Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 31977L0780

Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

OJ L 322, 17.12.1977, p. 30–37 (DA, DE, EN, FR, IT, NL)
Greek special edition: Chapter 06 Volume 002 P. 3 - 10
Spanish special edition: Chapter 06 Volume 002 P. 21 - 27
Portuguese special edition: Chapter 06 Volume 002 P. 21 - 27
Special edition in Finnish: Chapter 06 Volume 001 P. 210 - 216
Special edition in Swedish: Chapter 06 Volume 001 P. 210 - 216

No longer in force, Date of end of validity: 14/06/2000; opgeheven door 300L0012

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1977/780/oj

31977L0780

Eerste Richtlijn 77/780/EEG van de Raad van 12 december 1977 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

Publicatieblad Nr. L 322 van 17/12/1977 blz. 0030 - 0037
Bijzondere uitgave in het Grieks: Hoofdstuk 06 Deel 2 blz. 0003
Bijzondere uitgave in het Spaans: Hoofdstuk 06 Deel 2 blz. 0021
Bijzondere uitgave in het Portugees: Hoofdstuk 06 Deel 2 blz. 0021
Bijzondere uitgave in het Fins: Hoofdstuk 6 Deel 1 blz. 0210
Bijzondere uitgave in het Zweeds: Hoofdstuk 6 Deel 1 blz. 0210


++++

EERSTE RICHTLIJN VAN DE RAAD

van 12 december 1977

tot coordinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen

( 77/780/EEG )

DE RAAD VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN ,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap , inzonderheid op artikel 57 ,

Gezien het voorstel van de Commissie ,

Gezien het advies van het Europese Parlement ( 1 ) ,

Gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité ( 2 ) ,

Overwegende dat krachtens het Verdrag elke discriminerende behandeling ter zake van vestiging en het verrichten van diensten op grond van nationaliteit of van het feit dat de onderneming niet is gevestigd in de Lid-Staat waar de dienstverlening plaatsvindt , sedert het einde van de overgangsperiode is verboden ;

Overwegende dat het , ten einde de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken , noodzakelijk is de hinderlijkste verschillen tussen de wetgevingen der Lid-Staten inzake de regeling waaraan deze instellingen zijn onderworpen , op te heffen ;

Overwegende dat het , gezien de omvang van deze verschillen , evenwel niet mogelijk is de voor een gemeenschappelijke markt voor kredietinstellingen vereiste wettelijke voorwaarden tot stand te brengen door middel van één enkele richtlijn ; dat dus te werk moet worden gegaan in etappes ; dat het eindresultaat van dit proces het algehele toezicht zou dienen te vergemakkelijken dat op een kredietinstelling die in meer dan een Lid-Staat werkzaam is , wordt uigeoefend door de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staat waarin de kredietinstelling haar hoofdkantoor heeft , zulks in passend overleg met de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken Lid-Staten ;

Overwegende dat de coordinatiewerkzaamheden inzake kredietinstellingen zowel door de bescherming van de spaargelden als ter bewerkstelliging van gelijke concurrentievoorwaarden voor de kredietinstellingen van toepassing moeten zijn op alle kredietinstellingen ; dat hierbij echter , zo nodig , rekening dient te worden gehouden met de objectieve verschillen in hun status en hun bij de nationale wetgevingen vastgestelde specifieke taken ;

Overwegende dat het toepassingsgebied van de coordinatiewerkzaamheden derhalve zo ruim mogelijk moet zijn en alle instellingen moet bestrijken die terugbetaalbare gelden van het publiek in ontvangst nemen , in de vorm van deposito's of in andere vormen , zoals de permanente uitgifte van obligaties en andere vergelijkbare stukken , en voor eigen rekening kredieten verlenen ; dat echter uitzonderingen moeten worden gemaakt voor bepaalde kredietinstellingen waarop deze richtlijn niet van toepassing kan zijn ;

Overwegende dat deze richtlijn de toepassing van de nationale wetgevingen onverlet laat wanneer hierin de mogelijkheid wordt geboden van aanvullende speciale vergunningen op grond waarvan de kredietinstellingen specifieke werkzaamheden kunnen verrichten of specifieke soorten transacties kunnen uitvoeren ;

Overwegende dat niet steeds één zelfde systeem van toezicht kan worden toegepast op alle typen kredietinstellingen ; dat het dus gewenst is de mogelijkheid open te laten dat de toepassing van deze richtlijn ten aanzien van bepaalde groepen of typen kredietinstellingen waarvoor een onmiddellijke toepassing moeilijkheden van technische aard dreigt op te leveren , wordt uitgesteld ; dat niet moet worden uitgesloten dat in de toekomst specifieke bepalingen voor dergelijke instellingen noodzakelijk kunnen blijken ; dat het niettemin wenselijk is dat deze specifieke bepalingen gegrond worden op een aantal gemeenschappelijke beginselen ;

Overwegende dat het doel dat wordt nagestreefd is om later in de gehele Gemeenschap uniforme toelatingsvoorwaarden voor vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in te voeren ; dat men zich echter in een eerste etappe moet beperken tot het aangeven van bepaalde minimumvoorwaarden die alle Lid-Staten zullen moeten opleggen ;

Overwegende dat bovengenoemd doel slechts zal kunnen worden verwezenlijkt indien de bijzonder ruime beoordelingsmarge voor het verlenen van vergunningen aan kredietinstellingen waarvoor bepaalde toezichthoudende autoriteiten beschikken geleidelijk wordt beperkt ; dat de eis dat een programma van werkzaamheden wordt ingediend in dit opzicht slechts mag worden beschouwd als een factor die de bevoegde autoriteiten in staat stelt te besluiten op grond van een meer nauwkeurige informatie binnen het kader van objectieve criteria ;

Overwegende dat het einddoel van de coordinatie is te komen tot een systeem waarbij de kredietinstellingen waarvan de zetel zich in een andere Lid-Staat bevindt , van iedere nationale toelatingsprocedure voor de oprichting van bijkantoren in de andere Lid-Staten zullen zijn vrijgesteld ;

Overwegende dat een zekere versoepeling van de bestaande regels nietemin reeds in de eerste etappe mogelijk is met betrekking tot de eisen die worden gesteld aangaande de rechtsvormen van de kredietinstellingen en de bescherming van de benamingen ;

Overwegende dat voor de kredietinstellingen gelijkwaardige financiële eisen moeten gelden in het belang van gelijke waarborgen voor spaarders en eerlijke concurrentieverhoudingen tussen vergelijkbare groepen kredietinstellingen ; dat in afwachting van een betere coordinatie geschikte , de structuur betreffende , verhoudingsgetallen dienen te worden ontwikkeld waardoor het mogelijk wordt om in het kader van de samenwerking tussen nationale autoriteiten volgens standaardmethoden de positie van vergelijkbare categorieën kredietinstellingen in het oog te houden ; dat deze procedure de geleidelijke onderlinge aanpassing van door de Lid-Staten vastgestelde en toegepaste coëfficiënten kan vergemakkelijken ; dat het evenwel noodzakelijk is een onderscheid te maken tussen de coëfficiënten welke ten doel hebben een degelijk beheer van de kredietinstellingen te verzekeren en die welke oogmerken van economische en monetaire politiek dienen ; dat , met het oog op de bepaling van de structurele verhoudingsgetallen alsmede ten behoeve van de meer algemene samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten , zo spoedig mogelijk een aanvang moet wordt gemaakt met de coordinatie van de schema's voor de comptabiliteitsposities van de kredietinstellingen ;

Overwegende dat de regeling voor bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap in alle Lid-Staten analoog zou moeten zijn ; dat thans moet worden bepaald dat deze regeling niet gunstiger mag zijn dan voor bijkantoren van instellingen uit een Lid-Staat ; dat dient te worden bepaald dat de Gemeenschap met derde landen overeenkomsten kan sluiten die , met inachtneming van het beginsel van wederkerigheid , voorzien in de toepassing van bepalingen krachtens welke voor deze bijkantoren op haar gehele grondgebied een gelijke behandeling geldt ;

Overwegende dat het onderzoek van de problemen die zich voordoen op de gebieden welke vallen onder de richtlijnen van de Raad inzake de werkzaamheden van de kredietinstellingen , in het bijzonder met het oog op een nadere coordinatie , de samenwerking vereist van de bevoegde autoriteiten en van de Commissie in een Raadgevend Comité ;

Overwegende dat de instelling van een Raadgevend Comité van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten andere vormen van samenwerking tussen toezichthoudende autoriteiten op het gebied van de toegang tot en de controle op kredietinstellingen onverlet laat , met name de samenwerking die tot stand is gebracht in het door de autoriteiten voor controle op de banken opgerichte Contactcomité ,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD :

TITEL I

Definities en toepassingsgebied

Artikel 1

In deze richtlijn wordt verstaan onder :

- kredietinstelling : een onderneming waarvan de werkzaamheden bestaan in het van het publiek in ontvangst nemen van deposito's of van andere terugbetaalbare gelden en het verlenen van kredieten voor eigen rekening ;

- vergunning : een door de overheid afgegeven akte , ongeacht haar vorm waaruit de bevoegdheid voortvloeit om de werkzaamheden van een kredietinstelling uit te oefenen ;

- bijkantoor : een bedrijfszetel welke een deel zonder juridische zelfstandigheid vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling ; verscheidene bedrijfszetels in een zelfde Lid-Staat van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een andere Lid-Staat worden beschouwd als één enkel bijkantoor , onverminderd artikel 4 , lid 1 ;

- eigen vermogen : het eigen kapitaal van de kredietinstellingen met inbegrip van de bestanddelen die op grond van de nationale voorschriften daarmee kunnen worden gelijkgesteld .

Artikel 2

1 . Deze richtlijn heeft betrekking op de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen .

2 . Zij heeft geen betrekking op de werkzaamheden van :

- de centrale banken der Lid-Staten ;

- de postcheque - en girodiensten ;

- in België , de gemeentelijke spaarkassen , het " Herdiscontering - en Waarborginstituut " / " Institut de Réescompte et de Garantie " , de " Nationale Investeringsmaatschappij " / " Société nationale d'Investissement " , de gewestelijke ontwikkelingsmaatschappijen , de " Nationale Maatschappij voor de Huisvesting " / " Société nationale du Logement " er haar erkende maatschappijen , de " Nationale Landmaatschappij " / " Société nationale terrienne " en haar erkende maatschappijen ;

- in Denemarken , het " Dansk Eksportfinansieringsfond " en het " Danmarks Skibskreditfond " ;

- in Duitsland , de " Kreditanstalt fuer Wiederaufbau " , instellingen die op grond van de " Wohnungsgemeinnuetzigkeitsgesetz " ( wet inzake het algemeen belang op het gebied van de woningbouw ) erkend zijn als organen ter uitvoering van het woningbouwbeleid van de centrale overheid en niet overwegend banktransacties verrichten , alsmede instellingen die op grond van deze wet erkend zijn als woningbouwverenigingen van algemeen belang ;

- in Frankrijk , de " Caisse des Dépôts et Consignations " , het " Crédit Foncier " en het " Crédit National " ;

- in Ierland , de " credit unions " ;

- in Italië , de " Cassa Depositi e Prestiti " ;

- in Nederland , de N.V . Export-Financieringsmaatschappij , de Nederlandse Financieringsmaatschappij voor Ontwikkelingslanden N.V . , de Nederlandse Investeringsbank voor Ontwikkelingslanden N.V . , de Nationale Investeringsbank N.V . , de N.V . Bank van Nederlandse Gemeenten , de Nederlandse Waterschapsbank N.V . , de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds Amsterdam N.V . , de Financieringsmaatschappij Industrieel Garantiefonds 's-Gravenhage N.V . , de N.V . Noordelijke Ontwikkelings Maatschappij , de N.V . Industriebank Limburgs Instituur voor ontwikkeling en financiering en de Overijsselse Ontwikkelingsmaatschappij N.V . ;

- in het Verenigd Koninkrijk , de " National Savings Bank " , de " Commonwealth Development Finance Company Ltd . " , de " Agricultural Mortgage Corporation Ltd . " en de " Scottish Agricultural Securities Corporation Ltd . " en " Crown Agents for overseas governments and administrations " , de " credit unions " en " municipal banks " .

3 . Op voorstel van de Commissie , die hiertoe het in artikel 11 bedoelde Comité , hierna " Raadgevend Comité " te noemen , raadpleegt , besluit de Raad over alle eventuele wijzigingen in de in lid 2 vermelde lijst .

4 . a ) De ten zijde van de kennisgeving van de richtlijn in een zelfde Lid-Staat bestaande kredietinstellingen die op dat tijdstip blijvend aangesloten zijn bij een in diezelfde Lid-Staat gevestigd centraal orgaan dat toezicht op hun werkzaamheden uitoefent , kunnen worden vrijgesteld van de vereisten , vermeld in artikel 3 , lid 2 , eerste alinea , eerste , tweede en derde streepje , en tweede alinea , in artikel 3 , lid 4 , en in artikel 6 , mits uiterlijk op het tijdstip waarop de nationale autoriteiten de maatregelen hebben getroffen om de richtlijn in nationaal recht om te zetten , de nationale wetgeving erin voorziet dat :

- de verplichtingen van het centrale orgaan en die van de aangesloten instellingen solidaire verplichtingen zijn , of dat de verplichtingen van de aangesloten instellingen volledig door het centrale orgaan worden gewaarborgd ;

- op de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle aangesloten instellingen op basis van geconsolideerde rekeningen globaal toezicht wordt gehouden ;

- de leiding van het centrale orgaan bevoegd is instructies te geven aan de leiding van de aangesloten instellingen .

b ) Na de kennisgeving van de richtlijn bij een centraal orgaan als bedoeld sub a ) aangesloten kredietinstellingen met een plaatselijk werkterrein kunnen onder de sub a ) gestelde voorwaarden vallen als zij een normale uitbreiding vormen van het net dat onder dit centrale orgaan ressorteert .

c ) Voor zover het gaat om andere kredietinstellingen dan die welke worden opgericht in nieuw ingepolderde gebieden , respectievelijk zijn voortgekomen uit fusie of afsplitsing van bestaande onder het centrale orgaan ressorterende instellingen , kan de Raad , op voorstel van de Commissie , die hiertoe het Raadgevend Comité raadpleegt , aanvullende regels vaststellen voor de toepassing van het bepaalde sub b ) , zulks met inbegrip van de opheffing van de sub a ) bedoelde uitzonderingen , wanneer hij oordeelt dat aansluiting van nieuwe instellingen volgens de sub b ) vermelde regeling de concurrentie negatief kan beïnvloeden . De Raad beslist met gekwalificeerde meerderheid van stemmen .

5 . De Lid-Staten kunnen de toepassing van deze richtlijn op bepaalde groepen of typen kredietinstellingen geheel of gedeeltelijk uitstellen wanneer een onmiddellijke toepassing op technische problemen stuit die op korte termijn niet kunnen worden opgelost . Deze problemen kunnen voortvloeien uit het feit dat deze instellingen aan het toezicht van een andere autoriteit zijn onderworpen dan die welke gewoonlijk met het toezicht op de banken is belast , dan wel uit het feit dat zij vallen onder een bijzondere regeling . In ieder geval mag dit uitstel niet de publiekrechtelijke status , de geringe grootte of het beperkte werkterrein van de betrokken kredietinstellingen als rechtvaardigingsgrond hebben . Dit uitstel mag slechts gelden voor de groepen of typen van instellingen die bestaan op het ogenblik van de kennisgeving van deze richtlijn .

6 . Overeenkomstig lid 5 kan een Lid-Staat de toepassing van deze richtlijn ten hoogste vijf jaar , te rekenen vanaf de kennisgeving ervan , uitstellen en kan hij , na raadpleging van het Raadgevend Comité , dit uitstel éénmaal met ten hoogste drie jaar verlengen .

De Lid-Staat stelt de Commissie uiterlijk zes maanden na de kennisgeving van deze richtlijn in kennis van zijn besluit en van de gronden waarop dit berust . Tevens stelt hij de Commissie in kennis van verlenging of intrekking van dit besluit . Elk besluit betreffende het uitstel van toepassing wordt door de Commissie bekendgemaakt in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen .

Uiterlijk zeven jaar na de kennisgeving van deze richtlijn legt de Commissie , na raadpleging van het Raadgevend Comité , aan de Raad een verslag voor betreffende de stand van zaken inzake het uitstel van toepassing . In voorkomend geval doet de Commissie uiterlijk zes maanden na de indiening van dit verslag aan de Raad voorsteller om de betrokken instellingen op de in lid 2 vermelde lijst op te nemen , dan wel om een verdere verlenging van dit uitstel toe te staan . De Raad spreekt zich uiterlijk zes maanden na de indiening ervan over deze voorstellen uit .

TITEL II

Kredietinstellingen gevestigd in een der Lid-Staten en hun bijkantoren in de andere Lid-Staten

Artikel 3

1 . De Lid-Staten schrijven voor dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen een vergunning moeten hebben verkregen , alvorens hun werkzaamheden te mogen aanvangen . Zij stellen daarvoor de voorwaarden vast , met inachtneming van de leden 2 , 3 en 4 , en brengen deze ter kennis van de Commissie en van het Raadgevend Comité .

2 . Onverminderd andere bij de nationale regelingen vastgestelde algemene voorwaarden , verlenen de bevoegde autoriteiten de vergunning slechts indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :

- het bestaan van een afgescheiden eigen vermogen ,

- het bestaan van een voldoende minimum aan eigen vermogen ,

- het aantal personen dat in feite het beleid van de kredietinstelling bepaalt mag niet kleiner zijn dan twee .

Voorts verlenen de autoriteiten de vergunning niet wanneer de in de eerste alinea , derde streepje , bedoelde personen niet de noodzakelijke betrouwbaarheid of de vereiste ervaring bezitten om deze functies uit te oefenen .

3 . a ) De in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen mogen niet inhouden dat de vergunningsaanvraag wordt onderzocht aan de hand van de economische behoeften van de markt .

b ) Wanneer de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een Lid-Staat op het tijdstip van de kennisgeving van deze richtlijn de economische behoeften van de markt als een voorwaarde voor de afgifte van de vergunning stellen en wanneer technische of structurele moeilijkheden van het bankwezen het de Lid-Staat onmogelijk maken dit criterium binnen de in artikel 14 , lid 1 , bedoelde termijn af te schaffen , mag deze Lid-Staat gedurende een periode van zeven jaar , te rekenen vanaf de kennisgeving van deze richtlijn , dit criterium blijven toepassen .

Uiterlijk zes maanden na de kennisgeving van deze richtlijn stelt bedoelde Lid-Staat de Commissie in kennis van dit besluit en van de gronden waarop het berust .

c ) Uiterlijk zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn , legt de Commissie , na raadpleging van het Raadgevend Comité , aan de Raad een verslag voor betreffende de hantering van het criterium van de economische behoefte . In voorkomend geval legt de Commissie aan de Raad voorstellen voor om dit criterium niet langer te hanteren . De sub b ) bedoelde periode wordt verlengd met een nieuwe termijn van vijf jaar , tenzij de Raad , die met eenparigheid van stemmen een beslissing neemt over de voorstellen van de Commissie , in de tussentijd besluit om dit criterium niet langer te hanteren .

d ) Het criterium van de economische behoefte kan alleen worden toegepast aan de hand van algemene , vooraf vastgestelde maatstaven , welke worden bekendgemaakt en aan de Commissie alsmede aan het Raadgevend Comité worden medegedeeld en die de bevordering beogen van :

- de zekerheid van de spaargelden ,

- de produktiviteitsverhoging van het bankwezen ,

- een grotere homogeniteit van de concurrentie tussen de verschillende banknetten ,

- een groter aantal bankdiensten in verhouding tot de bevolking en de economische activiteit .

Bovenbedoelde doelstellingen moeten worden uitgewerkt in het Raadgevend Comité dat hiermede onmiddellijk tijdens zijn eerste vergaderingen een aanvang moet maken .

4 . De Lid-Staten bepalen bovendien dat de vergunningsaanvraag vergezeld moet gaan van een programma van werkzaamheden waarin met name de aard van de beoogde verrichtingen alsmede de organisatiestructuur van de instelling moeten worden vermeld .

5 . Het Raadgevend Comité onderzoekt de inhoud die de Lid-Staten geven aan de in lid 2 genoemde voorwaarden , de andere voorwaarden die zij eventueel toepassen , alsmede de opgaven die in het programma van werkzaamheden moeten voorkomen , en doet eventueel voorstellen aan de Commissie voor een meer gedetailleerde coordinatie .

6 . Iedere weigering een vergunning af te geven , wordt met redenen omkleed aan de aanvrager medegedeeld binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag , of , indien de aanvraag onvolledig is , binnen zes maanden na de toezending door de aanvrager van de voor de beslissing nodige gegevens . In elk geval wordt binnen twaalf maanden na de aanvraag een beslissing genomen .

7 . Elke toekenning van een vergunning wordt ter kennis van de Commissie gebracht . Alle kredietinstellingen worden vermeld op een lijst die door de Commissie in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen wordt bekendgemaakt en door haar wordt bijgehouden .

Artikel 4

1 . De Lid-Staten kunnen op hun grondgebied de oprichting van bijkantoren van onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen met hoofdkantoor in een andere Lid-Staat afhankelijk stellen van een vergunning volgens de wetgeving en de procedure die van toepassing zijn op kredietinstellingen waarvan het hoofdkantoor zich op hun grondgebied bevindt .

2 . Een vergunning kan evenwel niet worden geweigerd voor bijkantoren van een kredietinstelling enkel omdat deze in een andere Lid-Staat een rechtsvorm heeft die niet is toegestaan voor de kredietinstellingen die in het land van ontvangst overeenkomstige functies vervullen . Dit geldt echter niet voor kredietinstellingen die geen afgescheiden eigen vermogen bezitten .

3 . De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie in kennis van de vergunningen welke aan de in lid 1 bedoelde bijkantoren zijn verleend .

4 . Dit artikel laat onverlet de regeling welke de Lid-Staten toepassen op bijkantoren die op hun grondgebied werden opgericht door kredietinstellingen welke aldaar hun hoofdzetel hebben . Niettegenstaande het bepaalde in artikel 1 , derde streepje , tweede zin , is de wettelijke regeling van de Lid-Staten welke voor elk bijkantoor van een kredietinstelling met hoofdkantoor op hun grondgebied een afzonderlijke vergunning eisen , ook van toepassing op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor in een andere Lid-Staat .

Artikel 5

De onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen mogen voor de uitoefening van hun werkzaamheden op het grondgebied van de Gemeenschap dezelfde benaming gebruiken als in de Lid-Staat van hun hoofdkantoor , niettegenstaande de voorschriften betreffende het gebruik van de woorden " bank " , " spaarbank " of andere soortgelijke benamingen die in de Lid-Staat van ontvangst kunnen bestaan . Ingeval gevaar voor verwarring bestaat , kunnen de Lid-Staten van ontvangst ter verduidelijking eisen dat er aan de benaming een verklarende vermelding wordt toegevoegd .

Artikel 6

1 . In afwachting van een latere coordinatie stellen de bevoegde autoriteiten ten einde een observatiemogelijkheid te scheppen , in voorkomend geval in aanvulling op eventuele door hen gehanteerde coëfficiënten , verhoudingsgetallen vast tussen verschillende activa - en/of passivaposten van de kredietinstellingen met als doel het volgen van de solvabiliteit en de liquiditeit van de kredietinstellingen alsmede van de overige voorwaarden die van belang zijn voor de bescherming van de spaargelden .

Te dien einde bepaalt het Raadgevend Comité de inhoud van de verschillende bestanddelen van in de eerste alinea bedoelde , als observatiemogelijkheid dienende verhoudingsgetallen , en stelt het de methode vast die voor de berekening ervan moet worden gevolgd .

Zo nodig laat het Raadgevend Comité zich leiden door technisch overleg tussen de toezichthoudende autoriteiten van de betrokken categorieën instellingen .

2 . De krachtens lid 1 als observatiemogelijkheid opgestelde verhoudingsgetallen worden ten minste elke zes maanden berekend .

3 . Het Raadgevend Comité onderzoekt de resultaten van de analyses die door de in lid 1 , derde alinea , bedoelde toezichthoudende autoriteiten zijn verricht op basis van de in lid 2 bedoelde berekeningen .

4 . Het Raadgevend Comité kan de Commissie voorstellen doen met het oog op de coordinatie van de in de Lid-Staten geldende coëfficiënten .

Artikel 7

1 . Ten einde toezicht te houden op de werkzaamheden van de kredietinstellingen waarvan het werkterrein zich tot één of meer andere Lid-Staten uitstrekt dan de Lid-Staat van hun hoofdkantoor , met name doordat zij daar bijkantoren hebben gevestigd , werken de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staten nauw samen . Zij verstrekken elkaar alle gegevens betreffende de leiding , het beheer en de eigenaars van de betrokken kredietinstellingen , waardoor het toezicht op die kredietinstellingen en het onderzoek van de voorwaarden voor het verlenen van een vergunning aan die instellingen kan worden vergemakkelijkt , alsmede alle gegevens die de beoordeling van de liquiditeit en solvabiliteit van deze instellingen kunnen vergemakkelijken .

2 . De bevoegde autoriteiten kunnen voor de doeleinden van artikel 6 en in de zin van dat artikel eveneens verhoudingsgetallen vaststellen die voor de in dit artikel bedoelde bijkantoren gelden , zulks onder verwijzing naar de in eerstgenoemd artikel bedoelde bestanddelen .

3 . Het Raadgevend Comité houdt rekening met de nodige aanpassingen , met inachtneming van de specifieke situatie van de bijkantoren ten opzichte van de nationale voorschriften .

Artikel 8

1 . De bevoegde autoriteiten kunnen de vergunning die is verleend aan een onder deze richtlijn vallende kredietinstelling of aan een krachtens artikel 4 toegelaten bijkantoor alleen dan intrekken wanneer de instelling of het bijkantoor :

a ) binnen een termijn van twaalf maanden geen gebruik maakt van de vergunning , uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven geen gebruik van de vergunning te zullen maken of de werkzaamheden gedurende een periode van meer dan zes maanden heeft gestaakt , tenzij de betrokken Lid-Staat heeft bepaald dat in die gevallen de vergunning vervalt ;

b ) de vergunning heeft verworven door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze ;

c ) niet meer voldoet aan de voorwaarden waarop de vergunning is verleend , uitgezonderd die betreffende het eigen vermogen ;

d ) geen voldoende eigen vermogen meer bezit of geen garantie meer biedt voor de nakoming van de verplichtingen tegenover schuldeisers en in het bijzonder niet meer de veiligheid van de toevertrouwde gelden waarborgt ;

e ) of wanneer een van de overige gevallen van intrekking waarin de nationale voorschriften voorzien , zich voordoet .

2 . Bovendien wordt de krachtens artikel 4 aan een bijkantoor verleende vergunning ingetrokken wanneer de bevoegde autoriteit van het land waar zich het hoofdkantoor bevindt van de kredietinstelling die het bijkantoor heeft opgericht , de vergunning van de instelling heeft ingetrokken .

3 . De Lid-Staten die de in artikel 3 , lid 1 , en in artikel 4 , lid 1 , bedoelde vergunningen alleen verlenen indien er op de markt een economische behoefte bestaat , kunnen het verdwijnen van die behoefte niet aanvoeren als reden om deze vergunningen in te trekken .

4 . Voor het intrekken van de vergunning voor een bijkantoor , verleend krachtens artikel 4 , wordt de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat waarin het hoofdkantoor is gevestigd , geraadpleegd . De raadpleging kan in die gevallen waarin ingrijpen uiterst dringend geboden is , worden vervangen door een kennisgeving zonder meer . Dezelfde procedure wordt op dienovereenkomstige wijze gevolgd , indien de vergunning van een kredietinstelling die in andere Lid-Staten bijkantoren heeft , wordt ingetrokken .

5 . Iedere intrekking van een vergunning moet , met redenen omkleed , worden medegedeeld aan de belanghebbenden ; de intrekking wordt ter kennis van de Commissie gebracht .

TITEL III

Bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap

Artikel 9

1 . De Lid-Staten passen op bijkantoren van kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap voor wat betreft de toegang tot de werkzaamheden dan wel de uitoefening ervan geen bepalingen toe die leiden tot een gunstiger behandeling dan die welke geldt voor bijkantoren van kredietinstellingen die hun hoofdkantoor binnen de Gemeenschap hebben .

2 . De bevoegde autoriteiten geven de Commissie en het Raadgevend Comité kennis van de vergunningen voor bijkantoren die aan de kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap zijn verleend .

3 . Onverminderd lid 1 kan de Gemeenschap , bij overeenkomstig het Verdrag met één of meer derde landen gesloten overeenkomsten , regelingen treffen inzake de toepassing van bepalingen die , op basis van wederkerigheid , de bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Gemeenschap een zelfde behandeling op haar gehele grondgebied verzekeren .

TITEL IV

Overgangsbepalingen en algemene bepalingen

Artikel 10

1 . De onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen die hun werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van de Lid-Staat waar hun hoofdkantoor is gevestigd , hebben aangevangen voor de inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn , worden geacht vergunning te bezitten . Zij zijn onderworpen aan het bepaalde in deze richtlijn inzake de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen , alsmede aan de voorwaarden genoemd in artikel 3 , lid 2 , eerste alinea , eerste en derde streepje , en tweede alinea .

De Lid-Staten kunnen kredietinstellingen die op het tijdstip van de kennisgeving van de richtlijn niet aan de voorwaarde genoemd in artikel 3 , lid 2 , eerste alinea , derde streepje , voldoen , ten hoogste vijf jaar tijd geven om zich daarnaar te voegen .

De Lid-Staten mogen het voortzetten toestaan van ondernemingen die niet voldoen aan de voorwaarde neergelegd in artikel 3 , lid 2 , eerste alinea , eerste streepje , en die bestaan op het ogenblik waarop deze richtlijn van toepassing wordt . Zij mogen deze ondernemingen vrijstellen van de in artikel 3 , lid 2 , eerste alinea , derde streepje , bedoelde voorwaarde .

2 . Alle in lid 1 bedoelde kredietinstellingen worden opgenomen op de in artikel 3 , lid 7 , bedoelde lijst .

3 . Indien een instelling wordt geacht overeenkomstig lid 1 een vergunning te bezitten zonder dat er een procedure tot het verlenen van een vergunning is gevolgd , komt het verbod van voortzetting van haar werkzaamheden in de plaats van de intrekking van de vergunning .

Onder voorbehoud van de eerste alinea is artikel 8 van overeenkomstige toepassing .

4 . In afwijking van lid 1 , kan van kredietinstellingen die in een Lid-Staat zijn gevestigd zonder dat er voor het begin van de uitoefening van deze werkzaamheden een procedure tot het verlenen van een vergunning in dezelfde Lid-Staat is gevolgd , worden verlangd dat zij bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken Lid-Staat een vergunning aanvragen overeenkomstig de uitvoeringsbepalingen van deze richtlijn . Van deze instellingen kan worden verlangd dat zij voldoen aan de voorwaarde van artikel 3 , lid 2 , tweede streepje , en aan alle andere algemene toepassingsvoorwaarden die door de betrokken Lid-Staat zijn vastgesteld .

Artikel 11

1 . Bij de Commissie wordt een Raadgevend Comité van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap ingesteld .

2 . Het Raadgevend Comité heeft tot taak de Commissie bij te staan in haar taak te zorgen voor een juiste toepassing van deze richtlijn en , voor zover betrekking hebbende op kredietinstellingen , van Richtlijn 73/183/EEG van de Raad van 28 juni 1973 betreffende de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten voor anders dan in loondienst verrichte werkzaamheden van banken en andere financiële instellingen ( 3 ) . Het vervult verder de in onderhavige richtlijn omschreven andere taken en staat de Commissie bij in het uitwerken van nieuwe voorstellen aan de Raad betreffende de verdere coordinatie op het gebied van de kredietinstellingen .

3 . Het Raadgevend Comité houdt zich niet bezig met de bestudering van concrete vraagstukken die verband houden met de afzonderlijke kredietinstellingen .

4 . Het Raadgevend Comité is samengesteld uit ten hoogste drie vertegenwoordigers van elke Lid-Staat en van de Commissie . Deze vertegenwoordigers kunnen bij gelegenheid en op voorwaarde van voorafgaande goedkeuring door het Comité , vergezeld worden door adviseurs . Het Comité kan ook gekwalificeerde personen alsmede deskundigen uitnodigen om aan zijn vergaderingen deel te nemen . De secretariaatswerkzaamheden worden verzorgd door de Commissie .

5 . Het Raadgevend Comité vergadert voor de eerste maal na convocatie door de Commissie en onder voorzitterschap van een van de vertegenwoordigers daarvan . Bij deze gelegenheid stelt het Comité zijn reglement van orde vast en kiest het uit de vertegenwoordigers der Lid-Staten een voorzitter . Vervolgens wordt met regelmatige tussenpozen vergaderd en bovendien telkens wanneer de omstandigheden zulks vergen . De Commissie kan een spoedvergadering van het Comité vragen , indien de omstandigheden dit naar haar oordeel vereisen .

6 . De beraadslagingen van het Raadgevend Comité en de resultaten daarvan zijn vertrouwelijk , behoudens andersluidend besluit van het Comité .

Artikel 12

1 . De Lid-Staten bepalen dat alle personen die werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest bij de bevoegde autoriteiten , aan het beroepsgeheim gebonden zijn . Dit houdt in dat de vertrouwelijke inlichtingen die zij beroepshalve ontvangen , aan geen enkele persoon of autoriteit bekend mogen worden gemaakt , tenzij dit krachtens wettelijke voorschriften geschiedt .

2 . Lid 1 belet evenwel niet dat de bevoegde autoriteiten van de verschillende Lid-Staten de in deze richtlijn bedoelde mededelingen uitwisselen . Op de aldus uitgewisselde inlichtingen is het geheim van toepassing dat in acht moet worden genomen door de personen die werkzaam zijn of werkzaam zijn geweest bij de bevoegde autoriteit die de inlichtingen ontvangt .

3 . Onverminderd de gevallen die onder het strafrecht vallen , mag de autoriteit die de inlichtingen ontvangt , deze slechts gebruiken voor het onderzoek naar de voorwaarden voor de toelating van de kredietinstellingen en om de controle te vergemakkelijken op de liquiditeit en de solvabiliteit van de betrokken kredietinstellingen en de voorwaarden waaronder de activiteit wordt uitgeoefend , of wanneer een administratief beroep is ingesteld tegen de besluiten van de bevoegde autoriteit of bij beroep op de rechter overeenkomstig artikel 13 .

Artikel 13

De Lid-Staten bepalen dat tegen besluiten die jegens een kredietinstelling worden genomen uit hoofde van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig deze richtlijn zijn vastgesteld , beroep op de rechter mogelijk is ; dit geldt eveneens voor het geval er binnen zes maanden na indiening geen beslissing is genomen aangaande een vergunningsaanvraag die alle krachtens de geldende bepalingen vereiste gegevens bevat .

TITEL V

Slotbepalingen

Artikel 14

1 . De Lid-Staten treffen binnen 24 maanden na kennisgeving van deze richtlijn de maatregelen die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen en stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis .

2 . Na de kennisgeving van de richtlijn delen de Lid-Staten de Commissie de tekst mede van alle wezenlijke wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die zij aannemen op het onder deze richtlijn vallende gebied .

Artikel 15

Deze richtlijn is gericht tot de Lid-Staten .

Gedaan te Brussel , 12 december 1977 .

Voor de Raad

De Voorzitter

A . HUMBLET

( 1 ) PB nr . C 128 van 9 . 6 . 1975 , blz . 25 .

( 2 ) PB nr . C 263 van 17 . 11 . 1975 , blz . 25 .

( 3 ) PB nr . L 194 van 16 . 7 . 1973 , blz . 1 .

Top