Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31988L0378

Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de veiligheid van speelgoed

OJ L 187, 16.7.1988, p. 1–13 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 008 P. 106 - 117
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 008 P. 106 - 117
Special edition in Czech: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Estonian: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Latvian: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Lithuanian: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Hungarian Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Maltese: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Polish: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Slovak: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Slovene: Chapter 13 Volume 009 P. 240 - 252
Special edition in Bulgarian: Chapter 13 Volume 008 P. 231 - 243
Special edition in Romanian: Chapter 13 Volume 008 P. 231 - 243
Special edition in Croatian: Chapter 13 Volume 065 P. 3 - 15

No longer in force, Date of end of validity: 19/07/2013

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1988/378/oj

31988L0378

Richtlijn 88/378/EEG van de Raad van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de veiligheid van speelgoed

Publicatieblad Nr. L 187 van 16/07/1988 blz. 0001 - 0013
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 8 blz. 0106
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 8 blz. 0106


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 3 mei 1988 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake de veiligheid van speelgoed (88/378/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 100 A,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

In samenwerking met het Europese Parlement (2),

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

Overwegende dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de veiligheidskenmerken van speelgoed in de verschillende Lid-Staten inhoudelijk en ten aanzien van hun werkingssfeer uiteenlopen; dat er door deze verschillen belemmeringen voor het handelsverkeer en ongelijke mededingingsvoorwaarden binnen de Gemeenschap kunnen ontstaan, zonder dat hierdoor evenwel op de gemeenschappelijke markt een efficiënte bescherming van de consument, met name van het kind, tegen de risico's die uit deze produkten voortvloeien, wordt gewaarborgd;

Overwegende dat deze belemmeringen voor de verwezenlijking van een interne markt waarin slechts produkten circuleren die voldoende veilig zijn, moeten worden opgeheven en dat daartoe het in de handel brengen en het vrije verkeer van speelgoed moeten worden onderworpen aan gelijkvormige voorschriften die aansluiten bij de doelstellingen inzake de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van de consument, zoals omschreven in de resolutie van de Raad van 23 juni 1986 betreffende de toekomstige koers van het beleid van de Europese Economische Gemeenschap inzake de bescherming en de bevordering van de belangen van de consument (4);

Overwegende dat het, ten einde het bewijs van overeenstemming met de fundamentele voorschriften te vergemakkelijken, onontbeerlijk is om op Europees niveau over geharmoniseerde normen inzake, met name, de constructie en de samenstelling van speelgoed te beschikken, waarvan de inachtneming voor die produkten een vermoeden van overeenstemming met de fundamentele voorschriften schept; dat deze op Europees niveau geharmoniseerde normen door particuliere instanties worden opgesteld en hun status van niet-bindende teksten moeten behouden; dat in dit verband de Europese Commissie voor normalisatie (CEN) en het Europees Comité voor elektrotechnische normalisatie (CENELEC) worden erkend als de instanties die bevoegd zijn de geharmoniseerde normen, overeenkomstig de op 13 november 1984 ondertekende algemene richtsnoeren voor samenwerking tussen de Commissie en deze beide instanties vast te stellen; dat in deze richtlijn onder geharmoniseerde norm een technische specificatie (Europese norm of harmoniseringsdocument) wordt verstaan die door een van deze instanties, of door beide, in opdracht van de Commissie overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 83/189/EEG van de Raad van 28 maart 1983 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften (5), gewijzigd bij de Akte van Toetreding van Spanje en Portugal, en krachtens de algemene richtsnoeren is vastgesteld;

Overwegende dat de tot stand te brengen harmonisatie volgens de resolutie van de Raad van 7 mei 1985 betreffende een nieuwe aanpak op het gebied van de technische harmonisatie en normalisatie (6) moet bestaan in het vaststellen van de fundamentele veiligheidsvoorschriften waaraan alle speelgoed moet voldoen om in de handel te mogen worden gebracht;

Overwegende dat, wegens de grote omvang en de mobiliteit van de markt voor speelgoed alsmede het veelvormige karakter van deze produkten, het toepassingsgebied van deze richtlijn op basis van een voldoende ruime omschrijving van speelgoed moet worden bepaald; dat er echter op moet worden gewezen dat bepaalde produkten, hetzij omdat zij feitelijk niet voor kinderen bestemd zijn, hetzij omdat zij uitsluitend onder toezicht of in bijzondere gebruiksomstandigheden kunnen worden gebruikt, niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn mogen worden beschouwd;

Overwegende dat het in de handel gebrachte speelgoed geen gevaar mag opleveren voor de veiligheid en/of gezondheid van de gebruikers of derden; dat de mate van veiligheid van het speelgoed moet worden vastgesteld volgens het criterium van het gebruik overeenkomstig de bestemming van het produkt, waarbij evenwel tevens rekening dient te worden gehouden met het te verwachten gebruik daarvan, gezien het gebruikelijke gedrag van kinderen die gewoonlijk niet de zorgvuldigheid van de gemiddelde volwassen gebruiker betrachten;

Overwegende dat de mate van veiligheid van speelgoed moet worden bezien op het ogenblik dat het in de handel wordt gebracht, maar dat ook rekening moet worden gehouden met de noodzaak om deze te doen voortduren tijdens de gehele duur van het te verwachten normale gebruik van het speelgoed;

Overwegende dat het naleven van deze fundamentele voorschriften de veiligheid en de gezondheid van de gebruiker waarborgt; dat alle in de handel gebracht speelgoed aan deze voorschriften moet voldoen en dat, indien het hieraan voldoet, geen enkele belemmering aan het vrije verkeer daarvan in de weg mag worden gelegd;

Overwegende dat er een vermoeden van overeenstemming met deze fundamentele voorschriften kan worden geacht te bestaan, indien het speelgoed voldoet aan de geharmoniseerde normen waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt;

Overwegende dat aan de eis van overeenstemming met de fundamentele voorschriften tevens kan worden geacht te zijn voldaan, indien speelgoed overeenstemt met een door een erkende instantie goedgekeurd model; dat deze overeenstemming moet blijken uit het aanbrengen van een Europees merkteken;

Overwegende dat goedkeuringsprocedures moeten worden vastgesteld om te bepalen hoe nationale erkende instanties modellen van niet met de normen overeenstemmend speelgoed moeten goedkeuren en daarvoor, evenals voor met de normen overeenstemmend speelgoed waarvan het model aan hen ter goedkeuring is voorgelegd, typegoedkeuringen moeten verlenen;

Overwegende dat moet worden voorzien in passende informatie van Lid-Staten, de Commissie en alle erkende instanties in de verschillende stadia van de goedkeurings- en controleprocedures;

Overwegende dat de Lid-Staten instanties moeten aanwijzen, "erkende instanties" genaamd, om het voor speelgoed ingestelde systeem toe te passen; dat over deze instanties op passende wijze voorlichting moet worden verstrekt en dat al deze instanties voor hun goedkeuring, aan minimumcriteria moeten voldoen;

Overwegende dat het zou kunnen voorkomen dat speelgoed niet voldoet aan de fundamentele veiligheidsvoorschriften; dat in dat geval de Lid-Staat die dit constateert, alle maatregelen moet treffen om deze artikelen uit de handel te nemen of het in de handel brengen ervan te verbieden; dat deze beslissing met redenen moet worden omkleed en dat, indien er sprake is van een leemte in de geharmoniseerde normen, deze normen geheel of gedeeltelijk van de door de Commissie bekendgemaakte lijsten moeten worden afgevoerd;

Overwegende dat de Commissie erop toeziet dat de opstelling van de geharmoniseerde normen op alle, door de fundamentele voorschriften in bijlage II bestreken gebieden vóór 1 juli 1989 is voltooid; dat dientengevolge de op grond van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen per 1 januari 1990 van toepassing zouden moeten worden;

Overwegende dat moet worden gezorgd voor passende maatregelen tegen degene die ten onrechte een merkteken van overeenstemming heeft aangebracht;

Overwegende dat door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op in de handel zijnde speelgoed veiligheidscontroles moeten worden uitgevoerd;

Overwegende dat voor bepaalde categorieën speelgoed die zeer gevaarlijk zijn of die voor zeer jonge kinderen bestemd zijn, tevens waarschuwingen of aanduidingen in de gebruiksaanwijzing moeten worden gegeven;

Overwegende dat de Commissie regelmatig van de in het kader van deze richtlijn door de erkende instanties uitgeoefende werkzaamheden op de hoogte moet worden gesteld;

Overwegende dat degenen te wier aanzien in het kader van deze richtlijn beslissingen worden genomen, de redenen hiervan alsmede de rechtsmiddelen daartegen moeten kunnen kennen;

Overwegende dat rekening is gehouden met het advies van het Raadgevend Wetenschappelijk Comité voor het onderzoek naar de toxiciteit en de ecotoxiciteit van chemische verbindingen, voor wat betreft de limieten voor de gezondheid ten aanzien van de biologische beschikbaarheid van metallische stoffen in kinderspeelgoed,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op speelgoed. Onder speelgoed wordt verstaan elk produkt dat is ontworpen of kennelijk is bestemd om door kinderen onder de leeftijd van veertien jaar bij het spelen te worden gebruikt.

2. De in bijlage I vermelde produkten worden niet als speelgoed in de zin van deze richtlijn beschouwd.

Artikel 2

1. Speelgoed mag slechts in de handel worden gebracht, indien het bij gebruik overeenkomstig de bestemming ervan of bij gebruik op een wijze die gezien het gangbare gedrag van kinderen te verwachten is, voor de veiligheid en/of de gezondheid van de gebruikers of van derden geen gevaar oplevert.

2. Speelgoed moet in de staat waarin het in de handel wordt gebracht en rekening houdend met het te verwachten normale gebruik, aan de in deze richtlijn gestelde eisen inzake veiligheid en gezondheid voldoen.

3. In de zin van deze richtlijn moet onder "in de handel brengen" zowel verkopen als om niet verstrekken worden verstaan.

Artikel 3

De Lid-Staten treffen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat speelgoed slechts in de handel kan worden gebracht indien het aan de in bijlage II vermelde fundamentele veiligheidsvoorschriften voldoet.

Artikel 4

De Lid-Staten mogen op hun grondgebied het in de handel brengen van speelgoed dat aan deze richtlijn voldoet, niet belemmeren.

Artikel 5

1. De Lid-Staten gaan uit van het vermoeden dat speelgoed met de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften in overeenstemming is, indien het is voorzien van het in artikel 11 bedoelde EG-merkteken waardoor het in overeenstemming wordt verklaard met de daarop betrekking hebbende nationale normen waarin de geharmoniseerde normen zijn getransponeerd en waarvan de referenties in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt. De Lid-Staten publiceren de referenties van deze nationale normen.

2. De Lid-Staten gaan uit van het vermoeden dat speelgoed ten aanzien waarvan de fabrikant de in lid 1 bedoelde normen niet of slechts ten dele heeft toegepast, of bij onstentenis van die normen, in overeenstemming is met de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften indien, na een EG-type-verklaring te hebben verkregen, de overeenstemming van dat speelgoed met het goedgekeurde model door de aanbrenging van het EG-merkteken wordt gestaafd.

Artikel 6

1. Indien een Lid-Staat of de Commissie van oordeel is dat de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen niet geheel aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften voldoen, wendt de Commissie of de Lid-Staat zich met vermelding van de redenen daartoe tot het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Permanent Comité, hierna "Comité" te noemen. Het Comité brengt met spoed advies uit.

In het licht van het advies van het Comité deelt de Commissie de Lid-Staten mee of de betrokken normen volledig, voor een deel of in het geheel niet uit de in artikel 5, lid 1, bedoelde publikaties moeten worden afgevoerd.

2. De Commissie stelt de betrokken Europese normalisatie-instantie daarvan in kennis en verleent deze zo nodig een nieuw normalisatiemandaat.

Artikel 7

1. Indien een Lid-Staat vaststelt dat speelgoed dat van het EG-merkteken is voorzien en overeenkomstig zijn bestemming of op de in artikel 2 bedoelde wijze wordt gebruikt, voor de veiligheid en/of gezondheid van gebruikers en/of derden gevaar kan opleveren, treft die Lid-Staat alle passende maatregelen om het produkt uit de markt te nemen of om het in de handel brengen ervan te verbieden of te beperken. De Lid-Staat stelt de Commissie onverwijld van deze maatregelen in kennis met opgave van de redenen voor zijn besluit; met name moet worden aangegeven of het niet overeenstemmen een gevolg is van:

a) niet-naleving van de in artikel 3 bedoelde fundamentele veiligheidsvoorschriften, wanneer het speelgoed niet aan de in artikel 5, lid 1, bedoelde normen voldoet;

b) verkeerde toepassing van de in artikel 5, lid 1, bedoelde normen;

c) een leemte in de in artikel 5, lid 1, bedoelde normen.

2. Wanneer niet in overeenstemming zijnd speelgoed van het EG-merkteken is voorzien, treft de bevoegde Lid-Staat passende maatregelen en stelt deze Lid-Staat de Commissie hiervan in kennis; de Commissie geeft deze informatie door aan de andere Lid-Staten.

Artikel 8

1. a) Alvorens het in overeenstemming met de in artikel 5, lid 1, bedoelde geharmoniseerde normen vervaardigde speelgoed in de handel wordt gebracht, moet het zijn voorzien van het EG-merkteken, waarbij de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bevestigt dat het speelgoed aan die normen voldoet.

b) De fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet met het oog op controle de volgende informatie ter beschikking houden:

- een beschrijving van de middelen (bij voorbeeld gebruik van een keuringsprotocol, technische specificatie) waarmee de fabrikant ervoor zorgt dat het produkt met de in artikel 5, lid 1, bedoelde normen overeenstemt, alsmede in voorkomend geval een door een erkende instantie opgestelde EG-typeverklaring, afschriften van documenten die de fabrikant aan de erkende instantie heeft voorgelegd en een beschrijving van de middelen waarmee de fabrikant ervoor zorgt dat het produkt met het goedgekeurde model overeenstemt;

- het adres van de plaatsen van vervaardiging en opslag;

- uitvoerige gegevens betreffende ontwerp en vervaardiging.

Indien noch de fabrikant, noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, rust deze verplichting om een dossier ter beschikking te houden op een ieder die het speelgoed op de communautaire markt in de handel brengt.

2. a) Speelgoed dat geheel of gedeeltelijk niet met de in artikel 5, lid 1, bedoelde normen overeenstemt, moet voordat het in de handel wordt gebracht, zijn voorzien van het EG-merkteken, waarmee de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bevestigt dat het speelgoed overeenstemt met het model dat volgens de procedures van artikel 10 is onderzocht en waarvan een erkende instantie heeft verklaard dat het aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften voldoet.

b) De fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde moet met het oog op controle de volgende informatie ter beschikking houden:

- een uitvoerige beschrijving van de vervaardiging;

- een beschrijving van de middelen (bij voorbeeld gebruik van een keuringsprotocol, technische specificatie, enz.) waarmee de fabrikant ervoor zorgt dat het produkt met het goedgekeurde model overeenstemt;

- het adres van de plaatsen van vervaardiging en opslag;

- afschriften van de documenten die de fabrikant overeenkomstig artikel 10, lid 2, aan een erkende instantie heeft voorgelegd;

- het monsterkeuringscertificaat of een gewaarmerkt afschrift daarvan.

Indien noch de fabrikant, noch zijn gemachtigde in de Gemeenschap is gevestigd, rust deze verplichting om een dossier ter beschikking te houden op een ieder die het speelgoed in de Gemeenschap in de handel brengt.

3. In geval van niet-nakoming van de verplichtingen bedoeld in lid 1, onder b), en lid 2, onder b), treft de bevoegde Lid-Staat passende maatregelen om te bewerkstelligen dat die verplichtingen worden nagekomen.

In geval van onmiskenbare niet-nakoming van deze verplichtingen kan de Lid-Staat met name eisen dat de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde binnen een bepaalde termijn op eigen kosten door een erkende instantie een proef laat uitvoeren om de overeenstemming met de geharmoniseerde normen of met de fundamentele veiligheidsvoorschriften na te gaan.

Artikel 9

1. De door de Lid-Staten bij de aanwijzing van de in deze richtlijn bedoelde erkende instanties in acht te nemen minimumcriteria zijn in bijlage III vervat.

2. Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de erkende instanties die met de uitvoering van het in artikel 8, lid 2, en in artikel 10 bedoelde EG-typeonderzoek zijn belast. De Commissie maakt de lijst van deze instanties en van het hun toegekende nummer ter informatie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschap bekend. Zij werkt deze lijst bij.

3. Een Lid-Staat die een instantie heeft erkend, moet deze erkenning intrekken indien hij vaststelt dat die instantie niet langer aan de in bijlage III genoemde criteria voldoet. De Lid-Staat stelt de Commissie hiervan onverwijld in kennis.

Artikel 10

1. Het EG-typeonderzoek is de procedure waarbij een erkende instantie vaststelt en verklaart dat een speelgoedmodel aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften voldoet.

2. De aanvraag voor een EG-typeonderzoek wordt door de fabrikant of door diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde bij een erkende instantie ingediend.

De aanvraag omvat:

- een beschrijving van het speelgoed;

- naam en adres van de fabrikant of van diens gemachtigde(n), alsmede de plaats waar het speelgoed wordt vervaardigd;

- uitvoerige gegevens over ontwerp en vervaardiging, vergezeld van een model van het speelgoed waarvan produktie wordt overwogen.

3. De erkende instantie verricht het EG-typeonderzoek op de volgende wijze:

- zij onderzoekt de door de aanvrager voorgelegde documenten en gaat na of deze in orde zijn;

- zij gaat na of het speelgoed geen gevaar oplevert voor veiligheid en/of gezondheid in de zin van artikel 2;

- zij voert de dienstig geachte onderzoeken en proeven uit en past zoveel mogelijk de in artikel 5, lid 1, geharmoniseerde normen toe om na te gaan of het model aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften beantwoordt;

- zij kan om nog andere exemplaren van het model verzoeken.

4. Indien het voorgelegde model aan de in artikel 3 bedoelde fundamentele voorschriften beantwoordt, stelt de erkende instantie een verklaring van EG-typeonderzoek op, die aan de aanvrager wordt toegezonden. In deze verklaring zijn de bevindingen van het onderzoek opgenomen en wordt aangegeven welke voorwaarden in voorkomend geval aan de verklaring zijn verbonden; tevens zijn daarin beschrijvingen en tekeningen van het goedgekeurde speelgoed opgenomen.

De Commissie, de andere erkende instanties en de overige Lid-Staten kunnen een afschrift van de verklaring en, op een met redenen omkleed verzoek, een afschrift van het technisch dossier en van de verslagen van de verrichte onderzoeken en proeven verkrijgen.

5. De erkende instantie die een verklaring van het EG-typeonderzoek weigert af te geven, stelt daarvan de Lid-Staat die de instantie heeft erkend en de Commissie op de hoogte onder vermelding van de redenen voor haar weigering.

Artikel 11

1. Het in de artikelen 5, 7 en 8 bedoelde EG-merkteken en de naam en/of firmanaam en/of het merkteken alsmede het adres van de fabrikant, van zijn gemachtigde of van de importeur in de Gemeenschap moeten in het algemeen zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar op het speelgoed of op de verpakking worden aangebracht. Bij speelgoed van klein formaat en speelgoed dat bestaat uit onderdelen van klein formaat mogen deze gegevens op dezelfde wijze worden aangebracht op de verpakking, op een etiket of op een bijgesloten mededeling. Indien de gegevens niet op het speelgoed zijn aangebracht, moet de consument erop worden gewezen dat het nuttig is deze te bewaren.

2. Het EG-merkteken bestaat uit het symbool "Ce".

3. Het is verboden op speelgoed tekens of opschriften aan te brengen waardoor verwarring met het EG-merkteken kan ontstaan.

4. De in lid 1 bedoelde gegevens mogen worden afgekort mits identificatie van de fabrikant, zijn gemachtigde of de importeur in de Gemeenschap mogelijk blijkt.

5. Bijlage IV bevat de waarschuwingen en de aanwijzingen betreffende de bij het gebruik in acht te nemen voorzorgsmaatregelen die bij bepaald speelgoed moeten worden verstrekt. De Lid-Staten kunnen voorschrijven dat alle van een aantal van deze waarschuwingen of aanwijzingen, alsmede de in lid 4 bedoelde informatie, in hun nationale taal of talen moeten luiden wanneer het speelgoed op de markt wordt gebracht.

Artikel 12

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om speelgoed dat op hun nationale markt op de markt is, steekproefsgewijs te controleren, ten einde na te gaan of het in overeenstemming is met deze richtlijn.

De controlerende instantie:

- krijgt desgevraagd toegang tot de plaatsen van fabricage of opslag en tot de in artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 2, onder b), bedoelde informatie;

- kan de fabrikant of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of verantwoordelijke voor het in de handel brengen verzoeken binnen een door de Lid-Staat vast te stellen termijn de in artikel 8, lid 1, onder b), en artikel 8, lid 2, onder b), bedoelde informatie te verstrekken;

- mag een monster van het te controleren speelgoed nemen voor onderzoek en beproeving.

2. Om de drie jaar brengen de Lid-Staten bij de Commissie verslag uit over de toepassing van deze richtlijn.

3. De Lid-Staten en de Commissie nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kennisgevingen van de afschriften van de resultaten van het in artikel 10, lid 4, bedoelde EG-typeonderzoek vertrouwelijk worden behandeld.

Artikel 13

De Lid-Staten houden de Commissie regelmatig op de hoogte van de werkzaamheden die in het kader van deze richtlijn worden uitgevoerd door de door hen erkende instanties, zodat de Commissie erop kan toezien dat de controle- en toezichtprocedures juist en op niet-discriminatoire wijze worden toegepast.

Artikel 14

Elk op deze richtlijn berustend besluit waardoor het in de handel brengen van een speelgoedartikel wordt beperkt, wordt nauwkeurig met redenen omkleed. Het wordt zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de betrokkene, waarbij de in die Lid-Staat bestaande wettelijke beroepsmogelijkheden worden vermeld alsmede de termijnen waarbinnen dit beroep moet worden ingesteld.

Artikel 15

1. De Lid-Staten dienen vóór 30 juni 1989 de bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie hiervan onmiddellijk in kennis.

Zij passen deze bepalingen toe vanaf 1 januari 1990.

2. De Lid-Staten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 3 mei 1988.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. BANGEMANN

(1) PB nr. C 282 van 8. 11. 1986, blz. 4.

(2) PB nr. C 246 van 14. 9. 1987, blz. 91 en besluit van 9 maart 1988 (nog niet verschenen in het Publikatieblad).

(3) PB nr. C 232 van 31. 8. 1987, blz. 22.

(4) PB nr. C 167 van 5. 7. 1986, blz. 1.

(5) PB nr. L 109 van 26. 4. 1983, blz. 8.

(6) PB nr. C 136 van 4. 6. 1985, blz. 1.

BIJLAGE I

ARTIKELEN DIE NIET ALS SPEELGOED IN DE ZIN VAN DEZE RICHTLIJN WORDEN AANGEMERKT

(Artikel 1, lid 1)

1. Kerstversiering

2. Schaalmodellen voor volwassen verzamelaars

3. Uitrusting bestemd voor collectief gebruik op speelterreinen

4. Sportuitrusting

5. Watersportuitrusting voor gebruik in diep water

6. Folkloristische en sierpoppen en andere soortgelijke artikelen voor volwassen verzamelaars

7. "Professioneel" speelgoed opgesteld in openbare gelegenheden (grootwinkelbedrijven, stations enz.)

8. Puzzels met meer dan 500 stukjes of zonder voorbeeld voor hobbyisten

9. Luchtdrukwapens

10. Vuurwerk met inbegrip van slaghoedjes (1)

11. Slingers (werptuigen) en katapulten

12. Spellen met werppijltjes met metalen punten

13. Elektrische fornuisjes, strijkijzertjes en dergelijke functionele artikelen, gevoed met een nominale spanning van meer dan 24 volt

14. Artikelen met een verwarmingsoppervlak die in pedagogisch verband onder leiding van een volwassene moeten worden gebruikt

15. Voertuigjes met verbrandingsmotor

16. Speelgoedstoommachines

17. Sport- en toerfietsen

18. Videospellen, met een voeding van nominaal meer dan 24 volt, die verbonden kunnen worden met een videobeeldscherm

19. Fopspenen

20. Natuurgetrouwe imitaties van echte vuurwapens

21. Namaakjuwelen voor kinderen

(1) Met uitzondering van slaghoedjes die speciaal zijn ontworpen voor speelgoed, onverminderd strengere bepalingen die reeds in bepaalde Lid-Staten gelden.

BIJLAGE II

FUNDAMENTELE VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR SPEELGOED

I. ALGEMENE BEGINSELEN

1. Overeenkomstig de in artikel 2 van deze richtlijn genoemde veiligheidsvoorschriften, moeten gebruikers van speelgoed alsmede derden beschermd zijn tegen gevaren voor de gezondheid of lichamelijk letsel wanneer het speelgoed wordt gebruikt overeenkomstig de bestemming of op een wijze die, gezien het gebruikelijke gedrag van kinderen, te verwachten is. Het betreft gevaren:

a) die verband houden met het ontwerp, de constructie of de samenstelling van het speelgoed;

b) die onverbrekelijk verbonden zijn met het gebruik van het speelgoed en niet volledig kunnen worden opgeheven door verandering aan te brengen in de constructie of de samenstelling zonder dat het speelgoed zijn functie of zijn belangrijkste eigenschappen verliest.

2. a) De mate van het gevaar die het gebruik van het speelgoed meebrengt moet in verhouding staan tot de vaardigheden van de gebruikers, onder andere van degenen onder wier toezicht zij het speelgoed gebruiken. Dit geldt met name voor speelgoed dat door functie, afmetingen of andere kenmerken bestemd is voor kinderen beneden de 36 maanden.

b) Om dit beginsel in praktijk te brengen moet, waar nodig, een minimumleeftijd voor de gebruikers van het speelgoed worden aangegeven, alsmede worden vermeld dat het uitsluitend onder toezicht van volwassenen mag worden gebruikt.

3. Op etiketten op speelgoed en/of verpakking en in de bijgevoegde gebruiksaanwijzingen moeten de gebruikers c.q. de toezichthoudende volwassenen in voldoende mate en op begrijpelijke wijze worden gewezen op de aan het gebruik verbonden gevaren en op de manier waarop deze kunnen worden voorkomen.

II. BIJZONDERE GEVAREN

1. Fysische en mechanische eigenschappen

a) Speelgoed en onderdelen daarvan en, bij vast geïnstalleerd speelgoed, de verankering, moeten de nodige mechanische eigenschappen en in voorkomend geval de vereiste stabiliteit hebben om de bij het gebruik uitgeoefende druk te weerstaan zonder dat zij breken of kunnen vervormen met gevaar voor lichamelijk letsel.

b) Bereikbare hoeken, uitstekende delen, snoeren, kabels en bevestigingen moeten zo ontworpen en geconstrueerd zijn dat het gevaar voor lichamelijk letsel bij aanraking zo klein mogelijk is.

c) Speelgoed moet zo ontworpen en vervaardigd zijn dat de kans op lichamelijk letsel ten gevolge van de beweging van de delen ervan minimaal is.

d) Speelgoedartikelen en onderdelen daarvan en afneembare delen die kennelijk bestemd zijn voor kinderen beneden de 36 maanden, moeten zo groot zijn dat zij niet kunnen worden ingeslikt en/of ingeademd.

e) Speelgoedartikelen en onderdelen daarvan alsmede de verpakking waarin dit speelgoed en deze onderdelen in de detailverkoop worden aangeboden, mogen geen gevaar voor verstikking of verwurging meebrengen.

f) Speelgoedartikelen die bestemd zijn om in ondiep water te worden gebruikt en om het kind te dragen of drijvende te houden op het water, moeten, gelet op het voorgestelde gebruik ervan, zodanig ontworpen en vervaardigd zijn dat het gevaar voor verlies van het drijfvermogen van het speelgoed alsmede van de steun die het aan het kind geeft, zo klein mogelijk is.

g) Speelgoedartikelen waar kinderen in kunnen kruipen en die een gesloten ruimte vormen, moeten een uitgang hebben die gemakkelijk van binnenuit kan worden geopend.

h) Speelgoed waarmee de gebruikers zich kunnen voortbewegen, moet voor zover mogelijk voorzien zijn van remmen die aangepast zijn aan het soort speelgoed en die berekend zijn op de door het speelgoed opgewekte kinetische energie. Deze remmen moeten gemakkelijk door de gebruikers bediend kunnen worden zonder dat dezen gevaar lopen er uit of af te vallen of zichzelf en anderen te verwonden.

i) De constructievorm en -samenstelling van projectielen en de kinetische energie die deze kunnen ontwikkelen bij lancering door een daartoe ontworpen stuk speelgoed, moeten zodanig zijn dat het gevaar voor verwonding van de gebruiker van het speelgoed of van derden niet onredelijk groot is, gelet op de aard van het speelgoed.

j) Speelgoed dat warmte-elementen bevat moet zo vervaardigd zijn dat:

- de hoogste temperatuur die aan elke toegankelijke zijde wordt bereikt zodanig is dat aanraking daarvan geen verbranding tot gevolg heeft;

- de temperatuur of druk van de vloeistoffen, dampen en gassen in het speelgoed niet zo hoog oplopen dat deze, indien zij voor de goede werking van het speelgoed moeten ontsnappen, brandwonden of ander lichamelijk letsel kunnen veroorzaken.

2. Ontvlambaarheid

a) Speelgoed mag in de woonomgeving van het kind geen gevaarlijk ontvlambaar element zijn. Hiertoe dient het speelgoed samengesteld te zijn uit materialen die:

1. niet branden onder de directe inwerking van een vlam of vonk of andere potentiële oorzaak van ontbranding;

2. of moeilijk ontvlambaar zijn (het vuur moet doven zodra de oorzaak van ontbranding verwijderd is);

3. of, indien zij vlam vatten, traag branden, waarbij de vlam zich langzaam verspreidt;

4. of, ongeacht de chemische samenstelling van het speelgoed, zodanig zijn behandeld dat het verbrandingsproces wordt vertraagd.

Dit brandbare materiaal mag geen gevaar van ontbranding meebrengen voor andere in het speelgoed verwerkte stoffen.

b) Speelgoed dat, om te kunnen functioneren, gevaarlijke stoffen of preparaten zoals omschreven in Richtlijn 67/548/EEG (1) bevat, met name materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren, fotograferen of soortgelijke activiteiten, mag als zodanig geen stoffen of preparaten bevatten die ontvlambaar worden door het verlies van vluchtige niet ontvlambare componenten.

c) Speelgoed mag niet ontplofbaar zijn of elementen of stoffen bevatten die bij gebruik overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn zouden kunnen ontploffen. Onder verwijzing naar punt 10 van bijlage I en de desbetreffende voetnoot geldt dit niet voor speelgoedslaghoedjes.

d) Speelgoed, en meer bepaald chemische spellen en speelgoedartikelen, mag geen stoffen of preparaten bevatten

- die bij vermenging een ontploffing kunnen veroorzaken:

- door chemische reactie of door verwarming,

- bij vermenging met oxyderende stoffen;

- die vluchtige componenten bevatten die ontvlambaar zijn in de lucht en ontvlambare of explosieve mengsels van damp en lucht kunnen vormen.

3. Chemische eigenschappen

1. Speelgoed dient zodanig te zijn ontworpen en vervaardigd dat het bij gebruik overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de richtlijn geen gevaar voor de gezondheid of lichamelijk letsel meebrengt bij inslikken, inademing of contact met de huid, de slijmvliezen of de ogen.

In ieder geval moet dat speelgoed voldoen aan de passende communautaire wetgeving inzake bepaalde categorieën produkten of betreffende het verbod, de beperking van het gebruik of de etikettering van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten.

2. Met het oog op de bescherming van de gezondheid der kinderen mag met name de totale biologische beschikbaarheid ten gevolge van het gebruik van het speelgoed per dag niet hoger liggen dan de volgende streefcijfers:

0,2 µg voor antimoon

0,1 µg voor arsenicum

25,0 µg voor barium

0,6 µg voor cadmium

0,3 µg voor chroom

0,7 µg voor lood

0,5 µg voor kwik

5,0 µg voor selenium

of de waarden die op basis van wetenschappelijk bewijsmateriaal voor deze of ander stoffen in de Gemeenschapswetgeving kunnen worden vastgesteld.

Onder biologische beschikbaarheid van deze stoffen wordt verstaan het oplosbare extract dat toxicologisch van belang is.

3. Speelgoed mag geen gevaarlijke stoffen of preparaten in de zin van de Richtlijnen 67/548/EEG en 88/379/EEG (2) bevatten in hoeveelheden die de gezondheid van het kind dat het speelgoed gebruikt kunnen schaden. In ieder geval is het formeel verboden in speelgoed gevaarlijke stoffen of preparaten te verwerken indien het speelgoed bestemd is om als zodanig bij het spelen te worden gebruikt.

Indien een beperkt aantal stoffen of preparaten echter voor de werking van bepaald speelgoed, zoals materiaal en apparatuur voor scheikundige experimenten, modelbouw, boetseren met kunststof of klei, emailleren, fotograferen en dergelijke activiteiten in beperkte mate nodig zijn, zijn deze toegestaan mits een voor elke stof en elk preparaat bij opdracht aan het CEN overeenkomstig de procedure van het bij Richtlijn 83/189/EEG ingestelde Comité aan te geven maximumconcentratie niet wordt overschreden, en de toegestane stoffen en preparaten voldoen aan de door de Gemeenschap gestelde voorschriften inzake indeling, verpakking en etikettering, onverminderd punt 4 van bijlage IV.

4. Elektrische eigenschappen

a) Elektrisch aangedreven speelgoed moet werken op een nominale spanning van ten hoogste 24 volt en geen enkel onderdeel van het speelgoed mag onder spanning van meer dan 24 volt staan.

b) Delen van speelgoed die in contact staan of kunnen komen met een elektriciteitsbron die een elektrische schok kan veroorzaken, alsmede de kabels of draden waarlangs de elektriciteit naar deze delen wordt geleid, dienen goed geïsoleerd en mechanisch beveiligd te zijn om het gevaar van elektrische schokken te voorkomen.

c) Elektrisch aangedreven speelgoed moet zo zijn ontworpen en uitgevoerd dat de hoogste temperaturen die optreden aan de oppervlakte van alle rechtstreeks toegankelijke delen, bij aanraking daarvan geen brandwonden kunnen veroorzaken.

5. Hygiene

Speelgoed dient zo te zijn ontworpen en vervaardigd dat wordt voldaan aan de eisen inzake hygiëne en zuiverheid en gevaar voor infectie, ziekte en besmetting wordt vermeden.

6. Radioactiviteit

Speelgoed mag geen radioactieve elementen of stoffen bevatten in een vorm of hoeveelheid die schade kan berokkenen aan de gezondheid van het kind. Richtlijn 80/836/Euratom (3) is van toepassing.

(1) PB nr. 196 van 16. 8. 1967, blz. 1.

(2) Zie bladzijde 14 van dit Publikatieblad.

(3) PB nr. L 246 van 17. 9. 1980, blz. 1.

BIJLAGE III

VOORWAARDEN WAARAAN DE ERKENDE INSTANTIES MOETEN VOLDOEN

(Artikel 9, lid 1)

De door de Lid-Staten aangewezen instanties moeten aan de volgende minimumvoorwaarden voldoen:

1. beschikbaarheid van personeel, alsmede van de nodige middelen en uitrusting;

2. technische bekwaamheid en professionele integriteit van het personeel;

3. onafhankelijkheid bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen, het afgeven van verklaringen en het uitoefenen van het in deze richtlijn voorgeschreven toezicht, van het kaderpersoneel en het technisch personeel ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die rechtstreeks of indirect belangen hebben op het gebied van speelgoed;

4. bewaring van het beroepsgeheim door het personeel;

5. afsluiten van een verzekering van wettelijke aansprakelijkheid, tenzij deze op grond van het nationale recht reeds door de Staat wordt gedekt.

Door de bevoegde instanties van de Lid-Staten wordt periodiek gecontroleerd of aan de in de punten 1 en 2 genoemde voorwaarden is voldaan.

BIJLAGE IV

WAARSCHUWINGEN EN AANWIJZINGEN IN DE GEBRUIKSAANWIJZINGEN

(Artikel 11, lid 5)

Speelgoed dient te zijn voorzien van duidelijk leesbare en deugdelijke aanwijzingen om de gevaren bij gebruik, als bedoeld in de fundamentele voorschriften, te verkleinen. In het bijzonder geldt het volgende:

1. Speelgoed dat niet is bestemd voor kinderen beneden de 36 maanden

Op speelgoed dat gevaarlijk kan zijn voor kinderen beneden de 36 maanden, wordt een waarschuwing vermeld als "Niet geschikt voor kinderen beneden de 36 maanden" of "Niet geschikt voor kinderen beneden de drie jaar", alsmede een korte vermelding - die ook in de gebruiksaanwijzing mag voorkomen - van de specifieke gevaren waardoor deze uitsluiting wordt gemotiveerd.

Deze bepaling is niet van toepassing op speelgoed waarvan, gezien de functie, afmetingen, kenmerken of andere in het oog lopende eigenschappen of onderdelen, duidelijk is dat het niet bestemd is voor kinderen beneden de 36 maanden.

2. Glijbanen, schommels, ringen, trapezes, touwen en soortgelijk speelgoed, bevestigd aan een balk

Dit speelgoed dient te zijn voorzien van een gebruiksaanwijzing, waarin de aandacht wordt gevestigd op de noodzaak van periodieke controles en onderhoud van de belangrijkste delen (ophangingsmiddelen, haken, bevestiging op de grond enz.) en waarin wordt aangegeven dat bij het nalaten van deze controle gevaar voor vallen van de kinderen of omvallen van de toestellen ontstaat.

Tevens moeten aanwijzingen worden gegeven betreffende de correcte montage, met vermelding van de onderdelen die bij verkeerde montage gevaren kunnen opleveren.

3. Functioneel speelgoed

Op functioneel speelgoed of de verpakking ervan dient te zijn vermeld "Voorzichtig! Te gebruiken onder toezicht van volwassenen.".

Bij dit speelgoed dient bovendien een gebruiksaanwijzing te worden geleverd, met instructies inzake de bediening en de door de gebruiker in acht te nemen voorzorgsmaatregelen. Ook wordt aangegeven dat veronachtzaming van deze voorzorgsmaatregelen leidt tot nader aan te geven gevaren eigen aan het apparaat of het produkt, waarvan het een verkleind model of een imitatie vormt. Er wordt tevens aangegeven dat het speelgoed buiten het bereik van zeer jonge kinderen moet worden gehouden.

Onder functioneel speelgoed wordt verstaan speelgoed dat dezelfde functie heeft als apparaten of installaties die bestemd zijn voor volwassenen, waarvan het vaak een verkleind model is.

4. Speelgoed dat stoffen of preparaten bevat die als zodanig gevaarlijk zijn. Chemisch speelgoed

a) Onverminderd de toepassing van de communautaire richtlijnen betreffende de indeling, verpakking en etikettering van gevaarlijke stoffen en preparaten, wordt op de gebruiksaanwijzing van het speelgoed dat deze stoffen of preparaten als zodanig bevat, de gevaarlijke aard ervan vermeld, alsmede de voorzorgsmaatregelen die de gebruiker in acht moet nemen om de desbetreffende gevaren te vermijden, die al naar gelang van het type speelgoed kort nader moeten worden aangeduid. Tevens moet worden aangegeven welke eerste hulp moet worden geboden bij ernstige ongevallen die het gevolg zijn van het gebruik van dit soort speelgoed en dat dit speelgoed buiten het bereik van zeer jonge kinderen moet worden gehouden.

b) Naast de onder a) bedoelde aanwijzingen dient chemisch speelgoed op de verpakking voorzien te zijn van het opschrift "Voorzichtig! Uitsluitend voor kinderen ouder dan [. . .] jaar (1). Te gebruiken onder toezicht van volwassenen.".

Als chemisch speelgoed worden met name beschouwd: dozen voor chemische proeven, dozen voor plasticinsluiting, miniatuurateliers voor keramiek- en emailbewerking, fotografie en soortgelijk speelgoed.

5. Schaatsplanken en rolschaatsen voor kinderen

Indien deze produkten als speelgoed ten verkoop worden aangeboden, moeten zij voorzien zijn van het opschrift "Voorzichtig! Te gebruiken met beschermingsuitrusting.".

Voorts wordt er in de gebruiksaanwijzing op gewezen dat men met dit speelgoed voorzichtig moet omgaan, daar er grote handigheid voor vereist is en om voor de gebruiker en derden ongevallen te voorkomen. Ook wordt aangegeven welke beschermingsuitrusting wordt aangeraden (helm, handschoenen, kniestukken, elleboogstukken enz.).

6. Speelgoed voor gebruik in water

Het in bijlage II, hoofdstuk II, punt 1, onder f), omschreven speelgoed voor gebruik in water is voorzien van de vermelding conform het mandaat van de CEN door de aanpassing van norm EN/71, delen 1 en 2:

"Voorzichtig! Alleen gebruiken onder toezicht en in water waar kinderen kunnen staan.".

(1) Leeftijd door de fabrikant te bepalen.

Top