EUROPESE COMMISSIE
Brussel, 16.1.2017
COM(2017) 3 final
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
Beoordeling van de monitoringprogramma's van de lidstaten in het kader van de kaderritchtlijn mariene strategie
{SWD(2017) 1 final}
Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad
Beoordeling van de monitoringprogramma's van de lidstaten in het kader van de kaderrichtlijn mariene strategie (2008/56/EG)
1. Introductie
De EU-kaderrichtlijn mariene strategie (KRMS) biedt een kader waarbinnen de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om tegen 2020 "een goede milieutoestand in alle mariene wateren van de EU" te behalen of te onderhouden. Het behalen van dit doel betekent dat de EU-zeeën schoon, gezond en productief zijn en dat het mariene milieu duurzaam wordt gebruikt. In de KRMS staan elf kwalitatieve "descriptoren" die beschrijven hoe het milieu eruit zou moeten zien wanneer een goede milieutoestand is behaald. Besluit 2010/477/EU van de Commissie tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van de mariene wateren geeft richting aan hoe de lidstaten dit doel kunnen behalen.
In de praktijk moeten de lidstaten mariene strategieën ontwikkelen en uitvoeren. Dit omvat:
een eerste beoordeling van hun mariene wateren;
de vaststelling van een goede milieutoestand van hun mariene wateren;
het opstellen van milieudoelstellingen;
het instellen en uitvoeren van gecoördineerde monitoringprogramma's, en
het vaststellen van te nemen maatregels of acties voor het behalen en onderhouden van een goede milieutoestand.
De Commissie moet beoordelen of deze verschillende elementen voldoen aan de vereisten van de richtlijn voor elke lidstaat. Indien nodig kan de Commissie ook om aanvullende informatie vragen en advies geven over de nodige veranderingen.
De lidstaten hebben in 2012, na de eerste uitvoeringsfase met daarin de eerste beoordeling, verslag gedaan van de bepaling van een goede milieutoestand en de vaststelling van milieudoelstellingen. De Commissie heeft een beoordeling van deze elementen gepubliceerd waarin werd geconcludeerd dat de door de lidstaten vastgestelde milieudoelstellingen weinig ambitieus waren. Deze beoordeling benadrukte ook een gebrek aan samenhang en consistentie bij de uitvoering over de mariene subregio's en mariene regio's.
In het volgende stadium van de uitvoering moesten de lidstaten voor juli 2014 monitoringprogramma's instellen en uitvoeren en de Commissie binnen drie maanden na instelling van die programma's in kennis te stellen. De monitoringprogramma's hebben tot doel een beoordeling te geven over de milieutoestand van de mariene wateren en de vooruitgang in de richting van het behalen van de milieudoelstellingen.
Twintig lidstaten hebben hun monitoringprogramma's op tijd voor deze evaluatie aan de Commissie opgegeven: België, Bulgarije, Denemarken, Estland, Duitsland, Ierland, Spanje, Frankrijk, Kroatië, Italië, Cyprus, Letland, Litouwen, Nederland, Portugal, Roemenië, Slovenië, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk. Drie lidstaten (Malta, Griekenland en Polen) hebben hun verslagen niet ingediend.
Dit verslag is een aanvulling op het verslag van de Commissie uit 2014 en heeft als doel verslag te doen van de vooruitgang in de richting van consistente en samenhangende uitvoering van de KRMS van de lidstaten met het oog op het bereiken van een goede milieutoestand in de Europese mariene wateren tegen 2020.
De Commissie presenteert haar beoordeling van de door de bovenstaande lidstaten ingeleverde monitoringprogramma's. Het verslag beoordeelt de consistentie en juistheid van het monitoringprogramma van elke lidstaat, en kijkt verder ook naar de regionale samenhang. Het verslag voorziet ook in advies over alle veranderingen die de Commissie nodig acht.
Het eerste gedeelte van het verslag analyseert de monitoringprogramma's van de lidstaten wat betreft hun bepaling van een goede milieutoestand en daaraan verwante milieudoelstellingen. Het tweede gedeelte beschouwt de te nemen vervolgstappen voor monitoring op nationaal en EU-niveau voor het behalen en onderhouden van een goede milieutoestand van de Europese mariene wateren rond 2020.
In het bij dit verslag gevoegde interne werkdocument is een uitgebreide analyse van het monitoringprogramma van elke lidstaat opgenomen op basis van de elf kwalitatieve descriptoren van de KRMS, en een specifiek advies voor elke lidstaat.
Het werkdocument bevat ook een beoordeling van enkele elementen die zijn opgegeven bij de eerste uitvoeringsfase van de KRMS voor de lidstaten die later verslag hebben uitgebracht — Bulgarije, Kroatië, Malta, de subregio Macaronesië van Portugal (Azoren en Madera) en de westelijke Mediterrane subregio voor het Verenigd Koninkrijk (de wateren rond Gibraltar).
2. Belangrijkste bevindingen
Om te kunnen beoordelen of de monitoringprogramma's van een lidstaat een geschikt kader vormen om te voldoen aan de eisen van de KRMS, worden de programma's beoordeeld op hun doel, ruimtelijke toepassingsgebied, dekking van de categorieën van descriptoren en milieudoelstellingen, tijdlijn van de uitvoering, adequaatheid wat betreft de verplichtingen van de KRMS en andere relevante wetgeving, en regionale coherentie.
De twintig lidstaten hebben meer dan 200 monitoringprogramma's opgegeven, waaronder bijna 1 000 subprogramma's.
Doel
Zoals te zien is in figuur 1 is het grootste deel van de monitoring activiteiten (73 %) gericht op het beoordelen van de milieutoestand van de mariene wateren van een lidstaat en de gevolgen van menselijke activiteiten. 41 % van de activiteiten is gerelateerd aan de monitoring van druk voortkomend uit menselijke activiteiten (zoals aanwezigheid van zwevende deeltjes in de waterkolom waardoor de doorzichtigheid van het water wordt verlaagd of de verrijking met voedingsstoffen met eutrofiëring als gevolg; of marien zwerfvuil dat zich op de stranden ophoopt), 19 % richt zich op menselijke activiteiten die de druk veroorzaken (zoals baggerwerkzaamheden in havens, agrarische werkzaamheden, lozingen van stedelijk afvalwater, of ongeschikte beheer van vast afval), terwijl 12 % zich richt op de doeltreffendheid van de maatregelen om deze druk en hun gevolgen te verzachten (zoals gevolgen van maatregelen om het verlies van voedingsstoffen te verminderen, of om beheer van vast afval te verbeteren). Dat er zo weinig nadruk is gelegd op de beoordeling van de maatregelen wordt deels verklaard door het feit dat lidstaten niet vóór eind 2016 hun maatregelen operationeel hoefden te maken (artikel 5, lid 2 van de KRMS).
De optelsom van de verschillende monitoringwerkzaamheden is groter dan 100 % omdat er een overlapping is tussen programma's en hun functie.
De monitoring van biodiversiteit (descriptoren 1, 4 en 6) vertegenwoordigt 41 % van de inspanning. De focus op biodiversiteit kan worden uitgelegd door monitoringwerkzaamheden die al worden gedaan voor de uitvoering van andere EU-wetgeving, zoals de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de zwemwaterrichtlijn, de nitratenrichtlijn en de verordening gemeenschappelijk visserijbeleid. Hierin zijn al eisen voor monitoring opgenomen die direct zijn verbonden aan de KRMS-descriptoren. Zo moeten lidstaten bijvoorbeeld bij de vogelrichtlijn rekening houden met trends en afwijkingen van de populaties van een vogelstand die voordeel hebben van speciale instandhoudingsmaatregelen. De monitoring van de populatie, omvang en abondantie van zeevogels door de lidstaten moet daarom voldoen aan eisen die zowel uit de vogelrichtlijn als de KRMS voortkomen.
59 % van de monitoringswerkzaamheden zijn verbonden met de acht overgebleven descriptoren, met relatief weinig monitoring van energie waaronder onderwatergeluid en vervuilende stoffen in visserijproducten (descriptoren 11 en 9) (4 % elk), niet-inheemse soortensoorten (descriptor 2) (5 %), en zwerfvuil op zee en hydrografische veranderingen (descriptoren 10 en 7) (6 % elk). Vervuilende stoffen in wateren (descriptor 8), eutrofiëring (descriptor 5) en commerciële vis (descriptor 3) zijn beter gedekt (respectievelijk 13 % en 9 % van de inspanning op het gebied van monitoring).
Ruimtelijk toepassingsgebied
Lidstaten hebben verslag gedaan van de ruimtelijke verspreiding van hun monitoringprogramma's door gebruik te maken van de volgende geografische zones:
terrestrisch (op land),
overgangswateren,
kustwateren,
territoriale wateren,
de exclusieve economische zone (EEZ),
het continentale plat buiten de EEZ, en
buiten de mariene wateren van de lidstaten.
Zoals te zien in afbeelding 2 vindt het hoogste percentage van de monitoring van de lidstaten (68 %) plaats in de kustwateren, terwijl een groot percentage ook voorkomt in territoriale wateren (57 %) en in de EEZ (51 %). Het laagste percentage (6 %) vindt plaats in continentale wateren buiten de EEZ.
Zoals hierboven uitgelegd hebben de lidstaten meestal hun monitoringprogramma's gekoppeld aan bestaande programma's die vereist zijn volgens andere EU-wetgeving, wat de voorkeur van monitoring in kustwateren kan helpen verklaren. Het aantal monitoringprogramma's buiten de territoriale wateren van de lidstaten is gering. Dit kan door een aantal factoren worden verklaard, zoals de kosten voor monitoring en de behoefte om zich te richten op de belangrijkste soorten druk en gevolgen, die dichter bij de kust voorkomen.
Afbeelding 2: Ruimtelijk toepassingsgebied van monitoring van de lidstaten
Tijdlijn voor uitvoering
De lidstaten moesten hun monitoringprogramma's tegen 15 juli 2014 hebben ontwikkeld en uitgevoerd. Afbeelding 3 geeft een overzicht van de verwachte invoering van de monitoringsprogramma's , per descriptorcategorie, en per tijdspanne (2014, 2018, 2020 en na 2020). In 2014 waren de descriptoren die het meest door de lidstaten werden gecontroleerd: vervuilende stoffen in visserijproducten (descriptor 9), commerciële vis (descriptor 3) en eutrofiëring (descriptor 5). Tegen 2020 worden, gebaseerd op de eigen beoordeling van de lidstaten, de monitoringprogramma's voor eutrofiëring (descriptor 5), zoogdieren, reptielen, vis en koppotigen (descriptoren 1 en 4) en vervuilende stoffen (descriptor 8) ingevoerd. Voor commerciële visserijproducten (descriptor 3), hydrografische veranderingen (descriptor 7), zwerfvuil op zee (descriptor 10) en habitats van zeebodem en de waterkolom (descriptoren 1, 4 en 6) zullen in 2020 naar verwachting bijna 90 % van de monitoringprogramma's ingevoerd zijn.
Afbeelding 3: Tijdstip waarop de lidstaten hun programma's voor monitoring van de verschillende descriptorcategorieën naar eigen verwachting zullen hebben ingevoerd, met het oog op het bereiken van een goede milieutoestand
Gezien de KRMS-termijnen voor het bijwerken van de mariene strategieën in 2018, en met het oog op het behalen van een goede milieutoestand in 2020 zullen monitoringprogramma's voor niet-inheemse soorten (descriptor 2) en onderwatergeluid (descriptor 11) aanzienlijk moeten worden versneld om voor goede dekking te zorgen. Aanvullende inspanning is ook nodig wat betreft de descriptoren 1, 4 en 6 (de biodiversiteitsdescriptoren), met name daar waar die niet door bestaande wetgeving worden gedekt.
Afbeelding 4: Tijdstip waarop de verschillende lidstaten hun monitoringsprogramma's naar eigen verwachting zullen hebben ingevoerd, met het oog op het behalen van een goede milieutoestand.
Afbeelding 4 geeft een overzicht, per lidstaat, van de verwachte invoering van de monitoringsprogramma's, om de vooruitgang in de richting van een goede milieutoestand te beoordelen per tijdstip of -spanne (2014, 2018, 2020 en na 2020).
Vijf lidstaten hebben opgegeven dat hun monitoringprogramma's in 2014 voor de meeste descriptorencategorieën waren ingevoerd. Vier lidstaten hadden geen monitoringprogramma's in 2014 ingevoerd. De monitoringprogramma's waren in juli 2014 meestal alleen gedeeltelijk geschikt, de datum waarop ze hadden moeten zijn gemaakt en uitgevoerd in overeenstemming met artikel 5, lid 2, onder a) iv) van de KRMS. Hierdoor zijn er voor de lidstaten grote lacunes in de data voor het beoordelen van de vooruitgang in de richting van een goede milieutoestand en milieudoelstellingen die zijn vereist voor de beoordeling van 2018.
In de verslagen van de lidstaten wordt aangegeven dat wordt verwacht dat de situatie zich in de loop der tijd zal verbeteren: in 2018 wordt verwacht dat de lidstaten de descriptorcategorieën volledig (of bijna volledig) dekken en in 2020 willen vijftien lidstaten hun programma's hebben ingevoerd. In het algemeen hebben de meeste lidstaten 2020 vastgesteld als het moment waarop de meeste van hun monitoringprogramma's volledig zullen zijn ingevoerd. Dit is alleen geruststellend in de zin dat verwacht kan worden dat de KRMS-monitoring tegen die tijd volledig werkt.
Desalniettemin zijn er vijf lidstaten die of niet hebben opgegeven wat hun bedoelingen zijn, of hebben aangekondigd dat hun monitoringprogramma's zelfs na 2020 — het jaar waarin van de lidstaten een goede milieutoestand zouden moeten behalen — niet volledig zullen zijn ingevoerd.
Dezelfde waarnemingen kunnen worden gemaakt voor het dekken van milieudoelstellingen door de monitoringprogramma's van de lidstaten, alhoewel de opgegeven tijdlijn aangeeft dat de lidstaten meestal verwachten dat de behoeften aan monitoring adequaat vóór 2020 worden gedekt(zie afbeelding 5).
Afbeelding 5: Tijdstip waarop de lidstaten hun monitoringprogramma's voor milieudoelstellingen naar eigen verwachting zullen hebben ingevoerd
Er wordt verwacht dat twaalf lidstaten hun monitoringwerkzaamheden hebben ingevoerd om de milieudoelstellingen die ze hebben gedefinieerd te kunnen meten. Ierland is van plan om alle doelstellingen te dekken maar doet dit alleen na 2020. Tegen die tijd moet een goede milieutoestand al behaald zijn. De andere zeven lidstaten zijn niet van plan om een deel van de door hen gedefinieerde doelstellingen te controleren.
Zoals hierboven uitgelegd zullen de doelstellingen in verband met commerciële visserijproducten (descriptor 3), eutrofiëring (descriptor 5) en vervuilende stoffen in visserijproducten (descriptor 9) voordeel hebben van de monitoringprogramma's die door de EU-wetgeving zijn opgesteld. De meeste zijn al gedekt of worden waarschijnlijk in 2018 gedekt.
Extra werk is nodig om ervoor te zorgen dat de lidstaten de vereiste gegevens verzamelen om vooruitgang in de richting van een goede milieutoestand en -doelstellingen te kunnen beoordelen. Verwacht wordt dat de lidstaten hierover in 2018 verslag doen, in het bijzonder voor die descriptoren waarvan de vooruitgang niet voldoende is, zoals niet-inheemse soorten (descriptor 2), zwerfvuil op zee (descriptor 10), onderwatergeluid (descriptor 11), en descriptoren biodiversiteit (descriptoren 1, 4 en 6) die niet door de wetgeving worden gedekt.
Dekking en algehele geschiktheid
De adequaatheid van de monitoringprogramma's van de lidstaten in verband met de eisen van de KRMS werd beoordeeld. In het bijgevoegde interne werkdocument zijn uitwerkingen van de monitoringprogramma's van elke lidstaat te vinden. Deze technische beoordeling is gemaakt op basis van de belangrijkste componenten van de monitoringprogramma's van de lidstaten, in het bijzonder de gecontroleerde aspecten en parameters, de frequentie en het ruimtelijk toepassingsgebied.
De resultaten geven aan of de monitoringprogramma's van de lidstaten of "geschikt", "grotendeels geschikt", of "gedeeltelijk geschikt" zijn om te voldoen aan de eisen van de KRMS wat betreft het beoordelen van de milieutoestand.
De gecombineerde bijdrage van het monitoringprogramma van elke lidstaat per descriptorcategorie is te zien in afbeelding 6. De informatie die in deze figuur wordt getoond, werd gebruikt voor de beoordeling van het aantal descriptorcategorieën die elke lidstaat overweegt al dan niet te dekken. Op basis hiervan worden conclusies getrokken of de monitoringprogramma's van de lidstaat grotendeels, gedeeltelijk of niet geschikt kunnen worden geacht (afbeelding 7).
Afbeelding 6: Mate waarin een goede milieutoestand door de KRMS-monitoringprogramma's wordt gedekt volgens de technische beoordeling
De tekortkoming die werd vastgesteld in het verslag van de Commissie in 2014 wat betreft het gebrek aan consistentie en vergelijkbaarheid bij de toepassing van Besluit 2010/477/EU onder de lidstaten wordt bevestigd in deze beoordeling. Daarom was er alleen een indicatieve vergelijkende beoordeling mogelijk in het kader van dit verslag.
De meeste lidstaten hebben de lacunes in hun programma's vastgesteld en zijn zich bewust van de belangrijkste gebieden waaraan nog gewerkt moet worden. Er zijn in het algemeen lacunes waargenomen in de monitoring van methodologieën en methodologische normen (bijv. voor habitats van zeebodem en de waterkolom en verontreinigingen), gebrek aan monitoringgegevens en -kennis (bijv. voor niet-inheemse soorten (descriptor 2), hydrografische veranderingen (descriptor 7), zwerfvuil op zee (descriptor 10) en onderwatergeluid (descriptor 11)).
Sommige soorten druk en gevolgen worden alleen doeltreffend gecontroleerd vanaf het moment dat er een regionale aanpak is ingevoerd, gezien hun inherente grensoverschrijdend karakter (bijvoorbeeld die zijn verbonden aan mobiele soorten, niet-inheemse soorten en onderwatergeluid).
Afbeelding 7: Mate waarin een goede milieutoestand door de monitoringprogramma's van KRMS gebaseerd op technische beoordeling
Gezien de technische beoordeling is de Commissie in het algemeen van oordeel dat geen van de monitoringprogramma's van de lidstaten volledig geschikt is noch dat zij voldoen aan de eisen van de KRMS, in het bijzonder wat betreft de monitoring van de vooruitgang in het behalen van een goede milieutoestand. De monitoringprogramma's van vier lidstaten kunnen worden beschouwd als grotendeels geschikt, dertien andere zijn gedeeltelijk geschikt en de monitoringprogramma's van drie lidstaten zijn ongeschikt.
Consistentie met andere EU-wetgeving
De meeste lidstaten hebben hun monitoringprogramma's gebaseerd op bestaande monitoring in het kader van andere EU-wetgeving of hun respectievelijke regionale zeeverdragen. De kaderrichtlijn water, de habitatrichtlijn en de verordening gemeenschappelijk visserijbeleid zijn onderdelen van EU-wetgeving die gebruikelijk worden gekoppeld aan de KRMS-monitoringprogramma's. In die zin kan worden aangenomen dat de monitoringprogramma's in het algemeen consistent zijn met andere relevante wettelijke verplichtingen.
De monitoringprogramma's zwerfvuil op zee (descriptor 10) en onderwatergeluid (descriptor 11) zijn de enige monitoringprogramma's die uitsluitend zijn ingevoerd voor de KRMS.
Aandachtspunt: Monitoringprogramma voor zwerfvuil op zee
Bijna alle lidstaten die verslag doen hebben programma's ontwikkeld voor de monitoring van zwerfvuil op zee. Dit is zeer bemoedigend.
Er is geschikt ruimtelijk toepassingsgebied en frequentie van monitoring van afval op het strand. In de noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan is er systematische monitoring van opgenomen (ingeslikt) afval bij gestrande zeevogels. Er is voldoende mate van consistentie in monitoringprogramma's in de meeste mariene regio's en de koppeling naar internationale en regionale normen is duidelijk. De meeste lidstaten verwijzen naar het advies voor monitoring, dat is ontwikkeld door de technische groep voor zwerfvuil op zee van de KRMS, die zorgt voor de nodige harmonisatie.
Niettegenstaande zijn er enkele gebieden die dringend verbetering behoeven. Zo is bijvoorbeeld de monitoring van afval op de zeebodem en het wateroppervlak en de monitoring van microafval nog lang niet adequaat. Er is geen systematische en vergelijkbare monitoring van de gevolgen van zwerfvuil voor mariene dieren en natuur. Lokalisatie en de mate waarin menselijke activiteiten zwerfvuil op zee voortbrengen worden vaak niet gedekt door de ingevoerde monitoringprogramma's.
Ten slotte, er zijn geen overeengekomen basislijnen of drempelwaarden voor afval en microafval. Hierdoor is de monitoring van de vooruitgang naar een goede milieutoestand moeilijk. Dit beïnvloedt ook het vermogen van de EU om te voldoen aan interne (7e Milieuactieprogramma tot 2020, circulaire economische actieplan) en internationale afspraken.
Regionale samenhang en coördinatie
De monitoringprogramma's van de lidstaten werden ook beoordeeld wat betreft hun regionale samenhang, binnen de regio's bepaald in artikel 4 van de Richtlijn. Lidstaten hebben meestal in hun monitoringprogramma's verwezen naar regionale samenhang, in het bijzonder door gebruik te maken van indicatoren en normen die zijn overeengekomen door de regionale zeeverdragen ter beoordeling van de milieutoestand volgens KRMS.
De beoordeling toont een gemiddelde tot hoge mate van samenhang binnen de lidstaten van respectievelijk de regio's van de Zwarte Zee, het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Oostzee en toont een lage tot middelmatige mate van samenhang in de regio van de Middellandse Zee.
Voor de lidstaten van de regio's van de Zwarte Zee, het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Oostzee toont de beoordeling een hoge mate van samenhang in een aantal specifieke gevallen, zoals wat betreft het ruimtelijke toepassingsgebied, of de gecontroleerde elementen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de monitoring van de verontreinigingen (descriptor 8 en 9) en zwerfvuil op zee (descriptor 10) in de regio's van de Oostzee en de Zwarte Zee. In het algemeen lijkt monitoring voor het zeebekken meer geharmoniseerd te zijn in het geval van de Oostzee en het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan (waaronder niet-EU-lidstaten).
Lidstaten waarvan de wateren een deel zijn van de regio van het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan, hebben monitoringprogramma's op regionaal niveau voor alle descriptoren; het is echter wel nodig dat deze nog consistenter worden gemaakt, bijvoorbeeld met oog op de niet-inheemse soorten (descriptor 2) waar maar beperkte dekking is aangezien maar vijf lidstaten voor deze descriptor monitoringprogramma's hebben opgegeven.
De lidstaten in de regio van de Middellandse Zee moeten een meer consistente monitoring ontwikkelen door regionale inspanningen voor een aantal descriptoren, zoals in het geval van niet-inheemse soorten (descriptor 2) en onderwatergeluid (descriptor 11).
Verdere bevindingen
Speciale grensoverschrijdende aandachtspunten
Naast de grensoverschrijdende vraagstukken die worden gedekt door een aantal descriptoren van de KRMS (zoals niet-inheemse soorten, zwerfvuil op zee en onderwatergeluid) hebben een aantal lidstaten de druk en gevolgen van klimaatverandering, verzuring van de oceaan benadrukt als belangrijkste vraagstukken met grensoverschrijdend karakter die direct of indirect door KRMS-monitoringprogramma's moeten worden aangepakt.
Een verbeterde kennisbasis
De monitoringprogramma's van de lidstaten helpen om een verbeterde kennisbasis op te bouwen, in het bijzonder met betrekking tot de descriptoren onderwatergeluid en integriteit van de zeebodem (descriptoren 11 en 6). Dit zal de volgende beoordeling van de mariene wateren door de lidstaten — die in 2018 moet plaatsvinden — ten goede komen.
Adaptieve monitoringprogramma's
Een aantal lidstaten hebben adaptieve monitoringprogramma's ingevoerd. Deze moeten ervoor zorgen dat de programma's voldoende geschikt blijven wanneer de goede milieutoestand of indicatoren van de doelstellingen worden herontworpen in het licht van verbeterde kennis of nieuwe normen en praktijken op regionaal niveau, of om aangeven dat rekening te houden met een veranderde aard of hoeveelheid druk. Alhoewel flexibiliteit een positieve eigenschap is, moet men oppassen dat deze adaptieve monitoringprogramma's er niet toe leiden dat de dekking van de monitoring op lange termijn negatief wordt beïnvloed.
3. Algemene conclusie
De analyse van de monitoringprogramma's die is gestart onder de eerste KRMS-uitvoeringscyclus laat zien dat, zelfs wanneer er al aanzienlijke inspanningen zijn geleverd of in de toekomst worden geleverd, in de meeste lidstaten aanvullende actie nodig is om geschikte en tijdige dekking van de monitoringprogramma's te verzekeren. Meer vooruitgang is nodig om te verzekeren dat de lidstaten een vergelijkbare aanpak hebben en om te waarborgen dat de monitoringprogramma's verbeterd worden, zodat deze een geschikt kader vormen dat kan voldoen aan de KRMS-eisen.
De bestaande wetgeving moet een verbeterde dekking voor niet, of slechts gedeeltelijk, gedekte descriptoren waarborgen. Bij acht lidstaten is bijzondere aandacht nodig om te verzekeren dat een volledige en tijdige dekking van de doelstellingen door monitoring plaatsvindt overeenkomstig artikel 10 van de KRMS. Om te meten hoe doeltreffend hun maatregelen zijn, moeten de lidstaten in overweging nemen hun monitoringprogramma's te gebruiken. Dit helpt om te beoordelen hoever ze nog verwijderd zijn van de doelstellingen die ze zichzelf hebben gesteld wanneer ze deze bijwerken zoals dat wordt vereist door de KRMS.
Wat betreft ruimtelijke dekking laat de analyse zien dat het lijkt dat monitoringprogramma's daar zijn waar de druk en gevolgen waarschijnlijk het grootst zijn. Dit moet echter bevestigd worden door een juiste analyse van de risico's, zodat de prioriteiten voor monitoring op technische en wetenschappelijke basis worden vastgesteld.
Slechts een aantal lidstaten hebben operationele monitoringprogramma's ingevoerd in 2014, terwijl er van vele alleen maar wordt verwacht dat ze in 2018 of zelfs pas 2020 worden ingevoerd. Daarom is er dringend vooruitgang van monitoring nodig om te voldoen aan de eisen van de KRMS, waaronder de bijwerking, in 2018, van de eerste beoordeling van de mariene wateren en een goede milieutoestand, en met name ook het behalen van een goede milieutoestand in 2020.
Monitoringprogramma's zijn niet altijd toereikend om doeltreffende monitoring van de toestand van de mariene wateren van Europa te verzekeren, om een goede milieutoestand en hieraan verbonden doelstellingen te behalen, ingesteld door de lidstaten. Dit is in het bijzonder het geval voor de descriptoren niet-inheemse soorten, zwerfvuil op zee, onderwatergeluid en biodiversiteit die niet zijn gedekt door de bestaande wetgeving.
Verdere coördinatie tussen lidstaten, in het bijzonder door actie op regionaal niveau en subregionaal niveau, is essentieel om consistente en vergelijkbare gegevens te leveren en het ruimtelijk toepassingsgebied van monitoringprogramma's te verbeteren. Dit kan mogelijk kostenvermindering opleveren door meer doeltreffende monitoring in alle disciplines en tussen de lidstaten.
4. Aanbevolen volgende stappen
De Commissie is van oordeel dat lidstaten:
zo snel mogelijk de geconstateerde gebreken moeten melden, op regionaal en subregionaal niveau, om te verzekeren dat de monitoringprogramma's geschikt zijn om te voldoen aan de eisen van de KRMS;
meer hun best moeten doen om hun monitoringprogramma's uit te voeren, zodat er geen lacunes zijn bij de beoordeling van hun mariene wateren, die tegen 2018 klaar moet zijn, terwijl rekening wordt gehouden met de lopende herziening van Besluit 2010/447/EU en de eventuele gevolgen daarvan;
zorgen voor een goede dekking van het ruimtelijk toepassingsgebied van de KRMS door de monitoringprogramma's, in het bijzonder door rekening te houden met de locatie van de voornaamste druk en gevolgen, overeenkomstig een op risico gebaseerde aanpak;
monitoringprogramma's aanpassen aan toekomstige KRMS-verplichtingen en wijziging van de manier waarop lidstaten een goede milieutoestand bepalen. Waar een goede milieutoestand en milieudoelstellingen nog niet zijn vastgesteld als een onderdeel van de eerste uitvoeringsfase worden de lidstaten aangespoord dit onverwijld te doen;
verdere samenhang nastreven op regionaal en subregionaal niveau door middel van verdere coördinatie van monitoringprogramma's, met name door regionale zeeverdragen, waaronder gemeenschappelijke aanpakken de manier waarop gegevens worden verzameld en beoordeeld;
rekening houden met hun programma's van maatregelen wanneer zijn hun monitoringprogramma's actualiseren overeenkomstig artikel 17 van de KRMS, zodat kan worden beoordeeld in welke mate zij bijdragen tot het voldoen aan de doelstellingen van de Richtlijn.
De Commissie zal:
verdere consistentie nastreven bij de uitvoering van de verschillende onderdelen van de EU-wetgeving die de mariene omgeving beïnvloeden. Dit doet zij in het bijzonder door de herziening van het besluit waarin de criteria en de methodologische normen over een goede milieutoestand zijn opgesteld en door initiatieven van de Commissie ter stroomlijning van monitoring- en verslagleggingsverplichtingen binnen het milieubeleid
;
de samenwerking met lidstaten voortzetten, als onderdeel van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie voor de KRMS,
om ervoor te zorgen dat de tweede cyclus van de uitvoering van de KRMS (2018 en verder) meer resultaten voortbrengt en efficiënter is;
verdere financiering voor strategische projecten en ondersteunende acties overwegen ter verbetering van de consistentie van de uitvoering van de KRMS in de lidstaten regionaal en in Europa, met name waar regionale zeeverdragen hierin niet al een voortouw nemen;
op basis van de afzonderlijke beoordelingen van de lidstaten (beschikbaar in het bijgevoegde interne werkdocument) een specifieke en gerichte dialoog starten met de lidstaten die een aanmerkelijk risico lopen de KRMS-eisen niet te halen, zodat hun naleving van de Richtlijn toch kan worden gewaarborgd.