EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32010R1013

Verordening (EU) nr. 1013/2010 van de Commissie van 10 november 2010 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van het vlootbeleid van de Unie als omschreven in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (gecodificeerde versie)

OJ L 293, 11.11.2010, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 04 Volume 012 P. 40 - 53

No longer in force, Date of end of validity: 31/12/2013; opgeheven door 32017R1756 zie art. 1

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1013/oj

11.11.2010   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 293/1


VERORDENING (EU) Nr. 1013/2010 VAN DE COMMISSIE

van 10 november 2010

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van het vlootbeleid van de Unie als omschreven in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad

(codificatie)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1), en met name artikel 11, lid 7, artikel 12, lid 1, eerste alinea, artikel 12, lid 2, artikel 13, lid 2, en artikel 14, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1438/2003 van de Commissie van 12 augustus 2003 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van het gemeenschappelijk vlootbeleid als omschreven in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd (3). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van deze verordening te worden overgegaan.

(2)

De aanpassing van de vangstcapaciteit van de vissersvloot van de Unie moet nauwlettend worden gevolgd om deze in overeenstemming te brengen met de beschikbare hulpbronnen. Daartoe zijn in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 een aantal specifieke maatregelen vastgesteld.

(3)

Er moeten regels worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de lidstaten correct wordt toegepast, waarbij rekening moet worden gehouden met alle relevante parameters voor het beheer van de vlootcapaciteit, in tonnage (GT) en motorvermogen (kW), waarin is voorzien bij voornoemde verordening en ook bij Verordening (EG) nr. 2792/1999 van de Raad van 17 december 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen en voorwaarden voor de structurele acties van de Gemeenschap in de visserijsector (4). Deze verordening dient rekening te houden met de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije op 1 mei 2004 en van Bulgarije en Roemenië op 1 januari 2007.

(4)

Op 1 januari 2003 moeten referentieniveaus voor de vangstcapaciteit worden vastgesteld voor de vloot van elke in bijlage I, deel A, genoemde lidstaat, met uitzondering van het deel van hun vloot dat in de ultraperifere gebieden is geregistreerd.

(5)

Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 stelt de lidstaten in staat 4 % van de gemiddelde jaarlijkse tonnage die met overheidssteun is onttrokken tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 en 4 % van de tonnage die vanaf 1 januari 2007 met overheidssteun aan de vloot wordt onttrokken, opnieuw toe te wijzen.

(6)

Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 houdt rekening met de thans in artikel 25, lid 3, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1198/2006 van de Raad van 27 juli 2006 inzake het Europees Visserijfonds (5) vastgestelde voorwaarde dat een motor slechts met overheidssteun kan worden vervangen als de nieuwe motor ten minste 20 % minder vermogen heeft dan de oude motor, behalve als het gaat om de vervanging van een motor die wordt gebruikt bij de kleinschalige kustvisserij als omschreven in die verordening.

(7)

Er dienen regels te worden vastgesteld voor de aanpassing van de referentieniveaus om rekening te houden met artikel 11, leden 4, 5 en 6, en, ter bevordering van de transparantie, met artikel 13, lid 1, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en met de hermeting van de vissersvloot van de Unie. Na de voltooiing van de meting van alle vissersvaartuigen dient de aanpassingsregel te worden behouden met het oog op een strikte toepassing, wat tonnage betreft, van de regeling voor toevoeging/onttrekking.

(8)

In voorkomend geval moet bij de bepaling van de referentieniveaus rekening worden gehouden met vóór 31 december 2002 bij de Commissie ingediende aanvragen van de in bijlage I, deel A, genoemde lidstaten om hun doelstelling in het vierde meerjarige oriëntatieprogramma (MOP IV) te verhogen, waarin was voorzien in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 2792/1999, en artikel 3 en artikel 4, lid 2, van Beschikking 97/413/EG van de Raad (6).

(9)

Er dient een berekeningsmethode te worden vastgesteld om te beoordelen of de lidstaten toevoegingen en onttrekkingen aan hun vloot van vissersvaartuigen beheren zoals voorgeschreven bij Verordening (EG) nr. 2371/2002.

(10)

Bij de vrijstelling van de regeling voor toevoeging/onttrekking voor vaartuigen die vanaf 1 januari 2003 of, voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten, vanaf de datum van toetreding, aan de vloot zijn toegevoegd dient rekening te worden gehouden met een vóór 1 januari 2003, respectievelijk vóór de datum van toetreding genomen administratief besluit. Voor de berekening van de totale vangstcapaciteit van de vloot op 1 januari 2003 moet een bijzondere behandeling worden gereserveerd voor toevoegingen aan de vloot van vissersvaartuigen waarvoor een dergelijk administratief besluit is genomen, voor zover deze vaartuigen niet later dan vijf jaar na de datum van het administratief besluit door de betrokken lidstaat aan de vloot werden toegevoegd.

(11)

Er moeten uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld voor de besluiten van de lidstaten inzake de toelaatbaarheid van moderniseringswerkzaamheden ter verbetering van de veiligheid, de arbeidsomstandigheden, de productkwaliteit en de hygiëne aan boord, als bedoeld in artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002, teneinde een transparante evaluatie en een gelijke behandeling van de aanvragen te garanderen en tegelijk een toename van de visserijinspanning als gevolg van dergelijke werkzaamheden te voorkomen.

(12)

Overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2930/86 van de Raad van 22 september 1986 houdende definities van de kenmerken van vissersvaartuigen (7) wordt voor de tonnage van vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 15 m geen rekening gehouden met vergrotingen van de ingesloten ruimte boven het hoofddek. Met een verhoging in GT die verband houdt met de modernisering van deze vaartuigen boven het hoofddek wordt derhalve geen rekening gehouden bij de aanpassing van de referentieniveaus overeenkomstig artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

(13)

De lidstaten moeten worden gemachtigd om, met het oog op de verbetering van de veiligheid, de hygiëne, de arbeidsomstandigheden en de productkwaliteit aan boord, een beperkte verhoging van de tonnage aan nieuwe of bestaande vaartuigen toe te wijzen, op voorwaarde dat de vangstcapaciteit van die vissersvaartuigen daardoor niet toeneemt en voorrang wordt gegeven aan de kleinschalige kustvisserij in de zin van artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1198/2006. Deze verhoging moet worden gekoppeld aan de inspanningen die de lidstaten zich tussen 1 januari 2003 of 1 mei 2004 en 31 december 2006 en vanaf 1 januari 2007 getroosten om de vangstcapaciteit met overheidssteun aan te passen.

(14)

Er dienen uitvoeringsbepalingen te worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat duidelijke regels en procedures worden ingevoerd voor de manier waarop de lidstaten gegevens meedelen aan het gegevensbestand over de visserijvloot van de Unie en er zijn nieuwe verificatieregels nodig om de kwaliteit en de betrouwbaarheid van deze gegevens te garanderen.

(15)

De jaarverslagen en het overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 door de Commissie opgestelde overzicht daarvan, moeten een duidelijk beeld geven van het evenwicht tussen de vangstcapaciteit van de vloot en de vangstmogelijkheden.

(16)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

WERKINGSSFEER EN DEFINITIES

Artikel 1

Werkingssfeer

Bij deze verordening worden de bepalingen ter uitvoering van hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 vastgesteld. Zij is van toepassing op de vangstcapaciteit van vissersvaartuigen van de Unie, met uitzondering van vaartuigen die:

a)

uitsluitend worden gebruikt in de aquacultuur, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 1198/2006; of

b)

zijn geregistreerd in de ultraperifere gebieden van Frankrijk, Portugal en Spanje, die zijn genoemd in artikel 355, punt 1, van het Verdrag.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „GTa1” of „de totale tonnage van de vaartuigen die tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken”: de totale tonnage van de vaartuigen die met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006. In de in artikel 4 vastgestelde formule voor het referentieniveau in tonnage wordt met deze waarde slechts rekening gehouden voor de hoeveelheid capaciteit bovenop de vermindering in tonnage die nodig was om te voldoen aan de referentieniveaus uit hoofde van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

Voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten wordt onder „GTa1” of de „totale tonnage van de vaartuigen die tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken” verstaan de totale tonnage van de vaartuigen die met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken tussen de datum van toetreding en 31 december 2006;

2.   „GTS” of „de totale verhoging van de tonnage die is toegekend op grond van het bepaalde in artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002”: de totale verhoging van de tonnage die is toegekend op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 en is geregistreerd vóór de datum waarvoor de GTt is berekend;

3.   „GTa2” of de „totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken”: de totale tonnage van de vaartuigen die met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken tussen 1 januari 2007 en de datum waarvoor GTt is berekend. In de in artikel 4 vastgestelde formule voor het referentieniveau in tonnage wordt met deze waarde slechts rekening gehouden voor de hoeveelheid capaciteit bovenop de vermindering in tonnage die nodig was om te voldoen aan de referentieniveaus uit hoofde van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

4.   „GT100” of „de totale tonnage van vaartuigen van meer dan 100 GT die met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd”: de totale tonnage van vaartuigen van meer dan 100 GT die tussen 1 januari 2003 en de datum waarvoor de GTt is berekend aan de vloot zijn toegevoegd en waarvoor de betrokken lidstaat een administratief besluit tot toekenning van steun heeft vastgesteld na 31 december 2002.

Voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten wordt onder „GT100” of „de totale tonnage van vaartuigen van meer dan 100 GT die met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd” verstaan de totale tonnage van vaartuigen van meer dan 100 GT die tussen 1 mei 2004 en de datum waarvoor de GTt is berekend, aan de vloot zijn toegevoegd en waarvoor de betrokken lidstaat een administratief besluit tot toekenning van steun heeft vastgesteld na 30 april 2004;

5.   „kWa” of „het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken”: het totale vermogen van de vaartuigen die tussen 1 januari 2003 en de datum waarvoor het kWt is berekend met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken. In de formule betreffende het referentieniveau in motorvermogen in artikel 4 wordt slechts met deze waarde rekening gehouden voor de hoeveelheid capaciteit die is onttrokken bovenop de vermindering van het vermogen die nodig was om te voldoen aan de referentieniveaus op grond van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

Voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten wordt onder „kWa” of „het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken” verstaan het totale vermogen van de vaartuigen die tussen 1 mei 2004 en de datum waarvoor het kWt is berekend, met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken;

6.   „kW100” of „het totale vermogen van vaartuigen van meer dan 100 GT die met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd”: het totale vermogen van vaartuigen van meer dan 100 GT die tussen 1 januari 2003 en de datum waarvoor het kWt is berekend aan de vloot zijn toegevoegd en waarvoor de betrokken lidstaat na 31 december 2002 een administratief besluit tot toekenning van steun heeft vastgesteld.

Voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten wordt onder „kW100” of „het totale vermogen van vaartuigen van meer dan 100 GT die met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd” verstaan het totale vermogen van vaartuigen van meer dan 100 GT die tussen 1 mei 2004 en de datum waarvoor het kWt is berekend, aan de vloot zijn toegevoegd en waarvoor de betrokken lidstaat na 30 april 2004 een administratief besluit tot toekenning van steun heeft vastgesteld;

7.   „GTt”: de totale tonnage van de vloot, berekend op een tijdstip na 1 januari 2003;

8.   „Δ(GT-GRT)” of „het resultaat van de hermeting van de vloot”: het verschil tussen de totale capaciteit in tonnage van de vloot op 1 januari 2003 en dezelfde waarde die is herberekend zodra de hermeting van de vloot in GT overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 2930/86 is voltooid;

9.   „kWt”: het totale vermogen van de vloot berekend op een tijdstip na 1 januari 2003;

10.   „hoofddek”: het „bovendek” zoals gedefinieerd in het „Internationaal Verdrag betreffende de meting van schepen”, van 1969;

11.   „kWr” of „het totale vermogen van de motoren die, onder voorwaarde van een vermogensvermindering, met overheidssteun zijn vervangen”: het totale vermogen van de motoren die na 31 december 2006 met overheidssteun zijn vervangen overeenkomstig artikel 25, lid 3, onder b) en c), van Verordening (EG) nr. 1198/2006.

HOOFDSTUK II

REFERENTIENIVEAUS VOOR DE VISSERSVLOTEN

Artikel 3

Vaststelling van de referentieniveaus

Voor elke in bijlage I, deel A, genoemde lidstaat zijn de referentieniveaus in tonnage (GT) en vermogen (kW) op 1 januari 2003, als bedoeld in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 2371/2002, behalve die voor de ultraperifere gebieden, vastgesteld in bijlage I, deel A.

Artikel 4

Toezicht op de referentieniveaus

1.   Voor elke in bijlage I, deel A, genoemde lidstaat, is het referentieniveau in tonnage op een tijdstip na 1 januari 2003 (R(GT)t) gelijk aan het in bijlage I, deel A, voor die lidstaat bepaalde referentieniveau op 1 januari 2003 (R(GT)03),

a)

verminderd met:

i)

99 % van de totale tonnage van de vaartuigen die tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa1);

ii)

96 % van de totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa2);

b)

en vermeerderd met de totale tonnageverhogingen die zijn toegekend op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 (GTS).

Deze referentieniveaus worden berekend volgens de volgende formule:

R(GT)t = R(GT)03 – 0,99 GTa1 – 0,96 GTa2 + GTS

Wanneer nieuwe vangstcapaciteit aan de vloot wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 2371/2002, worden de in de tweede alinea van dit lid vermelde referentieniveaus overeenkomstig de onderstaande formule verminderd met 35 % van de totale tonnage van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun (GT100):

R(GT)t = R(GT)03 – 0,99 GTa1 – 0,96 GTa2 – 0,35 GT100 + GTS

2.   Voor elke in bijlage I, deel A, genoemde lidstaat, is het referentieniveau in motorvermogen op een tijdstip na 1 januari 2003 (R(kW)t) gelijk aan het in bijlage I, deel A, voor die lidstaat bepaalde referentieniveau op 1 januari 2003 (R(kW)03), verminderd met het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (kWa) en met 20 % van het totale vermogen van de motoren die, onder voorwaarde van een vermogensvermindering, met overheidssteun zijn vervangen (kWr).

Deze referentieniveaus worden berekend volgens de volgende formule:

R(kW)t = R(kW)03 – kWa – 0,2 kWr

Wanneer nieuwe vangstcapaciteit aan de vloot wordt toegevoegd overeenkomstig artikel 13, lid 1, onder b), ii), van Verordening (EG) nr. 2371/2002, worden de in de tweede alinea van dit lid vermelde referentieniveaus overeenkomstig de onderstaande formule verminderd met 35 % van het totale vermogen van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun (KW100):

R(kW)t = R(kW)03 – kWa – 0,2 kWr – 0,35 kW100

HOOFDSTUK III

BEHEER VAN TOEVOEGINGEN EN ONTTREKKINGEN AAN DE VLOOT

Artikel 5

Vangstcapaciteit van de vloot op 1 januari 2003

Behalve voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten, wordt voor de toepassing van artikel 7 de vangstcapaciteit in tonnage (GT03) en vermogen (kW03) op 1 januari 2003 bepaald, rekening houdende — overeenkomstig bijlage II — met de vaartuigen die, op grond van een administratief besluit dat de betrokken lidstaat tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 heeft genomen overeenkomstig de toen geldende wetgeving, en met name overeenkomstig de nationale regeling voor toevoeging/onttrekking die aan de Commissie is gemeld overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Besluit 97/413/EG, aan de vloot zijn toegevoegd binnen vijf jaar na de datum van dat administratieve besluit.

Artikel 6

Vangstcapaciteit van de vloot van de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten op de datum van toetreding

Voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten wordt voor de toepassing van artikel 8 de vangstcapaciteit in tonnage (GTacc) en vermogen (kWacc) op de datum van toetreding bepaald, rekening houdende — overeenkomstig bijlage III — met de vaartuigen die op grond van een administratief besluit dat de betrokken lidstaat hoogstens vijf jaar vóór de datum van toetreding heeft genomen, aan de vloot zijn toegevoegd binnen vijf jaar na de datum van dat administratieve besluit.

Artikel 7

Toezicht op aan de vloot toegevoegde of onttrokken vaartuigen

1.   Om te voldoen aan artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet elke in bijlage I, deel A, bij deze verordening genoemde lidstaat ervoor zorgen dat de vangstcapaciteit in tonnage (GTt) steeds ten hoogste gelijk is aan de vangstcapaciteit op 1 januari 2003 (GT03),

a)

verminderd met:

i)

99 % van de totale tonnage van de vaartuigen die tussen 1 januari 2003 en 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa1);

ii)

96 % van de totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa2);

iii)

35 % van de totale tonnage van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun (GT100);

b)

en vermeerderd met:

i)

de totale tonnageverhoging die is toegekend op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 (GTS);

ii)

het resultaat van de hermeting van de vloot (Δ(GT-GRT)).

Die lidstaten zorgen ervoor dat aan de volgende formule wordt voldaan:

GTt ≤ GT03 – 0,99 GTa1 – 0,96 GTa2 – 0,35 GT100 + GTS + Δ(GT-GRT)

2.   Om te voldoen aan artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet elke in bijlage I, deel A, bij deze verordening genoemde lidstaat ervoor zorgen dat de vangstcapaciteit in vermogen (kWt) steeds ten hoogste gelijk is aan de vangstcapaciteit op 1 januari 2003 (kW03), verminderd met:

a)

het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (kWa);

b)

20 % van het totale vermogen van de motoren die, onder voorwaarde van een vermogensvermindering, met overheidssteun zijn vervangen (kWr);

c)

35 % van het totale vermogen van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met na 31 december 2002 toegekende overheidssteun (kW100).

Die lidstaten zorgen ervoor dat aan de volgende formule wordt voldaan:

kWt ≤ kW03 – kWa – 0,2 kWr – 0,35 kW100

Artikel 8

Toezicht op aan de vloot toegevoegde of onttrokken vaartuigen in de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten

1.   Om te voldoen aan artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet elke in bijlage I, deel B, bij deze verordening genoemde lidstaat ervoor zorgen dat de vangstcapaciteit in tonnage (GTt) steeds ten hoogste gelijk is aan de vangstcapaciteit op de datum van toetreding (GTacc),

a)

verminderd met:

i)

voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden, 98,5 % van de totale tonnage van de vaartuigen die tussen die datum en 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa1);

ii)

voor elke in bijlage I, deel B, genoemde lidstaat, 96 % van de totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2006 met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (GTa2);

iii)

voor elke in bijlage I, deel B, genoemde lidstaat, 35 % van de totale tonnage van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met overheidssteun die op of na de datum van toetreding is toegekend (GT100);

b)

en vermeerderd met:

i)

de totale tonnageverhoging die is toegekend op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 (GTS);

ii)

het resultaat van de hermeting van de vloot (Δ(GT-GRT))

Die lidstaten zorgen ervoor dat aan de volgende formule wordt voldaan:

GTt ≤ GTacc – 0,985 GTa1 – 0,96 GTa2 – 0,35 GT100 + GTS + Δ(GT-GRT)

2.   Om te voldoen aan artikel 13 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet elke in bijlage I, deel B, bij deze verordening genoemde lidstaat ervoor zorgen dat de vangstcapaciteit in vermogen (kWt) steeds ten hoogste gelijk is aan de vangstcapaciteit op de datum van toetreding (kWacc), verminderd met:

a)

het totale vermogen van de vaartuigen die op of na de datum van toetreding met overheidssteun aan de vloot zijn onttrokken (kWa);

b)

20 % van het totale vermogen van de motoren die onder voorwaarde van een vermogensvermindering, met overheidssteun zijn vervangen (kWr);

c)

35 % van het totale vermogen van de vaartuigen van meer dan 100 GT die aan de vloot zijn toegevoegd met overheidssteun die op of na de datum van toetreding is toegekend (kW100).

Die lidstaten zorgen ervoor dat aan de volgende formule wordt voldaan:

kWt ≤ kWacc – kWa – 0,2 kWr – 0,35 kW100

HOOFDSTUK IV

VERHOGING IN TONNAGE OM DE VEILIGHEID AAN BOORD, DE ARBEIDSVOORWAARDEN, DE HYGIËNE EN DE PRODUCTKWALITEIT TE VERBETEREN

Artikel 9

Voorwaarden voor verzoeken tot verhoging van de tonnage

Een verzoek tot verhoging van de tonnage van een vaartuig op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 kan worden geacht toelaatbaar te zijn op voorwaarde dat de volgende voorwaarden vervuld zijn:

a)

aan het vaartuig mag niet reeds eerder een verhoging van de tonnage op grond van dezelfde bepalingen zijn toegekend;

b)

het vaartuig moet een lengte over alles hebben van 15 m of meer;

c)

de leeftijd van het vaartuig, berekend als het verschil tussen de datum waarop de aanvraag is ontvangen en de datum van inbedrijfstelling in de zin van artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2930/86, moet ten minste vijf jaar bedragen;

d)

de verhoging van de tonnage moet een gevolg zijn van moderniseringswerkzaamheden die zullen worden uitgevoerd met het doel de veiligheid aan boord, de arbeidsomstandigheden, de hygiëne of de productkwaliteit te verbeteren;

e)

de onder d) bedoelde werkzaamheden mogen niet leiden tot een toename van de ruimte onder het hoofddek;

f)

de onder d) bedoelde werkzaamheden mogen niet leiden tot extra ruimte voor de opslag van vis of het bergen van vistuig.

Artikel 10

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

1.   De lidstaten beoordelen de aanvragen tot verhoging van de tonnage en beslissen of deze, gezien de in artikel 9 bedoelde voorwaarden, kunnen worden toegestaan.

2.   De lidstaten houden een dossier bij voor elk vaartuig waarvoor een besluit tot verhoging van de tonnage op grond van het bepaalde in artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 is vastgesteld. Dat dossier moet alle technische gegevens bevatten die bij de beoordeling van de aanvraag door de lidstaat zijn gebruikt. De lidstaten stellen deze dossiers op verzoek onverwijld ter beschikking van de Commissie.

HOOFDSTUK V

VERZAMELING VAN GEGEVENS

Artikel 11

Verzameling van gegevens door de lidstaat en mededeling van gegevens aan de Commissie

1.   De lidstaten verzamelen de gegevens betreffende:

a)

elke toevoeging of onttrekking van vaartuigen aan de vloot;

b)

elke modernisering van een vaartuig waardoor de vangstcapaciteit ervan wordt gewijzigd.

2.   De lidstaten delen de Commissie ten minste de volgende gegevens mee:

a)

het interne nummer en de naam van het vaartuig;

b)

de vangstcapaciteit van het vaartuig in GT en kW;

c)

de haven van registratie van het vaartuig;

d)

de aard en de datum van de volgende gebeurtenissen:

i)

onttrekking aan de vloot (bv. sloop, uitvoer, overbrenging naar een andere lidstaat, joint venture, overschakeling op een andere activiteit);

ii)

toevoeging aan de vloot (bv. nieuwbouw, invoer, overbrenging uit een andere lidstaat, overschakeling van een andere activiteit); of

iii)

modernisering, met vermelding of dit gebeurt om veiligheidsredenen op grond van artikel 11, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002;

e)

of voor de gebeurtenis overheidssteun is verleend;

f)

in voorkomend geval, de datum van het administratieve besluit van de lidstaat tot het verlenen van deze steun;

g)

in het geval van modernisering, de wijziging in vermogen (in kW), en de wijziging in tonnage (in GT) boven en onder het hoofddek.

HOOFDSTUK VI

UITWISSELING VAN INFORMATIE EN JAARVERSLAG

Artikel 12

Uitwisseling van informatie

De lidstaten verstrekken de andere lidstaten en de Commissie informatie over de tenuitvoerlegging van de wetgeving van de Unie inzake het vlootbeleid, met name:

a)

de nationale uitvoeringsmaatregelen en -instrumenten om te garanderen dat hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 2371/2002 wordt nageleefd;

b)

de administratieve procedures voor toezicht op de vloot en bewaking en informatie over de instanties die daarbij betrokken zijn;

c)

informatie over de ontwikkeling van de vlootcapaciteit, inzonderheid over de met overheidssteun aan de vloot onttrokken vaartuigen en vernieuwde vaartuigen;

d)

de plannen voor een inkrimping van de vloot om te voldoen aan eventuele referentieniveaus;

e)

informatie over de ontwikkeling van de vlootcapaciteit in de ultraperifere gebieden in verband met de overdracht van vaartuigen tussen het vasteland en de ultraperifere gebieden;

f)

informatie over het effect op de vlootcapaciteit van regelingen tot beperking van de visserijinspanning, inzonderheid indien deze deel uitmaken van een herstelplan of een meerjarig beheersplan;

g)

alle andere informatie die relevant en nuttig wordt geacht voor de uitwisseling van informatie en van beste praktijken tussen de lidstaten.

Artikel 13

Jaarverslag

1.   Elke lidstaat zendt de Commissie uiterlijk op 30 april van elk jaar langs elektronische weg een verslag over de inspanningen die hij in het voorgaande jaar heeft geleverd om tot een duurzaam evenwicht tussen vangstcapaciteit en vangstmogelijkheden te komen.

2.   Aan de hand van gegevens in het gegevensbestand over de visserijvloot van de Unie en de informatie die is vervat in de overeenkomstig het bepaalde in lid 1 ontvangen verslagen, stelt de Commissie een overzicht op en legt dit, vóór 31 juli van elk jaar, voor aan het Wetenschappelijk, Technische en Economisch Comité voor de visserij en aan het Comité voor de visserij en de aquacultuur dat is ingesteld bij artikel 30, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2371/2002.

Deze twee comités delen de Commissie uiterlijk op 31 oktober van elk jaar hun advies mee.

3.   Uiterlijk op 31 december van elk jaar zendt de Commissie het overzicht, met aangehecht de verslagen van de lidstaten, aan het Europees Parlement en de Raad, vergezeld van de adviezen van de in lid 2 genoemde comités.

Artikel 14

In de jaarverslagen te vermelden gegevens

1.   De in artikel 13 bedoelde jaarverslagen van de lidstaten moeten ten minste de volgende gegevens bevatten:

a)

een beschrijving van de vissersvloten in het licht van de betrokken visserijtakken: ontwikkeling(en) in het voorgaande jaar, ook voor visserijtakken waarvoor meerjarige beheersplannen of herstelplannen gelden;

b)

het effect op de vangstcapaciteit van de regelingen tot vermindering van de visserijinspanning die zijn vastgesteld in het kader van meerjarige beheers- of herstelplannen of, in voorkomend geval, van nationale regelingen;

c)

informatie over de naleving van de regelingen voor toevoeging/onttrekking aan de vloot en van het referentieniveau;

d)

een beknopt verslag over de sterke en zwakke punten van het systeem voor het beheer van de vloot, met een plan voor eventuele verbeteringen, en informatie over de mate waarin de maatregelen in het kader van het vlootbeleid in acht zijn genomen;

e)

informatie over wijzigingen in de administratieve procedures in het kader van het beheer van de vloot.

2.   De verslagen van de lidstaten mogen ten hoogste tien bladzijden beslaan.

Artikel 15

Verordening (EG) nr. 1438/2003 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 16

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 november 2010.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(2)  PB L 204 van 13.8.2003, blz. 21.

(3)  Zie bijlage IV.

(4)  PB L 337 van 30.12.1999, blz. 10.

(5)  PB L 223 van 15.8.2006, blz. 1.

(6)  PB L 175 van 3.7.1997, blz. 27.

(7)  PB L 274 van 25.9.1986, blz. 1.


BIJLAGE I

DEEL A

Referentieniveaus per lidstaat  (1)

Lidstaat

Referentieniveaus 1 januari 2003

R(GT)03

R(kW)03

België

23 372

67 857

Denemarken

132 706

459 526

Duitsland

84 262

175 927

Ierland

88 700

244 834

Griekenland

119 910

653 497

Spanje (exclusief de capaciteit die in de Canarische Eilanden was geregistreerd op 31 december 2002)

728 344

1 671 739

Frankrijk (exclusief de MOP IV-doelstellingen voor de vlootsegmenten van de Franse overzeese departementen)

230 257

920 969

Italië

229 862

1 338 971

Nederland

197 599

487 809

Portugal (exclusief de MOP IV-doelstellingen voor de vlootsegmenten van de Azoren en Madeira)

171 502

412 025

Finland

23 203

216 195

Zweden

51 993

261 028

Verenigd Koninkrijk

286 120

1 129 194

Totaal

2 367 830

8 039 571

DEEL B

Lijst van lidstaten die zijn toegetreden na 1 januari 2003

 

Bulgarije

 

Tsjechië

 

Estland

 

Cyprus

 

Letland

 

Litouwen

 

Hongarije

 

Malta

 

Polen

 

Roemenië

 

Slovenië

 

Slowakije


(1)  De referentieniveaus kunnen eventueel worden gewijzigd om rekening te houden met vaartuigen die op 31 december 2002 bestonden maar die niet voor MOP IV in aanmerking waren genomen of niet waren geregistreerd op de datum waarop deze tabel is opgesteld.


BIJLAGE II

Regels voor het berekenen van de vangstcapaciteit in tonnage (GT03) en vermogen (KW03) op 1 januari 2003

In deze bijlage wordt verstaan onder:

1.   „GTFR”: de vangstcapaciteit van de vloot op 1 januari 2003 in tonnage, berekend aan de hand van de gegevens van het gegevensbestand van de visserijvloot van de Unie;

2.   „GT1”: de totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 genomen administratief besluit, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002;

3.   „GT2”: de totale tonnage van vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 2002 en 30 juni 2002 vastgesteld administratief besluit, in een MOP IV-segment dat niet aan zijn doelstellingen voldeed, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken na 31 december 2002;

4.   „GT3”: de totale tonnage van de vaartuigen die na 31 december 2002 zonder overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 genomen administratief besluit, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002;

5.   „GT4”: de totale tonnage van vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 2000 en 31 december 2001 vastgesteld administratief besluit, in een MOP IV-segment dat niet aan zijn doelstellingen voldeed, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken na 31 december 2002;

6.   „kWFR”: de vangstcapaciteit van de vloot op 1 januari 2003 in vermogen, berekend aan de hand van de gegevens van het gegevensbestand van de visserijvloot van de Unie;

7.   „kW1”: het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 genomen administratief besluit, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002;

8.   „kW2”: het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 2002 en 30 juni 2002 vastgesteld administratief besluit, in een MOP IV-segment dat niet aan zijn doelstellingen voldeed, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken na 31 december 2002;

9.   „kW3”: het totale vermogen van de vaartuigen die na 31 december 2002 zonder overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002 genomen administratief besluit, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken tussen 1 januari 1998 en 31 december 2002;

10.   „kW4”: het totale vermogen van vaartuigen die na 31 december 2002 met overheidssteun aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een tussen 1 januari 2000 en 31 december 2001 vastgesteld administratief besluit, in een MOP IV-segment dat niet aan zijn doelstellingen voldeed, waarvoor een overeenkomstige capaciteit zonder overheidssteun aan de vloot is onttrokken na 31 december 2002.

De vangstcapaciteit van de vloot in tonnage GT03 en vermogen kW03, als bedoeld in artikel 6, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

GT03 = GTFR + GT1 – 0,35 GT2 + GT3 – 0,30 GT4

kW03 = kWFR + kW1 – 0,35 kW2 + kW3 – 0,30 kW4.


BIJLAGE III

Regels voor het berekenen van de vangstcapaciteit in tonnage (GTacc) en vermogen (kWacc) voor de in bijlage I, deel B, genoemde lidstaten op de datum van toetreding

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1.   „GTFR”: de vangstcapaciteit van de vloot op de datum van toetreding in tonnage, berekend aan de hand van de gegevens van het gegevensbestand van de visserijvloot van de Unie;

2.   „GT1”: de totale tonnage van de vaartuigen die na de datum van toetreding aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een administratief besluit dat hoogstens vijf jaar vóór de datum van toetreding is genomen;

3.   „kWFR”: de vangstcapaciteit van de vloot op de datum van toetreding in vermogen, berekend aan de hand van de gegevens van het gegevensbestand van de visserijvloot van de Unie;

4.   „kW1”: het totale vermogen van de vaartuigen die na de datum van toetreding aan de vloot zijn toegevoegd op grond van een administratief besluit dat hoogstens vijf jaar vóór de datum van toetreding is genomen.

De vangstcapaciteit van de vloot in tonnage GTacc en vermogen kWacc, als bedoeld in artikel 6, wordt berekend aan de hand van de volgende formule:

GTacc = GTFR + GT1

kWacc = kWFR + kW1.


BIJLAGE IV

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 1438/2003 van de Commissie

(PB L 204 van 13.8.2003, blz. 21)

Verordening (EG) nr. 916/2004 van de Commissie

(PB L 163 van 30.4.2004, blz. 81)

Verordening (EG) nr. 1277/2007 van de Commissie

(PB L 284 van 30.10.2007, blz. 14)

Verordening (EG) nr. 1086/2008 van de Commissie

(PB L 297 van 6.11.2008, blz. 9)


BIJLAGE V

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1438/2003

De onderhavige verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, punten 1 t/m 10

Artikel 2, punten 1 t/m 10

Artikel 2, punt 11

Artikel 2, punt 12

Artikel 2, punt 11

Artikelen 3 en 4

Artikelen 3 en 4

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 6 bis

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 7 bis

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10, leden 1 en 2

Artikel 11, leden 1 en 2

Artikel 10, lid 3

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 14, eerste alinea

Artikel 16

Artikel 14, tweede alinea

Bijlage I

Bijlage I, deel A

Bijlage I, deel B

Bijlagen II en III

Bijlagen II en III

Bijlage IV

Bijlage V


Top