Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52014XC0701(01)

Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020

OJ C 204, 1.7.2014, p. 1–97 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

1.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 204/1


Richtsnoeren van de Europese Unie voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden 2014-2020

2014/C 204/01

INHOUDSOPGAVE

DEEL I.

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1.

Inleiding

Hoofdstuk 2.

Werkingssfeer en definities

2.1.

Gevolgen van het GLB en het plattelandsontwikkelingsbeleid voor de werkingssfeer van deze richtsnoeren

2.2.

Werkingssfeer

2.3.

Horizontale voorschriften en steuninstrumenten die van toepassing zijn op de landbouw- en de bosbouwsector en de plattelandsgebieden

2.4.

Definities

2.5.

Aan te melden steun

Hoofdstuk 3.

Gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen

3.1.

Bijdrage aan een gemeenschappelijke doelstelling

3.2.

Noodzaak van overheidsmaatregelen

3.3.

Geschiktheid van de steun

3.4.

Stimulerend effect en noodzaak van de steun

3.5.

Evenredigheid van de steun

3.6.

Vermijden van ongewenste negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

3.7.

Transparantie

DEEL II.

STEUNCATEGORIEËN

Hoofdstuk 1.

Steun voor ondernemingen die actief zijn in de primaire productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten

1.1.

Maatregelen voor plattelandsontwikkeling

1.1.1.

Investeringssteun

1.1.1.1.

Steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven

1.1.1.2.

Steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven

1.1.1.3.

Steun voor investeringen in verband met de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen

1.1.1.4.

Steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten

1.1.2.

Aanloopsteun voor jonge landbouwers en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven

1.1.3.

Steun voor de overdracht van landbouwbedrijven

1.1.4.

Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de landbouwsector

1.1.5.

Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen en dierenwelzijnsverbintenissen

1.1.5.1.

Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen

1.1.5.2.

Steun voor dierenwelzijnsverbintenissen

1.1.6.

Steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en met de kaderrichtlijn water

1.1.7.

Steun voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

1.1.8.

Steun voor biologische landbouw

1.1.9.

Steun voor de deelname van producenten van landbouwproducten aan een kwaliteitsregeling

1.1.10.

Steun voor technische bijstand in de landbouwsector

1.1.10.1.

Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting

1.1.10.2.

Steun voor adviesdiensten

1.1.10.3.

Steun voor bedrijfsvervangingsdiensten in de landbouw

1.1.11.

Steun voor samenwerking in de landbouwsector

1.2.

Risico- en crisisbeheer

1.2.1.

Steun om schade aan de landbouwproductie of de landbouwproductiemiddelen te vergoeden en schade te voorkomen

1.2.1.1.

Steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen

1.2.1.2.

Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld

1.2.1.3.

Steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten en plantenplagen en steun voor het herstel van schade als gevolg van dierziekten en plantenplagen

1.2.1.4.

Steun voor gestorven dieren

1.2.1.5.

Steun ter vergoeding van door beschermde dieren aangerichte schade

1.2.1.6.

Steun als bijdrage aan verzekeringspremies

1.2.1.7.

Steun voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen

1.2.2.

Steun voor de sluiting van productiecapaciteit

1.2.2.1.

Sluiting van capaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen, sanitaire, ethische of milieuredenen

1.2.2.2.

Sluiting van capaciteit om andere redenen

1.3.

Andere soorten steun in de landbouwsector

1.3.1.

Steun voor de sector dierlijke productie

1.3.2.

Steun voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten

1.3.3.

Steun voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

1.3.4.

Steun voor ruilverkaveling van landbouwgrond

1.3.5.

Reddings- en herstructureringssteun voor ondernemingen in moeilijkheden

1.3.6.

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector

Hoofdstuk 2.

Steun voor de bosbouwsector die uit het ELFPO wordt gecofinancierd, in de vorm van aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt verleend of als zuivere staatssteun wordt verleend

2.1.

Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

2.1.1.

Steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden

2.1.2.

Steun voor de invoering van boslandbouwsystemen

2.1.3.

Steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen en rampzalige gebeurtenissen

2.1.4.

Steun voor investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen

2.1.5.

Steun voor investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, mobilisering en afzet van bosbouwproducten

2.1.6.

Steun voor infrastructuurinvesteringen voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw

2.2.

Steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-bosgebieden

2.3.

Steun voor bosmilieuklimaatdiensten en bosinstandhouding

2.4.

Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting in de bosbouwsector

2.5.

Steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector

2.6.

Steun voor samenwerking in de bosbouwsector

2.7.

Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de bosbouwsector

2.8.

Andere steun voor de bosbouwsector waarmee milieu-, beschermings- en recreatiedoeleinden worden nagestreefd

2.8.1.

Steun voor specifieke bosbouwacties en ‐interventies die vooral tot doel hebben bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit of het traditionele landschap

2.8.2.

Steun in de bosbouwsector voor de instandhouding en de verbetering van de bodemkwaliteit en voor een evenwichtige en gezonde boomgroei

2.8.3.

Steun in de bosbouwsector voor het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden, landschapselementen en ‐kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren

2.8.4.

Steun voor het onderhoud van wegen om bosbranden te voorkomen

2.8.5.

Steun voor het herstel van schade in bossen die is aangericht door onder de wetgeving vallende dieren

2.8.6.

Steun voor de opstelling van bosbeheerplannen

2.9.

Steun voor de bosbouwsector die in lijn is met steunmaatregelen voor de landbouwsector

2.9.1.

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de bosbouwsector

2.9.2.

Steun voor ruilverkaveling van bosgrond

Hoofdstuk 3.

Steun voor plattelandsgebieden die uit het ELFPO wordt gecofinancierd of in de vorm van aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt verleend

3.1.

Steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten en de katoenproductie of investeringen in het opzetten en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten

3.2.

Steun voor basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden

3.3.

Aanloopsteun voor niet-agrarische activiteiten in plattelandsgebieden

3.4.

Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen ten behoeve van andere grondbeheerders en van ondernemingen in plattelandsgebieden die niet actief zijn in de landbouwsector

3.5.

Steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden ten behoeve van andere grondbeheerders

3.6.

Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting in plattelandsgebieden

3.7.

Steun voor adviesdiensten in plattelandsgebieden

3.8.

Steun voor actieve landbouwers die tot een kwaliteitsregeling voor katoen of levensmiddelen toetreden

3.9.

Steun voor voorlichtings- en afzetbevorderingsactiviteiten voor katoen en levensmiddelen die onder een kwaliteitsregeling vallen

3.10.

Steun voor samenwerking in plattelandsgebieden

3.11.

Steun voor de oprichting van onderlinge fondsen

DEEL III.

PROCEDURELE AANGELEGENHEDEN

1.

Looptijd van de steunregelingen en evaluatie

2.

Herzieningsclausule

3.

Rapportage en monitoring

4.

Toepassing van deze richtsnoeren

5.

Voorstellen voor dienstige maatregelen

6.

Geldigheidsduur

DEEL I. GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Hoofdstuk 1. Inleiding

(1)

In artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „het Verdrag” genoemd) is het volgende bepaald: „Behoudens de afwijkingen waarin de Verdragen voorzien, zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.”

(2)

Ondanks dat algemene verbod kan staatssteun noodzakelijk zijn om tekortkomingen in de marktwerking te verhelpen met het oog op een goed functionerende en billijke economie. Daarom laat het Verdrag met betrekking tot verschillende beleidsdoelstellingen ruimte voor de toekenning van staatssteun. Voor de landbouw- en de bosbouwsector is vooral van belang, ten eerste, dat steun tot herstel van schade die door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen wordt veroorzaakt, overeenkomstig artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag verenigbaar is met de interne markt. Ten tweede kan de Commissie op grond van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag staatssteun om de economische ontwikkeling van de landbouw- en de bosbouwsector en van plattelandsgebieden te bevorderen, aanmerken als verenigbaar met de interne markt voor zover die steun de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt, niet ongunstig beïnvloedt.

(3)

Voorts is, wegens de specifieke kenmerken van de landbouwsector, in artikel 42 van het Verdrag bepaald dat de mededingingsregels slechts in zoverre op de productie van en de handel in landbouwproducten van toepassing zijn als door het Europees Parlement en de Raad wordt bepaald.

(4)

In deze richtsnoeren omschrijft de Commissie de voorwaarden en de criteria waaraan moet worden voldaan opdat steun voor de landbouw- en de bosbouwsector en voor plattelandsgebieden als verenigbaar met de interne markt wordt beschouwd en legt zij de criteria vast om de domeinen af te bakenen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, van het Verdrag. Met betrekking tot steun die krachtens artikel 107, lid 2, onder b), wordt toegekend, zet de Commissie hier de voorwaarden uiteen die zullen worden afgetoetst om te bepalen of een maatregel in het kader waarvan steun wordt verleend tot herstel van schade die door een natuurramp of een buitengewone gebeurtenis is veroorzaakt, inderdaad onder dat artikel valt.

(5)

Staatssteun om de economische ontwikkeling van de landbouw- en de bosbouwsector en van plattelandsgebieden te bevorderen is ingebed in het ruimere gemeenschappelijk landbouwbeleid (hierna het „GLB” genoemd). In het kader van het GLB verleent de Unie financiële bijstand voor de landbouw- en de bosbouwsector en voor plattelandsgebieden. Aangezien de economische gevolgen van staatssteun niet anders zijn naargelang die steun (zelfs gedeeltelijk) door de Unie dan wel door een lidstaat alleen wordt gefinancierd, acht de Commissie het van belang dat haar beleid inzake staatssteuncontrole in beginsel samenhang vertoont met de bijstand die in het kader van het eigen gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Unie wordt toegekend. Bijgevolg kan het gebruik van staatssteun alleen gerechtvaardigd zijn als het in overeenstemming is met de doelstellingen van dit beleid, en met name met de onderliggende doelstellingen van het hervormde GLB voor de periode tot 2020 (1). Bijgevolg houdt de Commissie, wanneer zij de regels van deze richtsnoeren op specifieke steunregelingen toepast en met het oog daarop interpreteert, rekening met de regels en de beleidsmaatregelen van het GLB.

(6)

De volgende Europese instrumenten zijn van bijzonder belang voor met het GLB verband houdende staatssteunkwesties:

(a)

Verordening (EG) nr. 3/2008 van de Raad van 17 december 2007 inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties voor landbouwproducten op de binnenmarkt en in derde landen (2) of een verordening ter vervanging daarvan, waarin bepalingen zijn vastgesteld inzake voorlichtings- en afzetbevorderingsacties die op de binnenmarkt of in derde landen worden gehouden ten behoeve van landbouwproducten en de methode waarop die worden geproduceerd, en ten behoeve van levensmiddelen op basis van landbouwproducten;

(b)

Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (3) en Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (4). Op grond van deze verordeningen kunnen bijstandsprogramma's worden opgesteld om rekening te houden met de geografische en economische handicaps van deze gebieden;

(c)

Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (5);

(d)

Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (6), die tot doel heeft de duurzame plattelandsontwikkeling in de hele Unie te bevorderen, ter aanvulling van de andere instrumenten van het GLB, zoals de rechtstreekse betalingen en de marktmaatregelen. Deze verordening maakt de landbouwsector in de Unie territoriaal en ecologisch evenwichtiger, klimaatvriendelijker en -bestendiger, concurrerender en innovatiever, en draagt bij aan de ontwikkeling van de plattelandsgebieden;

(e)

Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (7);

(f)

Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (8), die voorschriften bevat voor de rechtstreekse betalingen die rechtstreeks aan landbouwers worden toegekend in de vorm van basisinkomenssteun in het kader van bepaalde steunregelingen;

(g)

Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (9), waarin algemene voorschriften voor de landbouwmarkten zijn vastgesteld. Die voorschriften hebben met name betrekking op openbare marktinterventie, quota- en steunregelingen, handels- en productienormen en handel met derde landen.

(7)

Het GLB steunt op twee pijlers: de eerste pijler bestaat uit instrumenten die verband houden met de werking van de landbouwmarkten en de voedselvoorzieningsketen (Verordening (EU) nr. 1308/2013, Verordening (EG) nr. 3/2008, Verordening (EU) nr. 228/2013 en Verordening (EU) nr. 229/2013) en met de rechtstreekse betalingen (Verordening (EU) nr. 1307/2013), waarvoor moet worden voldaan aan uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en aan eisen inzake een goede landbouw- en milieuconditie. Samen bieden die maatregelen de landbouwers van de Unie fundamentele bijstand, die de basis vormt voor de instandhouding van een duurzame landbouw in de hele Unie. De maatregelen van de eerste pijler zijn voor de lidstaten verplicht en op een zeer beperkt aantal uitzonderingen na vindt er geen cofinanciering plaats. Dit zorgt ervoor dat in de interne markt een gemeenschappelijk beleid wordt toegepast. De tweede pijler van het GLB is het plattelandsontwikkelingsbeleid dat onder Verordening (EU) nr. 1305/2013 valt en waarbij wordt gestreefd naar een verhoging van de concurrentiekracht van de landbouw, een duurzamer beheer van de natuurlijke hulpbronnen, een betere klimaataanpak en een evenwichtiger territoriale ontwikkeling van de plattelandsgebieden. Plattelandsontwikkelingsmaatregelen zijn grotendeels vrijwillig, van contractuele aard, worden gecofinancierd, worden opgezet binnen een strategisch kader en worden ten uitvoer gelegd via plattelandsontwikkelingsprogramma's die beantwoorden aan de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

(8)

Overeenkomstig artikel 39, lid 1, van het Verdrag heeft het GLB de volgende doelstellingen: de productiviteit van de landbouw te doen toenemen, de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren, de markten te stabiliseren, de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren. Overeenkomstig artikel 39, lid 2, van het Verdrag moet bij het tot stand brengen van het GLB en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen rekening worden gehouden met de bijzondere aard van het landbouwbedrijf, die voortvloeit uit de maatschappelijke structuur van de landbouw en uit de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden, met de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen en met het feit dat de landbouwsector nauw verweven is met de hele economie.

(9)

De landbouw moet zich aan de nieuwe realiteiten aanpassen en uitdagingen aangaan op het gebied van de voedselzekerheid, het milieu, de klimaatverandering en het leefbaar houden van de plattelandseconomie. Om op deze belangrijke uitdagingen in te spelen heeft de Commissie in haar mededeling „Het GLB tot 2020” (10) de volgende doelstellingen voor het GLB 2014-2020 aangegeven: 1) rendabele voedselproductie, 2) duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaataanpak en 3) evenwichtige territoriale ontwikkeling.

(10)

Als integrerend deel van het GLB draagt het plattelandsontwikkelingsbeleid 2014-2020 bij tot de verwezenlijking van de volgende doelstellingen: 1) stimuleren van een concurrerende landbouw, 2) zorgen voor een duurzaam beheer van de natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie, en 3) realiseren van een evenwichtige territoriale ontwikkeling van plattelandseconomieën en ‐gemeenschappen, met inbegrip van het scheppen en behouden van werkgelegenheid. De verwezenlijking van deze plattelandsontwikkelingsdoelstellingen wordt nagestreefd aan de hand van de volgende prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling: 1) bevordering van de kennisoverdracht en innovatie in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden, 2) het versterken van de levensvatbaarheid van het landbouwbedrijf en het concurrentievermogen van alle landbouwtypen in alle regio's en het bevorderen van innovatieve landbouwtechnologieën en het duurzaam bosbeheer, 3) bevordering van de organisatie van de voedselketen, met inbegrip van de verwerking en afzet van landbouwproducten, dierenwelzijn en het risicobeheer in de landbouw, 4) herstel, instandhouding en verbetering van ecosystemen die verbonden zijn met de landbouw en de bosbouw, 5) bevordering van het efficiënte gebruik van hulpbronnen en steun voor de omslag naar een koolstofarme en klimaatbestendige economie in de landbouw-, de voedings- en de bosbouwsector, en 6) bevordering van sociale inclusie, armoedebestrijding en economische ontwikkeling in plattelandsgebieden (11).

(11)

De doelstellingen van het GLB vallen ook onder de reikwijdte van de doelstellingen die zijn omschreven in de mededeling van de Commissie van 3 maart 2010„Europa 2020 — Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” (12) en haar vlaggenschipinitiatief „Efficiënt gebruik van hulpbronnen in Europa” (13), in het kader waarvan streefdoelen zijn vooropgesteld op gebieden als concurrentievermogen, klimaat, energie en biodiversiteit.

(12)

Het staatssteunbeleid in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden moet ook worden ingebed in het algemene initiatief van de Commissie om de staatssteun te moderniseren. In haar mededeling over de modernisering van het EU-staatssteunbeleid (14) heeft de Commissie aangekondigd dat zij met de modernisering van het staatssteuntoezicht inzet op drie doelstellingen: 1) duurzame, slimme en inclusieve groei bevorderen op een concurrerende interne markt, 2) het voorafgaande onderzoek door de Commissie concentreren op zaken die de grootste impact op de interne markt hebben en tegelijk de samenwerking met de lidstaten versterken op het gebied van de handhaving van de staatssteunregels, en 3) de regels stroomlijnen en sneller tot beslissingen komen. Met name wordt in die mededeling gepleit voor een gemeenschappelijke benadering bij de herziening van de verschillende richtsnoeren en kaderregelingen, met als doel de interne markt te versterken, een doeltreffender gebruik van overheidsmiddelen te bevorderen door een betere bijdrage van de staatssteun aan doelstellingen van gemeenschappelijk belang, het stimulerende effect diepgaander af te toetsen, de steun tot een minimum te beperken en mogelijke negatieve effecten van steun op de mededinging en het handelsverkeer te voorkomen. De verenigbaarheidsvoorwaarden die in deze richtsnoeren worden uiteengezet, zijn gebaseerd op die gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen en gelden voor steunregelingen en individuele steun die moeten worden aangemeld.

Hoofdstuk 2. Werkingssfeer en definities

2.1.   Gevolgen van het GLB en het plattelandsontwikkelingsbeleid voor de werkingssfeer van deze richtsnoeren

(13)

Met betrekking tot in bijlage I bij het Verdrag vermelde landbouwproducten gelden, overeenkomstig artikel 42 van het Verdrag, de in de artikelen 107 tot en met 109 van het Verdrag vastgestelde staatssteunregels slechts in zoverre als door het Europees Parlement en de Raad wordt bepaald.

(14)

Krachtens artikel 211, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 geldt, als algemene regel, dat de staatssteunregels van toepassing zijn op de productie en de verhandeling van landbouwproducten. Er zijn evenwel tal van afwijkingen van dat algemene beginsel, die onder meer zijn vastgesteld in artikel 211, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, artikel 13, lid 6, van Verordening (EG) nr. 3/2008, artikel 23 van Verordening (EU) nr. 228/2013 en artikel 17 van Verordening (EU) nr. 229/2013.

(15)

Met betrekking tot bijstand voor plattelandsontwikkeling is het algemene beginsel van de toepasbaarheid, in die context, van de staatssteunregels uiteengezet in artikel 81, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013. In artikel 81, lid 2, en artikel 82 van die verordening is bepaald dat de staatssteunregels niet van toepassing zijn op onder artikel 42 van het Verdrag vallende betalingen die de lidstaten op grond van en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1305/2013 verrichten en evenmin op onder artikel 42 van het Verdrag vallende aanvullende nationale financiering.

(16)

Bijgevolg zijn de staatssteunregels niet van toepassing op cofinanciering van bijstand voor plattelandsontwikkeling (het ELFPO-gedeelte, noch het nationale gedeelte) of op aanvullende nationale financiering bovenop dergelijke bijstand, voor zover de betrokken maatregel verband houdt met een landbouwactiviteit die onder het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag valt en deel uitmaakt van het plattelandsontwikkelingsprogramma.

(17)

In de volgende gevallen zijn de staatssteunregels evenwel volledig van toepassing op alle gecofinancierde steunmaatregelen (zowel het ELFPO-gedeelte als het nationale gedeelte) en de aanvullende nationale financiering bij dergelijke maatregelen waarin Verordening (EU) nr. 1305/2013 voorziet, maar die niet onder artikel 42 van het Verdrag vallen: a) maatregelen voor de ondersteuning van activiteiten in plattelandsgebieden en b) maatregelen voor de bosbouw.

(18)

Als een lidstaat van plan is een maatregel die grotendeels volgens de voorwaarden van een bepaalde plattelandsontwikkelingsmaatregel is opgezet („op een plattelandsontwikkelingsmaatregel lijkende maatregel”), uitsluitend uit nationale middelen te financieren (d.w.z. zonder enige cofinanciering uit het ELFPO), zijn de staatssteunregels volledig van toepassing, ongeacht of die maatregel onder artikel 42 van het Verdrag valt of niet.

2.2.   Werkingssfeer

(19)

De Commissie past deze richtsnoeren toe op steunregelingen en op individuele steun.

(20)

Deze richtsnoeren gelden voor staatssteun voor de primaire landbouwproductie, de verwerking van landbouwproducten die resulteert in een ander landbouwproduct, en de afzet van landbouwproducten.

(21)

Uitgaande van de in afdeling 2.1. van deel I van deze richtsnoeren uiteengezette algemene beschouwingen is het, met het oog op coherentie met het plattelandsontwikkelingsbeleid en om de naleving van de staatssteunregels te vereenvoudigen, dienstig ook sommige niet onder het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen in deze richtsnoeren op te nemen; hierbij kan het gaan om maatregelen die uit het ELFPO worden gecofinancierd, om maatregelen waarvoor aanvullende nationale financiering wordt verleend of om op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende maatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd. Daarom worden in deze richtsnoeren, naast de verenigbaarheidscriteria voor de landbouwsector, ook verenigbaarheidscriteria vastgesteld voor staatssteun in de bosbouwsector en voor steun aan ondernemingen die in plattelandsgebieden actief zijn, welke steun anders buiten de werkingssfeer van artikel 42 van het Verdrag valt.

(22)

Bij het toetsen van staatssteun en de verenigbaarheid ervan met de algemene beginselen inzake staatssteun houdt de Commissie, voor zover mogelijk, rekening met de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in de uitvoeringsbepalingen en de gedelegeerde handeling daarbij.

(23)

In het licht van de bovenstaande overwegingen hebben de richtsnoeren betrekking op de volgende categorieën steun:

(a)

uitsluitend uit nationale middelen gefinancierde maatregelen in de landbouwsector waarbij het gaat om:

i)

op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende maatregelen buiten het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma (afdeling 1.1 van deel II van deze richtsnoeren),

ii)

andere dan de onder i) bedoelde maatregelen die niet onder Verordening (EU) nr. 1305/2013 vallen, zoals bepaalde maatregelen op het gebied van risico- en crisisbeheer, steun voor de sector van de dierlijke productie en sommige afzetbevorderingsmaatregelen (de afdelingen 1.2 en 1.3 van deel II van deze richtsnoeren);

(b)

steun voor de bosbouwsector:

i)

die kan worden verleend als onderdeel van een plattelandsontwikkelingsprogramma of als aanvullende nationale financiering bij een dergelijke maatregel voor plattelandsontwikkeling (de afdelingen 2.1 tot en met 2.7 van deel II van deze richtsnoeren),

ii)

die uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd en waarbij het kan gaan om

een op een plattelandsontwikkelingsmaatregel lijkende bosbouwmaatregel waarin is voorzien bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 en die wordt verleend overeenkomstig de voorwaarden van deze richtsnoeren (de afdelingen 2.1 tot en met 2.7 van deel II van deze richtsnoeren),

andere steun in de bosbouwsector waarmee milieu-, beschermings- en recreatiedoelstellingen worden nagestreefd (afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren),

steun voor de bosbouwsector die in lijn is met steunmaatregelen voor de landbouwsector (afdeling 2.9 van deel II van deze richtsnoeren);

(c)

steun voor in plattelandsgebieden actief zijnde ondernemingen die kan worden verleend:

i)

in de vorm van een steunmaatregel die in een plattelandsontwikkelingsprogramma is opgenomen en uit het ELFPO wordt gecofinancierd op grond van en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1305/2013, voor zover de aan te melden staatssteunmaatregel identiek is aan de betrokken maatregel in het plattelandsontwikkelingsprogramma (hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren), of

ii)

als aanvullende nationale financiering bij een maatregel in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma (hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren).

(24)

Steun voor plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader als bedoeld in artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en de artikelen 42 tot en met 45 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, waarbij lokale partnerschappen individuele projecten opzetten en uitvoeren om specifieke lokale problemen aan te pakken, kan onder deze richtsnoeren vallen voor zover die steun voldoet aan de in deze richtsnoeren vastgestelde voorwaarden voor de hiermee verband houdende plattelandsontwikkelingsmaatregelen.

(25)

Deze richtsnoeren zijn in beginsel van toepassing op steun voor kmo's en grote ondernemingen. Grote ondernemingen worden doorgaans minder door marktfalen getroffen dan kmo's. Bovendien is de kans groter dat grote ondernemingen in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden belangrijke marktspelers zijn, waardoor steun die aan grote ondernemingen wordt verleend, in specifieke gevallen kan leiden tot een grondige verstoring van de mededinging en het handelsverkeer op de interne markt. Aangezien steun aan grote ondernemingen in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden enerzijds en aan andere grote ondernemingen anderzijds de mededinging op soortgelijke wijze kan verstoren, moeten de staatssteunregels voor grote ondernemingen die in deze richtsnoeren worden vastgesteld, met de algemene staatssteunregels worden geharmoniseerd en moeten voor die staatssteunregels de in hoofdstuk 3 van deel I van deze richtsnoeren vastgestelde gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen gelden. Wat maatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft, moeten de staatssteunregels voor grote ondernemingen, onverminderd die gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen, met het oog op consistentie en coherentie met het plattelandsontwikkelingsbeleid worden afgestemd op de betrokken voorschriften van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Met betrekking tot steunmaatregelen voor de sector van de dierlijke productie, die niet onder Verordening (EU) nr. 1305/2013 vallen, blijft de Commissie haar vorige beleid hanteren dat grote ondernemingen in staat moeten zijn de kosten van deze maatregelen zelf te financieren. Daarom moet steun in de sector van de dierlijke productie beperkt blijven tot kmo's.

(26)

Ondernemingen in moeilijkheden (15) zijn in beginsel uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtsnoeren. De Commissie is van mening dat een onderneming in financiële moeilijkheden, aangezien haar bestaan zelf in het gedrang is, niet kan worden beschouwd als een passend instrument om tot de verwezenlijking van andere beleidsdoelstellingen van de overheid bij te dragen zolang niet vaststaat dat die onderneming zal overleven. Daarom zal de steun, als de begunstigde ervan in financiële moeilijkheden verkeert in de zin van punt (35)15, worden beoordeeld overeenkomstig de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (16), als gewijzigd of vervangen. Dit beginsel geldt niet voor compenserende steun voor schade als gevolg van natuurrampen en buitengewone gebeurtenissen als bedoeld in de afdelingen 1.2.1.1 en 2.1.3 van deel II van deze richtsnoeren, die verenigbaar is met de interne markt krachtens artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag. Als de financiële moeilijkheden van een onderneming die in de landbouw- of de bosbouwsector actief is, zijn veroorzaakt door een risicogebeurtenis als bedoeld in de afdelingen 1.2.1.2., 1.2.1.3, 1.2.1.5, 2.1.3 of 2.8.5 van deel II van deze richtsnoeren, is het nog steeds mogelijk steun voor de vergoeding of het herstel van verliezen of schade als gevolg van dergelijke risicogebeurtenissen of steun voor de kosten van de uitroeiing van plantenplagen te verlenen overeenkomstig deze richtsnoeren en aan te merken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag. Voorts mag, met het oog op de bescherming van de volksgezondheid en gezien de noodsituatie, onder bepaalde voorwaarden geen onderscheid worden gemaakt naargelang van de economische situatie van een onderneming voor wat betreft de in afdeling 1.2.1.4 bedoelde steun voor het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren en voor de in punt (375)(c) van afdeling 1.2.1.3. bedoelde steun voor uitroeiingsmaatregelen in het geval van dierziekten.

(27)

Bij het beoordelen van steun voor een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerder besluit van de Commissie waarin steun als onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is aangemerkt, zal de Commissie rekening houden met het bedrag aan steun dat nog moet worden teruggevorderd (17). Dit geldt krachtens artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag niet voor steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen.

(28)

De Commissie zal geen toestemming geven voor steun voor op derde landen of lidstaten gerichte uitvoergerelateerde activiteiten die rechtstreeks gekoppeld is aan de uitgevoerde hoeveelheden, noch voor steun die afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van binnenlandse goederen in plaats van ingevoerde goederen, noch voor steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienetwerk of voor de financiering van andere uitgaven in verband met uitvoeractiviteiten. Steun voor de financiering van de kosten van deelname aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt te introduceren, is in de regel geen exportsteun.

(29)

De lidstaten worden eraan herinnerd dat het financieringssysteem, bijvoorbeeld een systeem op basis van parafiscale heffingen, moet worden aangemeld wanneer dit systeem integraal deel uitmaakt van de steunmaatregel (zie zaak T-275/11, de punten 41 tot en met 44) (18).

(30)

De Commissie zal steunmaatregelen die niet onder deze richtsnoeren of andere toepasselijke staatssteunregels vallen, per geval rechtstreeks beoordelen op basis van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en daarbij voor zover mogelijk rekening houden met de voorschriften die zijn vastgesteld in de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag, het GLB en, naar analogie, deze richtsnoeren. Lidstaten die staatssteun aanmelden die niet binnen de werkingssfeer van deze richtsnoeren valt, zullen moeten aantonen dat die staatssteun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen die in hoofdstuk 3 van deel I van deze richtsnoeren zijn vastgesteld. De Commissie zal dergelijke maatregelen slechts goedkeuren als de positieve bijdrage ervan tot de ontwikkeling van de sector duidelijk groter is dan het gevaar dat de mededinging op de interne markt wordt verstoord en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed.

2.3.   Horizontale voorschriften en steuninstrumenten die van toepassing zijn op de landbouw- en de bosbouwsector en de plattelandsgebieden

(31)

Om de staatssteunregels te stroomlijnen zijn, mede gelet op de gelijkenissen tussen ondernemingen die in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden actief zijn en andere ondernemingen, de algemene staatssteuninstrumenten tot vaststelling van de criteria voor de verenigbaarheid van steun in beginsel van toepassing op de sectoren die onder deze richtsnoeren vallen. Met name gaat het hierbij om de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (19), als gewijzigd of vervangen, de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020 (20), als gewijzigd of vervangen, de EU-richtsnoeren voor de toepassing van de staatssteunregels in het kader van de snelle uitrol van breedbandnetwerken (21), als gewijzigd of vervangen, de richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicofinancieringsinvesteringen (22), als gewijzigd of vervangen, de mededeling van de Commissie — Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun ten behoeve van opleiding (23), als gewijzigd of vervangen, de mededeling van de Commissie — Criteria voor de beoordeling van de verenigbaarheid van individueel aan te melden staatssteun voor de indienstneming van kwetsbare en gehandicapte werknemers (24), als gewijzigd of vervangen, en de instrumenten in verband met de diensten van algemeen economisch belang (25).

(32)

De genoemde horizontale instrumenten gelden voor de productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten, tenzij in deze richtsnoeren specifieke regels zijn vastgesteld. Deze richtsnoeren voorzien in specifieke steunmaatregelen voor het milieu, zoals steun voor agromilieuklimaatverbintenissen en dierenwelzijnsverbintenissen (afdeling 1.1.5 van deel II), steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en de kaderrichtlijn water (26) (afdeling 1.1.6 van deel II) en steun voor de biologische landbouw (afdeling 1.1.8 van deel II). Steun voor investeringen voor milieudoeleinden op het gebied van de primaire landbouwproductie wordt getoetst aan de voorschriften van afdeling 1.1.1.1 van deel II van deze richtsnoeren. Steun voor milieubescherming ten behoeve van ondernemingen die actief zijn in de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, zal worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden van de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020. Steun voor investeringen in energiebesparing, biobrandstoffen en energie uit hernieuwbare bronnen is uitgesloten van de werkingssfeer van de hoofdstukken 2 en 3 van deel II van deze richtsnoeren, aangezien die steun aan de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020 moet voldoen, tenzij die van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld. Steun voor investeringen met betrekking tot de primaire landbouwproductie die verband houden met de productie, op de bedrijven, van energie uit hernieuwbare bronnen of van biobrandstoffen, kan evenwel onder deze richtsnoeren vallen mits die productie niet groter is dan het gemiddelde jaarlijkse brandstof- of energieverbruik van het betrokken landbouwbedrijf (afdeling 1.1.1.1).

(33)

De richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (27) gelden niet voor steun voor de productie van primaire landbouwproducten, gezien de specifieke kenmerken van de sector. Zij zijn evenwel, in de mate waarin dat in de onderhavige richtsnoeren wordt vastgesteld, van toepassing op de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten.

(34)

Zowel de algemene staatssteunregels als de specifiekere bepalingen van deze richtsnoeren kunnen betrekking hebben op ondernemingen die actief zijn in de bosbouwsector of in plattelandsgebieden. Voor zover van toepassing kan steun aan ondernemingen die in de bosbouwsector of in plattelandsgebieden actief zijn, ook worden geacht verenigbaar te zijn onder de voorwaarden en met inachtneming van de algemene staatssteunregels van de Unie (met name van de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020, de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie en de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020).

2.4.   Definities

(35)

In deze richtsnoeren wordt verstaan onder:

1.

„steun” of „steunmaatregel”: elke maatregel die aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet;

2.

„landbouwsector”: alle ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten;

3.

„landbouwproduct”: de in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten, met uitzondering van de visserij‐ en aquacultuurproducten die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (28);

4.

„steunregeling”: elk besluit op grond waarvan aan ondernemingen die in het besluit op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, en elk besluit op grond waarvan steun die niet aan een specifiek project is gebonden, voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan één of meer ondernemingen kan worden toegekend;

5.

„ultraperifere gebieden”: de in artikel 349, eerste alinea, van het Verdrag genoemde gebieden;

6.

„kleinere eilanden in de Egeïsche Zee”: de kleinere eilanden als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 229/2013 (29);

7.

„plattelandsontwikkelingsprogramma”: programma voor plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

8.

„landbouwactiviteit”: de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten;

9.

„bos”: een grondareaal van meer dan 0,5 hectare met bomen van meer dan 5 meter hoog en een bedekkingsgraad van meer dan 10 % of met bomen die deze drempels op de groeiplaats kunnen bereiken; land dat hoofdzakelijk voor agrarisch of stedelijk grondgebruik dient, valt hier niet onder. Een lidstaat of regio kan ervoor kiezen op basis van bestaande nationale wetgeving of een bestaand nationaal inventarisatiesysteem een andere definitie voor bos te hanteren. De lidstaten of regio's moeten die definitie vermelden in de aanmelding en, als het gaat om een plattelandsontwikkelingsmaatregel, in het plattelandsontwikkelingsprogramma;

10.

„primaire landbouwproductie”: de productie van in bijlage I bij het Verdrag vermelde producten van de bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van deze producten wijzigt;

11.

„verwerking van landbouwproducten”: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat nog steeds een landbouwproduct is, met uitzondering van activiteiten op het landbouwbedrijf die nodig zijn om een dierlijk of plantaardig product klaar te maken voor de eerste verkoop;

12.

„afzet van landbouwproducten”: het in voorraad hebben of uitstallen met het oog op het verkopen, te koop aanbieden, leveren of op enige andere wijze verhandelen, met uitzondering van de eerste verkoop door een primaire producent aan wederverkopers of verwerkingsbedrijven en alle activiteiten waarmee een product voor een dergelijke eerste verkoop wordt voorbereid; verkoop door een primaire producent aan eindverbruikers wordt als afzet van landbouwproducten beschouwd indien die verkoop plaatsvindt in daarvoor bestemde afzonderlijke lokalen;

13.

„kmo's” of „kleine, middelgrote en micro-ondernemingen”: ondernemingen die voldoen aan de criteria van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie (30);

14.

„grote ondernemingen”: ondernemingen die niet aan de aan de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 702/2014 vastgestelde criteria voldoen;

15.

„onderneming in moeilijkheden”: een onderneming waarbij zich ten minste een van de volgende omstandigheden voordoet:

(a)

in het geval van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat): wanneer meer dan de helft van haar geplaatste aandelenkapitaal door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Dit is het geval wanneer het in mindering brengen van de opgebouwde verliezen op de reserves (en alle andere elementen die doorgaans worden beschouwd als een onderdeel van het eigen vermogen van de onderneming), een negatief cumulatief bedrag oplevert dat groter is dan de helft van het geplaatste aandelenkapitaal. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „vennootschap met beperkte aansprakelijkheid” met name de rechtsvormen van ondernemingen bedoeld die zijn vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (31), en omvat „aandelenkapitaal” ook het eventuele agio;

(b)

in het geval van een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming (niet zijnde een kmo die minder dan drie jaar bestaat): wanneer meer dan de helft van het eigen vermogen, zoals in de jaarrekening van de vennootschap wordt vermeld, door de opgebouwde verliezen is verdwenen. Voor de toepassing van deze bepaling worden met „een onderneming waarin ten minste een aantal van de vennoten onbeperkt aansprakelijk is voor de schulden van de onderneming” met name de in bijlage II bij Richtlijn 2013/34/EU bedoelde rechtsvormen van ondernemingen bedoeld;

(c)

wanneer tegen de onderneming een collectieve insolventieprocedure loopt of de onderneming volgens het nationale recht aan de criteria voldoet om, op verzoek van haar schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

(d)

wanneer de onderneming reddingssteun heeft ontvangen en de lening nog niet heeft terugbetaald of de garantie nog niet heeft beëindigd, dan wel herstructureringssteun heeft ontvangen en nog steeds in een herstructureringsplan zit;

(e)

in het geval van een onderneming die geen kmo is: wanneer de afgelopen twee jaar:

(i)

de verhouding tussen het vreemd vermogen en het eigen vermogen van de onderneming, volgens de boekhouding van de onderneming, meer dan 7,5 bedroeg, en

(ii)

de op basis van de EBITDA bepaalde rentedekkingsgraad van de onderneming lager lag dan 1,0;

16.

„landbouwbedrijf”: een eenheid die grond, gebouwen en voorzieningen omvat die voor de primaire landbouwproductie worden gebruikt;

17.

„steunintensiteit”: het brutosteunbedrag, uitgedrukt als een percentage van de in aanmerking komende kosten, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

18.

„individuele steun”: ad-hocsteun en steun die aan individuele begunstigden wordt toegekend op grond van een steunregeling;

19.

„ad-hocsteun”: steun die niet op grond van een steunregeling wordt toegekend;

20.

„brutosubsidie-equivalent”: het bedrag van de steun indien die in de vorm van een subsidie aan de begunstigde was toegekend, vóór aftrek van belastingen of andere heffingen;

21.

„datum van de toekenning van de steun”: de datum waarop de wettelijke aanspraak om steun te ontvangen, krachtens de nationale wettelijke regeling aan de begunstigde wordt verleend;

22.

„producentengroepering en ‐organisatie”: een groepering of organisatie die is opgericht om:

(a)

de productie en de output van de producenten die lid zijn van die producentengroepering of ‐organisatie, aan te passen aan de markteisen, of

(b)

goederen gezamenlijk op de markt te brengen, met inbegrip van de voorbereiding voor de verkoop, de centralisatie van de verkoop en de levering aan bulkkopers, of

(c)

gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de verstrekking van informatie over de productie, en vooral over de oogst en de beschikbaarheid van producten, of

(d)

andere activiteiten die door producentengroeperingen of -organisaties kunnen worden verricht, uit te voeren, zoals de ontwikkeling van bedrijfsvoerings- en marketingvaardigheden en de organisatie en vergemakkelijking van innovatieprocessen;

23.

„terugbetaalbaar voorschot”: een lening voor een project die in één of meer tranches wordt betaald en waarbij de voorwaarden voor terugbetaling afhangen van de uitkomst van het project;

24.

„plantenplaag”: schadelijke organismen als omschreven in artikel 2, lid 1, onder e), van Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (32);

25.

„start van de werkzaamheden in het kader van het project of de activiteit”: afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt, hetzij de start van de activiteiten of de bouwwerkzaamheden met betrekking tot de investering, hetzij de eerste juridisch bindende toezegging om uitrusting te bestellen of een beroep op diensten te doen, hetzij een andere toezegging die het project of de activiteit onomkeerbaar maakt; de aankoop van gronden en voorbereidende werkzaamheden zoals het verkrijgen van vergunningen en de uitvoering van haalbaarheidsstudies worden niet als start van de werkzaamheden of activiteiten beschouwd. De aankoop van grond als bedoeld in punt (144)(a), tweede zin, punt (502)(a), tweede zin, en punt (635)(a), wordt, als de in aanmerking komende kosten van de aankoop van grond 100 % van de in aanmerking komende investeringskosten bedragen, beschouwd als de start van het project of de activiteit;

26.

„fiscale vervolgregeling”: een regeling in de vorm van belastingvoordelen die een gewijzigde versie is van een reeds bestaande regeling in de vorm van belastingvoordelen en die deze vervangt;

27.

„gestorven dieren”: dieren die op een landbouwbedrijf of bedrijfslocatie of tijdens transport zijn gedood door euthanasie met of zonder definitieve diagnose of die daar zijn gestorven, met inbegrip van doodgeboren en ongeboren dieren, maar niet voor menselijke consumptie zijn geslacht;

28.

„beschermd dier”: elk dier dat bij wetgeving van de Unie of nationale wetgeving beschermd is;

29.

„jonge landbouwer”: persoon die op de datum van indiening van de steunaanvraag niet ouder is dan 40 jaar, over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid beschikt en zich voor het eerst op een landbouwbedrijf vestigt als bedrijfshoofd van dat bedrijf;

30.

„groot investeringsproject”: een in hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren bedoelde investering in plattelandsgebieden waarbij de in aanmerking komende kosten meer dan 50 miljoen EUR bedragen, berekend in de prijzen en volgens de wisselkoersen die gelden op de datum van de toekenning van de steun;

31.

„bijgesteld steunbedrag”: het maximaal toelaatbare steunbedrag voor een groot investeringsproject berekend volgens de formule: maximaal steunbedrag = R × (50 + 0,50 × B + 0,34 × C), waarbij R de maximale steunintensiteit is die voor het betrokken gebied van toepassing is, onder uitsluiting van de verhoogde steunintensiteit voor kmo's, B het gedeelte van de in aanmerking komende kosten tussen 50 miljoen EUR en 100 miljoen EUR is, en C het gedeelte van de in aanmerking komende kosten boven 100 miljoen EUR is;

32.

„materiële activa”: activa bestaande uit gronden, gebouwen en installaties, machines en uitrusting;

33.

„immateriële activa”: fysiek of financieel niet-tastbare activa, zoals octrooien, licenties, knowhow of andere intellectuele-eigendomsrechten;

34.

„ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld”: ongunstige weersomstandigheden zoals vorst, storm, hagel, ijs, hevige of aanhoudende regen of ernstige droogte die leiden tot een verlies van meer dan 30 % van de gemiddelde productie, berekend op basis van de productie van de voorafgaande drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de voorafgaande vijf jaren, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend;

35.

„andere ongunstige weersomstandigheden”: ongunstige weersomstandigheden die niet voldoen aan de voorwaarden van punt (35)34 van deze richtsnoeren;

36.

„milieuongeval”: een specifiek voorval van verontreiniging, besmetting of degradatie van de kwaliteit van het milieu als gevolg van een specifieke gebeurtenis, welk voorval een beperkte geografische uitwerking heeft en meer dan 30 % vernietigt van de gemiddelde jaarproductie van de in de landbouwsector actieve onderneming, berekend op basis van de productie van de voorafgaande drie jaar of de gemiddelde productie van drie van de voorafgaande vijf jaren, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend. Algemene milieurisico's die niet het gevolg zijn van een specifieke gebeurtenis, zoals die welke met klimaatverandering of atmosferische verontreiniging samenhangen, zijn geen „milieuongeval”;

37.

„rampzalige gebeurtenis”: een door menselijke activiteit veroorzaakte onvoorziene gebeurtenis van biotische of abiotische aard die tot belangrijke verstoringen van de bosstructuren leidt, en uiteindelijk belangrijke economische schade aan de bosbouwsector veroorzaakt;

38.

„Unienorm”: verplichte, in de wetgeving van de Unie vastgestelde norm die het niveau aangeeft dat de individuele ondernemingen moeten halen, met name wat milieu, hygiëne en dierenwelzijn betreft; bijgevolg worden op Unieniveau vastgestelde normen of doelstellingen die bindend zijn voor de lidstaten, maar niet voor individuele ondernemingen, geacht geen Unienormen te zijn;

39.

„niet-productieve investering”: investering die niet leidt tot een aanzienlijke stijging van de waarde of de rentabiliteit van het bedrijf;

40.

„investeringen om aan een Unienorm te voldoen”: investeringen die worden gedaan om na het verstrijken van de in de wetgeving van de Unie vastgestelde overgangsperiode aan een Unienorm te voldoen;

41.

„advies”: de volledige advisering in het kader van een en hetzelfde contract;

42.

„stamboek” : elk boek, register, kaartsysteem of elke informatiedrager:

(a)

bijgehouden door een organisatie of vereniging van veefokkers die officieel is erkend in de lidstaat waarin deze organisatie of vereniging van veefokkers is opgericht, en

(b)

waarin raszuivere dieren van een bepaald ras met vermelding van hun voorgeslacht worden ingeschreven of geregistreerd;

43.

„actieve landbouwer”: een actieve landbouwer in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

44.

„minder ontwikkelde regio's”: regio's waarvan het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking minder dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt;

45.

„EU- 25”: de 25 lidstaten van de Unie die in mei 2005 lidstaat van de Unie waren;

46.

„EU- 27”: de 27 lidstaten van de Unie die in januari 2007 lidstaat van de Unie waren;

47.

„kapitaalwerken”: werkzaamheden die door de landbouwer zelf of door zijn werknemers worden uitgevoerd en activa creëren;

48.

„kleinschalige infrastructuur”: infrastructuur waarvan de in aanmerking komende kosten niet meer bedragen dan 2 miljoen EUR;

49.

„biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen”: biobrandstoffen die zijn geproduceerd uit granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliehoudende gewassen als omschreven in het voorstel van de Commissie voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 98/70/EG betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van Richtlijn 2009/28/EG ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (33);

50.

„landbouwareaal” : alle grond die wordt gebruikt als bouwland, als blijvend grasland en blijvend weiland of voor blijvende teelten als omschreven in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

51.

„andere grondbeheerder”: een onderneming die grond beheert, maar geen onderneming is die actief is in de landbouwsector;

52.

„transactiekosten”: extra kosten die verband houden met het nakomen van een verbintenis, maar niet rechtstreeks kunnen worden toegeschreven aan de uitvoering van die verbintenis, noch vervat zijn in de kosten of gederfde inkomsten die rechtstreeks worden gecompenseerd en die op basis van standaardkosten berekend kunnen worden;

53.

met het oog op de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw en de bosbouw:

(a)

„instandhouding in situ” in de landbouw: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten of wilde rassen in hun natuurlijke omgeving en, in het geval van gedomesticeerde dierenrassen of gekweekte plantensoorten, in het agrarische milieu waar zij hun onderscheidende kenmerken hebben ontwikkeld,

(b)

„instandhouding in situ” in de bosbouw: de instandhouding van genetisch materiaal in ecosystemen en natuurlijke habitats en het behoud en herstel van levensvatbare populaties van soorten in hun natuurlijke omgeving,

(c)

„instandhouding op het landbouw- of bosbouwbedrijf”: instandhouding in situ en ontwikkeling op het niveau van het landbouw- of bosbouwbedrijf,

(d)

„instandhouding ex situ”: de instandhouding van genetisch materiaal voor de landbouw of de bosbouw buiten de natuurlijke habitat,

(e)

„verzameling ex situ”: een verzameling van genetisch materiaal voor de landbouw of de bosbouw die buiten de natuurlijke habitat ervan wordt onderhouden;

54.

„levensmiddelen”: levensmiddelen die geen landbouwproducten zijn en die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad (34);

55.

„vaste kosten die voortvloeien uit de deelname aan kwaliteitsregelingen”: de kosten die worden gemaakt om tot een kwaliteitsregeling waarvoor steun wordt verleend, toe te treden en de jaarlijkse bijdrage voor deelname aan die kwaliteitsregeling, inclusief, in voorkomend geval, de kosten van de controles die nodig zijn om te verifiëren of het productdossier wordt nageleefd;

56.

„korte voorzieningsketen”: een voorzieningsketen bestaande uit een beperkt aantal marktdeelnemers die streven naar samenwerking, plaatselijke economische ontwikkeling en nauwe geografische en sociale betrekkingen tussen producenten, verwerkers en consumenten;

57.

„lid van een landbouwhuishouden”: een natuurlijke of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke of rechtspersonen, ongeacht de rechtspositie van de groep en haar leden volgens het nationale recht, uitgezonderd werknemers in de landbouw. Wanneer een rechtspersoon dan wel een groep rechtspersonen als een lid van het landbouwhuishouden wordt beschouwd, moet dit lid op het tijdstip van de steunaanvraag een landbouwactiviteit op het landbouwbedrijf uitoefenen;

58.

„cluster”: groepering van onafhankelijke ondernemingen - waaronder starters, kleine, middelgrote en grote ondernemingen, alsmede adviesorganen en/of onderzoeksorganisaties - die tot doel hebben economische/innovatieve activiteiten te stimuleren door intensieve interactie te bevorderen, faciliteiten te delen en kennis en deskundigheid uit te wisselen, alsook daadwerkelijk bij te dragen aan kennisoverdracht, netwerking en informatieverspreiding tussen de ondernemingen binnen het cluster;

59.

„kleine marktdeelnemer”: een micro-onderneming als omschreven in Aanbeveling 2003/361 van de Commissie (35) of een natuurlijke persoon die op het tijdstip waarop hij de steunaanvraag indient, geen economische activiteit uitoefent;

60.

„lokale markten”:

(a)

markten die zich, ten opzichte van het landbouwbedrijf van oorsprong van het product, bevinden op een afstand van ten hoogste 75 kilometer, waarbinnen de activiteiten van de verwerking en de verkoop aan de eindverbruiker moeten plaatsvinden, of

(b)

markten waarvoor in het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma een afstand in kilometer ten opzichte van het landbouwbedrijf van oorsprong van het product is bepaald, waarbinnen de activiteiten van de verwerking en de verkoop aan de eindverbruiker moeten plaatsvinden, of

(c)

markten waarvoor in het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma een overtuigende alternatieve definitie is vastgesteld;

61.

„kosten van TSE- en BSE-tests (TSE = overdraagbare spongiforme encefalopathie; BSE = boviene spongiforme encefalopathie)”: alle kosten, met inbegrip van die van testkits en van het nemen, vervoeren, testen, opslaan en vernietigen van monsters, die noodzakelijk zijn voor bemonstering en laboratoriumonderzoek overeenkomstig hoofdstuk C van bijlage X bij Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad (36);

62.

„organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding”: een entiteit (zoals universiteiten of onderzoeksinstellingen, agentschappen voor technologieoverdracht, innovatie-intermediairs, entiteiten voor fysieke en/of virtuele onderzoeksgerichte samenwerking), ongeacht haar rechtsvorm (publiek- of privaatrechtelijke organisatie) of financieringswijze, die zich in hoofdzaak bezighoudt met het onafhankelijk verrichten van fundamenteel onderzoek, industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, als omschreven in de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie, of met het breed verspreiden van de resultaten van die activiteiten door middel van onderwijs, publicaties of kennisoverdracht. Wanneer dit soort entiteit ook economische activiteiten uitoefent, moet met betrekking tot de financiering van, de kosten van en de inkomsten uit die economische activiteiten een gescheiden boekhouding worden gevoerd. Ondernemingen die invloed over dit soort entiteit kunnen uitoefenen in hun hoedanigheid van bijvoorbeeld aandeelhouders of leden, mogen geen preferente toegang tot de onderzoekscapaciteit van deze entiteit of tot de door haar verkregen resultaten genieten;

63.

„arm's length”: de voorwaarden van de transactie tussen de contractpartijen wijken niet af van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen en behelzen geen enkele vorm van heimelijke verstandhouding. Iedere transactie die voortvloeit uit een open, transparante en onvoorwaardelijke procedure wordt geacht te voldoen aan het arm's length-beginsel;

64.

„duurzaam bosbeheer”: het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht;

65.

„boslandbouwsystemen”: systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond;

66.

„snelgroeiende bomen”: bos met korte omlooptijd waarvoor de minimumperiode voordat de bomen mogen worden geveld, minstens acht jaar bedraagt en de maximumperiode voordat de bomen mogen worden geveld, ten hoogste 20 jaar bedraagt;

67.

„bomen voor hakhout met korte omlooptijd”: door de lidstaten te bepalen boomsoorten van GN-code 0602 90 41, bestaande uit meerjarige houtgewassen waarvan de wortelstokken of stronken na de oogst in de grond blijven en die in het daaropvolgende seizoen nieuwe scheuten vormen en waarvan de maximale omlooptijd door de lidstaten wordt vastgesteld, als bepaald in artikel 4, lid 1, onder k), van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

68.

„dunbevolkte gebieden”: gebieden die door de Commissie als dusdanig zijn erkend in de individuele besluiten betreffende regionalesteunkaarten voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020;

69.

„a-gebieden”: gebieden die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 op een goedgekeurde regionalesteunkaart zijn aangewezen met het oog op de toepassing van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag;

70.

„c-gebieden”: gebieden die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 op een goedgekeurde regionalesteunkaart zijn aangewezen met het oog op de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag;

71.

„NUTS 3-regio”: een regio die is afgebakend op niveau 3 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (37);

72.

„niet vooraf vastliggende c-gebieden”: gebieden die een lidstaat naar eigen inzicht als c-gebied aanwijst, op voorwaarde dat de lidstaat aantoont dat die gebieden voldoen aan bepaalde sociaaleconomische criteria en dat die gebieden voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 op een goedgekeurde regionalesteunkaart zijn aangewezen met het oog op de toepassing van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag;

73.

„voormalige a-gebieden”: gebieden die voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2014 op een goedgekeurde regionalesteunkaart als a-gebied waren aangewezen;

74.

„regionalesteunkaart”: de lijst met gebieden die een lidstaat heeft aangewezen overeenkomstig de in de richtsnoeren inzake regionale staatssteun voor 2014-2020 vastgestelde voorwaarden en die door de Commissie is goedgekeurd;

75.

„verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten”: elke bewerking van een landbouwproduct die een product oplevert dat geen landbouwproduct meer is;

76.

„evaluatieontwerp”: een document dat ten minste de volgende elementen bevat: de doelstellingen van de te evalueren steunregeling; de evaluatievragen; de resultaatindicatoren; de bij het uitvoeren van de evaluatie te hanteren methodiek; de vereisten inzake gegevensverzameling; het voor de evaluatie geplande tijdschema, met onder meer de datum voor het indienen van het eindevaluatierapport; de beschrijving van de onafhankelijke instantie die de evaluatie uitvoert of de criteria die voor de selectie van die instantie zullen worden gebruikt, en de wijze waarop die evaluatie zal worden bekendgemaakt.

2.5.   Aan te melden steun

(36)

Als de voorwaarden van artikel 107, lid 1, van het Verdrag vervuld zijn, moeten de lidstaten steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden bij de Commissie aanmelden krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag en mogen zij de voorgestelde maatregel niet ten uitvoer leggen voordat in het kader van deze procedure een definitief besluit is genomen; dit geldt evenwel niet voor maatregelen die voldoen aan de voorwaarden van de groepsvrijstellingsverordening.

(37)

Voor individuele steun die wordt toegekend op grond van een steunregeling, blijft de aanmeldingsverplichting op grond van artikel 108, lid 3, van het Verdrag gelden als de steun de volgende aanmeldingsdrempels overschrijdt:

(a)

voor individuele investeringssteun voor de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten in het kader van afdeling 1.1.1.4 van deel II van deze richtsnoeren: in aanmerking komende kosten van meer dan 25 miljoen EUR of wanneer het brutosubsidie-equivalent hoger is dan 12 miljoen EUR;

(b)

voor steun voor afzetbevorderingscampagnes in het kader van afdeling 1.3.2. van deel II van deze richtsnoeren: afzetbevorderingscampagnes met een jaarbudget van meer dan 5 miljoen EUR;

(c)

voor individuele investeringssteun die wordt toegekend in het kader van de afdelingen 3.1, 3.2, 3.6 en 3.10 van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren:

Steunintensiteit

Aanmeldingsdrempel

10 %

7,5 miljoen EUR

15 %

11,25 miljoen EUR

25 %

18,75 miljoen EUR

35 %

26,25 miljoen EUR

50 % en meer

37,5 miljoen EUR

Hoofdstuk 3. Gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen

(38)

Om te kunnen beoordelen of een aangemelde steunmaatregel kan worden aangemerkt als verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, gaat de Commissie in de regel na of de steunmaatregel zo is opgezet dat de positieve effecten van de steun voor het behalen van een doelstelling van gemeenschappelijk belang opwegen tegen de mogelijke negatieve effecten ervan op het handelsverkeer en de mededinging.

(39)

In de mededeling over de modernisering van het staatssteunbeleid is ervoor gepleit om gemeenschappelijke beginselen uit te werken en vast te stellen voor alle beoordelingen van de verenigbaarheid van steunmaatregelen die de Commissie uitvoert. Met het oog daarop zal de Commissie een steunmaatregel alleen als verenigbaar met het Verdrag beschouwen als die aan elk van de volgende criteria voldoet:

(a)

bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang: een staatssteunmaatregel moet gericht zijn op een doelstelling van gemeenschappelijk belang overeenkomstig artikel 107, lid 3, van het Verdrag;

(b)

noodzaak van overheidsmaatregelen: een staatssteunmaatregel moet gericht zijn op situaties waar de steun, door een oplossing te bieden voor een welomschreven marktfalen, voor een wezenlijke verbetering kan zorgen die de markt zelf niet tot stand kan brengen;

(c)

de steunmaatregel is een geschikt instrument: de voorgenomen steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de doelstelling van gemeenschappelijk belang te helpen bereiken;

(d)

stimulerend effect: de steun moet het gedrag van de betrokken ondernemingen zodanig veranderen dat zij extra activiteiten ondernemen die zij zonder de steun niet, dan wel in beperktere mate of op een andere wijze zouden uitvoeren;

(e)

evenredigheid van de steun (steun beperkt tot het vereiste minimum): het steunbedrag moet beperkt blijven tot het minimum dat nodig is om aan te zetten tot de activiteit in de betrokken sector;

(f)

vermijden van ongewenste grote negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer tussen lidstaten: de negatieve effecten van de steun moeten voldoende beperkt zijn, zodat de maatregel per saldo positief is;

(g)

transparantie van de steun: de lidstaten, de Commissie, de marktdeelnemers en het publiek moeten gemakkelijk toegang kunnen krijgen tot alle desbetreffende besluiten en relevante informatie over de op grond van die besluiten verleende steun.

(40)

De volledige afwegingstoets kan voor bepaalde categorieën steunregelingen verder afhankelijk worden gesteld van de eis dat een evaluatie achteraf wordt uitgevoerd, zoals beschreven in de punten (720) en (723). In dergelijke gevallen kan de Commissie de looptijd van die regelingen beperken (in de regel tot vier jaar of minder), met de mogelijkheid om nadien verlenging daarvan aan te melden.

(41)

Bovendien kan, als een staatssteunmaatregel of de daaraan verbonden voorwaarden (met inbegrip van de financieringswijze wanneer die een integrerend onderdeel van de maatregel vormt) leiden tot een daaraan onlosmakelijk verbonden schending van het Unierecht, de steun niet als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt (38). Met name wordt de volgende steun geacht tot een daaraan onlosmakelijk verbonden schending van het EU-recht te leiden:

(a)

steun waarbij aan de begunstigde de verplichting wordt opgelegd om zijn hoofdkantoor in de betrokken lidstaat te hebben of om voornamelijk in die lidstaat te zijn gevestigd;

(b)

steun waarbij aan de begunstigde de verplichting wordt opgelegd om binnenlands geproduceerde goederen of binnenlandse diensten te gebruiken;

(c)

steun die beperkingen stelt aan de mogelijkheden van de begunstigden om de resultaten van onderzoek, ontwikkeling en innovatie in andere lidstaten te exploiteren.

(42)

De gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen moeten in de specifieke context van het GLB worden gezien. Deze algemene overwegingen in het kader van het mededingingsbeleid gelden voor alle steun op grond van deze richtsnoeren, tenzij in de afdelingen 3.1. tot en met 3.7 van deel I van deze richtsnoeren afwijkingen zijn vastgesteld wegens specifieke, voor de landbouwsector geldende overwegingen.

3.1.   Bijdrage aan een gemeenschappelijke doelstelling

(43)

Steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden moet tot doel hebben voor een rendabele voedselproductie te zorgen en een efficiënt en duurzaam gebruik van de hulpbronnen te bevorderen om tot intelligente en duurzame groei te komen.

(44)

De steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden moet nauw op het GLB aansluiten, in overeenstemming zijn met de in punt (10) van deze richtsnoeren bedoelde doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling en verenigbaar zijn met de voorschriften van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten.

Doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling

(45)

Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun wordt rekening gehouden met de doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling, in samenhang met de algemene staatssteunbeginselen.

(46)

De Commissie is van mening dat maatregelen die ten uitvoer worden gelegd op grond van en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1305/2013 en de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen daarbij of de vorm aannemen van aanvullende nationale financiering in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma, vanzelf met de doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling in overeenstemming zijn en daartoe bijdragen.

(47)

Met betrekking tot op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende maatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd, moeten de lidstaten, met het oog op coherentie met de plattelandsontwikkelingsmaatregelen die in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma's uit het ELFPO worden gecofinancierd, aantonen hoe de voorgenomen staatssteun past in en strookt met de desbetreffende plattelandsontwikkelingsprogramma's. Elke aanmelding moet van dergelijke documentatie vergezeld gaan.

(48)

De Commissie is van mening dat aan het beginsel van de bijdrage aan de doelstellingen inzake plattelandsontwikkeling wordt voldaan voor de steunmaatregelen van de afdelingen 1.2, 1.3, 2.8 en 2.9 van deel II van deze richtsnoeren, die buiten de werkingssfeer van de plattelandsontwikkeling vallen; de Commissie heeft immers voldoende ervaring opgedaan wat de bijdrage van deze maatregelen tot de plattelandsontwikkelingsdoelstellingen betreft.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aan te melden steun op grond van een regeling

(49)

Wanneer steun wordt toegekend voor individueel aan te melden investeringsprojecten op grond van een regeling, moet de steunverlenende autoriteit aantonen dat het geselecteerde project zal bijdragen aan de doelstelling van de regeling en dus aan de doelstellingen van in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden verleende steun. Daarvoor kunnen de lidstaten zich baseren op de door de steunaanvrager verstrekte informatie, die onder meer een beschrijving van de positieve effecten van de investering moet bevatten.

De regels van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten

(50)

Hoewel de staatssteunregels doorgaans van toepassing zijn op de landbouwsector, blijft de toepassing ervan, wegens de specificiteit van deze sector (39), onderworpen aan de verordeningen van de eerste pijler van het GLB. Met andere woorden, de staatssteunmaatregelen die een lidstaat neemt, kunnen niet prevaleren boven Verordening (EU) nr. 1308/2013 (40). Daarom zal de Commissie geen staatssteun goedkeuren die onverenigbaar is met de bepalingen betreffende de gemeenschappelijke marktordening of die een belemmering voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordening zou vormen.

(51)

Voorts worden specifieke voorwaarden inzake de inachtneming van de beginselen van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten uiteengezet in deel II van deze richtsnoeren, namelijk in afdeling 1.1.1.1 inzake steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven, afdeling 1.1.4 inzake aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties en afdeling 1.2.2. inzake steun voor de sluiting van productiecapaciteit.

Milieudoelstellingen

(52)

In artikel 11 van het Verdrag is het volgende bepaald: „De eisen inzake milieubescherming moeten worden geïntegreerd in de omschrijving en uitvoering van het beleid en het optreden van de Unie, in het bijzonder met het oog op het bevorderen van duurzame ontwikkeling.” De rechtsgrondslag voor de niet-onaanzienlijke milieumaatregelen in de eerste en de tweede pijler van het GLB is artikel 11 van het Verdrag. Overeenkomstig deze eis moeten de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling worden nagestreefd in het kader van de duurzame ontwikkeling. Bij het bevorderen van het doel van de milieubescherming als uiteengezet in artikel 11 van het Verdrag, houdt de Unie ook rekening met het beginsel dat de vervuiler betaalt (41). Daarom moet in toekomstige aanmeldingen van staatssteun bijzondere aandacht worden besteed aan de milieuaspecten. Alle aanmeldingen van staatssteun moeten in de toekomst een beoordeling bevatten waarin wordt aangegeven of de gesteunde activiteit naar verwachting gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Als er gevolgen voor het milieu zijn, moet in de aanmelding van de staatssteun informatie worden verstrekt waaruit blijkt dat de steunmaatregel niet tot een inbreuk op de toepasselijke milieubeschermingswetgeving van de Unie zal leiden. Zo moet bij steunregelingen voor investeringen die bedoeld zijn om de productie op te voeren en die het gebruik van schaarse hulpbronnen of de vervuiling doen toenemen, worden aangetoond dat deze regelingen niet leiden tot een inbreuk op de toepasselijke Uniewetgeving, waaronder de milieubeschermingswetgeving (42) en de goede landbouw- en milieuconditie (GLMC) in het kader van de randvoorwaardenregeling van Verordening (EU) nr. 1307/2013. Als staatssteun wordt aangemeld die deel uitmaakt van het plattelandsontwikkelingsprogramma, moet de milieuvereiste voor een dergelijke staatssteunmaatregel gelijk zijn aan de milieuvereiste van de plattelandsontwikkelingsmaatregel.

3.2.   Noodzaak van overheidsmaatregelen

(53)

Om te kunnen beoordelen of staatssteun noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling van gemeenschappelijk belang, is het nodig om eerst een diagnose te stellen van het aan te pakken probleem. Staatssteun moet gericht zijn op situaties waar die steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt op eigen kracht niet tot stand kan brengen.

(54)

Staatssteunmaatregelen kunnen immers, onder bepaalde voorwaarden, marktfalen corrigeren en zodoende bijdragen tot het doelmatige functioneren van de markten en het versterken van het concurrentievermogen. Voorts kan staatssteun, wanneer de markten doeltreffende resultaten opleveren die echter uit het oogpunt van rechtvaardigheid of cohesie onbevredigend worden geacht, worden gebruikt om tot meer gewenste en rechtvaardiger marktuitkomsten te komen.

(55)

Voor de toepassing van deze richtsnoeren is de Commissie van mening dat de markt in het geval van steunmaatregelen die aan de specifieke voorwaarden van deel II van deze richtsnoeren voldoen, de verwachte doelstellingen niet zonder overheidsmaatregelen verwezenlijkt. Daarom moet dergelijke steun worden geacht noodzakelijk te zijn voor het bereiken van de doelstellingen van gemeenschappelijk belang die in afdeling 3.1 van deel I van deze richtsnoeren zijn omschreven.

3.3.   Geschiktheid van de steun

(56)

De voorgestelde steunmaatregel moet een geschikt beleidsinstrument zijn om de betrokken beleidsdoelstelling te helpen bereiken. Een steunmaatregel wordt als onverenigbaar beschouwd als dezelfde positieve bijdrage aan de doelstellingen van het GLB en met name van de plattelandsontwikkeling met andere, minder verstorende beleidsinstrumenten of andere, minder verstorende soorten steun kan worden geleverd. Het is van belang voor ogen te houden dat er voor de verwezenlijking van deze doelstellingen andere, meer geschikte instrumenten kunnen zijn, zoals regulering, marktgebaseerde instrumenten, infrastructuurontwikkeling en verbeteringen in het ondernemingsklimaat.

Een geschikt instrument in vergelijking met mogelijke andere beleidsinstrumenten

(57)

De Commissie beschouwt steun die in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden wordt verleend en aan de specifieke voorwaarden van de desbetreffende afdelingen van deel II van deze richtsnoeren voldoet, als een geschikt beleidsinstrument.

(58)

Wanneer een lidstaat besluit een op een plattelandsontwikkelingsmaatregel lijkende steunmaatregel op te zetten die uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd, terwijl diezelfde maatregel ook in het desbetreffende plattelandsontwikkelingsprogramma voorkomt, moet de lidstaat aantonen dat een dergelijk nationaal steuninstrument voordelen oplevert ten opzichte van de betrokken maatregel in het plattelandsontwikkelingsprogramma.

Een geschikt instrument in vergelijking met andere steuninstrumenten

(59)

De steun kan in verschillende vormen worden toegekend. De lidstaat moet er evenwel voor zorgen dat de steun wordt toegekend in de vorm die naar verwachting het minste risico op verstoringen van het handelsverkeer en van de mededinging oplevert.

(60)

Als voor een steunmaatregel een specifieke vorm is vastgelegd als omschreven in deel II van deze richtsnoeren, wordt die vorm beschouwd als een geschikt steuninstrument voor de toepassing van deze richtsnoeren.

(61)

Met betrekking tot plattelandsontwikkelingsmaatregelen die uit het ELFPO worden gecofinancierd of de vorm aannemen van aanvullende financiering bij dergelijke gecofinancierde plattelandsontwikkelingsmaatregelen, is de Commissie voorts van oordeel dat steun die wordt toegekend in de vorm waarin de betrokken plattelandsontwikkelingsmaatregel voorziet, een geschikt steuninstrument is.

(62)

Met betrekking tot investeringssteun die niet onder Verordening (EU) nr. 1305/2013 valt als onderdeel van het plattelandsontwikkelingsprogramma of als aanvullende financiering bij een dergelijke plattelandsmaatregel, moet de lidstaat, als de steun wordt toegekend in een vorm die een direct financieel voordeel oplevert (bijv. rechtstreekse subsidies, vrijstellingen of verlagingen van belastingen, socialezekerheidsbijdragen of andere verplichte bijdragen enz.), aantonen waarom andere, potentieel minder verstorende vormen van steun zoals terugbetaalbare voorschotten of vormen van steun die gebaseerd zijn op schuld- of vermogensinstrumenten (bijv. leningen tegen verlaagde rente of met rentesubsidie, overheidsgaranties of een andere vorm van kapitaalverschaffing tegen gunstige voorwaarden), minder geschikt zijn.

(63)

Met betrekking tot de bosbouwmaatregelen van afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren moeten de lidstaten aantonen dat de hiermee beoogde milieu‐, beschermings‐en recreatiedoelstellingen niet kunnen worden bereikt met op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende bosbouwmaatregelen van de hoofdstukken 2.1 tot en met 2.7 van deel II van deze richtsnoeren.

(64)

Bij tal van steuncategorieën, zoals steun voor de financiering van kosten van marktonderzoek en productontwerp en ‐design en steun voor de opstelling van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen, steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting, steun voor adviesdiensten, steun voor bedrijfsvervangingsdiensten in de landbouw, steun voor afzetbevorderingsmaatregelen, steun ter compensatie van de kosten van de preventie en uitroeiing van dierziekten en plantenplagen en steun voor de sector dierlijke productie, moet de steun in natura, via gesubsidieerde diensten, onrechtstreeks aan de eindbegunstigden van de steun worden verleend. In deze gevallen wordt de steun betaald aan de aanbieder van de betrokken dienst of activiteit.

(65)

Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel met de interne markt wordt ook rekening gehouden met de toepasselijke voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten en de beginselen van transparantie, openheid en non-discriminatie bij de selectie van een dienstverlener.

3.4.   Stimulerend effect en noodzaak van de steun

(66)

Steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden kan alleen als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt als hij een stimulerend effect heeft. Een stimulerend effect doet zich voor wanneer de steun het gedrag van de onderneming zodanig verandert dat zij extra activiteiten onderneemt die aan de ontwikkeling van de sector bijdragen en die zij zonder de steun niet, of slechts in beperktere mate of op een andere wijze zou hebben uitgevoerd. De steun mag evenwel niet de kosten subsidiëren van een activiteit die een onderneming sowieso zou hebben verricht, en mag evenmin het normale bedrijfsrisico van een economische activiteit compenseren.

(67)

Tenzij de Uniewetgeving of deze richtsnoeren uitdrukkelijk in uitzonderingen voorzien, wordt eenzijdige staatssteun die louter bedoeld is om de financiële situatie van ondernemingen te verbeteren, maar op geen enkele wijze tot de ontwikkeling van de sector bijdraagt, en vooral steun die uitsluitend op basis van prijzen, hoeveelheden, productie-eenheden of eenheden van productiemiddelen wordt toegekend, als exploitatiesteun beschouwd, die onverenigbaar is met de interne markt. Voorts heeft dit soort steun, door de aard ervan, waarschijnlijk een verstorend effect op de mechanismen van de gemeenschappelijke marktordening.

(68)

Om diezelfde redenen heeft de Commissie besloten steun die de naleving van verplichte normen vergemakkelijkt, slechts goed te keuren voor zover aan de doelstellingen van het plattelandsontwikkelingsbeleid wordt voldaan.

(69)

Nog om die redenen moet steun die in het kader van de afdelingen 1.2 en 2.8.5 van deel II van deze richtsnoeren wordt verleend, worden beperkt tot het helpen van ondernemingen die in de landbouw- en de bosbouwsector actief zijn en ondanks hun redelijke inspanningen om die risico’s zo veel mogelijk te beperken, tal van moeilijkheden ondervinden. Staatssteun mag er niet toe leiden dat de ondernemingen onnodige risico’s nemen. Ondernemingen die actief zijn in de landbouw- en de bosbouwsector, moeten zelf de gevolgen dragen van onvoorzichtige keuzen met betrekking tot productiemethoden of producten.

(70)

Om diezelfde redenen is de Commissie van oordeel dat de steun voor de begunstigde geen stimulerend effect heeft wanneer het betrokken project of de betrokken activiteit reeds is gestart voordat de begunstigde zijn steunaanvraag bij de nationale autoriteiten heeft ingediend.

(71)

De steunaanvraag moet ten minste het volgende bevatten: de naam van de aanvrager en de grootte van de onderneming, een beschrijving van het project of de activiteit, met vermelding van de locatie en de start- en einddatum, het steunbedrag dat nodig is om het project of de activiteit uit te voeren en de in aanmerking komende kosten.

(72)

Bovendien moeten grote ondernemingen in de aanvraag de situatie beschrijven als er geen steun zou worden verleend (deze situatie moet worden aangeduid als het contrafeitelijke scenario, het alternatieve project of de alternatieve activiteit) en moeten zij bewijsstukken voorleggen om het in de aanvraag beschreven contrafeitelijke scenario te staven.

(73)

Wanneer de steunverlenende autoriteit een aanvraag ontvangt, moet zij het contrafeitelijke scenario op zijn geloofwaardigheid toetsen en bevestigen dat de steun het vereiste stimulerende effect heeft. Een contrafeitelijk scenario is geloofwaardig als het reëel is en verband houdt met factoren die meespeelden in de besluitvorming op het tijdstip waarop de begunstigde het besluit nam ten aanzien van het betrokken project of de betrokken activiteit.

(74)

In afwijking van de punten (70) tot en met (73) wordt steun in de vorm van aan kmo's verleende belastingvoordelen geacht een stimulerend effect te hebben als in het kader van de steunregeling recht op steun wordt verleend op basis van objectieve criteria en zonder verdere uitoefening van discretionaire bevoegdheden door de lidstaat en als de steunregeling is goedgekeurd en in werking is getreden voordat de werkzaamheden in het kader van het gesteunde project of de gesteunde activiteit van start zijn gegaan. Deze laatste vereiste geldt niet in het geval van fiscale vervolgregelingen voor zover de activiteit al onder voorafgaande regelingen in de vorm van belastingvoordelen viel.

(75)

In afwijking van de punten (70) tot en met (74) hoeven de volgende in deze richtsnoeren opgenomen steuncategorieën geen stimulerend effect te hebben of worden zij geacht een stimulerend effect te hebben:

(a)

steunregelingen voor ruilverkaveling overeenkomstig afdeling 1.3.4 en afdeling 2.9.2 en steunregelingen met milieu-, beschermings- en recreatiedoelstellingen overeenkomstig afdeling 2.8 van deel II voor zover:

(i)

de steunregeling overeenkomstig objectieve criteria recht geeft op steun zonder dat de lidstaat nog een beoordelingsbevoegdheid uitoefent,

(ii)

de steunregeling goedgekeurd is en in werking is getreden voordat de begunstigde de in aanmerking komende kosten in het kader van de afdelingen 1.3.4, 2.9.2 en 2.8 heeft gemaakt, en

(iii)

de steunregeling uitsluitend betrekking heeft op kmo’s;

(b)

aan kmo's verleende steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en de kaderrichtlijn water overeenkomstig afdeling 1.1.6 van deel II;

(c)

steun voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen overeenkomstig afdeling 1.1.7 van deel II;

(d)

steun voor het herstel van door natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen veroorzaakte schade overeenkomstig afdeling 1.2.1.1 van deel II;

(e)

steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, overeenkomstig afdeling 1.2.1.2 van deel II;

(f)

steun voor de kosten van de uitroeiing van dierziekten en plantenplagen en van verliezen als gevolg van die dierziekten of plantenplagen overeenkomstig afdeling 1.2.1.3 van deel II;

(g)

steun om de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren te dekken overeenkomstig afdeling 1.2.1.4 van deel II;

(h)

steun ter vergoeding van door beschermde dieren aangerichte schade overeenkomstig afdeling 1.2.1.5 van deel II;

(i)

steun voor het herstel van schade in bossen die is aangericht door onder de wetgeving vallende dieren overeenkomstig afdeling 2.8.5 van deel II;

(j)

investeringssteun voor de naleving van normen overeenkomstig punt (148), onder a) en b);

(k)

investeringssteun die voor de naleving van normen aan kmo's wordt verleend overeenkomstig punt (148), onder c); investeringssteun die voor de naleving van normen aan grote ondernemingen wordt verleend overeenkomstig punt (148), onder c), kan worden geacht een stimulerend effect te hebben als de betrokken onderneming kan aantonen dat zij zonder die steun het risico loopt te moeten sluiten;

(l)

steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven overeenkomstig afdeling 1.1.1.2 van deel II, met uitzondering van individuele steun die meer bedraagt dan 500 000 EUR per onderneming per investeringsproject;

(m)

steun voor afzetbevorderingsmaatregelen overeenkomstig punt (464), onder b) en c), en voor afzetbevorderingscampagnes die algemeen van aard zijn, overeenkomstig punt (464)(d);

(n)

steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouw- en de bosbouwsector overeenkomstig de afdelingen 1.3.6 en 2.9.1. van deel II;

(o)

steun voor het onderhoud, het herstel en de opwaardering van het culturele en natuurlijke erfgoed van dorpen, rurale landschappen en locaties met hoge natuurwaarde overeenkomstig punt (644), onder e); deze afwijking geldt niet voor investeringssteun die met het natuurlijke en culturele erfgoed van dorpen, rurale landschappen en locaties met hoge natuurwaarde verband houdt en hoger is dan de aanmeldingsdrempels die zijn vastgesteld in punt (37), onder c);

(p)

steun voor het opstellen en bijwerken van plannen voor de ontwikkeling van gemeenten en dorpen in plattelandsgebieden en hun basisdiensten, alsmede van beschermings- en beheersplannen voor Natura 2000-gebieden en andere gebieden met hoge natuurwaarde overeenkomstig punt (644), onder a);

(q)

steun voor het herstel van schade aan bossen als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, dierziekten, rampzalige gebeurtenissen en aan de klimaatverandering gerelateerde gebeurtenissen overeenkomstig afdeling 2.1.3 van deel II.

Bijkomende voorwaarden voor individueel aan te melden investeringssteun

(76)

Voor individueel aan te melden investeringssteun moet de lidstaat niet alleen aan de reeds genoemde voorwaarden voldoen, maar ook duidelijk bewijsmateriaal overleggen waaruit blijkt dat de steun de investeringskeuze werkelijk beïnvloedt. Om een omvattende beoordeling mogelijk te maken moet de lidstaat niet alleen informatie over het gesteunde project verstrekken, maar ook een uitgebreide beschrijving van het contrafeitelijke scenario waarin de begunstigde van geen enkele overheidsinstantie steun toegekend krijgt.

(77)

De lidstaten wordt gevraagd om zich te baseren op documenten, zoals officiële documenten van de raad van bestuur, risicobeoordelingen, met onder meer een beoordeling van de locatiegebonden risico's, financiële rapporten, interne bedrijfsplannen, adviezen van deskundigen en andere studies met betrekking tot het investeringsproject dat ter beoordeling voorligt. Documenten die informatie bevatten over vraagprognoses, kostenprognoses en financiële prognoses, documenten die aan een investeringscomité worden overgelegd en waarin verschillende investeringsscenario's zijn uitgewerkt, of documenten die aan de financiële instellingen worden verstrekt, kunnen de lidstaten helpen om het stimulerende effect aan te tonen.

(78)

In dit verband kan de rentabiliteit worden beoordeeld aan de hand van methoden die in de betrokken sector gebruikelijk zijn, zoals bijvoorbeeld methoden om de netto contante waarde (NPV) van het project (43), de interne opbrengstvoet (IRR) (44) of het gemiddelde rendement van geïnvesteerd kapitaal (return on capital employed - ROCE) te bepalen. De winstgevendheid van het project moet worden vergeleken met normale rendementspercentages die de onderneming hanteert bij andere soortgelijke investeringsprojecten. Wanneer die percentages niet beschikbaar zijn, moet de winstgevendheid van het project worden vergeleken met de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of met de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

(79)

Wanneer er geen specifiek contrafeitelijk scenario bekend is, kan worden aangenomen dat er een stimulerend effect is wanneer er een financieringskloof is, d.w.z. wanneer de investeringskosten hoger uitvallen dan de netto contante waarde van de verwachte exploitatiebaten van de investering op basis van een vooraf opgesteld ondernemingsplan.

(80)

Als de steun het gedrag van de begunstigde niet verandert in die zin dat hij tot aanvullende investeringen aanzet, heeft hij geen positieve gevolgen voor de ontwikkeling van de betrokken sector. Daarom wordt steun niet goedgekeurd in gevallen waarin blijkt dat dezelfde investering ook zonder die steun zou plaatsvinden.

3.5.   Evenredigheid van de steun

(81)

Steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden wordt geacht evenredig te zijn als het steunbedrag per begunstigde beperkt blijft tot het minimum dat voor het behalen van de nagestreefde gemeenschappelijke doelstelling nodig is.

Maximale steunintensiteiten en maximale steunbedragen

(82)

In de regel gaat de Commissie ervan uit dat steun slechts evenredig is als het steunbedrag niet hoger is dan de in aanmerking komende kosten. Dit geldt onverminderd de regels voor milieu- en andere overheidsstimulansen die uitdrukkelijk zijn vermeld in de afdelingen 1.1.3 en 1.2.2 van deel II van deze richtsnoeren.

(83)

Met het oog op voorspelbaarheid en om een gelijk speelveld te garanderen blijft de Commissie in deze richtsnoeren maximale steunintensiteiten voor steun toepassen. Wanneer de maximale steunintensiteit niet kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld in het geval van aanloopsteun voor jonge landbouwers en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven, worden maximale steunbedragen in de vorm van nominale bedragen vastgesteld om de evenredigheid van de steun te garanderen.

(84)

Als de in aanmerking komende kosten juist zijn berekend en de in deel II van deze richtsnoeren vastgestelde maximale steunintensiteiten of maximale steunbedragen in acht worden genomen, wordt het evenredigheidscriterium geacht te zijn vervuld.

(85)

De steunverlenende autoriteit moet de maximale steunintensiteit en het maximale steunbedrag berekenen bij de toekenning van de steun. De in aanmerking komende kosten moeten worden gestaafd met bewijsstukken die duidelijk, specifiek en actueel zijn. De bedragen die voor de berekening van de steunintensiteit en de in aanmerking komende kosten worden gebruikt, moeten de bedragen zijn vóór aftrek van belastingen of andere heffingen.

(86)

De belasting over de toegevoegde waarde (btw) komt niet voor steun in aanmerking, behalve wanneer zij niet terugvorderbaar is uit hoofde van de nationale btw-wetgeving.

(87)

Wordt de steun in een andere vorm dan een subsidie verleend, dan is het steunbedrag het brutosubsidie-equivalent van de steun.

(88)

Steun die in meerdere tranches wordt betaald, wordt gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun. De in aanmerking komende kosten worden gedisconteerd tot de waarde ervan op het tijdstip van de toekenning van de steun. De rentevoet die voor de discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op de datum van de toekenning van de steun van toepassing is.

(89)

Wanneer steun wordt toegekend in de vorm van belastingvoordelen, worden de steuntranches gedisconteerd aan de hand van de disconteringsvoeten die gelden op de verschillende tijdstippen waarop de belastingvoordelen beginnen te spelen.

(90)

Wat investeringssteun in plattelandsgebieden betreft, moet de maximale steunintensiteit voor grote investeringsprojecten worden verlaagd tot het bijgestelde steunbedrag als omschreven in punt (35)31. Voorts komen grote investeringsprojecten niet in aanmerking voor de verhoogde steunintensiteiten voor kmo's.

(91)

Als de verbintenissen in het kader van de afdelingen 1.1.5.1, 1.1.8, 2.3 en 3.4 van deel II van deze richtsnoeren worden uitgedrukt in andere eenheden dan die welke zijn vermeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1305/2013, mogen de lidstaten de betalingen berekenen op basis van die andere eenheden. In die gevallen moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de maximumbedragen per jaar in acht worden genomen.

(92)

Met uitzondering van steun voor verbintenissen om lokale rassen te fokken die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan, als bedoeld in afdeling 1.1.5.1, kan steun in het kader van de afdelingen 1.1.5.1, 1.1.8, 2.3 en 3.4 van deel II van deze richtsnoeren niet per grootvee-eenheid worden toegekend. De percentages voor de omrekening van de verschillende categorieën dieren in grootvee-eenheden zijn opgenomen in bijlage II bij de uitvoeringshandeling bij Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(93)

De lidstaten kunnen het steunbedrag voor de maatregelen of soorten concrete acties als bedoeld in de afdelingen 1.1.5, 1.1.6, 1.1.7, 1.1.8, 2.3, 3.4 en 3.5 van deel II van deze richtsnoeren vaststellen op basis van de standaardveronderstellingen betreffende de extra kosten en de gederfde inkomsten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de berekeningen en de overeenkomstige steun a) alleen verifieerbare elementen bevatten, b) gebaseerd zijn op cijfers die met de nodige expertise zijn opgesteld; c) duidelijk de bron van de gebruikte cijfers aangeven, d) indien van toepassing, zijn gedifferentieerd om rekening te houden met de regionale of plaatselijke terreingesteldheid en het werkelijke grondgebruik en e) geen elementen bevatten die met investeringskosten samenhangen.

(94)

Bij de beoordeling van de verenigbaarheid van de steun houdt de Commissie rekening met de verzekeringen die de begunstigde van de steun heeft afgesloten of had kunnen afsluiten. Met betrekking tot steun voor de vergoeding van verliezen als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, wordt, om het gevaar van mededingingsverstoring te voorkomen, steun ten belope van de maximale steunintensiteit slechts toegekend aan een onderneming die voor dergelijke verliezen niet door een verzekering kan worden gedekt. Daarom moeten de begunstigden, om het risicobeheer nog verder te verbeteren, worden aangemoedigd om zich te verzekeren waar dat mogelijk is.

Aanvullende voorwaarden voor individueel aan te melden investeringssteun en investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van aangemelde regelingen

(95)

Als algemene regel geldt dat individueel aan te melden investeringssteun zal worden geacht tot het minimum beperkt te blijven als het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de tenuitvoerlegging van de investering in het betrokken gebied vergeleken met het contrafeitelijke scenario waarin geen steun wordt verleend. Ook in het geval van investeringssteun die in het kader van een aangemelde regeling aan grote ondernemingen wordt toegekend, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat het steunbedrag beperkt blijft tot het minimum op basis van een „nettomeerkosten”-benadering.

(96)

Het steunbedrag mag niet hoger uitkomen dan het minimum dat noodzakelijk is om het project voldoende winstgevend te maken en mag bijvoorbeeld niet ertoe leiden dat de interne opbrengstvoet ervan toeneemt tot boven de normale rendementspercentages die de betrokken onderneming hanteert bij andere vergelijkbare investeringsprojecten, of dat, als deze rendementspercentages niet beschikbaar zijn, de interne opbrengstvoet toeneemt tot boven de kapitaalkosten van de onderneming als geheel of tot boven de rendementspercentages die doorgaans in de betrokken sector worden waargenomen.

(97)

Bij investeringssteun voor grote ondernemingen in het kader van een aangemelde regeling moet de lidstaat ervoor zorgen dat het steunbedrag overeenstemt met de nettomeerkosten van de tenuitvoerlegging van de investering in het betrokken gebied, vergeleken met het contrafeitelijke scenario waarin geen steun wordt verleend. De in punt (96) beschreven methode moet worden gehanteerd, in combinatie met een limiet in de vorm van maximale steunintensiteiten.

(98)

Met betrekking tot individueel aan te melden investeringssteun zal de Commissie, met gebruikmaking van de in punt (96) beschreven methode, nagaan of het steunbedrag hoger uitkomt dan het minimum dat noodzakelijk is om het project voldoende winstgevend te maken. De berekeningen die voor de analyse van het stimulerende effect worden gebruikt, kunnen ook worden gebruikt om na te gaan of de steun evenredig is. De lidstaat moet de evenredigheid aantonen op grond van documenten als bedoeld in punt (77). Deze eis geldt niet voor investeringssteun die met de primaire landbouwproductie verband houdt.

Cumulering van steun

(99)

Steun mag gelijktijdig op grond van meerdere steunregelingen worden toegekend of met ad-hocsteun worden gecumuleerd mits het totale bedrag van de voor een activiteit of een project verleende staatssteun niet groter is dan de in deze richtsnoeren vastgestelde steunplafonds.

(100)

Steun voor identificeerbare in aanmerking komende kosten mag met andere staatssteun worden gecumuleerd, zolang het bij die steun om andere identificeerbare in aanmerking komende kosten gaat. Steun voor identificeerbare in aanmerking komende kosten mag slechts met andere staatssteun voor dezelfde geheel of gedeeltelijk overlappende in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd als deze cumulering er niet toe leidt dat de hoogste steunintensiteit of het hoogste steunbedrag die/dat krachtens deze richtsnoeren voor dit soort steun geldt, wordt overschreden.

(101)

Steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten in het kader van de afdelingen 1.1.2 en 3.3 van deel II van deze richtsnoeren mag worden gecumuleerd met andere staatssteunmaatregelen voor identificeerbare in aanmerking komende kosten. Steun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten mag met andere staatssteun voor niet-identificeerbare in aanmerking komende kosten worden gecumuleerd tot de hoogste toepasselijke totale financieringsdrempel die voor de specifieke omstandigheden van elk geval in deze richtsnoeren of andere richtsnoeren inzake staatssteun, een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld.

(102)

Staatssteun voor de landbouwsector mag niet worden gecumuleerd met in artikel 81, lid 2, en artikel 82 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde betalingen voor dezelfde in aanmerking komende kosten als die cumulering ertoe zou leiden dat de steunintensiteit of het steunbedrag hoger uitkomt dan deze die in deze richtsnoeren zijn vastgesteld.

(103)

Wanneer centraal door de instellingen, agentschappen, gemeenschappelijke ondernemingen of andere instanties van de Unie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaten staat, wordt gecumuleerd met staatssteun, wordt alleen met deze laatste rekening gehouden om te bepalen of de aanmeldingsdrempels en de maximale steunintensiteiten en -plafonds in acht worden genomen, mits het totale bedrag aan overheidsfinanciering dat voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt toegekend, het/de in de toepasselijke regels van het Unierecht vastgestelde gunstigste financieringspercentage(s) niet overschrijdt.

(104)

Steun waarvoor op grond van deze richtsnoeren toestemming wordt verleend, mag niet worden gecumuleerd met de-minimissteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten indien die cumulering ertoe zou leiden dat de steunintensiteit of het steunbedrag hoger is dan in deze richtsnoeren is vastgesteld.

(105)

Steun voor investeringen met het oog op het herstel van agrarisch productiepotentieel als bedoeld in punt (143)(e), mag niet worden gecumuleerd met steun voor de vergoeding van materiële schade als bedoeld in de afdelingen 1.2.1.1, 1.2.1.2 en 1.2.1.3 van deze richtsnoeren.

(106)

Dubbele financiering van klimaat‐ en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in het kader van de afdelingen 1.1.5.1, 1.1.6, 1.1.8 en 3.5 van deel II van deze richtsnoeren en van gelijkwaardige praktijken als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet worden uitgesloten. Ook de herzieningsclausule van punt (724) van deze richtsnoeren moet ervoor zorgen dat dubbele financiering wordt voorkomen.

(107)

Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de landbouwsector, als bedoeld in afdeling 1.1.4 van deel II van deze richtsnoeren, mag niet worden gecumuleerd met steun voor de oprichting van producentengroeperingen en ‐organisaties in de landbouwsector overeenkomstig artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Aanloopsteun voor jonge landbouwers en aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven als bedoeld in afdeling 1.1.2 mag niet worden gecumuleerd met aanloopsteun voor jonge landbouwers of voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven als bedoeld in artikel 19, lid 1, onder a), i) en iii), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 als die cumulering zou leiden tot een steunbedrag dat hoger is dan de in deze richtsnoeren vastgestelde steunbedragen.

3.6.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op mededinging en handelsverkeer

(108)

Wil de steun verenigbaar zijn, dan moeten de negatieve effecten van de steunmaatregel op het vlak van mededingingsverstoring en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen lidstaten beperkt zijn en moeten de positieve effecten ervan op het vlak van de bijdrage aan de doelstelling van gemeenschappelijk belang tegen die negatieve effecten opwegen.

Algemene overwegingen

(109)

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van de steunmaatregel zal de Commissie haar analyse van de mededingingsverstoring toespitsen op het effect dat de steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden naar verwachting zal hebben op de mededinging tussen de ondernemingen op de betrokken productmarkten (45).

(110)

Uitgangspunt is dat als de steun gericht en evenredig is en tot de nettomeerkosten beperkt blijft, de negatieve impact ervan wordt afgezwakt en het risico dat de steun de mededinging buitensporig verstoort, minder groot is. Voorts stelt de Commissie maximale steunintensiteiten vast. Deze vormen een basisvoorwaarde voor verenigbaarheid, met als doel te beletten dat staatssteun wordt gebruikt voor projecten waar de verhouding tussen het steunbedrag en de in aanmerking komende kosten als zeer hoog — en zeer waarschijnlijk als verstorend — wordt beschouwd. Algemeen genomen zal het plafond voor de steunintensiteit des te hoger zijn naarmate de positieve effecten die van het gesteunde project mogen worden verwacht, hoger zijn en de verwachte behoefte aan steun hoger is.

(111)

Maar zelfs als de steun noodzakelijk en evenredig is, kan hij bij de begunstigde nog tot een gedragswijziging leiden die de mededinging verstoort. De kans hiertoe is groter in de landbouwsector, die zich van de andere markten onderscheidt door de specifieke structuur van de primaire landbouwproductie, gekenmerkt door een groot aantal kleine ondernemingen. Op dergelijke markten is het gevaar voor risicoverstoring groot, zelfs wanneer slechts kleine steunbedragen worden toegekend.

(112)

Steun voor de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden kan tot twee grote potentiële verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer leiden. Hierbij gaat het om verstoring van de productmarkten en om locatiegebonden effecten. Beide soorten verstoringen kunnen leiden tot allocatieve inefficiëntie, die de economische slagkracht van de interne markt aantast, en tot spreidingsproblemen in die zin dat de steun invloed heeft op de verdeling van de economische activiteiten over de verschillende regio's.

(113)

In beginsel is de Commissie, gezien de positieve effecten op de ontwikkeling van de sector, van mening dat als steun voldoet aan de in de toepasselijke afdelingen van deel II van deze richtsnoeren vastgestelde voorwaarden en niet meer bedraagt dan de ook daarin vastgestelde toepasselijke maximale steunintensiteiten, het negatieve effect op de mededinging en de handel tot het minimum beperkt is.

(114)

Omdat investeringssteun voor ondernemingen die actief zijn in de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, en voor ondernemingen die actief zijn in andere sectoren, bijvoorbeeld in de levensmiddelenverwerkende sector (46), meestal soortgelijke verstorende effecten op de mededinging en het handelsverkeer heeft, moeten de algemene overwegingen in het kader van het mededingingsbeleid met betrekking tot de effecten op de mededinging en het handelsverkeer evenwel op gelijke wijze gelden voor al deze sectoren. Daarom moeten de in de punten (115) tot en met (127)omschreven voorwaarden worden nageleefd met betrekking tot investeringssteun voor de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, in de bosbouwsector en in plattelandsgebieden.

Steunregelingen voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, in de bosbouwsector en in plattelandsgebieden

(115)

Steunregelingen mogen geen significante verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer opleveren. Met name kunnen steunregelingen voor investeringen, zelfs wanneer verstoringen op een individueel niveau als beperkt kunnen worden beschouwd (mits alle voorwaarden voor de investeringssteun zijn vervuld), op cumulatieve basis nog steeds leiden tot sterke niveaus van verstoring. Dit soort verstoringen kan invloed hebben op afzetmarkten doordat een situatie van overcapaciteit wordt gecreëerd of versterkt of doordat aanzienlijke marktmacht van een aantal begunstigden ontstaat, wordt versterkt of in stand wordt gehouden zodat dit de dynamische prikkels negatief zal beïnvloeden. Steun in het kader van steunregelingen voor investeringen kan ook leiden tot een aanzienlijk verlies aan economische activiteiten in andere gebieden van de Europese Economische Ruimte (EER). Als het gaat om een steunregeling voor investeringen die op bepaalde sectoren is gericht, is het risico op dit soort verstoringen zelfs nog meer uitgesproken.

(116)

Daarom moet de betrokken lidstaat aantonen dat eventuele negatieve effecten tot het minimum beperkt zullen zijn, rekening houdende met bijvoorbeeld de omvang van de betrokken projecten, de individuele en gecumuleerde steunbedragen, de verwachte begunstigden en de kenmerken van de beoogde sectoren. Om de Commissie in staat te stellen de te verwachten negatieve effecten te beoordelen, wordt de lidstaat ertoe aangezet om de effectbeoordelingen waarover hij beschikt, voor te leggen, samen met evaluaties achteraf die voor soortgelijke voorgaande regelingen zijn uitgevoerd.

Individueel aan te melden investeringssteun in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten en in plattelandsgebieden

(117)

Bij de beoordeling van de negatieve effecten van individuele investeringssteun legt de Commissie bijzondere nadruk op de negatieve effecten met betrekking tot de opbouw van overcapaciteit in krimpende markten, het beletten van marktuittreding en het begrip aanzienlijke marktmacht. Deze negatieve effecten worden in de punten (118) tot en met (127) beschreven, en de positieve effecten van de steun moeten daartegen opwegen.

(118)

Om de potentiële verstoringen van de mededinging en het handelsverkeer te kunnen opsporen en beoordelen, moeten de lidstaten bewijsmateriaal verschaffen waarmee de Commissie de betrokken productmarkten kan afbakenen (d.w.z. de producten die beïnvloed worden door de gedragsverandering van de begunstigde van de steun) en de getroffen concurrenten en afnemers/consumenten kan identificeren.

(119)

De Commissie hanteert diverse criteria om die mogelijke verstoringen te beoordelen, zoals de marktstructuur voor het betrokken product, de prestaties van de markt (krimpende of groeiende markt), de procedure voor de selectie van de begunstigde van de steun, drempels voor toetreding en uittreding en productdifferentiatie.

(120)

Het feit dat een onderneming stelselmatig een beroep doet op staatssteun, kan een aanwijzing zijn dat de onderneming niet op eigen kracht de concurrentie het hoofd kan bieden of dat zij onterechte voordelen geniet ten opzichte van haar concurrenten.

(121)

De Commissie onderscheidt twee belangrijke bronnen van mogelijke negatieve effecten op productmarkten:

(a)

gevallen van aanzienlijke capaciteitsverhoging die leidt tot een situatie van overcapaciteit of die een bestaande situatie van overcapaciteit verergert, met name in een krimpende markt, en

(b)

gevallen waar de begunstigde van de steun aanzienlijke marktmacht heeft.

(122)

Om te beoordelen of de steun kan worden benut om ondoelmatige marktstructuren te creëren of in stand te houden, zal de Commissie rekening houden met de extra productiecapaciteit die door het project wordt gecreëerd en gaat zij na of het een achterblijvende markt betreft.

(123)

Wanneer de betrokken markt groeit, is er doorgaans minder reden voor bezorgdheid dat de steun een ongunstige invloed op dynamische prikkels zal hebben of het verlaten van of de toetreding tot de markt nodeloos zal belemmeren.

(124)

Meer bezorgdheid is geboden wanneer markten krimpen. In dat verband maakt de Commissie een onderscheid tussen gevallen waarin de betrokken markt, op lange termijn beschouwd, structureel krimpt (d.w.z. een negatief groeipercentage vertoont), en gevallen waarin de betrokken markt relatief krimpt (d.w.z. een positief groeipercentage vertoont, maar het benchmarkgroeipercentage niet overschrijdt).

(125)

Of een markt ontoereikend presteert, zal in de regel worden gemeten door een vergelijking te maken met het bbp van de EER in de laatste drie jaar die voorafgaan aan de start van het project (benchmarkpercentage); voor deze prestatiebepaling kan ook worden gebruikgemaakt van de groeiprognoses voor de komende drie tot vijf jaar. Mogelijke indicatoren daarbij zijn de verwachte toekomstige groei van de desbetreffende markt en de hieruit voortvloeiende verwachte capaciteitsbenuttingspercentages, alsmede de waarschijnlijke invloed van de capaciteitstoename op concurrenten door de effecten ervan op de prijzen en de winstmarges.

(126)

In sommige gevallen is de beoordeling van de groei van de EER-productmarkt misschien niet de geschikte maatstaf om een volledige beoordeling te kunnen maken van de effecten van de steun, met name indien de geografische markt mondiaal is. In dergelijke gevallen zal de Commissie kijken naar het effect van de steun op de betrokken marktstructuren, met name het potentieel ervan om producenten in de EER uit de markt te drukken.

(127)

Bij haar beoordeling van de vraag of er aanzienlijke marktmacht bestaat, zal de Commissie rekening houden met de positie van de begunstigde gedurende een periode voordat deze steun ontvangt, en de verwachte marktpositie nadat de investering is voltooid. De Commissie zal met de marktaandelen van de begunstigde, maar ook met de marktaandelen van zijn concurrenten en andere relevante factoren, zoals bijvoorbeeld de marktstructuur, rekening houden door te kijken naar de concentratie op de markt, mogelijke toegangsbelemmeringen (47), kopersmacht (48) en drempels voor groei op de markt of voor het verlaten van de markt.

3.7.   Transparantie

(128)

De lidstaten moeten de volgende informatie bekendmaken op een uitgebreide staatssteunwebsite op nationaal of regionaal niveau:

(a)

de volledige tekst van de steunregeling en de uitvoeringsbepalingen daarvoor of de rechtsgrond voor de individuele steun, of een link daarnaar;

(b)

de identiteit van de steunverlenende autoriteit of autoriteiten;

(c)

de identiteit van de individuele begunstigde, de vorm en het bedrag van de steun voor elke begunstigde, de datum waarop de steun is toegekend, het soort onderneming (kmo of grote onderneming), de regio (op NUTS 2-niveau) waarin de begunstigde is gevestigd, en de voornaamste economische sector waarin de begunstigde actief is (op NACE-groepsniveau). Van deze vereiste kan ontheffing worden verleend ten aanzien van individuele steun die niet meer bedraagt dan de volgende drempels:

(i)

60 000 EUR voor begunstigden die actief zijn in de primaire landbouwproductie;

(ii)

500 000 EUR voor begunstigden in de sectoren van de verwerking van landbouwproducten, de afzet van landbouwproducten, de bosbouwsector of activiteiten die buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag vallen.

(129)

Voor steunregelingen in de vorm van belastingvoordelen kan de informatie over het individuele steunbedrag worden verstrekt voor de volgende tranches (in miljoen EUR): 0,06 – 0,5 uitsluitend voor de primaire landbouwproductie; 0,5 tot 1; 1 tot 2; 2 tot 5; 5 tot 10; 10 tot 30 en 30 en meer.

(130)

Als de individuele steunverlening binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 1305/2013 valt en de steun hetzij uit het ELFPO wordt gecofinancierd, hetzij als aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor kiezen de individuele steunverlening niet op de in punt (128) bedoelde staatssteunwebsite te publiceren op voorwaarde dat die steunverlening al is bekendgemaakt overeenkomstig de artikelen 111, 112 en 113 van Verordening (EU) nr. 1306/2013. In dat geval moet de lidstaat op de in punt (128) bedoelde staatssteunwebsite verwijzen naar de in artikel 111 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde website.

(131)

Dit soort informatie moet worden bekendgemaakt nadat het besluit tot steunverlening is genomen, moet ten minste tien jaar worden bewaard en moet zonder beperkingen beschikbaar zijn voor het brede publiek (49). Van de lidstaten zal niet worden geëist dat zij de bovengenoemde informatie vóór 1 juli 2016 bekendmaken (50).

(132)

Met het oog op transparantie moeten de lidstaten het nodige doen op het gebied van verslaglegging en herziening als vereist in hoofdstuk 2 van deel III van deze richtsnoeren.

DEEL II. STEUNCATEGORIEËN

Hoofdstuk 1. Steun voor ondernemingen die actief zijn in de primaire productie, de verwerking en de afzet van landbouwproducten

1.1.   Maatregelen voor plattelandsontwikkeling

1.1.1.   Investeringssteun

(133)

Deze afdeling is van toepassing op met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen op landbouwbedrijven en op investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten.

(134)

Alle steun voor investeringen in het kader van de afdelingen 1.1.1.1., 1.1.1.2., 1.1.1.3. en 1.1.1.4. van deel II van deze richtsnoeren moet voldoen aan de volgende voorwaarde: wanneer een gemeenschappelijke marktordening die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) gefinancierde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening omvat, productiebeperkingen of beperkingen op de steunverlening door de Unie oplegt op het niveau van de individuele ondernemingen, bedrijven of verwerkingsbedrijven, mag geen staatssteun worden verleend voor investeringen waardoor de productie zou uitkomen boven het op grond van die beperkingen toegestane niveau.

1.1.1.1.   Steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven

(135)

De Commissie zal steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa of immateriële activa op landbouwbedrijven aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de in punt (134) van deze richtsnoeren vastgestelde algemene voorwaarde voor investeringssteun en de onderstaande voorwaarden.

(136)

Deze afdeling is van toepassing op steun voor met de primaire landbouwproductie verband houdende investeringen in materiële activa en immateriële activa op landbouwbedrijven. De investering wordt verricht door een of meer begunstigden of heeft betrekking op materiële of immateriële activa die door een of meer begunstigden worden gebruikt.

(137)

Voorts is deze afdeling van toepassing op investeringen in materiële activa en immateriële activa die verband houden met de productie, op het bedrijf, van biobrandstoffen of van energie uit hernieuwbare bronnen, voor zover die productie aan de volgende voorwaarden voldoet:

(a)

als wordt geïnvesteerd met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van biobrandstoffen in de zin van Richtlijn 2009/28/EG (51), komen de installaties voor de productie van hernieuwbare energie slechts voor steun in aanmerking als de productiecapaciteit van die installaties niet groter is dan de capaciteit die overeenstemt met de gemiddelde hoeveelheid brandstof die het landbouwbedrijf jaarlijks voor vervoer verbruikt; de geproduceerde biobrandstof mag niet op de markt worden verkocht;

(b)

als wordt geïnvesteerd met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van thermische energie en/of elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, komen de installaties voor de productie van hernieuwbare energie slechts voor steun in aanmerking als het de bedoeling is in de eigen energiebehoeften te voorzien en de productiecapaciteit van die installaties niet groter is dan de capaciteit die overeenstemt met het gecombineerde gemiddelde jaarlijkse energieverbruik van thermische energie en elektriciteit van het landbouwbedrijf, met inbegrip van het landbouwhuishouden; de verkoop van elektriciteit aan het net is toegestaan binnen de jaarlijkse limiet van het eigen verbruik.

(138)

Als meer dan één landbouwbedrijf de investering met het oog op de productie, op het landbouwbedrijf, van energie uit hernieuwbare bronnen om in de eigen energiebehoeften te voorzien, of van biobrandstoffen uitvoert, wordt het gemiddelde jaarlijkse verbruik van elk van die bedrijven opgeteld tot de hoeveelheid die overeenstemt met het gemiddelde jaarlijkse verbruik van alle begunstigden.

(139)

De lidstaten moeten bepalen dat investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruikt of produceert, moeten voldoen aan minimumnormen voor energie-efficiëntie, indien dergelijke normen op nationaal niveau bestaan.

(140)

Investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa, komen niet voor steun in aanmerking tenzij een door de lidstaten te bepalen minimumpercentage aan warmte-energie wordt gebruikt.

(141)

De lidstaten moeten voor verschillende types installaties drempelwaarden vaststellen voor het maximale aandeel granen en andere zetmeelrijke gewassen, suikers en oliehoudende gewassen dat mag worden gebruikt voor de productie van bio-energie, waaronder biobrandstoffen. De steun voor bio-energieprojecten moet beperkt zijn tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke duurzaamheidscriteria die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie, waaronder artikel 17, leden 2 tot en met 6, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad.

(142)

Als de productiecapaciteit van de installatie groter is dan het gemiddelde jaarlijkse verbruik van de begunstigde of de begunstigden als bedoeld in de punten (137) en (138) van deze richtsnoeren, moeten de lidstaten voldoen aan de voorwaarden van de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020, tenzij die steun van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

(143)

De investering moet gericht zijn op ten minste een van de volgende doelstellingen:

(a)

de verbetering van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf, met name door een verlaging van de productiekosten of de verbetering en omschakeling van de productie;

(b)

de verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn voor zover de investering tot doel heeft verder te gaan dan de geldende Unienormen;

(c)

de aanleg en verbetering van infrastructuur in verband met de ontwikkeling, aanpassing en modernisering van de landbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van landbouwgrond, ruilverkaveling en grondverbetering en de voorziening en besparing van energie en water;

(d)

de verwezenlijking van agromilieuklimaatdoelstellingen, waaronder die in verband met de staat van instandhouding van de biodiversiteit van soorten en habitats, en de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere systemen met hoge natuurwaarde, voor zover het om niet-productieve investeringen gaat;

(e)

het herstel van agrarisch productiepotentieel dat schade heeft opgelopen door natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen en beschermde dieren, de preventie van schade als gevolg van deze gebeurtenissen en factoren en de beperking van het risico van dergelijke schade;

(f)

de naleving van normen volgens de in punt (148)vastgestelde voorwaarden.

In aanmerking komende kosten

(144)

De steun moet dienen voor de financiering van de volgende in aanmerking komende kosten:

(a)

de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij aangekochte grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan een hoger percentage worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud;

(b)

de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c)

algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van de punten a) en b) worden verricht;

(d)

de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

(e)

uitgaven voor niet-productieve investeringen in verband met de in punt (143), onder d), bedoelde doelstellingen;

(f)

als het gaat om investeringen met het oog op het herstel van agrarisch productiepotentieel dat beschadigd is door natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten, plantenplagen of beschermde dieren: kosten om het productiepotentieel te herstellen tot op het vóór de betrokken gebeurtenis bestaande niveau;

(g)

als het gaat om investeringen ter preventie van schade als gevolg van natuurrampen, buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten of plantenplagen of ter preventie van schade door beschermde dieren: kosten van specifieke preventieve acties om de impact van dergelijke waarschijnlijke gebeurtenissen te verminderen.

(145)

Er mag geen steun worden toegekend in verband met:

(a)

de aankoop van productierechten, betalingsrechten en eenjarige gewassen;

(b)

de aanplant van eenjarige gewassen;

(c)

de aankoop van dieren;

(d)

investeringen om aan de geldende Unienormen te voldoen;

(e)

andere dan de in punt (144) bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

(f)

werkkapitaal.

(146)

In afwijking van punt (145), onder c), mag steun worden toegekend voor de aankoop van dieren met het oog op de doelstelling van punt (143), onder e), van deze richtsnoeren.

(147)

In afwijking van punt (145), onder c), mag steun worden toegekend voor de aankoop van fokdieren voor de verbetering van de genetische kwaliteit van het veebeslag, mits die steun voldoet aan de volgende voorwaarden:

(a)

de Commissie is van mening dat de verbetering van de genetische kwaliteit van het veebeslag over het algemeen kan worden bereikt door middel van kunstmatige inseminatie met genetisch materiaal van dieren van hoge kwaliteit. Zij erkent evenwel dat vanuit de beheerpraktijken limieten worden gesteld aan de toepassing van kunstmatige inseminatie bij runderen, schapen en geiten; de steun mag dan ook alleen worden toegekend voor de aankoop van fokdieren voor de verbetering van de genetische kwaliteit van het veebeslag bij runderen, schapen en geiten;

(b)

alleen investeringen om de genetische kwaliteit van het bestand te verbeteren door de aankoop van zowel mannelijke als vrouwelijke fokdieren van hoge kwaliteit die in stamboeken zijn geregistreerd, mogen in aanmerking komen; als het gaat om de vervanging van bestaande fokdieren, mag de steun slechts worden toegekend voor de vervanging van dieren die niet in een stamboek waren geregistreerd;

(c)

voor de steun komen alleen actieve landbouwers in aanmerking;

(d)

alleen dieren die gedurende een zekere periode een optimaal voortplantingspotentieel bieden, mogen worden aangekocht; daarom mogen alleen vrouwelijke dieren die worden aangekocht voordat zij hun eerste nageslacht ter wereld hebben gebracht, in aanmerking komen;

(e)

de aangekochte dieren moeten ten minste gedurende vier jaar in het beslag worden gehouden.

(148)

In afwijking van punt (145), onder d), mag steun voor de naleving van normen worden toegekend onder de volgende voorwaarden:

(a)

aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, mag steun worden toegekend voor investeringen om te voldoen aan de Unienormen voor de landbouwproductie, met inbegrip van de veiligheid op de werkplek; deze steun mag worden verleend gedurende ten hoogste 24 maanden te rekenen vanaf de datum van vestiging;

(b)

Kroatië mag gedurende ten hoogste vier jaar vanaf de datum van zijn toetreding steun verlenen voor de tenuitvoerlegging van de nitraatrichtlijn (52) overeenkomstig artikel 3, lid 2, en artikel 5, lid 1, van die richtlijn;

(c)

als in het recht van de Unie nieuwe eisen worden gesteld aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie, mag gedurende ten hoogste 12 maanden vanaf de datum waarop die eisen voor de betrokken onderneming bindend zijn geworden, steun worden verleend voor investeringen om aan deze eisen te voldoen.

(149)

Met betrekking tot irrigatie op nieuwe en bestaande geïrrigeerde arealen worden alleen investeringen die aan de volgende voorwaarden voldoen, geacht in aanmerking komende kosten te zijn:

(a)

voor het hele gebied waarin de investering wordt uitgevoerd en andere gebieden waarin deze investering gevolgen voor het milieu kan hebben, is een stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig de kaderrichtlijn water aan de Commissie toegezonden; de maatregelen die in het kader van het stroomgebiedbeheerplan overeenkomstig artikel 11 van die richtlijn worden uitgevoerd en voor de landbouwsector van belang zijn, moeten in het betrokken maatregelenprogramma zijn omschreven;

(b)

er moet een watermetingssysteem zijn waarmee het waterverbruik op het niveau van de gesteunde investering kan worden gemeten, of een dergelijk systeem moet als onderdeel van de investering beschikbaar worden gesteld;

(c)

een investering in de verbetering van een bestaande irrigatie-installatie of een irrigatie-infrastructuuronderdeel komt alleen in aanmerking als uit een voorafgaande beoordeling blijkt dat hierdoor, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, ten minste tussen 5 % en 25 % water kan worden bespaard; als de investering betrekking heeft op oppervlakte- of grondwaterlichamen waarvan de toestand om redenen in verband met de waterhoeveelheid als minder dan goed is aangemerkt in het betrokken stroomgebiedbeheerplan:

(i)

moet de investering garanderen dat het waterverbruik, op het niveau van de investering, daadwerkelijk vermindert met ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die door de investering mogelijk wordt gemaakt;

(ii)

moet de investering, indien zij betrekking heeft op één landbouwbedrijf, tevens resulteren in een vermindering van het totale waterverbruik van het landbouwbedrijf van ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die op het niveau van de investering mogelijk wordt gemaakt; het totale waterverbruik van het bedrijf omvat ook water dat door het bedrijf wordt verkocht;

Geen van de in punt c) vastgestelde voorwaarden mag van toepassing zijn op een investering in een bestaande installatie die enkel betrekking heeft op energie-efficiëntie, een investering voor het aanleggen van een reservoir of een investering in het gebruik van gerecycleerd water die geen gevolgen heeft voor een oppervlakte- of grondwaterlichaam;

(d)

een investering die leidt tot een netto-uitbreiding van het geïrrigeerd areaal met gevolgen voor een bepaald oppervlakte- of grondwaterlichaam komt alleen voor steun in aanmerking als:

(i)

de toestand van het waterlichaam in het betrokken stroomgebiedbeheerplan niet als minder dan goed is aangemerkt om redenen in verband met de waterhoeveelheid, en

(ii)

uit een milieuanalyse blijkt dat de investering geen significante negatieve milieueffecten zal hebben. Een dergelijke analyse van de milieueffecten moet door de bevoegde autoriteit worden uitgevoerd of goedgekeurd, en kan tevens betrekking hebben op groepen bedrijven;

(e)

in afwijking van punt d), onder i), kunnen investeringen die tot een netto-uitbreiding van het geïrrigeerde areaal leiden, nog in aanmerking komen als:

(i)

de investering wordt gecombineerd met een investering in een bestaande irrigatie-installatie of een bestaand irrigatie-infrastructuuronderdeel waarvan uit een voorafgaande beoordeling blijkt dat hierdoor, afgaande op de technische parameters van de bestaande installatie of infrastructuur, ten minste tussen 5 % en 25 % water kan worden bespaard, en

(ii)

de investering leidt tot een daadwerkelijke vermindering van het waterverbruik, op het niveau van de investering als geheel, van ten minste 50 % van de potentiële waterbesparing die door de investering in de bestaande irrigatie-installatie of het bestaande infrastructuuronderdeel mogelijk wordt gemaakt;

(f)

in afwijking van punt d), onder i), geldt de in die bepaling opgenomen voorwaarde niet voor investeringen in de bouw van een nieuwe irrigatie-installatie die van water wordt voorzien vanuit een bestaand reservoir dat door de bevoegde autoriteit vóór 31 oktober 2013 is goedgekeurd, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(i)

het betrokken reservoir is vermeld in het betrokken stroomgebiedbeheerplan en valt onder de controlevoorschriften van artikel 11, lid 3, onder e), van de kaderrichtlijn water,

(ii)

op 31 oktober 2013 was hetzij het totaal van de onttrekkingen aan het reservoir aan een maximum gebonden, hetzij de stroming in de waterlichamen die door het reservoir worden beïnvloed, aan een minimum gebonden,

(iii)

dat voor de onttrekkingen geldende maximum of voor de stroming geldende minimum voldoet aan de voorwaarden van artikel 4 van de kaderrichtlijn water, en

(iv)

de betrokken investering leidt niet tot onttrekkingen boven het op 31 oktober 2013 geldende maximum of tot een vermindering van de stroming in de betrokken waterlichamen tot onder het op 31 oktober 2013 geldende minimum.

(150)

Arealen die niet worden geïrrigeerd, maar waar in het recente verleden een irrigatie-installatie in bedrijf was, hetgeen door de lidstaten moet worden geconstateerd en gestaafd, kunnen, met het oog op de bepaling van de nettotoename van het geïrrigeerde areaal, als geïrrigeerd areaal worden aangemerkt.

(151)

Vanaf 1 januari 2017 mag, bij irrigatie, alleen steun worden verleend door lidstaten die met betrekking tot het stroomgebiedsdistrict waarin de investering plaatsvindt, ervoor hebben gezorgd dat de landbouwsector bijdraagt aan de terugwinning van de kosten van waterdiensten overeenkomstig artikel 9, lid 1, eerste streepje, van Richtlijn 2000/60/EG, met inachtneming van de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de terugwinning alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden.

Steunintensiteit

(152)

De steunintensiteit mag niet hoger liggen dan:

(a)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in de ultraperifere gebieden;

(b)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(c)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten die in Kroatië worden gemaakt voor de tenuitvoerlegging van de nitraatrichtlijn overeenkomstig punt (148), onder b), van deze richtsnoeren;

(d)

50 % van de in aanmerking komende kosten in de minder ontwikkelde regio's en in alle regio's met een bruto binnenlands product (bbp) per inwoner voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27;

(e)

40 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in andere regio's;

(f)

30 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten voor de aankoop van fokdieren als bedoeld in punt (147).

(153)

Voor zover de maximale gecombineerde steun niet meer dan 90 % bedraagt, mogen de in punt (152) bedoelde steunpercentages met 20 procentpunten worden verhoogd voor:

(a)

jonge landbouwers of landbouwers die zich hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaand aan de datum van de steunaanvraag;

(b)

collectieve investeringen, zoals opslagfaciliteiten die door een groep landbouwers worden gebruikt of voorzieningen waar de landbouwproducten vóór de afzet worden klaargemaakt, en geïntegreerde projecten die betrekking hebben op diverse maatregelen op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013, met inbegrip van die in verband met een fusie van producentenorganisaties;

(c)

investeringen in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

(d)

concrete acties die in het kader van het Europees innovatiepartnerschap (EIP) worden gefinancierd, zoals investeringen in een nieuwe stal waardoor een nieuwe vorm van huisvesting van dieren kan worden getest, welke concrete acties ontwikkeld zijn in een operationele groep van landbouwers, wetenschappers en niet-gouvernementele dierenwelzijnsorganisaties;

(e)

investeringen ter verbetering van het natuurlijke milieu, de hygiëneomstandigheden of de normen inzake dierenwelzijn, als bedoeld in punt (143), onder b); in dat geval geldt de in dit punt vastgestelde verhoogde steunintensiteit alleen voor de extra kosten die moeten worden gemaakt om een hoger niveau dan de geldende Unienormen te halen, maar die niet tot een verhoging van de productiecapaciteit leiden;

(f)

investeringen ter verbetering van de duurzaamheid van het landbouwbedrijf, als bedoeld in punt (143), onder a), die gekoppeld zijn aan agromilieuklimaatverbintenissen en biologische landbouw in het kader van de afdelingen 1.1.5.1 en 1.1.8 van deel II van deze richtsnoeren.

(154)

Voor niet-productieve investeringen als bedoeld in punt (143), onder d), en investeringen voor het herstel van productiepotentieel als bedoeld in punt (143), onder e), mag de steunintensiteit niet hoger liggen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(155)

Voor investeringen met preventieve doeleinden als bedoeld in punt (143), onder e), mag de steunintensiteit ten hoogste 80 % bedragen. Deze steunintensiteit mag evenwel tot 100 % worden verhoogd als de investering collectief wordt uitgevoerd door meer dan één begunstigde.

1.1.1.2.   Steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven

(156)

De Commissie zal steun voor investeringen voor de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed op landbouwbedrijven aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de in punt (134) van deze richtsnoeren vastgestelde algemene voorwaarde voor investeringssteun en de onderstaande voorwaarden.

(157)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(158)

De steun moet worden verleend voor cultureel en natuurlijk erfgoed in de vorm van natuurlijke landschappen en gebouwen dat door de bevoegde openbare autoriteiten van de lidstaat formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend.

In aanmerking komende kosten

(159)

De volgende kosten van de instandhouding van cultureel en natuurlijk erfgoed komen in aanmerking:

(a)

kosten van investeringen in materiële activa;

(b)

kapitaalwerken.

Steunintensiteit

(160)

De volgende steunintensiteiten zijn van toepassing:

(a)

voor investeringen voor de instandhouding van productieve erfgoedelementen op een landbouwbedrijf mag de steunintensiteit, voor zover de investering de productiecapaciteit niet doet toenemen, ten hoogste bedragen:

(i)

80 % van de reële kosten die worden gemaakt in gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

(ii)

70 % van de reële kosten die in minder ontwikkelde regio’s worden gemaakt,

(iii)

60 % van de reële kosten die in andere gebieden worden gemaakt;

(b)

als de productiecapaciteit toeneemt, gelden de in de punten (152) en (153) vastgestelde steunintensiteiten voor investeringen;

(c)

er mag aanvullende steun tot 100 % van de in aanmerking komende kosten worden toegekend om de extra kosten te dekken die ontstaan doordat voor de instandhouding van de erfgoedkenmerken van de zich op het landbouwbedrijf bevindende gebouwen traditionele materialen moeten worden gebruikt;

(d)

onverminderd de in de punten a), b) en c) vastgestelde regels mag de maximale steunintensiteit oplopen tot 100 % van de in aanmerking komende kosten als de investering betrekking heeft op kleinschalige infrastructuur;

(e)

voor investeringen voor de instandhouding van niet-productieve erfgoedelementen op landbouwbedrijven, zoals archeologische of historische elementen, mag de steunintensiteit oplopen tot 100 % van de gemaakte reële kosten;

(f)

De steun voor kapitaalwerken moet beperkt blijven tot 10 000 EUR per jaar.

1.1.1.3.   Steun voor investeringen in verband met de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen

(161)

De Commissie zal steun voor investeringen in verband met de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de in punt (134) vastgestelde algemene voorwaarde voor investeringssteun en de onderstaande voorwaarden.

(162)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(163)

Met de verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw moet een doel van algemeen belang worden nagestreefd. Het algemeen belang dat wordt aangevoerd om de steunverlening op grond van deze afdeling te rechtvaardigen, moet in de desbetreffende bepalingen van de betrokken lidstaat worden gespecificeerd.

Steunintensiteit voor in aanmerking komende kosten

(164)

De volgende steunintensiteiten zijn van toepassing:

(a)

als de verplaatsing van het landbouwbedrijfsgebouw bestaat uit het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande voorzieningen, mag de steunintensiteit tot 100 % van de voor die activiteiten gemaakte reële kosten bedragen;

(b)

als de verplaatsing, naast het bepaalde in punt a), resulteert in een modernisering van de voorzieningen of een verhoging van de productiecapaciteit, gelden voor de kosten van die modernisering van de voorzieningen of van die productiecapaciteitsverhoging de in de punten (152) en (153) bedoelde steunintensiteiten voor investeringen. Voor de toepassing van dit punt wordt ervan uitgegaan dat de loutere vervanging van een bestaand gebouw of van bestaande voorzieningen door een nieuw, modern gebouw of nieuwe, moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie of technologie niet fundamenteel wordt gewijzigd, niet met modernisering gepaard gaat;

(c)

als het gaat om de verplaatsing van activiteiten die dicht bij rurale woongebieden plaatsvinden, met als doel de levenskwaliteit of de milieuprestatie van deze rurale woongebieden te verbeteren, en die verplaatsing betrekking heeft op kleinschalige infrastructuur, mag de steunintensiteit tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

1.1.1.4.   Steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten

(165)

De Commissie zal steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de in punt (134) van deze richtsnoeren vastgestelde algemene voorwaarde voor investeringssteun en de onderstaande voorwaarden.

(166)

In het kader van deze afdeling mag geen steun voor biobrandstoffen op basis van voedingsgewassen worden toegekend, met de bedoeling de omschakeling te stimuleren naar de productie van meer geavanceerde vormen van biobrandstoffen, als vastgesteld in de horizontale staatssteunregels op het gebied van milieu en energie.

(167)

Deze afdeling geldt voor steun voor investeringen in materiële activa en immateriële activa die verband houden met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, als bedoeld in punt (35)11 en punt (35)12 van deze richtsnoeren.

(168)

De lidstaten mogen steun verlenen voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten als de steun voldoet aan alle voorwaarden van een van de volgende steuninstrumenten:

(a)

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (53), of

(b)

de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020; of

(c)

de voorwaarden van deze afdeling van deze richtsnoeren.

In aanmerking komende kosten

(169)

De krachtens punt (168)(c) in aanmerking komende kosten mogen uitsluitend betrekking hebben op:

(a)

de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij aangekochte grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie;

(b)

de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c)

algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van de punten a) en b) worden verricht;

(d)

de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken.

(170)

De volgende kosten komen niet in aanmerking:

(a)

andere dan de in punt (169) bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies;

(b)

werkkapitaal;

(c)

kosten in verband met investeringen om aan de geldende Unienormen te voldoen.

Steunintensiteit

(171)

De maximale steunintensiteit krachtens deze richtsnoeren mag niet meer bedragen dan:

(a)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in de ultraperifere gebieden;

(b)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende investeringskosten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(c)

50 % van de in aanmerking komende investeringskosten in de minder ontwikkelde regio's en in alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27;

(d)

40 % van het bedrag van de in aanmerking komende investeringskosten in andere regio's.

(172)

Voor zover de maximale gecombineerde steunintensiteit niet meer dan 90 % bedraagt, mogen de in punt (171) bedoelde steunpercentages met 20 procentpunten worden verhoogd voor concrete acties:

(a)

in verband met een fusie van producentenorganisaties; of

(b)

die worden gesteund in het kader van het EIP.

(173)

Individuele steun die groter is dan de in punt (37), onder a), bedoelde aanmeldingsdrempel, moet bij de Commissie worden aangemeld overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag.

1.1.2.   Aanloopsteun voor jonge landbouwers en voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven

(174)

De Commissie zal aanloopsteun voor jonge landbouwers en aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(175)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(176)

De steun wordt verleend aan jonge landbouwers in de zin van punt (35)29 van deze richtsnoeren die kleine of micro-ondernemingen zijn, of aan kleine landbouwbedrijven. Wat onder „kleine landbouwbedrijven” wordt verstaan, moet door de lidstaten aan de hand van objectieve criteria worden omschreven en daarbij kan het alleen om kleine of micro-ondernemingen gaan.

(177)

De lidstaten moeten voor de toegang tot aanloopsteun voor jonge landbouwers of tot aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven boven- en onderdrempels vaststellen ten aanzien van het productiepotentieel van het landbouwbedrijf, gemeten in standaardopbrengst als gedefinieerd in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1242/2008 (54) van de Commissie, of een equivalent. De onderdrempel om toegang te krijgen tot aanloopsteun voor jonge landbouwers moet hoger zijn dan de bovendrempel voor toegang tot steun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven.

(178)

Wanneer de steun wordt verleend aan een jonge landbouwer die een bedrijf opzet in de vorm van een rechtspersoon, moet de jonge landbouwer daadwerkelijke en voortdurende zeggenschap hebben over de rechtspersoon wat betreft beslissingen op het gebied van beheer, winst en financiële risico's. Als meerdere natuurlijke personen, onder wie personen die geen jonge landbouwer zijn, deelnemen aan het kapitaal of het beheer van de rechtspersoon, moet de jonge landbouwer, hetzij alleen, hetzij samen met andere personen, in staat zijn die daadwerkelijke en voortdurende zeggenschap uit te oefenen. Als een rechtspersoon alleen of gezamenlijk onder de zeggenschap van een andere rechtspersoon valt, moeten die voorschriften gelden voor elke natuurlijke persoon die zeggenschap heeft over die andere rechtspersoon.

(179)

De steun mag slechts worden verleend op voorwaarde dat aan de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat een bedrijfsplan wordt voorgelegd waarvan de uitvoering van start moet gaan binnen negen maanden na de datum waarop het besluit tot steunverlening is vastgesteld.

(180)

In het geval van steun voor jonge landbouwers moet in het bedrijfsplan worden bepaald dat de begunstigde binnen 18 maanden na de datum van vestiging moet voldoen aan de definitie van „actieve landbouwer” van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

(181)

Jonge landbouwers die niet beschikken over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid, hebben recht op steun op voorwaarde dat zij zich ertoe verbinden die vakbekwaamheid en deskundigheid te verwerven binnen 36 maanden vanaf de datum van goedkeuring van het besluit tot steunverlening. Deze verbintenis moet in het bedrijfsplan worden opgenomen.

(182)

In het bedrijfsplan moet ten minste het volgende worden beschreven:

(a)

in het geval van aanloopsteun voor jonge landbouwers:

(i)

de uitgangssituatie van het landbouwbedrijf,

(ii)

mijlpalen en streefwaarden voor de ontwikkeling van de activiteiten van het landbouwbedrijf,

(iii)

nadere informatie over de acties, met inbegrip van acties die gericht zijn op ecologische duurzaamheid en een efficiënt gebruik van hulpbronnen, die voor de ontwikkeling van de activiteiten van het landbouwbedrijf vereist zijn, zoals investeringen, opleidingen, adviezen of andere activiteiten;

(b)

in het geval van aanloopsteun voor de ontwikkeling van kleine landbouwbedrijven:

(i)

de uitgangssituatie van het landbouwbedrijf,

(ii)

nadere informatie over de acties, met inbegrip van acties die gericht zijn op ecologische duurzaamheid en efficiënt gebruik van hulpbronnen, die de economische levensvatbaarheid ten goede kunnen komen, zoals investeringen, opleidingen, samenwerking of andere acties.

(183)

De steun moet worden verleend of betaald in ten minste twee tranches over een periode van ten hoogste vijf jaar. Voor jonge landbouwers mag de laatste tranche van de steun slechts worden verleend of betaald als het in punt (179) bedoelde bedrijfsplan correct is uitgevoerd.

Steunintensiteit

(184)

De steun mag ten hoogste 70 000 EUR bedragen per jonge landbouwer en 15 000 EUR per klein landbouwbedrijf. De lidstaten moeten bij de vaststelling van het steunbedrag voor jonge landbouwers ook rekening houden met de sociaaleconomische toestand van het betrokken gebied.

1.1.3.   Steun voor de overdracht van landbouwbedrijven

(185)

De Commissie zal steun voor de overdracht van landbouwbedrijven aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(186)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie en hun landbouwbedrijf permanent overdragen aan een andere onderneming die actief is in de primaire landbouwproductie.

(187)

De steun wordt toegekend aan ondernemingen die in aanmerking komen om deel te nemen aan de bij titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ingestelde regeling voor kleine landbouwbedrijven, op de datum van de indiening van hun steunaanvraag reeds gedurende ten minste één jaar voor die regeling in aanmerking kwamen en zich ertoe verbinden om hun volledige landbouwbedrijf en de bijbehorende betalingsrechten definitief aan een andere onderneming over te dragen.

(188)

De steun moet worden betaald in de vorm van een jaarlijkse betaling of van een eenmalige betaling.

(189)

De steun moet worden betaald vanaf de datum van overdracht van het landbouwbedrijf tot en met 31 december 2020.

Steunintensiteit

(190)

De steun komt overeen met 120 % van de jaarlijkse betaling waarvoor de begunstigde in aanmerking komt op grond van de regeling voor kleine landbouwbedrijven.

1.1.4.   Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de landbouwsector

(191)

De Commissie staat positief tegenover aanloopsteun aan producentengroeperingen en producentenorganisaties aangezien daarvan een stimulans uitgaat om landbouwers samen te brengen. Daarom zal zij aanloopsteun voor producentengroeperingen en producentenorganisaties aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(192)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (55).

(193)

Alleen producentengroeperingen of ‐organisaties die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat officieel zijn erkend op grond van het door hen ingediende bedrijfsplan, komen voor steun in aanmerking.

(194)

De aanloopsteun mag slechts worden verleend op voorwaarde dat de lidstaat ertoe verplicht is te verifiëren dat de doelstellingen van het bedrijfsplan binnen vijf jaar na de datum van de officiële erkenning van de producentengroepering of ‐organisatie zijn bereikt.

(195)

De in het kader van de producentengroepering of ‐organisatie vastgestelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen voldoen aan de mededingingsvoorschriften zoals die van toepassing zijn krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(196)

Als alternatief voor de verlening van aanloopsteun aan producentengroeperingen of ‐organisaties mag in de eerste vijf jaar na de oprichting van de groepering of organisatie steun ten belope van eenzelfde totaalbedrag rechtstreeks aan de producenten worden verleend ter compensatie van hun bijdragen aan de exploitatiekosten van de groepering of organisatie.

(197)

De lidstaten mogen de aanloopsteun voor producentengroeperingen blijven verlenen, zelfs nadat die volgens de voorwaarden van Verordening (EU) nr. 1308/2013 erkend zijn als producentenorganisatie.

(198)

De steun mag uitsluitend worden verleend aan producentengroeperingen en producentenorganisaties die onder de definitie van kmo (56) vallen. De Commissie zal niet toestaan dat staatssteun voor onder deze afdeling vallende kosten aan grote ondernemingen (57) wordt verleend.

(199)

Voor steunregelingen die krachtens deze afdeling worden goedgekeurd, wordt als voorwaarde gesteld dat zij moeten worden aangepast aan elke wijziging van de verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten.

In aanmerking komende kosten

(200)

De in aanmerking komende kosten kunnen omvatten: de kosten van de huur van geschikte panden en van de aanschaf van kantooruitrusting, waaronder computerapparatuur en -programmatuur, de kosten van administratief personeel, overheadkosten en vergoedingen voor juridische en ambtelijke handelingen. Als de betrokken panden worden aangekocht, moeten de in aanmerking komende kosten van die panden beperkt blijven tot de huurkosten tegen markttarieven.

(201)

Er mag geen steun worden toegekend aan:

(a)

productieorganisaties, ‐entiteiten of ‐organen, zoals vennootschappen of coöperaties, die het beheer van één of meer landbouwbedrijven tot doel hebben en waarbij het dus in feite telkens om één enkele producent gaat;

(b)

landbouwverenigingen die op de bedrijven van de leden taken vervullen zoals onderlinge samenwerking en dienstverlening in de vorm van bedrijfsverzorging en ondersteuning van het bedrijfsbeheer, zonder betrokken te zijn bij de gezamenlijke aanpassing van het aanbod aan de markt;

(c)

producentengroeperingen, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties waarvan de doelstellingen niet verenigbaar zijn met artikel 152, lid 1, onder c), artikel 152, lid 3, en artikel 156 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(202)

De steun moet op forfaitaire basis in jaarlijkse tranches worden verleend gedurende de eerste vijf jaar na de datum waarop de bevoegde autoriteit de producentengroepering of ‐organisatie officieel heeft erkend op basis van haar bedrijfsplan. De lidstaten mogen de laatste tranche pas betalen nadat zij hebben geverifieerd dat het bedrijfsplan correct is uitgevoerd.

(203)

Steun die aan producentengroeperingen of ‐organisaties wordt verleend om uitgaven te financieren die niet samenhangen met aanloopkosten, zoals investerings- of afzetbevorderingsuitgaven, wordt beoordeeld volgens de regels die voor dat soort steun gelden.

Steunintensiteit

(204)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(205)

De totale steun mag ten hoogste 500 000 EUR bedragen. De steun moet degressief zijn.

1.1.5.   Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen en dierenwelzijnsverbintenissen

(206)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

1.1.5.1.   Steun voor agromilieuklimaatverbintenissen

(207)

De Commissie zal steun voor agromilieuklimaatverbintenissen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(208)

Deze afdeling geldt voor steun aan ondernemingen en groepen ondernemingen die zich er op vrijwillige basis toe verbinden concrete acties uit te voeren in het kader van een of meer agromilieuklimaatverbintenissen voor door de lidstaten te definiëren landbouwgrond, die onder meer, maar niet uitsluitend, het in punt (35)50 van deze richtsnoeren gedefinieerde landbouwareaal omvat.

(209)

De maatregel moet gericht zijn op de instandhouding van landbouwpraktijken die een positieve bijdrage aan het milieu en het klimaat leveren, en aanzetten tot de nodige veranderingen in die richting.

(210)

De steun mag enkel dienen voor vrijwillige verbintenissen die verder gaan dan de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde toepasselijke dwingende normen, de krachtens artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten en de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere toepasselijke dwingende voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld. Al deze dwingende normen, vereisten en voorschriften moeten in de aanmelding aan de Commissie worden opgenomen en omschreven.

(211)

De lidstaten moeten het nodige doen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen die zich ertoe verbinden concrete acties in het kader van deze maatregel uit te voeren, de voor de uitvoering ervan vereiste kennis en informatie krijgen, bijvoorbeeld in de vorm van deskundigenadvies over de verbintenis en/of door als voorwaarde voor steun in het kader van deze maatregel te stellen dat de ondernemingen relevante opleiding krijgen.

(212)

De onder deze maatregel vallende verbintenissen moeten voor een periode van vijf tot zeven jaar worden aangegaan. Als dat nodig is om de nagestreefde milieuvoordelen te bereiken of te behouden, mogen de lidstaten evenwel een langere periode voor bepaalde soorten verbintenissen vaststellen, onder meer door te voorzien in een jaarlijkse verlenging ervan na afloop van de eerste periode (58). Voor nieuwe verbintenissen die onmiddellijk op de periode van uitvoering van de oorspronkelijke verbintenis aansluiten, mogen de lidstaten een kortere periode vaststellen.

(213)

De voorschriften inzake areaalgerelateerde betalingen die zijn vastgesteld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in op grond van die bepaling aangenomen gedelegeerde handelingen, moeten, indien van toepassing, worden nageleefd.

(214)

Krachtens afdeling 3.4 van deel II van deze richtsnoeren mag ook steun voor agromilieuklimaatverbintenissen worden verleend aan andere grondbeheerders en andere groepen begunstigden dan aan ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector.

(215)

Verbintenissen in het kader van de agromilieuklimaatmaatregel om de veehouderij te extensiveren moeten ten minste aan de volgende voorwaarden voldoen:

(a)

om over- en onderbegrazing te voorkomen moet de volledige beweide oppervlakte van het bedrijf worden beheerd en in stand gehouden;

(b)

bij het bepalen van de veedichtheid moet rekening worden gehouden met alle op het bedrijf grazende dieren dan wel, in het geval van een verbintenis om de wegsijpeling van nutriënten te beperken, met alle voor de betrokken verbintenis relevante dieren die op het bedrijf worden gehouden.

(216)

In verbintenissen in het kader van de agromilieuklimaatmaatregel om lokale rassen te fokken die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan of om plantaardige genetische hulpbronnen die door genetische erosie worden bedreigd, in stand te houden, moet worden geëist dat:

(a)

landbouwhuisdieren worden gefokt van lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan en genetisch aan een of meer traditionele productiesystemen of aan de leefomstandigheden in het land zijn aangepast; of

(b)

plantaardige genetische hulpbronnen die van nature aan de plaatselijke en regionale omstandigheden zijn aangepast en door genetische erosie worden bedreigd, in stand worden gehouden.

(217)

De volgende soorten landbouwhuisdieren komen voor steun in aanmerking: runderen, schapen, geiten, paardachtigen, varkens en vogels.

(218)

Van lokale rassen zal worden aangenomen dat zij voor de veehouderij verloren dreigen te gaan als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden en als die voorwaarden ook in de aanmelding aan de Commissie worden opgenomen en omschreven:

(a)

het aantal vrouwelijke fokdieren op nationaal niveau is vastgesteld;

(b)

het aantal en de bedreigde status van de in de lijst opgenomen rassen zijn gecertificeerd door een naar behoren erkende bevoegde wetenschappelijke instantie;

(c)

een naar behoren erkende bevoegde technische instantie registreert de gegevens in het stamboek voor het ras en houdt die gegevens bij;

(d)

de betrokken instanties beschikken over de nodige vaardigheden en kennis om de dieren van de bedreigde rassen te kunnen identificeren.

(219)

Van plantaardige genetische hulpbronnen zal worden aangenomen dat zij door genetische erosie worden bedreigd als in de aanmelding aan de Commissie voldoende bewijs van die genetische erosie wordt opgenomen en toegelicht, gebaseerd op wetenschappelijke resultaten of indicatoren voor de afname van landrassen/primitieve lokale rassen, de diversiteit van de betrokken populaties en, indien relevant, wijzigingen in de op plaatselijk niveau gangbare landbouwmethoden.

(220)

Voor concrete acties die niet onder de punten (208) tot en met (219) van deze afdeling vallen, kan steun voor de instandhouding, het duurzame gebruik en de ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw worden verleend.

In aanmerking komende kosten

(221)

Steun, met uitzondering van steun voor concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen als bedoeld in punt (220), dient om de begunstigden volledig of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en gederfde inkomsten die het gevolg zijn van de door hen aangegane verbintenissen. De steun moet jaarlijks worden toegekend.

(222)

Voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud mag, in naar behoren gemotiveerde gevallen, voor verbintenissen die tot doel hebben af te zien van het commercieel gebruik van areaal, steun worden verleend in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid, berekend op basis van de gemaakte extra kosten en de gederfde inkomsten.

(223)

Zo nodig mag de steun ook worden gebruikt voor de financiering van transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de agromilieuklimaatverbintenissen wordt betaald. Als de verbintenissen worden aangegaan door groepen ondernemingen, moet het maximum 30 % bedragen.

(224)

Als een lidstaat compensatie wil verlenen voor transactiekosten die door het aangaan van agromilieuklimaatverbintenissen ontstaan, moet hij die kosten evenwel op overtuigende wijze aantonen, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met ondernemingen die geen dergelijke verbintenissen zijn aangegaan. Daarom geeft de Commissie doorgaans geen toestemming voor staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane verbintenissen voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

(225)

Wanneer de transactiekosten worden berekend op basis van gemiddelde kosten en/of gemiddelde landbouwbedrijven, moeten de lidstaten aantonen dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd. Bij de berekening van de compensatie moeten de lidstaten er rekening mee houden of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt.

(226)

In het kader van deze maatregel mag geen steun worden verleend voor verbintenissen die onder de maatregel biologische landbouw vallen, als omschreven in afdeling 1.1.8 van deel II van deze richtsnoeren.

(227)

Steun voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de landbouw dient voor de financiering van de volgende concrete acties:

(a)

gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw in situ en ex situ, met inbegrip van de opstelling van webgebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ in stand worden gehouden, inclusief instandhouding in situ/op het landbouwbedrijf, en van de verzamelingen ex situ en de databases;

(b)

gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling tussen de bevoegde organisaties van de lidstaten van gegevens ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de landbouw van de Unie;

(c)

begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

Steunbedrag en steunintensiteit

(228)

De steun, met uitzondering van de steun voor concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen als bedoeld in punt (220), moet worden beperkt tot de volgende maximumbedragen: 600 EUR per hectare per jaar voor eenjarige gewassen, 900 EUR per hectare per jaar voor gespecialiseerde blijvende teelten, 450 EUR per hectare per jaar voor andere vormen van grondgebruik, en 200 EUR per grootvee-eenheid per jaar voor lokale rassen die voor de veehouderij verloren dreigen te gaan.

(229)

In naar behoren gemotiveerde gevallen mogen deze bedragen worden verhoogd op grond van specifieke omstandigheden die in de aanmelding aan de Commissie moeten worden aangetoond.

(230)

Voor de instandhouding van bosbouwkundige genetische hulpbronnen in de landbouw moet de steun beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

1.1.5.2.   Steun voor dierenwelzijnsverbintenissen

(231)

De Commissie zal steun voor dierenwelzijnsverbintenissen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(232)

Deze afdeling geldt voor steun aan ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn, zich er op vrijwillige basis toe verbinden concrete acties uit te voeren welke uit een of meer dierenwelzijnsverbintenissen bestaan, en die actieve landbouwers zijn.

(233)

De steun mag alleen worden toegekend voor verbintenissen die verder gaan dan de krachtens titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde toepasselijke dwingende normen en andere toepasselijke dwingende voorschriften. Al deze toepasselijke voorschriften moeten in de aanmelding aan de Commissie worden opgenomen en omschreven.

(234)

Om voor steun in aanmerking te komen moeten de dierenwelzijnsverbintenissen strengere normen voor productiemethoden opleggen op een van de volgende gebieden:

(a)

water, voer en dierenverzorging in overeenstemming met de natuurlijke behoeften van de dieren;

(b)

huisvestingsomstandigheden zoals meer beschikbare ruimte per dier, vloeroppervlakten, verrijkingsmateriaal, natuurlijk licht;

(c)

toegang tot een buitenuitloop;

(d)

praktijken waarmee verminking en/of castratie van dieren worden vermeden, en wanneer het in specifieke gevallen toch nodig wordt geacht een dier te verminken of te castreren, gebruik van anesthetica, analgetica en ontstekingsremmers of immunocastratie.

(235)

Deze dierenwelzijnsverbintenissen moeten worden aangegaan voor een verlengbare periode van één tot zeven jaar.

(236)

De verlenging van een contract kan ook automatisch gebeuren wanneer de gegevens in het contract nader zijn omschreven. De lidstaten moeten het mechanisme voor de verlenging van de dierenwelzijnsverbintenissen opzetten overeenkomstig hun nationale regelgeving ter zake. De Commissie moet over dit mechanisme worden geïnformeerd in het kader van de aanmelding van de staatssteun krachtens deze afdeling. De verlenging moet telkens afhankelijk worden gesteld van de inachtneming van de voorwaarden die de Commissie krachtens deze afdeling voor de steun heeft goedgekeurd.

In aanmerking komende kosten

(237)

De steun moet jaarlijks worden toegekend en mag worden gebruikt om ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn, geheel of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de door hen aangegane verbintenis.

(238)

Zo nodig mag de steun ook worden gebruikt voor de financiering van transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de dierenwelzijnsverbintenissen wordt betaald. Als een lidstaat compensatie wil verlenen voor transactiekosten die door het aangaan van dierenwelzijnsverbintenissen ontstaan, moet hij die kosten evenwel op overtuigende wijze aantonen, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met ondernemingen die geen dergelijke dierenwelzijnsverbintenissen zijn aangegaan. Daarom geeft de Commissie doorgaans geen toestemming voor het verlenen van staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane dierenwelzijnsverbintenissen voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

(239)

Wanneer de transactiekosten worden berekend op basis van gemiddelde kosten en/of gemiddelde landbouwbedrijven, moeten de lidstaten aantonen dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd. Bij de berekening van de compensatie moeten de lidstaten er rekening mee houden of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt.

Steunbedrag

(240)

De steun moet beperkt blijven tot 500 EUR per grootvee-eenheid.

1.1.6.   Steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en met de kaderrichtlijn water

(241)

De Commissie zal staatssteun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-gebieden en met de kaderrichtlijn water aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(242)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(243)

In naar behoren gemotiveerde gevallen kan steun aan andere grondbeheerders die geen onderneming zijn die actief is in de landbouwsector, worden toegestaan overeenkomstig afdeling 3.5 van deel II van deze richtsnoeren.

In aanmerking komende kosten

(244)

De steun moet dienen om de begunstigden te vergoeden voor de extra kosten en gederfde inkomsten die voortvloeien uit de nadelen die in de betrokken gebieden worden ondervonden door de uitvoering van de habitatrichtlijn, de vogelrichtlijn of de kaderrichtlijn water (59).

(245)

De aan de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn gerelateerde steun mag slechts worden toegekend in verband met nadelen die voortvloeien uit voorschriften die verder gaan dan de in artikel 94 en bijlage II van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van de Raad bedoelde goede landbouw- en milieuconditie en dan de krachtens artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten.

(246)

De aan de kaderrichtlijn water gerelateerde steun mag slechts worden verleend in verband met specifieke voorschriften die:

(a)

zijn ingevoerd bij de kaderrichtlijn water, in overeenstemming zijn met de maatregelenprogramma's van de stroomgebiedsbeheersplannen om de milieudoelstellingen van die richtlijn te verwezenlijken, en verder gaan dan de maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van andere waterbeschermingswetgeving van de Unie;

(b)

verder gaan dan de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en de goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke criteria en minimumactiviteiten als vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii) van Verordening (EU) nr. 1307/2013;

(c)

overeenkomstig artikel 4, lid 9, van de kaderrichtlijn water verder gaan dan het beschermingsniveau van het recht van de Unie dat bestond op het moment van de vaststelling van die richtlijn; en

(d)

ingrijpende wijzigingen in het bodemgebruikstype voorschrijven en/of ingrijpende beperkingen aan de landbouwpraktijk opleggen die resulteren in een aanzienlijk inkomensverlies.

(247)

De in de punten (245) en (246) bedoelde voorschriften moeten in de aanmelding aan de Commissie worden opgenomen en omschreven.

(248)

De volgende gebieden komen voor steun in aanmerking:

(a)

overeenkomstig de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000-landbouwgebieden;

(b)

andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden waar milieubeperkingen voor de landbouw gelden die bijdragen tot de uitvoering van artikel 10 van de habitatrichtlijn; de oppervlakte van deze gebieden mag niet groter zijn dan 5 % van de oppervlakte van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder de territoriale reikwijdte van het betrokken plattelandsontwikkelingsprogramma vallen;

(c)

landbouwgebieden die zijn opgenomen in stroomgebiedsbeheersplannen overeenkomstig de kaderrichtlijn water.

Steunbedrag

(249)

De steun moet beperkt blijven tot de volgende bedragen: ten hoogste 500 EUR per hectare per jaar in de eerste periode van ten hoogste vijf jaar en vervolgens ten hoogste 200 EUR per hectare per jaar. Steun met betrekking tot de kaderrichtlijn water moet minstens 50 EUR per hectare per jaar bedragen.

(250)

De maximumbedragen van 500 EUR en 200 EUR mogen worden verhoogd in uitzonderlijke gevallen waarbij rekening wordt gehouden met specifieke, te motiveren omstandigheden. Het minimumbedrag van 50 EUR voor steun met betrekking tot de kaderrichtlijn water mag worden verlaagd in naar behoren verantwoorde gevallen waarbij rekening wordt gehouden met specifieke, te motiveren omstandigheden.

1.1.7.   Steun voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

(251)

De Commissie zal steun voor berggebieden en andere gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(252)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(253)

De steun mag worden toegekend aan ondernemingen die zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in de krachtens artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 aangewezen gebieden voort te zetten en die actieve landbouwers zijn.

In aanmerking komende kosten

(254)

De steun moet dienen om ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn, volledig of gedeeltelijk te vergoeden voor de extra kosten en gederfde inkomsten die met de beperkingen voor de landbouwproductie in het betrokken gebied samenhangen. De lidstaten moeten het bestaan van de betrokken beperkingen aantonen en het bewijs leveren dat het te betalen compensatiebedrag niet hoger is dan het inkomensverlies en de extra kosten die uit deze beperkingen voortvloeien.

(255)

Voor de berekening van de extra kosten en de gederfde inkomsten moet een vergelijking worden gemaakt met gebieden die niet met natuurlijke of andere specifieke beperkingen worden geconfronteerd, rekening houdende met de betalingen op grond van titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.

(256)

Bij de berekening van de extra kosten en de gederfde inkomsten kunnen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen het betalingsniveau differentiëren om rekening te houden met:

(a)

de ernst van de geconstateerde permanente natuurlijke beperking voor landbouwactiviteiten;

(b)

het landbouwsysteem.

(257)

De steun moet jaarlijks en per hectare landbouwareaal worden verleend.

Steunbedrag

(258)

De steun moet worden vastgesteld op een niveau tussen de volgende minimum‐ en maximumbedragen: gemiddeld ten minste 25 EUR per hectare per jaar voor het areaal van de begunstigde van de steun en ten hoogste 250 EUR per hectare per jaar. Het maximumbedrag mag evenwel 450 EUR per hectare per jaar bedragen in berggebieden in de zin van artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(259)

In naar behoren gemotiveerde gevallen mogen deze maximumbedragen worden verhoogd op grond van specifieke omstandigheden die in de aanmelding aan de Commissie moeten worden aangetoond.

(260)

De lidstaten moeten bepalen dat steun voor een oppervlakte die groter is dan een vast te stellen drempelniveau per bedrijf, geleidelijk moet worden verlaagd, tenzij de steun slechts betrekking heeft op het in punt (258) van deze richtsnoeren vastgestelde minimumbedrag per hectare per jaar. Daarom moet in de aanmeldingen de omvang worden gespecificeerd van de landbouwbedrijven die dergelijke steun zullen ontvangen.

(261)

In het geval van een rechtspersoon of een groep natuurlijke personen of rechtspersonen kunnen de lidstaten de degressiviteit van de steun toepassen op het niveau van de leden van die rechtspersonen of groepen indien in het nationale recht is bepaald dat de individuele leden rechten en verplichtingen hebben die vergelijkbaar zijn met die van individuele landbouwers die de status van bedrijfshoofd hebben, met name wat hun economische, sociale en fiscale status betreft, mits zij tot de versterking van de landbouwstructuren van de betrokken rechtspersonen of groepen hebben bijgedragen.

(262)

Naast de in punt (253) bedoelde steun kunnen de lidstaten in het kader van deze maatregel in de periode 2014-2020 steun toekennen aan begunstigden in gebieden die tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 voor plattelandsontwikkeling in aanmerking kwamen voor steun op grond van artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 (60). Voor begunstigden in gebieden die niet langer voor steun in aanmerking komen na de nieuwe in artikel 32, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde afbakening, moet deze steun degressief zijn over een periode van ten hoogste vier jaar die ingaat op de datum waarop de afbakening overeenkomstig artikel 32, lid 3,van Verordening (EU) nr. 1305/2013 is voltooid, en uiterlijk in 2018. Die steun mag aanvankelijk niet meer bedragen dan 80 % van de gemiddelde betaling die overeenkomstig artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 is vastgesteld in het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2007-2013 of, als de maatregel uitsluitend uit nationale middelen werd verleend, in het betrokken staatssteunbesluit, en mag uiteindelijk in 2020 niet meer bedragen dan 20 %. Wanneer door de toepassing van de degressiviteit het betalingsniveau van 25 EUR is bereikt, kunnen de lidstaten deze steun blijven toekennen totdat de periode van geleidelijke afschaffing is verstreken.

(263)

Na de voltooiing van de afbakening moeten de begunstigden in de gebieden die voor steun in aanmerking blijven komen, volledige betalingen in het kader van deze maatregel ontvangen.

1.1.8.   Steun voor biologische landbouw

(264)

De Commissie zal steun voor biologische landbouw aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(265)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(266)

De steun per hectare landbouwareaal mag worden toegekend aan ondernemingen of groepen ondernemingen die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en ‐methoden als omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (61) en die actieve landbouwers zijn.

(267)

De steun mag alleen worden verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de onderstaande normen en voorschriften, welke in de aanmelding aan de Commissie moeten zijn opgenomen en omschreven.

(a)

de krachtens titel VI, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde toepasselijke dwingende normen;

(b)

de krachtens artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten;

(c)

de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen; en

(d)

andere toepasselijke dwingende voorschriften die bij nationaal recht zijn vastgesteld.

(268)

De verbintenissen moeten over een eerste periode van vijf tot zeven jaar worden uitgevoerd. Als steun voor de omschakeling naar biologische landbouw wordt verleend, kunnen de lidstaten evenwel een kortere eerste periode vaststellen die overeenkomt met de omschakelingsperiode. Als steun wordt verleend voor het voorzetten van biologische landbouw, kunnen de lidstaten voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode. Voor nieuwe voortzettingsverbintenissen die onmiddellijk op de periode van uitvoering van de oorspronkelijke verbintenis aansluiten, mogen de lidstaten een kortere periode vaststellen.

(269)

De voorschriften inzake areaalgerelateerde betalingen die zijn vastgesteld in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in op grond van die bepaling aangenomen gedelegeerde handelingen, moeten, indien van toepassing, worden nageleefd.

In aanmerking komende kosten

(270)

De steun moet dienen om de begunstigden volledig of gedeeltelijk te vergoeden voor de uit de verbintenissen voortvloeiende extra kosten en inkomensverliezen.

(271)

Zo nodig mag de steun ook worden gebruikt voor de financiering van transactiekosten ten belope van maximaal 20 % van de premie die voor de verbintenis wordt betaald. Als de verbintenissen worden aangegaan door groepen ondernemingen, geldt een maximum van 30 %. Deze steun wordt op jaarbasis verleend.

(272)

Als een lidstaat compensatie wil verlenen voor transactiekosten die door het aangaan van verbintenissen op het gebied van biologische landbouw ontstaan, moet hij die kosten evenwel op overtuigende wijze aantonen, bijvoorbeeld door het overleggen van kostenvergelijkingen met ondernemingen die geen dergelijke verbintenissen zijn aangegaan. Daarom geeft de Commissie doorgaans geen toestemming voor staatssteun voor transactiekosten die worden gemaakt om reeds voordien aangegane verbintenissen op het gebied van de biologische landbouw voort te zetten, tenzij een lidstaat aantoont dat die kosten blijven bestaan of dat nieuwe transactiekosten worden gemaakt.

(273)

Wanneer de transactiekosten worden berekend op basis van gemiddelde kosten en/of gemiddelde landbouwbedrijven, moeten de lidstaten aantonen dat met name grote ondernemingen niet worden overgecompenseerd. Bij de berekening van de compensatie moeten de lidstaten er rekening mee houden of de betrokken transactiekosten per onderneming dan wel per hectare worden gemaakt.

(274)

Op grond van deze afdeling mag geen steun worden verleend voor verbintenissen die onder de agromilieuklimaatmaatregel vallen, of voor kosten die vallen onder de afdeling inzake steun om de deelname van producenten van landbouwproducten aan kwaliteitsregelingen te stimuleren.

(275)

Steun voor investeringen in de primaire productie en de verwerking en de afzet van biologische producten valt onder de voorschriften van de afdelingen inzake investeringssteun.

Steunbedrag

(276)

Het steunbedrag bedraagt ten hoogste: 600 EUR per hectare per jaar voor eenjarige gewassen, 900 EUR per hectare per jaar voor gespecialiseerde blijvende teelten en 450 EUR per hectare per jaar voor andere vormen van grondgebruik.

(277)

Deze plafonds mogen in uitzonderlijke gevallen worden overschreden, rekening houdend met specifieke, te motiveren omstandigheden.

1.1.9.   Steun voor de deelname van producenten van landbouwproducten aan een kwaliteitsregeling

(278)

De Commissie zal steun voor de deelname van producenten van landbouwproducten en hun groepen aan een kwaliteitsregeling aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(279)

Deze afdeling is van toepassing op producenten van landbouwproducten. Alleen actieve landbouwers komen in aanmerking voor de in punt (280), onder a), bedoelde steun.

In aanmerking komende kosten

(280)

De steun moet dienen voor de financiering van de volgende in aanmerking komende kosten met betrekking tot kwaliteitsregelingen als bedoeld in punt (282) van deze richtsnoeren:

(a)

kosten van toetreding tot een kwaliteitsregeling;

(b)

kosten van verplichte controlemaatregelen die met kwaliteitsregelingen verband houden en op grond van uniale of nationale regelgeving door of in opdracht van de bevoegde autoriteiten worden uitgevoerd;

(c)

kosten van marktonderzoek en productontwerp en ‐design, en van het opstellen van aanvragen voor de erkenning van kwaliteitsregelingen.

(281)

De in punt (280), onder a) en b), bedoelde steun mag niet worden verleend voor de financiering van de kosten van controles die de begunstigden zelf verrichten of wanneer in de wetgeving van de Unie is bepaald dat de controlekosten door de producenten van landbouwproducten en hun groepen moeten worden gedragen, zonder dat daarbij de daadwerkelijke hoogte van die kosten is vermeld.

(282)

Bij de in punt (280)(a) van deze richtsnoeren bedoelde kwaliteitsregelingen moet het gaan om:

(a)

kwaliteitsregelingen die zijn ingesteld krachtens de volgende verordeningen en bepalingen:

(i)

deel II, titel II, hoofdstuk I, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 wat wijn betreft,

(ii)

Verordening (EU) nr. 1151/2012,

(iii)

Verordening (EG) nr. 834/2007 (62),

(iv)

Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (63),

(v)

Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad (64);

(b)

kwaliteitsregelingen, met inbegrip van certificeringsregelingen, voor landbouwproducten waarvan de lidstaten erkennen dat die aan de volgende criteria voldoen:

(i)

de specificiteit van het eindproduct dat volgens dergelijke kwaliteitsregelingen wordt gemaakt, moet voortvloeien uit duidelijke verplichtingen die het volgende garanderen:

specifieke productkenmerken, of

een specifieke landbouw- of productiemethode, of

een kwaliteit van het eindproduct die uit het oogpunt van de gezondheid van mens, dier of plant, het dierenwelzijn of milieubescherming veel verder gaat dan de voor het handelsproduct geldende normen,

(ii)

de kwaliteitsregeling moet openstaan voor alle producenten,

(iii)

de kwaliteitsregeling moet het opstellen van een bindend productdossier voor eindproducten behelzen en de naleving daarvan moet worden geverifieerd door openbare autoriteiten of door een onafhankelijke inspectie-instantie,

(iv)

de kwaliteitsregeling moet transparant zijn en de volledige traceerbaarheid van de landbouwproducten garanderen;

(c)

vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten waarvan de betrokken lidstaten erkennen dat die voldoen aan de eisen van de mededeling van de Commissie „EU-richtsnoeren betreffende de beste praktijken voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen” (65).

(283)

De steun moet onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk zijn voor alle ondernemingen die daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komen.

(284)

De in punt (280), onder b) en c), van deze richtsnoeren bedoelde steun mag niet worden verleend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden en moet worden betaald aan de voor de controlemaatregelen verantwoordelijke instantie, de aanbieder van onderzoeksdiensten of de adviesverstrekker.

Steunbedrag

(285)

De in punt (280), onder a), bedoelde steun mag gedurende ten hoogste vijf jaar worden verleend en mag ten hoogste 3 000 EUR per begunstigde per jaar bedragen. De steun moet worden verleend in de vorm van een jaarlijkse financiële stimulans waarvan het niveau wordt bepaald op basis van de hoogte van de vaste kosten die met deelname aan kwaliteitsregelingen gepaard gaan.

(286)

De in punt (280), onder b) en c), bedoelde steun mag ten hoogste 100 % van de gemaakte reële kosten bedragen.

1.1.10.   Steun voor technische bijstand in de landbouwsector

(287)

Deze afdeling heeft betrekking op steun voor technische bijstand in de landbouwsector, met uitzondering van steun voor bedrijfsvervangingsdiensten, die alleen mag worden verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(288)

De technische bijstand mag worden verleend door producentengroeperingen of andere organisaties, ongeacht hoe groot die zijn.

(289)

De steun moet onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk zijn voor al degenen die daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komen. Als de technische bijstand door producentengroeperingen of ‐organisaties wordt verleend, mag lidmaatschap van dergelijke groeperingen of organisaties geen voorwaarde zijn om toegang tot die dienstverlening te krijgen. Eventuele bijdragen van niet-leden in de administratieve kosten van de betrokken groepering of organisatie moeten beperkt blijven tot de kosten van de dienstverlening.

1.1.10.1.   Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting

(290)

De Commissie zal steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de algemene voorwaarden voor steun voor technische bijstand en de onderstaande voorwaarden voldoet.

(291)

De steun moet dienen voor de financiering van acties op het gebied van beroepsopleiding en verwerving van vaardigheden, waaronder opleidingscursussen, workshops en coaching, demonstratieactiviteiten en voorlichtingsacties.

(292)

De steun mag ook worden verleend voor korte uitwisselingen inzake bedrijfsbeheer en voor bezoeken aan landbouwbedrijven.

In aanmerking komende kosten

(293)

De steun moet dienen voor de financiering van de volgende in aanmerking komende kosten:

(a)

de kosten van het organiseren van beroepsopleiding, acties voor het verwerven van vaardigheden, demonstratieactiviteiten of voorlichtingsacties;

(b)

de kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers;

(c)

de kosten van vervangende diensten tijdens de afwezigheid van de deelnemers;

(d)

in het geval van demonstratieprojecten komen ook de volgende investeringskosten in aanmerking:

(i)

de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie;

(ii)

de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa,

(iii)

algemene kosten in verband met de onder i) en ii) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van de punten i) en ii) worden verricht;

(iv)

de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

(v)

in naar behoren gemotiveerde gevallen mag steun voor kleinschalige demonstratieprojecten worden verleend voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die met het demonstratieproject gepaard gaan.

(294)

De in punt (293), onder d), i) tot en met iv), bedoelde kosten komen in aanmerking voor zover en zolang zij voor het demonstratieproject worden gemaakt. Alleen de afschrijvingskosten die met de looptijd van het demonstratieproject overeenstemmen, als berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, worden geacht in aanmerking te komen.

(295)

De organisaties die kennisoverdrachts‐ en voorlichtingsdiensten aanbieden, moeten over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel beschikken.

(296)

De in punt (293), onder a), c) en d), i) tot en met iv), bedoelde steun mag niet worden verleend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden en moet worden betaald aan de aanbieder van de actie inzake kennisoverdracht en voorlichting. Steun als bedoeld in punt (293), onder d, v), moet rechtstreeks aan de begunstigden worden betaald. Steun voor kleinschalige demonstratieprojecten als bedoeld in punt (293), onder d), i) tot en met iv), mag rechtstreeks aan de begunstigden worden betaald.

Steunintensiteit

(297)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(298)

Voor de in punt (293)(d) bedoelde in aanmerking komende kosten moet het maximale steunbedrag beperkt blijven tot 100 000 EUR over een periode van drie belastingjaren.

1.1.10.2.   Steun voor adviesdiensten

(299)

De Commissie zal steun voor de verlening van adviesdiensten aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de algemene voorwaarden voor steun voor technische bijstand en de onderstaande voorwaarden voldoet.

(300)

De steun moet bedoeld zijn om ondernemingen die in de landbouwsector actief zijn, en jonge landbouwers te helpen profiteren van adviesdiensten om de economische en ecologische prestatie alsook de klimaatvriendelijkheid en -bestendigheid van hun onderneming en/of investering te verbeteren.

(301)

Het advies moet verband houden met ten minste één Unieprioriteit voor plattelandsontwikkeling en betrekking hebben op ten minste één van de volgende elementen:

(a)

verplichtingen ten gevolge van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen en/of normen inzake een goede landbouw- en milieuconditie als bedoeld in titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013;

(b)

in voorkomend geval, de klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken als bedoeld in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en het onderhoud van het in artikel 4, lid 1, onder c), van die verordening bedoelde landbouwareaal;

(c)

maatregelen die gericht zijn op modernisering van het landbouwbedrijf, verbetering van het concurrentievermogen, sectorintegratie, innovatie, marktoriëntatie en bevordering van ondernemerschap;

(d)

door de lidstaten vastgestelde voorschriften voor de tenuitvoerlegging van artikel 11, lid 3, van de kaderrichtlijn water;

(e)

door de lidstaten vastgestelde voorschriften voor de tenuitvoerlegging van artikel 55 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (66), en met name de naleving van de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 14 van de richtlijn inzake duurzaam gebruik van pesticiden (67);

(f)

indien van toepassing, arbeidsveiligheidsnormen en veiligheidsnormen in verband met het landbouwbedrijf;

(g)

specifiek advies voor landbouwers die zich voor het eerst vestigen, met inbegrip van advies inzake economische en ecologische duurzaamheid.

(302)

Het advies mag ook betrekking hebben op andere thema's, met name op informatie betreffende mitigatie van en adaptatie aan de klimaatverandering, biodiversiteit en de waterbescherming als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013, of thema's die verband houden met de economische en ecologische prestatie van het landbouwbedrijf, met inbegrip van de mededingingsaspecten. Hiertoe behoort onder meer advies voor de ontwikkeling van korte voorzieningsketens, de biologische landbouw en de gezondheidsaspecten van de veehouderij.

(303)

De steun mag niet worden verleend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden. De steun moet aan de aanbieder van de adviesdiensten worden betaald.

(304)

De organisaties die worden geselecteerd om adviesdiensten te verstrekken, moeten beschikken over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel, alsmede over ervaring op het gebied van adviesverstrekking, en moeten betrouwbaar gebleken zijn op de gebieden waarover zij advies verstrekken.

(305)

Bij het verstrekken van advies moeten de aanbieders van de adviesdiensten de in artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde vertrouwelijkheidsvoorschriften in acht nemen.

(306)

Indien dat naar behoren gemotiveerd en steekhoudend is, mag het advies gedeeltelijk in groep worden verstrekt, met dien verstande dat rekening moet worden gehouden met de situatie van de individuele gebruiker van de adviesdiensten.

Steunbedrag

(307)

De steun mag niet meer bedragen dan 1 500 EUR per advies.

1.1.10.3.   Steun voor bedrijfsvervangingsdiensten in de landbouw

(308)

De Commissie zal steun voor bedrijfsvervangingsdiensten in de landbouw aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de algemene voorwaarden voor steun voor technische bijstand en de onderstaande voorwaarden voldoet.

(309)

De steun mag niet worden verleend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de landbouwer. De steun moet worden betaald aan de aanbieder van de bedrijfsvervangingsdiensten.

In aanmerking komende kosten

(310)

De steun moet dienen voor de financiering van de werkelijke kosten van de vervanging van een landbouwer, een natuurlijke persoon die lid van het landbouwhuishouden is, of een werknemer in de landbouw, tijdens hun afwezigheid van het werk als gevolg van ziekte, waaronder ziekte van hun kind, vakantie, moederschap- of ouderschapsverlof, of bij overlijden.

(311)

De totale duur van de vervanging moet beperkt blijven tot drie maanden per jaar per begunstigde, met uitzondering van de vervanging voor moederschaps- en ouderschapsverlof, die in elk geval beperkt moet blijven tot zes maanden. In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie evenwel een langere periode toestaan.

Steunintensiteit

(312)

De steunintensiteit mag ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

1.1.11.   Steun voor samenwerking in de landbouwsector

(313)

De Commissie zal steun voor samenwerking in de landbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(314)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (68).

(315)

De steun moet worden verleend om vormen van samenwerking te bevorderen waarbij ten minste twee entiteiten betrokken zijn, ongeacht of zij in de landbouwsector actief zijn, maar alleen voor zover de samenwerking alleen de landbouwsector ten goede komt, en met name:

(a)

wijzen van samenwerking tussen verschillende ondernemingen in de landbouwsector, de voedselketen (alleen indien de verwerking een landbouwproduct oplevert) en andere in de landbouwsector actieve actoren die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelen en prioriteiten van het plattelandsontwikkelingsbeleid, waaronder producentengroeperingen, coöperaties en brancheorganisaties;

(b)

de oprichting van clusters en netwerken;

(c)

de oprichting en werking van operationele groepen in het kader van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw, als bedoeld in artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(316)

De steun moet worden verleend voor samenwerking op het gebied van met name de volgende activiteiten:

(a)

proefprojecten;

(b)

de ontwikkeling van nieuwe producten, praktijken, procedés en technologieën in de landbouwsector en de levensmiddelensector, maar alleen voor zover het om landbouwproducten gaat;

(c)

samenwerking tussen kleinschalige marktdeelnemers in de landbouwsector met als doel gemeenschappelijke werkprocedés op te zetten en voorzieningen en hulpbronnen te delen;

(d)

horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen met het oog op de oprichting en ontwikkeling van korte voorzieningsketens en lokale markten;

(e)

afzetbevorderingsactiviteiten in een plaatselijke context die betrekking hebben op de ontwikkeling van korte voorzieningsketens en lokale markten;

(f)

gezamenlijke actie ter matiging van of ter aanpassing aan de klimaatverandering;

(g)

gezamenlijke benaderingen van milieuprojecten en gangbare milieupraktijken, met inbegrip van efficiënt waterbeheer, het gebruik van hernieuwbare energie (69) en de instandhouding van het agrarische landschap;

(h)

horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen op het gebied van de duurzame levering van biomassa voor gebruik in de voedselproductie, mits het resultaat een landbouwproduct is, en in de productie van energie voor eigen gebruik;

(i)

de uitvoering, met name door andere dan de in artikel 32, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 omschreven groepen publieke en private partners, van andere dan de in artikel 2, punt 19, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 omschreven strategieën voor lokale ontwikkeling waarbij één of meer prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling worden aangepakt.

(317)

Steun voor de oprichting van clusters en netwerken mag slechts worden toegekend voor pas opgerichte clusters en netwerken en voor netwerken en clusters die een activiteit beginnen die nieuw voor hen is.

(318)

Steun voor de in punt (316), onder a) en b), bedoelde activiteiten mag ook aan individuele actoren worden verleend. Als steun wordt toegekend aan individuele actoren, moeten de resultaten van het gesteunde project of de gesteunde activiteit worden verspreid.

(319)

Steun voor de oprichting en de ontwikkeling van korte voorzieningsketens, als bedoeld in punt (316), onder d) en e), mag slechts betrekking hebben op voorzieningsketens waarbij er tussen de landbouwer en de consument hoogstens één intermediair is.

(320)

De steun krachtens deze afdeling moet voldoen aan de toepasselijke bepalingen van het mededingingsrecht, en met name aan de artikelen 101 en 102 van het Verdrag, zoals die van toepassing zijn krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

In aanmerking komende kosten

(321)

De steun moet dienen voor de financiering van de volgende in aanmerking komende kosten voor zover die verband houden met landbouwactiviteiten:

(a)

kosten van studies van het betrokken gebied, kosten van haalbaarheidsstudies en kosten van het opstellen van een bedrijfsplan of een andere dan de in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde strategie voor lokale ontwikkeling;

(b)

kosten van de dynamisering van het betrokken gebied om een collectief territoriaal project haalbaar te maken dan wel een project dat wordt uitgevoerd door een operationele groep van het EIP voor de productiviteit en duurzaamheid in de landbouw als bedoeld in artikel 56 van Verordening (EU) nr. 1305/2013. In het geval van clusters kan dynamisering tevens betrekking hebben op de organisatie van opleidingen, netwerkvorming tussen de leden en de werving van nieuwe leden;

(c)

de werkingskosten die met de samenwerking gemoeid zijn, bijvoorbeeld het salaris van een „coördinator”;

(d)

de rechtstreekse kosten van specifieke projecten die verband houden met de uitvoering van een bedrijfsplan, een milieuplan, een andere dan de in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde strategie voor lokale ontwikkeling of andere op innovatie gerichte acties, waaronder het verrichten van tests; de rechtstreekse kosten moeten beperkt blijven tot de in aanmerking komende kosten van investeringssteun, als gespecificeerd in afdeling 1.1.1.1 van deel II van deze richtsnoeren inzake investeringssteun;

(e)

de kosten van afzetbevorderingsactiviteiten.

(322)

De looptijd van de steun mag niet meer dan zeven jaar bedragen, behalve wanneer er sprake is van collectieve milieuacties, en dan nog alleen in naar behoren gemotiveerde gevallen.

Steunintensiteit

(323)

Steun mag worden toegekend tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(324)

De rechtstreekse kosten als bedoeld in punt (321), onder d), moeten beperkt blijven tot de maximale steunintensiteit voor investeringssteun, als vastgesteld in de afdeling inzake investeringssteun.

1.2.   Risico- en crisisbeheer

(325)

Voor bepaalde soorten risico's die zich in de landbouwsector voordoen, kan de verlening van staatssteun een adequaat steuninstrument vormen, aangezien landbouwactiviteiten als zodanig in sterke mate blootstaan aan risico's en crisissen. Wel bestaan er verschillen tussen ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn, en ondernemingen die actief zijn in de verwerking van landbouwproducten en de afzet daarvan, in die zin dat de laatstgenoemden normaal gezien over betere mogelijkheden beschikken om risico's af te dekken. Om die reden is een aantal steuncategorieën in deze afdeling alleen beschikbaar voor ondernemingen die in de primaire landbouwproductie actief zijn.

(326)

De Commissie zal ten aanzien van staatssteun die verleend wordt voor activiteiten die aan risico's en crisissen onderhevig zijn, rekening houden met de noodzaak om ongepaste vervalsing van de mededinging te vermijden door van de producenten een minimumbijdrage in de verliezen of in de kosten die met dergelijke steunmaatregelen gepaard gaan, te eisen dan wel andere adequate maatregelen te eisen die nodig zijn om het gevaar van mededingingsvervalsing te beperken, zodat de staatssteun evenredig is aan de geleden verliezen. In haar beoordeling zal de Commissie ook rekening houden met de plicht van de begunstigde om adequate preventieve maatregelen te treffen om het totale bedrag aan toegekende steun tot een minimum te beperken.

1.2.1.   Steun om schade aan de landbouwproductie of de landbouwproductiemiddelen te vergoeden en schade te voorkomen

1.2.1.1.   Steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen

(327)

De Commissie zal steun voor het herstel van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag als die steun aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(328)

Deze afdeling is van toepassing op de landbouwsector (70).

(329)

Omdat het gaat om uitzonderingen op het in artikel 107, lid 1, van het Verdrag neergelegde algemene verbod op staatssteun in de interne markt, heeft de Commissie zich steeds op het standpunt gesteld dat de in artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag gehanteerde begrippen „natuurramp” en „buitengewone gebeurtenis” op restrictieve wijze moeten worden geïnterpreteerd. Dit standpunt is bekrachtigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (71).

(330)

Tot dusverre heeft de Commissie de volgende gebeurtenissen als natuurramp aangemerkt: aardbevingen, lawines, grondverschuivingen en overstromingen. Daarnaast houdt zij rekening met de ontwikkeling in het kader van het initiatief tot modernisering van de staatssteun, op grond waarvan het nu mogelijk is om ook voor de volgende categorieën natuurrampen een groepsvrijstelling te verlenen: tornado’s, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak. Tot de buitengewone gebeurtenissen die de Commissie in het verleden als zodanig heeft erkend, behoren oorlog, binnenlandse ordeverstoringen en stakingen alsmede, zij het met enige restricties en afhankelijk van de omvang ervan, ernstige nucleaire of industriële ongevallen en branden die tot wijdverspreide verliezen leiden (72). De Commissie zal voorstellen tot toekenning van staatssteun overeenkomstig artikel 107, lid 2, onder b), van het Verdrag van geval tot geval blijven beoordelen, met inachtneming van haar vroegere praktijk ter zake.

(331)

Voor steun die in het kader van deze afdeling wordt verleend, gelden de volgende voorwaarden:

(a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat heeft de gebeurtenis formeel als natuurramp of buitengewone gebeurtenis erkend,

en

(b)

er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de natuurramp of buitengewone gebeurtenis en de schade die de onderneming heeft geleden.

(332)

Zo nodig kunnen de lidstaten vooraf criteria vaststellen op basis waarvan de in punt (331), onder a), bedoelde formele erkenning wordt geacht te zijn verleend.

(333)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden betaald of aan een producentengroepering of ‐organisatie waarvan de onderneming lid is. Wanneer de steun aan een producentengroepering of ‐organisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

(334)

De steunregeling moet binnen drie jaar na de datum van de gebeurtenis worden ingesteld en de steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(335)

Om snel crisisbeheer te vergemakkelijken zal de Commissie toestemming verlenen voor ex-antekadersteunregelingen om schade te vergoeden die wordt veroorzaakt door aardbevingen, lawines, grondverschuivingen en overstromingen en door tornado's, orkanen, vulkaanuitbarstingen en natuurbranden met een natuurlijke oorzaak, mits duidelijk wordt aangegeven onder welke voorwaarden bij dergelijke natuurrampen steun kan worden verleend (73). In het geval van ex-anteregelingen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt (728).

(336)

Steun die wordt toegekend ter vergoeding van schade als gevolg van andere, niet in punt (330) vermelde soorten natuurrampen en ter vergoeding van schade als gevolg van buitengewone gebeurtenissen, moet individueel bij de Commissie worden aangemeld.

In aanmerking komende kosten

(337)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de schade die als rechtstreeks gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming.

(338)

Bij de schade kan het gaan om:

(a)

materiële schade aan activa, zoals gebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen;

(b)

inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen.

(339)

De schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

(340)

De materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis. Dit schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis.

(341)

Het inkomensverlies moet worden berekend door:

(a)

de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar van de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs,

af te trekken van

(b)

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaar voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

(342)

Dat bedrag mag worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde wegens de natuurramp of de buitengewone gebeurtenis heeft gemaakt en moet worden verlaagd met de kosten die wegens de natuurramp of buitengewone gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt.

(343)

Voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde mogen indexen worden gebruikt op voorwaarde dat de toegepaste berekeningsmethode het mogelijk maakt het reële verlies van een individuele begunstigde in het betrokken jaar te bepalen.

(344)

De Commissie accepteert ook andere methoden voor de berekening van de schade op voorwaarde dat zij ervan overtuigd is dat deze methoden representatief zijn, niet gebaseerd zijn op abnormaal hoge opbrengsten en geen aanleiding geven tot overcompensatie van begunstigden. De meting van de omvang van de schade kan worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk type product, door gebruik te maken van:

a)

biologische indexen (hoeveelheid verloren gegane biomassa) of equivalente oogstdalingsindexen, vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf of op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau, of

b)

weerindexen (waaronder neerslaghoeveelheid en temperatuur) op lokaal, regionaal of nationaal niveau.

Steunintensiteit

(345)

De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van verzekeringspolissen, moeten beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

1.2.1.2.   Steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld

(346)

De Commissie zal steun ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(347)

Deze afdeling is van toepassing op steun die wordt verleend ter vergoeding van schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, als omschreven in punt (35)31 van deze richtsnoeren. Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(348)

Voor steun die in het kader van deze afdeling wordt verleend, gelden de volgende voorwaarden:

(a)

de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft de gebeurtenis formeel erkend als ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld,

en

(b)

er is een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, en de schade die de onderneming heeft geleden.

(349)

Zo nodig kunnen de lidstaten vooraf criteria vaststellen op basis waarvan de in punt (348), onder a), bedoelde formele erkenning wordt geacht te zijn verleend.

(350)

In het geval van ex-anteregelingen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt (728).

(351)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden betaald of aan een producentengroepering of ‐organisatie waarvan de onderneming lid is. Wanneer de steun aan een producentengroepering of ‐organisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

(352)

De steunregelingen moeten worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, zich heeft voorgedaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

In aanmerking komende kosten

(353)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de schade die het rechtstreeks gevolg is van de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming.

(354)

Bij de schade kan het gaan om:

(a)

materiële schade aan activa, zoals landbouwbedrijfsgebouwen, uitrusting, machines, voorraden en productiemiddelen;

(b)

inkomensverlies als gevolg van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de landbouwproductie en de landbouwproductiemiddelen.

(355)

De schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

(356)

De materiële schade aan activa als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld. Dit schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van de activa onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld.

(357)

Als de in punt (354), onder b), bedoelde vermindering van het inkomen van de begunstigde wordt berekend op het niveau van de gewassen of de veestapel, mag bij de materiële schade alleen rekening worden gehouden met dat gewas of dat vee.

(358)

Het inkomensverlies moet worden berekend hetzij op het niveau van de jaarlijkse landbouwproductie, hetzij op het niveau van de gewassen of de veestapel, door:

(a)

de hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in het jaar waarin de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, zich heeft voorgedaan, of die is geproduceerd in elk volgend jaar waarin de weerslag van de volledige of gedeeltelijke vernietiging van de productiemiddelen voelbaar was, vermenigvuldigd met de in dat jaar verkregen gemiddelde verkoopprijs,

af te trekken van:

(b)

de gemiddelde jaarlijkse hoeveelheid landbouwproducten die is geproduceerd in de drie jaar voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, of het gemiddelde van drie van de vijf jaren voorafgaand aan de ongunstige weersomstandigheid die met een natuurramp kan worden gelijkgesteld, de hoogste en de laagste productie niet meegerekend, vermenigvuldigd met de gemiddelde verkregen verkoopprijs.

(359)

Dat bedrag mag worden verhoogd met andere kosten die de begunstigde heeft gemaakt wegens de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld. Op dat bedrag moeten de kosten in mindering worden gebracht die wegens de ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt.

(360)

Voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde mogen indexen worden gebruikt op voorwaarde dat de toegepaste berekeningsmethode het mogelijk maakt het reële verlies van een individuele begunstigde in het betrokken jaar te bepalen.

(361)

De Commissie accepteert ook andere methoden voor de berekening van de schade op voorwaarde dat zij ervan overtuigd is dat deze methoden representatief zijn, niet gebaseerd zijn op abnormaal hoge opbrengsten en geen aanleiding geven tot overcompensatie van begunstigden. De meting van de omvang van de schade kan worden afgestemd op de specifieke kenmerken van elk afzonderlijk type product, door gebruik te maken van:

(a)

biologische indexen (hoeveelheid verloren gegane biomassa) of equivalente oogstdalingsindexen, vastgesteld op het niveau van het landbouwbedrijf of op plaatselijk, regionaal of nationaal niveau, of

(b)

weerindexen (waaronder hoeveelheid neerslag en temperatuur) op lokaal, regionaal of nationaal niveau.

Steunintensiteit

(362)

De steun en de eventuele andere ontvangen betalingen ter vergoeding van de schade, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor de schade waarvoor de steun wordt verleend, mogen niet meer bedragen dan 80 % van de in aanmerking komende kosten. In gebieden met natuurlijke beperkingen mag de steunintensiteit worden verhoogd tot 90 %.

(363)

Steun die op grond van deze afdeling wordt verleend, moet met 50 % worden verminderd, tenzij hij wordt betaald aan begunstigden die een verzekering hebben afgesloten voor ten minste 50 % van hun gemiddelde jaarlijkse productie of van hun gemiddelde jaarlijkse productiegerelateerde inkomen en voor de klimaatrisico’s die statistisch het vaakst voorkomen in de betrokken lidstaat of regio waarvoor een verzekering is afgesloten. Van deze voorwaarde kan alleen worden afgeweken indien een lidstaat op overtuigende wijze kan aantonen dat ondanks alle redelijke inspanningen geen betaalbare verzekering ter dekking van de statistisch meest frequente weerrisico's in de betrokken lidstaat of regio verkrijgbaar was toen de schade werd opgelopen.

1.2.1.3.   Steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten en plantenplagen en steun voor het herstel van schade als gevolg van dierziekten en plantenplagen

(364)

De Commissie zal steun voor de kosten van preventie, bestrijding en uitroeiing van dierziekten of plantenplagen en steun voor het herstel van schade als gevolg van die dierziekten of plantenplagen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(365)

Deze afdeling is van toepassing op steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(366)

De steun mag enkel worden betaald:

(a)

met betrekking tot dierziekten of plantenplagen waarvoor wettelijk, bestuursrechtelijk of administratief vastgestelde uniale of nationale voorschriften gelden; en

(b)

als onderdeel van:

(i)

een uniaal, nationaal of regionaal openbaar programma ter preventie, bestrijding of uitroeiing van de betrokken dierziekte of plantenplaag, of

(ii)

door de bevoegde openbare autoriteit opgelegde noodmaatregelen, of

(iii)

maatregelen voor de uitroeiing of indamming van een plantenplaag die worden uitgevoerd overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten of voor plantaardige producten schadelijke organismen (74).

(367)

De in punt (366)(b) bedoelde programma's en maatregelen moeten een beschrijving bevatten van de betrokken preventie‐, bestrijdings‐ of uitroeiingsmaatregelen.

(368)

De steun mag geen betrekking hebben op maatregelen waarvoor in de Uniewetgeving is bepaald dat de kosten daarvan door de begunstigde moeten worden gedragen, tenzij deze steunmaatregelen volledig worden bekostigd uit de opbrengsten van aan de begunstigden opgelegde verplichte heffingen.

(369)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden betaald of aan een producentengroepering of ‐organisatie waarvan de onderneming lid is. Wanneer de steun aan een producentengroepering of ‐organisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

(370)

Er mag geen individuele steun worden toegekend wanneer wordt geconstateerd dat de ziekte of de besmetting met de plantenplaag met opzet of door nalatigheid van de begunstigde werd veroorzaakt.

(371)

Wat dierziekten betreft, mag de steun uitsluitend worden toegekend voor ziekten als bedoeld in de lijst van dierziekten van de Wereldorganisatie voor diergezondheid, of voor dierziekten en zoönosen die zijn vermeld in de bijlagen I en II bij Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (75).

(372)

De steunregelingen moeten worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de door de dierziekte of plantenplaag veroorzaakte uitgaven of verliezen zijn ontstaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(373)

In het geval van ex-anteregelingen moeten de lidstaten voldoen aan de rapportageverplichting die is vastgesteld in punt (728).

In aanmerking komende kosten

(374)

Bij preventiemaatregelen moet de steun dienen voor de financiering van in aanmerking komende kosten van:

(a)

gezondheidscontroles;

(b)

analyses, waaronder in-vitrodiagnostiek;

(c)

tests en andere screeningmaatregelen, waaronder TSE- en BSE-tests;

(d)

de aankoop, opslag, toediening en distributie van vaccins, geneesmiddelen, stoffen voor de behandeling van dieren en gewasbeschermingsmiddelen;

(e)

de preventieve slacht of ruiming van dieren of de vernietiging van dierlijke producten en planten en de reiniging en ontsmetting van het bedrijf en de uitrusting.

(375)

Bij bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen moet de steun dienen voor de financiering van de in aanmerking komende kosten van:

(a)

in het geval van dierziekten, tests en andere screeningmaatregelen, waaronder TSE- en BSE-tests;

(b)

de aankoop, opslag, toediening en distributie van vaccins, geneesmiddelen, stoffen voor de behandeling van dieren en gewasbeschermingsmiddelen;

(c)

de slacht of ruiming en vernietiging van dieren en de vernietiging van met die dieren verband houdende producten of de vernietiging van planten, met inbegrip van die welke sterven of worden vernietigd als gevolg van een vaccinatie of van andere maatregelen die door de bevoegde autoriteiten zijn opgelegd, en de reiniging en ontsmetting van het bedrijf en de uitrusting.

(376)

De steun in verband met de in de punten (374) en (375) bedoelde in aanmerking komende kosten moet in natura worden verleend en aan de aanbieder van de preventie- en uitroeiingsmaatregelen worden betaald, behalve als het gaat om de in de punten (374)(d) en (375)(b) bedoelde in aanmerking komende kosten en, wat plantenplagen betreft, de in de punten (374)(e) en (375)(c) bedoelde in aanmerking komende kosten of om kosten van de reiniging en de ontsmetting van het bedrijf en de uitrusting.

(377)

Bij steun voor het herstel van de schade als gevolg van dierziekten of plantenplagen mag de vergoeding uitsluitend worden berekend op basis van:

(a)

de marktwaarde van de dieren die zijn geslacht of geruimd of zijn gestorven, van de met die dieren verband houdende producten of van de planten die zijn vernietigd:

(i)

als gevolg van de dierziekte of plantenplaag;

(ii)

als onderdeel van een openbaar programma of een maatregel als bedoeld in punt (366)(b) van deze richtsnoeren;

(b)

Het inkomensverlies als gevolg van quarantaineverplichtingen, moeilijkheden bij het herbevolken of heraanplanten en de verplichte vruchtwisseling die zijn opgelegd als onderdeel van een openbaar programma of een maatregel als bedoeld in punt (366)(b).

(378)

Op dat bedrag moeten de kosten in mindering worden gebracht die wegens de dierziekte of de plantenplaag niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt.

(379)

Die in punt (377), onder a), bedoelde marktwaarde moet worden vastgesteld op basis van de waarde die de dieren, producten en planten hadden net voordat het vermoeden van de dierziekte of plantenplaag ontstond of werd bevestigd.

(380)

De in punt (377) bedoelde steun moet beperkt blijven tot de kosten en de schade als gevolg van dierziekten en plantenplagen ten aanzien waarvan de bevoegde autoriteit:

(a)

in het geval van een dierziekte, formeel heeft erkend dat zich een uitbraak heeft voorgedaan, of

(b)

in het geval van een plantenplaag, formeel de aanwezigheid ervan heeft bevestigd.

(381)

In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen kan de Commissie instemmen met kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de in deze afdeling bedoelde noodzakelijke maatregelen.

Steunintensiteit

(382)

De steun en de eventuele andere betalingen die de begunstigde voor dezelfde in aanmerking komende kosten ontvangt, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis, mogen niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

1.2.1.4.   Steun voor gestorven dieren

(383)

De Commissie zal steun voor gestorven dieren aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(384)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

Steunintensiteit voor in aanmerking komende kosten

(385)

Voor de onderstaande in aanmerking komende kosten gelden de volgende steunintensiteiten:

(a)

steun tot 100 % van de kosten van het afvoeren van gestorven dieren en steun tot 75 % van de kosten van de vernietiging van dergelijke gestorven dieren; steun voor de financiering van de kosten van premies voor een verzekering die de kosten van het afvoeren en de vernietiging van gestorven dieren dekt, kan worden verleend overeenkomstig afdeling 1.2.1.6 van deel II van deze richtsnoeren;

(b)

steun tot 100 % van de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren wanneer de steun wordt gefinancierd uit heffingen of verplichte bijdragen voor de financiering van het afvoeren en vernietigen van dergelijke gestorven dieren, mits die heffingen of bijdragen beperkt zijn tot de vleessector en rechtstreeks aan de vleessector worden opgelegd;

(c)

steun ten bedrage van 100 % van de kosten van het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren wanneer op de gestorven dieren TSE-tests moeten worden uitgevoerd of in het geval van een uitbraak van een in punt (371) van deze richtsnoeren bedoelde dierziekte.

(386)

De steun mag enkel worden verleend wanneer er een consistent monitoringprogramma is dat garandeert dat alle gestorven dieren in de betrokken lidstaat op veilige wijze worden verwijderd.

(387)

De steun moet in natura worden verstrekt en mag niet worden verleend in de vorm van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden, behalve wanneer de veehouder die de begunstigde van de steun is, ook als dienstverlener optreedt.

(388)

Om het beheer van de steun te vergemakkelijken mag de steun worden betaald aan marktdeelnemers of instanties die:

(a)

actief zijn in het stadium volgend op dat van de ondernemingen die in de sector dierlijke productie actief zijn, en

(b)

diensten verlenen in verband met het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren.

(389)

Met betrekking tot gestorven dieren en slachthuisafval zal de Commissie vasthouden aan haar beleid om geen toestemming te verlenen voor steun voor gestorven dieren die wordt verleend aan marktdeelnemers die actief zijn in de verwerking van landbouwproducten en de afzet van landbouwproducten, en evenmin voor steun voor de kosten van de verwijdering van slachthuisafval. Staatssteun voor investeringen op het gebied van de verwijdering van slachthuisafval zal worden getoetst aan de toepasselijke regels voor investeringssteun.

1.2.1.5.   Steun ter vergoeding van door beschermde dieren aangerichte schade

(390)

De schade die beschermde dieren aanrichten aan materieel, infrastructuur, dieren en planten, is een steeds groter wordend probleem. Het welslagen van het instandhoudingsbeleid van de Unie hangt deels af van een doeltreffende beheersing van conflicten tussen beschermde dieren en landbouwers. Bijgevolg zal de Commissie, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, steun ter vergoeding van door beschermde dieren aangerichte schade aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(391)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(392)

Om het gevaar van mededingingsvervalsing te verkleinen en een stimulans voor optimale risicobeperking te bieden wordt van de begunstigden een minimale tegenprestatie gevraagd. Deze bijdrage moet worden geleverd in de vorm van redelijke preventieve maatregelen, zoals het plaatsen, waar dat mogelijk is, van veiligheidsafrasteringen of het gebruik van honden die het vee bewaken; deze maatregelen moeten in verhouding staan tot het risico van de schade die de beschermde dieren in het betrokken gebied kunnen aanrichten. Als het niet mogelijk is om redelijke preventieve maatregelen te treffen, moet de betrokken lidstaat, opdat de steun verenigbaar kan worden geacht, aantonen dat het onmogelijk is dergelijke preventieve maatregelen te nemen.

(393)

De lidstaat moet constateren dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het gedrag van het beschermde dier.

(394)

De steun moet rechtstreeks aan de betrokken onderneming worden betaald of aan een producentengroepering of ‐organisatie waarvan de onderneming lid is. Wanneer de steun aan een producentengroepering of ‐organisatie wordt betaald, mag het steunbedrag niet hoger zijn dan het steunbedrag waarvoor die onderneming in aanmerking komt.

(395)

De steunregeling moet worden ingesteld binnen drie jaar na de datum waarop de schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

In aanmerking komende kosten

(396)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de schade die als een rechtstreeks gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming.

(397)

Bij de schade kan het gaan om:

(a)

schade in de vorm van gedode dieren of vernietigde planten: de in aanmerking komende kosten zijn gebaseerd op de marktwaarde van de door de beschermde dieren gedode dieren of vernietigde gewassen;

(b)

indirecte kosten: veterinaire kosten van de behandeling van gewonde dieren en arbeidskosten in verband met het zoeken naar ontbrekende dieren;

(c)

materiële schade aan de volgende activa: aan landbouwmaterieel, landbouwmachines, landbouwbedrijfsgebouwen en voorraden; de materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis; dit schadebedrag mag niet groter zijn dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de gebeurtenis.

(398)

Op het bedrag moeten de kosten in mindering worden gebracht die wegens de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt.

(399)

De schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

(400)

Voor investeringen in het kader van maatregelen om door beschermde dieren aangerichte schade te voorkomen, mag steun worden verleend onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in afdeling 1.1.1.1 van deel II van deze richtsnoeren betreffende investeringssteun op landbouwbedrijven.

Steunintensiteit

(401)

De vergoeding mag ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

(402)

De vergoeding voor indirecte kosten moet in verhouding staan tot de directe kosten en mag niet hoger zijn dan 80 % van de totale in aanmerking komende indirecte kosten.

(403)

De steun en eventuele andere ontvangen betalingen ter vergoeding van de schade, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis voor de schade waarvoor de steun wordt verleend, mogen niet meer bedragen dan 100 % van de directe in aanmerking komende kosten en niet meer dan 80 % van de indirecte in aanmerking komende kosten.

1.2.1.6.   Steun als bijdrage aan verzekeringspremies

(404)

Vaak is een verzekering een nuttig instrument voor een goed risico‐ en crisisbeheer. Daarom en wegens de vaak beperkte financieringsmogelijkheden van landbouwers staat de Commissie positief tegenover staatssteun als bijdrage aan verzekeringspremies voor zover de verzekering de primaire landbouwproductie betreft.

(405)

De Commissie zal steun als bijdrage aan verzekeringspremies aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(406)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(407)

De steun mag de werking van de interne markt voor verzekeringsdiensten niet belemmeren. Met name mag de steun niet beperkt blijven tot verzekeringen van een enkele maatschappij of groep maatschappijen en mag niet als voorwaarde worden gesteld dat het verzekeringscontract wordt gesloten met een in de betrokken lidstaat gevestigde maatschappij.

(408)

Herverzekeringsregelingen worden per geval getoetst.

In aanmerking komende kosten

(409)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van premies voor verzekeringen ter dekking van schade als gevolg van natuurrampen of buitengewone gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten en plantenplagen en het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren en van door beschermde dieren aangerichte schade, als nader omschreven in de afdelingen 1.2.1.1., 1.2.1.2., 1.2.1.3., 1.2.1.4 en 1.2.1.5, van schade door andere ongunstige weersomstandigheden en/of van schade door milieuongevallen.

(410)

De verzekering mag uitsluitend de kosten van het herstel van de in punt (409) bedoelde schade vergoeden en mag niet gekoppeld zijn aan eisen of specificaties inzake het soort toekomstige productie of de omvang daarvan.

(411)

Bij de steun voor premies voor verzekeringen waarmee verliezen als gevolg van een milieuongeval worden gedekt, moet aan de volgende extra voorwaarde worden voldaan: de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet officieel erkennen dat zich een milieuongeval heeft voorgedaan. Zo nodig kunnen de lidstaten vooraf criteria vaststellen op basis waarvan de formele erkenning wordt geacht te zijn verleend. Voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde en van de omvang van het verlies mogen de in de punten (360) en (361) bedoelde indexen worden gebruikt.

Steunintensiteit

(412)

De brutosteunintensiteit mag niet meer bedragen dan 65 % van de kosten van de verzekeringspremie, met uitzondering van de steun voor het afvoeren en vernietigen van gestorven dieren, waarvoor de steunintensiteit niet meer mag bedragen dan 100 % van de kosten van de verzekeringspremie voor wat betreft verzekeringspremies voor het afvoeren van gestorven dieren en niet meer dan 75 % van de kosten van de verzekeringspremie voor wat betreft verzekeringspremies voor het vernietigen van dergelijke gestorven dieren.

(413)

De lidstaten mogen het bedrag van de verzekeringspremie dat voor steun in aanmerking komt, beperken door de toepassing van passende plafonds.

1.2.1.7.   Steun voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen

(414)

De Commissie zal steun voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee landbouwers worden vergoed voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten en plantenplagen als nader omschreven in de afdelingen 1.2.1.2 en 1.2.1.3, en/of voor schade door milieuongevallen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(415)

Deze afdeling is van toepassing op ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(416)

Het betrokken onderling fonds moet:

(a)

door de bevoegde autoriteit overeenkomstig de nationale wetgeving zijn geaccrediteerd;

(b)

betalingen aan en afboekingen van het betrokken fonds transparant behandelen;

(c)

beschikken over duidelijke voorschriften inzake de toewijzing van verantwoordelijkheid voor schulden.

(417)

De lidstaten moeten voorschriften vaststellen voor de oprichting en het beheer van de onderlinge fondsen, met name met betrekking tot de verlening van compensatiebetalingen en met betrekking tot het beheer en de monitoring van de naleving van deze voorschriften. De lidstaten moeten erop toezien dat de regelingen van de fondsen voorzien in sancties in geval van nalatigheid van de onderneming.

In aanmerking komende kosten

(418)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee landbouwers worden vergoed voor schade als gevolg van ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, dierziekten en plantenplagen als nader omschreven in de afdelingen 1.2.1.2 en 1.2.1.3, en/of voor schade door milieuongevallen. De financiële bijdragen mogen slechts betrekking hebben op de bedragen die de onderlinge fondsen als financiële vergoeding betalen aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie.

(419)

Bij de steun voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen waarmee schade als gevolg van milieuongevallen wordt vergoed, moet aan de volgende extra voorwaarde worden voldaan: de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat moet officieel erkennen dat zich een milieuongeval heeft voorgedaan. Zo nodig kunnen de lidstaten vooraf criteria vaststellen op basis waarvan de formele erkenning wordt geacht te zijn verleend. Voor de berekening van de jaarlijkse landbouwproductie van de begunstigde en van de omvang van het verlies mogen de in de punten (360) en (361) bedoelde indexen worden gebruikt.

Steunintensiteit

(420)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 65 % van de in aanmerking komende kosten.

(421)

De lidstaten kunnen de voor steun in aanmerking komende kosten beperken aan de hand van:

(a)

maxima per fonds,

(b)

adequate maxima per lid van/aangeslotene bij het fonds.

1.2.2.   Steun voor de sluiting van productiecapaciteit

(422)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (76).

1.2.2.1.   Sluiting van capaciteit om dier-, plant- of volksgezondheidsredenen, sanitaire, ethische of milieuredenen

(423)

De Commissie zal steun voor de sluiting van capaciteit aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(424)

De capaciteit moet worden gesloten om dier-, plant- of volksgezondheidredenen of sanitaire, ethische of milieuredenen, zoals een vermindering van de totale veebezetting.

(425)

De begunstigde van de steun moet een toereikende tegenprestatie leveren. Deze tegenprestatie bestaat erin dat definitief en onherroepelijk wordt besloten de betrokken productiecapaciteit te slopen of onherroepelijk te sluiten. Dit betekent de volledige sluiting van de capaciteit door de betrokken onderneming of, in naar behoren gemotiveerde gevallen, de gedeeltelijke sluiting van de capaciteit. Van de begunstigde moet een wettelijk bindende toezegging worden verkregen dat de sluiting van de betrokken productiecapaciteit definitief en onomkeerbaar is en dat de begunstigde dezelfde activiteit niet opnieuw zal beginnen op een andere plaats. Deze toezegging moet ook bindend zijn voor een toekomstige koper van de betrokken grond of voorziening.

(426)

Uitsluitend ondernemingen die daadwerkelijk hebben geproduceerd, en uitsluitend productiecapaciteit die in de laatste vijf jaar vóór de sluiting van de capaciteit onafgebroken is gebruikt, komen voor steun in aanmerking. In gevallen waarin de productiecapaciteit al definitief is gesloten of waarin een dergelijke sluiting onvermijdelijk lijkt, is er geen tegenprestatie van de begunstigde en mag geen steun worden verleend.

(427)

De Commissie behoudt zich het recht voor om aanvullende voorwaarden aan de goedkeuring van de steun te verbinden.

(428)

Alleen ondernemingen die aan de Unienormen voldoen, komen voor steun in aanmerking. Ondernemingen die niet aan die normen voldoen en hun productie hoe dan ook moeten stopzetten, zijn uitgesloten.

(429)

Om erosie en andere nadelige milieueffecten te voorkomen moeten uit productie genomen cultuurgronden in beginsel binnen twee jaar worden bebost of in natuurgebied worden omgezet, en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Bij wijze van alternatief mogen cultuurgronden twintig jaar na de daadwerkelijke capaciteitssluiting opnieuw in gebruik worden genomen. Tot dan moeten de cultuurgronden in een goede landbouw- en milieuconditie worden gehouden overeenkomstig titel VI, hoofdstuk I, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen. De sluiting van installaties als bedoeld in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (77) moet plaatsvinden overeenkomstig de artikelen 11 en 22 van die richtlijn, waarin is bepaald dat de nodige maatregelen moeten worden getroffen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en dat het bedrijfsterrein weer in een bevredigende toestand moet worden gebracht.

(430)

De in het kader van een steunregeling verleende steun moet voor alle in aanmerking komende ondernemingen toegankelijk zijn.

In aanmerking komende kosten

(431)

De steun moet dienen voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, berekend op basis van de actuele verkoopwaarde van de activa.

(432)

Naast de compensatie voor het verlies van de waarde van activa mag voor de sluiting van capaciteit om milieuredenen een financiële stimulans van ten hoogste 20 % van de waarde van de activa worden gegeven.

(433)

Er mag tevens een vergoeding worden toegekend voor de kosten die verbonden zijn aan de vernietiging van de productiecapaciteit.

(434)

De steun mag ook worden toegekend ter vergoeding van de verplichte sociale kosten die de uitvoering van het besluit tot sluiting met zich brengt.

(435)

De steun voor bebossing en de omzetting van grond in natuurgebieden moet worden toegekend overeenkomstig de voorschriften van de afdelingen 2.1.1 en 2.1.2 van deel II en de voorschriften inzake niet-productieve investeringen van afdeling 1.1.1.1 van deel II.

Steunintensiteit

(436)

De maximale steunbedragen zijn als volgt:

(a)

hoogstens 100 % voor de vergoeding van het waardeverlies van de activa, voor de vergoeding van de kosten van de vernietiging van de productiecapaciteit en voor de compensatie van de verplichte sociale kosten die het besluit tot sluiting met zich brengt;

(b)

hoogstens 120 % voor de vergoeding van verlies aan waarde van activa wanneer de sluiting om milieuredenen plaatsvindt.

1.2.2.2.   Sluiting van capaciteit om andere redenen

(437)

De Commissie zal steun voor de sluiting van capaciteit om andere dan de in afdeling 1.2.2.1 vermelde redenen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden voldoet.

(438)

De sluiting moet plaatsvinden met het oog op herstructurering van de sector, diversificatie of vervroegde uittreding.

(439)

De in de punten (425) tot en met (429) genoemde voorwaarden moeten zijn vervuld.

(440)

Er mag geen steun worden verleend die de mechanismen van de gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten zou verstoren. Steunregelingen voor sectoren waarvoor productiebeperkingen of -quota gelden, zullen per geval worden beoordeeld.

(441)

De steun moet deel uitmaken van een programma voor de herstructurering van de sector, diversificatie of vervroegde uittreding, dat welomschreven doelstellingen en een concreet tijdschema bevat.

(442)

Met het oog op een snel markteffect moet de looptijd van de steunregelingen tot sluiting van de capaciteit beperkt blijven tot maximaal zes maanden voor het verzamelen van de deelnemingsaanvragen en tot nog eens twaalf maanden voor de daadwerkelijke sluiting. De Commissie verleent geen toestemming voor steunregelingen met een looptijd van meer dan drie jaar, aangezien uit de ervaring blijkt dat dergelijke regelingen tot uitstel van de nodige veranderingen kunnen leiden.

(443)

De steunregeling moet voor alle marktdeelnemers in de betrokken sector onder dezelfde voorwaarden toegankelijk zijn. Met het oog op een maximale impact moeten de lidstaten gebruikmaken van een transparant systeem van oproepen tot het geven van blijken van belangstelling waarmee alle potentieel belangstellende ondernemingen publiekelijk worden uitgenodigd aan de regeling deel te nemen; tegelijkertijd moet de steunregeling zo worden georganiseerd dat de betrokken ondernemingen niet worden gedwongen of aangezet tot mededingingsbeperkende overeenkomsten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen.

In aanmerking komende kosten en steunintensiteit

(444)

De bepalingen van afdeling 1.2.2.1 van deel II van deze richtsnoeren inzake de in aanmerking komende kosten en de steunintensiteit zijn van toepassing, behalve voor de kosten als bedoeld in punt (432).

1.3.   Andere soorten steun in de landbouwsector

1.3.1.   Steun voor de sector dierlijke productie

(445)

De Commissie staat positief tegenover steun die bijdraagt tot de instandhouding en de verbetering van de genetische kwaliteit van de landbouwhuisdieren in de Unie. Zij zal steun voor de sector dierlijke productie aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(446)

Deze afdeling is van toepassing op kmo's die actief zijn in de primaire landbouwproductie. De Commissie zal niet toestaan dat staatssteun voor onder deze afdeling vallende kosten aan grote ondernemingen wordt verleend.

(447)

De steun moet in natura worden verleend en mag niet de vorm aannemen van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden.

In aanmerking komende kosten

(448)

De steun moet dienen voor het opstellen en bijhouden van stamboeken en voor tests die door of in opdracht van derden worden uitgevoerd om de genetische kwaliteit of het genetische rendement van de dieren te bepalen, met uitzondering van door de eigenaar van de dieren verrichte controles en van routinematige controles van de melkkwaliteit.

(449)

De in aanmerking komende kosten omvatten:

(a)

de volgende administratieve kosten van het opstellen en bijhouden van stamboeken, als bedoeld in punt (448):

(i)

de kosten van het verzamelen en beheren van gegevens over de dieren, bijvoorbeeld de herkomst van een dier, zijn geboortedatum en inseminatiedatum en de datum en oorzaak van zijn afsterven, en de kosten van het beoordelen, bijwerken en verwerken van de voor het opstellen en bijhouden van stamboeken vereiste gegevens door een deskundige,

(ii)

de kosten van administratieve werkzaamheden met betrekking tot het registreren van de desbetreffende gegevens over de dieren in de stamboeken,

(iii)

de kosten van het bijwerken van software voor het beheer van de gegevens in de stamboeken,

(iv)

de kosten van de on-linebekendmaking van informatie over stamboeken en van stamboekgegevens, of

(v)

andere administratieve kosten in verband daarmee;

(b)

de volgende kosten van tests voor het bepalen van de genetische kwaliteit of het genetische rendement van dieren, als bedoeld in punt (448):

(i)

de kosten van tests of controles,

(ii)

daarmee verband houdende kosten van het verzamelen en beoordelen van de uit die tests en controles verkregen gegevens met het oog op de verbetering van de diergezondheid en van de milieubescherming,

(iii)

daarmee verband houdende kosten van het verzamelen en beoordelen van de uit die tests en controles verkregen gegevens met het oog op de beoordeling van de genetische kwaliteit van de dieren voor de toepassing van geavanceerde foktechnieken en voor het behoud van de genetische diversiteit, of

(iv)

andere kosten in verband daarmee.

Steunintensiteit

(450)

De steun mag worden toegestaan tot 100 % van de administratieve kosten die gepaard gaan met het opstellen en bijhouden van stamboeken.

(451)

De steun mag worden toegestaan tot 70 % van de kosten van tests die door of in opdracht van derden worden uitgevoerd om de genetische kwaliteit of het genetische rendement van dieren te bepalen.

1.3.2.   Steun voor afzetbevorderingsmaatregelen voor landbouwproducten

(452)

De Commissie zal steun voor de afzetbevordering van landbouwproducten aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(453)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (78). Steun voor de in punt (464), onder a), bedoelde organisatie van wedstrijden, beurzen of tentoonstellingen mag alleen aan kmo's worden verleend.

(454)

De afzetbevorderingsactiviteit moet erop gericht zijn het publiek over de kenmerken van de landbouwproducten te informeren, bijvoorbeeld door de organisatie van wedstrijden, de deelname aan handelsbeurzen en PR-activiteiten, de vulgarisatie van wetenschappelijke kennis of de verspreiding van publicaties met feitelijke informatie, of moet tot doel hebben marktdeelnemers of consumenten via afzetbevorderingscampagnes ertoe aan te zetten het betrokken landbouwproduct te kopen.

(455)

De afzetbevorderingscampagne moet gericht zijn op producten die onder een in punt (282) bedoelde kwaliteitsregeling vallen, of moet algemeen van aard zijn en ten goede komen aan alle producenten van het betrokken soort product.

(456)

De afzetbevorderingscampagne moet voldoen aan artikel 2 van Richtlijn 2000/13/EG (79) en, in voorkomend geval, aan specifieke etiketteringsvoorschriften.

(457)

Bij de aanmelding van steun of een steunregeling voor een afzetbevorderingscampagne moeten de lidstaten representatieve voorbeelden van afzetbevorderingsmateriaal meesturen. Als dat materiaal bij de aanmelding niet beschikbaar is, moet worden toegezegd dat het later en in elk geval vóór de lancering van de afzetbevorderingscampagne alsnog wordt toegezonden.

(458)

Afzetbevorderingscampagnes waarmee de in punt (37), onder b), bedoelde aanmeldingsdrempel wordt overschreden, moeten individueel worden aangemeld.

(459)

De afzetbevorderingsmaatregelen mogen worden uitgevoerd door producentengroeperingen of andere organisaties, ongeacht hoe groot die zijn. Als de afzetbevorderingsmaatregel door een producentengroepering of een andere organisatie wordt uitgevoerd, mag lidmaatschap van die groepering of organisatie niet als deelnemingsvoorwaarde worden gesteld en moeten bijdragen in de administratieve kosten van de groepering of organisatie beperkt blijven tot de kosten van het aanbieden van de afzetbevorderingsmaatregel.

(460)

De steun moet worden verleend:

(a)

in natura; of

(b)

als vergoeding van de door de begunstigde gemaakte reële kosten.

(461)

In afwijking van punt (460) mag steun voor afzetbevorderingscampagnes alleen worden verleend in natura in de vorm van gesubsidieerde diensten.

(462)

Wanneer de steun in natura wordt verleend, mag hij niet de vorm aannemen van rechtstreekse betalingen aan de begunstigden, maar moet hij aan de aanbieder van de afzetbevorderingsmaatregel worden betaald.

(463)

De steun voor symbolische prijzen als bedoeld in punt (464)(a), v), mag slechts aan de aanbieder van de afzetbevorderingsmaatregel worden betaald als de prijs werkelijk is uitgereikt en na voorlegging van een bewijs van de uitreiking.

In aanmerking komende kosten

(464)

De volgende kosten komen in aanmerking voor steun voor de afzetbevordering van landbouwproducten in de Unie:

(a)

met betrekking tot de organisatie van en de deelname aan wedstrijden, handelsbeurzen of tentoonstellingen, voor zover die steun onder objectief vastgestelde voorwaarden toegankelijk is voor al wie daarvoor in het betrokken gebied in aanmerking komt:

(i)

deelnamekosten,

(ii)

reiskosten en kosten van het vervoer van dieren,

(iii)

kosten van publicaties en websites die het evenement aankondigen,

(iv)

de huur van panden en stands en de kosten van de installatie en ontmanteling daarvan,

(v)

symbolische prijzen tot een waarde van 1 000 EUR per prijs en per winnaar van de wedstrijd;

(b)

de kosten van publicaties in de gedrukte en elektronische media, websites en spots in de elektronische media, op radio of tv, waarmee feitelijke informatie wordt verstrekt over producenten die uit een bepaald gebied afkomstig zijn of een bepaald landbouwproduct produceren, mits de informatie neutraal is en alle producenten gelijke kansen hebben om in de publicatie aan bod te komen;

(c)

de kosten van de verspreiding van wetenschappelijke kennis en feitelijke informatie over:

(i)

in punt (282) bedoelde kwaliteitsregelingen die open staan voor landbouwproducten uit andere lidstaten en derde landen,

(ii)

generieke landbouwproducten en hun voedingswaarde en tips voor het gebruik ervan;

(d)

de kosten van consumentengerichte afzetbevorderingscampagnes in de media of op detailhandelsverkooppunten en van alle afzetbevorderingsmateriaal dat rechtstreeks aan de consument wordt verstrekt.

Verwijzing naar een specifieke onderneming, een handelsmerk of een oorsprong

(465)

In het kader van de in punt (464), onder c), bedoelde afzetbevorderingsactiviteiten en de in punt (464), onder d), bedoelde afzetbevorderingscampagnes, en met name de afzetbevorderingsactiviteiten die algemeen van aard zijn en alle producenten van het betrokken soort product ten goede komen, mag niet worden verwezen naar een specifieke onderneming, een handelsmerk of een oorsprong. De in punt (464), onder d), bedoelde afzetbevorderingscampagnes mogen niet uitsluitend gericht zijn op producten van één of meer specifieke bedrijven.

(466)

De beperking op de verwijzing naar de oorsprong geldt evenwel niet voor de in punt (464), onder c) en d), bedoelde afzetbevorderingsactiviteiten en afzetbevorderingscampagnes die gericht zijn op producten die onder een in punt (282) bedoelde kwaliteitsregeling vallen voor zover aan de volgende voorwaarden is voldaan:

(a)

wanneer de afzetbevorderingsactiviteit gericht is op door de Unie erkende benamingen, mag naar de oorsprong van het product worden verwezen mits de verwijzing exact overeenkomt met de door de Unie geregistreerde benaming;

(b)

wanneer de activiteit betrekking heeft op producten die onder een andere kwaliteitsregeling vallen dan een regeling voor door de Unie erkende benamingen, mag de oorsprong van de producten worden vermeld op voorwaarde dat die in de boodschap van ondergeschikt belang is. Om te bepalen of de verwijzing naar de oorsprong van secundair belang is, zal de Commissie de totale hoeveelheid tekst en/of de grootte van symbolen, inclusief afbeeldingen, en de algemene presentatie die naar de oorsprong verwijzen, vergelijken met de tekst en/of symbolen die verwijzen naar de primaire verkoopboodschap, d.i. het niet op de oorsprong van het product gerichte deel van de afzetbevordering.

Steunintensiteit

(467)

De steunintensiteit voor de in punt (464), onder a) tot en met c), bedoelde in aanmerking komende kosten bedraagt ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(468)

De steunintensiteit voor de in punt (464), onder d), in samenhang met punt (455) bedoelde afzetbevorderingscampagnes die gericht zijn op onder een kwaliteitregeling vallende producten, mag niet hoger zijn dan 50 % van de in aanmerking komende kosten van de campagne. Als de sector ten minste 50 % van de kosten bijdraagt, ongeacht de vorm van de bijdrage, zoals bijzondere heffingen, mag de steunintensiteit oplopen tot 100 % (80).

(469)

De steunintensiteit voor de in punt (464), onder d), in samenhang met punt (455) bedoelde algemene afzetbevorderingscampagnes mag tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

Afzetbevordering in derde landen

(470)

De Commissie zal staatssteun voor afzetbevordering in derde landen onderzoeken en deze steun aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als hij in overeenstemming is met de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 3/2008. De Commissie zal staatssteun voor afzetbevordering evenwel aanmerken als niet verenigbaar als die steun:

(a)

wordt verleend aan specifieke ondernemingen of voor handelsmerken;

(b)

de verkoop van producten uit andere lidstaten in gevaar dreigt te brengen of deze producten in een ongunstig daglicht stelt.

1.3.3.   Steun voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee

(471)

De Commissie zal steun voor de ultraperifere gebieden aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(472)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (81).

(473)

Wat de ultraperifere gebieden betreft, zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag overeenkomstig artikel 23, lid 4, van Verordening (EU) nr. 228/2013 niet van toepassing op de volgende door de lidstaten overeenkomstig die verordening toegekende steun:

(a)

maatregelen ten behoeve van de lokale landbouwproductie op grond van hoofdstuk IV van die verordening;

(b)

steun die Frankrijk aan de suikersector verleent op grond van artikel 23, lid 3, van die verordening;

(c)

steun die op grond van artikel 24 van die verordening voor fytosanitaire programma’s wordt verleend, en

(d)

steun die Spanje op grond van artikel 28 van die verordening voor de tabaksproductie op de Canarische Eilanden verleent.

(474)

Behalve in die gevallen zijn de staatssteunregels van toepassing op maatregelen voor de ultraperifere gebieden, met de volgende bijzonderheid: op grond van artikel 23, lid 1, van Verordening (EU) nr. 228/2013 kan de Commissie toestaan dat in de sectoren van de productie, de verwerking en de afzet van onder bijlage I bij het Verdrag vallende landbouwproducten, waarop de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag van toepassing zijn, exploitatiesteun wordt verleend ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waarmee de landbouw in de ultraperifere gebieden wordt geconfronteerd als gevolg van het isolement, de insulaire ligging en het ultraperifere karakter van die gebieden.

(475)

Wat de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee betreft, zijn de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag overeenkomstig artikel 17, lid 3, van Verordening (EU) nr. 229/2013 niet van toepassing op betalingen die Griekenland overeenkomstig die verordening in het kader van de hoofdstukken III en IV van die verordening verricht.

(476)

Behalve in die gevallen zijn de staatssteunregels van toepassing op maatregelen voor de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee, met de volgende bijzonderheid: op grond van artikel 17, lid 1, van Verordening (EU) nr. 229/2013 kan de Commissie toestaan dat in de sectoren van de productie, de verwerking en de afzet van onder bijlage I bij het Verdrag vallende landbouwproducten, waarop de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag van toepassing zijn, exploitatiesteun wordt verleend ter verlichting van de gevolgen van de specifieke beperkingen waarmee de landbouw op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee wordt geconfronteerd als gevolg van hun insulaire karakter, hun geringe oppervlakte en bergachtige reliëf, hun klimaat, hun economische afhankelijkheid van een klein aantal producten en hun afstand tot de markten.

In aanmerking komende kosten

(477)

De extra kosten van het vervoer van landbouwproducten die in de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee zijn geproduceerd, komen voor een vergoeding in aanmerking onder de volgende voorwaarden:

(a)

de begunstigden hebben hun productieactiviteit in de ultraperifere gebieden of op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(b)

de steun is vooraf objectief kwantificeerbaar op basis van een vast bedrag of een percentage per tonkilometer of andere relevante eenheid;

(c)

de extra vervoerskosten worden berekend op basis van het traject dat de producten binnen de nationale grens van de betrokken lidstaat afleggen met de vervoermiddelen die voor de begunstigde de laagste kostprijs opleveren, rekening houdend met de externe kosten voor het milieu;

(d)

voor de ultraperifere gebieden kunnen de in aanmerking komende extra vervoerskosten ook de kosten omvatten van het vervoer van landbouwproducten vanuit de plaats van productie naar locaties in ultraperifere gebieden waar zij verder worden verwerkt.

(478)

Voorstellen om voor andere kosten dan extra vervoerskosten staatssteun toe te kennen die tot doel heeft in de behoeften van de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee te voorzien, zullen door de Commissie per geval worden onderzocht op basis van de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen en de voor die gebieden geldende specifieke wettelijke bepalingen, rekening houdend, indien van toepassing, met de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de plattelandsontwikkelingsprogramma's voor de betrokken gebieden en met de gevolgen van die maatregelen voor de mededinging in de betrokken gebieden en in andere delen van de Unie.

1.3.4.   Steun voor ruilverkaveling van landbouwgrond

(479)

De Commissie zal steun voor ruilverkaveling van landbouwgrond aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

In aanmerking komende kosten

(480)

De in aanmerking komende kosten moeten beperkt blijven tot de juridische en administratieve kosten en de opmetingskosten van de ruilverkaveling.

Steunintensiteit

(481)

De steunintensiteit mag ten hoogste 100 % van de gemaakte reële kosten bedragen.

1.3.5.   Reddings- en herstructureringssteun voor ondernemingen in moeilijkheden

(482)

Steun voor de redding en herstructurering van ondernemingen in moeilijkheden in de landbouwsector zal worden getoetst aan de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, als gewijzigd of vervangen (82).

(483)

Voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen die actief zijn in de primaire landbouwproductie gelden evenwel de onderstaande uitzonderingen:

(a)

in afwijking van punt 79 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden kan de Commissie ook steun aan kmo's van de verplichting tot individuele aanmelding vrijstellen wanneer de betrokken kmo aan geen enkele van de in punt 10 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden genoemde criteria voldoet;

(b)

het beginsel dat reddings- en herstructureringssteun slechts eenmaal mag worden verleend, geldt ook voor de sector van de primaire landbouwproductie; in plaats van een periode van tien jaar, als vastgesteld in afdeling 3.3 van de communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden, geldt evenwel een periode van vijf jaar.

1.3.6.   Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector

(484)

De Commissie zal steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(485)

Deze afdeling is van toepassing op de hele landbouwsector (83).

(486)

Het gesteunde project moet van belang zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke landbouwsector of ‐subsector actief zijn.

(487)

Vóór de startdatum van het gesteunde project moet op het internet de volgende informatie worden bekendgemaakt:

(a)

dat het gesteunde project wordt uitgevoerd;

(b)

de doelstellingen van het gesteunde project;

(c)

de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht;

(d)

de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;

(e)

de vermelding dat de resultaten gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken landbouwsector of ‐subsector actief zijn.

(488)

De resultaten van het gesteunde project moeten op het internet beschikbaar worden gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten moeten gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project op het internet beschikbaar blijven.

(489)

De steun moet rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding worden verleend. Bij de maatregel mag het niet gaan om steun op basis van de prijs van landbouwproducten die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de landbouwsector.

In aanmerking komende kosten

(490)

De in aanmerking komende kosten omvatten:

(a)

personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden;

(b)

kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

(c)

kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten van de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

(d)

kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

(e)

bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

Steunintensiteit

(491)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(492)

Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de landbouwsector die niet aan de genoemde voorwaarden voldoet, zal worden beoordeeld overeenkomstig de kaderregeling inzake staatssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (84).

Hoofdstuk 2. Steun voor de bosbouwsector die uit het ELFPO wordt gecofinancierd, in de vorm van aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt verleend of als zuivere staatssteun wordt verleend

(493)

De bosbouwsector valt buiten het toepassingsgebied van artikel 42 van het Verdrag en bijlage I daarbij. De artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag zijn van toepassing op steun die de lidstaten aan de bosbouwsector toekennen. Hoewel de productie van ruw of eenvoudig bewerkt natuurkurk, gebroken of gemalen kurk en kurkafval (GN-post 4501) en de productie van kastanjes (GN-code 0802 41 00) onder bijlage I bij het Verdrag vallen, kan steun voor met deze bomen verband houdende bosbouwactiviteiten onder dit hoofdstuk van de richtsnoeren vallen.

(494)

In overeenstemming met het in overweging 20, artikel 4 en artikel 5 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 omschreven doel van de Unie omvat steun voor een duurzaam en klimaatvriendelijk grondgebruik de ontwikkeling van het bosareaal en duurzaam bosbeheer. In deze richtsnoeren wordt beoogd samenhang te creëren met Verordening (EU) nr. 1305/2013, de bijbehorende uitvoerings- en gedelegeerde handelingen en de algemene staatssteunbeginselen. Deze beginselen zijn van invloed op de in aanmerking komende kosten en de steunintensiteiten die gelden op grond van deze richtsnoeren.

(495)

De regels van hoofdstuk 2 van deze richtsnoeren doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om staatssteun aan de bosbouwsector te verlenen in het kader van uniale regels die gemeenschappelijk zijn voor alle sectoren of voor de handel en de industrie, als bedoeld in punt (34) van deze richtsnoeren. Steun voor investeringen in energiebesparing en hernieuwbare energie is uitgesloten van het toepassingsgebied van hoofdstuk 2 van deel II van deze richtsnoeren, aangezien die steun aan de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020 moet voldoen, tenzij hij van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld. In lijn met artikel 5, lid 5, onder c), artikel 21, lid 1, onder e), en artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 hebben deze richtsnoeren evenwel betrekking op investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof of energiebron die beperkt blijven tot de handelingen die aan de industriële verwerking voorafgaan. Deze richtsnoeren zijn niet van toepassing op bedrijven uit de houtsector.

(496)

In het kader van dit hoofdstuk zal de Commissie staatssteun voor de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de specifieke vereisten van de afdelingen 2.1 tot en met 2.9 voldoet.

(497)

Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat steun voor de bosbouwsector als bedoeld in punt (23), onder b), van deze richtsnoeren.

(498)

In de Unie is er een grote diversiteit aan eigendomsstructuren en vormen van bosbeheer. In de artikelen 22 tot en met 26 en artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn specifieke beperkingen vastgesteld ten aanzien van potentiële begunstigden van uit het ELFPO gecofinancierde maatregelen in de bosbouwsector. Voor bosbouwmaatregelen die deel uitmaken van een plattelandsontwikkelingsprogramma en waarvoor steun uit het ELFPO wordt verleend, zijn de in Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde beperkingen inzake de aard van de begunstigden van de steun van toepassing op de afdelingen 2.1.1 tot en met 2.1.5 van deel II van deze richtsnoeren, behalve wat betreft de tropische of subtropische bossen en de beboste gronden van de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EU) nr. 229/2013 en de Franse overzeese departementen. Met het oog op de aanvulling van het plattelandsbeleid van de EU gelden de beperkingen ten aanzien van de potentiële begunstigden niet voor op plattelandsontwikkelingsmaatregelen lijkende bosbouwmaatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd, en ook niet voor de specifieke steunmaatregelen van de afdelingen 2.8 en 2.9 van deel II van deze richtsnoeren. Voor de in afdeling 2.1.5 bedoelde investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, mobilisering en afzet van bosbouwproducten en de in afdeling 2.7. bedoelde aanloopsteun voor producentengroeperingen moeten de beperkingen op de omvang van de in aanmerking komende begunstigden evenwel altijd van toepassing zijn overeenkomstig de artikelen 26 en 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

2.1.   Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

(499)

De Commissie zal steun voor investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en de verbetering van de levensvatbaarheid van bossen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(500)

Deze afdeling heeft betrekking op steun voor de bebossing en de aanleg van beboste gronden, de invoering van boslandbouwsystemen, de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden, rampzalige gebeurtenissen en met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen, uitbraken van plagen en ziekten, investeringen voor de verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde alsook van het mitigatiepotentieel van bosecosystemen en investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, de mobilisering en de afzet van bosbouwproducten.

(501)

De EU-biodiversiteitsstrategie voor 2020 van 3 mei 2011 (85) moedigt, met het oog op de duurzaamheid van de bosbouw, de opstelling van bosbeheerplannen aan wanneer daarvoor Uniefinanciering beschikbaar is. Daarom moet, telkens als dit op grond van Verordening (EU) nr. 1305/2013 voor specifieke bosbouwmaatregelen die deel uitmaken van een plattelandsontwikkelingsprogramma, vereist is voor bedrijven die groter zijn dan een door de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma of op een andere wijze vast te stellen omvang, de steun afhankelijk worden gesteld van de overlegging van de desbetreffende gegevens uit een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument dat in overeenstemming is met duurzaam bosbeheer als omschreven door de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993 (86) (hierna „duurzaam bosbeheer” genoemd). Deze vereiste geldt niet voor steun voor de bosbouw in het kader van deze richtsnoeren die uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd.

In aanmerking komende kosten

(502)

Werkkapitaal mag niet worden beschouwd als in aanmerking komende kosten voor investeringen in de bosbouwsector. De volgende gemeenschappelijke in aanmerking komende kosten voor investeringen zijn vastgesteld in artikel 45 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(a)

de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij aangekochte grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan de limiet worden opgetrokken tot boven het percentage voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud;

(b)

de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c)

algemene kosten in verband met de onder a) en b) bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van de punten a) en b) worden verricht;

(d)

de kosten van aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken;

(e)

kosten van de opstelling van bosbeheerplannen en gelijkwaardige instrumenten;

(f)

het is mogelijk dat andere kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies niet in aanmerking komen.

(503)

Daarnaast zijn de doelstellingen en de aard van de bosbouwmaatregelen die in Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn vastgesteld, bepalend om uit te maken welke concrete acties, met inbegrip van eenmalige maatregelen, voor steun in aanmerking kunnen komen. Met het oog op de samenhang met Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn de kosten van bosbouwmaatregelen die in aanmerking komen op grond van deze richtsnoeren, in overeenstemming met de toepasselijke in aanmerking komende kosten voor de specifieke bosbouwmaatregelen in Verordening (EU) nr. 1305/2013.

2.1.1.   Steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden

(504)

De Commissie zal steun voor bebossing en de aanleg van beboste gronden aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

Begunstigden van de steun

(505)

De steun voor de aanlegkosten en de jaarlijkse premie mag worden verleend aan openbare en particuliere grondbezitters en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd.

(506)

Steun voor de bebossing van aan openbare autoriteiten toebehorende grond of voor snelgroeiende bomen mag alleen dienen voor de financiering van de aanlegkosten. Als het gaat om grond die aan de staat toebehoort, mag steun worden verleend indien de instantie die dat land beheert, een particuliere instantie of een gemeente is.

In aanmerking komende kosten

(507)

De steun moet dienen voor de financiering van de kosten van de aanleg van bossen en beboste gronden op landbouw- en niet-landbouwgrond. Voorts mag gedurende maximaal twaalf jaar steun worden verleend in de vorm van een jaarlijkse premie per hectare voor de kosten van gederfde landbouwinkomens en van onderhoudsactiviteiten, waaronder zuivering en dunning.

(508)

Er mag geen steun worden verleend voor de aanplant van bomen voor hakhout met korte omlooptijd, kerstbomen of snelgroeiende bomen voor de energieproductie. De aangeplante soorten moeten aangepast zijn aan de milieu- en klimaatomstandigheden van het areaal en voldoen aan de minimale milieuvereisten.

(509)

In de context van bebossing en de aanleg van beboste gronden zijn de volgende minimale milieuvereisten van toepassing:

(a)

bij de selectie van de aan te planten soorten, de arealen en de te gebruiken methoden moeten een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veen- en watergebieden, en negatieve effecten op arealen met een hoge ecologische waarde, waaronder arealen met een op een hoge natuurwaarde gerichte landbouw, worden vermeden. In krachtens Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (87) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (88) aangewezen Natura 2000-gebieden mag alleen bebossing worden toegestaan die strookt met de beheersdoelstellingen voor de betrokken gebieden en waarover overeenstemming is bereikt met de autoriteit van de lidstaat die met de tenuitvoerlegging van Natura 2000 is belast;

(b)

bij de selectie van de soorten, rassen, ecotypen en herkomst van de bomen moet rekening worden gehouden met de vereiste weerbaarheid ten aanzien van klimaatverandering en natuurrampen en met de pedologische en hydrologische gesteldheid van het betrokken areaal, alsook met het potentiële invasieve karakter van de soorten onder lokale omstandigheden zoals omschreven door de lidstaten. De begunstigde moet ertoe worden verplicht het bos gedurende ten minste de periode waarin de premie voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud wordt betaald, te beschermen en er zorg voor te dragen. Deze activiteiten moeten naargelang van het geval bestaan uit het verzorgen, uitdunnen of beweiden met het oog op de toekomstige ontwikkeling van het bos, het reguleren van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig ondergroeimateriaal. De lidstaten moeten voor snelgroeiende soorten een minimum- en een maximumperiode vaststellen voordat die mogen worden geveld. De minimale termijn mag niet korter zijn dan 8 jaar en de maximale termijn niet langer dan 20 jaar;

(c)

wanneer als gevolg van moeilijke klimatologische of milieuomstandigheden, met inbegrip van de aantasting van het milieu, niet kan worden verwacht dat de aanplant van meerjarige houtachtige planten tot de in de geldende nationale wetgeving omschreven bosbedekking zal leiden, mag de lidstaat de begunstigde toestaan een andere houtige vegetatiebedekking aan te leggen. De begunstigde moet dan zorg en bescherming bieden op het niveau dat voor bossen geldt;

(d)

in het geval van bebossingsactiviteiten die leiden tot de aanleg van bossen die groter zijn dan een door de lidstaten te bepalen drempel, moet de concrete actie bestaan in:

(i)

hetzij de exclusieve aanplant van ecologisch aangepaste soorten en/of soorten die in het betrokken biogeografische gebied tegen klimaatverandering bestand zijn en waarvan niet in een effectbeoordeling is vastgesteld dat zij de biodiversiteit en ecosysteemdiensten in gevaar brengen of de gezondheid van de mens nadelig beïnvloeden, of

(ii)

de aanplant van een mix van boomsoorten met hetzij minstens 10 % loofbomen per areaal, hetzij een minimum van drie boomsoorten of variëteiten, waarbij de minst goed vertegenwoordigde minstens 10 % van het areaal beslaat.

(510)

In gebieden waar de bebossing bemoeilijkt wordt door ongunstige bodem- en klimaatomstandigheden, mag steun worden verleend voor de aanplant van andere meerjarige houtachtige soorten, zoals struiken die voor de plaatselijke omstandigheden geschikt zijn.

(511)

In de aanmelding aan de Commissie moet een deugdelijke beschrijving worden gegeven waaruit blijkt dat aan de voorwaarden van punt (509) wordt voldaan, en moet elke afwijking daarvan worden gerechtvaardigd.

Steunintensiteit

(512)

De steun mag worden toegestaan tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.1.2.   Steun voor de invoering van boslandbouwsystemen

(513)

De Commissie zal steun voor de invoering van boslandbouwsystemen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(514)

De steun mag worden verleend voor de aanleg van systemen voor grondgebruik waarbij de teelt van bomen wordt gecombineerd met landbouw op dezelfde grond, als omschreven in punt (35)65 van deze richtsnoeren.

Begunstigden van de steun

(515)

De steun mag worden verleend aan particuliere grondbezitters en gemeenten en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd.

In aanmerking komende kosten

(516)

De steun moet dienen voor de financiering van de aanlegkosten en van een jaarlijkse premie per hectare die gedurende maximaal vijf jaar voor de kosten van onderhoudsactiviteiten kan worden toegekend.

(517)

De lidstaten moeten het minimale en het maximale aantal bomen per hectare bepalen, rekening houdend met de plaatselijke bodem- en klimaatgesteldheid en milieuomstandigheden, de bosbouwgewassoorten en de noodzaak het duurzame gebruik van de grond voor landbouwdoeleinden te waarborgen.

Steunintensiteit

(518)

De steun mag ten hoogste 80 % bedragen van het bedrag van de in aanmerking komende investeringskosten voor de invoering van boslandbouwsystemen, en ten hoogste 100 % van het bedrag van de jaarlijkse premie.

2.1.3.   Steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen en rampzalige gebeurtenissen

(519)

De Commissie zal steun voor de preventie en het herstel van schade aan bossen als gevolg van bosbranden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, rampzalige gebeurtenissen en met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 2, onder b), of, in voorkomend geval, artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

Begunstigden van de steun

(520)

De steun mag worden verleend aan particuliere en openbare bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare instanties en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd.

In aanmerking komende kosten

(521)

De steun moet dienen voor de financiering van de kosten van:

(a)

de aanleg van beschermingsinfrastructuur: in het geval van brandstroken mag de steun ook dienen om bij te dragen in de financiering van de kosten van het onderhoud ervan; er mag geen steun worden verleend voor landbouwgerelateerde activiteiten op areaal waarvoor agromilieuklimaatverbintenissen gelden;

(b)

plaatselijke, kleinschalige activiteiten om branden of andere natuurlijke risico's te voorkomen, waaronder het inzetten van graasdieren;

(c)

de aanleg en verbetering van voorzieningen voor het monitoren van bosbranden, plagen en ziekten, en de installatie en verbetering van de betrokken communicatieapparatuur;

(d)

het herstel van het bosbouwpotentieel dat is beschadigd door branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, rampzalige gebeurtenissen of met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen.

(522)

Wat het in punt (521)(d) bedoelde herstel van het bosbouwpotentieel betreft, mag de steun slechts worden verleend als de bevoegde openbare autoriteiten van de lidstaat officieel hebben erkend dat de genoemde gebeurtenis heeft plaatsgevonden en dat die gebeurtenis of de overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregelen om schadelijke organismen te bestrijden, uit te roeien of in te dammen, hebben geleid tot de vernieling van ten minste 20 % van het betrokken bosbouwpotentieel.

(523)

In het geval van steun om schade aan bossen door plantenplagen te voorkomen, moet het risico op die plantenplaag aan de hand van wetenschappelijke gegevens worden aangetoond en door een wetenschappelijke overheidsinstantie worden erkend. Zo nodig moet de lijst van de schadelijke organismen die een plantenplaag kunnen veroorzaken, in de aanmelding worden opgenomen.

(524)

De in aanmerking komende concrete acties moeten consistent zijn met het door de betrokken lidstaat opgestelde bosbeschermingsplan. Voor bedrijven die groter zijn dan een bepaalde omvang die, als het om een uit het ELFPO gecofinancierde maatregel gaat, door de lidstaten in het plattelandsontwikkelingsprogramma moet worden vastgesteld, mag de steun slechts worden toegekend na overlegging van de desbetreffende gegevens uit een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument dat met duurzaam bosbeheer als omschreven door de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993 in overeenstemming is en waarin de preventiedoelstellingen zijn opgenomen.

(525)

Alleen bosgebieden die overeenkomstig het door de lidstaten opgestelde bosbeschermingsplan als middelmatig tot zeer brandgevaarlijk worden aangemerkt, mogen voor steun voor bosbrandpreventie in aanmerking komen.

(526)

Er mag geen steun worden verleend voor inkomensverlies als gevolg van branden, natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, andere ongunstige weersomstandigheden, plantenplagen, rampzalige gebeurtenissen of met de klimaatverandering verband houdende gebeurtenissen.

Steunintensiteit

(527)

De steun mag worden verleend tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(528)

De steun voor de in punt (521)(d) bedoelde in aanmerking komende kosten en de eventuele andere betalingen die de begunstigde voor dezelfde in aanmerking komende kosten ontvangt, waaronder betalingen op grond van andere nationale of uniale maatregelen of in het kader van een verzekeringspolis, mogen niet meer bedragen dan 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.1.4.   Steun voor investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen

(529)

De Commissie zal steun voor investeringen ter verbetering van de veerkracht en de milieuwaarde van bosecosystemen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

Begunstigden van de steun

(530)

De steun mag worden verleend aan natuurlijke personen, particuliere en openbare bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare instanties en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd.

In aanmerking komende kosten

(531)

De investeringen moeten tot doel hebben verbintenissen na te komen inzake milieudoelstellingen, inzake de verlening van ecosysteemdiensten en/of inzake het verhogen van de maatschappelijke belevingswaarde van bossen en beboste gronden in het betrokken gebied of het verbeteren van het klimaatveranderingsmitigatiepotentieel van ecosystemen, zonder daarbij economische baten op lange termijn uit te sluiten.

Steunintensiteit

(532)

De steun mag worden verleend tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.1.5.   Steun voor investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, mobilisering en afzet van bosbouwproducten

(533)

De Commissie zal steun voor investeringen die het bosbouwpotentieel vergroten of betrekking hebben op verwerkings-, mobiliserings- en afzetactiviteiten die waarde aan bosbouwproducten toevoegen, aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(534)

De lidstaten moeten bepalen dat ondersteunde investeringen in infrastructuur voor hernieuwbare energie die energie verbruikt of produceert, moeten voldoen aan minimumnormen voor energie-efficiëntie, indien dergelijke normen op nationaal niveau bestaan.

(535)

Investeringen in installaties die vooral tot doel hebben elektriciteit op te wekken uit biomassa, mogen niet voor steun in aanmerking komen tenzij een door de lidstaten te bepalen minimumpercentage aan warmte-energie wordt gebruikt.

(536)

De steun voor bio-energieprojecten moet beperkt blijven tot bio-energie die voldoet aan de toepasselijke duurzaamheidscriteria die zijn vastgesteld in de wetgeving van de Unie, onder meer in artikel 17, leden 2 tot en met 6, van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad.

Begunstigden van de steun

(537)

De steun voor investeringen mag worden verleend aan particuliere bosbezitters en gemeenten en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd, alsmede aan kmo's. Wat de Azoren, Madeira, de Canarische Eilanden, de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee in de zin van Verordening (EEG) nr. 2019/93 en de Franse overzeese departementen betreft, mag ook steun worden verleend aan andere ondernemingen dan kmo's.

In aanmerking komende kosten

(538)

De steun mag worden verleend voor investeringen die het bosbouwpotentieel vergroten of betrekking hebben op verwerkings-, mobiliserings- en afzetactiviteiten die waarde aan bosbouwproducten toevoegen.

(539)

Investeringen om de economische waarde van bossen te vergroten moeten worden gemotiveerd op basis van de te verwachten verbeteringen in bossen op één of meer bedrijven en mogen betrekking hebben op bodemvriendelijke, zuinige oogstmachines en ‐praktijken.

(540)

Investeringen met betrekking tot het gebruik van hout als grondstof of energiebron moeten beperkt blijven tot handelingen die aan de industriële verwerking voorafgaan.

Steunintensiteit

(541)

De steunintensiteit mag niet hoger liggen dan:

(a)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in de ultraperifere gebieden;

(b)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(c)

50 % van de in aanmerking komende kosten in de minder ontwikkelde regio's en in alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27;

(d)

40 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in andere regio's.

2.1.6.   Steun voor infrastructuurinvesteringen voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw

(542)

De Commissie zal steun voor infrastructuurinvesteringen voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

In aanmerking komende kosten

(543)

De steun moet dienen voor de financiering van investeringen in materiële en immateriële activa die betrekking hebben op infrastructuur voor de ontwikkeling, modernisering of aanpassing van de bosbouw, inclusief op het gebied van de toegankelijkheid van bosgrond, ruilverkaveling en grondverbetering en de voorziening en besparing van energie en water.

Steunintensiteit

(544)

Voor niet-productieve investeringen, investeringen die uitsluitend gericht zijn op de verbetering van de ecologische waarde van bossen, en investeringen voor boswegen die gratis voor het publiek toegankelijk zijn en ten dienste staan van de multifunctionaliteit van de bossen, mag de steunintensiteit ten hoogste 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

(545)

De steunintensiteit voor investeringen die het economisch potentieel van de bossen op korte of lange termijn verbeteren, mag niet meer bedragen dan:

(a)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in de ultraperifere gebieden;

(b)

75 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten op de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;

(c)

50 % van de in aanmerking komende kosten in de minder ontwikkelde regio's en in alle regio's met een bbp per inwoner voor de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 van minder dan 75 % van het gemiddelde van de EU-25 voor de referentieperiode, maar met een bbp per inwoner van meer dan 75 % van het gemiddelde bbp van de EU-27;

(d)

40 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten in andere regio's.

2.2.   Steun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-bosgebieden

(546)

De Commissie zal staatssteun voor het opvangen van nadelen in verband met Natura 2000-bosgebieden aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

Begunstigden van de steun

(547)

De steun mag worden verleend aan particuliere bosbezitters en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd.

In aanmerking komende kosten

(548)

De steun in het kader van deze maatregel moet jaarlijks en per hectare bos worden verleend om de begunstigden te vergoeden voor de extra kosten die zij maken en de inkomsten die zij derven als gevolg van de nadelen die zij in de betrokken gebieden ondervinden door de uitvoering van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn.

(549)

De volgende gebieden kunnen voor steun in aanmerking komen:

(a)

overeenkomstig de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn aangewezen Natura 2000-bosgebieden;

(b)

andere afgebakende natuurbeschermingsgebieden waar milieubeperkingen voor bossen gelden die bijdragen tot de uitvoering van artikel 10 van de habitatrichtlijn; als de maatregel uit het ELFPO wordt gecofinancierd als plattelandsontwikkelingsmaatregel, mogen deze gebieden per plattelandsontwikkelingsprogramma niet groter zijn dan 5 % van de aangewezen Natura 2000-gebieden die onder de territoriale reikwijdte van dat programma vallen; voor steunmaatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd, geldt de laatstgenoemde territoriale beperking niet.

Steunbedrag

(550)

De steun moet beperkt blijven tot de volgende maximumbedragen: ten hoogste 500 EUR per hectare per jaar in de eerste periode van ten hoogste vijf jaar en vervolgens ten hoogste 200 EUR per hectare per jaar. Deze maximumbedragen mogen in naar behoren gemotiveerde gevallen worden verhoogd op grond van specifieke omstandigheden die moeten worden aangetoond in de plattelandsontwikkelingsprogramma’s of op een andere wijze als de maatregel uitsluitend uit nationale middelen wordt gefinancierd.

2.3.   Steun voor bosmilieuklimaatdiensten en bosinstandhouding

(551)

De Commissie zal steun voor bosmilieuklimaatdiensten en bosinstandhouding aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(552)

Steun in het kader van deze maatregel moet worden verleend per hectare bos. Voor bosbedrijven boven een bepaalde door de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma's vast te stellen drempel moet de steun afhankelijk worden gesteld van de overlegging van de desbetreffende gegevens uit een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument dat in overeenstemming is met duurzaam bosbeheer als omschreven door de ministeriële conferentie over de bescherming van de bossen in Europa van 1993.

(553)

De steun moet dienen voor de financiering van vrijwillige verbintenissen die verder gaan dan de toepasselijke dwingende voorschriften die zijn vastgesteld in de nationale bosbouwwetgeving of in andere toepasselijke nationale wetgeving. Bij een uit het ELFPO gecofinancierde plattelandsontwikkelingsmaatregel moet het toepasselijke dwingende voorschrift duidelijk worden vermeld en omschreven in het plattelandsontwikkelingsprogramma. Bij steunmaatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd, moet het toepasselijke dwingende voorschrift in de aanmelding aan de Commissie van de staatssteun worden vermeld en omschreven.

(554)

De verbintenissen moeten worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien dat nodig is en naar behoren wordt gemotiveerd, kunnen de lidstaten voor specifieke soorten verbintenissen evenwel een langere periode vaststellen. Bij een uit het ELFPO gecofinancierde plattelandsontwikkelingsmaatregel moet die termijn in het plattelandsontwikkelingsprogramma worden aangegeven. Bij steunmaatregelen die uitsluitend uit nationale middelen worden gefinancierd, moet die termijn in de aanmelding van de staatssteun worden vermeld.

(555)

Indien van toepassing moeten de in artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgestelde voorschriften inzake areaalgerelateerde betalingen en de toepasselijke bepalingen van de gedelegeerde handeling bij die verordening worden nageleefd.

Begunstigden van de steun

(556)

De steun mag worden verleend aan openbare en particuliere bosbezitters en andere privaatrechtelijke en openbare instanties en aan de organisaties waarin zij zijn verenigd. Als het gaat om bos in staatsbezit, mag de steun uitsluitend worden toegekend als de instantie die dat bos beheert, een particuliere instantie of een gemeente is.

(557)

Openbare en particuliere entiteiten komen in aanmerking om voor concrete acties die anders niet onder deze afdeling vallen, steun voor de instandhouding en de bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw te krijgen.

In aanmerking komende kosten en wijze van steunverlening

(558)

Met de steun worden de begunstigden geheel of gedeeltelijk vergoed voor de extra kosten en de gederfde inkomsten die uit de aangegane verbintenissen voortvloeien. Indien nodig kunnen met deze steun ook transactiekosten tot een waarde van 20 % van de voor de bosmilieuverbintenissen betaalde steunpremie worden gefinancierd.

(559)

Voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud mag, in naar behoren gemotiveerde gevallen, voor verbintenissen die tot doel hebben af te zien van het commerciële gebruik van bomen en bossen, steun in de vorm van een forfaitair bedrag of een eenmalige betaling per eenheid worden verleend, berekend op basis van de gemaakte extra kosten en de gederfde inkomsten.

(560)

Er mag steun voor de instandhouding en bevordering van genetische hulpbronnen in de bosbouw worden verleend voor concrete acties die niet onder de bovenstaande punten van deze afdeling vallen.

(561)

Concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw moeten het volgende omvatten:

(a)

gerichte acties: acties ter bevordering van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw in situ en ex situ, met inbegrip van de opstelling van webgebaseerde inventarissen van de genetische hulpbronnen die momenteel in situ in stand worden gehouden, inclusief de instandhouding op het bosbouwbedrijf, en van de verzamelingen ex situ en de databases;

(b)

gecoördineerde acties: acties ter bevordering van de uitwisseling tussen de bevoegde organisaties van de lidstaten van gegevens ten behoeve van de instandhouding, de karakterisering, de verzameling en het gebruik van genetische hulpbronnen in de bosbouw in de Unie;

(c)

begeleidende acties: voorlichtings-, verspreidings- en adviseringsacties waarbij niet-gouvernementele organisaties en andere relevante belanghebbenden worden betrokken, opleidingen en de opstelling van technische verslagen.

Steunbedrag

(562)

Steun, met uitzondering van steun voor concrete acties voor de instandhouding van genetische hulpbronnen als bedoeld in punt (560), moet beperkt blijven tot een maximumbedrag van 200 EUR per hectare per jaar. Dat bedrag mag in naar behoren verantwoorde gevallen worden verhoogd op grond van specifieke omstandigheden die in de plattelandsontwikkelingsprogramma's moeten worden aangetoond, of anders in de aanmelding aan de Commissie.

(563)

Voor de instandhouding van genetische hulpbronnen in de bosbouw moet de steun beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.4.   Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting in de bosbouwsector

(564)

De Commissie zal steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting in de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(565)

Steun voor acties inzake kennisoverdracht en voorlichting ten behoeve van personen die werkzaam zijn in de bosbouwsector, moet voldoen aan de betrokken toepasselijke voorwaarden die zijn vastgesteld in afdeling 1.1.10.1 van deel II, met uitzondering van de voorwaarden van punt (294), het in punt (298) aangegeven maximale steunbedrag en de in punt (296) vermelde mogelijkheid om de steun rechtstreeks aan de begunstigde te betalen.

(566)

De steun mag worden verleend voor korte uitwisselingen inzake bosbeheer en voor bosbezoek.

(567)

De duur en de inhoud van de regelingen voor korte uitwisselingen inzake bosbeheer en van de bosbezoeken moeten, als het gaat om een uit het ELFPO gecofinancierde maatregel, worden vastgesteld in het plattelandsontwikkelingsprogramma’s en, als het gaat om een uit nationale middelen gefinancierde regeling, in de aanmelding aan de Commissie. Die regelingen en bezoeken moeten met name gericht zijn op duurzame bosbouwmethoden en/of -technologieën, de ontwikkeling van nieuwe bedrijfskansen en nieuwe technologieën, en op de verbetering van de veerkracht van de bossen.

2.5.   Steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector

(568)

De Commissie zal steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(569)

Steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector ten behoeve van bosbezitters moet worden verleend overeenkomstig de toepasselijke voorwaarden van punt 1.1.10.2 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande aanvullende voorwaarden betreffende de bosbouw.

In aanmerking komende kosten

(570)

De steun moet worden toegekend om bosbezitters te helpen profiteren van adviesdiensten om de economische en ecologische prestaties alsook de klimaatvriendelijkheid en ‐bestendigheid van hun bedrijf, onderneming en/of investering te verbeteren.

(571)

Het advies voor bosbezitters moet op zijn minst betrekking hebben op de toepasselijke verplichtingen op grond van de habitatrichtlijn, de vogelrichtlijn en de kaderrichtlijn water. Het advies mag ook betrekking hebben op thema's die verband houden met de economische en ecologische prestatie van het bosbouwbedrijf.

2.6.   Steun voor samenwerking in de bosbouwsector

(572)

De Commissie zal steun voor samenwerking in de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(573)

Steun voor samenwerking waarbij ten minste twee entiteiten in de bosbouwsector of in de bosbouw- en landbouwsector betrokken zijn, moet worden verleend overeenkomstig de voorwaarden van afdeling 1.1.11 van deel II.

(574)

Voor de bosbouwsector gelden de volgende aanvullende bepalingen.

In aanmerking komende kosten en steunintensiteiten

(575)

Onverminderd de kosten als bedoeld in afdeling 1.1.11 van deel II van deze richtsnoeren mag steun voor samenwerking in de bosbouwsector ook betrekking hebben op de opstelling van bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten.

(576)

De in punt (321)(d) bedoelde rechtstreekse kosten en de rechtstreekse kosten van specifieke projecten die verband houden met de uitvoering van een bosbeheerplan of gelijkwaardig instrument, moeten beperkt blijven tot de in aanmerking komende kosten en de maximale steunintensiteiten voor investeringssteun in de bosbouwsector, als nader omschreven in afdeling 2.1 van deel II van deze richtsnoeren inzake investeringssteun.

(577)

De steun voor samenwerking in de bosbouwsector mag overeenkomstig hoofdstuk 3.10 van deel II van deze richtsnoeren ook betrekking hebben op horizontale en verticale samenwerking tussen actoren in de voorzieningsketen op het gebied van de duurzame productie van biomassa voor energieproductie en industriële procedés.

2.7.   Aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de bosbouwsector

(578)

De Commissie zal aanloopsteun voor producentengroeperingen en ‐organisaties in de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren en aan de onderstaande voorwaarden voldoet.

(579)

Alleen producentengroeperingen of ‐organisaties die door de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat officieel zijn erkend op grond van het door hen ingediende bedrijfsplan, kunnen voor steun in aanmerking komen. Voorwaarde voor de steunverlening moet zijn dat de lidstaat ertoe verplicht is te verifiëren dat de doelstellingen van het bedrijfsplan binnen vijf jaar na de datum van erkenning van de producentengroepering of ‐organisatie zijn bereikt.

(580)

De in het kader van de producentengroepering of ‐organisatie vastgestelde overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen moeten voldoen aan de toepasselijke bepalingen van het mededingingsrecht, en met name aan de artikelen 101 en 102 van het Verdrag.

(581)

De steun mag niet worden toegekend aan:

(a)

productieorganisaties, ‐entiteiten of ‐organen, zoals vennootschappen of coöperaties, die het beheer van één of meer bosbouwbedrijven tot doel hebben en waarbij het dus in feite telkens om één enkele producent gaat;

(b)

andere bosbouwverenigingen die op de bedrijven van de leden taken vervullen, zoals onderlinge samenwerking en ondersteuning van het bedrijfsbeheer, zonder betrokken te zijn bij de gezamenlijke aanpassing van het aanbod aan de markt.

Begunstigden van de steun

(582)

De steun mag uitsluitend worden verleend aan producentengroeperingen en ‐organisaties die een kmo zijn. De Commissie zal niet toestaan dat staatssteun voor onder deze afdeling vallende kosten aan grote ondernemingen wordt verleend.

(583)

Als alternatief voor de verlening van steun aan producentengroeperingen of ‐organisaties mag in de eerste vijf jaar na de oprichting van de groepering steun ten belope van eenzelfde totaalbedrag rechtstreeks aan de producenten worden verleend ter compensatie van hun bijdragen aan de exploitatiekosten van de groepering of organisatie.

In aanmerking komende kosten

(584)

De in aanmerking komende kosten omvatten: de kosten van de huur van geschikte panden en van de aanschaf van kantooruitrusting, waaronder computerapparatuur en ‐programmatuur, de kosten van administratief personeel, overheadkosten en vergoedingen voor juridische en ambtelijke handelingen. Als de betrokken panden worden aangekocht, moeten de in aanmerking komende kosten van die panden beperkt blijven tot de huurkosten tegen markttarieven.

(585)

De steun moet op forfaitaire basis in jaarlijkse tranches worden verleend gedurende de eerste vijf jaar na de datum waarop de bevoegde autoriteit de producentengroepering of ‐organisatie officieel heeft erkend op basis van haar bedrijfsplan.

(586)

De lidstaten mogen de laatste tranche pas betalen nadat zij hebben geverifieerd dat het bedrijfsplan correct is uitgevoerd.

Steunintensiteit

(587)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

(588)

De totale steun mag ten hoogste 500 000 EUR bedragen. De steun moet degressief zijn.

2.8.   Andere steun voor de bosbouwsector waarmee milieu-, beschermings- en recreatiedoeleinden worden nagestreefd

(589)

Overeenkomstig haar vaste beleid in de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 zal de Commissie, om bij te dragen tot het behoud en de verbetering van de bossen en om de milieu-, beschermings- en recreatiefunctie ervan te bevorderen, staatssteunmaatregelen die vooral tot doel hebben de milieu-, beschermings- en recreatiefunctie van het bos, de biodiversiteit en de gezondheid van het bos als ecosysteem in stand te houden, te verbeteren of te herstellen, aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan.

(590)

De lidstaten moeten aantonen dat de maatregelen rechtstreeks bijdragen tot de instandhouding of het herstel van de milieu-, beschermings- en recreatiefunctie van het bos, de biodiversiteit en de gezondheid van het bos als ecosysteem.

(591)

In het kader van deze afdeling mag geen steun worden verleend voor bedrijven uit de houtsector, commercieel levensvatbare houtwinning, het vervoer van hout of de verwerking van hout of andere bosrijkdommen tot producten of tot energiebronnen. Er mag geen steun worden verleend voor het kappen van bomen waarvan het hoofddoel de commercieel levensvatbare houtwinning is, en evenmin voor herbebossing waarbij de gekapte bomen door soortgelijke exemplaren worden vervangen.

Steunintensiteit

(592)

De steun voor alle in deze afdeling beschreven maatregelen mag hoogstens 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

Begunstigden van de steun

(593)

De steun mag worden verleend aan ondernemingen die in de bosbouwsector actief zijn.

2.8.1.   Steun voor specifieke bosbouwacties en ‐interventies die vooral tot doel hebben bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit of het traditionele landschap

(594)

De Commissie zal steun voor het planten, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen en andere vegetatie in bestaande bossen, het verwijderen van omgevallen bomen en de kosten van de planning van dergelijke maatregelen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als de steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen en de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren, en als het voornaamste doel van deze maatregelen is om bij te dragen tot het behoud of het herstel van het bosecosysteem en de biodiversiteit of het traditionele landschap.

2.8.2.   Steun in de bosbouwsector voor de instandhouding en de verbetering van de bodemkwaliteit en voor een evenwichtige en gezonde boomgroei

(595)

De Commissie zal steun in de bosbouwsector voor de instandhouding en de verbetering van de bodemkwaliteit en voor een evenwichtige en gezonde boomgroei aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(596)

Er mag steun worden verleend om de kwaliteit van de bodem in de bossen in stand te houden en te verbeteren en om voor een evenwichtige en gezonde boomgroei te zorgen.

(597)

Hierbij kan het gaan om bodemverbeterend bemesten, andere behandelingen voor het behoud van het natuurlijke evenwicht, uitdunning van te dichte vegetatie, het voldoende vasthouden van water en goede drainering. De lidstaten moeten aantonen dat de maatregelen de biodiversiteit niet doen afnemen, er niet toe leiden dat voedingsstoffen wegsijpelen en geen negatieve invloed hebben op natuurlijke waterecosystemen of waterbeschermingsgebieden.

(598)

De steun mag dienen voor de financiering van de kosten van de planning van dergelijke maatregelen.

2.8.3.   Steun in de bosbouwsector voor het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden, landschapselementen en ‐kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren

(599)

De Commissie zal steun in de bosbouwsector voor het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden, landschapselementen en ‐kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren, en de onderstaande voorwaarden.

(600)

Er mag steun worden verleend voor het herstel en het onderhoud van natuurlijke paden en landschapselementen en ‐kenmerken en van de natuurlijke habitat van dieren, met inbegrip van planningskosten.

(601)

Maatregelen die gericht zijn op de tenuitvoerlegging van de habitatrichtlijn en de vogelrichtlijn, zijn van dit soort steun uitgesloten omdat zij moet worden genomen volgens de voorwaarden van afdeling 2.2 van deel II van deze richtsnoeren.

2.8.4.   Steun voor het onderhoud van wegen om bosbranden te voorkomen

(602)

De Commissie zal steun voor het onderhoud van wegen om bosbranden te voorkomen, aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(603)

De steun voor het onderhoud van de wegen moet tot doel hebben bosbranden te voorkomen. In de aanmelding aan de Commissie moet het verband tussen de doelstelling van de steun en het wegenonderhoud worden aangetoond.

2.8.5.   Steun voor het herstel van schade in bossen die is aangericht door onder de wetgeving vallende dieren

(604)

De Commissie zal steun voor het herstel van schade in bossen die is aangericht door onder de wetgeving vallende dieren, aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(605)

In de bosbouwsector worden met „onder de wetgeving vallende dieren” zowel de in punt (35)28 omschreven beschermde dieren bedoeld als de soorten die onder specifieke nationale wetgeving vallen, voor zover er een aantoonbaar belang is voor de instandhouding van de populatie van de betrokken soort.

(606)

Om het gevaar van mededingingsvervalsing te verkleinen en een stimulans voor optimale risicobeperking te bieden moet van de begunstigden een minimale tegenprestatie worden gevraagd. Die bijdrage moet worden geleverd in de vorm van redelijke preventieve maatregelen, zoals het plaatsen, waar dat mogelijk is, van veiligheidsafrasteringen; deze maatregelen moeten in verhouding staan tot het risico van de schade die onder de wetgeving vallende dieren in het betrokken bosgebied kunnen aanrichten. Als het niet mogelijk is om redelijke preventieve maatregelen te treffen, moet de lidstaat, opdat de steun verenigbaar kan worden geacht, in de aanmelding aan de Commissie aantonen dat het onmogelijk is dergelijke preventieve maatregelen te nemen.

(607)

Er moet worden aangetoond dat er een rechtstreeks causaal verband is tussen de geleden schade en het gedrag van de dieren.

(608)

Steunregelingen met betrekking tot een specifieke schadeveroorzakende gebeurtenis moeten worden ingesteld binnen drie jaar nadat die schadeveroorzakende gebeurtenis zich heeft voorgedaan. De steun moet binnen vier jaar na die datum worden betaald.

(609)

De schade moet worden berekend op het niveau van de individuele begunstigde.

In aanmerking komende kosten

(610)

De in aanmerking komende kosten zijn de kosten van de schade die als een rechtstreeks gevolg van de schadeveroorzakende gebeurtenis is ontstaan, zoals getaxeerd door een openbare autoriteit, een door de steunverlenende autoriteit erkende onafhankelijke deskundige of een verzekeringsonderneming.

(611)

Bij de schade kan het gaan om:

(a)

schade aan levende bomen. De steun mag als compensatie voor het verlies van opstanden en voor herbebossingskosten worden verleend tot de marktwaarde van de opstanden die zijn vernietigd door de onder de wetgeving vallende dieren. Bij de berekening van de marktwaarde van de aanwasverliezen mag de potentiële aanwas van de vernietigde opstanden tot de normale kapleeftijd in aanmerking worden genomen;

(b)

andere kosten die de begunstigde wegens de schadeveroorzakende gebeurtenis heeft gemaakt, zoals die van behandelingsmaatregelen, waaronder het voor herbeplanting gereedmaken van de bodem en de voor dergelijke activiteiten benodigde producten, werktuigen en materialen;

(c)

materiële schade aan de volgende activa: materieel, machines en gebouwen voor de bosbouw. De materiële schade moet worden berekend op basis van de reparatiekosten of de economische waarde van de betrokken activa vóór de schadeveroorzakende gebeurtenis. Dit schadebedrag mag niet hoger liggen dan de reparatiekosten of de daling van de billijke marktwaarde als gevolg van de gebeurtenis, dat wil zeggen het verschil tussen de waarde van het eigendom onmiddellijk vóór en onmiddellijk na de schadeveroorzakende gebeurtenis.

(612)

Op dat bedrag moeten de kosten in mindering worden gebracht die wegens de schadeveroorzakende gebeurtenis niet zijn gemaakt en anders wel door de begunstigde zouden zijn gemaakt.

(613)

Preventieve maatregelen tegen schade door dieren in bossen kunnen in het kader van afdeling 2.1.4 van deel II van deze richtsnoeren worden ondersteund als bescherming van habitats en biodiversiteitsgerelateerde maatregelen.

(614)

Voor het herstel van schade aan bossen die is aangericht door onder de nationale wetgeving vallende dieren, kan steun worden verleend als aan de voorwaarden van afdeling 2.1.3 wordt voldaan.

Steunintensiteit

(615)

De vergoeding mag maximaal 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen.

(616)

De steun en de eventuele andere betalingen ter vergoeding van de schade, met inbegrip van betalingen in het kader van nationale of uniale maatregelen of verzekeringspolissen, mogen ten hoogste 100 % bedragen van de in aanmerking komende kosten.

2.8.6.   Steun voor de opstelling van bosbeheerplannen

(617)

De Commissie zal steun voor de opstelling van bosbeheerplannen aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor afdeling 2.8 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(618)

Om de resultaten van de doelstellingen op het gebied van plattelandsontwikkeling te verbeteren, is in het plattelandsontwikkelingsbeleid voor 2014-2020 voor tal van maatregelen als voorwaarde om voor steun in aanmerking te komen, gesteld dat bosbeheerplannen of gelijkwaardige instrumenten moeten worden voorgelegd; daarom houdt de Commissie vast aan haar huidige beleid dat steun mag worden gegeven voor de opstelling van bosbeheerplannen.

(619)

De steun moet voldoen aan de voorwaarden voor steun voor adviesdiensten in de bosbouwsector, als vastgesteld in de punten (288), (289) en (299), en (303) tot en met (306) van deel II.

2.9   Steun voor de bosbouwsector die in lijn is met steunmaatregelen voor de landbouwsector

(620)

In het verleden heeft de Commissie te kennen gegeven dat het haar beleid is dat voor specifieke, minder verstorende steunmaatregelen, gemeenschappelijk regels gelden voor de landbouw- en de bosbouwsector.

(621)

In aansluiting op de tendens om het landbouw- en het bosbouwbeleid op elkaar af te stemmen wanneer de steun als minder verstorend wordt beschouwd, zal de Commissie steun voor onderzoek en ontwikkeling in de bosbouwsector en steun voor ruilverkaveling van bosgrond aanmerken als verenigbaar met de interne markt als aan de specifieke voorwaarden van deze afdelingen wordt voldaan.

(622)

De steunintensiteit moet beperkt blijven tot 100 % van de in aanmerking komende kosten.

2.9.1.   Steun voor onderzoek en ontwikkeling in de bosbouwsector

(623)

De Commissie zal steun voor onderzoek en ontwikkeling in de bosbouwsector aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de voorwaarde van afdeling 2.9 en de onderstaande voorwaarden voldoet.

(624)

Het gesteunde project moet van belang zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken specifieke bosbouwsector of ‐subsector actief zijn.

(625)

Vóór de startdatum van het gesteunde project moet op het internet de volgende informatie worden bekendgemaakt:

(a)

dat het gesteunde project wordt uitgevoerd;

(b)

de doelstellingen van het gesteunde project;

(c)

de vermoedelijke datum van de publicatie van de resultaten die van het gesteunde project worden verwacht;

(d)

de plaats waar de van het gesteunde project verwachte resultaten op het internet zullen worden bekendgemaakt;

(e)

de vermelding dat de resultaten van het gesteunde project gratis beschikbaar zijn voor alle ondernemingen die in de betrokken bosbouwsector of ‐subsector actief zijn.

(626)

De resultaten van het gesteunde project moeten op het internet beschikbaar worden gesteld vanaf de einddatum van het gesteunde project of vanaf de datum waarop informatie over die resultaten wordt gegeven aan leden van specifieke organisaties, afhankelijk van wat als eerste plaatsvindt. De resultaten moeten gedurende ten minste vijf jaar vanaf de einddatum van het gesteunde project op het internet beschikbaar blijven.

(627)

De steun moet rechtstreeks aan de organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding worden verleend en mag niet de vorm aannemen van op de prijs van bosbouwproducten gebaseerde steun die wordt verleend aan ondernemingen die actief zijn in de bosbouwsector.

In aanmerking komende kosten

(628)

De steun moet beperkt blijven tot de volgende in aanmerking komende kosten:

(a)

personeelskosten voor onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het project bezighouden;

(b)

kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wanneer deze apparatuur en uitrusting niet tijdens hun volledige levensduur voor het project worden gebruikt, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd;

(c)

kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project. Wat gebouwen betreft, worden alleen de met de looptijd van het project overeenstemmende afschrijvingskosten, berekend volgens algemeen erkende boekhoudkundige beginselen, als in aanmerking komende kosten beschouwd. Wat gronden betreft, komen de kosten van de commerciële overdracht of de daadwerkelijk gemaakte kapitaalkosten in aanmerking;

(d)

kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm's length-voorwaarden worden gekocht bij of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten van consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluitend voor het project worden gebruikt;

(e)

bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die van materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

2.9.2.   Steun voor ruilverkaveling van bosgrond

(629)

De Commissie zal steun voor ruilverkaveling van bosgrond aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de voorwaarde van afdeling 2.9 en de onderstaande voorwaarden voldoet.

In aanmerking komende kosten

(630)

De in aanmerking komende kosten moeten beperkt blijven tot de werkelijk gemaakte juridische en administratieve kosten en opmetingskosten van de ruilverkaveling.

Hoofdstuk 3. Steun voor plattelandsgebieden die uit het ELFPO wordt gecofinancierd of in de vorm van aanvullende nationale financiering bij dergelijke gecofinancierde maatregelen wordt verleend

Gemeenschappelijke bepalingen voor hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren

(631)

Steun in het kader van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren moet aan de volgende gemeenschappelijke voorwaarde voldoen: de steun moet in het kader van een plattelandsontwikkelingsprogramma op grond van en in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden verleend, hetzij als uit het ELFPO gecofinancierde steun, hetzij als aanvullende nationale financiering bij dergelijke steun.

(632)

De bepalingen van hoofdstuk 3 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid om staatssteun aan plattelandsgebieden te verlenen op grond van uniale regels die gemeenschappelijk zijn voor alle sectoren of voor de handel en de industrie.

(633)

Wat de investeringen in het kader van de afdelingen 3.1, 3.2, 3.6 en 3.10 van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren betreft, moet de steun voldoen aan de onderstaande gemeenschappelijke bepalingen van de punten (634) tot en met (639).

(634)

Investeringen in energiebesparing en hernieuwbare energie zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren. Die steun moet voldoen aan de richtsnoeren betreffende staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie voor 2014-2020, tenzij hij van de aanmeldingsverplichting is vrijgesteld.

In aanmerking komende kosten voor investeringen die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren vallen

(635)

Voor investeringssteunmaatregelen die onder het toepassingsgebied van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren vallen, mogen alleen de volgende kosten in aanmerking komen:

(a)

de kosten van de bouw, verwerving, inclusief leasing, of verbetering van onroerende goederen, waarbij aangekochte grond alleen in aanmerking komt voor zover de kosten daarvan niet hoger zijn dan 10 % van de totale in aanmerking komende kosten van de betrokken concrete actie; in uitzonderlijke, naar behoren gemotiveerde gevallen kan evenwel een hoger percentage worden toegestaan voor concrete acties ten behoeve van milieubehoud;

(b)

de kosten van de koop of huurkoop van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa;

(c)

algemene kosten in verband met de in punt (635), onder a) en b), bedoelde uitgaven, zoals voor het inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs en voor advies over ecologische en economische duurzaamheid, met inbegrip van haalbaarheidsstudies; haalbaarheidsstudies blijven in aanmerking komen, zelfs wanneer op basis van de resultaten daarvan geen uitgaven uit hoofde van punt (635), onder a) en b), worden gemaakt;

(d)

de kosten van investeringen in de volgende immateriële activa: de aankoop of ontwikkeling van computerprogrammatuur en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken.

(636)

Andere dan de in punt (635) bedoelde kosten in verband met een leasingcontract, zoals de marge voor de leasinggever, kosten van de herfinanciering van rente, overheadkosten en verzekeringspremies worden niet geacht in aanmerking komende kosten te zijn.

(637)

Werkkapitaal behoort niet tot de in aanmerking komende kosten op grond van hoofdstuk 3 van deel II.

Steunintensiteit voor investeringsmaatregelen op grond van hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren

(638)

De steunintensiteit mag niet hoger liggen dan:

(a)

in de minder ontwikkelde regio's:

(i)

50 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio’s met een bbp per inwoner van minder dan 45 % van het EU-27-gemiddelde,

(ii)

35 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio’s met een bbp per inwoner tussen 45 % en 60 % van het EU-27-gemiddelde,

(iii)

25 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in regio's waarvan het bbp per inwoner meer dan 60 % van het EU-27-gemiddelde bedraagt;

(b)

in de ultraperifere gebieden: de onder a) vastgestelde maximale steunintensiteiten mogen worden verhoogd hetzij met maximaal 20 procentpunten in ultraperifere gebieden die een bbp per inwoner van ten hoogste 75 % van het EU-27-gemiddelde hebben, hetzij met maximaal 10 procentpunten in de overige ultraperifere gebieden;

(c)

in „c”-gebieden:

(i)

15 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in dunbevolkte gebieden en in NUTS 3-regio's of delen van NUTS 3-regio's die een landsgrens delen met een land buiten de Europese Economische Ruimte (EER) of de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA),

(ii)

10 % van het bedrag van de in aanmerking komende kosten van investeringen in niet vooraf vastliggende c-gebieden,

(iii)

in de voormalige a-gebieden mogen de steunintensiteiten voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2017 met hoogstens 5 procentpunten worden verhoogd,

(iv)

als een c-gebied grenst aan een a-gebied, mag de maximale steunintensiteit in de NUTS 3-regio's of delen van NUTS 3-regio's binnen dat c-gebied die grenzen aan het a-gebied, zo nodig worden verhoogd zodat het verschil in steunintensiteit tussen de beide gebieden niet meer dan 15 procentpunten bedraagt;

(d)

behalve voor steun ten behoeve van grote investeringsprojecten mogen de in de punten (a) tot en met (c) vastgestelde maximale steunintensiteiten met hoogstens 10 procentpunten worden verhoogd voor middelgrote ondernemingen en met hoogstens 20 procentpunten voor kleine en micro-ondernemingen;

(e)

in alle andere gebieden: 10 % van het bedrag van de in aanmerking komende investeringskosten voor middelgrote ondernemingen en 20 % van het bedrag van de in aanmerking komende investeringskosten voor micro- en kleine ondernemingen;

(f)

de maximale steunintensiteit voor grote investeringsprojecten moet worden verlaagd tot het bijgestelde steunbedrag als omschreven in punt (35) van deze richtsnoeren.

(639)

Voor individuele investeringssteun die in het kader van een aangemelde regeling wordt toegekend, blijft de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag gelden als de uit alle bronnen verleende steun de in punt (37), onder c), aangegeven aanmeldingsdrempel overschrijdt.

3.1.   Steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten en de katoenproductie of investeringen in het opzetten en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten

(640)

De Commissie zal steun voor investeringen in verband met de verwerking van landbouwproducten tot niet-landbouwproducten en de katoenproductie of investeringen in het opzetten en ontwikkelen van niet-agrarische activiteiten aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(641)

Steun in het kader van deze maatregel moet dienen voor de financiering van investeringen in materiële en immateriële activa.

(642)

Deze afdeling is van toepassing op steun voor:

(a)

de verwerking van landbouwproducten wanneer het resultaat van het productieproces een niet-landbouwproduct is;

(b)

de katoenproductie, met inbegrip van de egrenering;

(c)

investeringen in niet-agrarische activiteiten, verleend aan landbouwers of leden van een landbouwhuishouden die naar niet-agrarische activiteiten diversifiëren, en aan kleine en micro-ondernemingen en natuurlijke personen in plattelandsgebieden.

3.2.   Steun voor basisdiensten en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden

(643)

De Commissie zal steun voor basisdiensten (89) en dorpsvernieuwing in plattelandsgebieden aanmerken als verenigbaar met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c) en artikel 107, lid 3, onder d), van het Verdrag als die steun voldoet aan de gemeenschappelijke beoordelingsbeginselen van deze richtsnoeren, de gemeenschappelijke bepalingen voor hoofdstuk 3 van deel II van deze richtsnoeren en de onderstaande voorwaarden.

(644)

Steun in het kader van deze maatregel moet dienen voor de financiering van:

(a)

het opstellen en bijwerken van plannen voor de ontwikkeling van gemeenten en dorpen in plattelandsgebieden en hun basisdiensten, alsmede van beschermings- en beheerplannen betreffende Natura 2000-gebieden en andere gebieden met een hoge natuurwaarde;

(b)

investeringen in het opzetten, verbeteren of uitbreiden van alle soorten kleinschalige infrastructuur als omschreven in punt (35)48, met uitsluiting van investeringen in hernieuwbare energie, energiebesparing en breedbandinfrastructuur;

(c)

investeringen in het opzetten, verbeteren of uitbreiden van plaatselijke basisdiensten voor de plattelandsbevolking, onder meer voor vrijetijdsbesteding en cultuurbeleving, en de daarbij horende infrastructuur;

(d)

investeringen, voor publiek gebruik, in recreatie-infrastructuur, toeristische informatie en kleinschalige toeristische infrastructuur;

(e)

studies en investeringen met betrekking tot het onderhoud, het herstel en de opwaardering van het culturele en natuurlijke erfgoed van dorpen, rurale landschappen en locaties met hoge natuurwaarde, met inbegrip van de daarmee samenhangende sociaaleconomische aspecten, alsmede acties om het milieubewustzijn te vergroten;

(f)

investeringen voor het verplaatsen van activiteiten en het verbouwen van gebouwen of andere voorzieningen die in of dicht bij rurale woongebieden gelegen zijn, met als doel de levenskwaliteit te verbeteren of de milieuprestatie van deze woongebieden te verbeteren.

(645)

Investeringen op grond van deze maatregel komen voor steun in aanmerking wanneer de betrokken concrete acties worden uitgevoerd overeenkomstig de plannen voor de ontwikkeling van de gemeenten en dorpen in plattelandsgebieden en hun basisdiensten, voor zover dergelijke plannen voorhanden zijn, en moeten stroken met de toepasselijke strategieën voor lokale ontwikkeling.

(646)

De in punt (644), onder e), bedoelde steun moet worden verleend voor erfgoed dat door de bevoegde openbare autoriteiten van een lidstaat formeel als cultureel of natuurlijk erfgoed is erkend.

In aanmerking komende kosten

(647)

De volgende kosten komen in aanmerking:

(a)

kosten van het opstellen en bijwerken van ontwikkelings- en beheerplannen voor plattelandsgebieden en hun basisdiensten en voor locaties met hoge natuurwaarde;

(b)

kosten van investeringen in materiële en immateriële activa;