This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 52014DC0071
REPORT FROM THE COMMISSION TO THE COUNCIL AND THE EUROPEAN PARLIAMENT on the application of Council Regulation (EU) no 904/2010 concerning administrative cooperation and combating fraud in the field of value added tax
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde
/* COM/2014/071 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES PARLEMENT over de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde /* COM/2014/071 final */
VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN
HET EUROPEES PARLEMENT over de uitvoering van Verordening (EU)
nr. 904/2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding
van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde 1. Inleiding Overeenkomstig artikel 59 van Verordening (EU)
nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking op
het gebied van de btw moet de Commissie uiterlijk op 1 november 2013 en
vervolgens om de vijf jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag
indienen over de uitvoering van deze verordening. Dit is het eerste verslag
sinds de goedkeuring en de inwerkingtreding van Verordening (EU)
nr. 904/2010 van de Raad. Deze verordening is een herschikking van de
voorgaande Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad en biedt de
lidstaten nog meer instrumenten voor een nauwere administratieve samenwerking
ter ondersteuning van de strijd tegen btw-fraude. De herschikkingsverordening strekte ertoe het
rechtskader voor de administratieve samenwerking aanzienlijk te verbeteren en
moest een belangrijk instrument worden in de strijd tegen btw-fraude. De
verordening bevatte met name enkele nieuwigheden met betrekking tot: · de kwaliteit van de gegevens in de databanken; · de oprichting van het Eurofisc-netwerk, dat een multilaterale, snelle
en doelgerichte inlichtingenuitwisseling op het gebied van btw-fraude mogelijk
maakt; · de invoering van een terugmeldingsmechanisme; · geautomatiseerde toegang tot de databanken van andere lidstaten. De Commissie wil benadrukken dat dit verslag moet
worden gezien als een gelegenheid om de ervaringen van de lidstaten te bundelen
met het oog op de verbetering van de werking en het gebruik van deze regelingen
(artikel 49, lid 1). In dit verslag wordt onderzocht hoe de administratieve
samenwerking binnen het huidige rechtskader functioneert; daarbij is met name
gekeken naar de mate waarin rekening is gehouden met eerdere aanbevelingen om
de administratieve samenwerking te versterken en naar het gebruik dat wordt
gemaakt van de nieuw ingevoerde regelingen, teneinde na te gaan hoe
doeltreffend deze zijn. Voorts wordt in het verslag ingegaan op nieuwe ideeën
in verband met de administratieve samenwerking op het gebied van de btw, zoals
gezamenlijke controles. Dit verslag is ook niet op te vatten als een
simpel overzicht van de uitvoering van de verordening, maar moet veeleer worden
gezien als een startpunt voor een permanente en gestructureerde dialoog tussen
de Commissie, het Europees Parlement, de Raad en de lidstaten, die moet leiden
tot efficiëntere administratieve samenwerking op het gebied van de btw met als
specifieke doel om de btw-fraude doeltreffender te bestrijden. Ook dient te worden
opgemerkt dat dit verslag deel uitmaakt van een breder pakket documenten over
dit onderwerp. Zo heeft de
Commissie onlangs nog, op 19 september 2013, een studie gepubliceerd waarin de
btw-kloof gekwantificeerd en geanalyseerd werd. Voor de 26 lidstaten werd de
btw-kloof geraamd op bijna 193 miljard euro in 2011, hetgeen neerkomt op
ongeveer 18 % van de theoretisch verschuldigde btw ofwel 1,5 % van
het bbp van deze lidstaten. In het verslag werd er ook op gewezen dat deze
btw-inkomstenderving niet uitsluitend toe te schrijven is aan fraude en
ontduiking, omdat dit cijfer ook de effecten omvat van eenvoudige (statistische
of rapportage)fouten (bv. in de statistieken over de nationale rekeningen) en
van betalingsonmacht en betalingsproblemen. Voor de lidstaten blijft btw-fraude
niettemin, zoals ook uit andere studies duidelijk is gebleken, een groot probleem. Dit verslag komt
dan ook op het juiste moment omdat het een overzicht geeft van het gebruik dat
de lidstaten maken van de instrumenten voor administratieve samenwerking en
bestrijding van btw-fraude die de verordening hen biedt. Naast dit verslag
publiceert de Commissie ook een verslag over de inning en de controle van de
btw overeenkomstig artikel 12, lid 3, van Verordening (EEG, Euratom)
nr. 1553/89 van de Raad (het zogeheten artikel 12-verslag). De studie over de
btw-kloof geeft, samen met beide Commissieverslagen, een beeld van de huidige
omvang van de btw-fraude in de EU, waarbij ook wordt gekeken naar de manier
waarop de lidstaten dit grensoverschrijdende probleem aanpakken met behulp van
de instrumenten die hun worden geboden in de EU-wetgeving betreffende de
administratieve samenwerking op het gebied van de btw, en naar de procedures
die zij gebruiken om de btw te innen en te controleren; op die manier kunnen de
lidstaten risico's evalueren en zien waar er mogelijkheden liggen om hun nationale
regelingen voor de inning en de controle van de btw te verbeteren. Tot slot kan dit verslag niet los worden gezien
van de bredere context van de gecoördineerde strategie ter verbetering van de
bestrijding van btw-fraude, die is uiteengezet in de vorige mededeling van de
Commissie over dit thema[1],
en van de mededeling van de Commissie over de toekomst van de btw - naar een
eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel aangepast aan de eengemaakte
markt[2].
In deze laatste mededeling schrijft de Commissie in actie nr. 14 dat zij
de volledige implementatie van de fraudebestrijdingsmaatregelen zal garanderen
en controleren, en verslag zal doen van hun doelmatigheid en de noodzaak tot
verdere actie in 2014. In dezelfde lijn verwijst zij in actie nr. 16 naar de
mogelijkheid om grensoverschrijdende EU-controleteams in te stellen om
grensoverschrijdende multilaterale controles te vergemakkelijken en te
verbeteren, en in actie nr. 19 geeft zij aan dat ze het werk van Eurofisc zal
blijven volgen en de lidstaten zal blijven aanmoedigen dit instrument verder te
ontwikkelen om nieuwe fraudeconstructies op het spoor te komen en te voorkomen
dat deze verder worden uitgebouwd. 2. Informatiebronnen voor de
evaluatie van de uitvoering van Verordening (EU) nr. 904/2010 Aangezien dit verslag een beeld moet schetsen van
het gebruik dat de nationale belastingautoriteiten in de praktijk maken van de
verschillende instrumenten voor administratieve samenwerking en bestrijding van
btw-fraude, kon een evaluatie alleen worden verricht met een substantiële
inbreng van de lidstaten. Om die reden meende de Commissie dat de informatie
die zij voor een alomvattende evaluatie van de administratieve samenwerking in
het kader van de nieuwe verordening nodig had, het best kon worden verzameld
via een vragenlijst aan de lidstaten, voordat zij met de opstelling van
dit verslag begon. Het werkdocument van de diensten van de Commissie bij dit
verslag biedt een gedetailleerd overzicht en een omstandige analyse van de
antwoorden van de lidstaten op de vragenlijst[3]. De lidstaten hadden de mogelijkheid om sommige
antwoorden nader toe te lichten en, meer in het algemeen, hun standpunten
kenbaar te maken over het functioneren van de administratieve samenwerking op
het gebied van de btw en mogelijke verdere verbeteringen. Slechts één lidstaat
had evenwel belangstelling om dit onderwerp verder met de Commissie te
bespreken. De Commissie heeft zich ook gebaseerd op de discussies
over administratieve samenwerking en bestrijding van belastingfraude op de
talrijke vergaderingen van de ATFS-deskundigengroep (Anti Tax Fraud Strategy of
strategie ter bestrijding van belastingfraude) en het Permanent Comité inzake
administratieve samenwerking (SCAC) en op de jaarverslagen van het
Eurofisc-netwerk. Een andere nuttige informatiebron waren de jaarlijkse
statistieken die de lidstaten krachtens artikel 49, lid 3, van Verordening
(EU) nr. 904/2010 verstrekken. Er is met name rekening gehouden met
gegevens uit de statistieken voor 2011 en 2012 om een aantal conclusies te onderbouwen. 3. Belangrijkste bevindingen 3.1. Uitwisseling van inlichtingen
op verzoek (artikelen 7 tot en met 12) 3.1.1. In het vorige verslag
geconstateerde problemen In het vorige verslag over de werking van de
administratieve samenwerking[4]
is een aantal problemen op het gebied van de inlichtingenuitwisseling in kaart
gebracht. Het ging daarbij om problemen die zich voordeden in de aangezochte
lidstaat maar waren vastgesteld door de verzoekende lidstaat, moeilijkheden om
te achterhalen welke instantie als centraal verbindingsbureau fungeert,
laattijdige beantwoording van verzoeken om inlichtingen en het niet-meedelen
van vertragingen bij overschrijding van de antwoordtermijn. Inlichtingen kunnen pas doeltreffend worden
uitgewisseld als iedere lidstaat over een efficiënt intern beheers- en
proceduresysteem beschikt dat garandeert dat verzoeken om inlichtingen goed en
tijdig worden afgehandeld. Het lijkt erop dat er niet langer problemen zijn
met het vinden van de aanspreekpunten in het centrale verbindingsbureau of de
omschrijving van de taken van elk verbindingsbureau. Dat kan evenwel alleen zo
blijven als de desbetreffende informatie, die beschikbaar is op de
CIRCABC-website (communicatie- en informatiedocumentatiecentrum voor overheden,
bedrijven en burgers) continu wordt bijgewerkt. Wat de tijdige beantwoording van verzoeken en het
verstrekken van informatie over de antwoordtermijn betreft, blijkt dat veel
lidstaten nog steeds niet binnen de termijn op verzoeken kunnen antwoorden en
dat aan de verzoekende lidstaat zelden wordt meegedeeld waarom er niet binnen
de termijn geantwoord kan worden. Uit de statistieken blijkt dat het totale
aantal laattijdige antwoorden een onaanvaardbaar niveau heeft bereikt (ongeveer
43 %). Het probleem is niet even groot in alle lidstaten, maar de situatie
als geheel moet worden verbeterd, met name rekening houdende met de suggesties
van de lidstaten zelf (dit onderwerp wordt verder besproken in paragraaf
3.1.3). De Commissie is van mening dat het aan de
lidstaten is om in dit verband actie te ondernemen. In sommige lidstaten kan
een laattijdig antwoord ernstige problemen veroorzaken als er een wettelijke
termijn is om controles te verrichten of als er dringend behoefte is aan de
inlichtingen, bijvoorbeeld in gevallen van fraude of wanneer er een termijn is
om de belasting vast te stellen. Om de lidstaten te helpen de inlichtingenuitwisseling te verbeteren,
zijn er nieuwe elektronische formulieren gecreëerd. Deze nieuwe elektronische
formulieren zijn nu geïmplementeerd en de Commissie verwacht dat zij de
belastingdiensten zullen helpen om verzoeken sneller af te handelen. Daarnaast zou de onlangs ingevoerde mogelijkheid
dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten een geautomatiseerde toegang
hebben tot bepaalde soorten gegevens in de databanken van andere lidstaten, tot
een aanzienlijke daling van het aantal verzoeken om "standaard"
informatie moeten leiden en de administratieve samenwerking moeten
vergemakkelijken en versnellen, waardoor er tijd en middelen vrijkomen voor de
grondige naspeuringen die nodig zijn om complexere verzoeken te beantwoorden. 3.1.2. Verzoeken om inlichtingen en
om administratieve onderzoeken (artikel 7) Op grond van artikel 7 van Verordening (EU)
nr. 904/2010 van de Raad kunnen de lidstaten elkaar om inlichtingen en om
administratieve onderzoeken verzoeken. In de meeste lidstaten waren nagenoeg alle
verzoeken om inlichtingen de aanleiding om een administratief onderzoek in te
stellen. Het lijkt erop dat er veel gebruik wordt gemaakt van de best
practices[5]
die door het SCAC zijn goedgekeurd om hierbij onnodige administratieve lasten
te voorkomen. Er zijn slechts zeer weinig verzoeken om een administratief
onderzoek geweigerd. Er bestaan enkele specifieke en geldige redenen
waarom het voor een belastingautoriteit soms moeilijker kan zijn om een
administratief onderzoek op grond van artikel 7 van de verordening te
verrichten dan een binnenlands administratief onderzoek, bijvoorbeeld omdat in
het verzoek op grond van artikel 7 relevante en duidelijke informatie ontbreekt
of omdat een vertaling nodig is. Deze factoren kunnen leiden tot aanzienlijke
vertraging bij het beantwoorden van deze verzoeken. De Commissie is er evenwel van overtuigd dat
althans het probleem van de vertalingen grotendeels zal worden opgelost met de
invoering van de nieuwe elektronische formulieren die sinds juli 2013 van
toepassing zijn en waarop de meeste informatie in vaste velden kan worden
verstrekt. 3.1.3. Termijn voor het verstrekken
van inlichtingen (artikelen 10-12) De termijn voor het verstrekken van inlichtingen
is vastgesteld in de artikelen 10 tot en met 12 van Verordening (EU)
nr. 904/2010 en bedraagt 3 maanden of 1 maand. Om btw-fraude efficiënt te
bestrijden en te garanderen dat de btw correct wordt geïnd, is het zaak dat de
lidstaten zo snel mogelijk inlichtingen uitwisselen. In het vorige verslag hebben alle lidstaten
verklaard dat zij voor de follow-up van verzoeken over een monitoringsysteem
beschikken dat gebruikmaakt van hun intranet of andere specifieke software;
gewoonlijk wordt hierop toegezien door het centrale verbindingsbureau. Uit de meest recente statistische gegevens van de
lidstaten blijkt evenwel duidelijk dat het voor de overgrote meerderheid van
hen nog steeds moeilijk is om aan de termijn te voldoen voor alle verzoeken, en
dat zij zich terdege bewust zijn van de tekortkomingen in hun interne beheer en
procedures. Sommige lidstaten hebben al concrete maatregelen genomen om ervoor
te zorgen dat verzoeken beter op tijd worden beantwoord, of zijn van plan dat
te doen. In het vorige verslag over het functioneren van de
administratieve samenwerking werd al de vaststelling gedaan dat interne
factoren (zoals een gebrek aan middelen) de reden waren waarom
antwoordtermijnen niet worden nageleefd. De herschikkingsverordening bevat
enkele nieuwe elementen die gebaseerd zijn op verbetersuggesties die toen zijn
gedaan, zoals een rechtstreekse toegang tot bepaalde gegevens in de nationale
databanken; de kwestie blijft niettemin dat het probleem moet worden aangepakt
op leidinggevend niveau in de lidstaten. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door
lokale ambtenaren ervan bewust te maken dat zij in hun planning prioriteit
moeten geven aan deze verzoeken, door direct contact op te nemen met de
aanspreekpunten in de andere lidstaten om problemen op te lossen, of door de
inspanningen van lokale ambtenaren te erkennen wanneer hun werkzaamheden worden
geëvalueerd, enz. Een van de voornaamste kenmerken van
carrouselfraude is de snelheid van de transacties en de manier waarop ploffers
verdwijnen nadat een intracommunautaire verwerving heeft plaatsgevonden. Een
snelle en soepele uitwisseling van inlichtingen is bijgevolg essentieel om een
einde te maken aan dit soort fraude. De Commissie is van mening dat de naleving van de
bij de verordening opgelegde termijnen een cruciaal punt is waaraan de
belastingdiensten moeten voldoen. Sommige lidstaten hebben op dit vlak een
duidelijke achterstand. De administratieve samenwerking kan pas succes hebben
als deze tendens wordt gekeerd en de lidstaten meer inspanningen leveren om
verzoeken om inlichtingen van collega's in andere lidstaten nauwkeurig en
tijdig te beantwoorden. Om hen te helpen deze doelstelling te realiseren, zal
de Commissie deze kwestie verder bekijken samen met de lidstaten en, indien
nodig, bilateraal met individuele belastingdiensten. De Commissie is van mening dat de lidstaten dringend actie moeten
ondernemen om ervoor te zorgen dat hun nationale procedures waarborgen dat
verzoeken om inlichtingen tijdig worden beantwoord. 3.2. Uitwisseling van inlichtingen
zonder voorafgaand verzoek (artikelen 13 tot en met 15) De lijst van categorieën van inlichtingen die
zonder voorafgaand verzoek worden uitgewisseld, is in de nieuwe
uitvoeringsverordening van de Commissie (79/2012)[6] beperkt. Overeenkomstig
artikel 2 van deze verordening zijn er daardoor nu nog slechts twee
categorieën waarvoor inlichtingen automatisch moeten worden uitgewisseld; toch
kunnen de lidstaten er nog altijd voor kiezen om niet deel te nemen aan deze
automatische inlichtingenuitwisseling. De beperking van deze lijst betekent ook
dat de resterende categorieën door alle lidstaten worden beschouwd als
belangrijke inlichtingen waarvan de automatische uitwisseling
zinvol/noodzakelijk is voor de correcte inning van en de controle op de btw.
Daarom spreekt het voor zich dat de lidstaten slechts in uitzonderlijke en naar
behoren gemotiveerde gevallen zouden mogen afzien van de uitwisseling van
bepaalde inlichtingen. Volgens de op grond van artikel 4 ontvangen
kennisgevingen ziet een minderheid van de lidstaten af van deelname aan de
automatische uitwisseling van inlichtingen over niet-ingezeten
belastingplichtigen omdat zij technische moeilijkheden ondervinden om deze
gegevens op te vragen of omdat zij van mening zijn dat de administratieve
lasten om deze gegevens te verzamelen, onevenredig hoog zijn. Deze inlichtingen worden nuttig geacht, omdat zij
een aanvulling vormen op de gegevens die zouden moeten worden uitgewisseld in
het kader van de richtlijn betreffende de btw-teruggaaf. Bovendien zijn
inlichtingen over niet-ingezeten belastingplichtigen ook van belang voor de
directe belastingen. Op basis van de kennisgevingen op grond van
hetzelfde artikel 4 zien tien lidstaten af van deelname aan de
automatische uitwisseling van inlichtingen over nieuwe vervoermiddelen (met
name personenauto’s), omdat zij van mening zijn dat deze gegevens niet
beschikbaar zijn noch verzameld worden of dat het verzamelen ervan tot nieuwe
verplichtingen voor belastingplichtigen of tot een onaanvaardbare verhoging van
de administratieve en financiële lasten zou leiden. Zoals hierboven reeds vermeld, is de uitwisseling
van beide soorten inlichtingen evenwel zeer zinvol en noodzakelijk voor de
lidstaten om een juiste belastingheffing te garanderen en frauduleuze transacties
te bestrijden, met name op het gebied van nieuwe vervoermiddelen. Dergelijke
inlichtingen kunnen niet in het binnenland worden verkregen en inlichtingen van
andere lidstaten, waar de leveranciers gevestigd zijn, zijn van fundamenteel
belang. Hoewel lidstaten op grond van artikel 14 in naar behoren
gemotiveerde gevallen kunnen afzien van deze automatische
inlichtingenuitwisseling, hebben sommige van hen geen reden opgegeven. Aangezien de meeste lidstaten van mening zijn dat
de ontvangen inlichtingen zinvol zijn en in de praktijk zowel de risicoanalyse
als de controle ten goede komen, is de Commissie van oordeel dat de lidstaten
doeltreffende procedures dienen te implementeren om gegevens voor de
verschillende categorieën te verzamelen, en dat zij niet mogen afzien van deze
automatische uitwisseling. Dit punt werd reeds vermeld in het verslag van de
Rekenkamer van 2008 over de administratieve samenwerking[7]. De lidstaten die niet
in staat zijn de inlichtingen over nieuwe vervoermiddelen te verzamelen, wordt
aanbevolen om zich vertrouwd te maken met de goede praktijken van andere
lidstaten die op dit gebied actief zijn, bijvoorbeeld België, dat heeft
aangeboden om zijn ervaring met het verzamelen van informatie over dergelijke
transacties te delen met andere lidstaten. De Commissie betreurt het dat sommige lidstaten nog altijd niet aan
deze inlichtingenuitwisseling deelnemen, in het bijzonder omdat de lijst van
gegevens waarop deze uitwisseling ziet, aanzienlijk is beperkt. 3.3. Terugmelding (zoals omschreven
in artikel 16) Terugmelding is een nieuwe maatregel die in 2012
met de verordening werd ingevoerd op specifiek verzoek van verschillende
lidstaten. Zij zijn van mening dat het terugmeldingsmechanisme het management
zal helpen om tekortkomingen in de procedures aan te pakken en
belastingcontroleurs te motiveren om de kwaliteit van de uitgewisselde
inlichtingen te verbeteren. Een meerderheid van de lidstaten heeft evenwel
geen gebruik gemaakt van dit mechanisme in 2012, het eerste jaar van de
tenuitvoerlegging. De lidstaten zijn het er unaniem over eens dat er
niet systematisch om terugmelding moet worden verzocht, maar uitsluitend per
geval om de extra werklast die de terugmelding met zich meebrengt, binnen aanvaardbare
grenzen te houden. De meerderheid van de lidstaten is evenwel van
oordeel dat het nog te vroeg is om definitieve conclusies te trekken met
betrekking tot de effectiviteit en de kwaliteit van terugmeldingen. Sommige
lidstaten hebben een positieve invloed op de motivatie van het personeel en een
stijging van de spontane inlichtingenuitwisseling vastgesteld. Dezelfde
vaststelling werd gedaan door de deskundigengroep[8] die over de voordelen
van het opzetten van een terugmeldingsmechanisme heeft gebrainstormd en een
waardevolle rol voor dit mechanisme zag weggelegd om controleambtenaren te
motiveren en de spontane inlichtingenuitwisseling te stimuleren. De lidstaten die gebruikmaken van het
terugmeldingsmechanisme, geven aan dat de ontvangen informatie een positief
effect kan hebben op hun btw-controles en belastingopbrengsten. In de context van goede administratieve
samenwerking en best practices moeten terugmeldingen worden
aangemoedigd, omdat zij de beste manier zijn om de belastingambtenaren van de
andere lidstaat mee te delen dat de inlichtingen die zij verstrekt hebben,
nuttig zijn geweest en dat hun extra inspanning tot een positief resultaat
geleid heeft of de verzoekende lidstaat ten minste van dienst is geweest. De Commissie verheugt zich er ook over dat sommige
lidstaten spontaan terugmeldingen doen, niet alleen wanneer dat vereist is,
maar ook wanneer de inlichtingen die zij van andere lidstaten ontvangen hebben,
nuttig zijn gebleken in het binnenland. Dit weerspiegelt een positieve attitude
van deze lidstaten ten aanzien van de manier waarop grensoverschrijdende
samenwerking moet verlopen. Aangezien terugmelding belangrijk is om de inlichtingenuitwisseling
efficiënter te maken, moeten de lidstaten dit mechanisme vaker gaan gebruiken
en ervoor zorgen dat er een terugmelding wordt verricht telkens wanneer daarom
verzocht wordt en ook in gevallen waar er weliswaar niet om verzocht wordt,
maar het toch nuttig zou zijn voor andere lidstaten. Om dit te bereiken, dient het management de opleiding van de
belastingcontroleurs te verbeteren, zodat zij zich ervan bewust worden dat hun
terugmeldingen en spontane inlichtingenuitwisselingen voor andere lidstaten van
belang zijn bij de belastinginning. 3.4. Opslag en uitwisseling van
inlichtingen die specifiek betrekking hebben op intracommunautaire transacties
(artikelen 17 tot en met 24) 3.4.1. De VIES-databank De bepalingen betreffende de VIES-databank zijn
gewijzigd om de kwantiteit en de kwaliteit van de opgeslagen en uitgewisselde
gegevens te verhogen. Er is een nieuwe lijst van te bewaren en te verwerken
gegevens opgesteld. Sommige van deze gegevens zullen evenwel pas vanaf 2015 beschikbaar
moeten worden gemaakt. De meerderheid van de lidstaten is over het
algemeen tevreden met de wijzigingen, waarbij wordt gewezen op het kleinere
aantal correcties met terugwerkende kracht en discrepanties, snellere updates
en betrouwbaardere omzetgegevens. Ook de verkorting van de termijnen voor het
indienen en doorzenden van lijsten van intracommunautaire prestaties heeft de
inlichtingenuitwisseling versneld en de belastingdiensten hebben hier veel baat
bij. In het verleden is er vaak op gewezen dat de
ongeldigheid van btw-nummers en de laattijdige correctie van gegevens afbreuk
deden aan de kwaliteit van de gegevens in de databank. In haar vorige verslag schreef de Commissie
hierover dat de kwaliteit van de in de databank opgenomen gegevens wordt
verbeterd als deze regelmatig worden bijgewerkt, hetgeen op dagelijkse basis
zou moeten gebeuren. In de overgrote meerderheid van de lidstaten worden de
gegevens nu dagelijks bijgewerkt. Hoewel de meeste lidstaten die de kwaliteit en
betrouwbaarheid evalueren, over het algemeen tevreden zijn met de wijzigingen
die met de herschikkingsverordening zijn doorgevoerd, blijken er toch nog
altijd discrepanties te bestaan en VIES-gegevens met terugwerkende kracht te
worden gecorrigeerd. De Commissie stelt vast dat de belastingdiensten,
in het algemeen, geen relevante of precieze gegevens hebben over het aantal
discrepanties. De vraag blijft of de kwaliteitscontroles van de lidstaten het
geschikte instrument zijn om de betrouwbaarheid van de VIES-databank te
verbeteren. Wat de schrapping van btw-identificatienummers met
terugwerkende kracht betreft, herhaalt de Commissie het standpunt dat zij al
meermaals heeft ingenomen, namelijk dat dergelijke praktijken de
rechtszekerheid voor ondernemers in het gedrang brengen en vermeden moeten
worden. De verordening schrijft duidelijk voor dat de lidstaten hun databanken
actueel moeten houden; betrouwbare gegevens zijn van cruciaal belang voor de geloofwaardigheid
van het VIES. De Commissie beveelt derhalve aan dat alle lidstaten maatregelen nemen
om de VIES-databank actueel te houden. In combinatie met de verkorting van de
termijnen zal dit resulteren in een betrouwbaar en bijgewerkt VIES waarin gegevens
over intracommunautaire transacties zo snel mogelijk beschikbaar worden. 3.4.2. Geautomatiseerde toegang tot
databanken Krachtens de verordening moeten de bevoegde
autoriteiten nu geautomatiseerde toegang krijgen tot bepaalde gegevens in de
databanken van andere lidstaten. Deze geautomatiseerde toegang moet het aantal
verzoeken dat door de aangezochte lidstaat moet worden behandeld, doen dalen en
snellere toegang bieden tot de vereiste gegevens. De lidstaten hebben deze verplichting op
uiteenlopende wijze ten uitvoer gelegd: sommige extraheren de vereiste gegevens
uit bestaande databanken, andere hebben met dit doel een aparte databank
opgezet - de verhouding ligt ongeveer gelijk. Er kan evenwel niet worden
vastgesteld of er een meerderheid van lidstaten bestaat met een duidelijke
voorkeur voor het gebruik van bestaande databanken of niet. Tevens moet worden
bedacht dat kostenefficiëntie of andere technische beperkingen een rol kunnen
spelen bij het besluit van een bepaalde lidstaat om gebruik te maken van
bestaande databanken. Niettemin is het belangrijk om op te merken dat
alle lidstaten de bevoegde autoriteiten van alle andere lidstaten
geautomatiseerde toegang zullen verstrekken tot de in artikel 21,
lid 2, van Verordening (EU) nr. 904/2010 genoemde gegevens
overeenkomstig de in dat artikel vastgestelde voorwaarden. Het is nog te vroeg
om een betrouwbaar beeld te kunnen schetsen van het gebruik van dit instrument,
aangezien het pas sinds 1 januari 2013 wordt toegepast. De Commissie zal toezien op de juiste toepassing van de
geautomatiseerde toegang en meer gegevens verstrekken over het nut en de
doeltreffendheid van dit instrument in een toekomstig verslag. 3.5. Aanwezigheid van ambtenaren
in de administratiekantoren en deelname aan administratieve onderzoeken in
andere lidstaten (artikel 28) In het vorige verslag is een aantal problemen met
het gebruik van dit instrument opgesomd. Uit de jaarlijkse statistieken blijkt dat dit
instrument in de praktijk slechts beperkt wordt gebruikt, ofschoon het nog altijd
als een nuttig middel wordt aangemerkt, met name in grensgebieden. De
belemmeringen, hoofdzakelijk kwesties die op nationaal niveau moeten worden
aangepakt (zoals de ontwikkeling van taalvaardigheden, personele middelen,
interne procedures), waren dezelfde als de belemmeringen die reeds in het
vorige verslag werden genoemd. De voornaamste en meest terugkerende redenen voor
dit beperkte gebruik waren het ontbreken van een nationale rechtsgrondslag om
deelname aan nationale onderzoeken toe te laten, specifieke nationale
voorwaarden die het gebruik van het instrument belemmeren, en taalproblemen. De overgrote meerderheid van de lidstaten staat
toe dat ambtenaren van andere lidstaten aanwezig zijn in de kantoren van de
belastingdienst en deelnemen aan administratieve onderzoeken, mits de
voorwaarden van artikel 28 in acht worden genomen. De budgettaire moeilijkheden die het gevolg zijn
van de beperkte financiële speelruimte, zullen worden aangepakt in het kader
van het nieuwe Fiscalis 2020-programma, dat in financiering van dergelijke
bezoeken aan andere lidstaten voorziet. Verder is het nodig ambtenaren sterker
bewust te maken van de mogelijkheid om dit instrument te gebruiken. De
lidstaten moeten het gebruik van dit instrument in eigen land bevorderen en zo
meer bekendheid geven aan de voordelen dat het biedt. Zij kunnen ook profiteren
van de positieve ervaringen van andere lidstaten met het gebruik van dit
instrument. Indien zich een probleem voordoet bij het opzetten
van een initiatief op grond van artikel 28, moeten de lidstaten proberen
dit op bilaterale basis op te lossen. Het gebruik van dit instrument kan nog verder
worden verbeterd, aangezien het door een aanzienlijk aantal lidstaten nog
altijd niet op regelmatige basis wordt gebruikt. Nochtans kan er door
samenwerking in het kader van een multilaterale controle, inclusief de
aanwezigheid in de bedrijfsruimten van de belastingplichtige, veel tijd
(waaronder ook van de belastingplichtige) worden bespaard omdat vragen door
wederzijdse samenwerking kunnen worden beantwoord. De Commissie hoopt dat dit instrument in de toekomst vaker zal worden
gebruikt. 3.6. Gelijktijdige controles –
multilaterale controles (artikelen 29 en 30) 3.6.1. Organisatie van multilaterale
controles (MLC’s) De lidstaten zijn zich bewust van de meerwaarde
dat dit instrument biedt. Zij zijn tevreden met het opzetten van het
MLC-platform en de MLC-gids. Het aantal multilaterale controles dat jaarlijks
wordt opgezet, is onveranderd gebleven. De lidstaten voeren verschillende
redenen aan voor het relatief geringe aantal multilaterale controles; zo
stellen zij onder meer dat MLC-initiatieven moeilijk kunnen worden ingepast in
bestaande jaarlijkse controleplanningprogramma's, dat zij extra werklast met
zich meebrengen voor lokale ambtenaren die het aan ervaring ontbreekt, en dat
het moeilijk is om het management ervan te overtuigen dat het lonend is om in
controles te investeren die mogelijkerwijs alleen voor de andere betrokken
lidstaten voordelen opleveren. 3.6.2. Communicatie tussen MLC-afdelingen
en andere afdelingen In het vorige verslag werd opgemerkt dat er nog
ruimte was voor verbetering van de communicatie tussen de MLC-coördinatoren en
andere diensten (bv. het centraal verbindingsbureau en
fraudebestrijdingseenheden), eventueel door een aanpassing van de bestaande
MLC-procedures om sneller en minder bureaucratisch te kunnen reageren op
specifieke fraudezaken. In het algemeen hebben de lidstaten passende
communicatiekanalen opgezet tussen de eenheden/personen die zich bezighouden
met fraudepreventie en de eenheden/personen die de multilaterale controles
coördineren. De wijze waarop de communicatie is opgezet, hangt grotendeels af
van de bestuurlijke inrichting van de belastingdienst in de betrokken lidstaat
en kan variëren van directe contacten binnen dezelfde afdeling tot contacten
tussen aparte afdelingen in een gedecentraliseerde structuur. De lidstaten onderkennen de meerwaarde van een
duidelijk systeem van directe communicatie tussen de MLC-coördinatie-eenheid en
de eenheid die zich bezighoudt met controle en fraudebestrijding, zodat er in
geval van fraude snel kan worden gehandeld. Wat de interactie met Eurofisc betreft, zou
doelgerichte informatie uit het Eurofisc-netwerk nuttig kunnen zijn bij het
opzetten van multilaterale controles. Alleen de Eurofisc-verbindingsambtenaar
heeft toegang tot het Eurofisc-netwerk, maar informatie die hij nuttig acht
voor multilaterale controles, zou aan de MLC-coördinator kunnen worden
doorgegeven. De samenwerking tussen Eurofisc en de MLC-coördinatiefunctie kan
in een protocol worden vastgelegd. Onlangs heeft een projectgroep[9] een aantal
aanbevelingen gedaan om het gebruik van dit instrument te optimaliseren, onder
meer op het gebied van de accijnzen. Sommige van deze aanbevelingen pleiten ook
voor een nauwere samenwerking tussen douane- en belastingdiensten in de
lidstaten waar de twee belastingen door verschillende nationale diensten worden
beheerd. België heeft de aanzet gegeven tot een proefproject waarbij op Europees
niveau een team voor snelle analyse wordt opgezet om op vroegtijdige signalen
te reageren en de gehele frauduleuze transactieketen te reconstrueren. Dit kan
een nuttige bron van informatie vormen voor de multilaterale controles. Dit
Belgische proefproject, dat de strijd tegen de btw-fraude wil intensiveren, zal
verder worden besproken in het Eurofisc-platform. Multilaterale controles en de aanwezigheid van
ambtenaren in de administratiekantoren van andere lidstaten zijn instrumenten
die de lidstaten vaker zouden moeten gebruiken, met name omdat de kosten die
aan het gebruik ervan verbonden zijn, (voortaan) via het Fiscalis-programma
gefinancierd (zullen) worden. Het valt moeilijk te begrijpen waarom het gebruik
van het MLC-instrument nog altijd veeleer beperkt en in de afgelopen jaren zelfs
gedaald is, hoewel het onmiskenbare voordelen oplevert voor alle betrokken
lidstaten. De lidstaten moeten meer middelen toewijzen aan het gebruik van dit
instrument en alle lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij het initiatief nemen
tot dergelijke multilaterale controles of er actief aan deelnemen. Het zou
mogelijk moeten zijn om het aantal multilaterale controles in 2014 op te
trekken tot ongeveer 75, met name omdat dit slechts een gemiddelde van ongeveer
3 multilaterale controles per lidstaat inhoudt. 3.6.3. Een mogelijke toekomstige
aanpak: gezamenlijke controles De OESO omschrijft een gezamenlijke controle als twee
of meer landen die samen één controleteam opzetten om een of meer
aangelegenheden of transacties van een of meer onderling verbonden belastingplichtigen
(zowel natuurlijke als rechtspersonen) met grensoverschrijdende zakelijke
activiteiten, waaronder eventueel ook grensoverschrijdende transacties met
verwante gelieerde ondernemingen, te onderzoeken in de deelnemende landen, die
daarbij een gezamenlijk of complementair belang hebben; de belastingplichtige
zet zijn standpunten uiteen en verstrekt inlichtingen aan de gezamenlijke
deelnemende landen en het team omvat vertegenwoordigers van de bevoegde
autoriteit van elk land[10]. Slechts drie lidstaten hebben ervaring met
gezamenlijke controles zoals hierboven omschreven. Eén lidstaat heeft
gezamenlijke controles uitgevoerd met een derde land; Nederland en het Verenigd
Koninkrijk zijn begonnen met een proefproject op dit gebied. Op basis van deze tamelijk
beperkte ervaring kan worden vastgesteld dat de verantwoordelijkheden,
coördinatietaken, bevoegdheden en beperkingen van het team dat de gezamenlijke
controle verricht, worden vastgelegd in (bilaterale) overeenkomsten betreffende
wederzijdse administratieve bijstand en uitwisseling van inlichtingen in
belastingzaken. De lidstaten hebben zeer uiteenlopend geantwoord
op de vraag of gezamenlijke controles een nuttig instrument zouden zijn
bijvoorbeeld in vergelijking met een multilaterale controle in bepaalde
omstandigheden. De meeste lidstaten zijn van mening dat er nog te veel
juridische en organisatorische vragen onbeantwoord zijn (bijvoorbeeld het
ontbreken van een rechtsgrondslag, ongeschikte nationale procedures, aparte
jurisdicties, toestemming van de belastingplichtige) om te kunnen oordelen of
gezamenlijke controles door één controleteam in bepaalde gevallen efficiënter
kunnen zijn dan een multilaterale controle. Sommige lidstaten hebben wel aangegeven dat een
gezamenlijke controle doeltreffend kan zijn wanneer inlichtingen snel moeten
worden uitgewisseld, met name in gevallen op het gebied van de directe
belastingen waarbij zeer grote ondernemingen met dochterondernemingen betrokken
kunnen zijn (bv. verrekenprijzen). De lidstaten die een proefproject hebben opgezet,
moeten nog nagaan of de aanpak met één controleteam sneller leidt tot een
gemeenschappelijke visie over de twistpunten (bv. verduidelijking van
onzekerheden in internationale fiscale vraagstukken, betere inschatting van
internationale fiscale risico’s, efficiëntere aanpak van grensoverschrijdende
risico’s) en minder kostbaar is voor de belastingdiensten én de
belastingplichtige, aangezien er slechts één controle plaatsvindt die één
resultaat oplevert. Hoewel de overgrote meerderheid van de lidstaten
geen ervaring heeft met gezamenlijke controles, blijken zij in beginsel niet
tegen het idee gekant te zijn (met name op het gebied van de directe
belastingen). De vele juridische en organisatorische vragen die nog onbeantwoord
zijn, moeten in een Fiscalis-projectgroep verder worden besproken, uitgaande
van de huidige ervaring en het proefproject dat momenteel door twee lidstaten
wordt uitgevoerd. Op basis van het resultaat kan de Commissie een voorstel doen
om een rechtsgrond te creëren voor het gebruik van dit instrument op EU-niveau. 3.7. Informatieverstrekking aan de
belastingplichtigen (artikelen 31 en 32) Ondernemers kunnen, omwille van een grotere
rechtszekerheid, een bevestiging krijgen van de geldigheid van een
btw-identificatienummer (btw-nummer) in een aantal lidstaten, mits zij hun
eigen btw-nummer opgeven. Het btw-informatie-uitwisselingssysteem (VIES) is
jaren geleden opgezet door de lidstaten, met de hulp van de Commissie, met als
doel informatie te verschaffen aan belastingplichtigen. Op dit ogenblik maken
alle lidstaten, met één uitzondering, gebruik van het VIES om de geldigheid van
zowel het btw-nummer als de naam en het adres van de ondernemer te bevestigen. Wat de toepassing van deze bepalingen betreft, is
er slechts één lidstaat die de btw-nummers van zijn binnenlandse ondernemers
nog altijd niet bevestigt in VIES-on-the-web aan EU-belastingplichtigen die
daarom verzoeken; in plaats daarvan moeten deze zich tot het nationale centraal
verbindingsbureau wenden om een bevestiging van deze gegevens te krijgen. Eén
andere lidstaat heeft aangegeven dat dit dan ook de enige reden was waarom hij
nog een binnenlands systeem handhaaft. Wat betreft informatieverstrekking aan
belastingplichtigen die het btw-nummer van hun afnemers willen controleren, kan
worden geconcludeerd dat alle lidstaten over een dergelijk systeem beschikken. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat VIES-on-the-web systematisch
bijgewerkt wordt. 3.8. Eurofisc (artikelen 33 tot en
met 37) Het Eurofisc-netwerk is een onlangs ingevoerd
mechanisme voor snelle samenwerking, dat is opgezet om het hoofd te bieden aan
grootschalige of nieuwe fraudepatronen. Het netwerk bestrijkt vier
werkterreinen en heeft in maart 2012 en april 2013 zijn eerste verslagen
gepubliceerd. De bepalingen op basis waarvan het netwerk is opgezet, zijn in
november 2010 in werking getreden. De vier huidige werkterreinen hebben betrekking op
verschillende sectoren waarin btw-fraude wordt gepleegd. Op dit moment is er
niet echt een behoefte om nieuwe werkterreinen te creëren, tenzij er zich in
een specifieke sector een aanzienlijk aantal gevallen van nieuwe fraude zou
voordoen. Volgens verschillende lidstaten zou met een
gezamenlijke risicoanalyse op het niveau van Eurofisc een kruiselingse analyse
van de gegevens in alle werkterreinen kunnen worden verricht. Zij willen daarom
een proefproject opzetten om een gezamenlijke risicoanalyse te verrichten. De
uitkomst van deze analyse zou doelgerichte informatie opleveren die zou worden
meegedeeld aan alle betrokken lidstaten, en zou uiteindelijk kunnen leiden tot
nieuwe multilaterale controles. Een dergelijke gezamenlijke risicoanalyse zou
kunnen worden opgezet als een afzonderlijk werkterrein. Binnen Eurofisc zijn de
discussies hierover tussen de lidstaten nog steeds aan de gang. Bij recente
besprekingen van dit idee in de ATFS-groep is evenwel gebleken dat niet alle
lidstaten ervan overtuigd zijn dat Eurofisc in dit stadium verder werk moet
maken van de mogelijkheid van een gezamenlijke risicoanalyse, en zij zijn van
mening dat het netwerk zijn activiteiten moet beperken tot het streven naar een
verbetering van de bestaande werkprocedures. Om de doeltreffendheid van het netwerk te
verbeteren, kan er volgens de Commissie met name op het gebied van
risicoanalyse en feedback een verbeterslag worden uitgevoerd: –
De ontvangen informatie moet doelgerichter zijn. De
grote hoeveelheid informatie die soms wordt verstuurd, is moeilijk te
beoordelen. Daarom hebben verschillende lidstaten voorgesteld dat alle
lidstaten ervoor zorgen dat zij over een doeltreffend nationaal
risicoanalyse-instrument beschikken, zodat de hoeveelheid informatie beter
gefilterd kan worden en gewaarborgd wordt dat alleen verdachte gevallen worden
doorgestuurd. –
De VIES-databank zou ook voor risicoanalyse
gebruikt kunnen worden. Dit kan een zeer snelle manier zijn om informatie te
verzamelen over een mogelijk carrouselnetwerk, omdat de gegevens beschikbaar
kunnen worden gemaakt voordat btw-aangiften of lijsten van intracommunautaire
prestaties worden ingediend. De lidstaten die een zoekmachine ontwikkelen om
dit soort informatie te analyseren, zouden best practices kunnen
uitwisselen. –
Binnen het netwerk moet er een snel en duidelijk
feedbackmechanisme komen. De feedback moet worden gebruikt om de risicoanalyse
te verbeteren, hetgeen zou leiden tot doelgerichtere gegevens. Het huidige
feedbackmechanisme binnen Eurofisc helpt de lidstaten om de kwaliteit van de
waarschuwingen die in verband met bepaalde ondernemingen zijn uitgegaan, te
controleren, aangezien de lidstaat die de waarschuwing heeft ontvangen, de
resultaten kan terugmelden aan de lidstaat die de waarschuwing heeft laten
uitgaan. Voorts kunnen de belastingdiensten, op basis van
gegevens die zij van Eurofisc hebben ontvangen, controles inleiden die de
schrapping van een btw-identificatienummer tot gevolg kunnen hebben. De kwaliteit van de doorgegeven informatie en de
doeltreffendheid van het netwerk kunnen worden verhoogd door een verbetering
van het interne functioneren, waarover op Eurofisc-bijeenkomsten afspraken
kunnen worden gemaakt. Snelle en nauwkeurige feedback is van essentieel belang
voor de doeltreffendheid van het netwerk. Eén lidstaat heeft aangevoerd dat het
opzetten van een team voor gezamenlijke risicoanalyse in het kader van een afzonderlijk
werkterrein gerechtvaardigd wordt door het feit dat dit een belangrijk politiek
signaal zou geven dat het de lidstaten ernst is om vooruitgang te boeken met de
fraudebestrijding. De Commissie merkt op dat verschillende lidstaten
de administratieve samenwerking verder willen versterken en de
Eurofisc-verbindingsambtenaren willen toestaan om beter gebruik te maken van de
informatie die in het netwerk aanwezig is. Dit zou de lidstaten verder helpen
in hun streven om de btw-fraude aan te pakken voordat zij ook werkelijk
plaatsvindt. Desondanks houden bepaalde lidstaten nog altijd vast aan risicoanalyse
op nationaal niveau. De Commissie is van mening dat de lidstaten die daartoe bereid zijn,
verder werk moeten maken van de vraag hoe de beschikbare informatie beter kan
worden gebruikt. De Commissie is van mening dat de ontwikkeling van
gezamenlijke risicoanalyse binnen Eurofisc een belangrijke stap zou kunnen zijn
naar de uitwisseling van doelgerichtere informatie. Het netwerk moet daarom
nagaan welke de voordelen van een dergelijke gezamenlijke risicoanalyse zijn. 3.9. Betrekkingen met de Commissie
(artikel 49) Krachtens artikel 49 van de verordening moeten de
lidstaten de werking van de regelingen voor administratieve samenwerking
onderzoeken en beoordelen. In het vorige verslag werd opgemerkt dat blijkbaar
nagenoeg alle lidstaten geen systematische interne evaluatie van hun regelingen
verrichten, maar hun zelfevaluatie veeleer uitsluitend lijken te baseren op de
jaarlijkse statistieken die zij in dit verband aan de Commissie moeten
verstrekken. Deze situatie is sindsdien niet gewijzigd. Tijdens de besprekingen die aan de vaststelling
van de nieuwe verordening voorafgingen, stelde de Raad zich op het standpunt
dat het niet nodig was om in de herschikking te bepalen dat de lidstaten op
gezette tijden de werking van de administratieve samenwerking dienden te
controleren. De Commissie blijft daarentegen van mening dat een
dergelijke binnenlandse analyse zeer nuttig zou zijn voor de lidstaten zelf,
meer bepaald om het belang, het nut en de doeltreffendheid van de instrumenten
voor administratieve samenwerking voor henzelf te evalueren. Met name wat het
Eurofisc-netwerk betreft, dat speciaal werd opgericht om fraude efficiënter te
bestrijden, hebben de lidstaten er groot belang bij om na te gaan in welke mate
dit netwerk het verlies aan inkomsten als gevolg van btw-fraude heeft helpen te
beperken. Aangezien de Commissie bij de administratieve samenwerking op het
gebied van de btw alleen een ondersteunende rol kan spelen, kunnen de lidstaten
zelf het beste oordelen over de doeltreffendheid van de verschillende
instrumenten. De Commissie beveelt daarom aan dat de lidstaten een dergelijke
procedure vaststellen om een echte kosten-batenanalyse van de verschillende
instrumenten te verrichten. 3.10. Betrekkingen met derde landen
(artikel 50) De lidstaten zijn van mening dat informatie uit
derde landen nuttig kan zijn om gemakkelijker de belastingen te kunnen
vaststellen of fraude te kunnen opsporen. Niet alle lidstaten hebben echter
belastingverdragen gesloten die ook betrekking hebben op btw-aangelegenheden,
waardoor zij informatie die zij van derde landen ontvangen, ook niet aan andere
lidstaten kunnen doorgeven. De lidstaten hebben geen uniforme aanpak wat de
uitwisseling van inlichtingen met derde landen betreft. Sommige lidstaten
hebben het OESO-verdrag ondertekend/geratificeerd, dat vooral bedoeld is voor
directe belastingen. Daarnaast hebben sommige lidstaten een aantal
overeenkomsten betreffende de uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken
gesloten, terwijl andere dan weer dubbelbelastingverdragen ondertekend of
geratificeerd hebben. Op basis van door de lidstaten verstrekte cijfers
kan alleen worden geconcludeerd dat er over het geheel genomen weinig ervaring
is met de uitwisseling van inlichtingen op het gebied van de btw met derde
landen. De Commissie is er dan ook van overtuigd dat een
op EU-niveau gecoördineerde aanpak om een administratieve samenwerkingsregeling
met derde landen op het gebied van de btw tot stand te brengen, de juiste weg
voorwaarts is. Een multilaterale EU-overeenkomst kan worden gezien als een
project op de lange termijn. De nieuwe regeling voor de uitvoering van het
mini-éénloketsysteem dat in 2015 in werking treedt, vormt een extra argument
dat pleit voor een multilaterale EU-overeenkomst. De Commissie is voornemens een voorstel in te dienen voor het
verkrijgen van machtiging van de Raad om met bepaalde derde landen
onderhandelingen voor een bilaterale overeenkomst betreffende administratieve
samenwerking te openen begin 2014. 4. Een bijzonder thema: het
mini-éénloketsysteem Vanaf 1 januari
2015 wordt een facultatief mini-éénloketsysteem ingevoerd; het gaat hier om een
vereenvoudigingsmaatregel voor bepaalde ondernemers. Wie telecommunicatie-,
omroep- en elektronische diensten verleent, zal zich namelijk niet meer voor de
btw hoeven te registeren in iedere lidstaat waar hij een afnemer heeft, maar
zich in plaats daarvan via één webportaal in één lidstaat - de lidstaat van
identificatie - voor de btw kunnen registreren en langs die weg ook de btw die
hij over zijn prestaties in andere lidstaten verschuldigd is, kunnen aangeven
en voldoen. Het
mini-éénloketsysteem zal ook gevolgen hebben voor de administratieve
samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van controle van en onderzoek
naar de belastingplichtige. De voorbereidende
wettelijke en praktische werkzaamheden zijn nagenoeg voltooid. De Commissie
heeft tevens een Fiscalis-projectgroep opgericht (FPG 86), die zich over de
problematiek van controle en onderzoek in het kader van het
mini-éénloketsysteem zal buigen. De leden van deze groep hebben een lijst van
aanbevelingen opgesteld voor het opvragen van gegevens bij bedrijven met behulp
van een Standard Audit File (standaardcontrolebestand) voor het
mini-éénloketsysteem, en voor het contact opnemen met deze bedrijven indien
aanvullende inlichtingen of onderzoeken nodig zijn. Aangezien de lidstaten deze
richtsnoeren niet unaniem moeten goedkeuren, hoopt de Commissie dat zij ze
zullen willen toepassen in de vorm van een "gentleman’s agreement",
hetgeen de lasten voor het bedrijfsleven zou verlichten en het gebruik van het
vereenvoudigingsmechanisme zou vergemakkelijken. 5. Algemene beoordeling van het
functioneren van de administratieve samenwerking In het algemeen kan het functioneren van de
administratieve samenwerking over het geheel genomen positief worden
beoordeeld. Veel lidstaten wijzen erop dat het van essentieel belang is om de
goede kwaliteit van de SCAC-verzoekformulieren en de naleving van de
antwoordtermijnen te garanderen. Sommige lidstaten verwijzen ook opnieuw naar
nationale knelpunten (zoals het gebrek aan middelen) en aanslepende problemen
met de inlichtingenuitwisseling (onvolledige achtergrondinformatie in verzoeken
om inlichtingen; discrepanties in de statistische gegevens; wijzigingen in de
VIES-databank met terugwerkende kracht; verschillende regels in verband met de
antwoordtermijnen). Sommige lidstaten hebben een aantal voorstellen
gedaan om de administratieve samenwerking op het gebied van de btw te
verbeteren. Een eerste reeks voorstellen valt onder de
verantwoordelijkheid van de lidstaten en vereist derhalve nationaal optreden
(bijvoorbeeld een grotere betrokkenheid van het management, verzoeken om
inlichtingen worden pas gedaan nadat alle mogelijke middelen in de verzoekende
lidstaat zijn uitgeput). Andere voorstellen vereisen wijzigingen van de
wetgeving, bijvoorbeeld om terugmelding verplicht te maken, sancties op te
leggen als termijnen slecht worden nageleefd, of de drempels voor verzoeken te
verhogen. Behalve de moeilijkheid om zulke wetgevingsmaatregelen goedgekeurd te
krijgen, ziet de Commissie echter ook een aantal praktische problemen, zoals:
hoe en door wie worden sancties opgelegd, hoe wordt de hoogte van de sanctie
bepaald, enz.? Andere voorstellen zouden wijzigingen vereisen in
de gegevens die aan de Commissie worden doorgegeven, bijvoorbeeld de opstelling
van statistieken met ranglijsten van gemiste termijnen (3-6-9 maanden te laat).
Volgens de Commissie moet het haalbaar zijn om hierover in het SCAC tot een
gemeenschappelijk akkoord te komen. Een ander voorstel was dat de Commissie
maatregelen zou moeten nemen ten aanzien van de lidstaten die systematisch hun
verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 904/2010 niet nakomen. In
dit verband denkt de Commissie aan maatregelen zoals technische
bijstandsverlening of voortdurende monitoring op grond van artikel 12,
lid 3, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89. Als goede
instrumenten voor het verbeteren van de administratieve samenwerking werd
verwezen naar Fiscalis-seminars voor centrale verbindingsbureaus en de
verspreiding van best practices. Een aantal van deze voorstellen is in het verleden al zonder succes
besproken. De Commissie is evenwel van plan om verder werk te maken van deze
voorstellen op het passende niveau teneinde het functioneren van de
administratieve samenwerking te verbeteren, op voorwaarde dat zij kan rekenen
op voldoende steun van de lidstaten. 6. Conclusie Het is al bij verschillende gelegenheden naar
voren gebracht, meest recent nog in de gecoördineerde strategie ter verbetering
van de strijd tegen btw-fraude, zoals uiteengezet in de recente mededeling van
de Commissie over een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude
en belastingontduiking (COM(2012) 722 final van 6.12.2012): de lidstaten
kunnen belastingfraude en belastingontduiking pas doeltreffend aanpakken als ze
samenwerken. De verbetering van de administratieve samenwerking tussen de
belastingdiensten van de lidstaten is dan ook een van de voornaamste
doelstellingen van de strategie van de Commissie op dit gebied. Het verslag heeft de aandacht gevestigd op
terreinen waarop de administratieve samenwerking nog kan worden versterkt door
meer gebruik te maken van de betere mogelijkheden waarin Verordening (EU) nr.
904/2010 voorziet: · in het algemeen moet er sneller worden gereageerd op verzoeken om
inlichtingen, aangezien laattijdige antwoorden een cruciaal probleem vormen; · sommige lidstaten nemen nog steeds niet deel aan de automatische
uitwisseling van inlichtingen over niet-ingezeten belastingplichtigen en nieuwe
vervoermiddelen, hoewel zij deze inlichtingen zeer nuttig achten. Dit is een
groot probleem en daarom is de Commissie voornemens de ontwikkelingen op dit
terrein nog sterker te volgen; · terugmelding, op eigen initiatief of op verzoek, is een aanpak die moet
worden gestimuleerd in het kader van goede samenwerking en best practices,
omdat het de beste manier is om belastingambtenaren te laten weten dat hun werk
(tot op zekere hoogte) vrucht heeft afgeworpen; · de lidstaten moeten deelname aan administratieve onderzoeken bevorderen
door gebruik te maken van de bestaande wettelijke bepalingen in de verordening.
Dit is een zeer nuttig instrument, dat werd behouden in de herziene
verordening, en daarom valt het te betreuren dat zij er zo weinig gebruik van
maken; · multilaterale controles hebben hun nut bewezen. Het lijkt er echter op
dat de lidstaten er minder gebruik van hebben gemaakt in het recente verleden. De
lidstaten moeten zich opnieuw committeren aan multilaterale controles en de in
dit verslag beschreven obstakels voor dergelijke controles moeten worden
geslecht; · gezamenlijke controles zijn een instrument dat verder moet worden
ontwikkeld door middel van een Fiscalis-projectgroep op basis van de ervaringen
die worden opgedaan bij het proefproject van Nederland en het Verenigd
Koninkrijk. Indien nodig, zal de Commissie het voortouw nemen om een
rechtsgrond te creëren zodat dit instrument op EU-niveau kan worden gebruikt; · binnen Eurofisc zouden een gemeenschappelijke risicoanalyse en een
doeltreffend terugmeldingsmechanisme een passend antwoord bieden op de behoefte
aan doelgerichtere informatie en aan een beter gebruik van de informatie
waarover het netwerk al beschikt. Zo zou het netwerk zijn rol kunnen versterken
als instrument voor snelle reactie van de belastingdiensten op grensoverschrijdende
btw-fraude; · een op EU-niveau gecoördineerde aanpak om administratieve samenwerking
met derde landen op het gebied van de btw tot stand te brengen, zou een
antwoord bieden op de uiteenlopende regelingen die de lidstaten momenteel met
derde landen opzetten. Op de korte termijn zal de Commissie een voorstel
indienen om van de Raad machtiging te krijgen om met bepaalde derde landen
onderhandelingen te openen over bilaterale overeenkomsten betreffende
administratieve samenwerking op het gebied van de btw. De Commissie kan helpen de weg te bereiden voor
een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten om
btw-fraude te bestrijden. Zij is bereid initiatieven die de samenwerking
versterken, te ondersteunen en wettelijke stappen te zetten wanneer dit nodig
blijkt te zijn. De lidstaten moeten echter de politieke bereidheid
tonen om deze weg te gaan. Zij moeten op nationaal niveau de nodige
inspanningen leveren om de praktische werking van de regelingen voor
administratieve samenwerking te verbeteren om ten volle de vruchten te kunnen
plukken van deze instrumenten. Grensoverschrijdende samenwerking is immers het
enige passende antwoord op grensoverschrijdende btw-fraude en in het huidige
moeilijke economische klimaat moeten de lidstaten hun middelenallocatie
prioriteren. De Commissie is ervan overtuigd dat het inkomstenverlies voor de
nationale schatkist als gevolg van btw-fraude alleen kan worden beperkt als
deze instrumenten ten volle worden gebruikt en er op nationaal niveau voldoende
middelen ter beschikking worden gesteld. De Commissie zal verslag uitbrengen over de
vooruitgang die de lidstaten op de in dit verslag besproken gebieden hebben
geboekt. Aangezien btw-fraude een ernstig probleem vormt, zal zij niet wachten
totdat het volgende verslag moet worden uitgebracht (pas eind 2018), maar wil
zij het SCAC eind 2015 al een evaluatie voorleggen van de stand van zaken, met
name van de inspanningen die de lidstaten geleverd hebben om de in dit verslag
beschreven tekortkomingen aan te pakken en de grensoverschrijdende samenwerking
op het gebied van de btw te versterken. [1] Mededeling van de Commissie over een gecoördineerde
strategie ter verbetering van de bestrijding van btw-fraude in de Europese Unie
(COM(2008) 807 definitief van 1.12.2008). [2] COM(2011) 851 van 6.12.2011. [3] De vragenlijst, die op 19 december 2012 bij brief
1763918 is verzonden, werd door 27 lidstaten beantwoord. [4] VERSLAG VAN DE COMMISSIE AAN DE RAAD EN HET EUROPEES
PARLEMENT over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1798/2003 betreffende de
administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde
waarde (COM(2009) 428 def. van 18.8.2009). [5] Zie SCAC-werkdocument nr. 562. [6] PB L 29 van 1.2.2012, blz. 13. [7] Speciaal Verslag nr. 8/2007 van de Rekenkamer (PB C
20 van 25.1.2008, paragraaf 51). [8] Fiscalis-projectgroep 43 "Uitwisseling van
inlichtingen en behoefte aan terugmelding". [9] Fiscalis-projectgroep 84 "Multilaterale controles
op het gebied van accijnzen". [10] Joint Audit Report, OESO, Forum on Tax Administration,
september 2010.