EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32002L0057

Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

OJ L 193, 20.7.2002, p. 74–97 (ES, DA, DE, EL, EN, FR, IT, NL, PT, FI, SV)
Special edition in Czech: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Estonian: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Latvian: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Lithuanian: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Hungarian Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Maltese: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Polish: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Slovak: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Slovene: Chapter 03 Volume 036 P. 354 - 377
Special edition in Bulgarian: Chapter 03 Volume 043 P. 213 - 236
Special edition in Romanian: Chapter 03 Volume 043 P. 213 - 236
Special edition in Croatian: Chapter 03 Volume 058 P. 67 - 90

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 16/02/2020

?: http://data.europa.eu/eli/dir/2002/57/oj

32002L0057

Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

Publicatieblad Nr. L 193 van 20/07/2002 blz. 0074 - 0097


Richtlijn 2002/57/EG van de Raad

van 13 juni 2002

betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met name op artikel 37,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement(1),

Na raadpleging van het Economisch en Sociaal Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

(1) Richtlijn 69/208/EEG van de Raad van 30 juni 1969 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen(2) is herhaaldelijk en ingrijpend gewijzigd(3). Codificatie van genoemde richtlijn is nodig om een duidelijk en rationeel geordende tekst te verkrijgen.

(2) De voortbrenging van oliehoudende planten en vezelgewassen neemt een belangrijke plaats in de landbouw van de Gemeenschap in.

(3) De bevredigende resultaten van de teelt van oliehoudende planten en vezelgewassen hangen grotendeels van het gebruik van geschikt zaad af.

(4) De productiviteit van de teelt van oliehoudende planten en vezelgewassen in de Gemeenschap zal stijgen, indien de lidstaten uniforme en zo streng mogelijke regels toepassen bij de keuze van de tot de handel toegelaten rassen. Derhalve is bij Richtlijn 2002/53/EG van de Raad(4) een gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen vastgesteld.

(5) Er dient voor de Gemeenschap een eenvormige keuringsregeling te worden opgesteld die berust op de ervaringen opgedaan bij het toepassen van de regelingen van de lidstaten en van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling. In het kader van de consolidatie van de interne markt dient de communautaire regeling van toepassing te zijn op de productie met het oog op het in de handel brengen en op het in de handel brengen in de Gemeenschap, met uitsluiting van de mogelijkheid voor de lidstaten om hiervan eenzijdig af te wijken, mogelijkheid waardoor het vrije verkeer van zaaizaad en pootgoed in de Gemeenschap zou kunnen worden verhinderd.

(6) Zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen mag in het algemeen slechts in de handel kunnen worden gebracht, indien het volgens de keuringsregeling officieel is onderzocht en goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad of, voor bepaalde soorten, officieel is onderzocht en toegelaten als handelszaad. De keuze van de technische termen "basiszaad" en "gecertificeerd zaad" berust op een reeds bestaande internationale terminologie. Onder bepaalde voorwaarden moeten kwekerszaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan en niet-bewerkt zaad in de handel kunnen worden gebracht.

(7) De communautaire bepalingen dienen niet van toepassing te zijn op zaad waarvan is aangetoond dat het bestemd is voor uitvoer naar derde landen.

(8) Teneinde naast de genetische waarde de uitwendige hoedanigheden van zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen in de Gemeenschap te verbeteren, moeten bepaalde voorwaarden worden gesteld ten aanzien van de mechanische zuiverheid en de kiemkracht.

(9) Ter vastlegging van de identiteit van het zaad moeten communautaire bepalingen worden vastgesteld betreffende de verpakking, de bemonstering, de sluiting en de aanduiding. De etiketten moeten hiertoe de voor de uitoefening van het officiële toezicht alsmede voor de voorlichting van de gebruiker noodzakelijke gegevens vermelden en moeten, wat het goedgekeurde zaad van de verschillende categorieën betreft, het communautaire karakter van de goedkeuring tot uitdrukking brengen.

(10) Er dienen regels te worden vastgesteld die betrekking hebben op het in de handel brengen van chemisch behandeld zaad en van voor biologische teelt geschikt zaad, alsmede regels voor de instandhouding van plantaardige genetische bronnen, met het oog op de instandhouding, door gebruik in situ, van rassen die met genetische erosie worden bedreigd.

(11) Afwijkingen moeten onder bepaalde voorwaarden worden toegestaan, zonder aan het bepaalde in artikel 14 van het Verdrag afbreuk te doen. De lidstaten die van die afwijkingen gebruikmaken, moeten elkaar voor de controle wederzijdse administratieve bijstand verlenen.

(12) De lidstaten moeten passende controlemaatregelen vaststellen teneinde te waarborgen dat bij het in de handel brengen is voldaan aan de voorwaarden betreffende de kwaliteit van het zaad en aan de bepalingen betreffende de waarborging van de identiteit.

(13) Zaad dat aan deze voorwaarden voldoet mag, onverminderd de toepassing van artikel 30 van het Verdrag, slechts worden onderworpen aan de beperkingen ten aanzien van het in de handel brengen die in de communautaire bepalingen zijn opgenomen.

(14) Het is noodzakelijk om onder bepaalde voorwaarden zaad goed te keuren dat in een ander land is vermeerderd, uitgaande van in een lidstaat goedgekeurd basiszaad zoals het in die lidstaat vermeerderde zaad.

(15) Er dient te worden bepaald dat zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat in derde landen is geoogst, in de Gemeenschap slechts in de handel mag worden gebracht, indien het dezelfde waarborgen biedt als in de Gemeenschap officieel goedgekeurd of officieel als handelszaad toegelaten zaad dat beantwoordt aan de communautaire bepalingen.

(16) Voor perioden waarin de voorziening met gecertificeerd zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen van verschillende categorieën of met handelszaad op moeilijkheden stuit, dient tijdelijk zaad te worden toegelaten waaraan minder strenge eisen zijn gesteld, zowel als zaad van rassen die noch in de gemeenschappelijke rassenlijst noch in een nationale rassenlijst voorkomen.

(17) Het verdient aanbeveling, teneinde de technische methoden voor de keuring in de lidstaten te harmoniseren en over mogelijkheden te beschikken voor een vergelijking tussen het in de Gemeenschap goedgekeurde zaad en het uit derde landen afkomstige zaad, in de lidstaten communautaire vergelijkingsproeven vast te leggen voor een jaarlijkse nacontrole van het goedgekeurde zaad van verschillende categorieën.

(18) Het is gewenst dat tijdelijke experimenten kunnen worden opgezet om betere alternatieven voor sommige bepalingen van de onderhavige richtlijn te vinden.

(19) Indien in een lidstaat bepaalde zaadsoorten normaal niet worden vermeerderd en verhandeld, dient te worden voorzien in de mogelijkheid, deze lidstaat van de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn op de betrokken soorten vrij te stellen.

(20) De voor uitvoering van deze richtlijn vereiste maatregelen worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden(5).

(21) Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen van de lidstaten wat de omzettingstermijnen van de in bijlage VI, deel B, genoemde richtlijnen betreft,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Deze richtlijn heeft betrekking op de productie met het oog op het in de handel brengen en het in de handel brengen binnen de Gemeenschap van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat voor landbouwproductie, met uitzondering van sierdoeleinden, bestemd is.

Deze richtlijn geldt niet voor zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen waarvan is aangetoond dat het bestemd is voor uitvoer naar derde landen.

Artikel 2

1. In de zin van deze richtlijn wordt verstaan onder

a) In de handel brengen: de verkoop, het bezit met het oog op de verkoop, het aanbieden voor verkoop en iedere beschikbaarstelling, levering of overdracht van zaaizaad aan derden met het oog op commercieel gebruik, tegen of zonder vergoeding.

Onder "in de handel brengen" wordt niet verstaan de handel in zaaizaad die niet is gericht op commercieel gebruik van het ras, zoals de volgende handelingen:

- beschikbaarstellen van zaaizaad van officiële onderzoeks- en controle-instanties;

- levering van zaaizaad aan verleners van diensten voor verwerking of verpakking, voorzover de verlener van diensten geen rechten op het geleverde zaaizaad verwerft.

Onder "in de handel brengen" wordt niet verstaan het leveren van zaaizaad onder bepaalde voorwaarden aan verleners van diensten voor de productie van bepaalde landbouwgrondstoffen voor industriële doeleinden, of voor vermeerdering van zaaizaad voor dat doel, voorzover de dienstverlener geen rechten op het geleverde zaaizaad of op de opbrengst van de oogst verwerft. De leverancier van het zaaizaad verstrekt de certificeringsdienst een afschrift van de betrokken delen van het contract met de dienstverlener, en daarin wordt vermeld aan welke normen en voorwaarden het verstrekte zaaizaad op dat moment voldoet.

De voorwaarden voor de uitvoering van deze bepaling worden volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

b) Oliehoudende planten en vezelgewassen: planten van de volgende geslachten en soorten:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

c) Basiszaad (andere rassen dan zonnebloemhybriden): zaad

i) dat is voortgebracht onder de verantwoordelijkheid van de kweker volgens de regels voor de stelselmatige instandhouding met betrekking tot het ras;

ii) dat bestemd is voor de voortbrenging van zaad, hetzij van de categorie gecertificeerd zaad, hetzij van de categorieën gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering of gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering, dan wel in voorkomend geval, gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering;

iii) dat, behoudens het bepaalde in artikel 5, voldoet aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en

iv) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld.

d) Basiszaad (zonnebloemhybriden): 1. Basiszaad van ingeteelde stammen: zaad

i) dat, behoudens het bepaalde in artikel 5, voldoet aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en

ii) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld.

2. Basiszaad van enkele hybriden: zaad

i) dat bestemd is voor de voortbrenging van drieweg-hybriden of dubbele hybriden,

ii) dat, behoudens het bepaalde in artikel 5, voldoet aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en

iii) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld.

e) Gecertificeerd zaad (raapzaad, sareptamosterd, koolzaad, bruine mosterd, tweehuizige hennep, saffloer, karwij, zonnebloem, blauwmaanzaad, gele mosterd): zaad

i) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet;

ii) dat bestemd is voor het telen van oliehoudende planten en vezelgewassen met andere doeleinden dan de voortbrenging van zaaizaad;

iii) dat, behoudens het bepaalde in artikel 5, onder b), voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden en

iv) - waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of

- waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoet.

f) Gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering (aardnoten, eenhuizige hennep, vezelvlas, oliehoudend vlas, soja, katoen): zaad

i) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet;

ii) dat bestemd is voor de voortbrenging van zaad van de categorie gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering dan wel, in voorkomend geval, van de categorie gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering, of voor het telen van oliehoudende planten en vezelgewassen met andere doeleinden dan de voortbrenging van zaaizaad;

iii) dat voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden en

iv) - waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of

- waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoet.

g) Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering (aardnoten, vezelvlas, oliehoudend vlas, soja, katoen): zaad

i) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad, van gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet;

ii) dat bestemd is voor het telen van oliehoudende planten en vezelgewassen met andere doeleinden dan de voortbrenging van zaaizaad dan wel, in voorkomend geval, voor het telen van de categorie gecertificeerd zaad van de derde vermeerdering:

iii) dat voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden en

iv) - waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of

- waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoet.

h) Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering (eenhuizige hennep): zaad

i) dat rechtstreeks afkomstig is van gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering en dat inzonderheid met het oog op de voortbrenging van gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering is verkregen en officieel is gecontroleerd;

ii) dat bestemd is voor het telen van hennep die in de bloeitijd moet worden geoogst;

iii) dat voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden en

iv) - waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of

- waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is geleken dat het aan de in bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoet.

i) Gecertificeerd zaad van de tweede vermeerdering (eenhuizige hennep): zaad

i) dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad, van gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering of, op verzoek van de kweker, van zaad van een aan het basiszaad voorafgaande generatie dat kan voldoen aan de in de bijlagen I en II voor basiszaad opgesomde voorwaarden en waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het hieraan voldoet;

ii) dat bestemd is voor het telen van oliehoudende planten en vezelgewassen met andere doeleinden dan de voortbrenging van zaaizaad;

iii) dat voldoet aan de in de bijlagen I en II voor gecertificeerd zaad opgesomde voorwaarden en

iv) - waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat het aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, of

- waarvan bij een officieel onderzoek of bij een onderzoek onder officieel toezicht is gebleken dat het aan de in bijlage I vastgestelde voorwaarden voldoet.

j) Handelszaad: zaad

i) dat soortecht is;

ii) dat, behoudens het bepaalde in artikel 5, onder b), voldoet aan de in bijlage II voor handelszaad opgesomde voorwaarden en

iii) waarvan bij een officieel onderzoek is gebleken dat bovenbedoelde voorwaarden zijn vervuld.

k) Officiële maatregelen: maatregelen die genomen zijn

i) door de autoriteiten van een staat, of

ii) onder verantwoordelijkheid van een staat, door publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen, of

iii) voor hulpwerkzaamheden, eveneens onder toezicht van een staat, door beëdigde natuurlijke personen,

mits de onder ii) en iii) genoemde personen geen bijzonder voordeel ontlenen aan het resultaat van deze maatregelen.

2. Wijzigingen in de in lid 1, onder b), bedoelde soortenlijst worden volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

3. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan worden gespecificeerd en bepaald welke typen rassen, met inbegrip van de kruisingspartners, in aanmerking komen voor goedkeuring volgens het bepaalde in deze richtlijn.

4. De lidstaten mogen:

a) voor zaad van vlas verscheidene generaties in de categorie basiszaad opnemen en deze categorie naar generatie onderverdelen;

b) bepalen dat voor Brassica napus het officiële onderzoek teneinde vast te stellen of aan de in bijlage II, deel I, punt 4, genoemde voorwaarden is voldaan, niet bij alle partijen wordt verricht, behoudens indien eraan wordt getwijfeld dat aan deze voorwaarde is voldaan.

5. Het in lid 1, onder e), iv), tweede streepje, lid 1, onder f), iv), tweede streepje, lid 1, onder g), iv), tweede streepje, lid 1, onder h), iv), tweede streepje, en lid 1, onder i), iv), tweede streepje, bedoelde onderzoek onder officieel toezicht moet aan de volgende eisen voldoen:

a) de keurmeesters:

i) moeten over de nodige technische vakbekwaamheid beschikken;

ii) mogen geen persoonlijk voordeel halen uit de door hen uitgevoerde keuringen;

iii) moeten officieel zijn erkend door de voor certificering bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat, waarbij deze erkenning ofwel de beëdiging van de keurmeesters moet omvatten dan wel een door de keurmeesters ondertekende verklaring dat zij zich ertoe verbinden de regels inzake officiële onderzoeken in acht te nemen;

iv) moeten de keuringen onder officieel toezicht uitvoeren overeenkomstig de regels die voor officiële keuringen gelden;

b) het te keuren zaadgewas moet worden geproduceerd uit zaad waarop een officiële nacontrole is uitgevoerd waarvan de resultaten bevredigend waren;

c) een gedeelte van het zaad wordt door officiële keurmeesters gecontroleerd. Voor zelfbestuivende gewassen is dat gedeelte 10 % en voor kruisbestuivende gewassen 20 %; voor rassen waarvoor de lidstaten bepalen dat officiële laboratoriumtests moeten worden uitgevoerd om via morfologische, fysiologische of, in voorkomend geval, biochemische identificatie de rasechtheid en zuiverheid van het zaad na te gaan, gelden controlepercentages van respectievelijk 5 % en 15 %;

d) een gedeelte van de monsters van het van de zaadgewassen geoogste zaad wordt gebruikt voor officiële nacontrole en, zo nodig, voor officiële laboratoriumtests om de rasechtheid en -zuiverheid van het zaad te controleren.

De lidstaten stellen de straffen vast voor overtredingen van de in de eerste alinea neergelegde regels inzake onderzoeken onder officieel toezicht. Deze straffen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Een straf kan intrekking inhouden van de in de eerste alinea, onder a), punt iii), bedoelde erkenning van de officieel erkende keurmeesters die schuldig worden bevonden aan bewust of door nalatigheid overtreden van de regels betreffende de officiële onderzoeken. Bij dergelijke overtredingen wordt de certificering van het betrokken onderzochte zaad nietig verklaard, tenzij kan worden aangetoond dat dat zaad nog steeds aan alle eisen terzake voldoet.

6. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kunnen nadere regels worden vastgesteld voor de onderzoeken onder officieel toezicht.

Zolang geen nadere regels zijn vastgesteld, gelden de in artikel 2 van Beschikking 89/450/EEG van de Commissie(6) vastgestelde voorwaarden.

Artikel 3

1. De lidstaten schrijven voor dat zaad van:

Brassica napus L. (partim)

Brassica rapa L. var. silvestris (Lam.) Briggs

Cannabis sativa L.

Carthamus tinctorius L.

Carum carvi L.

Gossypium spp.

Helianthus annuus L.

Linum usitatissimum L. (partim) - Vezelvlas

slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als basiszaad of gecertificeerd zaad.

2. De lidstaten schrijven voor dat zaad van andere soorten oliehoudende planten en vezelgewassen dan die welke worden opgesomd in lid 1, slechts in de handel mag worden gebracht, indien het hetzij officieel als basiszaad of gecertificeerd zaad goedgekeurd zaad, hetzij handelszaad betreft.

3. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan worden voorgeschreven dat zaad van andere soorten oliehoudende planten en vezelgewassen dan die welke worden opgesomd in lid 1, met ingang van bepaalde data slechts in de handel mag worden gebracht, indien het officieel is goedgekeurd als basiszaad of als gecertificeerd zaad.

4. De lidstaten dragen er zorg voor dat het officiële zaadonderzoek plaatsvindt volgens de gebruikelijke internationale methoden, voorzover die methoden bestaan.

Artikel 4

In afwijking van het bepaalde in artikel 3, leden 1 en 2, schrijven de lidstaten voor dat

- kwekerszaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan en

- niet-bewerkt zaad dat in de handel wordt gebracht met het oog op bewerking, voorzover de identiteit van dit zaad wordt gewaarborgd,

in de handel mogen worden gebracht.

Artikel 5

De lidstaten mogen, in afwijking van artikel 3, machtiging verlenen tot:

a) officiële goedkeuring en het in de handel brengen van basiszaad dat niet voldoet aan de in bijlage II opgesomde voorwaarden met betrekking tot de kiemkracht; daartoe worden alle dienstige maatregelen getroffen, opdat de leverancier een bepaalde kiemkracht waarborgt die hij bij het in de handel brengen vermeldt op een speciaal etiket met zijn naam en adres en het nummer van de partij;

b) officiële goedkeuring of toelating en het in de handel brengen tot en met de eerste commerciële afnemer, in het belang van een snelle voorziening van zaad, van basiszaad, gecertificeerd zaad van alle soorten, of handelszaad, waarbij het officiële onderzoek in verband met de in bijlage II opgesomde voorwaarden met betrekking tot de kiemkracht nog niet voltooid is. De goedkeuring of toelating geschiedt uitsluitend indien een verslag van de voorlopige analyse van het zaad wordt overgelegd en indien de naam en het adres van de eerste afnemer worden vermeld; alle dienstige maatregelen worden getroffen, opdat de leverancier de kiemkracht waarborgt die is vastgesteld bij de voorlopige analyse; de aanduiding van deze kiemkracht moet bij het in de handel brengen voorkomen op een speciaal etiket met de naam en het adres van de leverancier en het nummer van de partij.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op zaad dat wordt ingevoegd uit derde landen, behoudens in de gevallen bedoeld in artikel 18 betreffende de vermeerdering buiten de Gemeenschap.

De lidstaten die gebruikmaken van de onder a) of b) bedoelde afwijking verlenen elkaar voor de controle administratieve bijstand.

Artikel 6

1. In afwijking van het bepaalde in artikel 3, leden 1 en 2, kunnen de lidstaten aan op hun grondgebied gevestigde producenten toestemming verlenen om

a) kleine hoeveelheden zaad voor wetenschappelijke of kweekdoeleinden in de handel te brengen;

b) passende hoeveelheden zaad voor andere onderzoeks- of beproevingsdoeleinden in de handel te brengen, voorzover het gaat om zaad van een ras waarvoor in de betrokken lidstaat een aanvraag tot opneming op de rassenlijst is ingediend.

In het geval van genetisch gemodificeerd materiaal mag daarvoor alleen toestemming worden verleend als alle passende maatregelen zijn genomen ter voorkoming van negatieve effecten voor de volksgezondheid en het milieu. Voor de milieurisicobeoordeling die in dit verband uitgevoerd moet worden, is artikel 7, lid 4, van Richtlijn 2002/53/EG van overeenkomstige toepassing.

2. De doeleinden waarvoor de in lid 1, onder b), bedoelde toestemming mag worden verleend, de voorschriften voor de etikettering van de verpakking alsmede de hoeveelheden waarvoor en de voorwaarden waaronder de lidstaten deze toestemming mogen verlenen, worden volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

3. Toestemmingen die vóór 14 december 1998 door de lidstaten aan op hun grondgebied gevestigde producenten voor de in lid 1 genoemde doeleinden zijn verleend, blijven in afwachting van de vaststelling van de in lid 2 bedoelde bepalingen van kracht. Daarna moeten al deze toestemmingen voldoen aan de overeenkomstig lid 2 vastgestelde bepalingen.

Artikel 7

De lidstaten mogen voor hun eigen productie, wat de in de bijlagen I en II opgesomde voorwaarden betreft, aanvullende voorwaarden of strengere voorwaarden stellen voor de goedkeuring alsmede voor het onderzoek van handelszaad.

Artikel 8

De lidstaten schrijven voor dat de eventueel vereiste beschrijving van de genealogische bestanddelen op verzoek van de kweker geheim wordt gehouden.

Artikel 9

1. De lidstaten schrijven voor dat bij de uitoefening van de controle der rassen, bij het onderzoek van het zaad met het oog op de goedkeuring en bij het onderzoek van het handelszaad, de bemonstering officieel geschiedt volgens geschikte methoden.

2. Bij het onderzoek van het zaad voor de goedkeuring en bij het onderzoek van het handelszaad geschiedt de bemonstering uit homogene partijen; het maximumgewicht van een partij en het minimumgewicht van een monster worden in bijlage III vermeld.

Artikel 10

1. De lidstaten schrijven voor dat basiszaad, gecertificeerd zaad van alle soorten en handelszaad slechts in de handel mogen worden gebracht in voldoende homogene partijen en in een gesloten verpakking, die overeenkomstig de artikelen 11 en 12 is voorzien van een sluitingssysteem en een aanduiding.

2. De lidstaten mogen afwijkingen van lid 1 vaststellen voor het in de handel brengen van kleine hoeveelheden ten behoeve van de laatste gebruiker wat verpakking, sluitingssysteem en aanduiding betreft.

Artikel 11

1. De lidstaten schrijven voor dat verpakkingen van basiszaad, gecertificeerd zaad van alle soorten en handelszaad officieel of onder officieel toezicht zodanig worden gesloten dat zij niet kunnen worden geopend zonder dat het sluitingssysteem wordt beschadigd of het in artikel 12, lid 1, bedoelde officiële etiket of de verpakking sporen van manipulatie vertoont.

Voor een goede sluiting moet ten minste het officiële etiket in het sluitingssysteem worden verwerkt ofwel moet op de sluiting een officieel zegel worden aangebracht.

De in de tweede alinea bedoelde maatregelen zijn niet beslist noodzakelijk voor een sluitingssysteem dat niet opnieuw kan worden gebruikt.

Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan worden vastgesteld of een bepaald sluitingssysteem aan de bepalingen van dit lid voldoet.

2. Een, eventueel herhaalde, nieuwe sluiting mag slechts officieel of onder officieel toezicht geschieden. In dat geval wordt op het in artikel 12, lid 1, voorgeschreven etiket ook melding gemaakt van de laatste nieuwe sluiting, van de datum daarvan en van de dienst die haar heeft verricht.

3. Voor op hun eigen grondgebied gesloten kleine verpakkingen kunnen de lidstaten voorzien in afwijkingen van lid 1. Volgens de procedure van artikel 25, lid 2, kunnen voorwaarden voor deze afwijkingen worden vastgesteld.

Artikel 12

1. De lidstaten schrijven voor dat verpakkingen van basiszaad, gecertificeerd zaad van alle soorten en handelszaad:

a) aan de buitenkant worden voorzien van een nog niet gebruikt officieel etiket dat voldoet aan de vereisten van bijlage IV, en waarvan de gegevens gesteld zijn in een van de officiële talen van de Gemeenschap. De kleur van het etiket is wit voor basiszaad, blauw voor gecertificeerd zaad van de eerste vermeerdering vanaf basiszaad, rood voor gecertificeerd zaad van volgende vermeerderingen vanaf basiszaad en bruin voor handelszaad. Indien in het etiket een gaatje is gemaakt, wordt bij de bevestiging van dat etiket steeds een officieel zegel gebruikt. Indien, in het geval als bedoeld in artikel 5, onder a), het basiszaad niet voldoet aan de voorwaarden van bijlage II met betrekking tot de kiemkracht, wordt dit op het etiket vermeld. Het gebruik van officiële kleefetiketten is toegestaan. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure mag worden toegestaan dat de voorgeschreven aanduidingen onder officieel toezicht onuitwisbaar op de verpakking worden aangebracht volgens het model van het etiket;

b) een officieel certificaat bevatten in de kleur van het etiket en met ten minste de gegevens die in bijlage IV, deel A, onder a), punten 4, 5 en 6, voor het etiket en onder b), punten 2, 5 en 6, voor handelszaad zijn voorgeschreven. Het certificaat moet een zodanige vorm hebben dat het niet kan worden verward met het onder a) bedoelde etiket. Het certificaat is niet vereist wanneer de gegevens onuitwisbaar op de verpakking zijn aangebracht of wanneer overeenkomstig het bepaalde onder a) een kleefetiket of een etiket van scheurvrij materiaal wordt gebruikt.

2. Voor op hun grondgebied gesloten kleine verpakkingen kunnen de lidstaten voorzien in afwijkingen van lid 1. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kunnen voorwaarden voor deze afwijkingen worden vastgesteld.

3. De lidstaten behouden het recht voor te schrijven dat zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen waarvan is aangetoond dat het voor een ander doel dan de landbouwproductie bestemd is, slechts in de handel mag worden gebracht indien dit op het etiket wordt vermeld.

Artikel 13

Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan worden bepaald dat de lidstaten in andere dan de in deze richtlijn bedoelde gevallen kunnen voorschrijven dat verpakkingen van basiszaad, van gecertificeerd zaad van alle categorieën of van handelszaad steeds voorzien moeten zijn van een etiket van de leverancier (in de vorm van een apart etiket, naast het officiële etiket, of van op de verpakking zelf gedrukte informatie van de leverancier). Welke gegevens op dat etiket moeten worden vermeld, wordt eveneens vastgesteld volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure.

Artikel 14

Voor zaad van een ras dat genetisch is gemodificeerd, moet op elk officieel dan wel ander etiket of document dat krachtens het bepaalde in deze richtlijn op de partij zaad is aangebracht of deze partij vergezelt, duidelijk zijn vermeld dat het ras genetisch is gemodificeerd.

Artikel 15

De lidstaten schrijven voor dat, in geval van een chemische behandeling van het basiszaad, het gecertificeerde zaad van alle soorten of het handelszaad, hiervan op het officiële etiket dan wel op een etiket van de leverancier, alsmede op of in de verpakking melding wordt gemaakt.

Artikel 16

Om betere alternatieven te vinden voor sommige bepalingen van deze richtlijn, kan volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure worden besloten onder nader bepaalde voorwaarden op communautair niveau tijdelijke experimenten te organiseren.

In het kader van dergelijke experimenten kunnen de lidstaten vrijgesteld worden van bepaalde verplichtingen die in deze richtlijn zijn vastgesteld. In deze vrijstelling wordt aangegeven op welke bepalingen zij betrekking heeft. De duur van een experiment mag niet meer bedragen dan zeven jaar.

Artikel 17

De lidstaten zien erop toe dat zaad dat overeenkomstig de verplicht dan wel facultatief toe te passen bepalingen van deze richtlijn in de handel wordt gebracht, ten aanzien van eigenschappen, onderzoek, aanduiding en sluiting aan geen andere dan de in deze richtlijn of in andere communautair richtlijnen vastgestelde beperkingen voor het in de handel brengen wordt onderworpen.

Artikel 18

Onder de volgende voorwaarden mag kwekerszaad van generaties die aan het basiszaad voorafgaan op grond van artikel 4, eerste streepje, in de handel worden gebracht:

a) het zaad moet officieel door de tot certificering bevoegde dienst onderzocht zijn volgens de voor de certificering van basiszaad geldende voorschriften;

b) het zaad moet worden aangeboden in verpakkingen die voldoen aan de bepalingen van deze richtlijn, en

c) de verpakkingen moeten voorzien zijn van een officieel etiket met ten minste de volgende gegevens:

- de certificeringsdienst en de lidstaat of desbetreffend kenteken,

- het partijnummer,

- de maand en het jaar van de sluiting, of

- de maand en het jaar van de laatste officiële monsterneming ten behoeve van de certificering,

- de soort, aangegeven met ten minste de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de namen van de auteurs, in Latijns schrift,

- het ras, ten minste in Latijns schrift,

- de aanduiding "pre-basiszaad",

- het aantal generaties dat aan het zaad van de categorie "gecertificeerd zaad" of "gecertificeerd zaad van de eerste generatie" voorafgaat.

Het etiket is wit van kleur en heeft een diagonaal lopende paarse streep.

Artikel 19

1. De lidstaten schrijven voor dat zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen:

- dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of gecertificeerd zaad van eerste vermeerdering dat officieel is goedgekeurd in een of meer lidstaten of in een derde land dat krachtens artikel 20, onder b), gelijkstelling heeft verkregen, of dat rechtstreeks afkomstig is van kruising van basiszaad dat officieel is goedgekeurd in een lidstaat met basiszaad dat officieel is goedgekeurd in een dergelijk derde land en

- dat in een andere lidstaat is geoogst,

op verzoek, en onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2002/53/EG, in elke lidstaat officieel wordt goedgekeurd als gecertificeerd zaad, wanneer het is onderworpen aan een veldkeuring die voldoet aan de in bijlage I voor de betrokken categorie vermelde voorwaarden en wanneer bij een officieel onderzoek is vastgesteld dat het voldoet aan de in bijlage II voor dezelfde categorie vastgestelde voorwaarden.

Wanneer in dergelijke gevallen het zaad rechtstreeks is gewonnen uit officieel goedgekeurd zaad van vermeerderingen die aan het basiszaad voorafgaan, kunnen de lidstaten ook machtiging verlenen voor de officiële goedkeuring als basiszaad, wanneer voldaan is aan de voor deze categorie vastgestelde voorwaarden.

2. Zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat in de Gemeenschap is geoogst en bestemd is voor goedkeuring overeenkomstig lid 1, moet:

- worden verpakt en voorzien van een officieel etiket dat voldoet aan de voorwaarden van bijlage V, deel A en B, overeenkomstig de bepalingen van artikel 11, lid 1, en

- vergezeld gaan van een officieel document dat voldoet aan de voorwaarden van bijlage V, deel C.

De bepalingen van de eerste alinea inzake verpakking en etikettering behoeven niet te worden toegepast indien de voor de veldkeuring verantwoordelijke autoriteiten, de autoriteiten die de documenten voor niet definitief gecertificeerde zaden met het oog op certificering opstellen en de voor de certificering verantwoordelijke autoriteiten dezelfde zijn of indien deze autoriteiten het over de ontheffing eens zijn.

3. De lidstaten schrijven eveneens voor dat zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen:

- dat rechtstreeks afkomstig is van basiszaad of gecertificeerd zaad van eerste vermeerdering dat officieel is goedgekeurd in een of meer lidstaten, of in een derde land dat krachtens artikel 20, onder b), gelijkstelling heeft verkregen, of dat rechtstreeks afkomstig is van het kruisen van basiszaad dat officieel is goedgekeurd in een lidstaat met basiszaad dat officieel is goedgekeurd in zo'n derde land en

- dat in een derde land is geoogst,

op verzoek in iedere lidstaat waarin het basiszaad is voortgebracht of officieel goedgekeurd, officieel wordt goedgekeurd als gecertificeerd zaad, indien het is onderworpen aan een veldkeuring die voldoet aan de voorwaarden die voor de betrokken categorie zijn vastgesteld in een krachtens artikel 20, onder a), vastgestelde beschikking betreffende de gelijkstelling, en indien bij een officieel onderzoek is vastgesteld dat het voldoet aan de in bijlage II voor dezelfde categorie vastgestelde voorwaarden. Ook andere lidstaten kunnen toestaan dat dergelijk zaad officieel wordt goedgekeurd.

Artikel 20

1. Op voorstel van de Commissie stelt de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen vast:

a) of, in het geval bedoeld in artikel 18, de veldkeuring in een derde land voldoet aan de in bijlage I opgesomde voorwaarden;

b) of het in een derde land geoogste zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat dezelfde waarborgen biedt ten aanzien van de eigenschappen daarvan, alsmede van de toepassing van de maatregelen betreffende het onderzoek, de verzekering van de identiteit, de aanduiding en de controle, in dit opzicht gelijkwaardig is aan basiszaad, gecertificeerd zaad van de eerste, de twee of de derde vermeerdering of handelszaad dat in de Gemeenschap is geoogst en beantwoordt aan de bepalingen van deze richtlijn.

2. Lid 1 is eveneens van toepassing op iedere nieuwe lidstaat gedurende de periode vanaf zijn toetreding tot het tijdstip waarop hij de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moet doen treden, teneinde aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen.

Artikel 21

1. Teneinde tijdelijke moeilijkheden op te heffen die zich bij de algemene voorziening met basiszaad of gecertificeerd zaad binnen de Gemeenschap voordoen en die niet op een andere manier kunnen worden overwonnen, kan volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure worden besloten dat de lidstaten voor een bepaalde tijd toestemming verlenen voor het in de handel brengen op het gehele grondgebied van de Gemeenschap van de voor het oplossen van de voorzieningsmoeilijkheden nodige hoeveelheden zaad van een categorie waaraan minder strenge eisen zijn gesteld, of zaad van een ras dat noch in de "Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen" noch in de nationale rassenlijsten van de lidstaten voorkomt.

2. Wanneer het een categorie zaad van een bepaald ras betreft, is het officiële etiket het etiket dat voor de overeenkomstige categorie is voorgeschreven; in geval van zaad van rassen die niet op bovengenoemde lijsten voorkomen, is het het voor handelszaad voorgeschreven etiket. Op het etiket moet steeds worden vermeld dat het zaad betreft van een categorie waarvoor minder strenge eisen gelden.

3. Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kunnen de regels ter uitvoering van de bepalingen van lid 1 worden vastgesteld.

Artikel 22

1. De lidstaten zien erop toe dat bij het in de handel brengen van zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen ten minste steekproefsgewijs officiële controles worden verricht om na te gaan of het voldoet aan de in deze richtlijn vervatte eisen.

2. Onverminderd het vrije verkeer van zaad binnen de Gemeenschap nemen de lidstaten de nodige maatregelen opdat zij bij het in de handel brengen van uit derde landen ingevoerde hoeveelheden zaad van meer dan 2 kg van de volgende gegevens in kennis worden gesteld:

a) soort,

b) ras,

c) categorie,

d) producerend land en officiële keuringsdienst,

e) land van verzending,

f) importeur,

g) hoeveelheid zaad.

Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan nader worden vastgesteld hoe deze gegevens moeten worden verstrekt.

Artikel 23

1. Binnen de Gemeenschap worden communautaire vergelijkingsproeven gedaan met het oog op één nacontrole door middel van steekproefsgewijs genomen monsters van basiszaad, met uitzondering van basiszaad van hybriden en kunstmatig verkregen rassen, en van gecertificeerd zaad van alle soorten van oliehoudende planten en vezelgewassen. Bij de nacontrole kan eveneens worden onderzocht of aan de voor het zaad gestelde eisen is voldaan. De organisatie van de proeven en de resultaten daarvan worden aan het in artikel 25, lid 1, bedoelde comité ter beoordeling voorgelegd.

2. De vergelijkingsproeven zijn bedoeld voor de harmonisatie van de technische keuringsmethoden, teneinde gelijkwaardigheid van de resultaten te bereiken. Zodra dit doel is bereikt, wordt over de vergelijkingsproeven jaarlijks een verslag opgemaakt, dat vertrouwelijk aan de lidstaten en aan de Commissie wordt toegezonden. De datum waarop het verslag voor de eerste maal wordt opgemaakt, wordt volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

3. De bepalingen die nodig zijn voor de uitvoering van de vergelijkingsproeven worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure. Zaad van oliehoudende planten en vezelgewassen dat in derde landen is geoogst, kan eveneens bij de vergelijkingsproeven worden betrokken.

Artikel 24

De in verband met de ontwikkeling van de wetenschappelijke of technische kennis in de bijlagen aan te brengen wijzigingen worden volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

Artikel 25

1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 1 van Besluit 66/399/EEG van de Raad(7) ingestelde Permanent Comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin-, en bosbouw.

2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 4 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing.

De in artikel 4, lid 3, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt op één maand vastgesteld.

3. Het comité stelt zijn reglement van orde vast.

Artikel 26

Behoudens de in bijlage II vervatte toleranties ten aanzien van de aanwezigheid van ziekten, schadelijke organismen of dragers van dergelijke organismen doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bepalingen van de nationale wetgevingen die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van de bescherming van het leven en de gezondheid van personen, dieren of planten of uit hoofde van de bescherming van de industriële of commerciële eigendom.

Artikel 27

1. Volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure kunnen specifieke voorwaarden worden vastgesteld om rekening te houden met ontwikkelingen op het gebied van:

a) de voorwaarden waaronder chemisch behandeld zaad in de handel mag worden gebracht;

b) de voorwaarden waaronder zaad in de handel mag worden gebracht in verband met de instandhouding in situ en het duurzaam gebruik van plantaardige genetische hulpbronnen, met inbegrip van zaadmengsels van soorten waaronder ook soorten die zijn opgenomen in artikel 1 van Richtlijn 2002/53/EG die worden geassocieerd met specifieke natuurlijke en semi-natuurlijke habitats en worden bedreigd door genetische erosie;

c) de voorwaarden waaronder voor de biologische teelt geschikt zaad in de handel mag worden gebracht.

2. De in lid 1, onder b), bedoelde specifieke voorwaarden omvatten met name de volgende punten:

a) het zaad van deze soorten is van een bekende herkomst die is erkend door de autoriteit die in elke lidstaat bevoegd is voor het in de handel brengen van het zaad in bepaalde gebieden;

b) passende kwantitatieve beperkingen.

Artikel 28

Volgens de in artikel 25, lid 2, bedoelde procedure kan een lidstaat op zijn verzoek geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn, met uitzondering van artikel 17:

a) voor wat de volgende soort betreft

- saffloer;

b) voor wat de overige soorten betreft: indien het zaad van die soorten normaal niet op zijn grondgebied wordt vermeerderd en verhandeld.

Artikel 29

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de tekst van de bepalingen van nationaal recht die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 30

De Commissie legt ten laatste op 1 februari 2004 een gedetailleerde evaluatie van de bij artikel 5 van Richtlijn 98/96/EG vastgestelde vereenvoudiging van de certificeringsprocedure voor. Bij deze evaluatie dient de klemtoon te worden gelegd op de eventuele gevolgen voor de kwaliteit van het zaaizaad.

Artikel 31

1. Richtlijn 69/208/EEG, zoals gewijzigd bij de in bijlage VI, deel A, genoemde richtlijnen wordt ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten wat de in bijlage VI, deel B, opgenomen omzettingstermijnen betreft.

2. Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de in bijlage VII opgenomen concordantietabel.

Artikel 32

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

Artikel 33

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 13 juni 2002.

Voor de Raad

De voorzitter

M. Rajoy Brey

(1) Advies uitgebracht op 9 april 2002 (nog niet verschenen in het Publicatieblad).

(2) PB L 169 van 10.7.1969, blz. 3. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 98/96/EG (PB L 25 van 1.2.1999, blz. 27).

(3) Zie bijlage VI, deel A.

(4) Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5) PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(6) PB L 286 van 4.10.1989, blz. 24. Beschikking laatstelijk gewijzigd bij Beschikking 96/336/EG (PB L 128 van 29.5.1996, blz. 23).

(7) PB 125 van 11.7.1966, blz. 2289/66.

BIJLAGE I

VOORWAARDEN WAARAAN HET GEWAS MOET VOLDOEN

1. Op het perceel mag geen voorvrucht zijn verbouwd die zich niet verdraagt met de productie van zaaizaad van de soort en het ras van het betrokken gewas. Het perceel moet ook voldoende vrij zijn van opslag van de voorvrucht.

2. Het gewas moet voldoen aan de onderstaande normen betreffende de afstand tot dicht in de buurt gelegen bestuivingsbronnen die tot ongewenste kruisbestuiving kunnen leiden:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Deze afstanden behoeven niet in acht te worden genomen wanneer er voldoende bescherming tegen ongewenste kruisbestuiving aanwezig is.

3. Het gewas moet voldoende rasecht en raszuiver zijn; een gewas van een ingeteelde stam van Helianthus annuus moet voldoende echt en zuiver zijn met betrekking tot zijn eigenschappen.

Bij de productie van zaad van hybriderassen van Helianthus annuus zijn de bovenstaande bepalingen ook van toepassing op de eigenschappen van de kruisingspartners, inclusief mannelijke steriliteit of herstel van de fertiliteit.

In het bijzonder moeten gewassen van Brassica juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi, Gossypium spp. en hybriden van Helianthus annuus aan de volgende normen of eisen voldoen:

A. Brassica Juncea, Brassica nigra, Cannabis sativa, Carthamus tinctorius, Carum carvi, Gossypium spp.:

het aantal planten van deze soorten die duidelijk niet tot het betrokken ras behoren, mag niet meer bedragen dan:

- 1 per 30 m2 voor de productie van basiszaad,

- 1 per 10 m2 voor de productie van gecertificeerd zaad.

B. Hybriden van Helianthus annuus:

a) het aantal planten die duidelijk niet tot de ingeteelde stam of de kruisingspartner behoren, mag niet meer bedragen dan:

aa) voor de productie van basiszaad:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

bb) voor de productie van gecertificeerd zaad:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

b) voor de productie van zaad van hybriderassen moet bovendien aan de volgende normen of eisen worden voldaan:

aa) de planten van de mannelijke kruisingspartner moeten voldoende stuifmeel afgeven wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner in bloei staan;

bb) wanneer de planten van de vrouwelijke kruisingspartner bevrucht kunnen worden, mag het aantal planten van de vrouwelijke kruisingspartner die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven niet meer bedragen dan 0,5 %.

cc) voor de productie van basiszaad mag het totale aantal planten van de vrouwelijke kruisingspartner die duidelijk niet tot de kruisingspartner behoren en die stuifmeel hebben afgegeven of afgeven, niet meer bedragen dan 0,5 %;

dd) wanneer niet aan de in bijlage II, deel I, punt 2, vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan; voor de productie van gecertificeerd zaad moet een mannelijk-steriele kruisingspartner worden gebruikt in combinatie met een mannelijke kruisingspartner die één of meer specifieke lijnen voor herstel van de fertiliteit bevat, zodat niet minder dan een derde van de planten die worden gekweekt uit de verkregen hybride stuifmeel produceren dat in alle opzichten normaal lijkt.

4. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn. Voor Glycine max. geldt deze voorwaarde in het bijzonder voor de organismen Pseudomonas syringae pv. glycinea Diaporthe phaseolorum var. caulivora en var. sojae, Phialophora gregata en Phytophthora megasperma f.sp. glycinea.

5. Of aan de bovengenoemde normen of eisen is voldaan, wordt voor basiszaad vastgesteld door middel van officiële veldkeuringen en voor gecertificeerd zaad door middel van hetzij officiële veldkeuringen hetzij onder officieel toezicht uitgevoerde keuringen. Bij deze veldkeuringen moeten de volgende punten in acht worden genomen:

A. De stand en het ontwikkelingsstadium van het gewas moeten een afdoend onderzoek mogelijk maken.

B. Voor andere gewassen dan zonnebloemhybriden moet ten minste één veldkeuring worden verricht. Voor zonnebloemhybriden moeten ten minste twee veldkeuringen worden verricht.

C. De grootte, het aantal en de verdeling van de perceelsgedeelten waarvoor moet worden nagegaan of aan de bepalingen van deze bijlage wordt voldaan, moeten worden vastgesteld volgens daartoe passende methoden.

BIJLAGE II

VOORWAARDEN WAARAAN ZAAIZAAD MOET VOLDOEN

I. BASISZAAD EN GECERTIFICEERD ZAAD

1. Het zaad moet voldoende rasecht en raszuiver zijn. In het bijzonder moet zaad van de onderstaande soorten voldoen aan de volgende normen of eisen:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Of aan de minimumeisen inzake raszuiverheid is voldaan, wordt hoofdzakelijk nagegaan door middel van de in bijlage I omschreven veldkeuringen.

2. Wanneer niet aan de in bijlage I, punt 3. B. b), dd), vastgestelde voorwaarden kan worden voldaan, moet aan de volgende voorwaarde worden voldaan: wanneer voor de productie van gecertificeerd zaad van zonnebloemhybriden gebruik is gemaakt van een vrouwelijke mannelijk-steriele kruisingspartner en een mannelijke kruisingspartner die de mannelijke fertiliteit niet herstelt, moet het door de mannelijk-steriele kruisingspartner geproduceerde zaad worden gemengd met door de volledig vruchtbare kruisingspartner geproduceerd zaad. De verhouding tussen het zaad van de mannelijk-steriele kruisingspartner en dat van de mannelijk-vruchtbare kruisingspartner mag niet groter zijn dan 2:1.

3. Het zaaizaad moet ten aanzien van kiemkracht, mechanische zuiverheid en gehalte aan zaden van andere plantensoorten (inclusief Orobanche-soorten) aan de volgende normen of eisen voldoen:

A.

Tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B. Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in de onder punt I.3.A van deze bijlage opgenomen tabel:

a) Het in kolom 5 vastgestelde maximumgehalte aan zaden heeft ook betrekking op de zaden van de in de kolommen 6 tot en met 11 genoemde soorten.

b) Het aantal zaden van andere plantensoorten wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 vastgestelde eisen is voldaan.

c) Het aantal zaden van Cuscuta-soorten wordt slechts bepaald wanneer er twijfel over bestaat of aan de in kolom 7 vastgestelde eisen is voldaan.

d) De aanwezigheid van één zaadkorrel van Cuscuta-soorten in een monster van het voorgeschreven gewicht geldt niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van hetzelfde gewicht vrij is van zaden van Cuscuta-soorten.

e) Het zaad moet volledig vrij zijn van Orobanche-soorten; één zaadkorrel van Orobanche-soorten in een monster van 100 gram geldt evenwel niet als onzuiverheid wanneer een tweede monster van 200 gram volledig vrij is van Orobanche-soorten.

4. De aanwezigheid van schadelijke organismen die de gebruikswaarde van het zaaizaad verminderen, moet zoveel mogelijk beperkt zijn. Het zaaizaad moet - in het bijzonder - voldoen aan de volgende normen of andere eisen:

A.

Tabel:

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

B. Normen of andere voorwaarden waaraan moet worden voldaan wanneer daarnaar wordt verwezen in de onder punt 1.4.A van deze bijlage opgenomen tabel:

a) Voor vlas mag het percentage aan zaden die door Ascochyta linicola (Syn. Phoma linicola) zijn aangetast in totaal niet meer bedragen dan 1.

b) Het aantal sclerotiën of delen van sclerotiën van Sclerotinia sclerotiorum wordt slechts bepaald indien er twijfel over bestaat of aan de in kolom 5 van de tabel vastgestelde eisen is voldaan.

C. Bijzondere normen of andere voorwaarden die van toepassing zijn op Glycine max.:

a) Van de vijf deelmonsters waarin een monster van minimaal 5000 zaden per partij is onderverdeeld, mogen er hoogstens vier besmet zijn met Pseudomonas syringae pv. glycinea.

Wanneer in alle vijf deelmonsters verdachte kolonies worden geïdentificeerd, mogen, ter bevestiging, op de verdachte kolonies die van elk deelmonster op een daartoe geschikt medium zijn geïsoleerd, passende biochemische tests worden verricht.

b) Het aantal met Diaporthe phaseolorum besmette zaden mag niet hoger zijn dan 15 %.

c) Het percentage aan stof zoals gedefinieerd met gangbare internationale testmethoden, mag ten hoogste 0,3 gewichtspercent bedragen.

De lidstaten kunnen volgens de procedure van artikel 25, lid 2, worden gemachtigd geen onderzoek naar de inachtneming van bovengenoemde bijzondere normen en voorwaarden te verrichten, tenzij op grond van eerdere ervaringen dienaangaande twijfel bestaat.

II. HANDELSZAAD

Voor handelszaad gelden de in deel I van de onderhavige bijlage genoemde eisen met uitzondering van punt 1.

BIJLAGE III

GEWICHT VAN EEN PARTIJ ZAAIZAAD EN VAN EEN MONSTER

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Het maximumgewicht van een partij mag ten hoogste met 5 % worden overschreden.

BIJLAGE IV

ETIKET

A. Te vermelden gegevens

a) Voor basiszaad en gecertificeerd zaad:

1. "EG-systeem"

2. keuringsdienst en lidstaat of desbetreffend kenteken

3. Maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven: "gesloten in ..." (Maand en jaar), of

Maand en jaar van de laatste officiële monsterneming ten behoeve van het besluit van certificering, op de volgende wijze aangegeven: "monster genomen in ..." (maand en jaar)

4. Partijnummer

5. Soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift

6. Ras, ten minste vermeld in Latijns schrift

7. Categorie

8. Producerend land

9. Opgegeven netto- of brutogewicht

10. Wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht van de kluwens of zuivere zaden en het totale gewicht.

11. Bij rassen die hybriden of ingeteelde stammen zijn:

- voor basiszaad waarvan de hybride of de ingeteelde stam waartoe het zaad behoort, officieel aanvaard is overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 2002/53/EG:

de naam van deze kruisingspartner, waaronder het officieel is aanvaard, met of zonder verwijzing naar het uiteindelijke ras, waaraan, in geval van hybriden of ingeteelde stammen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als kruisingspartner voor de uiteindelijke rassen, het woord "kruisingspartner" wordt toegevoegd;

- voor basiszaad in andere gevallen:

De naam van de kruisingspartner waartoe het basiszaad behoort, die in code mag worden gegeven, met daarbij een verwijzing naar het uiteindelijke ras, met of zonder vermelding van de functie (mannelijk of vrouwelijk), waaraan het woord "kruisingspartner" wordt toegevoegd;

- voor gecertificeerd zaad:

de naam van het ras waartoe het zaad behoort, met daarbij het woord "hybride".

12. Waar ten minste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht mogen de woorden "Nacontrole verricht ... (maand en jaar)" en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt op het officiële etiket.

Volgens de procedure van artikel 25, lid 2, kunnen lidstaten worden vrijgesteld van de verplichting tot aanduiding van de botanische benaming voor afzonderlijke soorten en, in voorkomend geval, voor beperkte tijdvakken, indien is vastgesteld dat de nadelen van het voldoen aan deze verplichting groter zijn dan de voordelen die van het in de handel brengen van het zaad worden verwacht.

b) Voor handelszaad:

1. "EG-systeem"

2. "Handelszaad (niet naar het ras goedgekeurd)"

3. Keuringsdienst en lidstaat of desbetreffend kenteken

4. Maand en jaar van de sluiting, op de volgende wijze aangegeven: "gesloten in ... (maand en jaar)"

5. Partijnummer

6. Soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift

7. Teeltgebied

8. Opgegeven netto- of brutogewicht

9. Wanneer het gewicht wordt vermeld en er korrelvormige bestrijdingsmiddelen, omhullingen of andere toevoegingsmiddelen in vaste staat worden gebruikt, de vermelding van de aard van het toevoegingsmiddel alsmede de verhouding, bij benadering, tussen het gewicht der zuivere zaden en het totaalgewicht.

10. Waar ten minste voor de kiemkracht nacontrole werd verricht mogen de woorden "Nacontrole verricht ... (maand en jaar)" en de voor deze nacontrole verantwoordelijke dienst worden vermeld. Deze gegevens mogen voorkomen op een officieel merkteken dat wordt geplakt of het officiële etiket.

Volgens de procedure van artikel 25, lid 2, kunnen lidstaten worden vrijgesteld van de verplichting tot aanduiding van de botanische benaming voor afzonderlijke soorten en, in voorkomend geval, voor beperkte tijdvakken, indien is vastgesteld dat de nadelen van het voldoen aan deze verplichting groter zijn dan de voordelen die van het in de handel brengen van het zaad worden verwacht.

B. Minimumafmetingen

110 mm × 67 mm.

BIJLAGE V

ETIKET EN DOCUMENT VOOR NIET DEFINITIEF GOEDGEKEURD ZAAD DAT IS GEOOGST IN EEN ANDERE LIDSTAAT

A. Op het etiket te vermelden gegevens

- Voor de veldkeuring verantwoordelijke instantie en lidstaat of hun kenteken

- Soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift

- Ras, ten minste vermeld in Latijns schrift; voor rassen (ingeteelde stammen, hybriden) die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik als kruisingspartner voor hybriderassen, wordt het woord "kruisingspartner" toegevoegd

- Categorie

- Bij hybriderassen, de vermelding "hybride"

- Referentienummer van het veld of van de partij

- Opgegeven netto- of brutogewicht

- De vermelding "Niet definitief goedgekeurd zaad".

Volgens de procedure van artikel 25, lid 2, kunnen lidstaten worden vrijgesteld van de verplichting tot aanduiding van de botanische benaming voor afzonderlijke soorten en, in voorkomend geval, voor beperkte tijdvakken, indien is vastgesteld dat de nadelen van het voldoen aan deze verplichting groter zijn dan de voordelen die van het in de handel brengen van het zaad worden verwacht.

B. Kleur van het etiket

Grijs.

C. Op het document te vermelden gegevens

- Instantie die het document afgeeft

- Soort, ten minste aangegeven met de botanische benaming, eventueel in verkorte vorm en zonder de naam van de auteurs, in Latijns schrift

- Ras, ten minste vermeld in Latijns schrift

- Categorie

- Referentienummer van het gebruikte zaad en naam van het land/de landen dat/die zaad heeft/hebben goedgekeurd

- Referentienummer van het veld of van de partij

- Oppervlakte die is beteeld voor de productie van de bij het document behorende partij

- Geoogste hoeveelheid zaad en aantal verpakkingen

- Voor gecertificeerd zaad, aantal generaties na het basiszaad

- Verklaring dat bij de teelt waarvan het zaad afkomstig is aan de vastgestelde voorwaarden is voldaan

- In voorkomend geval de uitkomsten van een voorlopige analyse van het zaad.

BIJLAGE VI

DEEL A

INGETROKKEN RICHTLIJNEN EN HAAR OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN

(bedoeld in artikel 31)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

DEEL B

LIJST VAN DE TERMIJNEN VOOR OMZETTING IN NATIONAAL RECHT

(bedoeld in artikel 31)

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

BIJLAGE VII

CONCORDANTIETABEL

>RUIMTE VOOR DE TABEL>

Top