EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31978L0176

Richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie

OJ L 54, 25.2.1978, p. 19–24 (DA, DE, EN, FR, IT, NL)
Greek special edition: Chapter 15 Volume 001 P. 154 - 160
Spanish special edition: Chapter 15 Volume 002 P. 92 - 97
Portuguese special edition: Chapter 15 Volume 002 P. 92 - 97
Special edition in Finnish: Chapter 15 Volume 002 P. 79 - 84
Special edition in Swedish: Chapter 15 Volume 002 P. 79 - 84
Special edition in Czech: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Estonian: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Latvian: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Lithuanian: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Hungarian Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Maltese: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Polish: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Slovak: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Slovene: Chapter 15 Volume 001 P. 71 - 76
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 001 P. 50 - 55
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 001 P. 50 - 55
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 034 P. 3 - 8

No longer in force, Date of end of validity: 06/01/2014; opgeheven door 32010L0075 . Latest consolidated version: 23/12/1991

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1978/176/oj

31978L0176

Richtlijn 78/176/EEG van de Raad van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie

Publicatieblad Nr. L 054 van 25/02/1978 blz. 0019 - 0024
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 15 Deel 2 blz. 0079
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 15 Deel 1 blz. 0154
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 15 Deel 2 blz. 0079
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 15 Deel 1 blz. 0092
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 15 Deel 1 blz. 0092


++++

RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 20 februari 1978

betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxyde-industrie

( 78/176/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op de artikelen 100 en 235 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) ,

Overwegende dat bij afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie het gevaar bestaat dat zij schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid en het milieu ; dat het bijgevolg noodzakelijk is de verontreiniging veroorzaakt door deze afvalstoffen te voorkomen en geleidelijk te verminderen met als oogmerk haar te doen beëindigen ;

Overwegende dat de actieprogramma's van de Europese Gemeenschappen inzake het milieu van 1973 ( 3 ) en van 1977 ( 4 ) bepalen dat communautaire maatregelen dienen te worden getroffen met betrekking tot afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie ;

Overwegende dat een dispariteit tussen de bepalingen die in de verschillende Lid-Staten reeds van toepassing dan wel in voorbereiding zijn met betrekking tot afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie , kan leiden tot ongelijke concurrentievoorwaarden en derhalve rechtstreeks van invloed kan zijn op de goede werking van de gemeenschappelijke markt ; dat derhalve op dit gebied de wetgevingen nader tot elkaar dienen te worden gebracht , zoals bepaald in artikel 100 van het Verdrag ;

Overwegende dat het noodzakelijk blijkt dit nader tot elkaar brengen van de wetgevingen vergezeld te doen gaan van een actie van de Gemeenschap die erop gericht is om , door middel van een meer omvattende regeling , één der doelstellingen van de Gemeenschap op het gebied van de bescherming van het milieu en de verbetering van de kwaliteit van het bestaan te verwezenlijken ; dat hiertoe derhalve een aantal specifieke bepalingen dienen te worden vastgesteld ; dat , aangezien het Verdrag niet voorziet in de hiertoe vereiste bevoegdheden , artikel 235 van het Verdrag dient te worden toegepast ;

Overwegende dat Richtlijn 75/442/EEG ( 5 ) de verwijdering van afvalstoffen in het algemeen betreft ; dat voor afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie een bijzondere regeling dient te worden vastgesteld ter bescherming van de menselijke gezondheid en van het milieu tegen de nadelige gevolgen van het ongecontroleerde lozen , achterlaten of storten van deze afvalstoffen ;

Overwegende dat om deze doelstellingen te bereiken een stelsel van voorafgaande vergunning dient te worden vastgesteld voor de lozing , het in zee storten , de opslag en de injectie van afvalstoffen ; dat het wenselijk is het verstrekken van deze vergunning aan specifieke voorwaarden te onderwerpen ;

Overwegende dat de lozing , het in zee storten , de opslag en de injectie van afvalstoffen gepaard moeten gaan met een controle van de afvalstoffen alsmede met controle van en toezicht op het betrokken milieu ;

Overwegende dat voor de bestaande industriële vestigingen , de Lid-Staten voor 1 juli 1980 programma's moeten opstellen om de verontreiniging veroorzaakt door deze afvalstoffen geleidelijk te verminderen met als oogmerk haar te doen beëindigen ; dat in die programma's algemene doelstellingen inzake de vermindering van de verontreiniging moeten worden vastgesteld die uiterlijk op 1 juli 1987 moeten worden bereikt en moet worden aangegeven welke maatregelen voor elke vestiging moeten worden genomen ;

Overwegende dat voor de nieuwe industriële vestigingen de Lid-Staten een voorafgaande vergunning moeten verlenen ; dat deze vergunning moet worden voorafgegaan door een onderzoek naar de gevolgen voor het milieu en slechts aan die ondernemingen mag worden verleend die zich ertoe verbinden om alleen gebruik te maken van de op de markt beschikbare materialen , procédés en technieken die het minst schadelijk zijn voor het milieu ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

Artikel 1

1 . Deze richtlijn heeft tot doel het voorkomen en het geleidelijk verminderen van de verontreiniging veroorzaakt door afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie met als oogmerk haar te doen beëindigen .

2 . In deze richtlijn wordt verstaan onder :

a ) verontreiniging :

het direct of indirect door de mens lozen van enig residu van de produktieprocessen van titaandioxyde in een milieu , ten gevolge waarvan de gezondheid van de mens in gevaar kan worden gebracht , het leven en de eco-systemen kunnen worden geschaad , de mogelijkheden tot recreatie kunnen worden aangetast of een ander regelmatig gebruik van het betrokken milieu kan worden gehinderd ;

b ) afvalstof :

- alle residuen van de produktieprocessen van titaandioxyde waarvan de houder zich ontdoet of moet ontdoen krachtens de geldende nationale bepalingen ;

- alle residuen van behandelingsprocessen van een in het vorig gedachtenstreepje bedoeld residu ;

c ) verwijdering :

- het ophalen , sorteren , vervoeren en behandelen van afvalstoffen , alsmede het opslaan en storten daarvan op of in de bodem en de injectie daarvan in de bodem ;

- het lozen in oppervlaktewateren , grondwateren en de zee , alsmede het dumpen in zee ;

- de verwerking , noodzakelijk voor hergebruik , terugwinning of recycling van afvalstoffen ;

d ) bestaande industriële vestigingen :

industriële vestigingen die reeds zijn opgericht op het tijdstip van de kennisgeving van deze richtlijn ;

e ) nieuwe industriële vestigingen :

industriële vestigingen waarvan de oprichting aan de gang is op het tijdstip van de kennisgeving van deze richtlijn of die na dit tijdstip worden opgericht . Uitbreidingen van de bestaande industriële vestigingen die ter plaatse een verhoging van de titaandioxydeproduktiecapaciteit van de betrokken vestiging van 15 000 ton/jaar of meer ten gevolge hebben , worden met nieuwe industriële vestigingen gelijkgesteld .

Artikel 2

De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen opdat de afvalstoffen worden verwijderd zonder gevaar op te leveren voor de gezondheid van de mens en zonder nadelige gevolgen voor het milieu , met name :

- zonder risico voor het water , de lucht of de bodem , alsmede voor fauna en flora ;

- zonder schade te berokkenen aan natuur en landschap .

Artikel 3

De Lid-Staten nemen passende maatregelen ter bevordering van het voorkomen van afvalvorming , de recycling en het verwerken van afvalstoffen , het winnen van grondstoffen uit afvalstoffen , alsmede van alle andere methoden voor het opnieuw gebruiken van afvalstoffen .

Artikel 4

1 . Het lozen , het dumpen , het opslaan , het storten en de injectie van afvalstoffen is verboden zonder voorafgaande vergunning , verleend door de bevoegde instantie van de Lid-Staat op welks grondgebied de afvalstoffen worden voortgebracht . Een voorafgaande vergunning moet eveneens worden verleend door de bevoegde instantie van de Lid-Staat

- op welks grondgebied de afvalstoffen worden geloosd , opgeslagen , gestort of geïnjecteerd ;

- vanaf welks grondgebied zij worden geloosd of gedumpt .

2 . De vergunning mag slechts worden verleend voor een beperkte duur . Zij kan worden verlengd .

Artikel 5

In geval van lozing of dumping mag de bevoegde instantie , in overeenstemming met artikel 2 en op grond van de gegevens verstrekt overeenkomstig bijlage I , de in het artikel 4 bedoelde vergunning verlenen op voorwaarde dat :

a ) de verwijdering van de afvalstoffen niet via geschiktere middelen kan geschieden ;

b ) op grond van een beoordeling op basis van de beschikbare wetenschappelijke en technische kennis geen onmiddellijke of latere schadelijke gevolgen voor het aquatisch milieu zijn te verwachten ;

c ) geen schade wordt berokkend aan de scheepvaart , de visserij , de recreatie , de winning van grondstoffen , de ontzilting , de vis - en schaaldierenkweek , streken van bijzonder wetenschappelijk belang en ander rechtmatig gebruik van de betrokken wateren .

Artikel 6

In geval van opslag , storting of injectie , mag de bevoegde instantie , in overeenstemming met artikel 2 en op grond van de gegevens verstrekt overeenkomstig bijlage I , de in artikel 4 bedoelde vergunning verlenen op voorwaarde dat :

a ) de verwijdering van de afvalstoffen niet via geschiktere middelen kan geschieden ;

b ) op grond van een beoordeling op basis van de beschikbare wetenschappelijke en technische kennis geen onmiddellijke of latere schadelijke gevolgen voor de grondwateren , de bodem of de atmosfeer zijn te verwachten ;

c ) geen schade wordt berokkend aan de recreatie , de winning van grondstoffen , planten , dieren , streken van bijzonder wetenschappelijk belang en ander rechtmatig gebruik van de betrokken milieus .

Artikel 7

1 . Ongeacht de wijze waarop en de mate waarin de betrokken afvalstoffen worden behandeld , gaat lozing , dumping , opslag , storting en injectie daarvan gepaard met de in bijlage II vermelde controle op de afvalstoffen en van het betrokken milieu vanuit fysisch , chemisch , biologisch en ecologisch oogpunt .

2 . De controles worden periodiek verricht door een of meer instellingen die worden aangewezen door de Lid-Staat waarvan de bevoegde instantie een vergunning in de zin van artikel 4 heeft verleend . Bij grensoverschrijdende verontreiniging tussen Lid-Staten wordt de instelling gezamenlijk door de betrokken partijen aangewezen .

3 . De Commissie dient binnen één jaar na de kennisgeving van deze richtlijn bij de Raad een voorstel in betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de betrokken milieus . De Raad besluit over dit voorstel binnen zes maanden na bekendmaking van het advies van het Europese Parlement en het Economisch en Sociaal Comité in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Artikel 8

1 . a ) Indien uit de resultaten van de in bijlage II , sub A , nr . 1 , bedoelde controle blijkt , dat niet is voldaan aan de voorwaarden van de in de artikelen 4 , 5 en 6 bedoelde voorafgaande vergunning , of

b ) indien uit de resultaten van de in bijlage II , sub A , nr . 2 , bedoelde proeven inzake acute toxiciteit blijkt dat de daarin aangegeven maximumwaarden zijn overschreden , of

c ) indien uit de resultaten van de in bijlage II , sub B , voorgeschreven controle blijkt dat het betrokken milieu in het betrokken gebied is verslechterd , of

d ) indien er bij lozing of dumping schade wordt berokkend aan de scheepvaart , de visserij , de recreatie , de winning van grondstoffen , de ontzilting , de vis - en schaaldierenkweek , streken van bijzonder wetenschappelijk belang en ander rechtmatig gebruik van de betrokken wateren , of

e ) indien er bij opslag , storting of injectie schade wordt berokkend aan de recreatie , de winning van grondstoffen , planten , dieren , streken van bijzonder wetenschappelijk belang en ander rechtmatig gebruik van de betrokken milieus ,

neemt de bevoegde autoriteit van de betrokken Lid-Staat alle maatregelen om deze situatie te verhelpen en eist zij zo nodig het opschorten van de lozing , de dumping , de opslag , het storten of het injecteren .

2 . Indien hierbij meer dan één Lid-Staat betrokken is , worden de maatregelen in gemeenschappelijk overleg genomen .

Artikel 9

1 . Voor bestaande industriële vestigingen stellen de Lid-Staten programma's op om via geleidelijke vermindering te komen tot de beëindiging van de door de afvalstoffen van deze vestigingen veroorzaakte verontreiniging .

2 . In de in lid 1 bedoelde programma's worden algemene doelstellingen vastgesteld met betrekking tot de vermindering van de door vloeibare , vaste en gasvormige afvalstoffen veroorzaakte verontreiniging . Deze doelstellingen moeten uiterlijk 1 juli 1987 worden bereikt . De programma's omvatten voorts overgangsdoelstellingen . Ook bevatten zij gegevens over de toestand van het betreffende milieu , over de maatregelen tot vermindering van de verontreiniging en over de methoden van behandeling van de afvalstoffen die rechtstreeks voortvloeien uit de fabricageprocédés .

3 . De in lid 1 bedoelde programma's worden uiterlijk 1 juli 1980 aan de Commissie toegezonden opdat deze binnen zes maanden na ontvangst van alle nationale programma's bij de Raad passende voorstellen kan indienen ter harmonisatie van deze programma's voor wat betreft de vermindering van de verontreiniging , om te komen tot beëindiging ervan en ter verbetering van de concurrentievoorwaarden in de sector van de titaandioxydeproduktie . De Raad besluit over deze voorstellen binnen zes maanden na bekendmaking van het advies van het Europese Parlement en dat van het Economisch en Sociaal Comité in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

4 . De Lid-Staten leggen uiterlijk 1 januari 1982 een programma ten uitvoer .

Artikel 10

1 . De in artikel 9 , lid 1 , bedoelde programma's moeten betrekking hebben op alle bestaande industriele vestigingen en aangeven welke maatregelen ten aanzien van elke vestiging moeten worden genomen .

2 . Indien een Lid-Staat in bijzondere omstandigheden van mening is dat er ten aanzien van een bepaalde vestiging geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn om aan de richtlijn te voldoen , dient hij de Commissie binnen zes maanden na kennisgeving van de richtlijn mede te delen welke beweegredenen hem tot die conclusie hebben gebracht .

3 . Na de beweegredenen aan elk noodzakelijk geacht onafhankelijk onderzoek te hebben onderworpen , kan de Commissie instemmen met de conclusie van de Lid-Staat dat het niet noodzakelijk is , aanvullende maatregelen te treffen ten aanzien van de betreffende vestiging . De akkoordverklaring van de Commissie , met redenen omkleed , wordt binnen zes maanden afgegeven .

4 . Indien de Commissie met de Lid-Staat van mening verschilt , moeten ten aanzien van die vestiging aanvullende maatregelen in het programma van de betrokken Lid-Staat worden opgenomen .

5 . Indien de Commissie een akkoordverklaring afgeeft , moet deze op gezette tijden worden getoetst aan de resultaten van de controle die uit hoofde van de richtlijn wordt verricht en aan elke belangrijke wijziging in het fabricageprocédé of in de milieudoelstellingen .

Artikel 11

Voor nieuwe industriële vestigingen worden verzoeken om voorafgaande vergunning gericht tot de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat op welks grondgebied de bouw ervan wordt overwogen . Voordat deze vergunningen worden verleend , moeten er studies worden gemaakt van de gevolgen voor het milieu . Deze vergunningen kunnen alleen worden verleend aan ondernemingen die verklaren zich ertoe te verbinden om alleen gebruik te maken van de vanuit milieuoogpunt minst schadelijke materialen , procédés en technieken die op de markt beschikbaar zijn .

Artikel 12

Onverminderd de bepalingen van deze richtlijn kunnen de Lid-Staten strengere voorschriften vaststellen .

Artikel 13

1 . Voor de toepassing van deze richtlijn verstrekken de Lid-Staten aan de Commissie alle nodige inlichtingen betreffende :

- de krachtens de artikelen 4 , 5 en 6 verleende vergunningen ;

- de resultaten van de overeenkomstig artikel 7 verrichte controle op het betrokken milieu ;

- de overeenkomstig artikel 8 genomen maatregelen .

Zij verstrekken de Commissie bovendien algemene inlichtingen betreffende de materialen , procédés en technieken , die zij ontvangen in het kader van artikel 11 .

2 . De krachtens dit artikel ingewonnen inlichtingen mogen slechts worden gebruikt voor de toepassing van deze richtlijn .

3 . De Commissie en de bevoegde autoriteiten der Lid-Staten , alsmede hun ambtenaren en andere personeelsleden zijn verplicht de inlichtingen welke zij bij de toepassing van deze richtlijn hebben ingewonnen en welke naar hun aard onder de geheimhoudingsplicht vallen , niet openbaar te maken .

4 . De bepalingen van de leden 2 en 3 vormen geen beletsel voor de openbaarmaking van overzichten of studies die geen gegevens met betrekking tot individuele ondernemingen of verenigingen van ondernemingen bevatten .

Artikel 14

Om de drie jaar stellen de Lid-Staten een verslag op over de preventie en de geleidelijke vermindering van de door afvalstoffen van de titaandioxyde-industrie veroorzaakte verontreiniging en zenden dat toe aan de Commissie die het aan de andere Lid-Staten meedeelt .

De Commissie brengt de Raad en het Europese Parlement om de drie jaar verslag uit over de toepassing van deze richtlijn .

Artikel 15

1 . De Lid-Staten doen de nodige maatregelen in werking treden om binnen twaalf maanden vanaf de kennisgeving van de onderhavige richtlijn aan het daarin gestelde te voldoen en stellen de Commissie hiervan onverwijld in kennis .

2 . De Lid-Staten stellen de Commissie in kennis van de tekst van de bepalingen van intern recht die zij invoeren op het door deze richtlijn bestreken gebied .

Artikel 16

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 20 februari 1978 .

Voor de Raad

De Voorzitter

Per HAEKKERUP

( 1 ) PB nr . C 28 van 9 . 2 . 1976 , blz . 16 .

( 2 ) PB nr . C 131 van 12 . 6 . 1976 , blz . 18 .

( 3 ) PB nr . C 112 van 20 . 12 . 1973 , blz . 3 .

( 4 ) PB nr . C 139 van 13 . 6 . 1977 , blz . 3 .

( 5 ) PB nr . L 194 van 25 . 7 . 1975 , blz . 39 .

BIJLAGE I

INLICHTINGEN DIE DIENEN TE WORDEN VERSTREKT MET HET OOG OP HET VERLENEN VAN DE IN DE ARTIKELEN 4 , 5 EN 6 BEDOELDE VOORAFGAANDE VERGUNNING

A . Kenmerken en samenstelling van de stof

1 . Totale hoeveelheid en gemiddelde samenstelling van de stof ( bij voorbeeld per jaar ) ,

2 . Vorm ( bij voorbeeld vast , modderig , vloeibaar of gasvormig ) ,

3 . Fysische eigenschappen ( zoals oplosbaarheid en soortelijk gewicht ) , chemische en biochemische eigenschappen ( zoals zuurstofverbruik ) en biologische eigenschappen ,

4 . Toxiciteit ,

5 . Persistentie : fysische , chemische en biologische ,

6 . Accumulatie en biologische omzetting in biologische stoffen en sedimenten ,

7 . Gevoeligheid voor fysische , chemische en biochemische omzettingen en wisselwerking in het betrokken milieu met andere organische en anorganische stoffen ,

8 . Kansen op het verwekken van bederf en andere omzettingen waardoor de handelswaarde van vis , weekdieren en schaaldieren , enz . wordt verminderd .

B . Kenmerken van de plaats van dumping of lozing en methode van verwijdering

1 . Plaatsbepaling ( zoals coordinaten van de plaats van dumping of lozing , de diepte en de afstand uit de kust ) , ligging ten opzichte van andere gebieden ( zoals recreatieoorden , paaiplaatsen , broedplaatsen , visgronden en exploiteerbare bronnen ) ,

2 . Frequentie van dumping of lozing ( bij voorbeeld de toegestane hoeveelheid per dag , per week , per maand ) ,

3 . Verpakkingswijze indien relevant ,

4 . Onmiddellijke verdunning , die door de voorgestelde wijze van lozing met name de snelheid van het schip , wordt bereikt ,

5 . Kenmerken van verspreiding ( zoals de invloed van de stromingen , eb en vloed en de wind op horizontaal vervoer en verticale menging ) ,

6 . Kenmerken van het water ( zoals temperatuur , pH , zoutgehalte , gelaagdheid , aanduidingen van verontreiniging : met name opgeloste zuurstof ( DO ) , chemisch zuurstofverbruik ( COD ) , biochemisch zuurstofverbruik ( BOD ) , aanwezigheid van stikstof in organische of anorganische vorm , met name van ammoniak , van gesuspendeerde stoffen , van andere voedingsstoffen , en produktiviteit ) ,

7 . Kenmerken van de bodem ( zoals topografie , geochemische en geologische kenmerken , biologische produktiviteit ) ,

8 . Aanwezigheid en werking van andere dumping of lozing in het betrokken gebied ( zoals gegevens betreffende de aanwezigheid van zware metalen en het gehalte aan organische koolstof ) .

C . Kenmerken van de plaats van storting , opslag of injectie en wijze van verwijdering

1 . Aardrijkskundige ligging ,

2 . Kenmerken van de aangrenzende zones ,

3 . Verpakkingswijze , indien relevant ,

4 . Kenmerken van de wijze van storting , opslag en injectie , inclusief een beoordeling van de voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van verontreiniging van het water , van de bodem en van de atmosfeer .

BIJLAGE II

CONTROLE VAN EN TOEZICHT OP DE VERWIJDERING

A . Controle van de afvalstoffen

De verwijdering gaat gepaard met

1 . een controle op de hoeveelheid , de samenstelling en de toxiciteit van de afvalstoffen om na te gaan of aan de in de artikelen 4 , 5 en 6 bedoelde voorwaarden voor de voorafgaande vergunning is voldaan ;

2 . proeven inzake acute toxiciteit op bepaalde soorten weekdieren , schaaldieren , vissen en plankton en bij voorkeur op soorten die normaal voorkomen in de lozingsgebieden . Bovendien moeten proeven worden genomen op exemplaren van de pekelkreeft ( artemia salina ) .

Bij deze proeven mag gedurende een periode van 36 uur en bij een verdunningsgraad van het afval van 1/5000

- geen sterfte voorkomen van meer dan 20 % onder de volwassen exemplaren van de geteste soorten ;

- geen grotere sterfte onder de larven voorkomen dan in een controlegroep .

B . Controle en bewaking van het betrokken milieu

I . In geval van lozing in zoet water of in zee of in geval van dumping heeft deze controle betrekking op de volgende onderdelen : waterkolom , leven en sedimenten . Aan de hand van de periodieke controle van de staat van het door lozingen beïnvloede gebied kan de ontwikkeling van de bedoelde milieus worden gevolgd .

De controle heeft met name betrekking op :

1 . de pH ,

2 . de opgeloste zuurstof ,

3 . de troebelheid ,

4 . gehydrateerde oxyden en ijzerhydroxyden in suspensie ,

5 . toxische metalen in het water , in de vaste stoffen in suspensie , in de sedimenten en die welke zijn opgehoopt in uitgekozen organismen die op de zeebodem of in zee leven ,

6 . de verscheidenheid en de relatieve en absolute rijkdom van flora en fauna .

II . In geval van opslag , storting of injectie omvat de controle met name :

1 . proeven om na te gaan of er geen schadelijke gevolgen zijn geweest voor de oppervlaktewateren of de grondwateren . Deze proeven moeten onder meer betrekking hebben op :

- de zuurgraad ,

- het ijzergehalte ( opgelost en in suspensie ) ,

- het calciumgehalte ,

- eventueel de concentratie van toxische metalen ( opgelost en in suspensie ) ;

2 . eventueel proeven om de eventuele schade na te gaan die aan de structuur van de ondergrond is aangericht ;

3 . een beoordeling van de algemene ecologische situatie van de omgeving van de plaats van storting , opslag of injectie .

Top