Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32006R0865

Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie van 4 mei 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

OJ L 166, 19.6.2006, p. 1–69 (ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Bulgarian: Chapter 15 Volume 016 P. 104 - 167
Special edition in Romanian: Chapter 15 Volume 016 P. 104 - 167
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 010 P. 106 - 169

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2006/865/oj

19.6.2006   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/1


VERORDENING (EG) Nr. 865/2006 VAN DE COMMISSIE

van 4 mei 2006

houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad van 9 december 1996 inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (1), en met name op artikel 19, punten 1, 2 en 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld om Verordening (EG) nr. 338/97 ten uitvoer te leggen en te garanderen dat de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (CITES), hierna „de Overeenkomst” genoemd, volledig wordt nageleefd.

(2)

Om een eenvormige uitvoering van Verordening (EG) nr. 338/97 te garanderen, is het noodzakelijk gedetailleerde voorwaarden en criteria vast te stellen voor de behandeling van aanvragen voor vergunningen en certificaten en voor de afgifte, de geldigheid en het gebruik van deze documenten. Bijgevolg is het passend modellen vast te stellen waaraan deze documenten dienen te voldoen.

(3)

Voorts is het noodzakelijk gedetailleerde bepalingen vast te stellen betreffende de voorwaarden en criteria met betrekking tot de behandeling van in gevangenschap geboren en gefokte dierlijke specimens en kunstmatig gekweekte plantaardige specimens, teneinde een eenvormige toepassing van de voor dergelijke specimens geldende afwijkingen te garanderen.

(4)

De afwijkingen voor als persoonlijke bezittingen en huisraad aangemerkte specimens waarin artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 voorziet, vereisen dat bepalingen worden uitgewerkt die garanderen dat artikel VII, lid 3, van de Overeenkomst wordt nageleefd.

(5)

Om te garanderen dat algemene afwijkingen van de verbodsbepalingen inzake interne handelsactiviteiten van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 eenvormig worden toegepast, moeten voorwaarden en criteria worden vastgesteld ten aanzien van de definiëring daarvan.

(6)

Er moeten procedures worden vastgesteld voor het merken van bepaalde specimens van dier- of plantensoorten teneinde de identificatie daarvan te vergemakkelijken en de handhaving van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 te garanderen.

(7)

Er moeten bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de inhoud, de vorm en de indiening van de periodieke rapporten die Verordening (EG) nr. 338/97 voorschrijft.

(8)

Met het oog op toekomstige wijzigingen van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97 dient alle relevante informatie, met name inzake de biologische situatie van de betrokken soorten en de situatie van de handel daarin, het gebruik van die soorten en de methoden om op die handel toe te zien, beschikbaar te zijn.

(9)

Op de twaalfde zitting van de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst, die van 3 tot en met 15 november 2002 te Santiago (Chili) werd gehouden, is een aantal resoluties aangenomen die onder meer betrekking hebben op vereenvoudigde procedures voor de afgifte van vergunningen en certificaten, een speciaal certificaat om de overbrenging te vergemakkelijken van bepaalde categorieën specimens die deel uitmaken van een reizende tentoonstelling, aanvullende afwijkingen ten aanzien van persoonlijke bezittingen, geactualisserde voorschriften betreffende de etikettering van kaviaarrecipiënten, alsmede andere routine- of technische maatregelen, waaronder de wijziging van de op de vergunningen en certificaten gebruikte codes en wijzigingen in de lijst van standaardreferentiewerken voor het bepalen van de naam van de in de bijlagen van de Overeenkomst opgenomen soorten, en het is derhalve noodzakelijk met die resoluties rekening te houden.

(10)

Gezien de administratieve lasten die voortvloeien uit de controle op de invoer en uitvoer van levende, in gevangenschap geboren en gefokte dieren die persoonlijke bezittingen zijn alsmede dieren die persoonlijke bezittingen zijn en in de Gemeenschap werden binnengebracht vóór Verordening (EG) nr. 338/97, Verordening (EEG) nr. 3626/82 van de Raad van 3 december 1982 betreffende de toepassing in de Gemeenschap van de Overeenkomst inzake de internationale handel in bedreigde in het wild levende dier- en plantensoorten (2) of nationale wetgeving ter uitvoering van de Overeenkomst van toepassing werden, en gezien het feit dat deze in- en uitvoer geen belemmering vormt voor de bescherming van diersoorten in het wild, dient voor deze doeleinden een speciaal certificaat te worden gecreëerd.

(11)

Verordening (EG) nr. 1808/2001 van de Commissie van 30 augustus 2001 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer (3) dient derhalve ingrijpend te worden gewijzigd. Gezien de omvang van die wijzigingen dient die verordening ter wille van de duidelijkheid in haar geheel te worden vervangen.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de handel in wilde dier- en plantensoorten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DEFINITIES

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt, naast de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 338/97, verstaan onder:

1.

„datum van verwerving”: de datum waarop een specimen aan de natuur werd onttrokken, in gevangenschap werd geboren of kunstmatig werd gekweekt;

2.

„nakomelingen van de tweede generatie (F2)” en „nakomelingen van latere generaties (F3, F4, enzovoort)”: specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders die zelf in een gecontroleerd milieu zijn geteeld, te onderscheiden van specimens die in een gecontroleerd milieu zijn geteeld uit ouders waarvan er ten minste één in het wild werd verwekt of aan de vrije natuur werd onttrokken (specimens van nakomelingen van de eerste generatie (F1);

3.

„fokdierenbestand”: alle dieren die in het kader van een fokprogramma voor de reproductie worden gebruikt;

4.

„gecontroleerd milieu”: een door menselijke ingrepen bepaald milieu dat is geschapen om dieren van een bepaalde soort te fokken, dat op een zodanige wijze is afgesloten dat dieren, eieren of gameten van de betrokken soort dat milieu niet kunnen binnenkomen of verlaten, en dat in het algemeen met name, maar niet uitsluitend, wordt gekenmerkt door kunstmatige behuizing, verwijdering van uitwerpselen, gezondheidszorg, bescherming tegen predatoren en kunstmatige voedselvoorziening;

5.

„gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon”: een persoon die gedurende ten minste 185 dagen per kalenderjaar in de Gemeenschap verblijft wegens beroepsmatige bindingen of, voor personen zonder beroepsmatige bindingen, wegens persoonlijke bindingen waaruit nauwe banden blijken tussen die persoon en de plaats waar hij verblijft;

6.

„reizende tentoonstelling”: een ambulante collectie specimens, circus, menagerie of plantententoonstelling die voor commerciële doeleinden aan het publiek wordt vertoond;

7.

„transactiespecifieke certificaten”: overeenkomstig artikel 48 afgegeven certificaten die uitsluitend geldig zijn voor nader gespecificeerde transacties op het grondgebied van de lidstaat van afgifte;

8.

„specimenspecifieke certificaten”: andere overeenkomstig artikel 48 afgegeven certificaten dan transactiespecifieke certificaten.

HOOFDSTUK II

FORMULIEREN EN TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN

Artikel 2

Formulieren

1.   De formulieren voor de invoervergunningen, uitvoervergunningen, wederuitvoercertificaten, certificaten van persoonlijke eigendom en de aanvragen van deze documenten komen, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeen met het in bijlage I opgenomen model.

2.   De formulieren voor de kennisgevingen van invoer komen, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeen met het in bijlage II opgenomen model. Zij mogen van een serienummer zijn voorzien.

3.   De formulieren voor de certificaten voor reizende tentoonstellingen en de aanvragen van deze documenten komen, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeen met het in bijlage III opgenomen model.

4.   De formulieren voor de vervolgbladen van certificaten van persoonlijke eigendom en certificaten voor reizende tentoonstellingen komen overeen met het in bijlage IV opgenomen model.

5.   De formulieren voor de certificaten bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, leden 3 en 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 alsook de aanvragen van deze certificaten komen, afgezien van de voor nationale doeleinden bestemde ruimten, overeen met het in bijlage V bij de onderhavige verordening opgenomen model.

De lidstaten mogen evenwel bepalen dat in de vakken 18 en 19 in plaats van de voorgedrukte tekst alleen de desbetreffende verklaring en/of vergunning wordt aangebracht.

6.   De vorm van de in artikel 7, lid 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde etiketten komt overeen met het in bijlage VI bij de onderhavige verordening opgenomen model.

Artikel 3

Technische specificaties betreffende de formulieren

1.   Het voor de in artikel 2 bedoelde formulieren te gebruiken papier is houtvrij en zodanig gelijmd dat het goed te beschrijven is, en weegt ten minste 55 g/m2.

2.   De afmetingen van de in artikel 2, leden 1 tot en met 5, bedoelde formulieren bedragen 210 bij 297 mm (A4-formaat) met, wat de lengte betreft, een maximale tolerantie van - 18 mm en + 8 mm.

3.   De kleur van het papier van de in artikel 2, lid 1, bedoelde formulieren is:

a)

wit voor formulier nr. 1, het „origineel”, met op de voorzijde een geguillocheerde grijze onderdruk die elke met behulp van chemische of mechanische middelen aangebrachte vervalsing zichtbaar maakt;

b)

geel voor formulier nr. 2, de „kopie voor de houder”;

c)

lichtgroen voor formulier nr. 3, de „kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer” in het geval van een invoervergunning, of voor de „kopie voor terugzending door de douane aan de administratieve instantie van afgifte” in het geval van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat;

d)

roze voor formulier nr. 4, de „kopie voor de administratieve instantie van afgifte”;

e)

wit voor formulier nr. 5, de „aanvraag”.

4.   De kleur van het papier van de in artikel 2, lid 2, bedoelde formulieren is:

a)

wit voor formulier nr. 1, het „origineel”;

b)

geel voor formulier nr. 2, de „kopie voor de invoerder”.

5.   De kleur van het papier van de in artikel 2, leden 3 en 5, bedoelde formulieren is:

a)

geel voor formulier nr. 1, het „origineel”, met op de voorzijde een geguillocheerde grijze onderdruk die elke met behulp van chemische of mechanische middelen aangebrachte vervalsing zichtbaar maakt;

b)

roze voor formulier nr. 2, de „kopie voor de administratieve instantie van afgifte”;

c)

wit voor formulier nr. 3, de „aanvraag”.

6.   De kleur van het papier van de respectievelijk in artikel 2, lid 4, en artikel 2, lid 6, bedoelde vervolgbladen en etiketten is wit.

7.   De in artikel 2 bedoelde formulieren worden gedrukt en ingevuld in één van de officiële talen van de Gemeenschap, zoals aangegeven door de administratieve instantie van iedere lidstaat. Zij omvatten zo nodig een vertaling in één van de officiële werktalen van de Overeenkomst.

8.   De lidstaten dragen zorg voor het drukken van de in artikel 2 bedoelde formulieren; in het geval van de in artikel 2, leden 1 tot en met 5, bedoelde formulieren mag het drukken deel uitmaken van een gecomputeriseerde afgifteprocedure voor vergunningen of certificaten.

Artikel 4

Invullen van de formulieren

1.   De formulieren worden in machineschrift ingevuld.

De aanvragen voor invoer- en uitvoervergunningen, wederuitvoercertificaten, de certificaten bedoeld in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, leden 3 en 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97, certificaten van persoonlijke eigendom en certificaten voor reizende tentoonstellingen alsmede kennisgevingen van invoer, vervolgbladen en etiketten mogen evenwel met de hand worden ingevuld indien dit op leesbare wijze, in inkt en in blokletters geschiedt.

2.   De formulieren 1 tot en met 4 van bijlage I, de formulieren 1 en 2 van bijlage II, de formulieren 1 en 2 van bijlage III, de formulieren 1 en 2 van bijlage V, de in artikel 2, lid 4, bedoelde vervolgbladen en de in artikel 2, lid 6, bedoelde etiketten mogen geen schrappingen of overschrijvingen bevatten, tenzij die schrappingen of overschrijvingen met het stempel en de handtekening van de administratieve instantie van afgifte zijn gewaarmerkt. Op de in artikel 2, lid 2, bedoelde kennisgevingen van invoer en de in artikel 2, lid 4, bedoelde vervolgbladen mogen schrappingen of overschrijvingen ook worden gewaarmerkt met het stempel en de handtekening van het douanekantoor van invoer.

Artikel 5

Inhoud van vergunningen, certificaten en aanvragen voor de afgifte van deze documenten

Vergunningen en certificaten, alsook de aanvragen voor de afgifte van deze documenten, moeten aan de volgende vereisten voldoen:

1.

de beschrijving van de specimens omvat, voor zover daarin is voorzien, één van de in bijlage VII vermelde codes;

2.

voor het aangeven van de hoeveelheid en de nettomassa worden de in bijlage VII vermelde eenheden gebruikt;

3.

het taxon waartoe de specimens behoren, wordt tot op soortniveau aangegeven, behalve wanneer overeenkostig de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97 een onderscheid tot op het niveau van de ondersoort wordt gemaakt of wanneer de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst geoordeeld heeft dat een onderscheid tot op een hoger taxonomisch niveau volstaat;

4.

voor het aangeven van de wetenschappelijke naam van de betrokken taxa wordt gebruikgemaakt van de in bijlage VIII bij de onderhavige verordening vermelde standaardnomenclatuurwerken;

5.

waar nodig wordt het doel van de transactie aangegeven door middel van één van de in punt 1 van bijlage IX bij de onderhavige verordening vermelde codes;

6.

de oorsprong van de specimens wordt aangegeven door middel van één van de in punt 2 van bijlage IX bij de onderhavige verordening vermelde codes.

Indien ten aanzien van het gebruik van de in punt 6 bedoelde codes aan bepaalde in Verordening (EG) nr. 338/97 of in deze verordening genoemde criteria moet worden voldaan, moeten zij aan die criteria voldoen.

Artikel 6

Bijlagen bij de formulieren

1.   Indien een bijlage bij een in artikel 2 bedoeld formulier daarvan een integrerend deel uitmaakt, moeten zowel dit feit als het aantal bladzijden duidelijk op de betrokken vergunning of het betrokken certificaat worden vermeld en dient elke bladzijde van de bijlage te worden voorzien van:

a)

het nummer van de vergunning of het certificaat en de datum van afgifte daarvan;

b)

de handtekening en het stempel of zegel van de administratieve instantie die de vergunning of het certificaat heeft afgegeven.

2.   Indien de in artikel 2, lid 1, bedoelde formulieren worden gebruikt voor meerdere soorten in één zending, dient daaraan een bijlage te worden gehecht die — naast de gegevens die zijn vereist krachtens lid 1 van dit artikel — voor elke soort die deel uitmaakt van de zending een duplicaat omvat van de vakken 8 tot en met 22 van het betrokken formulier alsmede van de ruimten in vak 27 van dat formulier waar de „werkelijk ingevoerde of (weder)uitgevoerde hoeveelheid/nettomassa” en in voorkomend geval het „aantal bij aankomst dode dieren” moeten worden ingevuld.

3.   Indien de in artikel 2, lid 3, bedoelde formulieren worden gebruikt voor meer dan één soort, dient daaraan een bijlage te worden gehecht die — naast de gegevens die zijn vereist krachtens lid 1 van dit artikel — voor elke soort een duplicaat omvat van de vakken 8 tot en met 18 van het betrokken formulier.

4.   Indien de in artikel 2, lid 5, bedoelde formulieren worden gebruikt voor meer dan één soort, dient daaraan een bijlage te worden gehecht die — naast de gegevens die zijn vereist krachtens lid 1 van dit artikel — voor elke soort een duplicaat omvat van de vakken 4 tot en met 18 van het betrokken formulier.

Artikel 7

Door derde landen afgegeven vergunningen en certificaten

1.   Artikel 4, leden 1 en 2, artikel 5, punten 3, 4 en 5, en artikel 6 zijn van toepassing in samenhang met besluiten betreffende de aanvaardbaarheid van vergunningen en certificaten die door derde landen zijn afgegeven voor specimens die in de Gemeenschap worden binnengebracht.

2.   Indien de in lid 1 bedoelde vergunningen en certificaten betrekking hebben op specimens van soorten waarop vrijwillig vastgestelde uitvoerquota of door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst toegekende uitvoerquota van toepassing zijn, worden zij alleen aanvaard indien daarop het totale aantal specimens dat in het lopende jaar reeds is uitgevoerd — met inbegrip van die waarop de betrokken vergunning betrekking heeft — alsmede het quotum voor de betrokken soort zijn vermeld.

3.   Door derde landen afgegeven wederuitvoercertificaten worden voorts uitsluitend aanvaard indien daarop het land van herkomst en het nummer en de afgiftedatum van de desbetreffende uitvoervergunning alsmede, in voorkomend geval, het land van laatste wederuitvoer en het nummer en de afgiftedatum van het desbetreffende wederuitvoercertificaat zijn aangegeven of indien zij een bevredigende rechtvaardiging bevatten voor het niet vermelden van deze informatie.

HOOFDSTUK III

AFGIFTE, GEBRUIK EN GELDIGHEID VAN DOCUMENTEN

Artikel 8

Afgifte en gebruik van documenten

1.   De documenten worden afgegeven en gebruikt overeenkomstig de bepalingen en voorwaarden van deze verordening en Verordening (EG) nr. 338/97, en met name artikel 11, leden 1 tot en met 4, van die verordening.

Om te garanderen dat die verordeningen alsmede de nationaalrechtelijke bepalingen ter uitvoering daarvan worden nageleefd, kan de administratieve instantie van afgifte voorschriften, voorwaarden en eisen opleggen die in de betrokken documenten worden vermeld.

2.   Het gebruik van de documenten doet geen afbreuk aan de overige bij de overbrenging van goederen binnen de Gemeenschap, het binnenbrengen van goederen in de Gemeenschap of de uitvoer of wederuitvoer daarvan uit de Gemeenschap te vervullen formaliteiten, noch aan de afgifte van de bij die formaliteiten gebruikte documenten.

3.   De administratieve instanties treffen een besluit over de afgifte van vergunningen en certificaten binnen één maand vanaf de dag waarop een volledige aanvraag is ingediend.

Indien de administratieve instantie van afgifte derden dient te raadplegen, kan een dergelijk besluit evenwel alleen worden genomen nadat deze raadpleging ten genoegen van de instantie is voltooid. De aanvragers worden van aanzienlijke vertragingen bij de behandeling van hun aanvraag in kennis gesteld.

Artikel 9

Zendingen van specimens

Voor elke zending van specimens die als deel van één vracht gezamenlijk worden verzonden, wordt een afzonderlijke invoervergunning, kennisgeving van invoer, uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat afgegeven.

Artikel 10

Geldigheid van invoer- en uitvoervergunningen, wederuitvoercertificaten, certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom

1.   De geldigheidsduur van overeenkomstig de artikelen 20 en 21 afgegeven invoervergunningen bedraagt niet meer dan twaalf maanden. Een invoervergunning is in ieder geval ongeldig indien een overeenkomstig geldig document van het land van uitvoer of wederuitvoer ontbreekt.

2.   De geldigheidsduur van overeenkomstig artikel 26 afgegeven uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten bedraagt niet meer dan zes maanden.

3.   De geldigheidsduur van overeenkomstig artikel 30 respectievelijk artikel 37 afgegeven certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom bedraagt niet meer dan drie jaar.

4.   Wanneer de geldigheidsduur van de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde vergunningen en certificaten is verstreken, worden zij nietig geacht.

5.   Certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom verliezen hun geldigheid als het specimen wordt verkocht, verloren, vernietigd of gestolen, indien de eigendom van het specimen op enige andere wijze wordt overgedragen, of, in het geval van een levend specimen, indien dit sterft, ontsnapt of in de natuur wordt vrijgelaten.

6.   De houder zendt het origineel en alle kopieën van vervallen, ongebruikte of niet langer geldige invoervergunningen, uitvoervergunningen, wederuitvoercertificaten, certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom zonder verwijl aan de administratieve instantie van afgifte terug.

Artikel 11

Geldigheid van gebruikte invoervergunningen en van de in de artikelen 47, 48, 49, 60 en 63 bedoelde certificaten

1.   De kopieën voor de houder van gebruikte invoervergunningen verliezen hun geldigheid in de volgende gevallen:

a)

indien daarop vermelde levende specimens zijn gestorven;

b)

indien daarop vermelde levende dieren zijn ontsnapt of zijn vrijgelaten;

c)

indien daarop vermelde specimens zijn vernietigd;

d)

indien enig gegeven dat is vermeld in de vakken 3, 6 of 8 niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

2.   De in de artikelen 47, 48, 49 en 63 bedoelde certificaten verliezen hun geldigheid in de volgende gevallen:

a)

indien daarop vermelde levende specimens zijn gestorven;

b)

indien daarop vermelde levende dieren zijn ontsnapt of zijn vrijgelaten;

c)

indien daarop vermelde specimens zijn vernietigd;

d)

indien enig gegeven dat is vermeld in vak 2 of vak 4 van een certificaat niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

3.   Conform de artikelen 48 en 63 afgegeven certificaten zijn transactiespecifiek tenzij de specimens waarop die certificaten betrekking hebben, van een uniek en permanent merkteken zijn voorzien.

De administratieve instantie van de lidstaat waar het specimen zich bevindt, mag tevens, in overleg met de betrokken wetenschappelijke autoriteit, besluiten om een transactiespecifiek certificaat af te geven indien zij van oordeel is dat er andere factoren in samenhang met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van een specimenspecifiek certificaat.

4.   De in artikel 48, lid 1, onder d), en in artikel 60 bedoelde certificaten verliezen hun geldigheid indien de in vak 1 vermelde informatie niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

Dergelijke documenten dienen zonder verwijl te worden teruggezonden aan de administratieve instantie van afgifte, die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 51 een aan de nieuwe situatie aangepast certificaat kan afgeven.

Artikel 12

Ongeldig verklaarde, verloren, gestolen of vernietigde documenten

1.   Wanneer een vergunning of certificaat wordt afgegeven ter vervanging van een document dat is ongeldig verklaard, verloren, gestolen of vernietigd of waarvan — in het geval van een vergunning of wederuitvoercertificaat — de geldigheidsduur is verstreken, worden daarop het nummer van het vervangen document en de reden van de vervanging aangegeven in het vak bestemd voor de vermelding van de „bijzondere voorwaarden”.

2.   Wanneer een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat is ongeldig verklaard, verloren, gestolen of vernietigd, stelt de administratieve instantie van afgifte de administratieve instantie van het land van bestemming en het secretariaat van de Overeenkomst daarvan in kennis.

Artikel 13

Tijdstip van aanvraag van invoer- en (weder)uitvoerdocumenten en onderwerping aan een douaneprocedure

1.   De invoervergunningen, uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten dienen, rekening houdend met artikel 8, lid 3, tijdig te worden aangevraagd zodat zij kunnen worden afgegeven voordat de specimens in de Gemeenschap worden binnengebracht c.q. uit de Gemeenschap worden uitgevoerd of wederuitgevoerd.

2.   Er wordt pas toestemming verleend om de specimens aan een douaneprocedure te onderwerpen, nadat de vereiste documenten zijn overgelegd.

Artikel 14

Geldigheid van door derde landen afgegeven documenten

Wanneer specimens in de Gemeenschap worden binnengebracht, worden de vereiste van derde landen afkomstige documenten alleen als geldig beschouwd, indien zij voor de uitvoer of wederuitvoer van de specimens uit het betrokken land zijn afgegeven en voor dat doel zijn gebruikt vóór het verstrijken van hun geldigheidsduur en indien zij niet later dan zes maanden na de afgiftedatum worden gebruikt voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap.

Certificaten van oorsprong voor specimens van de in bijlage C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten mogen evenwel tot twaalf maanden na de afgiftedatum ervan voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap worden gebruikt, en certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom mogen tot drie jaar na de afgiftedatum ervan voor het binnenbrengen van de specimens in de Gemeenschap alsook voor het aanvragen van overeenkomstige certificaten conform de artikelen 30 en 37 van de onderhavige verordening worden gebruikt.

Artikel 15

Afgifte met terugwerkende kracht van bepaalde documenten

1.   In afwijking van artikel 13, lid 1, en artikel 14 van de onderhavige verordening en op voorwaarde dat de invoerder of (weder)uitvoerder de bevoegde administratieve instantie bij de aankomst respectievelijk vóór het vertrek van de betrokken zending in kennis stelt van de redenen waarom de vereiste documenten niet beschikbaar zijn, mogen in uitzonderlijke gevallen de documenten voor specimens van de in de bijlagen B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten alsmede voor de in artikel 4, lid 5, van genoemde verordening bedoelde specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten met terugwerkende kracht worden afgegeven.

2.   De afwijking waarin lid 1 voorziet, is van toepassing indien ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie van de lidstaat — die daarover zo nodig overleg pleegt met de bevoegde instanties van derde landen — is aangetoond dat de invoerder of (weder)uitvoerder niet verantwoordelijk is voor de onregelmatigheden die zich eventueel hebben voorgedaan, en dat de invoer of (weder)uitvoer van de betrokken specimens voor het overige in overeenstemming is met Verordening (EG) nr. 338/97, de Overeenkomst en de desbetreffende wetgeving van de betrokken derde landen.

3.   Op de krachtens lid 1 afgegeven documenten wordt duidelijk vermeld dat zij met terugwerkende kracht zijn afgegeven en wordt de reden van deze afgifte vermeld.

In het geval van invoervergunningen, uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten van de Gemeenschap wordt deze vermelding aangebracht in vak 23.

4.   Het secretariaat van de Overeenkomst wordt van krachtens de leden 1, 2 en 3 afgegeven uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten in kennis gesteld.

Artikel 16

Doorvoer van specimens via de Gemeenschap

De artikelen 14 en 15 van de onderhavige verordening zijn van overeenkomstige toepassing op specimens van in de bijlagen A en B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten die via de Gemeenschap worden doorgevoerd, indien die doorvoer voor het overige in overeenstemming is met die verordening.

Artikel 17

Fytosanitaire certificaten

1.   In het geval van kunstmatig gekweekte planten van de in de bijlagen B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten en kunstmatig gekweekte hybriden van de in bijlage A bij genoemde verordening opgenomen, niet van een annotatie voorziene soorten, geldt het volgende:

a)

de lidstaten mogen bepalen dat een fytosanitair certificaat wordt afgegeven in plaats van een uitvoervergunning;

b)

door derde landen afgegeven fytosanitaire certificaten worden in de plaats van een uitvoervergunning aanvaard.

2.   Wanneer een in lid 1 bedoeld fytosanitair certificaat wordt afgegeven, wordt daarop de wetenschappelijke naam op soortniveau of, indien zulks onmogelijk is in het geval van de taxa die als familie in de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97 zijn opgenomen, op geslachtsniveau vermeld.

Kunstmatig gekweekte orchideeën en cactussen van bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 mogen evenwel als zodanig worden vermeld.

Op de fytosanitaire certificaten worden ook het aantal specimens en de aard daarvan vermeld en zij worden voorzien van een stempel, zegel of andere specifieke vermelding luidens welke „de specimens kunstmatig zijn gekweekt overeenkomstig de CITES-definitie”.

Artikel 18

Vereenvoudigde procedures met betrekking tot bepaalde handel in biologische monsters

1.   In het geval van handelsverkeer dat geen effect of slechts een verwaarloosbaar effect heeft op de instandhouding van de betrokken soorten, mogen vereenvoudigde procedures gebaseerd op van tevoren verstrekte vergunningen en certificaten worden toepgepast ten aanzien van biologische monsters van de in bijlage XI gespecificeerde aard en omvang, indien deze dringend vereist zijn voor de in die bijlage gespecificeerde toepassingen en mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

elke lidstaat moet een register instellen en bijhouden van de personen en instanties die de vereenvoudigde procedures mogen gebruiken, hierna „de geregistreerde personen en instanties” genoemd, alsook van de soorten die zij mogen uitwisselen volgens die procedures, en moet ervoor zorgen dat dit register iedere vijf jaar door de administratieve instantie wordt gecontroleerd;

b)

de lidstaten moeten de geregistreerde personen en instanties gedeeltelijk ingevulde vergunningen en certificaten verstrekken;

c)

de lidstaten moeten de geregistreerde personen of instanties machtigen om op de voorkant van de vergunning of het certificaat specifieke informatie in te vullen wanneer de administratieve instantie van de betrokken lidstaat in vak 23 of op een soortgelijke plaats of in een bijlage bij de vergunning of het certificaat heeft voorzien in:

i)

een lijst van de vakken die de geregistreerde personen of instanties gemachtigd zijn in te vullen voor elke zending;

ii)

een plaats voor de handtekening van de persoon die het document heeft ingevuld.

Indien de onder c), i), bedoelde lijst het vak voor de wetenschappelijke namen omvat, neemt de administratieve instantie op de voorkant van de vergunning of het certificaat of in een bijlage een lijst op van toegelaten soorten.

2.   Personen en instanties kunnen alleen voor een bepaalde soort worden geregistreerd nadat een bevoegde wetenschappelijke autoriteit overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), artikel 4, lid 2, onder a), artikel 5, lid 2, onder a), en artikel 5, lid 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 heeft vastgesteld dat veelvuldige transacties van de in bijlage XI bij de onderhavige verordening genoemde biologische monsters geen nadelig effect zullen hebben op de instandhouding van de betrokken soorten.

3.   De recipiënt waarin de biologische monsters worden verzonden, wordt voorzien van een etiket dat de woorden „Muestras biológicas CITES”, „CITES Biological Samples” of „Echantillons biologiques CITES” en het nummer van het overeenkomstig de Overeenkomst afgegeven document vermeldt.

Artikel 19

Vereenvoudigde procedures met betrekking tot de uitvoer of wederuitvoer van dode specimens

1.   In het geval van uitvoer of wederuitvoer van dode specimens van de in de bijlagen B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, met inbegrip van delen en afgeleide producten daarvan, mogen de lidstaten voorzien in de toepassing van vereenvoudigde procedures gebaseerd op van tevoren verstrekte uitvoervergunningen of wederuitvoercertificaten, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

een bevoegde wetenschappelijke autoriteit moet vaststellen dat bedoelde uitvoer of wederuitvoer geen nadelig effect zal hebben op de instandhouding van de betrokken soorten;

b)

elke lidstaat moet een register instellen en bijhouden van personen en instanties die de vereenvoudigde procedures mogen gebruiken, hierna „de geregistreerde personen en instanties” genoemd, alsook van de soorten die zij mogen uitwisselen volgens die procedures, en moet ervoor zorgen dat dit register iedere vijf jaar door de administratieve instantie wordt gecontroleerd;

c)

de lidstaten moeten de geregistreerde personen en instanties gedeeltelijk ingevulde uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten verstrekken;

d)

de lidstaten moeten de geregistreerde personen of instanties machtigen om specifieke informatie in te vullen in de vakken 3, 5, 8 en 9 of 10 van de vergunning of het certificaat, mits zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)

zij ondertekenen de ingevulde vergunning of het ingevulde certificaat in vak 23;

ii)

zij zenden onverwijld een kopie van de vergunning of het certificaat toe aan de administratieve instantie van afgifte;

iii)

zij houden een register bij dat op verzoek aan de bevoegde administratieve instantie wordt overgelegd en dat nadere gegevens bevat over de verkochte specimens, met inbegrip van soortnaam, aard van het specimen en oorsprong van het specimen, de datum van de verkoop en de naam en het adres van de personen aan wie de specimens werden verkocht.

2.   De in lid 1 bedoelde uitvoer of wederuitvoer is voor het overige in overeenstemming met artikel 5, leden 4 en 5, van Verordening (EG) nr. 338/97.

HOOFDSTUK IV

INVOERVERGUNNINGEN

Artikel 20

Aanvragen

1.   De aanvrager van een invoervergunning vult waar passend de vakken 1, 3 tot en met 6 en 8 tot en met 23 van het aanvraagformulier en de vakken 1, 3, 4, 5 en 8 tot en met 22 van het origineel en van alle kopieën in. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraagformulier moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag de aanvraag betrekking hebben op meer dan één zending.

2.   Het naar behoren ingevulde formulier wordt ingediend bij de administratieve instantie van de lidstaat van bestemming en bevat de gegevens en gaat vergezeld van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of krachtens artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97 een vergunning moet worden afgegeven.

Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd.

3.   Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een invoervergunning met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder werd afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie daarvan in kennis.

4.   In het geval van invoervergunningen met betrekking tot specimens bedoeld in artikel 64, lid 1, onder a) tot en met f), toont de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aan dat aan de voorschriften van artikel 66 betreffende het merken is voldaan.

Artikel 21

Invoervergunningen voor specimens van in bijlage I bij de Overeenkomst en in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten

In het geval van een invoervergunning die is afgegeven voor specimens van de in bijlage I bij de Overeenkomst en in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, kan de kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer aan de aanvrager worden teruggezonden ter overlegging aan de administratieve instantie van het land van uitvoer of wederuitvoer met het oog op de afgifte van een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat. Het origineel wordt, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), ii), van die verordening, ingehouden in afwachting dat de uitvoervergunning of het wederuitvoercertificaat voor de betrokken specimens wordt overgelegd.

Indien de kopie voor het land van uitvoer of wederuitvoer niet aan de aanvrager wordt teruggezonden, wordt aan deze laatste een schriftelijke verklaring verstrekt dat een invoervergunning zal worden afgegeven en op welke voorwaarden dit zal gebeuren.

Artikel 22

Door de invoerder aan het douanekantoor over te leggen documenten

Onverminderd artikel 53 legt de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger de volgende documenten over aan het grensdouanekantoor van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen plaats van binnenkomst in de Gemeenschap:

1.

de originele invoervergunning (formulier nr. 1);

2.

de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2);

3.

voor zover zulks is aangegeven in de invoervergunning, eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer.

In voorkomend geval vermeldt de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger het nummer van de vrachtbrief of de luchtvrachtbrief in vak 26.

Artikel 23

Procedure in het douanekantoor

Het douanekantoor bedoeld in artikel 22 — of in artikel 53, lid 1, ingeval dit van toepassing is — geeft, na vak 27 van de originele invoervergunning (formulier nr. 1) en de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) te hebben ingevuld, laatstgenoemd document aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug.

De originele invoervergunning (formulier nr. 1) en de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer worden doorgezonden overeenkomstig artikel 45.

HOOFDSTUK V

KENNISGEVINGEN VAN INVOER

Artikel 24

Door de invoerder aan het douanekantoor over te leggen documenten

1.   De invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger vult waar passend de vakken 1 tot en met 13 van de originele kennisgeving van invoer (formulier nr. 1) en van de „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) in en legt deze, onverminderd het bepaalde in artikel 25, samen met de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer over aan het grensdouanekantoor van de overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen plaats van binnenkomst in de Gemeenschap.

2.   In het geval van kennisgevingen van invoer die betrekking hebben op specimens van in bijlage C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten kan het douanekantoor indien nodig de specimens inhouden in afwachting van de verificatie van de geldigheid van de in artikel 4, lid 3, onder a) en b), van die verordening bedoelde begeleidende documenten.

Artikel 25

Procedure in het douanekantoor

Het douanekantoor bedoeld in artikel 24 — of in artikel 53, lid 1, ingeval dit van toepassing is — geeft, na vak 14 van de originele kennisgeving van invoer (formulier nr. 1) en de „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) te hebben ingevuld, laatstgenoemd document aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug.

De originele kennisgeving van invoer (formulier nr. 1) en de eventuele aanvullende documenten van het land van uitvoer of wederuitvoer worden doorgezonden overeenkomstig in artikel 45.

HOOFDSTUK VI

UITVOERVERGUNNINGEN EN WEDERUITVOERCERTIFICATEN

Artikel 26

Aanvragen

1.   De aanvrager van een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat vult waar passend de vakken 1, 3, 4, 5 en 8 tot en met 23 van het aanvraagformulier en de vakken 1, 3, 4, 5 en 8 tot en met 22 van het origineel en van alle kopieën in. De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraagformulier moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag de aanvraag betrekking hebben op meer dan één zending.

2.   Het naar behoren ingevulde formulier wordt ingediend bij de administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden en bevat de gegevens en gaat vergezeld van de bewijsstukken welke die instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97 een vergunning of certificaat moet worden afgegeven.

Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd.

3.   Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een uitvoervergunning of een wederuitvoercertificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder werd afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie daarvan in kennis.

4.   In het geval van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten met betrekking tot de specimens bedoeld in artikel 65 toont de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aan dat aan de voorschriften van artikel 66 betreffende het merken is voldaan.

5.   Wanneer ter staving van een aanvraag van een wederuitvoercertificaat een „kopie voor de houder” van een invoervergunning, een „kopie voor de invoerder” van een kennisgeving van invoer of een op basis daarvan afgegeven certificaat wordt overgelegd, worden deze documenten slechts aan de aanvrager teruggegeven na aanpassing van het aantal specimens waarvoor het document geldig blijft.

Een dergelijk document wordt niet aan de aanvrager teruggegeven indien het wederuitvoercertificaat wordt afgegeven voor het totale aantal specimens waarvoor het document geldig is, of indien het wordt vervangen overeenkomstig artikel 51.

6.   De administratieve instantie controleert de geldigheid van de eventueel ter staving overgelegde documenten, zo nodig in overleg met een administratieve instantie van een andere lidstaat.

7.   De leden 5 en 6 zijn van toepassing wanneer een certificaat wordt overgelegd ter staving van een aanvraag van een uitvoervergunning.

8.   Wanneer specimens onder toezicht van een administratieve instantie van een lidstaat individueel zijn gemerkt teneinde de verwijzing naar de in de leden 5 en 7 bedoelde documenten te vergemakkelijken, behoeven die documenten niet fysiek tegelijk met de aanvraag te worden overgelegd indien het nummer ervan in de aanvraag wordt vermeld.

9.   Ingeval geen documenten zoals bedoeld in de leden 5 tot en met 8 ter staving worden overgelegd, bepaalt de administratieve instantie, zo nodig in overleg met een administratieve instantie van een andere lidstaat, of de voor (weder)uitvoer bestemde specimens wettig in de Gemeenschap zijn binnengebracht of verworven.

10.   Indien een administratieve instantie om de in de leden 3 tot en met 9 bedoelde redenen een administratieve instantie van een andere lidstaat raadpleegt, antwoordt deze laatste binnen een termijn van één week.

Artikel 27

Door de (weder)uitvoerder aan het douanekantoor over te leggen documenten

De (weder)uitvoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger legt de originele uitvoervergunning of het originele wederuitvoercertificaat (formulier nr. 1), de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) en de „kopie voor terugzending aan de instantie van afgifte” (formulier nr. 3) over aan een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor.

In voorkomend geval vermeldt de (weder)uitvoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger het nummer van de vrachtbrief of de luchtvrachtbrief in vak 26.

Artikel 28

Procedure in het douanekantoor

Het in artikel 27 bedoelde douanekantoor geeft, na vak 27 te hebben ingevuld, de originele uitvoervergunning of het originele wederuitvoercertificaat (formulier nr. 1) en de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) aan de (weder)uitvoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger terug.

De „kopie voor terugzending aan de instantie van afgifte” (formulier nr. 3) van de uitvoervergunning of het wederuitvoercertificaat wordt doorgezonden overeenkomstig artikel 45.

Artikel 29

Van tevoren aan kwekerijen verstrekte vergunningen

Wanneer een lidstaat, overeenkomstig de door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst vastgestelde richtsnoeren, de kwekerijen registreert die kunstmatig gekweekte specimens van de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten uitvoeren, mag hij de betrokken kwekerijen van tevoren uitvoervergunningen voor in bijlage A of B bij die verordening opgenomen soorten verstrekken.

In vak 23 van die van tevoren verstrekte uitvoervergunningen wordt het registratienummer van de kwekerij aangebracht met de volgende vermelding:

„Vergunning uitsluitend geldig voor kunstmatig gekweekte planten zoals omschreven in Resolutie 11.11 van de Conferentie der Partijen bij CITES (Rev. CoP13), uitsluitend geldig voor de volgende taxa: …”.

HOOFDSTUK VII

CERTIFICATEN VOOR REIZENDE TENTOONSTELLINGEN

Artikel 30

Afgifte

1.   De lidstaten kunnen certificaten voor reizende tentoonstellingen afgeven voor wettig verworven specimens die deel uitmaken van een reizende tentoonstelling en aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn in gevangenschap geboren en gefokt overeenkomstig de artikelen 54 en 55 of die kunstmatig zijn gekweekt overeenkomstig artikel 56;

b)

zij zijn in de Gemeenschap verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II en III bij de Overeenkomst of bijlage C bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden.

2.   In het geval van levende dieren geldt een certificaat voor een reizende tentoonstelling slechts voor één specimen.

3.   Aan certificaten voor reizende tentoonstellingen wordt een vervolgblad gehecht voor gebruik overeenkomstig artikel 35.

4.   In het geval van specimens die geen levende dieren zijn, wordt door de administratieve instantie aan het certificaat voor de reizende tentoonstelling een inventarisblad gehecht waarop voor elk specimen alle informatie is opgenomen die is vereist in de vakken 8 tot en met 18 van het modelformulier van bijlage III.

Artikel 31

Gebruik

Een certificaat voor een reizende tentoonstelling kan worden gebruikt als:

1.

een invoervergunning overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97;

2.

een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97;

3.

een certificaat overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97, uitsluitend om de vertoning van de specimens aan het publiek mogelijk te maken.

Artikel 32

Instantie van afgifte

1.   Als de reizende tentoonstelling haar oorsprong heeft in de Gemeenschap, is de instantie van afgifte van certificaten voor de reizende tentoonstelling de administratieve instantie van de lidstaat van oorsprong van de reizende tentoonstelling.

2.   Als de reizende tentoonstelling haar oorsprong heeft in een derde land, is de instantie van afgifte van certificaten voor de reizende tentoonstelling de administratieve instantie van de lidstaat van eerste bestemming, en geschiedt de afgifte van die certificaten op basis van de overlegging van een soortgelijk certificaat van het derde land.

3.   Wanneer een dier waarop een certificaat voor een reizende tentoonstelling betrekking heeft, gedurende het verblijf in een lidstaat jongen krijgt, wordt de administratieve instantie van die lidstaat daarvan in kennis gesteld en geeft deze een passende vergunning of certificaat af.

Artikel 33

Vereisten met betrekking tot specimens

1.   Ten aanzien van een specimen waarvoor een certificaat voor een reizende tentoonstelling wordt afgegeven, moet aan alle onderstaande vereisten zijn voldaan:

a)

het specimen moet door de administratieve instantie van afgifte zijn geregistreerd;

b)

het specimen moet vóór het verstrijken van de geldigheid van het certificaat worden teruggebracht naar de lidstaat waar het is geregistreerd;

c)

het specimen moet van een uniek en permanent merkteken zijn voorzien overeenkomstig artikel 66 in het geval van levende dieren, of anderszins op zodanige wijze zijn geïdentificeerd dat de instanties van elke lidstaat waar het specimen wordt binnengebracht, kunnen verifiëren dat het certificaat overeenstemt met het specimen dat wordt in- of uitgevoerd.

2.   In het geval van certificaten voor reizende tentoonstellingen die overeenkomstig artikel 32, lid 2, worden afgegeven, is het bepaalde in lid 1, onder a) en b), van dit artikel niet van toepassing. In dergelijke gevallen wordt in vak 20 van het certificaat de volgende vermelding aangebracht:

„Dit certificaat is alleen geldig indien het vergezeld gaat van een origineel certificaat voor een reizende tentoonstelling, afgegeven door een derde land.”.

Artikel 34

Aanvragen

1.   De aanvrager van een certificaat voor een reizende tentoonstelling vult waar passend de vakken 3 en 9 tot en met 18 van het aanvraagformulier (formulier nr. 3) en de vakken 3 en 9 tot en met 18 van het origineel en van alle kopieën in.

De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraagformulier moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag de aanvraag betrekking hebben op meer dan één certificaat.

2.   Het naar behoren ingevulde formulier wordt ingediend bij een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden of, in het in artikel 32, lid 2, bedoelde geval, bij de administratieve instantie van de lidstaat van eerste bestemming, en bevat de gegevens en gaat vergezeld van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of een certificaat moet worden afgegeven.

Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd.

3.   Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder is afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie daarvan in kennis.

Artikel 35

Door de houder aan het douanekantoor over te leggen documenten

1.   In het geval van een certificaat voor een reizende tentoonstelling dat overeenkomstig artikel 32, lid 1, is afgegeven, legt de houder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger het origineel van dat certificaat (formulier nr. 1) en het origineel en een kopie van het vervolgblad ter verificatie over aan een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor.

Het douanekantoor geeft, na het vervolgblad te hebben ingevuld, de originele documenten terug aan de houder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger, viseert de kopie van het vervolgblad en zendt overeenkomstig artikel 45 die geviseerde kopie door naar de betrokken administratieve instantie.

2.   In het geval van een certificaat voor een reizende tentoonstelling dat overeenkomstig artikel 32, lid 2, is afgegeven, is lid 1 van dit artikel van toepassing maar legt de houder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger ook het door het derde land afgegeven originele certificaat en vervolgblad ter verificatie over.

Het douanekantoor geeft, na beide vervolgbladen te hebben ingevuld, de originele certificaten voor de reizende tentoonstelling en de originele vervolgbladen terug aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger en zendt overeenkomstig artikel 45 een geviseerde kopie van het vervolgblad van het door de administratieve instantie van de lidstaat afgegeven certificaat door naar die instantie.

Artikel 36

Vervanging

Een verloren, gestolen of vernietigd certificaat voor een reizende tentoonstelling kan alleen worden vervangen door de instantie die het heeft afgegeven.

Op het duplicaat worden hetzelfde nummer — voor zover mogelijk — en dezelfde geldigheidstermijn aangebracht als op het oorspronkelijke document, alsook, in vak 20, de volgende vermelding:

„Dit certificaat is een eensluidend afschrift van het origineel.”.

HOOFDSTUK VIII

CERTIFICATEN VAN PERSOONLIJKE EIGENDOM

Artikel 37

Afgifte

1.   De lidstaten kunnen een certificaat van persoonlijke eigendom afgeven aan de rechtmatige eigenaar van rechtmatig verworven levende dieren die om persoonlijke, niet-commerciële redenen worden gehouden en aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij zijn in gevangenschap geboren en gefokt overeenkomstig de artikelen 54 en 55;

b)

zij zijn in de Gemeenschap verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II en III bij de Overeenkomst of bijlage C bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden.

2.   Een certificaat van persoonlijke eigendom geldt slechts voor één specimen.

3.   Aan het certificaat wordt een vervolgblad gehecht voor gebruik overeenkomstig artikel 42.

Artikel 38

Gebruik

Op voorwaarde dat het specimen waarop dit certificaat betrekking heeft, door zijn rechtmatige eigenaar wordt vergezeld, kan het certificaat worden gebruikt als:

1.

een invoervergunning overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 338/97;

2.

een uitvoervergunning of wederuitvoercertificaat overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 338/97, als het land van bestemming daarmee instemt.

Artikel 39

Instantie van afgifte

1.   Als het specimen zijn oorsprong heeft in de Gemeenschap, is de instantie van afgifte van een certificaat van persoonlijke eigendom de administratieve instantie van de lidstaat op wiens grondgebied het specimen zich bevindt.

2.   Als het specimen wordt ingevoerd vanuit een derde land, is de instantie van afgifte van een certificaat van persoonlijke eigendom de administratieve instantie van de lidstaat van eerste bestemming, en geschiedt de afgifte van het certificaat op basis van de overlegging van een soortgelijk document van het derde land.

3.   In vak 23 van het certificaat van persoonlijke eigendom of in een passende bijlage bij het certificaat wordt de volgende vermelding aangebracht:

„Geldig voor meerdere grensoverschrijdende overbrengingen, op voorwaarde dat het specimen vergezeld wordt door zijn eigenaar. De wettige eigenaar bewaart het originele formulier.

Het specimen waarop dit certificaat betrekking heeft, mag niet worden verkocht of op enige andere wijze overgedragen dan in overeenstemming met artikel 43 van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie. Dit certificaat is niet overdraagbaar. Indien het specimen sterft, wordt gestolen, vernietigd of verloren, of indien het wordt verkocht of op enige andere wijze wordt vervreemd, dient dit certificaat onverwijld aan de administratieve instantie van afgifte te worden terugggezonden.

Dit certificaat is alleen geldig indien het vergezeld gaat van een vervolgblad, dat bij elke grensoverschrijding door een douanebeambte moet worden afgestempeld en ondertekend.

Dit certificaat doet geen afbreuk aan het recht om strengere nationale maatregelen vast te stellen inzake restricties of voorwaarden ten aanzien van het houden of in bezit hebben van levende dieren.”.

4.   Wanneer een dier waarop een certificaat van persoonlijke eigendom betrekking heeft, gedurende het verblijf in een lidstaat jongen krijgt, wordt de administratieve instantie van die staat daarvan in kennis gesteld en geeft deze een passende vergunning of certificaat af.

Artikel 40

Vereisten met betrekking tot specimens

1.   Ten aanzien van een specimen waarvoor een certificaat van persoonlijke eigendom wordt afgegeven, moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:

a)

het specimen moet zijn geregistreerd door de administratieve instantie van de lidstaat waar de eigenaar zijn gewone verblijfplaats heeft;

b)

het specimen moet vóór het verstrijken van de geldigheid van het desbetreffende certificaat worden teruggebracht naar de lidstaat waar het specimen is geregistreerd;

c)

het specimen mag niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt, tenzij op de in artikel 43 genoemde voorwaarden;

d)

het specimen moet van een uniek en permanent merkteken zijn voorzien overeenkomstig artikel 66.

2.   In het geval van certificaten van persoonlijke eigendom die overeenkomstig artikel 39, lid 2, worden afgegeven, is het bepaalde in lid 1, onder a) en b), van dit artikel niet van toepassing.

In dergelijke gevallen wordt in vak 23 van het certificaat de volgende vermelding aangebracht:

„Dit certificaat is alleen geldig indien het vergezeld gaat van een origineel certificaat van persoonlijke eigendom, afgegeven door een derde land, en indien het specimen waarop het betrekking heeft, wordt vergezeld door zijn eigenaar.”.

Artikel 41

Aanvragen

1.   De aanvrager van een certificaat van persoonlijke eigendom vult waar passend de vakken 1, 4 en 6 tot en met 23 van het aanvraagformulier en de vakken 1, 4 en 6 tot en met 22 van het origineel en van alle kopieën in.

De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraagformulier moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag de aanvraag betrekking hebben op meer dan één certificaat.

2.   Het naar behoren ingevulde formulier wordt ingediend bij een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden of, in het in artikel 39, lid 2, bedoelde geval, bij de administratieve instantie van de lidstaat van eerste bestemming, en moet de gegevens bevatten en vergezeld gaan van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of een certificaat moet worden afgegeven.

Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd.

Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder is afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie daarvan in kennis.

Artikel 42

Door de houder aan het douanekantoor over te leggen documenten

1.   In het geval van invoer, uitvoer of wederuitvoer van een specimen waarvoor overeenkomstig artikel 39, lid 1, een certificaat van persoonlijke eigendom is afgegeven, legt de houder van het certificaat het origineel van dat certificaat (formulier nr. 1) en het origineel en een kopie van het vervolgblad ter verificatie over aan een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor.

Het douanekantoor geeft, na het vervolgblad te hebben ingevuld, de originele documenten terug aan de houder, viseert de kopie van het vervolgblad en zendt overeenkomstig artikel 45 van de onderhavige verordening die geviseerde kopie door naar de betrokken administratieve instantie.

2.   In het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom dat overeenkomstig artikel 39, lid 2, is afgegeven, is lid 1 van dit artikel van toepassing maar legt de houder ook het door het derde land afgegeven originele certificaat ter verificatie over.

Het douanekantoor geeft, na beide vervolgbladen te hebben ingevuld, de originele documenten terug aan de houder en zendt overeenkomstig artikel 45 een geviseerde kopie van het vervolgblad van het door de administratieve instantie van de lidstaat afgegeven certificaat door naar die instantie.

Artikel 43

Verkoop van specimens

Wanneer de houder van een overeenkomstig artikel 39, lid 1, van de onderhavige verordening afgegeven certificaat van persoonlijke eigendom het betrokken specimen wenst te verkopen, dient hij eerst het certificaat bij de administratieve instantie van afgifte in te leveren en, indien het specimen behoort tot een in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soort, bij de bevoegde instantie een certificaat aan te vragen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die verordening.

Artikel 44

Vervanging

Een verloren, gestolen of vernietigd certificaat van persoonlijke eigendom kan alleen worden vervangen door de instantie die het heeft afgegeven.

Op het duplicaat worden hetzelfde nummer — voor zover mogelijk — en dezelfde geldigheidstermijn aangebracht als op het oorspronkelijke document, alsook, in vak 20, de volgende vermelding:

„Dit certificaat is een eensluidend afschrift van het origineel.”.

HOOFDSTUK IX

DOUANEPROCEDURE

Artikel 45

Doorzending van aan douanekantoren overgelegde documenten

1.   De douanekantoren zenden alle documenten die hun overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97 en de onderhavige verordening zijn overgelegd, onverwijld door naar de bevoegde administratieve instantie van hun lidstaat.

De administratieve instanties die deze documenten ontvangen, zenden de documenten welke door andere lidstaten zijn afgegeven, samen met eventuele aanvullende ingevolge de Overeenkomst afgegeven documenten onverwijld door naar de betrokken administratieve instanties.

2.   In afwijking van lid 1 mogen de douanekantoren de overlegging van documenten die door de administratieve instantie van hun eigen lidstaat zijn afgegeven, elektronisch bevestigen.

HOOFDSTUK X

IN ARTIKEL 5, LID 2, ONDER B), ARTIKEL 5, LEDEN 3 EN 4, ARTIKEL 8, LID 3, EN ARTIKEL 9, LID 2, ONDER B), VAN VERORDENING (EG) Nr. 338/97 BEDOELDE CERTIFICATEN

Artikel 46

Instantie van afgifte

De in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, leden 3 en 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten kunnen door de administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden, worden afgegeven na ontvangst van een aanvraag overeenkomstig artikel 50 van de onderhavige verordening.

Artikel 47

In artikel 5, lid 2, onder b), en artikel 5, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten (voor uitvoer of wederuitvoer vereiste certificaten)

In de in artikel 5, lid 2, onder b), en artikel 5, leden 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten wordt vermeld welke van de volgende omstandigheden op de specimens van toepassing is:

1.

het betreft specimens die aan de natuur zijn onttrokken overeenkomstig de wetgeving van de lidstaat van oorsprong;

2.

het betreft achtergelaten of ontsnapte specimens die werden teruggevangen overeenkomstig de in de lidstaat van terugvangst geldende wetgeving;

3.

het betreft specimens die in de Gemeenschap zijn verworven of binnengebracht overeenkomstig Verordening (EG) nr. 338/97;

4.

het betreft specimens die vóór 1 juni 1997 in de Gemeenschap zijn verworven of binnengebracht overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 3626/82;

5.

het betreft specimens die vóór 1 januari 1984 in de Gemeenschap zijn verworven of binnengebracht overeenkomstig de Overeenkomst;

6.

het betreft specimens die op het grondgebied van een lidstaat werden verworven of daar werden binnengebracht voordat de in punt 3 of punt 4 genoemde verordeningen of de Overeenkomst daarop van toepassing werden of in die lidstaat van toepassing werden.

Artikel 48

In artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoeld certificaat (certificaat voor commercieel gebruik)

1.   In een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de betrokken specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort om een van de volgende redenen zijn vrijgesteld van één of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening:

a)

de specimens zijn in de Gemeenschap verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende de soorten die in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97, in bijlage I bij de Overeenkomst of in bijlage C1 bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 zijn opgenomen, op deze specimens van toepassing werden;

b)

de specimens zijn van oorsprong uit een lidstaat en overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat aan de natuur onttrokken;

c)

het betreft in gevangenschap geboren en gefokte dieren of delen daarvan of afgeleide producten daarvan;

d)

de specimens mogen worden gebruikt voor één van de in artikel 8, lid 3, onder c) en onder e), f) en g), van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden.

2.   De bevoegde administratieve instantie van een lidstaat kan een invoervergunning aanvaarden als een certificaat voor de in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden mits de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van dat formulier wordt overgelegd waarop staat vermeld, overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die verordening, dat de specimens van een of meer verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening zijn vrijgesteld.

Artikel 49

In artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoeld certificaat (certificaat voor het vervoer van levende specimens)

In een certificaat voor de in artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 genoemde doeleinden wordt bevestigd dat de overbrenging van de betrokken levende specimens van een in bijlage A bij die verordening opgenomen soort vanaf de voorgeschreven plaats zoals vermeld in de invoervergunning of in een eerder afgegeven certificaat, is toegestaan.

Artikel 50

Aanvraag van in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, leden 3 en 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde certificaten

1.   De aanvrager van een in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, leden 3 en 4, artikel 8, lid 3, en artikel 9, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoeld certificaat vult waar passend de vakken 1, 2 en 4 tot en met 19 van het aanvraagformulier en de vakken 1 en 4 tot en met 18 van het origineel en van alle kopieën in.

De lidstaten kunnen echter bepalen dat alleen een aanvraagformulier moet worden ingevuld; in een dergelijk geval mag de aanvraag betrekking hebben op meer dan één certificaat.

2.   Het naar behoren ingevulde formulier wordt ingediend bij een administratieve instantie van de lidstaat waar de specimens zich bevinden en moet de gegevens bevatten en vergezeld gaan van de bewijsstukken welke deze instantie noodzakelijk acht om te kunnen vaststellen of een certificaat moet worden afgegeven.

Het niet vermelden van gegevens in de aanvraag wordt gemotiveerd.

Wanneer een aanvraag wordt ingediend voor een certificaat met betrekking tot specimens waarvoor een dergelijke aanvraag eerder is afgewezen, stelt de aanvrager de administratieve instantie daarvan in kennis.

Artikel 51

Wijziging van vergunningen, kennisgevingen en certificaten

1.   Wanneer een zending die door een „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van een invoervergunning, een „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) van een kennisgeving van invoer of een certificaat wordt gedekt, wordt gesplitst of wanneer om andere redenen de op een dergelijk document vermelde gegevens niet langer met de werkelijkheid overeenstemmen, kan de administratieve instantie één van de volgende maatregelen treffen:

a)

de nodige wijzigingen in die documenten aanbrengen overeenkomstig artikel 4, lid 2;

b)

één of meer overeenkomstige certificaten afgeven voor de artikelen 47 en 48 genoemde doeleinden.

Voor de toepassing van punt b) kan de administratieve instantie zich eerst van de geldigheid van het te vervangen document vergewissen, zo nodig in overleg met de administratieve instantie van een andere lidstaat.

2.   Wanneer een certificaat wordt afgegeven ter vervanging van een „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van een invoervergunning, een „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) van een kennisgeving van invoer of een eerder afgegeven certificaat, wordt het betrokken document bewaard door de administratieve instantie die het certificaat afgeeft.

3.   Een verloren, gestolen of vernietigde vergunning, kennisgeving of certificaat kan alleen worden vervangen door de instantie die het betrokken document heeft afgegeven.

4.   Indien een administratieve instantie om de in lid 1 bedoelde redenen een administratieve instantie van een andere lidstaat raadpleegt, dient deze laatste binnen een termijn van één week te antwoorden.

HOOFDSTUK XI

ETIKETTEN

Artikel 52

Gebruik van etiketten

1.   De in artikel 2, lid 6, bedoelde etiketten mogen uitsluitend worden gebruikt voor de overbrenging van herbariumspecimens, geconserveerde, gedroogde of ingesloten museumspecimens of levend plantenmateriaal in het kader van niet-commerciële uitleningen, schenkingen en uitwisselingen tussen naar behoren geregistreerde wetenschappers en wetenschappelijke instellingen met het oog op wetenschappelijk onderzoek.

2.   Aan de in lid 1 bedoelde wetenschappers en wetenschappelijke instellingen wordt door de administratieve instantie van de lidstaat waar zij zijn gevestigd, een registratienummer toegekend.

Het registratienummer bestaat uit vijf tekens, waarvan de eerste twee de tweeletterige ISO-landencode voor de betrokken lidstaat vormen en de laatste drie een uniek nummer dat door de bevoegde administratieve instantie aan iedere instelling wordt toegekend.

3.   De betrokken wetenschappers en wetenschappelijke instellingen vullen de vakken 1 tot en met 5 van het etiket in en verstrekken, door de toezending van het daarvoor bestemde deel van het etiket, de administratieve instantie waarbij zij zijn geregistreerd onverwijld volledige inlichtingen inzake het gebruik van ieder etiket.

HOOFDSTUK XII

IN ARTIKEL 4, LID 7, VAN VERORDENING (EG) Nr. 338/97 BEDOELDE AFWIJKINGEN VAN DE DOUANEPROCEDURES

Artikel 53

Andere douanekantoren dan het grensdouanekantoor op de plaats van binnenkomst

1.   Wanneer een in de Gemeenschap binnen te brengen zending over zee, via de lucht of per spoor in een grensdouanekantoor aankomt en bestemd is om met hetzelfde vervoer en zonder tussentijdse opslag te worden verzonden naar een ander, overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen communautair douanekantoor, vinden de definitieve controle en de overlegging van de invoerdocumenten in laatstgenoemd kantoor plaats.

2.   Wanneer een zending in een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor is gecontroleerd en met het oog op latere douaneprocedures naar een ander douanekantoor wordt verzonden, verlangt laatstgenoemd kantoor de overlegging van de „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van de invoervergunning, ingevuld overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening, of de „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) van de kennisgeving van invoer, ingevuld overeenkomstig artikel 24 van de onderhavige verordening, en mag het alle controles uitvoeren die het nodig acht om te kunnen vaststellen of Verordening (EG) nr. 338/97 en de onderhavige verordening zijn nageleefd.

HOOFDSTUK XIII

IN GEVANGENSCHAP GEBOREN EN GEFOKTE SPECIMENS EN KUNSTMATIG GEKWEEKTE SPECIMENS

Artikel 54

In gevangenschap geboren en gefokte specimens van diersoorten

Onverminderd het bepaalde in artikel 55 wordt een specimen van een diersoort uitsluitend beschouwd als zijnde in gevangenschap geboren en gefokt indien ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lidstaat, is aangetoond dat aan de volgende vereisten is voldaan:

1.

het betreft een nakomeling of een afgeleid product van een nakomeling, die in een gecontroleerd milieu is geboren of anderszins op één van de volgende wijzen is geteeld:

a)

als gevolg van de paring of een andere vorm van gametenoverdracht tussen ouderdieren in een gecontroleerd milieu, in het geval van geslachtelijke voortplanting;

b)

uit ouderdieren die zich bij het begin van de ontwikkeling van de nakomeling in een gecontroleerd milieu bevonden, in het geval van ongeslachtelijke voortplanting;

2.

het fokdierenbestand is in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen op een zodanige wijze gevormd dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade heeft ondervonden;

3.

het fokdierenbestand wordt zonder toevoeging van aan de natuur onttrokken specimens in stand gehouden, afgezien van de occasionele aanvulling met dieren, eieren of gameten in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen en op een zodanige wijze dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt, en zulks uitsluitend voor één of meer van de volgende doeleinden:

a)

om schadelijke inteelt te voorkomen of te matigen, waarbij de omvang van de aanvulling door de behoefte aan nieuw genetisch materiaal wordt bepaald;

b)

teneinde een bestemming te geven aan verbeurdverklaarde dieren, overeenkomstig artikel 16, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97;

c)

in uitzonderlijke gevallen, om zich daarvan als fokdieren te bedienen;

4.

het fokdierenbestand heeft zelf in een gecontroleerd milieu nakomelingen van de tweede of een latere generatie opgeleverd (F2, F3 enzovoort), dan wel wordt beheerd op een wijze waarvan is aangetoond dat daarbij de productie van nakomelingen van de tweede generatie in een gecontroleerd milieu is gewaarborgd.

Artikel 55

Vaststelling van de afstamming

Wanneer een bevoegde instantie het met het oog op de toepassing van artikel 54, artikel 62, lid 1, of artikel 63, lid 1, noodzakelijk acht de afstamming van een dier vast te stellen via een typering van het bloed of een ander weefsel, dient deze typering of dienen de daartoe noodzakelijke monsters op de door die instantie vastgestelde wijze beschikbaar te worden gesteld.

Artikel 56

Kunstmatig gekweekte specimens van plantensoorten

1.   Een specimen van een plantensoort wordt uitsluitend beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt als ten genoegen van een bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit van de betrokken lidstaat, is aangetoond dat aan de volgende vereisten is voldaan:

a)

het betreft een plant of een afgeleid product van een plant, die in gecontroleerde omstandigheden is opgekweekt uit een zaad, stek, fragment, weefselcallus of ander plantenweefsel, spore of ander vermeerderingsstadium;

b)

het kweekmateriaal werd samengesteld in overeenstemming met de op het moment van verwerving daarop toepasselijke wettelijke bepalingen en op zodanige wijze in stand wordt gehouden dat het voortbestaan van de betrokken soort in het wild daardoor geen schade ondervindt;

c)

het kweekmateriaal wordt op zodanige wijze verzorgd dat het duurzame voortbestaan van de lijn is gewaarborgd;

d)

zowel de onderstam als de ent zijn kunstmatig gekweekt zoals bepaald onder a), b) en c), indien het geënte planten betreft.

Voor de toepassing van punt a) gelden als gecontroleerde omstandigheden: een niet-natuurlijk, in sterke mate door menselijke ingrepen bepaald milieu, waarbij onder meer maar niet uitsluitend kan worden gebruikgemaakt van grondbewerking, bemesting, onkruidbestrijding, bevloeiing of op aankweek gerichte handelingen zoals verpotting, verspening en bescherming tegen ongunstige weersomstandigheden.

2.   Hout van bomen afkomstig uit monocultuuraanplanten wordt beschouwd als zijnde kunstmatig gekweekt in de zin van lid 1.

HOOFDSTUK XIV

PERSOONLIJKE BEZITTINGEN EN HUISRAAD

Artikel 57

Binnenbrengen en opnieuw binnenbrengen van persoonlijke bezittingen en huisraad in de Gemeenschap

1.   De in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde afwijking van artikel 4 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd.

Bedoelde afwijking geldt alleen voor specimens, met inbegrip van jachttrofeeën, die aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij maken deel uit van de persoonlijke bagage van reizigers afkomstig uit derde landen,

b)

zij maken deel uit van de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit een derde land, hun gewone verblijfplaats kiezen in de Gemeenschap;

c)

het betreft jachttrofeeën die door een reiziger zijn verworven en op een latere datum worden ingevoerd.

2.   De in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde afwijking van artikel 4 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad geldt niet voor specimens van in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten die voor het eerst de Gemeenschap worden binnengebracht door een normaal in de Gemeenschap verblijvende persoon of een persoon die daar zijn verblijfplaats vestigt.

3.   Vóór het voor de eerste keer binnenbrengen in de Gemeenschap, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien het origineel van een (weder)uitvoerdocument en een kopie daarvan worden overgelegd.

De douanediensten zenden het origineel door zoals bepaald in artikel 45 van de onderhavige verordening en geven de afgestempelde kopie aan de houder terug.

4.   Voor het opnieuw binnenbrengen in de Gemeenschap, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage A of B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, is de overlegging van een invoervergunning aan de douane niet vereist indien één van de volgende documenten wordt overgelegd:

a)

de door de douane geviseerde „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van een eerder gebruikte communautaire invoer- of uitvoervergunning;

b)

de in lid 3 bedoelde kopie van het (weder)uitvoerdocument;

c)

een bewijs dat de specimens in de Gemeenschap werden verworven.

5.   In afwijking van de leden 3 en 4 is voor het binnenbrengen of opnieuw binnenbrengen in de Gemeenschap van de volgende in bijlage B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen producten de overlegging van een (weder)uitvoerdocument of invoervergunning niet vereist:

a)

kaviaar van steursoorten (Acipenseriformes spp.) ten belope van een maximumhoeveelheid van 250 g per persoon;

b)

ten hoogste drie „rainsticks” van Cactaceae spp. per persoon;

c)

ten hoogste vier dode, bewerkte specimens van Crocodylia spp. per persoon (met uitzondering van vlees en jachttrofeeën);

d)

ten hoogste drie schelpen van Strombus gigas per persoon.

Artikel 58

Uitvoer en wederuitvoer van persoonlijke bezittingen en huisraad uit de Gemeenschap

1.   De in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde afwijking van artikel 5 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad geldt niet voor specimens die met winstoogmerk worden gebruikt, worden verkocht, voor commerciële doeleinden worden tentoongesteld, ten verkoop worden gehouden, te koop worden aangeboden of met het oog op verkoop worden vervoerd.

Bedoelde afwijking geldt alleen voor specimens die aan één van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij maken deel uit van de persoonlijke bagage van reizigers die naar een derde land gaan;

b)

zij maken deel uit van de persoonlijke bezittingen van natuurlijke personen die, komende vanuit de Gemeenschap, hun gewone verblijfplaats kiezen in een derde land.

2.   Bij uitvoer geldt de in artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde afwijking van artikel 5 van die verordening voor persoonlijke bezittingen en huisraad niet voor specimens van in bijlage A of B bij die verordening opgenomen soorten.

3.   Voor de wederuitvoer, door een gewoonlijk in de Gemeenschap verblijvende persoon, van persoonlijke bezittingen of huisraad, met inbegrip van persoonlijke jachttrofeeën, die specimens zijn van in bijlage A of B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten, is de overlegging van een wederuitvoercertificaat aan de douane niet vereist indien één van de volgende documenten wordt overgelegd:

a)

de door de douane geviseerde „kopie voor de houder” (formulier nr. 2) van een eerder gebruikte communautaire invoer- of uitvoervergunning;

b)

de in artikel 57, lid 3, van de onderhavige verordening bedoelde kopie;

c)

een bewijs dat de specimens in de Gemeenschap werden verworven.

4.   In afwijking van het bepaalde in de leden 2 en 3 is voor de uitvoer of wederuitvoer van de in artikel 57, lid 5, onder a) tot en met d), bedoelde producten de overlegging van een (weder)uitvoerdocument niet vereist.

HOOFDSTUK XV

ONTHEFFINGEN EN AFWIJKINGEN

Artikel 59

Ontheffingen van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 overeenkomstig artikel 8, lid 3, van die verordening

1.   De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de daar en in artikel 48 van de onderhavige verordening genoemde voorwaarden is voldaan.

2.   De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat aan de voorwaarden van artikel 48 van de onderhavige verordening is voldaan en dat de betrokken specimens overeenkomstig de artikelen 54, 55 en 56 van de onderhavige verordening in gevangenschap zijn geboren en gefokt of kunstmatig zijn gekweekt.

3.   De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder e), f) en g), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie, welke overleg pleegt met een bevoegde wetenschappelijke autoriteit, aantoont dat aan de daar en in artikel 48 van de onderhavige verordening genoemde voorwaarden is voldaan.

4.   De ontheffing voor de in artikel 8, lid 3, onder h), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde specimens wordt slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat de betrokken specimens in een lidstaat aan de natuur zijn onttrokken overeenkomstig de wetgeving van die lidstaat.

5.   Voor levende gewervelde dieren wordt een ontheffing uit hoofde van artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 slechts verleend indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de relevante bepalingen van artikel 66 van deze verordening is voldaan.

Artikel 60

Afwijking van artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 ten behoeve van wetenschappelijke instellingen

Onverminderd artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 kan aan wetenschappelijke instellingen die met het oog op het onderhavige artikel door een administratieve instantie in overleg met een wetenschappelijke autoriteit zijn erkend, een afwijking van de verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van genoemde verordening worden toegestaan door de afgifte van een certificaat dat betrekking heeft op alle specimens in hun collectie van in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten die bestemd zijn voor één van de volgende doeleinden:

1.

het fokken in gevangenschap of voor de kunstmatige kweek ter bevordering van de instandhouding van de betrokken soorten;

2.

onderzoek of opleiding met het oog op het behoud of de instandhouding van de betrokken soorten.

Verkoop van specimens waarop het certificaat betrekking heeft mag uitsluitend geschieden aan andere wetenschappelijke instellingen waaraan een dergelijk certificaat is verleend.

Artikel 61

Ontheffingen van artikel 8, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 338/97

Onverminderd artikel 9 van Verordening (EG) nr. 338/97 zijn noch het verbod van artikel 8, lid 1, van die verordening om specimens van de in bijlage A bij die verordening opgenomen soorten voor commerciële doeleinden aan te kopen, te koop aan te bieden of te verwerven, noch de bepaling in artikel 8, lid 3, van die verordening dat ontheffingen van deze verbodsbepalingen per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, van toepassing indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

1.

de specimens zijn gedekt door een van de in artikel 48 van de onderhavige verordening bedoelde specimenspecifieke certificaten;

2.

de specimens vallen onder één van de algemene ontheffingen waarin artikel 62 van de onderhavige verordening voorziet.

Artikel 62

Algemene ontheffingen van artikel 8, leden 1 en 3, van Verordening (EG) nr. 338/97

De bepaling van artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97 dat ontheffingen van de verbodsbepalingen van artikel 8, lid 1, van die verordening per geval worden verleend door de afgifte van een certificaat, is niet van toepassing op de volgende specimens, waarvoor geen certificaat is vereist:

1.

in gevangenschap geboren en gefokte specimens van de in bijlage X genoemde diersoorten en de hybriden daarvan, voor zover de specimens behorend tot soorten die van een annotatie zijn voorzien, overeenkomstig artikel 66, lid 1, van de onderhavige verordening zijn gemerkt;

2.

kunstmatig gekweekte specimens van plantensoorten;

3.

meer dan 50 jaar geleden verworven bewerkte specimens als omschreven in artikel 2, onder w), van Verordening (EG) nr. 338/97.

Artikel 63

Van tevoren verstrekte certificaten uit hoofde van artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97

1.   Met het oog op artikel 8, lid 3, onder d), van Verordening (EG) nr. 338/97 mogen de lidstaten aan fokkers die daartoe door een administratieve instantie zijn geaccrediteerd, van tevoren certificaten verstrekken op voorwaarde dat de betrokkenen een fokregister bijhouden dat op verzoek aan de bevoegde administratieve instantie wordt overgelegd.

Op dergelijke certificaten wordt in vak 20 de volgende vermelding aangebracht:

„Certificaat uitsluitend geldig voor het (de) volgende taxon (taxa): …”.

2.   Met het oog op artikel 8, lid 3, onder d) en h), van Verordening (EG) nr. 338/97 mogen de lidstaten van tevoren certificaten verstrekken aan personen aan wie door een administratieve instantie toestemming is verleend om op basis van dergelijke certificaten dode, in gevangenschap gefokte specimens en/of kleine aantallen dode, in de Gemeenschap legaal aan de natuur onttrokken specimens te verkopen, op voorwaarde dat deze personen: aan de volgende vereisten voldoen:

a)

zij houden een register bij dat op verzoek aan de bevoegde administratieve instantie wordt overgelegd en dat gedetailleerde gegevens bevat betreffende de verkochte specimens en soorten, de doodsoorzaak — indien bekend, de personen van wie de specimens werden verkregen en de personen aan wie zij werden verkocht;

b)

zij dienen bij de bevoegde administratieve instantie jaarlijks een verslag in dat gedetailleerde gegevens bevat betreffende de omzet over het betrokken jaar, het aantal specimens en de aard daarvan, de betrokken soorten en de manier waarop de specimens werden verkregen.

HOOFDSTUK XVI

EISEN INZAKE HET MERKEN VAN SPECIMENS

Artikel 64

Merken van specimens met het oog op invoer en commerciële activiteiten in de Gemeenschap

1.   Voor de volgende specimens of voorwerpen worden invoervergunningen slechts afgegeven indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat de specimens overeenkomstig artikel 66, lid 6, individueel zijn gemerkt:

a)

specimens die afkomstig zijn van een door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst erkend programma voor fok in gevangenschap;

b)

specimens die afkomstig zijn van een door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst erkend ranching-programma;

c)

specimens van een populatie van een in bijlage I bij de Overeenkomst opgenomen soort waarvoor door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst een uitvoerquotum is goedgekeurd;

d)

onbewerkte slagtanden van de Afrikaanse olifant alsmede stukken daarvan die zowel ten minste 20 cm lang als ten minste 1 kg zwaar zijn;

e)

ongelooide, gelooide en/of geheel bewerkte huiden, flanken, staarten, kelen, poten alsmede repen van de rughuid en andere delen van krokodilachtigen die naar de Gemeenschap worden uitgevoerd alsmede volledige ongelooide, gelooide of geheel bewerkte huiden en flanken van krokodilachtigen die naar de Gemeenschap worden wederuitgevoerd;

f)

levende gewervelde dieren behorend tot de in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten die deel uitmaken van een reizende tentoonstelling;

g)

recipiënten die kaviaar van Acipenseriformes spp. bevatten, met inbegrip van blikken, potjes of dozen waarin kaviaar rechtstreeks is verpakt.

2.   Voor de toepassing van artikel 8, lid 5, van Verordening (EG) nr. 338/97 worden alle recipiënten met kaviaar als bedoeld in lid 1, onder g), van dit artikel gemerkt overeenkomstig artikel 66, lid 6, van de onderhavige verordening, met inachtneming van de aanvullende vereisten van artikel 66, lid 7, van deze verordening.

Artikel 65

Merken van specimens met het oog op uitvoer en wederuitvoer

1.   Wederuitvoercertificaten voor de in artikel 64, lid 1, onder a) tot en met d) en f), bedoelde specimens die niet ingrijpend zijn gewijzigd, worden alleen afgegeven wanneer de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de oorspronkelijke merktekens intact zijn.

2.   Wederuitvoercertificaten voor volledige ongelooide, gelooide en/of geheel bewerkte huiden en flanken van krokodilachtigen worden alleen afgegeven wanneer de aanvrager ten genoegen van de administratieve instantie aantoont dat de oorspronkelijke labels intact zijn of dat, wanneer de oorspronkelijke labels zijn verloren gegaan of verwijderd, de specimens met een wederuitvoerlabel zijn gemerkt.

3.   Uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten voor recipiënten met kaviaar als bedoeld in artikel 64, lid 1, onder g), worden alleen afgegeven indien de recipiënt overeenkomstig artikel 66, lid 6, is gemerkt.

4.   Voor levende gewervelde dieren behorend tot soorten die zijn opgenomen in bijlage A bij Verordening (EG) nr. 338/97 wordt een uitvoervergunning alleen afgegeven indien de aanvrager ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie aantoont dat aan de desbetreffende vereisten van artikel 66 van deze verordening is voldaan.

Artikel 66

Merkingsmethoden

1.   Met het oog op het bepaalde in artikel 33, lid 1, artikel 40, lid 1, artikel 59, lid 5, en artikel 65, lid 4, zijn de leden 2 en 3 van dit artikel van toepassing.

2.   In gevangenschap geboren en gefokte vogels worden gemerkt overeenkomstig lid 8 of, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat deze methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van het betrokken dier niet geschikt is, door middel van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E).

3.   Levende gewervelde dieren die geen in gevangenschap geboren en gefokte vogels zijn, worden gemerkt met behulp van een fraudebestendige microchiptransponder met een uniek nummer, die voldoet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E), of de betrokken specimens worden, wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie is aangetoond dat voornoemde methode wegens de lichamelijke of gedragskenmerken van de betrokken specimens c.q. soorten niet geschikt is, gemerkt met behulp van een ring, manchet, label, tatoeage of soortgelijk identificatiemiddel met een uniek nummer, of zij worden op een andere passende wijze herkenbaar gemaakt.

4.   Artikel 33, lid 1, artikel 40, lid 1, artikel 48, lid 2, artikel 59, lid 5, en artikel 65, lid 4, zijn niet van toepassing wanneer ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie wordt aangetoond dat de lichamelijke kenmerken van de betrokken specimens van dien aard zijn dat op het moment van de afgifte van het desbetreffende certificaat geen enkele merkingsmethode veilig kan worden toegepast.

In dit geval geeft de betrokken administratieve instantie een transactiespecifiek certificaat af en vermeldt zij dit feit in vak 20 van het certificaat of vermeldt zij daar — wanneer op een later tijdstip een merkingsmethode veilig kan worden toegepast — de passende voorschriften.

Specimenspecifieke certificaten, certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom worden voor dergelijke specimens niet afgegeven.

5.   Specimens die vóór 1 januari 2002 met een niet aan de ISO-normen 11784:1996 (E) en 11785:1996 (E) beantwoordende microchiptransponder werden gemerkt, of die vóór 1 juni 1997 volgens één van de in lid 3 genoemde methoden werden gemerkt, of die overeenkomstig lid 6 werden gemerkt voordat zij de Gemeenschap werden binnengebracht, worden geacht overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3 te zijn gemerkt.

6.   De in artikel 64, lid 1, en artikel 65 bedoelde specimens worden gemerkt volgens de methode die door de Conferentie der Partijen bij de Overeenkomst voor de betrokken specimens is goedgekeurd of aanbevolen en, meer bepaald, de in artikel 64, lid 1, onder g), artikel 64, lid 2, en artikel 65, lid 3, bedoelde recipiënten met kaviaar worden afzonderlijk gemerkt met niet-herbruikbare etiketten die op elke primaire recipiënt worden aangebracht.

7.   Alleen (her)verpakkingsbedrijven die van de administratieve instantie van een lidstaat daartoe een vergunning hebben verkregen, zijn gerechtigd kaviaar te verwerken en te verpakken of te herverpakken met het oog op uitvoer, wederuitvoer of intracommunautaire handel.

(Her)verpakkingsbedrijven die over een vergunning beschikken, zijn verplicht een adequaat register bij te houden van de hoeveelheden kaviaar die, naar gelang van het geval, worden ingevoerd, uitgevoerd, wederuitgevoerd, in situ geproduceerd of opgeslagen. Dit register moet beschikbaar worden gemaakt voor controle door de administratieve instantie van de betrokken lidstaat.

Aan elk van deze (her)verpakkingsbedrijven wordt door die administratieve instantie een unieke registratiecode toegekend.

8.   In gevangenschap geboren en gefokte vogels alsook andere in een gecontroleerd milieu geboren vogels worden gemerkt met behulp van een individueel gemerkte naadloze, gesloten pootring.

Als naadloze, gesloten pootring geldt een ononderbroken ring of manchet, zonder enige naad of las, waarmee op geen enkele wijze is geknoeid en waarvan het formaat zodanig is dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt, en die commercieel voor dat doel is vervaardigd.

Artikel 67

Humane merkingsmethoden

Wanneer op het grondgebied van de Gemeenschap voor het merken van levende dieren het vasthechten van een identificatieplaatje, manchet, ring of ander voorwerp, het aanbrengen van een merkteken op enig lichaamsdeel of het inplanten van een microchiptransponder noodzakelijk is, geschiedt dit met de gepaste zorgen, rekening houdend met het welzijn en het natuurlijke gedrag van het betrokken specimen.

Artikel 68

Wederzijdse erkenning van merkingsmethoden

1.   De bevoegde instanties van de lidstaten erkennen de door de bevoegde instanties van de andere lidstaten goedgekeurde merkingsmethoden die aan artikel 66 voldoen.

2.   Indien krachtens deze verordening een vergunning of certificaat is vereist, worden op dat document alle gegevens betreffende de merking van het specimen vermeld.

HOOFDSTUK XVII

INFORMATIE EN RAPPORTAGE

Artikel 69

Rapporten over invoer, uitvoer en wederuitvoer

1.   De lidstaten vergaren gegevens over de invoer in en de uitvoer en wederuitvoer uit de Gemeenschap die plaatsvindt op basis van de door hun administratieve instanties afgegeven vergunningen en certificaten, ongeacht de feitelijke plaats van binnenkomst of (weder)uitvoer.

Overeenkomstig artikel 15, lid 4, onder a), van Verordening (EG) nr. 338/97 delen de lidstaten deze informatie met betrekking tot de soorten van de bijlagen A, B en C bij genoemde verordening per kalenderjaar volgens het in lid 4 van dit artikel genoemde tijdschema aan de Commissie mee in gecomputeriseerde vorm en overeenkomstig de door het secretariaat van de Overeenkomst gepubliceerde richtsnoeren voor het opstellen en indienen van de CITES-jaarverslagen.

Deze verslagen bevatten de gegevens over de in beslag genomen en verbeurdverklaarde zendingen.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie wordt overgelegd in twee afzonderlijke delen:

a)

een deel betreffende de invoer, uitvoer en wederuitvoer van specimens van de in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen soorten;

b)

een deel betreffende de invoer, uitvoer en wederuitvoer van specimens van de andere in de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten alsmede het binnenbrengen in de Gemeenschap van specimens van de in bijlage D bij die verordening opgenomen soorten.

3.   Met betrekking tot de invoer van zendingen die levende dieren omvatten, leggen de lidstaten — zo mogelijk — statistieken aan van het percentage specimens van de in de bijlagen A en B bij Verordening (EG) nr. 338/97 opgenomen soorten dat dood was op het moment van het binnenbrengen in de Gemeenschap.

4.   De in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie wordt voor ieder kalenderjaar vóór 15 juni van het daaropvolgende jaar aan de Commissie meegedeeld, opgesplitst naar soort en naar land van (weder)uitvoer.

5.   De in artikel 15, lid 4, onder c), van Verordening (EG) nr. 338/97 bedoelde informatie omvat nauwkeurige gegevens betreffende de wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen die zijn genomen met het oog op de uitvoering en het toezicht op de naleving van Verordening (EG) nr. 338/97 en van deze verordening.

Daarnaast rapporteren de lidstaten over de volgende aspecten:

a)

de overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van de onderhavige verordening geregistreerde personen en instanties;

b)

de overeenkomstig artikel 60 van de onderhavige verordening geregistreerde wetenschappelijke instellingen;

c)

de overeenkomstig artikel 63 van de onderhavige verordening geaccrediteerde fokkers;

d)

de kaviaar(her)verpakkingsbedrijven waaraan overeenkomstig artikel 66, lid 7, van de onderhavige verordening een vergunning is verleend;

e)

het gebruik dat zij overeenkomstig artikel 17 van de onderhavige verordening maken van fytosanitaire certificaten.

Artikel 70

Wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 338/97

1.   Met het oog op de voorbereiding van wijzigingen van Verordening (EG) nr. 338/97 overeenkomstig artikel 15, lid 5, van die verordening delen de lidstaten met betrekking tot de reeds in de bijlagen bij die verordening opgenomen soorten en de voor opneming in aanmerking komende soorten, de Commissie alle relevante informatie mee betreffende de volgende aspecten:

a)

de biologische situatie van deze soorten en de situatie ten aanzien van de handel daarin;

b)

het gebruik dat van specimens van deze soorten wordt gemaakt;

c)

de methoden om toe te zien op de in de handel gebrachte specimens.

2.   Elk ontwerp voor een wijziging van bijlage B of D bij Verordening (EG) nr. 338/97 overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder c) of d), of artikel 3, lid 4, onder a), van die verordening wordt door de Commissie aan de in artikel 17 van die verordening bedoelde wetenschappelijke studiegroep ter beoordeling voorgelegd voordat het bij het comité wordt ingediend.

HOOFDSTUK XVIII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 71

Afwijzing van aanvragen voor een invoervergunning

1.   Zodra overeenkomstig artikel 4, lid 6, van Verordening (EG) nr. 338/97 een beperking is opgelegd en totdat deze beperking wordt opgeheven, wijzen de lidstaten aanvragen van invoervergunningen voor uit het (de) betrokken land(en) van herkomst uitgevoerde specimens af.

2.   In afwijking van lid 1 mag een invoervergunning worden afgegeven wanneer de aanvraag voor een invoervergunning was ingediend voordat de beperking werd opgelegd, en ten genoegen van de bevoegde administratieve instantie van de lidstaat het bestaan wordt aangetoond van een contract of bestelling waarvoor de betaling is verricht of als gevolg waarvan de specimens reeds zijn verzonden.

3.   De geldigheidsduur van een invoervergunning die krachtens de in lid 2 bedoelde afwijking wordt verleend, bedraagt ten hoogste één maand.

4.   De in lid 1 bedoelde beperkingen zijn, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, niet van toepassing op de volgende specimens:

a)

overeenkomstig de artikelen 54 en 55 in gevangenschap geboren en gefokte of overeenkomstig artikel 56 kunstmatig gekweekte specimens;

b)

specimens die worden ingevoerd voor de in artikel 8, lid 3, onder e), f) of g), van Verordening (EG) nr. 338/97 omschreven doeleinden;

c)

levende of dode specimens die deel uitmaken van het huisraad van personen die de Gemeenschap binnenkomen om zich daar te vestigen.

Artikel 72

Overgangsmaatregelen

1.   Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EEG) nr. 3626/82 en artikel 22 van Verordening (EEG) nr. 3418/83 van de Commissie (4) afgegeven certificaten mogen verder worden gebruikt voor de in artikel 5, lid 2, onder b), artikel 5, lid 3, onder b), c) en d), artikel 5, lid 4, en artikel 8, lid 3, onder a) en d) tot en met h), van Verordening (EG) nr. 338/97 omschreven doeleinden.

2.   Toegestane afwijkingen van de verbodsbepalingen van artikel 6, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3626/82 blijven geldig tot de laatste dag van hun geldigheidstermijn voor zover deze is gespecificeerd.

3.   De lidstaten mogen tot één jaar na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening invoer- en uitvoervergunningen, wederuitvoercertificaten, certificaten voor reizende tentoonstellingen en certificaten van persoonlijke eigendom blijven afgeven in de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1808/2001 gespecificeerde vorm.

Artikel 73

Kennisgeving van uitvoeringsbepalingen

De lidstaten stellen de Commissie en het secretariaat van de Overeenkomst in kennis van de specifieke bepalingen die zij ter uitvoering van deze verordening invoeren alsmede van alle rechtsinstrumenten die zij toepassen en alle maatregelen die zij treffen voor de uitvoering en het toezicht op de naleving van deze verordening. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 74

Intrekking

Verordening (EG) nr. 1808/2001 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de in bijlage XII opgenomen concordantietabel.

Artikel 75

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 mei 2006.

Voor de Commissie

Stavros DIMAS

Lid van de Commissie


(1)  PB L 61 van 3.3.1997, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1332/2005 van de Commissie (PB L 215 van 19.8.2005, blz. 1).

(2)  PB L 384 van 31.12.1982, blz. 1. Verordening laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 2727/95 van de Commissie (PB L 284 van 28.11.1995, blz. 3).

(3)  PB L 250 van 19.9.2001, blz. 1.

(4)  PB L 344 van 7.12.1983, blz. 1.


BIJLAGE I

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de feitelijke (weder)uitvoerder, niet van een agent. In het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom, de volledige naam en adres van de wettige eigenaar.

2.

De geldigheidsduur van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten bedraagt ten hoogste zes maanden en die van invoervergunningen ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van certificaten van persoonlijke eigendom bedraagt ten hoogste drie jaar. Na het verstrijken van de geldigheidsduur zijn deze documenten nietig, en dienen het origineel en alle kopieën zonder verwijl door de houder aan de administratieve instantie van afgifte te worden teruggestuurd. Een invoervergunning is niet geldig wanneer het corresponderende CITES-document van het land van (weder)uitvoer werd gebruikt voor (weder)uitvoer na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan of indien de betrokken specimens meer dan zes maanden na de datum van afgifte in de Gemeenschap worden binnengebracht.

3.

Volledige naam en adres van de feitelijke invoerder, niet van een agent. Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

5.

Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

6.

Voor levende specimens van soorten van bijlage A die geen in gevangenschap gefokte of kunstmatig gekweekte specimens zijn, mag de instantie van afgifte door middel van nadere aanwijzingen in dit vak voorschrijven op welke plaats die specimens moeten worden gehouden. Voor elke overbrenging — behalve voor dringende veterinaire behandeling, en dan op voorwaarde dat de specimens vervolgens onverwijld naar de voorgeschreven plaats worden teruggebracht — is dan de voorafgaande toestemming van de bevoegde administratieve instantie vereist.

8.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

9/10.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006.

11.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

12.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

13.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (1)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (1)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

14.

Geef door middel van een van de volgende codes aan met welk doel de specimens worden (weder)uitgevoerd c. q. ingevoerd:

B

Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E

Educatieve doeleinden

G

Botanische tuinen

H

Jachttrofeeën

L

Rechtshandhaving/gerechtelijke en forensische doeleinden

M

Medische doeleinden (m.i.v. biomedisch onderzoek)

N

Introductie of reïntroductie in het wild

P

Persoonlijke bezittingen

Q

Circussen en reizende tentoonstellingen

S

Wetenschappelijke doeleinden

T

Commerciële doeleinden

Z

Dierentuinen

15 t/m 17.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land is, moeten in de vakken 16 en 17 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

18 t/m 20.

Het land van laatste wederuitvoer is, in het geval van een wederuitvoercertificaat, het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens werden ingevoerd alvorens zij uit de Gemeenschap worden wederuitgevoerd. In het geval van een invoervergunning is het het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens worden ingevoerd. In de vakken 19 en 20 moeten de gegevens betreffende het betrokken wederuitvoercertificaat worden vermeld.

21.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 genoemde standaardnomenclatuurwerken.

23 t/m 25.

Door de bevoegde ambtenaar in te vullen vakken.

26.

De invoerder/(weder)uitvoerder of zijn agent dient hier in voorkomend geval het nummer van de (lucht)vrachtbrief in te vullen.

27.

Wordt ingevuld door het douanekantoor waar de specimens in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden (weder)uitgevoerd. In het geval van invoer moet het origineel (formulier nr. 1) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de invoerder. In het geval van (weder)uitvoer moet de kopie voor terugzending door de douane aan de instantie van afgifte (formulier nr. 3) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en het origineel (formulier nr. 1) en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de (weder)uitvoerder.

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de feitelijke (weder)uitvoerder, niet van een agent. In het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom, de volledige naam en adres van de wettige eigenaar.

2.

De geldigheidsduur van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten bedraagt ten hoogste zes maanden en die van invoervergunningen ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van certificaten van persoonlijke eigendom bedraagt ten hoogste drie jaar. Na het verstrijken van de geldigheidsduur zijn deze documenten nietig, en dienen het origineel en alle kopieën zonder verwijl door de houder aan de administratieve instantie van afgifte te worden teruggestuurd. Een invoervergunning is niet geldig wanneer het corresponderende CITES-document van het land van (weder)uitvoer werd gebruikt voor (weder)uitvoer na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan of indien de betrokken specimens meer dan zes maanden na de datum van afgifte in de Gemeenschap worden binnengebracht.

3.

Volledige naam en adres van de feitelijke invoerder, niet van een agent. Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

5.

Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

6.

Voor levende specimens van soorten van bijlage A die geen in gevangenschap gefokte of kunstmatig gekweekte specimens zijn, mag de instantie van afgifte door middel van nadere aanwijzingen in dit vak voorschrijven op welke plaats die specimens moeten worden gehouden. Voor elke overbrenging — behalve voor dringende veterinaire behandeling, en dan op voorwaarde dat de specimens vervolgens onverwijld naar de voorgeschreven plaats worden teruggebracht — is dan de voorafgaande toestemming van de bevoegde administratieve instantie vereist.

8.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

9/10.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006.

11.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

12.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

13.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (2)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (2)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

14.

Geef door middel van een van de volgende codes aan met welk doel de specimens worden (weder)uitgevoerd c. q. ingevoerd:

B

Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E

Educatieve doeleinden

G

Botanische tuinen

H

Jachttrofeeën

L

Rechtshandhaving/gerechtelijke en forensische oeleinden

M

Medische doeleinden (m.i.v. biomedisch onderzoek)

N

Introductie of reïntroductie in het wild

P

Persoonlijke bezittingen

Q

Circussen en reizende tentoonstellingen

S

Wetenschappelijke doeleinden

T

Commerciële doeleinden

Z

Dierentuinen

15 t/m 17.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land is, moeten in de vakken 16 en 17 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

18 t/m 20.

Het land van laatste wederuitvoer is, in het geval van een wederuitvoercertificaat, het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens werden ingevoerd alvorens zij uit de Gemeenschap worden wederuitgevoerd. In het geval van een invoervergunning is het het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens worden ingevoerd. In de vakken 19 en 20 moeten de gegevens betreffende het betrokken wederuitvoercertificaat worden vermeld.

21.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 genoemde standaardnomenclatuurwerken.

23 t/m 25.

Door de bevoegde ambtenaar in te vullen vakken

26.

De invoerder/(weder)uitvoerder of zijn agent dient hier in voorkomend geval het nummer van de (lucht)vrachtbrief in te vullen.

27.

Wordt ingevuld door het douanekantoor waar de specimens in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden (weder)uitgevoerd. In het geval van invoer moet het origineel (formulier nr. 1) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de invoerder. In het geval van (weder)uitvoer moet de kopie voor terugzending door de douane aan de instantie van afgifte (formulier nr. 3) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en het origineel (formulier nr. 1) en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de (weder)uitvoerder.

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de feitelijke (weder)uitvoerder, niet van een agent. In het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom, de volledige naam en adres van de wettige eigenaar.

2.

De geldigheidsduur van uitvoervergunningen en wederuitvoercertificaten bedraagt ten hoogste zes maanden en die van invoervergunningen ten hoogste twaalf maanden. De geldigheidsduur van certificaten van persoonlijke eigendom bedraagt ten hoogste drie jaar. Na het verstrijken van de geldigheidsduur zijn deze documenten nietig, en dienen het origineel en alle kopieën zonder verwijl door de houder aan de administratieve instantie van afgifte te worden teruggestuurd. Een invoervergunning is niet geldig wanneer het corresponderende CITES-document van het land van (weder)uitvoer werd gebruikt voor (weder)uitvoer na het verstrijken van de geldigheidsduur ervan of indien de betrokken specimens meer dan zes maanden na de datum van afgifte in de Gemeenschap worden binnengebracht.

3.

Volledige naam en adres van de feitelijke invoerder, niet van een agent. Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

5.

Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

6.

Voor levende specimens van soorten van bijlage A die geen in gevangenschap gefokte of kunstmatig gekweekte specimens zijn, mag de instantie van afgifte door middel van nadere aanwijzingen in dit vak voorschrijven op welke plaats die specimens moeten worden gehouden. Voor elke overbrenging — behalve voor dringende veterinaire behandeling, en dan op voorwaarde dat de specimens vervolgens onverwijld naar de voorgeschreven plaats worden teruggebracht — is dan de voorafgaande toestemming van de bevoegde administratieve instantie vereist.

8.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

9/10.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006.

11.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

12.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

13.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (3)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (3)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

14.

Geef door middel van een van de volgende codes aan met welk doel de specimens worden (weder)uitgevoerd c. q. ingevoerd:

B

Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E

Educatieve doeleinden

G

Botanische tuinen

H

Jachttrofeeën

L

Rechtshandhaving/gerechtelijke en forensische doeleinden

M

Medische doeleinden (m.i.v. biomedisch onderzoek)

N

Introductie of reïntroductie in het wild

P

Persoonlijke bezittingen

Q

Circussen en reizende tentoonstellingen

S

Wetenschappelijke doeleinden

T

Commerciële doeleinden

Z

Dierentuinen

15 t/m 17.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land is, moeten in de vakken 16 en 17 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

18 t/m 20.

Het land van laatste wederuitvoer is, in het geval van een wederuitvoercertificaat, het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens werden ingevoerd alvorens zij uit de Gemeenschap worden wederuitgevoerd. In het geval van een invoervergunning is het het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens worden ingevoerd. In de vakken 19 en 20 moeten de gegevens betreffende het betrokken wederuitvoercertificaat worden vermeld.

21.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 genoemde standaardnomenclatuurwerken.

23 t/m 25.

Door de bevoegde ambtenaar in te vullen vakken

26.

De invoerder/(weder)uitvoerder of zijn agent dient hier in voorkomend geval het nummer van de (lucht)vrachtbrief in te vullen.

27.

Wordt ingevuld door het douanekantoor waar de specimens in de Gemeenschap worden binnengebracht dan wel uit de Gemeenschap worden (weder)uitgevoerd. In het geval van invoer moet het origineel (formulier nr. 1) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de invoerder. In het geval van (weder)uitvoer moet de kopie voor terugzending door de douane aan de instantie van afgifte (formulier nr. 3) aan de administratieve instantie van de betrokken lidstaat worden teruggezonden en het origineel (formulier nr. 1) en de kopie voor de houder (formulier nr. 2) aan de (weder)uitvoerder.

Image

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de feitelijke (weder)uitvoerder, niet van een agent. In het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom, de volledige naam en adres van de wettige eigenaar.

2.

Niet van toepassing.

3.

Volledige naam en adres van de feitelijke invoerder, niet van een agent. Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

5.

Niet invullen in het geval van een certificaat van persoonlijke eigendom.

6.

Dient alleen op het aanvraagformulier te worden ingevuld in het geval van levende specimens van soorten van bijlage A die geen in gevangenschap gefokte of kunstmatig gekweekte specimens zijn.

8.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

9/10.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006.

11.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

12.

Vul hier de letter in van de bijlage van Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de aanvraag.

13.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (4)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (4)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

14.

Geef door middel van een van de volgende codes aan met welk doel de specimens worden (weder)uitgevoerd c. q. ingevoerd:

B

Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E

Educatieve doeleinden

G

Botanische tuinen

H

Jachttrofeeën

L

Rechtshandhaving/gerechtelijke en forensische doeleinden

M

Medische doeleinden (m.i.v. biomedisch onderzoek)

N

Introductie of reïntroductie in het wild

P

Persoonlijke bezittingen

Q

Circussen en reizende tentoonstellingen

S

Wetenschappelijke doeleinden

T

Commerciële doeleinden

Z

Dierentuinen

15 t/m 17.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land is, moeten in de vakken 16 en 17 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

18 t/m 20.

Het land van laatste wederuitvoer is, in het geval van een wederuitvoercertificaat, het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens werden ingevoerd alvorens zij uit de Gemeenschap worden wederuitgevoerd. In het geval van een invoervergunning is het het wederuitvoerende derde land van waaruit de specimens worden ingevoerd. In de vakken 19 en 20 moeten de gegevens betreffende het betrokken wederuitvoercertificaat worden vermeld.

21.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 genoemde standaardnomenclatuurwerken.

23

Verstrek zoveel mogelijk informatie en motiveer in voorkomend geval het ontbreken van bepaalde hierboven verlangde gegevens.


(1)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.

(2)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.

(3)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.

(4)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.


BIJLAGE II

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en volledig adres van de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger invullen.

4.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt.

5.

Alleen van toepassing wanneer het land van waaruit de specimens worden ingevoerd, niet het land van herkomst is.

6.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn.

9.

De wetenschappelijke naam dient de naam te zijn die in bijlage C of D bij Verordening (EG) nr. 338/97 wordt gebruikt.

10.

Vul „III” in voor de in bijlage III bij de CITES-overeenkomst opgenomen soorten.

12.

Vul de letter (C of D) in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 waarin de betrokken soort is opgenomen.

13.

De invoerder moet het ondertekende origineel (formulier nr. 1) en de „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) alsmede, in het geval van specimens van soorten van CITES‐bijlage III, de passende door het (weder)uitvoerende land afgegeven documenten overleggen aan het douanekantoor waar de zending de Gemeenschap wordt binnengebracht.

14.

Het douanekantoor zendt het afgestempelde origineel (formulier nr. 1) toe aan de administratieve instantie van de eigen lidstaat en geeft de afgestempelde kopie voor de invoerder (formulier nr. 2) terug aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger.

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en volledig adres van de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger invullen.

4.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt.

5.

Alleen van toepassing wanneer het land van waaruit de specimens worden ingevoerd, niet het land van herkomst is.

6.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn.

9.

De wetenschappelijke naam dient de naam te zijn die in bijlage C of D bij Verordening (EG) nr. 338/97 wordt gebruikt.

10.

Vul „III” in voor de in bijlage III bij de CITES-overeenkomst opgenomen soorten.

12.

Vul de letter (C of D) in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 waarin de betrokken soort is opgenomen.

13.

De invoerder moet het ondertekende origineel (formulier nr. 1) en de „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) alsmede, in het geval van specimens van soorten van CITES-bijlage III, de passende door het (weder)uitvoerende land afgegeven documenten overleggen aan het douanekantoor waar de zending de Gemeenschap wordt binnengebracht.

14.

Het douanekantoor zendt het afgestempelde origineel (formulier nr. 1) toe aan de administratieve instantie van de eigen lidstaat en geeft de afgestempelde „kopie voor de invoerder” (formulier nr. 2) terug aan de invoerder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger.


BIJLAGE III

Image

Instructies en toelichtingen

1.

De administratieve instantie van afgifte geeft elk certificaat een uniek nummer.

2.

De geldigheidsduur van het document bedraagt ten hoogste drie jaar, te rekenen vanaf de datum van afgifte. Als de reizende tentoonstelling haar oorsprong heeft in een derde land, valt de uiterste geldigheidsdatum niet later dan de op het overeenkomstige certificaat van dat land vermelde datum.

3.

Vul de volledige naam, het vast adres en het land in van de eigenaar van het specimen waarop het certificaat betrekking heeft. Het certificaat is ongeldig als de handtekening van de eigenaar ontbreekt.

4.

Naam, adres en land van de administratieve instantie van afgifte moeten voorgedrukt zijn op het formulier.

5.

De voorgedrukte vermeldingen in dit vak geven aan dat het certificaat geldig is voor meerdere grensoverschrijdende overbrengingen van het specimen samen met de tentoonstelling, uitsluitend met het oog op vertoning, teneinde de specimens aan het publiek te kunnen vertonen overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 338/97; zij verduidelijken voorts dat het certificaat niet wordt ingehouden maar het specimen/de eigenaar moet blijven vergezellen. In dit vak kan ook het niet vermelden van bepaalde gegevens worden gemotiveerd.

6.

De voorgedrukte vermelding in dit vak geeft aan dat grensoverschrijdend vervoer is toegestaan naar elk land dat dit certificaat krachtens zijn intern recht aanvaardt.

7.

In dit vak is de code Q voor circussen en reizende tentoonstellingen voorgedrukt.

8.

Vermeld in voorkomend geval het nummer van het in vak 19 aangebrachte veiligheidsstempel.

9.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer] genoemde standaardnomenclatuurwerken.

10.

Omschrijf zo nauwkeurig mogelijk het specimen waarop het certificaat betrekking heeft, met inbegrip van kentekens (labels, ringen, unieke merktekens, enz.) die toereikend zijn om de autoriteiten van het land op wiens grondgebied de tentoonstelling binnenkomt, in staat te stellen te verifiëren dat het certificaat overeenstemt met het betrokken specimen. Voor zover mogelijk moeten het geslacht en de leeftijd van het specimen op het tijdstip van de afgifte van het certificaat worden vermeld.

11.

Vermeld het totale aantal specimens. In het geval van levende dieren is dit normaliter één. Indien het gaat om meer dan één specimen, vul dan „zie bijgevoegde lijst” in.

12.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

13.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van het certificaat.

14.

Gebruik de onderstaande codes ter omschrijving van de oorsprong. Dit certificaat mag niet worden gebruikt voor specimens met oorsprongscode W, R, F of U, tenzij deze in de Gemeenschap werden verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II en III bij de Overeenkomst of in bijlage C bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of in de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden en ook de code O wordt gebruikt.

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (kan in combinatie met gelijk welke andere code worden gebruikt).

15/16.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land is, moeten in vak 16 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

17.

In dit vak moet het registratienummer van de tentoonstelling worden ingevuld.

18.

Vul de datum van verwerving alleen in voor specimens die in de Gemeenschap werden verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II en III bij de Overeenkomst of in bijlage C bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of in de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden.

19.

Moet worden ingevuld door de ambtenaar die het certificaat afgeeft. Een certificaat mag alleen worden afgegeven door de administratieve instantie van het land waar de tentoonstelling is gevestigd, en uitsluitend indien de eigenaar van de tentoonstelling alle gegevens met betrekking tot het specimen bij die administratieve instantie heeft laten registreren. In het geval van een uit een derde land afkomstige tentoonstelling mag een certificaat alleen door de administratieve instantie van het land van eerste bestemming worden afgegeven. De naam van de afgevende ambtenaar moet voluit worden vermeld. Het zegel, de handtekening en in voorkomend geval het nummer van het veiligheidsstempel moeten duidelijk leesbaar zijn.

20.

In dit vak kan worden verwezen naar nationale wetgeving of kunnen aanvullende bijzondere voorwaarden worden vermeld die de administratieve instantie van afgifte vaststelt met betrekking tot grensoverschrijdende overbrengingen.

21.

De voorgedrukte vermelding in dit vak verwijst naar het aan het certificaat gehechte vervolgblad, waarop alle grensoverschrijdende overbrengingen moeten worden vermeld.

Onverminderd het bepaalde in vak 5 dient dit document, zodra de geldigheidsduur is verstreken, aan de administratieve instantie van afgifte te worden teruggezonden.

De houder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger legt het origineel van dit certificaat (formulier nr. 1) — alsook, indien van toepassing, het door een derde land afgegeven certificaat voor een reizende tentoonstelling — ter verificatie over en dient het begeleidende vervolgblad of (indien het certificaat is afgegeven op basis van een soortgelijk certificaat van een derde land) de twee vervolgbladen en kopieën daarvan in bij een overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 338/97 aangewezen douanekantoor. Het douanekantoor geeft, na het/de vervolgblad(en) te hebben aangevuld, het origineel van dit certificaat (formulier nr. 1), het originele door een derde land afgegeven certificaat (indien van toepassing) en het/de vervolgblad(en) terug aan de houder of zijn gevolmachtigde vertegenwoordiger en zendt overeenkomstig artikel 23 van Verordening 865/2006 een geviseerde kopie van het vervolgblad van het door de administratieve instantie van de lidstaat afgegeven certificaat toe aan de betrokken administratieve instantie.

Image

Image

Instructies en toelichtingen

3.

Vul de volledige naam, het vast adres en het land in van de eigenaar van het specimen waarop het certificaat betrekking heeft (niet van een agent). Het certificaat is ongeldig als de handtekening van de eigenaar ontbreekt.

8.

Vermeld in voorkomend geval het nummer van het in vak 19 aangebrachte veiligheidsstempel.

9.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer] genoemde standaardnomenclatuurwerken.

10.

Omschrijf zo nauwkeurig mogelijk het specimen waarop het certificaat betrekking heeft, met inbegrip van kentekens (labels, ringen, unieke merktekens, enz.) die toereikend zijn om de autoriteiten van het land op wiens grondgebied de tentoonstelling binnenkomt, in staat te stellen te verifiëren dat het certificaat overeenstemt met het betrokken specimen. Voor zover mogelijk moeten het geslacht en de leeftijd van het specimen op het tijdstip van de afgifte van het certificaat worden vermeld.

11.

Vermeld het totale aantal specimens. In het geval van levende dieren is dit normaliter één. Indien het gaat om meer dan één specimen, vul dan „zie bijgevoegde lijst” in.

12.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de aanvraag.

13.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de aanvraag.

14.

Gebruik de onderstaande codes ter omschrijving van de oorsprong. Dit certificaat mag niet worden gebruikt voor specimens met oorsprongscode W, R, F of U, tenzij deze in de Gemeenschap werden verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II en III bij de Overeenkomst of bijlage C bij Verordening (EEG) nr. 3626/82 of de bijlagen A, B en C bij Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden en ook de code O wordt gebruikt.

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (kan in combinatie met gelijk welke andere code worden gebruikt).

15/16.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt. Als dit een derde land (d.w.z. een niet-EU-land) is, moeten in vak 16 de gegevens betreffende de betrokken vergunning worden vermeld. Wanneer specimens die afkomstig zijn uit een lidstaat van de Gemeenschap vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd, hoeft in vak 15 alleen de naam van de lidstaat van herkomst te worden vermeld.

17.

In dit vak moet het registratienummer van de tentoonstelling worden ingevuld.

18.

Vul de datum van verwerving alleen in voor specimens die in de Gemeenschap werden verworven of binnengebracht voordat de bepalingen betreffende soorten die zijn opgenomen in de bijlagen I, II of III bij de Overeenkomst of in bijlage C van Verordening (EEG) nr. 3626/82 of in de bijlagen A, B en C van Verordening (EG) nr. 338/97 op hen van toepassing werden.

19.

Verstrek zoveel mogelijk informatie en motiveer in voorkomend geval het ontbreken van bepaalde hierboven verlangde gegevens.


BIJLAGE IV

Image


BIJLAGE V

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de houder van het certificaat, niet van een agent.

2.

Dient alleen te worden ingevuld ingeval de invoervergunning voor de betrokken specimens voorschrijft op welke plaats zij moeten worden gehouden, of indien specimens die in een lidstaat aan de natuur werden onttrokken, op een voorgeschreven adres moeten worden gehouden.

Voor elke overbrenging vanaf de aangegeven plaats — behalve voor dringende veterinaire behandeling, en dan op voorwaarde dat de specimens vervolgens onverwijld naar de voorgeschreven plaats worden teruggebracht — is dan de voorafgaande toestemming van de bevoegde administratieve instantie vereist (zie vak 19).

4.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

5/6.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

7.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

8.

Vul hier de letter in van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de afgifte van de vergunning of het certificaat.

9.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (1)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (1)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

10 t/m 12.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt.

13 t/m 15.

De lidstaat van invoer is, in voorkomend geval, de lidstaat die de invoervergunning voor de betrokken specimens heeft afgegeven.

16.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie genoemde standaardnomenclatuurwerken.

Image

Image

Instructies en toelichtingen

1.

Volledige naam en adres van de aanvrager van het certificaat, niet van een agent.

2.

Dient alleen op het aanvraagformulier te worden ingevuld in het geval van levende specimens van soorten van bijlage A die geen in gevangenschap gefokte of kunstmatig gekweekte specimens zijn.

4.

De omschrijving dient zo precies mogelijk te zijn en dient een drieletterige code te omvatten overeenkomstig bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

5/6.

Gebruik voor het aangeven van de hoeveelheid en/of de nettomassa de eenheden vermeld in bijlage VII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 [houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 338/97 van de Raad inzake de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten door controle op het desbetreffende handelsverkeer].

7.

Vul hier het nummer in van de bijlage bij de CITES-overeenkomst (I, II of III) waarin de soort is opgenomen op de dag van de aanvraag.

8.

Vul hier de letter in van de bijlage van Verordening (EG) nr. 338/97 (A, B of C) waarin de soort is opgenomen op de dag van de aanvraag.

9.

Geef de oorsprong aan door middel van één van de volgende codes:

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (2)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (2)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)

10 t/m 12.

Het land van herkomst is het land waar de specimens aan de natuur werden onttrokken, in gevangenschap werden geboren en gefokt of kunstmatig werden gekweekt.

13 t/m 15.

De lidstaat van invoer is, in voorkomend geval, de lidstaat die de invoervergunning voor de betrokken specimens heeft afgegeven.

16.

De wetenschappelijke naam dient in overeenstemming te zijn met de in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 865/2006 van de Commissie genoemde standaardnomenclatuurwerken.

18.

Verstrek zoveel mogelijk informatie en motiveer in voorkomend geval het ontbreken van bepaalde hierboven verlangde gegevens.


(1)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.

(2)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.


BIJLAGE VI

Image


BIJLAGE VII

Codes ter omschrijving van de specimens en eenheden die overeenkomstig artikel 5, punten 1 en 2, in de vergunningen en certificaten moeten worden gebruikt

Omschrijving

Code

Bij voorkeur te gebruiken eenheden

Alternatieve eenheden

Toelichting

Schors

BAR

kg

 

Boomschors (vers, gedroogd of in poedervorm; niet verwerkt)

Lichamen

BOD

aantal

kg

In essentie complete dode dieren, met inbegrip van verse of verwerkte vissen, opgezette schildpadden, geconserveerde vlinders, reptielen op alcohol, complete opgezette jachttrofeeën, enz.

Beenderen

BON

kg

aantal

Beenderen, met inbegrip van kaken

Calipee

CAL

kg

 

Calipee of calipash (kraakbeen van soepschildpadden)

Schildpadpantsers

CAP

aantal

kg

Onbewerkte, complete schildpadpantsers (Testudinata spp.)

Snijwerk

CAR

kg

m3

Snijwerk (met inbegrip van houtsnijwerk en afgewerkte houtproducten zoals meubels, muziekinstrumenten en handwerk). NB: Van sommige soorten kan meer dan één type product voor snijwerk worden gebruikt (bv. hoorn en been); zo nodig moet daarom in de beschrijving het type product worden vermeld (bv. snijwerk van hoorn)

Kaviaar

CAV

kg

 

Onbevruchte, dode, verwerkte eieren van alle soorten Acipenseriformes; ook kuit genoemd

Houtspaanders

CHP

kg

 

Houtspaanders, met name van Aquilaria malaccensis en Pterocarpus santalinus

Klauwen

CLA

aantal

kg

Klauwen — bv. van Felidae, Ursidae of Crocodylia (NB: „schildpadklauwen” zijn meestal schubben en geen echte klauwen)

Textiel

CLO

m2

kg

Textiel — Indien een weefsel niet uitsluitend van het haar van een onder CITES vallende soort is vervaardigd, verdient het de voorkeur de hoeveelheid (massa) haar van de betrokken soort onder „HAI” te vermelden

Koraal (onbewerkt)

COR

kg

aantal

Dode koralen en koraalrots. NB: De omvang van een partij wordt alleen in aantal stuks uitgedrukt indien de koraalspecimens in water worden vervoerd.

Culturen

CUL

aantal kolven, enz.

 

Culturen van kunstmatig gekweekte planten

Afgeleide producten

DER

kg/l

 

Niet elders in deze tabel genoemde afgeleide producten

Gedroogde planten

DPL

aantal

 

Gedroogde planten — bv. herbariumspecimens

Oren

EAR

aantal

 

Oren, gewoonlijk van olifanten

Eieren

EGG

aantal

kg

Complete dode of leeggeblazen eieren (zie ook „kaviaar”)

Eieren (levend)

EGL

aantal

kg

Levende eieren, gewoonlijk van vogels of reptielen, maar in voorkomend geval ook van vissen of ongewervelde dieren

Eierschalen

SHE

g/kg

 

Onbewerkte eierschalen (geen complete eieren)

Extracten

EXT

kg

l

Extracten, gewoonlijk van planten

Veren

FEA

kg/aantal vleugels

aantal

Veren — indien de veren in voorwerpen (bv. prenten) zijn verwerkt, dient het aantal voorwerpen te worden vermeld

Vezels

FIB

kg

m

Vezels, bv. plantenvezels, maar met inbegrip van snaren voor tennisrackets

Vinnen

FIN

kg

 

Verse, ingevroren of gedroogde vinnen en delen van vinnen

Visbroed

FIG

kg

aantal

Jonge (een- of tweejarige) vissen voor de aquariumhandel, voor kwekerijen of bestemd om te worden uitgezet

Bloemen

FLO

kg

 

Bloemen

Bloempotten

FPT

aantal

 

Van plantendelen (bv. boomvarenvezels) vervaardigde bloempotten. (NB: Levende planten die als zogenaamde „mini-tuintjes” worden verkocht, moeten niet als „bloempotten” maar als „levende planten” worden opgevoerd)

Kikkerbillen

LEG

kg

 

Kikkerbillen

Vruchten

FRU

kg

 

Vruchten

Poten

FOO

aantal

 

Poten, bv. van olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen, krokodillen, enz.

Gal

GAL

kg

 

Gal

Galblazen

GAB

aantal

kg

Galblazen

Kledingstukken

GAR

aantal

 

Kledingstukken, met inbegrip van handschoenen en hoeden maar niet van schoenen; met inbegrip van versieringen of decoraties op kledingstukken

Genitalia

GEN

kg

aantal

Testikels en gedroogde penissen

Onderstammen

GRS

aantal

 

Onderstammen (zonder de ent)

Haar

HAI

kg

g

Haar van alle diersoorten, bv. van olifanten, jaks, vicuña’s, guanaco’s, enz.

Hoorns

HOR

aantal

kg

Hoorns, met inbegrip van geweitakken

Lederproducten (klein)

LPS

aantal

 

Kleine van leder vervaardigde producten zoals gordels, bretels, fietszadels, houders voor chequeboekjes of betaalkaarten, oorringen, handtassen, sleuteletuis, notaboekjes, portemonnees, schoenen, tabaksbuiltjes, portefeuilles, horlogebandjes

Lederproducten (groot)

LPL

aantal

 

Grote van leder vervaardigde producten zoals aktentassen, meubels, valiezen, reiskoffers

Levende specimens

LIV

aantal

 

Levende dieren en planten. Van in water vervoerde levende koraalspecimens moet het aantal stuks worden vermeld

Bladeren

LVS

aantal

kg

Bladeren

Stammen

LOG

m3

 

Alle soorten onbewerkt hout, al dan niet ontdaan van schors en/of bast, eventueel vierkant bezaagd, met name bestemd om tot planken, houtpulp of bladen fineer te worden verwerkt. NB: De omvang van partijen stammen van bijzondere houtsoorten die per gewicht worden verhandeld (bv. lignum vitae, Guaiacum spp.) moet in kg worden uitgedrukt

Vlees

MEA

kg

 

Vlees, met inbegrip van visvlees maar niet van hele vissen (zie „lichamen”)

Geneesmiddelen

MED

kg/l

 

Geneesmiddelen

Muskus

MUS

g

 

Muskus

Olie

OIL

kg

l

Olie, bv. van schildpadden, zeehonden of robben, walvissen, vissen, diverse planten

Stukken been

BOP

kg

 

Onbewerkte stukken been

Stukken hoorn

HOP

kg

 

Onbewerkte stukken hoorn, met inbegrip van snijafval

Stukken ivoor

IVP

kg

 

Onbewerkte stukken ivoor, met inbegrip van snijafval

Samenvoegsels van vellen

PLA

m2

 

Tot banen samengevoegde vellen, met inbegrip van vloerkleedjes indien deze van meerdere vellen zijn vervaardigd

Poeders

POW

kg

 

Poeders

Wortels

ROO

aantal

kg

Wortels, bollen, wortelstokken, stengel- of wortelknollen

Verzaagd hout

SAW

m3

 

Hout dat gewoon in de lengterichting is verzaagd of tot profielhout is verwerkt; meestal meer dan 6 mm dik. NB: De omvang van partijen verzaagd hout van bijzondere houtsoorten die per gewicht worden verhandeld (bv. lignum vitae, Guaiacum spp.) moet in kg worden uitgedrukt

Schubben

SCA

kg

 

Schubben, bv. van schildpadden, andere reptielen, vissen, schubdieren, enz.

Zaden

SEE

kg

 

Zaden

Schelpen

SHE

aantal

kg

Ruwe of onbewerkte schelpen van weekdieren

Flanken

SID

aantal

 

Flankgedeelten van huiden (géén „Tinga frames” van krokodilachtigen — zie daarvoor onder „huiden”)

Skeletten

SKE

aantal

 

In essentie complete skeletten

Huiden

SKI

aantal

 

In essentie complete huiden, ongelooid of gelooid, met inbegrip van „Tinga frames” van krokodilachtigen

Huidstukken

SKP

aantal

 

Huidstukken, met inbegrip van snijdsels, ongelooid of gelooid

Schedels

SKU

aantal

 

Schedels

Soep

SOU

kg

l

Soep, bv. van schildpad

Wetenschappelijke specimens

SPE

kg/l/ml

 

Wetenschappelijke specimens, met inbegrip van bloed en weefsels (bv. nieren, milten, enz.) en weefselpreparaten e.d.

Stengels

STE

aantal

kg

Plantenstengels

Zwemblazen

SWI

kg

 

Hydrostatisch orgaan; met inbegrip van vislijm/steurlijm

Staarten

TAI

aantal

kg

Staarten, bv. van kaaimannen (voor het leer) of vossen (als decoratie van kledingstukken, kragen, boa’s, enz.)

Tanden

TEE

aantal

kg

Tanden, bv. van walvissen, leeuwen, nijlpaarden, krokodillen, enz.

Hout

TIM

m3

kg

Onbewerkt hout in een andere vorm dan stammen of verzaagd hout

Trofeeën

TRO

aantal

 

Trofeeën. Als één trofee gelden alle daartoe in aanmerking komende delen van één dier voor zover zij samen worden uitgevoerd: zo vormen twee hoorns, de schedel, het nekvel, het rugvel, de staart en de vier poten (samen tien specimens) één trofee. Indien evenwel de schedel en de hoorns de enige specimens van een dier zijn die worden uitgevoerd, dan worden genoemde delen als één trofee aangemerkt. In de andere gevallen wordt ieder stuk afzonderlijk geregistreerd. Een compleet opgezet lichaam wordt opgevoerd onder „BOD”. Een huid alléén wordt onder „SKI” geregistreerd.

Slag- of stoottanden

TUS

aantal

kg

In essentie complete slag- of stoottanden, al dan niet bewerkt, met inbegrip van olifant-, nijlpaard-, walrus- en narwalstoottanden maar niet van andere tanden

Fineerbladen:

geschild fineer

gesneden fineer

VEN

m3, m2

kg

Hout in dunne platen of bladen van uniforme dikte (gewoonlijk niet meer dan 6 mm), meestal verkregen door schillen (geschild fineer) of snijden (gesneden fineer), bestemd voor de fabricage van triplex/multiplex, gefineerde meubels en dozen, enz.

Was

WAX

kg

 

Was, met inbegrip van grijze amber

Complete organismen

WHO

kg

aantal

Planten of dieren in gehele staat (dood of levend)

Lijst van eenheden (het gebruik van de overeenkomstige niet-metrieke eenheden is toegestaan):

g

= gram

kg

= kilogram

l

= liter

cm3

= kubieke centimeter

ml

= milliliter

m

= meter

m2

= vierkante meter

m3

= kubieke meter

aantal

= aantal specimens


BIJLAGE VIII

Standaardnomenclatuurwerken die krachtens artikel 5, onder 4), moeten worden gevolgd bij het aangeven van de wetenschappelijke naam van de soorten op vergunningen en certificaten

a)   Mammalia

Wilson, D. E en Reeder, D. M. 1993. Mammal Species of the World: a Taxonomic and Geographic Reference. Tweede editie. Smithsonian Institution Press, Washington. [voor alle zoogdieren, met uitzondering van de erkenning van de volgende namen voor de wilde vormen van bepaalde soorten, die de voorkeur krijgen boven de naam van de gedomesticeerde vorm: Bos gaurus, Bos mutus, Bubalus arnee, Equus africanus, Equus przewalskii, Ovis orientalis ophion]

Alperin, R. 1993. Callithrix argentata (Linnaeus, 1771): taxonomic observations and description of a new subspecies. Boletim do Museu Paraense Emilio Goeldi, Serie Zoologia 9: 317-328. [voor Callithrix marcai]

Dalebout, M. L., Mead, J. G., Baker, C. S., Baker, A. N. en van Helden, A. L. 2002. A new species of beaked whale Mesoplodon perrini sp. n. (Cetacea: Ziphiidae) discovered through phylogenetic analyses of mitochondrial DNA sequences. Marine Mammal Science 18: 577-608. [voor Mesoplodon perrini]

Ferrari, S. F. en Lopes, M. A. 1992. A new species of marmoset, genus Callithrix Erxleben 1777 (Callitrichidae, Primates) from western Brazilian Amazonia. Goeldiana Zoologia 12: 1-13. [voor Callithrix nigriceps]

Flannery, T. F. en Groves, C. P. 1998. A revision of the genus Zaglossus (Monotremata, Tachyglossidae), with description of new species and subspecies. Mammalia 62: 367-396. [voor Zaglossus attenboroughi]

Groves, C. P. 2000. The genus Cheirogaleus: unrecognized biodiversity in dwarf lemurs. International Journal of Primatology 21: 943-962. [voor Cheirogaleus minusculus & Cheirogaleus ravus]

van Helden, A. L., Baker, A. N., Dalebout, M. L., Reyes, J. C., van Waerebeek, K. en Baker, C. S. 2002. Resurrection of Mesoplodon traversii (Gray, 1874), senior synonym of M. bahamondi Reyes, van Waerebeek, Cárdenas and Yáñez, 1995 (Cetacea: Ziphiidae). Marine Mammal Science 18: 609-621. [voor Mesoplodon traversii]

Honess, P. E. en Bearder, S. K. 1997. Descriptions of the dwarf galago species of Tanzania. African Primates 2: 75-79. [voor Galagoides rondoensis & Galagoides udzungwensis]

Kingdon, J. 1997. The Kingdon fieldguide to African mammals. London, Academic Press. [voor Miopithecus ogouensis]

Kobayashi, S. en Langguth, A. 1999. A new species of titi monkey, Callicebus Thomas, from north-eastern Brazil (Primates, Cebidae). Revista Brasileira de Zoologia 16: 531-551. [voor Callicebus coimbrai]

Mittermeier, R. A., Schwarz, M. en Ayres, J. M. 1992. A new species of marmoset, genus Callithrix Erxleben, 1777 (Callitrichidae, Primates) from the Rio Maues Region, State of Amazonas, central Brazilian Amazonia. Goeldiana Zoologia 14: 1-17. [voor Callithrix mauesi]

Rasoloarison, R. M., Goodman, S. M. en Ganzhorn, J. U. 2000. Taxonomic revision of mouse lemurs (Microcebus) in the western portions of Madagascar. International Journal of Primatology 21: 963-1019. [voor Microcebus berthae, Microcebus sambiranensis & Microcebus tavaratra]

Rice, D. W. 1998. Marine Mammals of the World. Systematics and distribution. Special Publication Number 4: i-ix, 1-231. The Society for Marine Mammals. [voor Balaenoptera]

Richards, G. C. en Hall, L. S. 2002. A new flying-fox of the genus Pteropus (Chiroptera: Pteropodidae) from Torres Strait, Australia. Australian Zoologist 32: 69-75. [voor Pteropus banakrisi]

van Roosmalen, M. G. M., van Roosmalen, T., Mittermeier, R. A. en Rylands, A. B. 2000. Two new species of marmoset, genus Callithrix Erxleben, 1777 (Callitrichidae, Primates), from the Tapajós/Madeira interfluvium, south Central Amazonia, Brazil. Neotropical Primates 10 (Suppl.): 2-18. [voor Callicebus bernhardi & Callicebus stephennashi]

van Roosmalen, M. G. M, van Roosmalen, T., Mittermeier, R. A. en da Fonseca, G. A. B. 1998. A new and distinctive species of marmoset (Callitrichidae, Primates) from the lower Rio Aripuana, State of Amazonas, central Brazilian Amazonia. Goeldiana Zoologia 22: 1-27. [voor Callithrix humilis]

van Roosmalen, M. G. M., van Roosmalen, T., Mittermeier, R. A. en Rylands, A. B. 2000. Two new species of marmoset, genus Callithrix Erxleben, 1777 (Callitrichidae, Primates), from the Tapajós/Madeira interfluvium, south Central Amazonia, Brazil. Neotropical Primates 8: 2-18. [voor Callithrix acariensis & Callithrix manicorensis]

Schwartz, J. H. 1996. Pseudopotto martini: a new genus and species of extant lorisiform primate. Anthropological Papers of the American Museum of Natural History 78: 1-14. [voor Pseudopotto martini]

Silva Jr, J. en Noronha, M. 1996. Discovery of a new species of marmoset in the Brazilian Amazon. Neotropical Primates 4: 58-59. [voor Callithrix saterei]

Thalmann, U. en Geissmann, T. 2000. Distributions and geographic variation in the western woolly lemur (Avahi occidentalis) with description of a new species (A. unicolor). International Journal of Primatology 21: 915-941. [voor Avahi unicolor]

Wang, J. Y., Chou, L.-S. en White, B. N. 1999. Molecular Ecology 8: 1603-1612. [voor Tursiops aduncus]

Zimmerman, E., Cepok, S., Rakotoarison, N., Zietemann, V. en Radespiel, U. 1998. Sympatric mouse lemurs in north west Madagascar: a new rufous mouse lemur species (Microcebus ravelobensis). Folia Primatologica 69: 106-114. [voor Microcebus ravelobensis]

b)   Aves

Morony, J. J., Bock, W. J. en Farrand, J., Jr. 1975. A Reference List of the Birds of the World. American Museum of Natural History. [voor de namen van de vogelordes en ‐families]

Sibley, C. G. en Monroe, B. L., Jr. 1990. Distribution and Taxonomy of Birds of the World. Yale University Press, New Haven. Sibley, C. G. en Monroe, B. L., Jr. 1993. Supplement to the Distribution and Taxonomy of Birds of the World. Yale University Press, New Haven. [voor de vogelsoorten, met uitzondering van de Psittaciformes en Trochilidae]

Collar, N. J. 1997. Family Psittacidae (Parrots). Pp. 280-477 in del Hoyo, J., Elliot, A. en Sargatal, J. eds. Handbook of the Birds of the World. Vol. 4. Sandgrouse to Cuckoos. Lynx Edicions, Barcelona. [voor Psittacidae]

Gaban-Lima, R., Raposo, M. A. en Hofling, E. 2002. Description of a new species of Pionopsitta (Aves: Psittacidae) endemic to Brazil. Auk 119: 815-819. [voor Pionopsitta aurantiocephala]

Howell, S. N. G. en Robbins, M. B. 1995. Species limits of the Least Pygmy-Owl (Glaucidium minutissimum) complex. Wilson Bulletin 107: 7-25. [voor Glaucidium parkeri]

Lafontaine, R. M. en Moulaert, N. 1998. A new species of scops owl (Otus: Aves): taxonomy and conservation status. Journal of African Zoology 112: 163-169. [voor Otus moheliensis]

Lambert, F. R. en Rasmussen, P. C. 1998. A new scops owl from Sangihe Island, Indonesia. Bulletin of the British Ornithologists' Club 204-217. [voor Otus collari]

Olsen, J., Wink, M., Sauer-Gürth, H. en Trost, S. 2002. A new Ninox owl from Sumba, Indonesia. Emu 102: 223-231. [voor Ninox sumbaensis]

Rasmussen, P. C. 1998. A new scops-owl from Great Nicobar Island. Bulletin of the British Ornithologists' Club 118: 141-153. [voor Otus alius]

Rasmussen, P. C. 1999. A new species of hawk-owl Ninox from North Sulawesi, Indonesia. Wilson Bulletin 111: 457-464. [voor Ninox ios]

Robbins, M. B. en Stiles, F. G. 1999. A new species of pygmy-owl (Strigidae: Glaucidium) from the Pacific slope of the northern Andes. Auk 116: 305-315. [voor Glaucidium nubicola]

Rowley, I. 1997. Family Cacatuidae (Cockatoos). Pp. 246-279 in del Hoyo, J., Elliot, A. en Sargatal, J. eds. Handbook of the Birds of the World. Vol. 4. Sandgrouse to Cuckoos. Lynx Edicions, Barcelona. [voor Cacatuidae = Psittacidae]

Schuchmann, K. L. 1999. Family Trochilidae (Hummingbirds). Pp. 468-680 in del Hoyo, J., Elliot, A. en Sargatal, J. eds. Handbook of the Birds of the World. Vol. 5. Barn-owls to Hummingbirds. Lynx Edicions, Barcelona. [voor Trochilidae]

da Silva, J. M. C., Coelho, G. en Gonzaga, P. 2002. Discovered on the brink of extinction: a new species of pygmy-owl (Strigidae: Glaucidium) from Atlantic forest of northeastern Brazil. Ararajuba 10 (2): 123-130 [voor Glaucidium mooreorum]

Whittaker, A. 2002. A new species of forest-falcon (Falconidae: Micrastur) from southeastern Amazonia and the Atlantic rainforests of Brazil. Wilson Bulletin 114 (4): 421-445. [voor Micrastur mintoni]

c)   Reptilia

Andreone, F., Mattioli, F., Jesu, R. en Randrianirina, J. E. 2001. Two new chameleons of the genus Calumma from north-east Madagascar, with observations on hemipenial morphology in the Calumma furcifer group (Reptilia, Squamata, Chamaeleonidae). Herpetological Journal 11: 53-68. [voor Calumma vatosoa & Calumma vencesi]

Avila Pires, T. C. S. 1995. Lizards of Brazilian Amazonia. Zool. Verh. 299: 706 pp. [voor Tupinambis]

Böhme, W. 1997. Eine neue Chamäleon art aus der Calumma gastrotaenia — Verwandtschaft Ost-Madagaskars. Herpetofauna (Weinstadt) 19 (107): 5-10. [voor Calumma glawi]

Böhme, W. 2003. Checklist of the living monitor lizards of the world (family Varanidae). Zoologische Verhandelingen (Leiden) 341: 1-43. [voor Varanidae]

Broadley, D. G. 2002. CITES Standard reference for the species of Cordylus (Cordylidae, Reptilia) prepared at the request of the CITES Nomenclature Committee. CoP12 Inf. 14. [voor Cordylus]

Cei, J. M. 1993. Reptiles del noroeste, nordeste y este de la Argentina — herpetofauna de las selvas subtropicales, puna y pampa. Monografie XIV, Museo Regionale di Scienze Naturali. [voor Tupinambis]

Colli, G. R., Péres, A. K. en da Cunha, H. J. 1998. A new species of Tupinambis (Squamata: Teiidae) from central Brazil, with an analysis of morphological and genetic variation in the genus. Herpetologica 54: 477-492. [voor Tupinambis cerradensis]

Dirksen, L. 2002. Anakondas. NTV Wissenschaft. [voor Eunectes beniensis]

Hallmann, G., Krüger, J. en Trautmann, G. 1997. Faszinierende Taggeckos — Die Gattung Phelsuma: 1-229 — Natur & Tier-Verlag. ISBN 3-931587-10-X. [voor het genus Phelsuma]

Harvey, M. B., Barker, D. B., Ammerman, L. K. en Chippindale, P. T. 2000. Systematics of pythons of the Morelia amethistina complex (Serpentes: Boidae) with the description of three new species. Herpetological Monographs 14: 139-185. [voor Morelia clastolepis, Morelia nauta & Morelia tracyae, en voor het verlenen van de rang van soort aan Morelia kinghorni]

Hedges, B. S., Estrada, A. R. en Diaz, L. M. 1999. New snake (Tropidophis) from western Cuba. Copeia 1999(2): 376-381. [voor Tropidophis celiae]

Hedges, B. S. en Garrido, O. 1999. A new snake of the genus Tropidophis (Tropidophiidae) from central Cuba. Journal of Herpetology 33: 436-441. [voor Tropidophis spiritus]

Hedges, B. S., Garrido, O. en Diaz, L. M. 2001. A new banded snake of the genus Tropidophis (Tropidophiidae) from north-central Cuba. Journal of Herpetology 35: 615-617. [voor Tropidophis morenoi]

Hedges, B. S. en Garrido, O. 2002. Journal of Herpetology 36: 157-161. [voor Tropidophis hendersoni]

Jacobs, H. J. 2003. A further new emerald tree monitor lizard of the Varanus prasinus species group from Waigeo, West Irian (Squamata: Sauria: Varanidae). Salamandra 39(2): 65-74. [voor Varanus boehmei]

Jesu, R., Mattioli, F. en Schimenti, G. 1999. On the discovery of a new large chameleon inhabiting the limestone outcrops of western Madagascar: Furcifer nicosiai sp. nov. (Reptilia, Chamaeleonidae). Doriana 7(311): 1-14. [voor Furcifer nicosiai]

Karl, H.-V. en Tichy, G. 1999. Mauritiana 17: 277-284. [voor alle schildpadden]

Keogh, J. S., Barker, D. G. en Shine, R. 2001. Heavily exploited but poorly known: systematics and biogeography of commercially harvested pythons (Python curtus group) in Southeast Asia. Biological Journal of the Linnean Society 73: 113-129. [voor Python breitensteini & Python brongersmai]

Klaver, C. J. J. en Böhme, W. 1997. Chamaeleonidae. Das Tierreich 112: 85 pp. [voor Bradypodion, Brookesia, Calumma, Chamaeleo & Furcifer — met uitzondering van de erkenning van Calumma andringitaensis, C. guillaumeti, C. hilleniusi & C. marojezensis als geldige soorten]

Manzani, P. R. en Abe, A. S. 1997. A new species of Tupinambis Daudin, 1802 (Squamata, Teiidae) from central Brazil. Boletim do Museu Nacional Nov. Ser. Zool. 382: 1-10. [voor Tupinambis quadrilineatus]

Manzani, P. R. en Abe, A. S. 2002. Arquivos do Museu Nacional, Rio de Janeiro 60(4): 295-302. [voor Tupinambis palustris]

Massary, J.-C. de en Hoogmoed, M. 2001. The valid name for Crocodilurus lacertinus auctorum (nec Daudin, 1802) (Squamata: Teiidae). Journal of Herpetology 35: 353-357. [voor Crocodilurus amazonicus]

McCord, W. P., Iverson, J. B., Spinks, P. Q. en Shaffer, H. B. 2000. A new genus of Geoemydid turtle from Asia. Hamadryad 25: 86-90. [voor Leucocephalon]

McCord, W. P. en Pritchard, P. C. H. 2002. A review of the softshell turtles of the genus Chitra, with the description of new taxa from Myanmar and Indonesia (Java). Hamadryad 27 (1): 11-56. [voor Chitra vandijki]

McDiarmid, R. W., Campbell, J. A. en Touré, T. A. 1999. Snake Species of the World. A Taxonomic and Geographic Reference. Volume 1. The Herpetologists„League, Washington, DC. [voor Loxocemidae, Pythonidae, Boidae, Bolyeriidae, Tropidophiidae & Viperidae — met uitzondering van het behoud van de genera Acrantophis, Sanzinia, Calabaria & Lichanura en de erkenning van Epicrates maurus als geldige soort]

Nussbaum, R. A., Raxworthy, C. J., Raselimanana, A. P. en Ramanamanjato, J. B. 2000. New species of day gecko, Phelsuma Gray (Reptilia: Squamata: Gekkonidae), from the Reserve Naturelle Integrale d'Andohahela, south Madagascar. Copeia 2000: 763-770. [voor Phelsuma malamakibo]

Perälä, J. 2001. A new species of Testudo (Testudines: Testudinidae) from the Middle East, with implications for conservation. Journal of Herpetology 35: 567-582. [voor Testudo werneri]

Pough, F. H., Andrews, R. M., Cadle, J. E., Crump, M. L., Savitzky, A. H. en Wells, K. D. 1998. Herpetology. [voor de afbakening van de families binnen de Sauria]

Rösler, H., Obst, F. J. en Seipp, R. 2001. Eine neue Taggecko-Art von Westmadagaskar: Phelsuma hielscheri sp. n. (Reptilia: Sauria: Gekkonidae). Zool. Abhandl. Staatl. Mus. Tierk. Dresden 51: 51-60. [voor Phelsuma hielscheri]

Slowinski, J. B. en Wüster, W. 2000. A new cobra (Elapidae: Naja) from Myanmar (Burma). Herpetologica 56: 257-270. [voor Naja mandalayensis]

Tilbury, C. 1998. Two new chameleons (Sauria: Chamaeleonidae) from isolated Afromontane forests in Sudan and Ethiopia. Bonner Zoologische Beiträge 47: 293-299. [voor Chamaeleo balebicornutus & Chamaeleo conirostratus]

Webb, R. G. 2002. Observations on the Giant Softshell Turtle, Pelochelys cantorii, with description of a new species. Hamadryad 27 (1): 99-107. [voor Pelochelys signifera]

Wermuth, H. en Mertens, R. 1996 (reprint). Schildkröte, Krokodile, Brückenechsen. Gustav Fischer Verlag, Jena. [voor Crocodylia, Testudinata & Rhynchocephalia]

Wilms, T. 2001. Dornschwanzagamen: Lebensweise, Pflege, Zucht: 1-142 — Herpeton Verlag, ISBN 3-9806214-7-2. [voor het genus Uromastyx]

Wüster, W. 1996. Taxonomic change and toxinology: systematic revisions of the Asiatic cobras Naja naja species complex. Toxicon 34: 339-406. [voor Naja atra, Naja kaouthia, Naja oxiana, Naja philippinensis, Naja sagittifera, Naja samarensis, Naja siamensis, Naja sputatrix & Naja sumatrana]

d)   Amphibia

Frost, D. R., ed. 2002. Amphibian Species of the World: a taxonomic and geographic reference. http://research.amnh.org/herpetology/amphibia/index.html vanaf 23 augustus 2002.

e)   Elasmobranchii, Actinopterygii & Sarcopterygii

Eschmeier, W. N. 1998. Catalog of Fishes. 3 vols. California Academy of Sciences. [voor alle vissen]

Horne, M. L., 2001. A new seahorse species (Syngnathidae: Hippocampus) from the Great Barrier Reef. Records of the Australian Museum 53: 243-246. [voor Hippocampus]

Kuiter, R. H., 2001. Revision of the Australian seahorses of the genus Hippocampus (Syngnathiformes: Syngnathidae) with a description of nine new species. Records of the Australian Museum 53: 293-340. [voor Hippocampus]

Kuiter, R. H., 2003. A new pygmy seahorse (Pisces: Syngnathidae: Hippocampus) from Lord Howe Island. Records of the Australian Museum 55: 113-116. [voor Hippocampus]

Lourie, S. A. en Randall, J. E. 2003. A new pygmy seahorse, Hippocampus denise (Teleostei: Syngnathidae), from the Indo-Pacific. Zoological Studies 42: 284-291. [voor Hippocampus]

Lourie, S. A., Vincent, A. C. J. en Hall, H. J. 1999. Seahorses. An identification guide to the world”s species and their conservation. Project Seahorse, ISBN 0 9534693 0 1 (Tweede editie beschikbaar op cd-rom). [voor Hippocampus]

f)   Arachnida

Lourenço, W. R. en Cloudsley-Thompson, J. C. 1996. Recognition and distribution of the scorpions of the genus Pandinus Thorell, 1876 accorded protection by the Washington Convention. Biogeographica 72(3): 133-143. [voor schorpioenen behorend tot het genus Pandinus]

Platnick, N. I. 2004 en geactualiseerde versies. The World Spider Catalog. Internet-editie: http://research.amnh.org/entomology/spiders/catalog/THERAPHOSIDAE.html. [voor spinnen behorend tot het genus Brachypelma]

g)   Insecta

Matsuka, H. 2001. Natural History of Birdwing Butterflies: 1-367. Matsuka Shuppan, Tokyo. ISBN 4-9900697-0-6. [voor vogelvleugelvlinders behorend tot de genera Ornithoptera, Trogonoptera & Troides]

FLORA

The Plant-Book, tweede editie, [D. J. Mabberley, 1997, Cambridge University Press (verbeterde herdruk 1998) [voor de geslachtsnamen van alle in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen planten, tenzij deze zijn achterhaald door standaard-checklists die door de Conferentie der Partijen zijn aangenomen].

A Dictionary of Flowering Plants and Ferns, achtste editie, (J. C. Willis, herzien door H. K. Airy Shaw, 1973, Cambridge University Press) [voor niet in The Plant-Book genoemde generieke synoniemen, tenzij deze zijn achterhaald door de hierna genoemde, door de Conferentie der Partijen aangenomen standaard-checklists].

A World List of Cycads (D. W. Stevenson, R. Osborne en K. D. Hill, 1995; In: P. Vorster (Ed.), Proceedings of the Third International Conference on Cycad Biology, pp. 55-64, Cycad Society of South Africa, Stellenbosch) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de Cycadaceae, Stangeriaceae en Zamiaceae.

CITES Bulb Checklist (A. P. Davis et al., 1999, samengesteld door de Royal Botanic Gardens, Kew, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Cyclamen (Primulaceae) en Galanthus en Sternbergia (Liliaceae).

CITES Cactaceae Checklist, tweede editie, (1999, samengesteld door D. Hunt, Royal Botanic Gardens, Kew, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de Cactaceae.

CITES Carnivorous Plant Checklist, tweede editie, (B. von Arx et al., 2001, Royal Botanic Gardens, Kew, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Dionaea, Nepenthes & Sarracenia.

CITES Aloe and Pachypodium Checklist (U. Eggli et al., 2001, samengesteld door de Städtische Sukkulenten-Sammlung, Zurich, Zwitserland, in samenwerking met de Royal Botanic Gardens, Kew, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Aloe & Pachypodium.

World Checklist and Bibliography of Conifers (A. Farjon, 2001) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot het geslacht Taxus.

CITES Orchid Checklist, (samengesteld door de Royal Botanic Gardens, Kew, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de geslachten Cattleya, Cypripedium, Laelia, Paphiopedilum, Phalaenopsis, Phragmipedium, Pleione & Sophronitis (Volume 1, 1995); Cymbidium, Dendrobium, Disa, Dracula & Encyclia (Volume 2, 1997); en Aerangis, Angraecum, Ascocentrum, Bletilla, Brassavola, Calanthe, Catasetum, Miltonia, Miltonioides & Miltoniopsis, Renanthera, Renantherella, Rhynchostylis, Rossioglossum, Vanda & Vandopsis (Volume 3, 2001).

The CITES Checklist of Succulent Euphorbia Taxa (Euphorbiaceae), tweede editie (S. Carter en U. Eggli, 2003, uitgegeven door het Bundesamt für Naturschutz, Bonn, Duitsland), nadat kennis is gegeven van de publicatie daarvan en nadat de Partijen hun commentaar kenbaar hebben gemaakt, alsook de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot de succulente Euphorbia-soorten.

Dicksonia species of the Americas (2003, samengesteld door de Botanische Tuin van Bonn en het Bundesamt für Naturschutz, Bonn, Duitsland), nadat kennis is gegeven van de publicatie daarvan en nadat de Partijen hun commentaar kenbaar hebben gemaakt, alsook de door het nomenclatuurcomité aanvaarde aanvullingen/aanpassingen daarvan, als richtsnoer bij de naamgeving van soorten behorend tot het geslacht Dicksonia.

De door UNEP-WCMC gepubliceerde Checklist of CITES Species (2005 en geactualiseerde edities) kan worden gebruikt als inofficieel overzicht van de door de Conferentie der Partijen aanvaarde wetenschappelijke namen voor de in de bijlagen bij de Overeenkomst opgenomen diersoorten, alsmede als een inofficiële samenvatting van de informatie in de ten behoeve van de CITES-nomenclatuur aangenomen standaardreferentiewerken.


BIJLAGE IX

1.

In artikel 5, punt 5, bedoelde codes voor het aangeven van het doel van de transactie in vergunningen en certificaten

B

Fok in gevangenschap of kunstmatige kweek

E

Educatieve doeleinden

G

Botanische tuinen

H

Jachttrofeeën

L

Rechtshandhaving/gerechtelijke en forensische doeleinden

M

Medische doeleinden (m.i.v. biomedisch onderzoek)

N

Introductie of reïntroductie in het wild

P

Persoonlijke bezittingen

Q

Circussen en reizende tentoonstellingen

S

Wetenschappelijke doeleinden

T

Commerciële doeleinden

Z

Dierentuinen

2.

In artikel 5, punt 6, bedoelde codes voor het aangeven van de oorsprong van de specimens in vergunningen en certificaten

W

Aan de natuur onttrokken specimens

R

Door ranching verkregen specimens

D

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en voor commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A alsmede delen en afgeleide producten daarvan

A

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden kunstmatig gekweekte planten van bijlage A en kunstmatig gekweekte planten van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

C

Overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 voor niet-commerciële doeleinden in gevangenschap gefokte dieren van bijlage A en in gevangenschap gefokte dieren van de bijlagen B en C alsmede delen en afgeleide producten daarvan

F

In gevangenschap geboren dieren met betrekking waartoe niet aan de criteria van hoofdstuk XIII van Verordening (EG) nr. 865/2006 is voldaan, alsmede delen en afgeleide producten daarvan

I

In beslag genomen of verbeurdverklaarde specimens (1)

O

Van vóór de Overeenkomst daterende specimens (1)

U

Oorsprong onbekend (nader te motiveren)


(1)  Alleen gebruiken in combinatie met een andere oorsprongscode.


BIJLAGE X

IN ARTIKEL 62, PUNT 1, BEDOELDE DIERSOORTEN

Aves

ANSERIFORMES

Anatidae

Anas laysanensis

Anas querquedula

Aythya nyroca

Branta ruficollis

Branta sandvicensis

Oxyura leucocephala

GALLIFORMES

Phasianidae

Catreus wallichi

Colinus virginianus ridgwayi

Crossoptilon crossoptilon

Crossoptilon mantchuricum

Lophophurus impejanus

Lophura edwardsi

Lophura swinhoii

Polyplectron emphanum

Syrmaticus ellioti

Syrmaticus humiae

Syrmaticus mikado

COLUMBIFORMES

Columbidae

Columba livia

PSITTACIFORMES

Psittacidae

Cyanoramphus novaezelandiae

Psephotus dissimilis

PASSERIFORMES

Fringillidae

Carduelis cucullata


BIJLAGE XI

In Artikel 18 bedoelde typen biologische monsters en het gebruik waarvoor zij bestemd zijn

Type monster

Typische grootte monster

Toepassing

bloed, vloeibaar

druppels of 5 ml volledig bloed in een buisje met antistollingsmiddel; kan binnen 36 uur bederven

hematologie en biochemische standaardtesten voor de diagnose van ziekten; taxonomisch onderzoek; biomedisch onderzoek

bloed, droog (uitstrijkjes)

een druppel bloed, uitgesmeerd op een objectglas, meestal chemisch gefixeerd

bloedceltellingen en screening voor ziekteverwekkers/parasieten

bloed, gecoaguleerd (serum)

5 ml bloed in een buisje, met of zonder het stolsel

serologie en aantonen van antilichamen als bewijs van ziekte; biomedisch onderzoek

weefsels, gefixeerd

stukjes weefsel van 5 mm3 in een fixeervloeistof

histologie en elektronenmicroscopie voor het opsporen van ziekteverschijnselen; taxonomisch onderzoek; biomedisch onderzoek

weefsels, vers (met uitzondering van eieren, sperma en embryo’s)

stukjes weefsel van 5 mm3, soms ingevroren

microbiologie en toxicologie: opsporen van organismen en giffen; taxonomisch onderzoek; biomedisch onderzoek

afstrijkjes

minuscule stukjes weefsel op een wattenprop in een buisje

kweken van bacteriën, schimmels, enz., voor de diagnose van ziekten

haar, huid, veren, schubben

kleine, soms minuscule stukjes opperhuid in een buisje (tot een volume van 10 ml) met of zonder fixeervloeistof

genetische en forensische testen, opsporing van parasieten en ziekteverwekkers en andere testen

cellijnen en weefselculturen

geen restricties qua monstergrootte

cellijnen zijn kunstmatig in stand gehouden, nieuwe of permanente celculturen die op grote schaal worden toegepast in testen bij de productie van vaccins of andere geneesmiddelen en voor taxonomisch onderzoek (bv. chromosoomonderzoek en DNA-extractie)

DNA

kleine hoeveelheden bloed (tot 5 ml), haar, veerfollikels, spier- en orgaanweefsel (bv. lever, hart, enz.), gezuiverd DNA, enz.

geslachtsbepaling; identificatie/determinatie, forensisch onderzoek; taxonomisch onderzoek; biomedisch onderzoek

secreties (speeksel, gif, melk)

1–5 ml in flesjes

fylogenetisch onderzoek, productie van antigif, biomedisch onderzoek


BIJLAGE XII

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1808/2001

Deze verordening

Artikel 1, onder a) en b)

Artikel 1, punten 1 en 2

Artikel 1, onder c)

Artikel 1, onder d) tot en met f)

Artikel 1, punten 3, 4 en 5

Artikel 1, punten 6, 7 en 8

Artikel 2, leden 1 en 2

Artikel 2, leden 1 en 2

Artikel 2, leden 3 en 4

Artikel 2, leden 3 en 4

Artikel 2, leden 5 en 6

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 4, leden 1 en 2

Artikel 4, lid 3, onder a) en b)

Artikel 5, eerste alinea, punten 1 en 2

Artikel 5, eerste alinea, punt 3

Artikel 4, lid 3, onder c) tot en met e)

Artikel 5, eerste alinea, punten 4, 5 en 6

Artikel 4, lid 4

Artikel 6

Artikel 4, lid 5

Artikel 7

Artikel 5

Artikel 8

Artikel 6

Artikel 9

Artikel 7, lid 1

Artikel 10

Artikel 7, lid 2

Artikel 11

Artikel 7, leden 3 en 4

Artikel 12

Artikel 8, lid 1

Artikel 13

Artikel 8, lid 2

Artikel 14

Artikel 8, lid 3

Artikel 15, leden 1 en 2

Artikel 8, lid 4

Artikel 15, leden 3 en 4

Artikel 8, lid 5

Artikel 16

Artikel 8, leden 6 en 7

Artikel 17

Artikelen 18 en 19

Artikel 9

Artikel 20

Artikel 10

Artikel 21

Artikel 11

Artikel 22

Artikel 12

Artikel 23

Artikel 13

Artikel 24

Artikel 14

Artikel 25

Artikel 15

Artikel 26

Artikel 16

Artikel 27

Artikel 17

Artikel 28

Artikel 18

Artikel 29

Artikelen 30 tot en met 44

Artikel 19

Artikel 45

Artikel 20, lid 1

Artikel 46

Artikel 20, lid 2

Artikel 47

Artikel 20, lid 3, onder a) en b)

Artikel 48, lid 1, onder a) en b)

Artikel 20, lid 3, onder c)

Artikel 20, lid 3, onder d) en e)

Artikel 48, lid 1, onder c) en d)

Artikel 20, lid 4

Artikel 49

Artikel 20, leden 5 en 6

Artikel 50, leden 1 en 2

Artikel 21

Artikel 51

Artikel 22

Artikel 52

Artikel 23

Artikel 53

Artikel 24

Artikel 54

Artikel 25

Artikel 55

Artikel 26

Artikel 56

Artikel 27, lid 1, eerste en tweede streepje en de daaropvolgende tekst

Artikel 57, lid 1, onder a), b) en c)

Artikel 27, leden 2, 3 en 4

Artikel 57, leden 2, 3 en 4

Artikel 27, lid 5, onder a) en b)

Artikel 57, lid 5, onder a) en b)

Artikel 57, lid 5, onder c) en d)

Artikel 28, lid 1, eerste en tweede streepje

Artikel 58, lid 1, onder a) en b)

Artikel 28, leden 2 en 3

Artikel 58, leden 2 en 3

Artikel 28, lid 4, onder a) en b)

Artikel 58, lid 4

Artikel 29

Artikel 59

Artikel 30

Artikel 60

Artikel 31

Artikel 61

Artikel 32

Artikel 62

Artikel 33

Artikel 63

Artikel 34, lid 1

Artikel 34, lid 2, onder a) tot en met f)

Artikel 64, lid 1, onder a) tot en met f)

Artikel 34, lid 2, onder g) en h)

Artikel 64, lid 2

Artikel 35, leden 1 en 2

Artikel 65, leden 1 en 2

Artikel 35, lid 3, onder a) en b)

Artikel 65, lid 3

Artikel 65, lid 4

Artikel 36, lid 1

Artikel 66, leden 1, 2 en 3

Artikel 36, lid 2

Artikel 66, lid 4

Artikel 36, leden 3 en 4

Artikel 66, leden 5 en 6

Artikel 66, lid 7

Artikel 36, lid 5

Artikel 66, lid 8

Artikel 37

Artikel 67

Artikel 38

Artikel 68

Artikel 39

Artikel 69

Artikel 40

Artikel 70

Artikel 41

Artikel 71

Artikel 42

Artikel 74

Artikel 43

Artikel 72

Artikel 44

Artikel 73

Artikel 45

Artikel 75

Bijlage I

Bijlage I

Bijlage II

Bijlage II

Bijlage III

Bijlage IV

Bijlage III

Bijlage V

Bijlage IV

Bijlage VI

Bijlage V

Bijlage VII

Bijlage VI

Bijlage VIII

Bijlage VII

Bijlage IX

Bijlage VIII

Bijlage X

Bijlage XI

Bijlage XII


Top