten.

2. Denemarken wordt gemachtigd om de volgende kwantitatieve maxima toe te passen:

- reizigers die zich voor privédoeleinden naar Denemarken begeven, komen in aanmerking voor de op 31 december 1992 geldende vrijstellingen voor sigaretten, cigarillo's of rooktabak en voor gedistilleerde dranken;

- in Denemarken wonende reizigers die Denemarken hebben verlaten voor een kortere periode dan die welke op 31 december 1992 geldt, komen in aanmerking voor de op deze datum in Denemarken geldende vrijstellingen voor sigaretten en gedistilleerde dranken.

3. Denemarken wordt gemachtigd accijnzen te heffen en de nodige verificaties te verrichten betreffende gedistilleerde dranken, sigaretten, cigarillo's en rooktabak.

4. De Raad besluit met eenparigheid van stemmen, op voorstel van de Commissie, in het licht van de harmonisering van de accijnstarieven en van het gevaar voor concurrentievervalsing, bepalingen van dit artikel te wijzigen of, in voorkomend geval, de geldigheidsduur ervan te beperken.

Artikel 27

Vóór 1 januari 1997 beziet de Raad, aan de hand van een verslag van de Commissie, de artikelen 7 tot en met 10 opnieuw en stelt hij, in voorkomend geval, op voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europese Parlement, met eenparigheid van stemmen de nodige wijzigingen vast.

Artikel 28

Gedurende een periode die op 30 juni 1999 verstrijkt, gelden onderstaande bepalingen:

1. De Lid-Staten kunnen vrijstelling van accijns verlenen voor de produkten die door tax-free shops zijn verkocht en die worden meegevoerd in de persoonlijke bagage van een reiziger die zich door middel van een intracommunautaire vlucht of overtocht naar een andere Lid-Staat begeeft.

In deze bepaling wordt verstaan onder:

a) tax-free shop: iedere inrichting die gelegen is op een luchthaven of in een haven en die voldoet aan de voorwaarden die gesteld zijn door de bevoegde overheidsinstanties, met name bij toepassing van punt 3;

b) reiziger die zich naar een andere Lid-Staat begeeft: iedere passagier die in het bezit is van een bewijs van vervoer door de lucht of over zee, waarop als rechtstreekse bestemming een in een andere Lid-Staat gelegen luchthaven of haven wordt vermeld;

c) intracommunautaire vlucht of overtocht: iedere vorm van vervoer door de lucht of over zee die begint binnen een Lid-Staat en waarvan de daadwerkelijke plaats van aankomst in een andere Lid-Staat ligt.

Met produkten die door tax-free shops worden geleverd, worden gelijkgesteld de produkten die aan boord van een vliegtuig of een schip tijdens intracommunautair reizigersvervoer worden geleverd.

Deze vrijstelling is tevens van toepassing op produkten die worden geleverd door tax-free shops die gelegen zijn in één van de twee terminals die toegang geven tot de tunnel onder het Kanaal, voor reizigers die in het bezit zijn van een geldig vervoerbewijs voor het traject dat tussen deze twee terminals wordt afgelegd.

2. De in punt 1 bedoelde vrijstelling geldt alleen voor produkten waarvan de hoeveelheden, per persoon en per reis, niet de maxima overschrijden die zijn vastgesteld in de geldende communautaire bepalingen inzake het reizigersverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap.

3. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen om te zorgen voor een correcte en eenvoudige toepassing van de in dit artikel bedoelde vrijstellingen en om eventuele fraude, belastingontwijking en misbruik te voorkomen.

Artikel 29

1. De Lid-Staten kunnen kleine wijnproducenten ontslaan van de in de titels II en III bedoelde verplichtingen, en van de overige verplichtingen in verband met verkeer en controle. Wanneer deze kleine producenten zelf intracommunautaire transacties verrichten, stellen zij hun bevoegde autoriteiten daarvan in kennis en voldoen zij aan de bij Verordening (EEG) nr. 986/89 van de Commissie(11) vastgestelde verplichtingen, met name met betrekking tot het uitslagregister en het geleidedocument.

Onder kleine wijnproducenten dienen personen te worden verstaan die gemiddeld minder dan 1 000 hl wijn per jaar produceren.

2. De belastingautoriteiten van de Lid-Staat van bestemming worden door de geadresseerde van de wijnleveringen in kennis gesteld door middel van het in lid 1 bedoelde document of een verwijzing hiernaar.

3. De Lid-Staten treffen bilateraal de nodige maatregelen om steekproefcontroles in te voeren, die eventueel door middel van geautomatiseerde procedures worden verricht.

Artikel 30

Richtlijn 77/799/EEG wordt als volgt gewijzigd:

1. de titel wordt als volgt gelezen:

"Richtlijn van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen";

2. in artikel 1:

a) wordt lid 1 als volgt gelezen:

"1. De bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten verstrekken elkaar overeenkomstig deze richtlijn alle inlichtingen die hun van nut kunnen zijn voor een juiste vaststelling van de belastingschuld op het gebied van de belastingen naar het inkomen en het vermogen, alsook alle inlichtingen over de vaststelling van de volgende indirecte belastingen:

- de belasting over de toegevoegde waarde;

- de accijns op minerale oliën;

- de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken;

- de accijns op tabaksfabrikaten.";

b) wordt lid 5 als volgt gewijzigd voor wat betreft Denemarken, Griekenland, het Verenigd Koninkrijk en Portugal:

"in Denemarken:

Skatteministeren of een door deze aangewezen vertegenwoordiger;

in Griekenland:

Ypoyrgos Oikonomikon of een door deze aangewezen vertegenwoordiger;

in het Verenigd Koninkrijk:

- The Commissioners of Customs and Excise of een door dezen aangewezen vertegenwoordiger voor informatie die wordt verlangd inzake belasting over de toegevoegde waarde of accijnzen,

- The Commissioners of Inland Revenue of een door dezen aangewezen vertegenwoordiger voor alle andere informatie;

in Portugal:

O Ministro das Finanças of een door deze aangewezen vertegenwoordiger.".

Artikel 31

1. De Lid-Staten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om op 1 januari 1993 aan deze richtlijn te voldoen.

Wat betreft artikel 8 bis, lid 2, mag het Koninkrijk Denemarken evenwel de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om aan die bepaling te voldoen, uiterlijk op 1 januari 1993 in werking doen treden.

Wanneer de Lid-Staten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de Lid-Staten.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij vaststellen om aan deze richtlijn te voldoen.

Artikel 32

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 25 februari 1992.

Voor de Raad De Voorzitter Vitor MARTINS

(1) PB nr. C 322 van 21. 12. 1990, blz. 1, en PB nr. C 45 van 20. 2. 1992, blz. 10.

(2) PB nr. C 183 van 15. 7. 1991, blz. 131.

(3) PB nr. C 169 van 18. 3. 1991, blz. 25.

(4) PB nr. L 336 van 27. 12. 1977, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 79/1070/EEG (PB nr. L 331 van 27. 12. 1979, blz. 8).

(5) PB nr. L 349 van 13. 12. 1990, blz. 19.

(6) PB nr. L 354 van 30. 12. 1974, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 88/663/EEG (PB nr. L 382 van 31. 12. 1988, blz. 40).

(7) PB nr. L 105 van 23. 4. 1983, blz. 64. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 89/604/EEG (PB nr. L 348 van 29. 11. 1989, blz. 28).

(8) PB nr. L 175 van 25. 7. 1968, blz. 15. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 85/347/EEG (PB nr. L 183 van 16. 7. 1985, blz. 22).

(9) PB nr. L 135 van 4. 6. 1969, blz. 6. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 91/191/EEG (PB nr. L 94 van 16. 4. 1991, blz. 24).

(10) PB nr. L 145 van 13. 6. 1977, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 90/640/EEG (PB nr. L 349 van 13. 12. 1990, blz. 19).

(11) PB nr. L 106 van 18. 4. 1989, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 592/91 (PB nr. L 66 van 13. 3. 1991, blz. 13).

Top