Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31986L0653

Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten

OJ L 382, 31.12.1986, p. 17–21 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT)
Special edition in Finnish: Chapter 06 Volume 002 P. 150 - 154
Special edition in Swedish: Chapter 06 Volume 002 P. 150 - 154
Special edition in Czech: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Estonian: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Latvian: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Lithuanian: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Hungarian Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Maltese: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Polish: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Slovak: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Slovene: Chapter 06 Volume 001 P. 177 - 181
Special edition in Bulgarian: Chapter 06 Volume 001 P. 176 - 180
Special edition in Romanian: Chapter 06 Volume 001 P. 176 - 180
Special edition in Croatian: Chapter 06 Volume 010 P. 45 - 49

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1986/653/oj

31986L0653

Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten

Publicatieblad Nr. L 382 van 31/12/1986 blz. 0017 - 0021
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0150
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 2 blz. 0150


RICHTLIJN VAN DE RAAD van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten (86/653/EEG)

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, inzonderheid op artikel 57, lid 2, en artikel 100,

Gezien het voorstel van de Commissie (1),

(1) PB nr. C 13 van 18. 1. 1977, blz. 2 en PB nr. C 56 van 2. 3. 1979, blz. 5.

Gezien het advies van het Europese Parlement (2),

(2) PB nr. C 239 van 9. 10. 1978, blz. 17.

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité (3),

(3) PB nr. C 59 van 8. 3. 1978, blz. 31.

Overwegende dat de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten voor de werkzaamheden van tussenpersonen in handel, industrie en ambacht bij Richtlijn 64/224/EEG (4) zijn opgeheven;

(4) PB nr. 56 van 4. 4. 1964, blz. 869/64.

Overwegende dat de verschillen tussen de nationale wetgevingen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging binnen de Gemeenschap de concurrentieverhoudingen en de uitoefening van het beroep aanzienlijk beïnvloeden en de mate waarin de handelsagenten in hun betrekkingen met hun principalen worden beschermd, evenals de zekerheid in het handelsverkeer, aantasten; dat voorts deze verschillen de totstandkoming en de werking van handelsagentuurovereenkomsten tussen een principaal en een handelsagent die in verschillende Lid-Staten zijn gevestigd, ernstig kunnen belemmeren;

Overwegende dat het goederenverkeer tussen de Lid-Staten moet plaatsvinden onder soortgelijke omstandigheden als binnen een enkele markt, hetgeen de onderlinge aanpassing van de rechtsstelsels van de Lid-Staten vereist, voor zover zulks voor de goede werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is; dat in dit verband de verwijzingsregels van het internationaal privaatrecht, zelfs indien zij zijn geuenificeerd, de hierboven vermelde nadelen op het gebied van de handelsvertegenwoordiging niet opheffen, en dat daarom niet kan worden afgezien van de voorgestelde harmonisatie;

Overwegende ten dezen dat de rechtsbetrekkingen tussen de handelsagent en de principaal met voorgang moeten worden behandeld;

Overwegende dat bij een harmonisatie op de weg van de vooruitgang van de wetgevingen van de Lid-Staten tenaanzien van de handelsagenten dient te worden uitgegaan van de beginselen van artikel 117 van het Verdrag;

Overwegende dat een langere overgangsperiode moet worden toegekend aan bepaalde Lid-Staten die zich een bijzondere inspanning moeten getroosten om hun voorschriften, met name betreffende de vergoeding na beëindiging van de overeenkomst tussen de principaal en de handelsagent, aan te passen aan de eisen van deze richtlijn,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

Werkingssfeer

Artikel 1

1. De in deze richtlijn voorgeschreven harmonisatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de Lid-Staten inzake de betrekkingen tussen handelsagenten en hun principalen.

2. Handelsagent in de zin van deze richtlijn is hij die als zelfstandige tussenpersoon permanent is belast met het tot stand brengen van de verkoop of de aankoop van goederen voor een ander, hierna te noemen "principaal", of met het tot stand brengen en afsluiten van de verkoop of aankoop van goederen voor rekening en in naam van de principaal.

3. In de zin van deze richtlijn is een handelsagent in het bijzonder niet:

- een bestuurder van vennootschap of maatschap die de bevoegdheid heeft als orgaan van de vennootschap of maatschap namens deze op te treden;

- een vennoot die handelt namens zijn medevennoten;

- een bewindvoerder, een vereffenaar of een curator.

Artikel 2

1. Deze richtlijn is niet van toepassing:

- op handelsagenten wier werkzaamheden niet worden beloond;

- op handelsagenten voor zover zij werkzaam zijn op handelsbeurzen of op grondstoffenmarkten;

- op de instelling welke als "Crown Agents for Overseas Governments and Administrations" bekend staat, zoals die in het Verenigd Koninkrijk uit hoofde van de wet van 1979 op de "Crown Agents" is opgericht, of op dochterinstellingen hiervan.

2. Elke Lid-Staat kan bepalen dat de richtlijn niet van toepassing is op personen die de werkzaamheden van handelsagent als een nevenberoep uitoefenen volgens de wetgeving van deze Lid-Staat.

HOOFDSTUK II

Rechten en verplichtingen

Artikel 3

1. De handelsagent dient in de uitoefening van zijn bezigheden te waken over de belangen van de principaal en loyaal en te goeder trouw te handelen.

2. In het bijzonder moet de handelsagent:

a) zich naar behoren wijden aan de onderhandelingen over en, in voorkomend geval, aan het sluiten van de transacties waarmede hij wordt belast;

b) aan de principaal alle nodige inlichtingen verschaffen, waarover hij beschikt;

c) de redelijke instructies opvolgen die de principaal hem geeft.

Artikel 4

1. In zijn betrekkingen met de handelsagent moet de principaal zich loyaal en te goeder trouw gedragen.

2. In het bijzonder dient de principaal:

a) aan de handelsagent de nodige documentatie ter beschikking te stellen die betrekking heeft op de betrokken goederen;

b) aan de handelsagent alle inlichtingen te verschaffen die nodig zijn voor de uitvoering van de agentuurovereenkomst, in het bijzonder de handelsagent binnen een redelijke termijn te waarschuwen wanneer hij voorziet dat het aantal handelstransacties aanzienlijk geringer zal zijn dan die welke de handelsagent normaliter had kunnen verwachten.

3. De principaal dient de handelsagent voorts binnen een redelijke termijn op de hoogte te stellen van zijn aanvaarding, weigering of niet-uitvoering van een handelstransactie die de handelsagent heeft aangebracht.

Artikel 5

De partijen mogen niet afwijken van het bepaalde in de artikelen 3 en 4.

HOOFDSTUK III

Beloning

Artikel 6

1. Bij gebreke van een overeenkomst ter zake tussen de partijen en onverminderd de toepassing van de dwingende bepalingen van de Lid-Staten inzake beloningen, heeft de handelsagent recht op een beloning overeenkomstig de in de plaats waar hij zijn werkzaamheden verricht geldende gebruiken bij de vertegenwordiging van de goederen waarop de agentuurovereenkommst betrekking heeft, bij het ontbreken van dergelijke gebruiken heeft de handelsagent recht op een redelijke beloning waarbij rekening wordt gehouden met alle op de transactie betrekking hebbende elementen.

2. Alle elementen van de beloning die variëren naar gelang van het aantal zaken of de waarde daarvan, worden geacht een provisie te zijn in de zin van deze richtlijn.

3. De artikelen 7 tot en met 12 zijn niet van toepassing, voor zover de handelsagent niet geheel of gedeeltelijk op provisiebasis wordt beloond.

Artikel 7

1. Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten handelstransactie heeft de handelsagent recht op de provisie:

a) indien de transactie is gesloten dank zij zijn optreden, of

b) indien de transactie is gesloten met een derde die in een eerder stadium door hem als klant was aangebracht voor een dergelijke transactie.

2. Voor een tijdens de duur van de agentuurovereenkomst gesloten transactie heeft de handelsagent eveneens recht op de provisie

- indien hem een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen is toegewezen,

- of indien hij ten aanzien van een bepaald geografisch gebied of een bepaalde groep personen het alleenrecht heeft,

en de transactie werd gesloten meet een klant uit dat gebied of uit die groep.

De Lid-Staten moeten één van de beide hierboven genoemde mogelijkheden in hun wetgeving opnemen.

Artikel 8

Voor een handelstransactie die na het einde van de agentuurovereeenkomst wordt gesloten, heeft de handelsagent recht op de provisie:

a) indien de transactie hoofdzakelijk aan de door hem tijdens de duur van de agentuurovereenkomst aan de dag gelegde activiteit is te danken en is gesloten binnen een redelijke termijn te rekenen vanaf het einde van deze overeenkomst, of

b) indien, overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in artikel 7, de bestelling van de derde door de principaal of door de handelsagent is ontvangen vóór het einde van de agentuurovereenkomst.

Artikel 9

De handelsagent heeft geen recht op de provisie bedoeld in artikel 7 indien deze krachtens artikel 8 verschuldigd is aan de vorige handelsagent, tenzij uit de omstandigheden voortvloeit dat het billijk is de provisie tussen de handelsagenten te verdelen.

Artikel 10

1. De provisie is verschuldigd zodra en voor zover een van de volgende omstandigheden zich voordoet:

a) de principaal heeft de transactie uitgevoerd,

b) de principaal had de transactie krachtens de overeenkomst met de derde moeten uitvoeren,

c) de derde heeft de transactie uitgevoerd.

2. De provisie is uiterlijk verschuldigd wanneer de derde zijn deel van de transactie heeft uitgevoerd, of dit zou hebben moeten doen, indien de principaal zijn deel van de transactie had uitgevoerd.

3. De provisie wordt uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op het kwartaal waarin zij verschuldigd is geworden, betaald.

4. Van de leden 2 en 3 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.

Artikel 11

1. Het recht op provisie kan slechts vervallen indien en voor zover:

- vaststaat dat de overeenkomst tussen de derde en de principaal niet zal worden uitgevoerd en

- de niet-uitvoering niet terug te voeren is op omstandigheden die aan de principaal de wijten zijn.

2. Provisie die de handelsagent reeds heeft ontvangen, wordt terugbetaald als het desbetreffende recht is vervallen.

3. Van lid 1 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.

Artikel 12

1. De principaal verstrekt de handelsagent een opgave van de verschuldigde provisies en wel uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op het kwartaal waarin de provisie verschuldigd is geworden. Deze opgave omvat alle van belang zijnde gegevens op grond waarvan de provisiebedragen zijn berekend.

2. De handelsagent heeft het recht te verlangen dat hem alle gegevens worden verstrekt waarover de principaal beschikt, in het bijzonder uittreksels uit de boekhouding, indien de agent deze nodig heeft om na te gaan hoeveel provisie hem verschuldigd is.

3. Van de leden 1 en 2 mag niet bij overeenkomst worden afgeweken ten nadele van de handelsagent.

4. Deze richtlijn is niet van invloed op de nationale voorschriften van de Lid-Staten die de handelsagent het recht van inzage in de boekhouding van de principaal toekennen.

HOOFDSTUK IV

Sluiting en beëindiging van de agentuurovereenkomst

Artikel 13

1. Op verzoek kan ieder der partijen een ondertekend geschrift van de andere partij verkrijgen dat de inhoud van de overeenkomst met inbegrip van die van de latere wijzigingen bevat. Van dit recht kan geen afstand worden gedaan.

2. Lid 1 verhindert een Lid-Staat niet te bepalen dat een agentuurovereenkomst slechts geldt, als zij op schrift is gesteld.

Artikel 14

Een overeenkomst die voor bepaalde tijd is aangegaan en die na afloop van de termijn door beide partijen wordt voortgezet, wordt geacht in een overeenkomst voor onbepaalde tijd te zijn omgezet.

Artikel 15

1. Indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan elke partij haar met inachtneming van een opzeggingstermijn beëindigen.

2. De opzeggingstermijn bedraagt een maand gedurende het eerste jaar van de overeenkomst, twee maanden indien het tweede jaar is ingegaan, drie maanden indien het derde jaar is ingegaan en gedurende de navolgende jaren. De partijen mogen geen kortere termijnen overeenkomen.

3. De Lid-Staten kunnen een opzeggingstermijn van vier maanden voorschrijven voor het vierde jaar van de overeenkomst, één van vijfde jaar en één van zes maanden voor het zesde jaar en de navolgende jaren. Zij mogen bepalen dat de partijen geen kortere termijnen mogen overeenkomen.

4. Indien de partijen langere dan de in de leden 2 en 3 bedoelde termijnen overeenkomen, dan mag de door de principaal in acht te nemen termijn niet korter zijn dan de door de handelsagent in acht te nemen termijn.

5. Behoudens andersluidende afspraken tussen de partijen moet het einde van de opzeggingstermijn samenvallen met het einde van een kalendermaand.

6. Dit artikel is van toepassing wanneer een overeenkomst voor bepaalde tijd ingevolge artikel 14 wordt omgezet in een overeenkomst voor onbepaalde tijd, met dien verstande dat bij de berekening van de opzeggingstermijn de tijd voorafgaande aan de omzetting wordt meegerekend.

Artikel 16

Deze richtlijn kan niet van invloed zijn op de toepassing van het recht van de Lid-Staten wanneer daarin is bepaald dat de overeenkomst zonder opzeggingstermijn kan worden beëindigd:

a) indien een van de partijen geheel of gedeeltelijk in gebreke is in de nakoming van haar verplichtingen;

b) in geval van uitzonderlijke omstandigheden.

Artikel 17

1. De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt.

2. a) De handelsagent heeft recht op een vergoeding indien en voor zover:

- hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of de transacties met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid en de transacties met deze klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren, en

- de betaling van deze vergoeding billijk is, gelet op alle omstandigheden, in het bijzonder op de uit de transacties met deze klanten voortvloeiende provisie, die voor de handelsagent verloren gaat. De Lid-Staten kunnen bepalen dat genoemde omstandigheden ook het al dan niet toepassen van het concurrentiebeding in de zin van artikel 20 kunnen omvatten.

b) Het bedrag van de vergoeding mag niet meer bedragen dan een cijfer dat overeenkomt met een jaarlijkse vergoeding berekend op basis van het jaarlijkse gemiddelde van de beloning die de handelsagent de laatste vijf jaar heeft ontvangen of, indien de overeenkomst minder dan vijf jaar heeft geduurd, berekend over het gemiddelde van die periode.

c) De toekenning van deze vergoeding laat het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet.

3. De handelsagent heeft recht op herstel van het nadeel dat hem als gevolg van de beëindiging van zijn betrekkingen met de principaal wordt berokkend.

Dit nadeel vloeit in het bijzonder voort uit de beëindiging van de overeenkomst onder omstandigheden waarbij:

- de handelsagent niet de provisies krijgt die hij bij normale uitvoering van de overeenkomst zou hebben ontvangen, waardoor de principaal een aanzienlijk voordeel geniet van de activiteiten van de handelsagent;

- en/of de handelsagent niet de kosten en uitgaven kan dekken die hij op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen.

4. Het in lid 2 bedoelde recht op vergoeding of het in lid 3 bedoelde recht op herstel van het nadeel ontstaat eveneens wanneer door het overlijden van de handelsagent de overeenkomst wordt beëindigd.

5. De handelsagent verliest het recht op vergoeding in de in lid 2 bedoelde gevallen of op herstel van het nadeel in de in lid 3 bedoelde gevallen, indien hij de principaal niet binnen een jaar na de beëindiging van de overeenkomst ervan in kennis heeft gesteld dat hij voornemens is zijn rechten geldend te maken.

6. Binnen acht jaar na kennisgeving van deze richtlijn legt de Commissie aan de Raad een verslag voor over de uitvoering van dit artikel en legt, in voorkomend geval, wijzigingsvoorstellen voor.

Artikel 18

De vergoeding of het herstel op grond van artikel 17, is niet verschuldigd:

a) indien de principaal de overeenkomst heeft beëindigd vanwege een aan de handelsagent te wijten omstandigheid die krachtens het nationale recht aanleiding is tot beëindiging van de overeenkomst zonder opzeggingstermijn;

b) indien de handelsagent de overeenkomst beëindigd heeft, tenzij deze beëindiging wordt gerechtvaardigd door omstandigheden die de principaal kunnen worden toegerekend of wordt gerechtvaardigd door leeftijd, invaliditeit of ziekte van de handelsagent op grond waarvan redelijkerwijs niet meer van hem kan worden gevergd dat hij zijn werkzaamheden voortzet;

c) indien de handelsagent, overeenkomstig een afspraak met de principaal, zijn rechten en verplichtingen uit hoofde van de agentuurovereenkomst aan een derde overdraagt.

Artikel 19

Voordat de overeenkomst is beëindigd, mogen de partijen niet ten nadele van de handelsagent van de bepalingen van de artikelen 17 en 18 afwijken.

Artikel 20

1. In deze richtlijn wordt een beding waarin wordt bepaald dat de handelsagent na het einde van de overeenkomst in zijn beroepswerkzaamheden wordt beperkt, aangeduid als concurrentiebeding.

2. Een concurrentiebeding is alleen geldig indien en voor zover het:

a) schriftelijk is aangegaan, en

b) betrekking heeft op het geografische gebied of de groep klanten en het geografische gebied die aan de handelsagent waren toevertrouwd alsmede op het soort goederen waarvan hij krachtens de bepalingen van de overeenkomst de vertegenwoordiging had.

3. Het concurrentiebeding is slechts geldig voor een tijdvak van ten hoogste twee jaar na het einde van de overeenkomst.

4. Dit artikel laat de bepalingen van nationaal recht onverlet die de geldigheid of toepasselijkheid van concurrentiebedingen verder beperken of die voorschrijven dat de rechter de verplichtingen die voor de partijen uit een dergelijk beding voortvloeien, kan matigen.

HOOFDSTUK V

Algemene en slotbepalingen

Artikel 21

Geen enkele bepaling van deze richtlijn kan de Lid-Staten ertoe verplichten het vrijgeven van gegevens voor te schrijven indien zulks in strijd is met de openbare orde.

Artikel 22

1. De Lid-Staten doen de nodige bepalingen in werking treden om vóór 1 januari 1990 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis. Deze bepalingen zijn vanaf hun inwerkingtreding ten minste van toepassing op de nadien gesloten overeenkomsten.

Zij worden uiterlijk op 1 januari 1994 van toepassing op de lopende overeenkomsten.

2. Vanaf de datum van kennisgeving van de richtlijn delen de Lid-Staten aan de Commissie de voornaamste wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van nationaal recht mede die zij op het door de richtlijn bestreken gebied vaststellen.

3. Voor Ierland en het Verenigd Koninkrijk wordt de in lid 1 bedoelde datum 1 januari 1990 echter vervangen door de datum 1 januari 1994.

Voor Italië wordt die datum vervangen door 1 januari 1993 voor wat de uit artikel 17 voortvloeiende verplichtingen betreft.

Artikel 23

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten.

Gedaan te Brussel, 18 december 1986.

Voor de Raad

De Voorzitter

M. JOPLING

Top