Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016CJ0649

Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 20 december 2017.
Peter Valach e.a. tegen Waldviertler Sparkasse Bank AG e.a.
Verzoek van het Oberste Gerichtshof om een prejudiciële beslissing.
Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Werkingssfeer – Vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ingesteld tegen de leden van een schuldeiserscomité die in een insolventieprocedure een saneringsplan hebben afgewezen.
Zaak C-649/16.

Digital reports (Court Reports - general - 'Information on unpublished decisions' section)

ECLI identifier: ECLI:EU:C:2017:986

ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

20 december 2017 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Verordening (EU) nr. 1215/2012 – Werkingssfeer – Vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ingesteld tegen de leden van een schuldeiserscomité die in een insolventieprocedure een saneringsplan hebben afgewezen”

In zaak C‑649/16,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele zaken en strafzaken, Oostenrijk) bij beslissing van 30 november 2016, ingekomen bij het Hof op 19 december 2016, in de procedure

Peter Valach,

Alena Valachová,

SC Europa ZV II a.s.,

SC Europa LV a.s.,

VAV Parking a.s.,

SC Europa BB a.s.,

Byty A s.r.o.

tegen

Waldviertler Sparkasse Bank AG,

Československá obchodná banka a.s.,

Stadt Banská Bystrica,

wijst HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: R. Silva de Lapuerta (rapporteur), kamerpresident, J.‑C. Bonichot, A. Arabadjiev, S. Rodin en E. Regan, rechters,

advocaat-generaal: M. Szpunar,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Peter Valach, Alena Valachová, SC Europa ZV II a.s., SC Europa LV a.s., VAV Parking a.s., SC Europa BB a.s. en Byty A s.r.o., vertegenwoordigd door Z. Nötstaller, Rechtsanwältin,

Waldviertler Sparkasse Bank AG, Československá obchodná banka a.s. en Stadt Banská Bystrica, vertegenwoordigd door S. Fruhstorfer, Rechtsanwältin,

de Spaanse regering, vertegenwoordigd door M. J. García-Valdecasas Dorrego als gemachtigde,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin en M. Heller als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen Peter Valach, Alena Valachová, SC Europa ZV II a.s, SC Europa LV a.s., VAV Parking a.s., SC Europa BB a.s. en Byty A s.r.o., enerzijds, en Waldviertler Sparkasse Bank AG, Československá obchodná banka a.s. en Stadt Banská Bystrica (stad Banská Bystrica), anderzijds, over een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad ter zake van de afwijzing van een saneringsplan in het kader van de insolventieprocedure betreffende VAV invest s.r.o.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 1215/2012

3

In de overwegingen 10 en 34 van verordening nr. 1215/2012 staat te lezen:

„(10)

Het is van belang dat alle belangrijke burgerlijke en handelszaken onder de werkingssfeer van deze verordening worden gebracht, met uitzondering van bepaalde duidelijk omschreven aangelegenheden […]

[…]

(34)

De continuïteit tussen het verdrag [van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32), zoals gewijzigd bij de achtereenvolgende verdragen betreffende de toetreding van nieuwe lidstaten tot dit verdrag (hierna: „Executieverdrag”)], verordening (EG) nr. 44/2001 [van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1)] en deze verordening moet gewaarborgd worden; daartoe zijn overgangsbepalingen nodig. Deze continuïteit moet ook gelden voor de uitleg door het Hof van Justitie van de Europese Unie van het [Executieverdrag] en de verordeningen ter vervanging daarvan.”

4

In artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 wordt bepaald:

„Deze verordening is niet van toepassing op:

[…]

b)

het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”.

Verordening nr. 1346/2000

5

In de overwegingen 4, 6 en 7 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures (PB 2000, L 160, blz. 1) staat te lezen:

„(4)

De goede werking van de interne markt moet verhinderen dat er prikkels voor partijen bestaan om ter verbetering van hun rechtspositie geschillen of goederen van de ene lidstaat naar de andere over te brengen (forum shopping).

[…]

(6)

Op grond van het proportionaliteitsbeginsel mag deze verordening alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen. Voorts moet deze verordening bepalingen bevatten betreffende de erkenning van die beslissingen en betreffende het toepasselijke recht, die eveneens met het noodzakelijkheidsbeginsel stroken.

(7)

Het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van het [Executieverdrag] […].”

6

Artikel 3, lid 1, van deze verordening luidt als volgt:

„De rechters van de lidstaat waar het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar gelegen is, zijn bevoegd de insolventieprocedure te openen. Bij vennootschappen en rechtspersonen wordt, zolang het tegendeel niet is bewezen, het centrum van de voornaamste belangen vermoed de plaats van de statutaire zetel te zijn.”

Slowaaks recht

7

§ 415 van de Občiansky zákonník (Slowaaks burgerlijk wetboek) bepaalt:

„Eenieder is verplicht zich op een zodanige wijze te gedragen dat er geen schade ontstaat voor de gezondheid, het vermogen, de natuur en het milieu.”

8

§ 420, lid 1, van dit wetboek luidt als volgt:

„Eenieder is aansprakelijk voor de schade die hij heeft veroorzaakt door niet-nakoming van een wettelijke verplichting.”

9

Volgens de verwijzingsbeslissing wordt in de insolventieprocedure naar Slowaaks recht een onderscheid gemaakt tussen de faillissementsprocedure en de saneringsprocedure. Laatstgenoemde procedure wordt geregeld in de §§ 108 tot en met 165 van de insolventiewet.

10

Volgens § 127, lid 1, van de insolventiewet bestaat het schuldeiserscomité uit drie of vijf leden die overeenkomstig die wet worden aangewezen door de vergadering van schuldeisers. Volgens § 127, lid 4, zijn alle leden van het schuldeiserscomité verplicht in het gemeenschappelijke belang van alle schuldeisers te handelen.

11

Dit comité heeft tot taak, tezamen met de vergadering van schuldeisers, het door de insolvente schuldenaar op te stellen saneringsplan goed te keuren overeenkomstig § 133, lid 1, van die wet. Wanneer het schuldeiserscomité het saneringsplan afwijst of geen beslissing neemt binnen de in § 144, lid 1, van de insolventiewet gestelde termijnen, dient de curator volgens § 144, lid 2, van deze wet onverwijld om opening van de faillissementsprocedure te verzoeken.

Hoofdgeding en prejudiciële vraag

12

VAV invest s.r.o. is een vennootschap naar Slowaaks recht, waarvan het vermogen in Slowakije het voorwerp van een saneringsprocedure is. Waldviertler Sparkasse Bank, Československá obchodná banka en Stadt Banská Bystrica zijn aangewezen als leden van het schuldeiserscomité.

13

VAV invest heeft, zoals in de insolventiewet wordt bepaald, een saneringsplan voorgelegd. Op zijn bijeenkomst van 11 december 2015 heeft het schuldeisercomité dit plan echter afgewezen zonder daarvoor een duidelijke motivering te verstrekken. Als gevolg daarvan is de saneringsprocedure mislukt en is het vermogen van VAV invest vereffend in het kader van de daarop geopende faillissementsprocedure.

14

Enerzijds stellen Valach en Valachová dat zij als gevolg van de afwijzing van het saneringsplan schade hebben geleden doordat hun aandelen in VAV invest aanzienlijk in waarde zijn gedaald, en ook inkomsten derven. Anderzijds zouden SC Europa ZV II, SC Europa LV, VAV Parking, SC Europa BB en Byty A als projectvennootschappen schade hebben geleden doordat bouwprojecten dreigen af te springen of vertraging hebben opgelopen.

15

Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij het Landesgericht Krems an der Donau (deelstaatrechter in eerste aanleg Krems an der Donau, Oostenrijk) een vordering wegens aansprakelijkheid ingesteld en stellen dat Waldviertler Sparkasse Bank, Československá obchodná banka en Stadt Banská Bystrica de algemene preventieplicht bedoeld in § 415 van het Slowaakse burgerlijk wetboek en de verplichtingen die zij volgens de insolventiewet als leden van het schuldeiserscomité hebben, met name de verplichting om in het gemeenschappelijke belang van alle schuldeisers te handelen, niet zijn nagekomen en bijgevolg krachtens § 420 van het Slowaakse burgerlijk wetboek aansprakelijk zijn voor de schade die verzoekers hebben geleden.

16

Het Landesgericht Krems an der Donau heeft, zonder de zaak ten gronde te onderzoeken, het beroep afgewezen wegens gebrek aan internationale bevoegdheid. Volgens deze rechterlijke instantie is de betrokken vordering wegens aansprakelijkheid onlosmakelijk verbonden met de functie van verweersters in het hoofdgeding als leden van het schuldeiserscomité en met de daaruit voortvloeiende verplichtingen uit hoofde van de insolventiewet. Deze vordering wegens aansprakelijkheid zou dus rechtstreeks voortvloeien uit – en nauw verband houden met – het insolventierecht. Zij zou dus volgens artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 buiten de werkingssfeer van die verordening vallen, en bijgevolg zou verordening nr. 1346/2000 op de vordering van toepassing zijn. In dat geval zou de rechterlijke instantie die de insolventieprocedure heeft geopend, bevoegd zijn.

17

Verzoekers in het hoofdgeding hebben hoger beroep ingesteld bij het Oberlandesgericht Wien (hoogste deelstaatrechter Wenen, Oostenrijk), dat de verwerping van het beroep wegens het ontbreken van internationale bevoegdheid heeft bevestigd op grond dat de betrokken vordering onder de insolventieprocedure valt aangezien zij betrekking heeft op de niet-nakoming door een in de insolventieprocedure dwingend voorgeschreven orgaan van de verplichtingen die in het belang van alle schuldeisers op dit orgaan rusten. De vordering zou als vordering die samenhangt met de insolventieprocedure, onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 vallen.

18

Verzoekers in het hoofdgeding hebben cassatieberoep ingesteld bij het Oberste Gerichtshof (hoogste federale rechter in civiele zaken en strafzaken, Oostenrijk).

19

In deze context koestert de verwijzende rechterlijke instantie twijfel over de afbakening van de respectieve werkingssfeer van de verordeningen nr. 1215/2012 en nr. 1346/2000, in het bijzonder ter zake van een vordering wegens aansprakelijkheid ingesteld tegen de leden van een schuldeiserscomité wegens van hun stemgedrag in het kader van een insolventieprocedure.

20

In die omstandigheden heeft het Oberste Gerichtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Moet artikel 1, lid 2, onder b), van verordening […] nr. 1215/2012 […] aldus worden uitgelegd dat een vordering tot schadevergoeding uit onrechtmatige daad die tegen leden van een schuldeiserscomité wegens hun onrechtmatige stemgedrag ten aanzien van een saneringsplan in een insolventieprocedure is ingesteld door de houders van aandelen in de insolvente schuldenaar – zoals [Valach en Valachová] – en door projectvennootschappen die een handelsrelatie met de insolvente schuldenaar hadden – zoals [SC Europa ZV II, SC Europa LV, VAV Parking, SC Europa BB en Byty A] –, betrekking heeft op de insolventie in de zin van artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 en bijgevolg van de materiële werkingssfeer van deze verordening is uitgesloten?”

Beantwoording van de prejudiciële vraag

21

Met haar vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in wezen te vernemen of artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 in die zin moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die tegen de leden van een schuldeiserscomité is ingesteld wegens van hun stemgedrag over een saneringsplan in het kader van een insolventieprocedure, en dat een dergelijke vordering dus van de materiële werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

22

Voor het antwoord op de prejudiciële vraag dient de omvang te worden bepaald van de bevoegdheid van de rechterlijke instantie die de insolventieprocedure heeft geopend, aangezien artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012, die van toepassing is in burgerlijke en handelszaken, „het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures” van de werkingssfeer van deze verordening uitsluit.

23

In dit verband dient eraan te worden herinnerd dat, volgens overweging 34 van verordening nr. 1215/2012, de continuïteit tussen, enerzijds, het Executieverdrag, verordening nr. 44/2001 en verordening nr.1215/2012, en anderzijds de uitlegging door het Hof van dit verdrag en van de verordeningen ter vervanging daarvan moet worden gewaarborgd.

24

Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat de verordeningen nr. 1215/2012 en nr. 1346/2000 aldus moeten worden uitgelegd dat elke overlapping tussen de in die teksten vervatte rechtsregels en elk rechtsvacuüm moet worden vermeden. De krachtens artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 van de werkingssfeer van die verordening uitgesloten vorderingen vallen aldus, voor zover zij betrekking hebben op „het faillissement, akkoorden en andere soortgelijke procedures”, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000. Parallel daaraan vallen vorderingen die niet onder artikel 3, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 vallen, binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 (zie in die zin arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau, C‑641/16, EU:C:2017:847, punt 17).

25

Zoals met name uit overweging 10 van verordening nr. 1215/2012 blijkt, heeft de Uniewetgever willen kiezen voor een ruime opvatting van het begrip „burgerlijke en handelszaken” in artikel 1, lid 1, van die verordening, en, bijgevolg, voor een ruime werkingssfeer van die verordening. Daarentegen mag de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 volgens overweging 6 daarvan niet ruim worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau, C‑641/16, EU:C:2017:847, punt 18en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Volgens die beginselen heeft het Hof geoordeeld dat alleen vorderingen die rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen, buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 vallen. Dientengevolge vallen alleen die vorderingen binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1346/2000 (zie in die zin arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau, C‑641/16, EU:C:2017:847, punt 19en aldaar aangehaalde rechtspraak).

27

Ditzelfde criterium is overgenomen in overweging 6 van verordening nr. 1346/2000 ten behoeve van de afbakening van het voorwerp van deze verordening. Volgens die overweging mag deze verordening immers alleen voorschriften behelzen tot regeling van de rechterlijke bevoegdheid inzake de opening van een insolventieprocedure en de beslissingen die „rechtstreeks uit een insolventieprocedure voortvloeien en daarmee nauw samenhangen”.

28

In die context dient tegen de achtergrond van bovenstaande overwegingen te worden bepaald of een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, zoals die in het hoofdgeding, aan dit dubbele criterium voldoet.

29

Wat het eerste criterium betreft, zij eraan herinnerd dat om te bepalen of een vordering rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure, de doorslaggevende factor voor het Hof om vast te stellen onder welk gebied een vordering valt, niet de procedurele context betreft waarin deze vordering is ingesteld, maar de rechtsgrondslag waarop dat is geschied. Volgens deze benadering dient te worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd, voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau, C‑641/16, EU:C:2017:847, punt 22).

30

In het onderhavige geval blijkt uit de vaststellingen van de verwijzende rechterlijke instantie dat de vordering in het hoofdgeding ertoe strekt de leden van het schuldeiserscomité dat tijdens een stemming op 11 december 2015 het door VAV invest voorgelegde saneringsplan heeft afgewezen, daarvoor aansprakelijk te stellen. Wegens de afwijzing van dat saneringsplan is de faillissementsprocedure geopend. Verzoekers in het hoofdgeding zijn van mening dat dit comité onrechtmatig heeft gehandeld en hebben om die reden de vordering wegens aansprakelijkheid ingesteld.

31

Dienaangaande heeft de verwijzende rechterlijke instantie erop gewezen dat met betrekking tot de insolventieprocedure in de Slowaakse wettelijke regeling onderscheid wordt gemaakt tussen twee mogelijke wegen om de insolventie op te lossen, te weten enerzijds de saneringsprocedure en anderzijds de faillissementsprocedure. Wanneer in het kader van de saneringsprocedure het schuldeiserscomité het saneringsplan afwijst of geen beslissing neemt binnen de in § 144, lid 1, van de insolventiewet gestelde termijnen, dient de curator volgens § 144, lid 2, van deze wet onverwijld om opening van de faillissementsprocedure te verzoeken.

32

In dit verband dient erop te worden gewezen dat in het onderhavige geval de vordering wegens aansprakelijkheid is ingesteld door, enerzijds, aandeelhouders van de vennootschap die het voorwerp van de insolventieprocedure is, en anderzijds vennootschappen die handelsbetrekkingen met deze vennootschap hebben.

33

Bovendien is deze vordering met name erop gericht, vast te stellen of de leden van het schuldeiserscomité bij de afwijzing van het saneringsplan die tot de opening van de faillissementsprocedure heeft geleid, zijn tekortgeschoten in hun verplichting om in het gemeenschappelijke belang van alle schuldeisers te handelen.

34

Zoals uit de verwijzingsbeslissing blijkt, zijn volgens § 127, lid 4, van de insolventiewet alle leden van het schuldeiserscomité immers verplicht in het gemeenschappelijke belang van alle schuldeisers te handelen, aangezien dit comité tot taak heeft, tezamen met de vergadering van schuldeisers het door de insolvente schuldenaar op te stellen saneringsplan te beoordelen en in voorkomend geval overeenkomstig § 133, lid 1, van die wet goed te keuren.

35

De in het hoofdgeding aan de orde zijnde vordering wegens aansprakelijkheid is aldus het rechtstreekse en onlosmakelijke gevolg van de uitoefening door het schuldeiserscomité, een orgaan dat bij de opening van de insolventieprocedure moet worden opgericht, van de functie die het specifiek ontleent aan de bepalingen van het nationale recht die dit type procedure regelen (zie naar analogie arrest van 2 juli 2009, SCT Industri, C‑111/08, EU:C:2009:419, punt 28).

36

Vast staat dus dat de verplichtingen die ten grondslag liggen aan de uitoefening van een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad tegen een schuldeiserscomité, als de in het hoofdgeding aan de orde zijn vordering, voortvloeien uit de specifieke regels betreffende de insolventieprocedures.

37

Wat het tweede, in punt 27 van het onderhavige arrest genoemde criterium betreft, is het vaste rechtspraak dat de intensiteit van de band tussen een vordering in rechte en de insolventieprocedure bepalend is voor de beslissing of de in artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 genoemde uitsluiting moet worden toegepast (arrest van 9 november 2017, Tünkers France en Tünkers Maschinenbau, C‑641/16, EU:C:2017:847, punt 28).

38

In dit verband dienen, om uit te maken of de leden van het schuldeiserscomité aansprakelijk kunnen worden gesteld wegens de afwijzing van het saneringsplan, met name de omvang van de in het kader van de insolventieprocedure op dit comité rustende verplichtingen en de verenigbaarheid van die afwijzing met die verplichtingen te worden onderzocht. Vast staat dat een dergelijke analyse rechtstreeks en nauw verband houdt met de insolventieprocedure en bijgevolg eng verbonden is met het verloop van deze procedure.

39

In deze omstandigheden dient te worden geoordeeld dat een vordering als aan de orde in het hoofdgeding rechtstreeks voortvloeit uit een insolventieprocedure en daar nauw op aansluit, zodat zij niet binnen de werkingssfeer van verordening nr. 1215/2012 valt.

40

Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 1, lid 2, onder b), van verordening nr. 1215/2012 in die zin moet worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die tegen de leden van een schuldeiserscomité is ingesteld wegens van hun stemgedrag over een saneringsplan in het kader van een insolventieprocedure, en dat een dergelijke vordering dus van de materiële werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

Kosten

41

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 1, lid 2, onder b), van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet in die zin worden uitgelegd dat deze bepaling van toepassing is op een vordering wegens aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad die tegen de leden van een schuldeiserscomité is ingesteld wegens van hun stemgedrag over een saneringsplan in het kader van een insolventieprocedure, en dat een dergelijke vordering dus van de materiële werkingssfeer van die verordening is uitgesloten.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Duits.

Top