Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32024R2746

Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2746 van de Commissie van 25 oktober 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie

C/2024/7418

PB L, 2024/2746, 30.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2746/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 11/11/2025

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2746/oj

European flag

Publicatieblad
van de Europese Unie

NL

L-serie


2024/2746

30.10.2024

UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/2746 VAN DE COMMISSIE

van 25 oktober 2024

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (1), en met name artikel 4 bis, lid 3, artikel 5, lid 1, derde alinea, artikel 5 bis, leden 2 en 4, artikel 5 ter, lid 7, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 8 bis, lid 2, en artikel 19, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1217/2009 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/2674 van het Europees Parlement en de Raad (2). Met deze wijziging wordt het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB) omgevormd tot een informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (IDL). Om de goede werking van het nieuwe rechtskader dat uit die wijziging voortvloeit te waarborgen, moeten bij uitvoeringshandelingen bepaalde voorschriften worden vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moeten drempelwaarden voor de economische bedrijfsomvang worden vastgesteld. Om rekening te houden met de verschillende landbouwstructuren moeten deze drempelwaarden verschillen naargelang van de lidstaat en in sommige gevallen naargelang van de IDL-streek.

(3)

Overeenkomstig artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet elke lidstaat een plan voor de keuze van bedrijven met boekhouding (“keuzeplan”) opstellen dat een representatieve steekproef voor het waarnemingsgebied waarborgt. Voor het opstellen van het keuzeplan moet het waarnemingsgebied worden gestratificeerd op basis van de IDL-streken van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 en op basis van productierichting en economische omvang. Het keuzeplan moet vóór het begin van het rapportagejaar zijn opgesteld, zodat de Commissie de inhoud ervan kan evalueren voordat het kan worden gebruikt om bedrijven met boekhouding te kiezen. Om de representativiteit van de geselecteerde steekproef ten opzichte van de economische variabelen te waarborgen en tegelijkertijd andere duurzaamheidsaspecten in aanmerking te nemen, moeten de modellen en methoden met betrekking tot de vorm en inhoud van het keuzeplan worden geactualiseerd. Bij de keuze van bedrijven door de lidstaten moet rekening worden gehouden met ecologische en sociale thema’s die bij de omzetting in het IDL zijn geïntroduceerd.

(4)

Om de voor het IDL geldende doelstellingen van artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 1217/2009 te bereiken, moeten uitvoeringsvoorschriften voor de typologie van de Unie worden vastgesteld.

(5)

De productierichting en de economische bedrijfsomvang moeten worden bepaald aan de hand van een economisch criterium. Daartoe moet de in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde standaardopbrengst worden gebruikt. De standaardopbrengsten moeten worden vastgesteld per product en moeten in overeenstemming zijn met de in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad (3) uiteengezette lijst van variabelen met betrekking tot structurele kerngegevens. In dit verband moet een tabel worden opgesteld waarin de overeenstemming wordt aangegeven tussen de kenmerken van de structuurenquêtes en de rubrieken van het IDL-bedrijfsformulier.

(6)

Aangezien de niet-agrarische activiteiten van het bedrijf belangrijker worden, moet in de typologie van de Unie een classificatievariabele worden opgenomen die het belang van zulke rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden weergeeft.

(7)

Daar de in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 genoemde standaardopbrengst als een economisch criterium moet worden gebruikt om de productierichting en de economische bedrijfsomvang te bepalen, moeten voorts bepaalde voorschriften worden vastgesteld voor de toezending aan de Commissie van gegevens over de standaardopbrengsten en de gegevens die nodig zijn voor de berekening daarvan.

(8)

Om de doelstellingen van het IDL te verwezenlijken, moeten de kenmerken van het bedrijfsformulier worden gewijzigd, met inbegrip van het begin en het einde van het rapportagejaar, de vorm en indeling van het bedrijfsformulier, de definitie van variabelen en de frequentie van de toezending van de gegevens. De nieuwe variabelen met betrekking tot de dimensies inzake economische, ecologische en sociale duurzaamheid van de landbouw moeten met name betrekking hebben op de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s. Algemene beginselen voor het compileren van de bedrijfsformulieren moeten worden vastgesteld, waaronder de noodzaak om milieu- en sociale variabelen te verzamelen en de nieuwe mogelijkheden die worden geboden door het delen van gegevens met andere gegevensbronnen.

(9)

De variabelen en de definitie van variabelen die verband houden met een of meer van de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s, moeten in detail worden gespecificeerd, waarbij zij de informatie bevatten die nodig is voor de specifieke analyse ervan. De definitie van nieuwe variabelen moet in overeenstemming zijn met de bestaande boekhoudkundige gegevens, die in de IDL-gegevens zijn opgenomen, op basis van een vergelijkbare vorm en opmaak.

(10)

In artikel 8, lid 4, punt d), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is bepaald dat methoden en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie moeten worden vastgesteld, met inbegrip van mogelijke verlengingen van termijnen en vrijstellingen voor specifieke variabelen die aan een lidstaat kunnen worden verleend. Rekening houdend met de verschillende vormen van organisatie en methoden voor het compileren van gegevens in de verschillende lidstaten, is het passend voor bepaalde variabelen relevante termijnen binnen de periode van het rapportagejaar 2025 tot en met het rapportagejaar 2027 vast te stellen. Deze periode moet zowel voor de vaststelling van het tijdschema voor de indiening van de gegevens als voor het beheer van de jaarlijkse begroting gelden.

(11)

De naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren moeten door het door elke lidstaat overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 aangewezen verbindingsorgaan tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat de verstrekte gegevens op uniforme wijze en tijdig kunnen worden verwerkt. Er moet voor worden gezorgd dat de methode voor de toezending van de gegevens aan de Commissie praktisch en veilig is. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat het verbindingsorgaan de desbetreffende informatie rechtstreeks aan de Commissie kan toezenden via het geautomatiseerde systeem dat door de Commissie is opgezet voor de toepassing van die verordening en moet worden voorzien in nadere voorschriften in dat verband. Bij het vaststellen van de termijnen voor de indiening van die gegevens bij de Commissie moet rekening worden gehouden met de staat van dienst van de lidstaten op het gebied van de indiening van zulke gegevens.

(12)

Elk aan de Commissie verstrekt bedrijfsformulier moet naar behoren zijn ingevuld om in aanmerking te komen voor de betaling van het bedrag.

(13)

In Verordening (EG) nr. 1217/2009 is per lidstaat en per IDL-streek het maximum vastgesteld voor het totale aantal naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren dat voor financiering door de Unie in aanmerking komt. Om rekening te houden met structurele veranderingen moet echter flexibiliteit worden toegestaan in het maximumaantal bedrijven met boekhouding dat per IDL-streek voor financiering door de Unie in aanmerking komt, ter compensatie van een te laag aantal toezendingen in andere IDL-streken, op voorwaarde dat het maximumaantal bedrijven met boekhouding van de betrokken lidstaat in acht wordt genomen, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1217/2009.

(14)

Overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet aan de lidstaten een bedrag worden betaald voor de toezending van binnen een gestelde termijn ingediende, naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren. Met het oog op een soepele overgang tussen het ILB en het IDL moeten de voorschriften inzake het aan de lidstaten te betalen bedrag wat betreft de betalingen binnen de periode van het rapportagejaar 2025 tot en met het rapportagejaar 2027 worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de ingediende, naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren alle informatie bevatten die nodig is om de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s te analyseren.

(15)

De Commissie, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) ten aanzien van de op grond van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (4) aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer moeten de bevoegdheid hebben om hun respectieve taken uit te oefenen, waaronder het uitvoeren van audits, controles ter plaatse en onderzoeken met betrekking tot de uit hoofde van deze verordening door de Unie gefinancierde uitgaven.

(16)

Om de in artikel 4 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 opgenomen voorschriften inzake het delen van gegevens uit te voeren, moeten bepalingen over de uit de verschillende gegevensreeksen te extraheren gegevens worden vastgesteld. Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens moeten worden vastgesteld om de administratieve lasten voor de autoriteiten van de lidstaten te verminderen, waarbij rekening wordt gehouden met de haalbaarheid van het extraheren van gegevens, andere reeds bestaande elektronische systemen en het beheer van het geautomatiseerde gegevenssysteem van het IDL. Om te zorgen voor overeenstemming met de uitvoering van de strategische plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (5) en Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (6), en met name in artikel 67, lid 3, is het passend termijnen vast te stellen voor de toezending van gegevens die het mogelijk maken IDL-gegevens aan de door dezelfde bedrijven ingediende GLB-steunaanvragen te koppelen. Wat betreft het delen van ruimtelijke gegevens over landbouwpercelen, moet ook rekening worden gehouden met Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie (8).

(17)

Om de in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 opgenomen regels voor de opslag, de verwerking, het hergebruik en het delen van gegevens uit te voeren, moeten bepalingen over het geautomatiseerde gegevenssysteem voor het toezenden en analyseren van gegevens overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2017/46 van de Commissie (9) worden vastgesteld.

(18)

Het aantal variabelen, de relevantie en de definitie van de variabelen, evenals de financiële bepalingen, waaronder de definitie van een naar behoren ingevuld bedrijfsformulier, en de bepalingen inzake gegevensuitwisseling moeten in 2027 worden herzien, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die is opgedaan na de compilatie van gegevens voor het eerste rapportagejaar, en op basis van een haalbaarheidsanalyse waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de inbreng van de lidstaten, met betrekking tot onder meer de beschikbaarheid en kwaliteit van nieuwe en bestaande gegevensbronnen, de mogelijke toepassing van nieuwe methoden en de financiële lasten voor de lidstaten en de bedrijven met boekhouding.

(19)

De bij deze verordening ingevoerde nieuwe voorschriften treden in de plaats van de bestaande voorschriften van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie (10). Die uitvoeringsverordening moet daarom worden ingetrokken. Om ervoor te zorgen dat de toezending van gegevens, de gegevensverificatie en de betalingen voor alle boekjaren vóór 2025 kunnen worden afgerond, moet die uitvoeringsverordening echter ook na 1 januari 2025 van toepassing blijven.

(20)

Aangezien de lidstaten van het ILB naar het IDL moeten overstappen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf het rapportagejaar 2025.

(21)

Om de lidstaten in staat te stellen onverwijld met de opstelling van het keuzeplan te beginnen, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(22)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (11) en heeft op 13 september 2024 formele opmerkingen verstrekt.

(23)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

AFDELING 1

WAARNEMINGSGEBIED EN KEUZEPLAN

Artikel 1

Drempelwaarde van de economische omvang

De drempelwaarden van de economische omvang als bedoeld in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Aantal bedrijven met boekhouding

Het aantal bedrijven met boekhouding per lidstaat en per IDL-streek (informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven) als bedoeld in artikel 5 bis, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Keuzeplan

1.   De modellen en methoden betreffende de vorm en inhoud van de gegevens als bedoeld in artikel 5 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening.

2.   De lidstaten stellen de Commissie elektronisch in kennis van het in artikel 5 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde keuzeplan zoals goedgekeurd door het in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde Nationaal Comité, en wel uiterlijk twee maanden vóór het begin van het rapportagejaar waarop dat keuzeschema betrekking heeft.

AFDELING 2

TYPOLOGIE VAN DE UNIE VOOR BEDRIJVEN

Artikel 4

Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

De methoden voor de berekening van gespecialiseerde bijzondere productierichtingen als bedoeld in artikel 5 ter, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en de overeenstemming daarvan met algemene en hoofdproductierichtingen als bedoeld in dat artikel, zijn beschreven in bijlage IV bij deze verordening.

Artikel 5

Economische bedrijfsomvang

De methode voor de berekening van de economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5 ter, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en de klassen van economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5 ter, lid 1, van die verordening zijn opgenomen in bijlage V bij deze verordening.

Artikel 6

Standaardopbrengstcoëfficiënt en totale standaardopbrengst van een bedrijf

1.   De berekeningsmethode voor de standaardopbrengstcoëfficiënt van elk kenmerkend onderdeel als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, en de procedure voor het verzamelen van de overeenkomstige gegevens zijn vastgesteld in de bijlagen IV en VI bij deze verordening.

De standaardopbrengstcoëfficiënt van de verschillende kenmerkende onderdelen van een bedrijf als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 wordt vastgesteld voor de gewas- en veevariabelen als vermeld in deel 2.1 van bijlage IV bij deze verordening en voor elke geografische eenheid als bedoeld in punt 2, b), van bijlage VI bij deze verordening.

2.   De totale standaardopbrengst van een bedrijf wordt berekend door de standaardopbrengstcoëfficiënt van elke gewas- en veevariabele te vermenigvuldigen met het desbetreffende aantal eenheden.

Artikel 7

Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

De andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden als bedoeld in artikel 5 ter, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn omschreven in deel 1 van bijlage VII bij deze verordening. Het economisch belang van die werkzaamheden voor het bedrijf wordt uitgedrukt als percentageklasse waarmee het aandeel van de desbetreffende werkzaamheden in de omzet wordt aangegeven.

De methode voor het ramen van het in de eerste alinea bedoelde belang van de winstgevende werkzaamheden is beschreven in de delen 2 en 3 van bijlage VII bij deze verordening.

De in de eerste alinea bedoelde percentageklassen zijn vastgesteld in deel 3 van bijlage VII bij deze verordening.

Artikel 8

Mededeling van de standaardopbrengsten en de gegevens voor de bepaling daarvan

1.   Overeenkomstig artikel 5 ter, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 dienen de lidstaten dienen vóór 31 december van het jaar N+3 bij de Commissie (Eurostat) de standaardopbrengsten, de gegevens voor de bepaling daarvan en de overeenkomstige metagegevens in voor een referentieperiode van jaar N.

2.   Voor de indiening van de gegevens en metagegevens als bedoeld in lid 1 gebruiken de lidstaten de geautomatiseerde systemen die de Commissie (Eurostat) daartoe ter beschikking heeft gesteld.

AFDELING 3

TOEZENDING VAN BEDRIJFSFORMULIEREN EN GEGEVENS AAN DE COMMISSIE

Artikel 9

Begin en einde van het rapportagejaar

Het rapportagejaar van twaalf opeenvolgende maanden als bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 eindigt in de periode van 31 december tot en met 30 juni.

Artikel 10

Definities van variabelen, vorm en opmaak van het bedrijfsformulier en frequentie van de toezending van de gegevens

De definities van variabelen die verband houden met een of meer van de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s, de vorm en de opmaak voor de presentatie van de gegevens en de frequentie van de toezending van de gegevens, als bedoeld in artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, zijn vastgesteld in bijlage VIII bij deze verordening.

Artikel 11

Methoden en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie

1.   De bedrijfsformulieren worden bij de Commissie ingediend door het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan via een geautomatiseerd gegevenssysteem, overeenkomstig artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vereiste informatie wordt elektronisch uitgewisseld op basis van modellen die via dat geautomatiseerde gegevenssysteem ter beschikking van het verbindingsorgaan worden gesteld.

2.   De lidstaten worden van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde systeem in kennis gesteld binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven.

3.   De IDL-tabellen en -variabelen zijn opgenomen in bijlage IX. De lidstaten verstrekken in de bedrijfsformulieren de in artikel 10 bedoelde gegevens voor de rapportagejaren 2025 en 2027 volgens het in bijlage IX vastgestelde tijdschema. Voor het rapportagejaar 2026 moeten dezelfde variabelen worden ingediend als voor het rapportagejaar 2025. Wat de tabellen in bijlage IX betreft, worden nieuwe in bijlage IX vastgestelde IDL-variabelen voor het eerst voor het rapportagejaar 2025 of 2027 ingediend. Na deze rapportagejaren worden deze variabelen jaarlijks ingediend.

Gegevens die voor het rapportagejaar 2027 moeten worden ingediend, mogen echter ook in een eerder jaar worden ingediend.

4.   De bedrijfsformulieren worden uiterlijk op 15 december van het jaar na afloop van het rapportagejaar in kwestie aan de Commissie toegezonden.

Duitsland mag de bedrijfsformulieren echter binnen 15 weken na de in de eerste alinea bedoelde termijn aan de Commissie toezenden.

5.   Bedrijfsformulieren worden geacht aan de Commissie te zijn toegezonden zodra de in artikel 10 bedoelde gegevens in het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem zijn ingevoerd, de daaropvolgende computercontroles zijn verricht en het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht.

Artikel 12

Verlengingen van termijnen en vrijstellingen voor specifieke variabelen

1.   Bijlage IX bij deze verordening bevat voor het rapportagejaar 2025 de overeenkomstig artikel 8, lid 4, punt d), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 aan bepaalde lidstaat verleende vrijstellingen van het indienen van gegevens over specifieke variabelen als bedoeld in bijlage VIII bij deze verordening.

2.   Voor de rapportagejaren 2026 en 2027 kan de Commissie de in artikel 11, lid 4, eerste alinea, bedoelde termijn voor de indiening van gegevens over specifieke variabelen verlengen indien de lidstaat een met redenen omkleed verzoek indient. Dit verzoek wordt door de betrokken lidstaat uiterlijk op 31 mei van het jaar voorafgaand aan het desbetreffende rapportagejaar bij de Commissie ingediend.

3.   Voor de rapportagejaren 2026 en 2027 kan de Commissie lidstaten vrijstellen van het indienen van gegevens over specifieke variabelen als bedoeld in bijlage VIII voor een bepaald rapportagejaar indien de lidstaat een met redenen omkleed verzoek indient. Dit verzoek wordt door de betrokken lidstaat uiterlijk op 31 mei van het jaar voorafgaand aan het rapportagejaar bij de Commissie ingediend.

AFDELING 4

AAN DE LIDSTATEN TE BETALEN BEDRAG

Artikel 13

Naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren

1.   Voor de toepassing van artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is een bedrijfsformulier naar behoren ingevuld wanneer de inhoud ervan feitelijk juist, betrouwbaar en verifieerbaar is en de erin vervatte gegevens zijn geregistreerd en gepresenteerd overeenkomstig de in bijlage VIII bij deze verordening vastgestelde vorm en opmaak.

2.   Om als naar behoren ingevuld te worden beschouwd, bevatten de bedrijfsformulieren voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027 in afwijking van lid 1 de gegevens van de tabellen in bijlage VIII, rekening houdend met de in bijlage IX bedoelde vrijstellingen.

Artikel 14

Voor de betaling in aanmerking komend aantal bedrijfsformulieren

1.   Het totale aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren per lidstaat als bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 die in aanmerking komen voor de betaling van het aan elke lidstaat te betalen bedrag, is niet hoger dan het voor die lidstaat in bijlage II bij deze verordening vastgestelde totale aantal bedrijven met boekhouding.

2.   Indien lidstaten meer dan één IDL-streek hebben, kan het aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren dat per IDL-streek voor betaling van het bedrag in aanmerking komt, maximaal 20 % hoger zijn dan het voor de betrokken IDL-streek in bijlage II vastgestelde aantal, mits het totale aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren van de betrokken lidstaat niet hoger is dan het totale aantal dat in bijlage II voor die lidstaat is vastgesteld.

Bedrijfsformulieren van een IDL-streek met een hoger aantal ingediende bedrijfsformulieren dan het aantal dat voor die IDL-streek in bijlage II is vastgesteld, komen echter niet in aanmerking voor de betaling in een IDL-streek waarvoor het aantal door de lidstaat ingediende bedrijfsformulieren minder dan 80 % van het vereiste aantal landbouwbedrijven met boekhouding bedraagt.

Artikel 15

Betaling van het bedrag

1.   Het aan elke lidstaat te betalen bedrag als bedoeld in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 wordt in twee tranches betaald:

a)

een voorfinanciering die overeenkomt met 50 % van het totale bedrag dat op grond van de artikelen 16 en 17 van deze verordening is vastgesteld en die aan het begin van elk rapportagejaar wordt verricht;

b)

de betaling van het saldo vindt plaats nadat de Commissie heeft geverifieerd en geoordeeld dat de toegezonden bedrijfsformulieren naar behoren zijn ingevuld.

2.   Het aan elke lidstaat betaalde bedrag vormt een bijdrage aan de volgende acties: het naar behoren invullen van de bedrijfsformulieren en verbeteringen van de termijnen, processen, systemen en procedures voor de gegevensverstrekking en van de algehele kwaliteit van de bedrijfsformulieren.

3.   De Commissie behoudt zich het recht voor onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.

Artikel 16

Aan de lidstaten te betalen bedrag

1.   Het in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde bedrag dat aan elke lidstaat moet worden betaald, wordt vastgesteld op 636 EUR per bedrijfsformulier.

2.   Indien de in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde drempelwaarden van 80 % noch op het niveau van een IDL-streek, noch op het niveau van de betrokken lidstaat worden bereikt, wordt de in die bepaling bedoelde verlaging alleen op het niveau van de lidstaat toegepast.

Artikel 17

Aan de lidstaten te betalen bedrag voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027

1.   In afwijking van artikel 16, lid 1, van deze verordening is voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027 het in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde bedrag dat aan elke lidstaat moet worden betaald, gelijk aan de in de in bijlage X bij deze verordening vastgestelde maximumbedragen. Dit bedrag bestaat uit:

a)

een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om de gegevens in de tabellen A tot en met M van bijlage VIII bij deze verordening (“ILB-gegevens”) te verstrekken, met uitzondering van de in bijlage IX bij deze verordening vermelde variabelen;

b)

een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om de termijnen, processen, systemen en procedures voor de gegevensverstrekking en de algehele kwaliteit van de bedrijfsformulieren te verbeteren;

c)

een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om alle IDL-gegevens, met uitzondering van ILB-gegevens, in overeenstemming met de in bijlage IX bij deze verordening vastgestelde vrijstellingen te verstrekken.

2.   Indien voor een lidstaat het totale aantal naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren dat binnen de in artikel 11 vastgestelde termijn is verstrekt, kleiner is dan het in bijlage II voor die lidstaat vastgestelde maximumaantal bedrijven met boekhouding, worden de in lid 1, punten a) en c), bedoelde bedragen evenredig verlaagd.

Wanneer het totale aantal naar behoren ingevulde en verstrekte bedrijfsformulieren met betrekking tot een IDL-streek of een lidstaat minder dan 80 % bedraagt van de in bijlage II bij deze verordening vermelde bedrijven met boekhouding, wordt overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 echter een verlaging toegepast op de in lid 1, punten a) en c), van dit artikel bedoelde bedragen.

3.   Voor IDL-gegevens, met uitzondering van bestaande ILB-gegevens, als bedoeld in lid 1, punt c), wordt, indien een lidstaat als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel verstrekt waarin gegevens ontbreken, dat bedrijfsformulier, in afwijking van artikel 13, lid 2, als naar behoren ingevuld beschouwd. Het in lid 1, punt c), bedoelde bedrag wordt echter wel verlaagd met 21 EUR per onvolledige tabel, rekening houdend met de in bijlage IX vastgestelde vrijstellingen.

4.   Voor ILB-gegevens als bedoeld in lid 1, punt a), wordt, indien een lidstaat als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel met ontbrekende gegevens verstrekt, het te betalen bedrag voor het bedrijfsformulier dat de onvolledige tabel bevat, niet toegewezen.

5.   Indien een lidstaat voor het rapportagejaar 2025 of 2026 als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel indient met gegevens die overeenkomstig bijlage IX alleen voor het rapportagejaar 2027 vereist zijn, wordt voor elke vooraf geleverde tabel een aanvullend bedrag van 21 EUR aan de lidstaat betaald.

De jaarlijkse maximumbedragen voor het vooraf verstrekken van gegevens die overeenkomstig bijlage IX pas voor het rapportagejaar 2027 moeten worden verstrekt, zijn opgenomen in bijlage X in de rubriek “Reserve voor vooraf verstrekte gegevens”. Indien het totale bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de eerste alinea van dit lid, hoger is dan het in bijlage X vastgestelde maximumbedrag van de reserve voor vooraf verstrekte gegevens, wordt het bedrag per tabel evenredig verlaagd om ervoor te zorgen dat het totale bedrag het in bijlage IX vastgestelde jaarlijkse maximumbedrag niet overschrijdt.

AFDELING 5

VERSTREKKING VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 BIS, LID 1, PUNT a), VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009 AAN DE COMMISSIE

Artikel 18

Uit de gegevensreeks te extraheren gegevens

De gegevens die uit de in artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks moeten worden geëxtraheerd, zijn vastgesteld in bijlage XI bij deze verordening.

Artikel 19

Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie

1.   De gegevens worden bij de Commissie ingediend door het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan via een geautomatiseerd gegevenssysteem, zoals vastgesteld in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vorm en de opmaak van de gegevens zijn vastgesteld in bijlage XI bij deze verordening.

2.   De Commissie stelt de verbindingsorganen binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven in kennis van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem.

3.   De gegevens met betrekking tot het rapportagejaar N worden uiterlijk op 15 december van jaar N+2 aan de Commissie toegezonden.

4.   Het eerste jaar van toezending van gegevens is 2027 en heeft betrekking op het rapportagejaar 2025. De verbindingsorganen kunnen echter gegevens met betrekking tot voorgaande rapportagejaren toezenden. De Commissie kan de verbindingsorganen vrijstellen van het toezenden van gegevens voor een bepaald rapportagejaar indien een met redenen omkleed verzoek uiterlijk op 31 oktober van het rapportagejaar N+1 bij de Commissie wordt ingediend.

5.   De gegevens worden geacht aan de Commissie te zijn verstrekt zodra aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de in artikel 18 bedoelde gegevens zijn in het in lid 1 van dit artikel bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem ingevoerd;

b)

de daaropvolgende computercontroles zijn uitgevoerd, en

c)

het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht.

6.   De verbindingsorganen verstrekken de gegevens die vervat zijn in de in artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks. De verbindingsorganen zijn niet verplicht ervoor te zorgen dat die gegevensreeks volledig in overeenstemming is met de bij de Commissie ingediende IDL-gegevens.

AFDELING 6

VERSTREKKING VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 BIS, LID 1, PUNT b), VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009 AAN DE COMMISSIE

Artikel 20

Uit de gegevensreeks te extraheren gegevens

De gegevens die uit de in artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks moeten worden geëxtraheerd, zijn vastgesteld in bijlage XII bij deze verordening.

Artikel 21

Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie

1.   Het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan dient de gegevens bij de Commissie in via een geautomatiseerd gegevenssysteem als bedoeld in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vorm en de opmaak van de gegevens zijn vastgesteld in bijlage XII bij deze verordening.

2.   De Commissie stelt het verbindingsorgaan binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven in kennis van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem.

3.   De gegevens met betrekking tot het rapportagejaar N worden uiterlijk op 15 december van jaar N+1 aan de Commissie toegezonden.

4.   Het eerste jaar van toezending van gegevens is 2028 en heeft betrekking op het rapportagejaar 2027.

De verbindingsorganen kunnen echter gegevens met betrekking tot voorgaande rapportagejaren toezenden.

De Commissie kan de verbindingsorganen met ingang van het rapportagejaar 2027 vrijstellen van het toezenden van gegevens voor een bepaald rapportagejaar indien een met redenen omkleed verzoek uiterlijk op 31 oktober van het rapportagejaar N wordt verzonden.

5.   De gegevens worden geacht aan de Commissie te zijn verstrekt zodra aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de in artikel 20 bedoelde gegevens zijn in het in lid 1 van dit artikel bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem ingevoerd;

b)

de daaropvolgende computercontroles zijn uitgevoerd, en

c)

het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht.

6.   De verbindingsorganen verstrekken de gegevens die vervat zijn in de in artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks. De verbindingsorganen zijn niet verplicht ervoor te zorgen dat die gegevensreeks volledig in overeenstemming is met de bij de Commissie ingediende IDL-gegevens.

AFDELING 7

NADERE REGELS VOOR DE OPSLAG, DE VERWERKING, HET HERGEBRUIK EN HET DELEN VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8 BIS, LID 2, VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009

Artikel 22

Geautomatiseerd gegevenssysteem

Het in artikel 8 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem dat door de Commissie is opgezet, zorgt voor een veilige uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie.

Het in de eerste alinea bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem waarborgt een IT-beveiligingsbeleid dat van toepassing is op het personeel dat het systeem gebruikt, overeenkomstig de relevante voorschriften van de Unie, met name Besluit (EU, Euratom) 2017/46.

Tijdens de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1217/2009 verkregen afzonderlijke gegevens worden gebruikt overeenkomstig de artikelen 16, 16 bis en 16 ter van die verordening.

AFDELING 8

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Herzieningsclausule

1.   De definities van variabelen in bijlage VIII bij deze verordening, de financiële regels in afdeling 4 van deze verordening en de bepalingen inzake de verstrekking van gegevens in afdeling 5 van deze verordening worden uiterlijk op 30 september 2027 door de Commissie herzien volgens de procedure van artikel 19 ter van Verordening (EG) nr. 1217/2009.

2.   De in lid 1 bedoelde herziening wordt voorafgegaan door een analyse van de Commissie, die op basis van onder meer de inbreng van de lidstaten nagaat of de voorgestelde wijzigingen van deze verordening haalbaar zijn.

Artikel 24

Intrekking

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2025.

Die verordening blijft evenwel van toepassing op de boekjaren vóór 2025.

Artikel 25

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van het rapportagejaar 2025.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 oktober 2024.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)   PB L 328 van 15.12.2009, blz. 27, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1217/oj.

(2)  Verordening (EU) 2023/2674 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad wat betreft de omzetting van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen in een informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (PB L, 2023/2674, 29.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2674/oj).

(3)  Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1091/oj).

(4)  Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).

(5)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).

(6)  Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).

(7)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/2/oj).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie van 21 december 2022 tot vaststelling van een lijst met specifieke hoogwaardige datasets en de regelingen voor publicatie en hergebruik van die gegevens (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/138/oj).

(9)  Besluit (EU, Euratom) 2017/46 van de Commissie van 10 januari 2017 over de beveiliging van communicatie- en informatiesystemen binnen de Europese Commissie (PB L 6 van 11.1.2017, blz. 40, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/46/oj).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie van 3 februari 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (PB L 46 van 19.2.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/220/oj).

(11)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).


BIJLAGE I

Drempelwaarde van de economische omvang voor het waarnemingsgebied als bedoeld in artikel 1

Lidstaat/IDL-streek

Drempelwaarde (in EUR)

België

25 000

Bulgarije

4 000

Tsjechië

15 000

Denemarken

25 000

Duitsland

25 000

Estland

8 000

Ierland

8 000

Griekenland

8 000

Spanje

8 000

Frankrijk (met uitzondering van La Réunion en Antilles françaises)

25 000

Frankrijk (alleen La Réunion en Antilles françaises)

15 000

Kroatië

4 000

Italië

8 000

Cyprus

4 000

Letland

4 000

Litouwen

4 000

Luxemburg

25 000

Hongarije

8 000

Malta

4 000

Nederland

25 000

Oostenrijk

15 000

Polen

8 000

Portugal

4 000

Roemenië

4 000

Slovenië

4 000

Slowakije

25 000

Finland

15 000

Zweden

15 000


BIJLAGE II

Aantal bedrijven met boekhouding als bedoeld in artikel 2

Referentieaantal

Naam IDL-streek

Aantal bedrijven met boekhouding per rapportagejaar

BELGIË

341

Vlaanderen

650

342

Brussel-Bruxelles

343

Wallonie

450

Totaal België

1 100

BULGARIJE

831

Северозападен (Severozapaden)

393

832

Северен централен (Severen tsentralen)

377

833

Североизточен (Severoiztochen)

347

834

Югозападен (Yugozapaden)

222

835

Южен централен (Yuzhen tsentralen)

482

836

Югоизточен (Yugoiztochen)

381

Totaal Bulgarije

2 202

745

TSJECHIË

1 282

370

DENEMARKEN

1 450

DUITSLAND

015

Sleeswijk-Holstein/Hamburg

294

030

Nedersaksen

660

040

Bremen

050

Nordrhein-Westfalen

689

060

Hessen

317

070

Rheinland-Pfalz

543

080

Baden-Württemberg

438

090

Bayern

1 164

100

Saarland

64

110

Berlin

112

Brandenburg

184

113

Mecklenburg-Vorpommern

106

114

Sachsen

212

115

Sachsen-Anhalt

225

116

Thüringen

215

Totaal Duitsland

5 111

755

ESTLAND

580

380

IERLAND

900

GRIEKENLAND

450

Μακεδονία-Θράκη (Macedonië-Thracië)

1 050

460

Ήπειρος-Πελοπόννησος-Νήσοι Ιονίου (Epirus-Peloponnesos-Ionische Eilanden)

920

470

Θεσσαλία (Thessalia)

370

480

Στερεά Ελλάς-Νήσοι Αιγαίου-Κρήτη (Sterea Ellas-Egeïsche Eilanden-Kreta)

626

 

Totaal Griekenland

2 966

SPANJE

500

Galicia

450

505

Asturias

190

510

Cantabria

150

515

País Vasco

352

520

Navarra

316

525

La Rioja

244

530

Aragón

676

535

Cataluña

664

540

Islas Baleares

180

545

Castilla y León

950

550

Madrid

190

555

Castilla-La Mancha

900

560

Comunidad Valenciana

638

565

Murcia

348

570

Extremadura

718

575

Andalucía

1 504

580

Canarias

230

Totaal Spanje

8 700

FRANKRIJK

121

Île-de-France

190

131

Champagne-Ardenne

370

132

Picardie

270

133

Haute-Normandie

170

134

Centre

410

135

Basse-Normandie

240

136

Bourgogne

340

141

Nord-Pas-de-Calais

280

151

Lorraine

230

152

Alsace

200

153

Franche-Comté

210

162

Loire

460

163

Bretagne

480

164

Poitou-Charentes

360

182

Aquitaine

550

183

Midi-Pyrénées

480

184

Limousin

220

192

Rhône-Alpes

480

193

Auvergne

360

201

Languedoc-Roussillon

430

203

Provence-Alpes-Côte d'Azur

420

204

Corse

170

207

La Réunion

160

208

Antilles françaises

120

Totaal Frankrijk

7 600

KROATIË

861

Jadranska Hrvatska

329

862

Kontinentalna Hrvatska

922

Totaal Kroatië

1 251

ITALIË

221

Valle d'Aosta

233

222

Piemonte

481

230

Lombardia

588

241

Trentino

434

242

Alto Adige

418

243

Veneto

559

244

Friuli-Venezia-Giulia

374

250

Liguria

392

260

Emilia-Romagna

503

270

Toscana

436

281

Marche

388

282

Umbria

426

291

Lazio

600

292

Abruzzo

490

301

Molise

355

302

Campania

533

303

Calabria

460

311

Puglia

456

312

Basilicata

372

320

Sicilia

445

330

Sardegna

475

Totaal Italië

9 418

740

CΥΡRUS

500

770

LETLAND

1 000

775

LITOUWEN

1 000

350

LUXEMBURG

450

HONGARIJE

764

Észak-Magyarország

170

767

Alföld

1 180

768

Dunántúl

550

 

Totaal Hongarije

1 900

780

MALTA

536

360

NEDERLAND

1 500

660

OOSTENRIJK

1 800

POLEN

785

Pomorze i Mazury

1 340

790

Wielkopolska i Śląsk

2 960

795

Mazowsze i Podlasie

3 600

800

Małopolska i Pogórze

1 100

Totaal Polen

9 000

PORTUGAL

615

Norte e Centro

1 233

630

Ribatejo-Oeste

351

640

Alentejo e Algarve

399

650

Açores e Madeira

317

Totaal Portugal

2 300

ROEMENIË

840

Nord-Est

724

841

Sud-Est

913

842

Sud-Muntenia

857

843

Sud-Vest-Oltenia

519

844

Vest

598

845

Nord-Vest

701

846

Centru

709

847

București-Ilfov

79

 

Totaal Roemenië

5 100

820

SLOVENIË

908

810

SLOWAKIJE

562

FINLAND

670

Etelä-Suomi

324

675

Pohjanmaa, Sisä- en Pohjois-Suomi

326

Totaal Finland

650

ZWEDEN

710

Slättbyggdslän

637

720

Skogs- och mellanbygdslän

258

730

Län i norra Sverige

130

Totaal Zweden

1 025


BIJLAGE III

Modellen en methoden voor de opstelling van het keuzeplan als bedoeld in artikel 3, lid 1

Krachtens Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet elke lidstaat een plan voor de keuze van bedrijven met boekhouding opstellen dat een representatieve steekproef van het waarnemingsgebied waarborgt. Om de representativiteit van de IDL-gegevens voor het betrokken waarnemingsgebied op streekniveau te waarborgen, wordt in het keuzeplan geen cluster van IDL-streken toegepast.

Evenzo moeten elke relevante productierichting en economische omvang die in de telling of enquête voor geïntegreerde landbouwstatistieken (IFS) zijn vertegenwoordigd, worden behandeld op een detailniveau dat representatieve resultaten voor belangrijke groepen van landbouwbedrijven oplevert, binnen de grenzen van de steekproefgrootte. Gezien de organisatorische en technische oplossingen die momenteel op het niveau van de Commissie beschikbaar zijn om te voorzien in gewogen resultaten voor het waarnemingsgebied van het IDL, mogen in een door de lidstaten aan de Commissie verstrekte IDL-steekproef de belangrijkste kenmerken van landbouwbedrijven in het waarnemingsgebied niet significant worden onder- of oververtegenwoordigd. Het gaat hierbij ook landbouwmethoden zoals biologische landbouw en kenmerken van landbouwbedrijven, zoals in het kader van de bijenteelt. In het geval van een selecte keuze van landbouwbedrijven in de steekproef (bedrijven met boekhouding) voor het IDL moet de keuzeprocedure erop gericht zijn om vertekening te vermijden en geschikte steekproeven op te leveren ten behoeve van het IDL, met name voor een correcte beoordeling van het inkomen van de landbouwbedrijven waarop de waarnemingen betrekking hebben. Afzonderlijke clusters moeten duidelijk verwijzen naar algemene en hoofdproductierichtingen en/of gespecialiseerde bijzondere productierichtingen om deze eenduidig op basis van de classificatie te identificeren, vooral wat betreft soorten landbouw die van bijzonder belang zijn in de lidstaat.

De in artikel 5 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevens worden aan de Commissie verstrekt op basis van de volgende structuur:

1.   FACTSHEET

1.

Algemene informatie

1.1.

Rapportagejaar

1.2.

Lidstaat

1.3.

Naam van het verbindingsorgaan

1.4.

Is het verbindingsorgaan een onderdeel van de overheid (ja/nee)?

2.

Grondslag van het keuzeplan

2.1.

Bron van de totale populatie van bedrijven

2.2.

Jaar van de gebruikte populatie van bedrijven

2.3.

Jaar van de standaardopbrengstcoëfficiënten

3.

Methoden voor de stratificatie van het waarnemingsgebied

3.1.

Clustering naar productierichting

3.2.

Clustering naar bedrijfsgrootteklasse

3.3.

Aanvullend nationaal criterium dat voor de stratificatie van het waarnemingsgebied wordt gebruikt

3.3.1.

Licht in voorkomend geval het gebruikte nationale criterium nader toe:

3.3.2.

Wordt het aanvullende nationale criterium gebruikt in de nationale keuze van de steekproef?

3.3.3.

Wordt het aanvullende nationale criterium gebruikt in de nationale weging van de steekproef?

3.3.4.

Als het nationale criterium voor de keuze op het niveau van de Unie wordt gebruikt, leg dan uit waarom en wat de implicaties zijn voor de representativiteit van het waarnemingsgebied van het IDL van de Unie.

4.

Methode voor de bepaling van het steekproefpercentage en steekproefgrootte per stratum

 

Proportionele allocatie

Optimale allocatie

Combinatie van proportionele en optimale allocatie

Andere methode

5.

Methode voor de keuze van de bedrijven met boekhouding

 

Aselecte keuze

Selecte keuze

Combinatie van aselecte en selecte keuze

Andere methode

6.

Wordt een actualisering van dit keuzeplan verwacht? Om welke reden?

7.

Niet in de voorgaande punten verstrekte verdere informatie

8.

Het Nationaal Comité heeft het keuzeplan goedgekeurd op

2.   KEUZEPLANTABELLEN

Bijzonderheden over de referentiepopulatie en over de steekproef voor het desbetreffende rapportagejaar worden verstrekt op basis van de modellen van de volgende tabellen, die integrerend deel uitmaken van de keuzeplandocumentatie. Tabel 4 wordt als een afzonderlijk bestand in het door de Commissie vastgestelde formaat ingediend.

Tabel 1

Clustervoorschriften voor de voor het IDL van de Unie gekozen steekproef van bedrijven

Structuur tabel

Nummer kolom

Beschrijving kolom

1

IDL-streekcode (gebruik referentienummers overeenkomstig bijlage II)

2

Clusters van productierichtingen (gebruik nummers die productierichtingen overeenkomstig bijlage IV aanduiden)

3

Clusters van klassen van economische bedrijfsomvang (gebruik nummers die klassen van economische bedrijfsomvang overeenkomstig bijlage V aanduiden)


Tabel 2

Dekking van de steekproef

Structuur tabel

Nummer kolom

Beschrijving kolom

1

Klassen van economische bedrijfsomvang (overeenkomstig bijlage V)

2

Ondergrenzen van de klassen van economische bedrijfsomvang (in EUR)

3

Bovengrenzen van de klassen van economische bedrijfsomvang (in EUR)

4

Aantal in de populatie vertegenwoordigde bedrijven

5

Invers cumulatief percentage van het aantal in de populatie vertegenwoordigde bedrijven

6

In de populatie vertegenwoordigde oppervlakte cultuurgrond (ha)

7

Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde oppervlakte cultuurgrond

8

In de populatie vertegenwoordigde totale standaardopbrengst

9

Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde totale standaardopbrengst

10

Aantal in de populatie vertegenwoordigde grootvee-eenheden

11

Invers cumulatief percentage van het aantal vertegenwoordigde grootvee-eenheden

12

Aantal in de populatie vertegenwoordigde arbeidsjaareenheden (AJE)

13

Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde AJE


Tabel 3

Verdeling van bedrijven in de populatie

Structuur tabel

Nummer kolom

Beschrijving kolom

1

Code — hoofdproductierichting (overeenkomstig bijlage IV)

2

Omschrijving — hoofdproductierichting

3

Klasse van economische bedrijfsomvang — 1 (klassen overeenkomstig bijlage V)

4

Klasse van economische bedrijfsomvang — 2

5

Klasse van economische bedrijfsomvang — 3

6

Klasse van economische bedrijfsomvang — 4

7

Klasse van economische bedrijfsomvang — 5

8

Klasse van economische bedrijfsomvang — 6

9

Klasse van economische bedrijfsomvang — 7

10

Klasse van economische bedrijfsomvang — 8

11

Klasse van economische bedrijfsomvang — 9

12

Klasse van economische bedrijfsomvang — 10

13

Klasse van economische bedrijfsomvang — 11

14

Klasse van economische bedrijfsomvang — 12

15

Klasse van economische bedrijfsomvang — 13

16

Klasse van economische bedrijfsomvang — 14

17

Totaal aantal bedrijven in de populatie in de betreffende hoofdproductierichting


Tabel 4

Machineleesbaar keuzeplan

Structuur tabel

Nummer kolom

Beschrijving kolom

1

Rapportagejaar

2

Lidstaatcode zoals gedefinieerd door het systeem voor gegevensverstrekking

3

IDL-streekcode (referentienummers zoals vastgesteld in bijlage II)

4

Clusters van productierichtingen (nummers voor productierichtingen zoals vastgesteld in bijlage IV)

5

Clusters van klassen van economische bedrijfsomvang (nummers voor klassen zoals vastgesteld in bijlage V)

6

Te kiezen aantal bedrijven

7

Aantal bedrijven in de populatie


BIJLAGE IV

Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen en de overeenstemming ervan met algemene en hoofdproductierichtingen als bedoeld in artikel 4

De volgende definities zijn van toepassing:

(a)

standaardopbrengst (SO) [EN: “Standard output” (SO)]: de standaardwaarde van de brutoproductie. De SO wordt gebruikt voor de indeling van landbouwbedrijven overeenkomstig de typologie van de Unie voor landbouwbedrijven (waarin de productierichting wordt bepaald op basis van de hoofdproductie) en voor de bepaling van de economische omvang van landbouwbedrijven.

(b)

standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC) [EN: “Standard output coefficient” (SOC)]: de gemiddelde geldwaarde van de brutoproductie van elke landbouwvariabele als bedoeld in artikel 6, lid 1, die overeenstemt met de gemiddelde situatie in een bepaalde regio, per productie-eenheid. SOC’s worden berekend tegen de prijs af boerderij, in EUR per hectare gewas of in EUR per stuk vee (uitzonderingen zijn paddenstoelen (in EUR per 100 m2), pluimvee (in EUR per honderd stuks) en bijen (in EUR per volk)). Btw, belastingen en subsidies zijn niet inbegrepen in de prijs af boerderij. SOC’s worden ten minste telkens geactualiseerd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden.

(c)

totale SO van een bedrijf: de som van de afzonderlijke productie-eenheden van een specifiek bedrijf, die telkens worden vermenigvuldigd met de desbetreffende SOC.

1.   GESPECIALISEERDE BIJZONDERE PRODUCTIERICHTINGEN

Aan de bepaling van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen liggen twee uitgangspunten ten grondslag, namelijk:

(a)

de aard van de betrokken variabelen.

De variabelen zijn ontleend aan de relevante lijst van variabelen waarvoor in het kader van de IFS-enquête gegevens worden verzameld: zij worden aangeduid met de code die is vermeld in de overeenstemmingstabel in deel 2.1 van deze bijlage, of met een code waaronder een aantal van die variabelen is gegroepeerd, voor welke codes wordt verwezen naar deel 2.2 van deze bijlage (1);

(b)

de voorwaarden voor de bepaling van de klassengrenzen.

Tenzij anders vermeld, worden deze voorwaarden aangegeven als breuken van de totale SO van het bedrijf.

Het bedrijf mag alleen onder de desbetreffende gespecialiseerde bijzondere productierichting worden ingedeeld als aan alle voor de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen aangegeven voorwaarden cumulatief is voldaan.

Gespecialiseerde bedrijven — gewassen

Productierichting (PR)

(omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1

(C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

1

Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

15

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

151

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen (andere dan rijst), oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

Granen, uitgezonderd rijst, oliehoudende zaden, drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

P151 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

152

Gespecialiseerde rijstbedrijven

Rijst > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

SO_CLND013 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

153

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en rijst

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 151 en 152

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3

 

 

16

Andere akkerbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

161

Gespecialiseerde hakvruchtenbedrijven

Aardappelen, suikerbieten en andere hakvruchten, niet elders genoemd (n.e.g.) > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

P17 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

162

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en hakvruchten

Granen, oliehoudende zaden en drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 1/3 EN hakvruchten > 1/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 > 1/3 EN P17 > 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

163

Gespecialiseerde akkerbouwgroentebedrijven

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — akkerbouwmatig geteeld > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND045 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

164

Gespecialiseerde tabakbedrijven

Tabak > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND032 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

165

Gespecialiseerde katoenbedrijven

Katoen > 2/3

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

SO_CLND030 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

166

Bedrijven met diverse combinaties van akkerbouwgewassen

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 161, 162, 163, 164 en 165

P1 > 2/3

P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2

Gespecialiseerde tuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

21

Gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

211

Gespecialiseerde glasgroentebedrijven

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

SO_CLND081 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

212

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten onder glas

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

SO_CLND082 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

213

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw onder glas

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 211 en 212

P2 > 2/3

SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

22

Gespecialiseerde opengrondstuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

221

Gespecialiseerde opengrondsgroentebedrijven

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — tuinbouwmatig geteeld > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

SO_CLND044 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

222

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten in de open grond

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

SO_CLND046 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

223

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw in de open grond

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 221 en 222

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3

 

 

23

Andere tuinbouwbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

231

Gespecialiseerde paddenstoelbedrijven

Paddenstoelen > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

SO_CLND079 > 2/3

 

 

 

232

Gespecialiseerde boomkwekerijbedrijven

Boomkwekerijgewassen > 2/3

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

SO_CLND070 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

233

Bedrijven met diverse tuinbouwteelten

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 231 en 232

P2 > 2/3

SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3

Gespecialiseerde bedrijven blijvende teelten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

35

Gespecialiseerde bedrijven wijnbouw en druiventeelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

351

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — kwaliteitswijn

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) en druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND064 + SO_CLND065 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

352

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — andere wijn dan kwaliteitswijn

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND066 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

353

Gespecialiseerde bedrijven tafeldruiven

Tafeldruiven > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

SO_CLND067 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

354

Andere bedrijven wijnbouw en druiventeelt

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351, 352 en 353

P3 > 2/3

SO_CLND062> 2/3

 

 

36

Gespecialiseerde fruit- en citrusteeltbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

361

Gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (andere vruchten dan citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten)

Fruit van gematigde breedten en kleinfruit (uitgezonderd aardbeien) > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3

SO_CLND056_57 + SO_CLND059 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

362

Gespecialiseerde citrusteeltbedrijven

Citrusfruit > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3

SO_CLND061> 2/3

 

 

 

363

Gespecialiseerde notenteeltbedrijven

Noten > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

SO_CLND060 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

364

Gespecialiseerde bedrijven tropisch en subtropisch fruit

Fruit van subtropische en tropische breedten > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

SO_CLND058 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

365

Gespecialiseerde bedrijven fruit, citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten: gemengde productie

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 361, 362, 363 en 364

P3 > 2/3

SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

37

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

370

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

Olijfboomgaarden > 2/3

P3 > 2/3

SO_CLND069 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

38

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

380

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351 tot en met 370

P3 > 2/3

 

 

Gespecialiseerde bedrijven — veeteelt

Productierichting (PR)

(omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1

(C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

4

Gespecialiseerde graasdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

45

Gespecialiseerde melkveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

450

Gespecialiseerde melkveebedrijven

Melkkoeien > 3/4 van alle graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 3/4 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

46

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

460

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

Alle runderen (d.w.z. runderen jonger dan een jaar, runderen van één tot twee jaar oud en runderen van twee jaar en ouder (mannelijke dieren, vaarzen, melkkoeien, andere koeien en buffelkoeien))

> 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien ≤ 1/10 van de graasdieren EN

graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 ≤ 1/10 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

47

Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd

 

 

 

 

 

 

 

 

 

470

Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd

Alle runderen > 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/10 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 450

P4 > 2/3

P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/10 GL EN GL > 1/10 P4; uitgezonderd klasse 450

 

 

48

Graasdierbedrijven: schapen, geiten en andere graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

481

Gespecialiseerde schapenbedrijven

Schapen > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

SO_CLVS012 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

482

Bedrijven met schapen en rundvee gecombineerd

Alle runderen > 1/3 van de graasdieren EN schapen > 1/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

P46 > 1/3 GL EN SO_CLVS012 > 1/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

483

Gespecialiseerde geitenbedrijven

Geiten > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

SO_CLVS015 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

484

Bedrijven met diverse graasdieren

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 481, 482 en 483

P4 > 2/3

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

5

Gespecialiseerde hokdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

51

Gespecialiseerde varkensbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

511

Gespecialiseerde fokvarkensbedrijven

Fokzeugen > 2/3

P5 > 2/3

P51 > 2/3

SO_CLVS019 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

512

Gespecialiseerde vleesvarkensbedrijven

Biggen en andere varkens > 2/3

P5 > 2/3

P51 > 2/3

SO_CLVS018 + SO_CLVS020 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

513

Bedrijven met fok- en vleesvarkens gecombineerd

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 en 512

P5 > 2/3

P51 > 2/3

 

 

52

Gespecialiseerde pluimveebedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

521

Gespecialiseerde legkippenbedrijven

Legkippen > 2/3

P5 > 2/3

P52 > 2/3

SO_CLVS022 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

522

Gespecialiseerde slachtpluimveebedrijven

Mesthoenders en ander pluimvee > 2/3

P5 > 2/3

P52 > 2/3

SO_CLVS021 + SO_CLVS023 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

523

Bedrijven met combinaties van legkippen en slachtpluimvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 521 en 522

P5 > 2/3

P52 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

53

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

530

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 tot en met 523

P5 > 2/3

 

 

Gemengde bedrijven

Productierichting (PR)

(omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

(D1)

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1 (C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

6

Bedrijven met combinaties van gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

61

Bedrijven met combinaties van gewassen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

611

Bedrijven met combinaties van tuinbouw en blijvende teelten

Tuinbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P2 > 1/3 EN P3 > 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

612

Bedrijven met combinaties van akker- en tuinbouw

Akkerbouw > 1/3 EN tuinbouw > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P2 > 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

613

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en wijnbouw/druiventeelt

Akkerbouw > 1/3 EN wijngaarden > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN SO_CLND062> 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

614

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en blijvende teelten

Akkerbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3 EN wijngaarden ≤ 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P3 > 1/3 EN SO_CLND062 ≤ 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

615

Bedrijven met combinaties van gewassen (accent op akkerbouw)

Akkerbouw > 1/3 EN geen enkele andere productietak > 1/3

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

P1 > 1/3 EN P2 ≤ 1/3 EN P3 ≤ 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

616

Andere bedrijven met combinaties van gewassen

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 611, 612, 613, 614 en 615

(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3

 

 

7

Bedrijven met combinaties van veeteelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

73

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

731

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee

P4 + P5 > 2/3 AND P4 ≤ 2/3; P5 ≤ 2/3

P4 > P5

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

732

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren andere dan melkvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 731

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 > P5

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

74

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op hokdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

741

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN hokdieren > 1/3 EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 ≤ P5

P45 > 1/3 GL EN P5 > 1/3 EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

742

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en graasdieren andere dan melkvee

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 741

P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3

P4 ≤ P5

 

8

Bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt

 

 

 

 

 

 

 

 

 

83

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en graasdieren

 

 

 

 

 

 

 

 

 

831

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met melkvee

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee < akkerbouw

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 < P1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

832

Bedrijven met combinaties van melkvee met akkerbouw

Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee ≥ akkerbouw

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 ≥ P1

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

833

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee

Akkerbouw > graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 831

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

P1 > P4; uitgezonderd klasse 831

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

834

Bedrijven met combinaties van graasdieren andere dan melkvee met akkerbouw

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832 en 833

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

P1> 1/3 EN P4 > 1/3

 

 

84

Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties

 

 

 

 

 

 

 

 

 

841

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en hokdieren

Akkerbouw > 1/3 EN hokdieren > 1/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

P1> 1/3 EN P5 > 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

842

Bedrijven met combinaties van blijvende teelten en graasdieren

Meerjarige teelten > 1/3 EN graasdieren en voedergewassen > 1/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

P3 > 1/3 EN P4 > 1/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

843

Bijenteeltbedrijven

Bijen > 2/3

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

SO_CLVS030 > 2/3

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

844

Bedrijven met andere gewassen- en veeteeltcombinaties

Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 841, 842 en 843

Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen

Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834

 

Niet-geclassificeerde bedrijven

Productierichting (PR)

(omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage)

Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1)

Algemeen

Omschrijving

Hoofd-PR

Omschrijving

Bijzondere specialisatie

Omschrijving

(S1)

Omschrijving van de berekening

Code van de variabelen en voorwaarden

(zie deel B van deze bijlage)

Voorwaarde 1

(C1)

Voorwaarde 2

(C2)

Voorwaarde 3

(C3)

9

Niet-geclassificeerde bedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

99

Niet-geclassificeerde bedrijven

 

 

 

 

 

 

 

 

 

999

Niet-geclassificeerde bedrijven

Totale SO = 0

 

 

 

2.   OVEREENSTEMMINGSTABEL EN GROEPERINGSCODES

2.1.   Vergelijking tussen de rubrieken van de enquête 2020 van de variabelen met betrekking tot structurele kerngegevens in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1091, de rubrieken van de voor te verzamelen SOC’s en het bedrijfsformulier van het IDL

Voor de toepassing van de SOC’s gelijk te stellen rubrieken

IFS-code

IFS-rubriek

SOC-code

SOC-rubriek

IDL-bedrijfsformulier

(bijlage VIII bij deze verordening)

I.

Gewassen

CLND004

Zachte tarwe en spelt

SOC_CLND004

Zachte tarwe en spelt

10110.

Zachte tarwe en spelt

CLND005

Harde tarwe (durum)

SOC_CLND005

Harde tarwe (durum)

10120.

Harde tarwe (durum)

CLND006

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

SOC_CLND006

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

10130.

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

CLND007

Gerst

SOC_CLND007

Gerst

10140.

Gerst

CLND008

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

SOC_CLND008

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

10150.

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

CLND009

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

SOC_CLND009

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

10160.

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

CLND010

Triticale

SOC_CLND010_011_012

Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

10190.

Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

CLND011

Kafferkoren

CLND012

Andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

CLND013

Rijst

SOC_CLND013

Rijst

10170.

Rijst

CLND014

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

SOC_CLND014

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

10210.

Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen

10220.

Linzen, kekers en wikke

10290.

Overige eiwithoudende gewassen

CLND015

Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen

SOC_CLND015

Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen

10210.

— waarvan: Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen

CLND017

Aardappelen (inclusief pootaardappelen)

SOC_CLND017

Aardappelen (inclusief pootaardappelen)

10300.

Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

CLND018

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

SOC_CLND018

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

10400.

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

CLND019

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

SOC_CLND019

Andere hakvruchten, niet elders genoemd

10500.

Andere hakvruchten, voederbieten en voedergewassen van de familie Brassicae, geteeld voor de wortel of de stengel, en andere voederwortel- en -knolgewassen, niet elders genoemd

CLND022

Kool- en raapzaad

SOC_CLND022

Kool- en raapzaad

10604.

Kool- en raapzaad

CLND023

Zonnebloemzaad

SOC_CLND023

Zonnebloemzaad

10605.

Zonnebloemzaad

CLND024

Sojabonen

SOC_CLND024

Sojabonen

10606.

Sojabonen

CLND025

Lijnzaad

SOC_CLND025

Lijnzaad

10607.

Lijnzaad

CLND026

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND026

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

10608.

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

CLND028

Vezelvlas

SOC_CLND028

Vezelvlas

10609.

Vezelvlas

CLND029

Hennep

SOC_CLND029

Hennep

10610.

Hennep

CLND030

Katoen

SOC_CLND030

Katoen

10603.

Katoen

CLND031

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND031

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

10611.

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

CLND032

Tabak

SOC_CLND032

Tabak

10601.

Tabak

CLND033

Hop

SOC_CLND033

Hop

10602.

Hop

CLND034

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

SOC_CLND034

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

10612.

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

CLND035

Energiegewassen, niet elders genoemd

SOC_CLND035_036

Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

10613.

Suikerriet

CLND036

Andere handelsgewassen, niet elders genoemd

10690.

Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

CLND037

Groen geoogste akkerbouwgewassen

SOC_CLND037

Groen geoogste akkerbouwgewassen

 

CLND038

Tijdelijk grasland

SOC_CLND038

Tijdelijk grasland

10910.

Tijdelijk grasland

CLND039

Groen geoogste peulgewassen

SOC_CLND039

Groen geoogste peulgewassen

10922.

Groen geoogste peulgewassen

CLND040

Voedermaïs

SOC_CLND040

Voedermaïs

10921.

Voedermaïs

CLND041

Andere groen geoogste granen (exclusief snijmaïs)

SOC_CLND041_042

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief maïs), niet elders genoemd

10923.

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief snijmaïs), niet elders genoemd

CLND042

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen, niet elders genoemd

CLND043

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien

SOC_CLND043

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — in de openlucht

 

CLND044

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

SOC_CLND044

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

10712.

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

CLND045

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

SOC_CLND045

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

10711.

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

CLND046

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

SOC_CLND046

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht

10810.

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht

CLND047

Zaai- en plantgoed

SOC_CLND047

Zaai- en plantgoed

11000.

Zaaizaad en zaailingen op bouwland

CLND048

Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd

SOC_CLND048_083

Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

11100.

Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND083

Andere gewassen op bouwland onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND049

Braakland

SOC_CLND049

Braakland

11200.

Braakland

CLND050

Blijvend grasland

SOC_CLND050

Blijvend grasland

 

CLND051

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

SOC_CLND051

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

30100.

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

CLND052

Weiden met geringe opbrengst

SOC_CLND052

Weiden met geringe opbrengst

30200.

Weiden met geringe opbrengst

CLND053

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

SOC_CLND053

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

30300.

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

CLND055

Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

SOC_CLND055

Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)

 

 

 

SOC_CLND056_057

Fruit van gematigde breedten

 

CLND056

Pitvruchten

SOC_CLND056

Pitvruchten

40101.

Pitvruchten

CLND057

Steenvruchten

SOC_CLND057

Steenvruchten

40102.

Steenvruchten

CLND058

Fruit van subtropische en tropische breedten

SOC_CLND058

Fruit van subtropische en tropische breedten

40115.

Fruit van subtropische en tropische breedten

CLND059

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

SOC_CLND059

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

40120.

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

CLND060

Noten

SOC_CLND060

Noten

40130.

Noten

CLND061

Citrusvruchten

SOC_CLND061

Citrusvruchten

40200.

Citrusvruchten

CLND062

Druiven

SOC_CLND062

Druiven

 

CLND063

Druiven voor de productie van wijn

SOC_CLND063

Druiven voor de productie van wijn

 

CLND064

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

SOC_CLND064

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40411.

Wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40451.

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

CLND065

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

SOC_CLND065

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

40412.

Wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40452.

Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA)

CLND066

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA)

SOC_CLND066

Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA)

40420.

Overige wijnen

40460.

Druiven voor overige wijn

CLND067

Tafeldruiven

SOC_CLND067

Tafeldruiven

40430.

Tafeldruiven

CLND068

Druiven voor de productie van rozijnen

SOC_CLND068

Druiven voor de productie van rozijnen

40440.

Druiven voor de productie van rozijnen

CLND069

Olijven

SOC_CLND069

Olijven

 

 

 

SOC_CLND069A

waar gewoonlijk tafelolijven worden geproduceerd

40310.

Tafelolijven

 

 

SOC_CLND069B

waar gewoonlijk olijven voor de oliewinning worden geproduceerd

40320.

Olijven voor oliewinning (verkocht in de vorm van vruchten)

 

 

40330.

Olijfolie

CLND070

Boomkwekerijgewassen

SOC_CLND070

Boomkwekerijgewassen

40500.

Boomkwekerijgewassen

CLND071

Andere meerjarige teelten met inbegrip van andere meerjarige teelten voor menselijke consumptie

SOC_CLND071

Andere meerjarige teelten

40600.

Andere meerjarige teelten

CLND072

Kerstbomen

SOC_CLND072

Kerstbomen

40610.

— waarvan kerstbomen

CLND073

Tuinen voor eigen gebruik

SOC_CLND073_085

Tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd

20000.

Tuinen voor eigen gebruik

CLND085

Andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd

CLND079

Gekweekte paddenstoelen

SOC_CLND079

Gekweekte paddenstoelen

60000.

Gekweekte paddenstoelen

CLND081

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND081

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

10720.

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND082

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND082

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

10820.

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

CLND084

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

SOC_CLND084

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

40700.

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

II.

Vee

CLVS001

Runderen jonger dan een jaar

SOC_CLVS001

Runderen jonger dan een jaar

210.

Runderen jonger dan een jaar

CLVS003

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

SOC_CLVS003

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

220.

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

CLVS004

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

SOC_CLVS004

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

230.

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

CLVS005

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

SOC_CLVS005

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

240.

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

CLVS007

Vaarzen van twee jaar en ouder

SOC_CLVS007

Vaarzen van twee jaar en ouder

251.

Fokvaarzen

252.

Mestvaarzen

CLVS008

Koeien

SOC_CLVS008

Koeien

 

CLVS009

Melkkoeien

SOC_CLVS009

Melkkoeien

261.

Melkkoeien

CLVS010

Andere koeien

SOC_CLVS010

Andere koeien

269.

Andere koeien

CLVS011

Buffelkoeien

SOC_CLVS011

Buffelkoeien

262.

Buffelmelkkoeien

CLVS012

Schapen (alle leeftijden)

SOC_CLVS012

Schapen (alle leeftijden)

 

CLVS013

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

SOC_CLVS013

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

311.

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

CLVS014

Andere schapen

SOC_CLVS014

Andere schapen

319.

Andere schapen

CLVS015

Geiten (alle leeftijden)

SOC_CLVS015

Geiten (alle leeftijden)

 

CLVS016

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

SOC_CLVS016

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

321.

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

CLVS017

Andere geiten

SOC_CLVS017

Andere geiten

329.

Andere geiten

CLVS018

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

SOC_CLVS018

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

410.

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

CLVS019

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

SOC_CLVS019

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

420.

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

CLVS020

Andere varkens

SOC_CLVS020

Andere varkens

491.

Mestvarkens

 

499.

Andere varkens

CLVS021

Mesthoenders

SOC_CLVS021

Mesthoenders

510.

Pluimvee — slachtkuikens

CLVS022

Legkippen

SOC_CLVS022

Legkippen

520.

Legkippen

CLVS023

Ander pluimvee

SOC_CLVS023

Ander pluimvee

530.

Ander pluimvee

CLVS029

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

SOC_CLVS029

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

610.

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

CLVS030

Bijen

SOC_CLVS030

Bijen

700.

Bijen

2.2.   II. Codes waaronder diverse variabelen van de IFS 2020 worden gegroepeerd:

P45.

Melkvee = SO_CLVS001 (runderen jonger dan een jaar) + SO_CLVS004 (vaarzen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS007 (vaarzen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS009 (melkkoeien) + SO_CLVS011 (buffelkoeien)

P46.

Runderen = P45 (melkvee) + SO_CLVS003 (mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS005 (mannelijke runderen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS010 (andere koeien)

GL

Graasdieren = P46 (runderen) + SO_CLVS013 (vrouwelijke schapen voor de voortplanting) + SO_CLVS014 (andere schapen) + SO_CLVS016 (vrouwelijke geiten voor de voortplanting) + SO_CLVS017 (andere geiten)

Indien GL = 0, DAN

FCP1

Voor verkoop bestemde voedergewassen = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst)

EN

 

FCP4

Voedergewassen voor graasdieren = 0

EN

 

P17

Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd)

Indien GL > 0, DAN

FCP1

Voor verkoop bestemde voedergewassen = 0

EN

 

FCP4

Voedergewassen voor graasdieren = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst)

EN

 

P17

Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad))


P151.

 

Granen, uitgezonderd rijst = SO_CLND004 (zachte tarwe en spelt) + SO_CLND005 (harde tarwe (durum)) + SO_CLND006 (rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)) + SO_CLND007 (gerst) + SO_CLND008 (mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)) + SO_CLND009 (korrelmaïs en zaad-spil-mengsel) + SO_CLND010_011_012 (triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.))

P15.

 

Granen = P151 (granen, uitgezonderd rijst) + SO_CLND013 (rijst)

P16.

 

Oliehoudende zaden = SO_CLND022 (kool- en raapzaad) + SO_CLND023 (zonnebloemzaad) + SO_CLND024 (sojabonen) + SO_CLND025 (lijnzaad) + SO_CLND026 (andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd)

P51.

 

Varkens = SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) + SO_CLVS019 (fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer) + SO_CLVS020 (andere varkens)

P52.

 

Pluimvee = SO_CLVS021 (mesthoenders) + SO_CLVS022 (legkippen) + SO_CLVS023 (ander pluimvee)

P1.

 

Akkerbouw = P15 (granen) + SO_CLND014 (drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)) + SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND032 (tabak) + SO_CLND033 (hop) + SO_CLND030 (katoen) + P16 (oliehoudende zaden) + SO_CLND028 (vezelvlas) + SO_CLND029 (hennep) + SO_CLND031 (andere vezelgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND034 (aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen) + SO_CLND035_036 (energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND045 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)) + SO_CLND047 (zaai- en plantgoed) + SO_CLND048_083 (andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND049 (braakland) + FCP1 (voor verkoop bestemde voedergewassen)

P2.

 

Tuinbouw = SO_CLND044 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)) + SO_CLND081 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND046 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)) + SO_CLND082 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND079 (gekweekte paddenstoelen) + SO_CLND070 (boomkwekerijgewassen)

P3.

 

Meerjarige teelten = SO_CLND055 (fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)) + SO_CLND061 (citrusvruchten) + SO_CLND069 (olijven) + SO_CLND062 (druiven) + SO_CLND071 (andere meerjarige teelten) + SO_CLND084 (meerjarige teelten onder glas)

P4.

 

Graasdieren en voedergewassen = GL (graasdieren) + FCP4 (voedergewassen voor graasdieren)

P5.

 

Hokdieren = P51 (varkens) + P52 (pluimvee) + SO_CLVS029 (vrouwelijke konijnen voor de voortplanting)

3.   PRODUCTIERICHTINGEN ALS GENOEMD IN DEEL 1

Gespecialiseerde bedrijven — gewassen

Algemene productierichting

Hoofdproductierichting

Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

1.

Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven

15.

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

151.

Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen (andere dan rijst), oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

152.

Gespecialiseerde rijstbedrijven

153.

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en rijst

 

16.

Andere akkerbouwbedrijven

161.

Gespecialiseerde hakvruchtenbedrijven

162.

Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en hakvruchten

163.

Gespecialiseerde akkerbouwgroentebedrijven

164.

Gespecialiseerde tabakbedrijven

165.

Gespecialiseerde katoenbedrijven

166.

Bedrijven met diverse combinaties van akkerbouwgewassen

2.

Gespecialiseerde tuinbouwbedrijven

21.

Gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven

211.

Gespecialiseerde glasgroentebedrijven

212.

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten onder glas

213.

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw onder glas

 

22.

Gespecialiseerde opengrondstuinbouwbedrijven

221.

Gespecialiseerde opengrondsgroentebedrijven

222.

Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten in de open grond

223.

Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw in de open grond

 

23.

Andere tuinbouwbedrijven

231.

Gespecialiseerde paddenstoelbedrijven

232.

Gespecialiseerde boomkwekerijbedrijven

233.

Bedrijven met diverse tuinbouwteelten

3.

Gespecialiseerde bedrijven blijvende teelten

35.

Gespecialiseerde bedrijven wijnbouw en druiventeelt

351.

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — kwaliteitswijn

352.

Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — andere wijn dan kwaliteitswijn

353.

Gespecialiseerde bedrijven tafeldruiven

354.

Andere bedrijven wijnbouw en druiventeelt

 

36.

Gespecialiseerde fruit- en citrusteeltbedrijven

361.

Gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (andere vruchten dan citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten)

362.

Gespecialiseerde citrusteeltbedrijven

363.

Gespecialiseerde notenteeltbedrijven

364.

Gespecialiseerde bedrijven tropisch en subtropisch fruit

365.

Gespecialiseerde bedrijven fruit, citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten: gemengde productie

 

37.

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

370.

Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven

 

38.

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

380.

Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten

Gespecialiseerde bedrijven — veeteelt

Algemene productierichting

Hoofdproductierichting

Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

4.

Gespecialiseerde graasdierbedrijven

45.

Gespecialiseerde melkveebedrijven

450.

Gespecialiseerde melkveebedrijven

 

46.

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

460.

In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven

 

47.

Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd

470.

Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd

 

48.

Graasdierbedrijven: schapen, geiten en andere graasdieren

481.

Gespecialiseerde schapenbedrijven

482.

Bedrijven met schapen en rundvee gecombineerd

483.

Gespecialiseerde geitenbedrijven

484.

Bedrijven met diverse graasdieren

5.

Gespecialiseerde hokdierbedrijven

51.

Gespecialiseerde varkensbedrijven

511.

Gespecialiseerde fokvarkensbedrijven

512.

Gespecialiseerde vleesvarkensbedrijven

513.

Bedrijven met fok- en vleesvarkens gecombineerd

 

52.

Gespecialiseerde pluimveebedrijven

521.

Gespecialiseerde legkippenbedrijven

522.

Gespecialiseerde slachtpluimveebedrijven

523.

Bedrijven met combinaties van legkippen en slachtpluimvee

 

53.

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

530.

Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven

Gemengde bedrijven

Algemene productierichting

Hoofdproductierichting

Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen

6.

Bedrijven met combinaties van gewassen

61.

Bedrijven met combinaties van gewassen

611.

Bedrijven met combinaties van tuinbouw en blijvende teelten

612.

Bedrijven met combinaties van akker- en tuinbouw

613.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en wijnbouw/druiventeelt

614.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en blijvende teelten

615.

Bedrijven met combinaties van gewassen (accent op akkerbouw)

616.

Andere bedrijven met combinaties van gewassen

7.

Bedrijven met combinaties van veeteelt

73.

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren

731.

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op melkvee

732.

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren andere dan melkvee

 

74.

Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op hokdieren

741.

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en melkvee

742.

Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en graasdieren andere dan melkvee

8.

Bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt

83.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en graasdieren

831.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met melkvee

832.

Bedrijven met combinaties van melkvee met akkerbouw

833.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee

834.

Bedrijven met combinaties van graasdieren andere dan melkvee met akkerbouw

 

84.

Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties

841.

Bedrijven met combinaties van akkerbouw en hokdieren

842.

Bedrijven met combinaties van blijvende teelten en graasdieren

843.

Bijenteeltbedrijven

844.

Bedrijven met andere gewassen- en veeteeltcombinaties

9.

Niet-geclassificeerde bedrijven

99.

Niet-geclassificeerde bedrijven

999.

Niet-geclassificeerde bedrijven


(1)  De variabelen SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd), SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen), SO_CLND049 (braakland), SO_CLND073_085 (tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd), SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst), SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst), SO_CLND053 (blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt), SO_CLVS001 (mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar), SO_CLVS014 (andere schapen), SO_CLVS017 (andere geiten) en SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) worden slechts onder bepaalde voorwaarden gebruikt (zie punt 5 van bijlage VI).


BIJLAGE V

Economische bedrijfsomvang en klassen van economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5

1.   ECONOMISCHE BEDRIJFSOMVANG

De economische bedrijfsomvang wordt gemeten als de totale standaardopbrengst van het bedrijf, uitgedrukt in EUR.

2.   KLASSEN VAN ECONOMISCHE BEDRIJFSOMVANG

De bedrijven worden ingedeeld in grootteklassen met de volgende grenzen:

Klassen

Grenzen in EUR

I

minder dan 2 000

II

van 2 000 tot en met 3 999

III

van 4 000 tot en met 7 999

IV

van 8 000 tot en met 14 999

V

van 15 000 tot en met 24 999

VI

van 25 000 tot en met 49 999

VII

van 50 000 tot en met 99 999

VIII

van 100 000 tot en met 249 999

IX

van 250 000 tot en met 499 999

X

van 500 000 tot en met 749 999

XI

van 750 000 tot en met 999 999

XII

van 1 000 000 tot en met 1 499 999

XIII

van 1 500 000 tot en met 2 999 999

XIV

3 000 000 en meer

De grootteklassen II en III, III en IV, IV en V, III tot en met V, VI en VII, VIII en IX, X en XI, XII tot en met XIV of X tot en met XIV mogen worden samengevoegd.


BIJLAGE VI

Standaardopbrengstcoëfficiënten (SOC’S) als bedoeld in artikel 6

1.   DEFINITIE EN WIJZE VAN BEREKENING VAN DE SOC’s

(a)

Bijlage IV bij deze verordening bevat de definitie van standaardopbrengst (SO), standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC) en totale SO van een bedrijf.

(b)

Productieperiode

De SOC’s hebben betrekking op een productieperiode van twaalf maanden

Voor de plantaardige en de dierlijke producten waarbij de productieduur minder of meer dan twaalf maanden bedraagt, wordt een SOC berekend die betrekking heeft op de aanwas of productie over een periode van twaalf maanden.

(c)

Basisgegevens en referentieperiode

De SOC’s worden bepaald op basis van de productie per eenheid en de prijs af boerderij als omschreven in de definitie van SOC in bijlage IV bij deze verordening. De daarvoor benodigde basisgegevens worden in de lidstaten verzameld over een referentieperiode als omschreven in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2024/1417 (1).

(d)

Eenheden

(1)

Fysieke eenheden

(a)

De SOC’s voor de variabelen van de plantaardige productie worden bepaald per hectare van het betrokken areaal.

(b)

Voor paddenstoelen worden de SOC’s bepaald op basis van de bruto-opbrengst van alle opeenvolgende oogsten in de loop van het jaar en uitgedrukt per 100 m2 oppervlak van de bedden. Voor gebruik in het kader van het IDL worden dergelijke SOC’s voor paddenstoelen gedeeld door het krachtens artikel 8 van deze verordening aan de Commissie mee te delen aantal opeenvolgende oogsten per jaar.

(c)

De SOC’s voor de variabelen van de dierlijke productie worden bepaald per dier.

(d)

Uitzonderingen zijn pluimvee, waarvoor de SOC’s per honderd stuks worden bepaald, en bijen, waarvoor de SOC’s per volk worden bepaald.

(2)

Munteenheden en afronding

De basisgegevens voor de bepaling van de SOC’s en de berekende SO’s dienen te luiden in EUR. Voor de lidstaten die niet deelnemen aan de economische en monetaire unie, worden de SOC’s in EUR omgerekend met behulp van de gemiddelde wisselkoersen in de referentieperiode als omschreven in punt 1, c), van deze bijlage. Deze gemiddelde wisselkoersen worden berekend op basis van de door de Commissie (Eurostat) gepubliceerde officiële wisselkoersen.

In passende gevallen mogen de SOC’s op het naaste veelvoud van 5 EUR worden afgerond.

2.   UITSPLITSING VAN DE SOC’s

(a)

per variabele van de plantaardige en de dierlijke productie

De SOC’s worden bepaald voor alle landbouwvariabelen van de rubrieken voor de toepassing van SOC’s zoals opgenomen in tabel 2.1 van bijlage IV bij deze verordening.

(b)

geografisch

De SOC’s worden op zijn minst bepaald op basis van geografische eenheden die bruikbaar zijn voor de IFS en voor het IDL. Deze geografische eenheden zijn alle gebaseerd op de nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) als omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad (2). Deze eenheden worden beschreven als een hergroepering van de NUTS 3-regio’s. Gebieden met natuurlijke beperkingen worden niet als een geografische eenheid beschouwd.

Er wordt geen SOC bepaald voor variabelen die in de betrokken regio niet van belang zijn.

3.   VERZAMELING VAN GEGEVENS VOOR DE BEPALING VAN DE SOC’s

(a)

De basisgegevens voor de bepaling van de SOC’s worden ten minste telkens vernieuwd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden in de vorm van een telling als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad (3).

(b)

Wanneer de IFS wordt gehouden in de vorm van een steekproefenquête als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091, worden de SOC’s geactualiseerd:

(a)

hetzij door de basisgegevens te vernieuwen op soortgelijke wijze als vermeld onder a),

(b)

hetzij door een wijzigingscoëfficiënt toe te passen waarbij de SOC’s worden geactualiseerd op basis van door de lidstaat geraamde veranderingen in de geproduceerde hoeveelheden per eenheid en in de prijzen voor elke variabele en elke regio die zich hebben voorgedaan sinds de meest recente referentieperiode als bedoeld in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2024/1417.

4.   UITVOERING

De lidstaten hebben tot taak overeenkomstig deze bijlage de basisgegevens voor de berekening van de SOC’s te verzamelen, de SOC’s te berekenen en in EUR om te rekenen en in voorkomend geval de voor de toepassing van de actualisatiemethode benodigde gegevens te verzamelen. De lidstaten dienen de gegevens en metagegevens bij de Commissie in met gebruikmaking van een door de Commissie (Eurostat) voorgeschreven technisch formaat. De gegevens en metagegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend via de diensten van het centrale toegangspunt. Op verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten toelichtingen over de berekeningen van de SOC’s die de Commissie moet gebruiken om de samenhang van de methode voor de berekening van de SOC’s in de hele Unie te waarborgen en om aanpassingen van die berekeningsmethode voor te stellen.

5.   BEHANDELING VAN BIJZONDERE GEVALLEN

Voor de berekening van de SOC’s voor bepaalde variabelen en voor de berekening van de totale SO van het bedrijf gelden de volgende specifieke voorschriften:

(a)

Braakland

De SOC voor braakland wordt slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op dat bedrijf andere positieve SOC’s zijn.

(b)

Tuinen voor eigen gebruik

Aangezien de producten van tuinen voor eigen gebruik normaliter bestemd zijn voor consumptie door de bezitter en niet voor verkoop, worden de SOC’s van dergelijke tuinen geacht gelijk te zijn aan nul.

(c)

Vee

Voor rundvee wordt bij de variabelen onderscheid gemaakt naar leeftijdscategorie. De opbrengst komt overeen met de waarde van de aanwas van het dier tijdens zijn verblijf in de betrokken categorie; met andere woorden, de opbrengst komt overeen met het verschil tussen de waarde van het dier wanneer het de categorie verlaat en zijn waarde wanneer het de categorie binnenkomt (ook vervangingswaarde genoemd).

(d)

Runderen jonger dan een jaar

SOC’s voor runderen jonger dan een jaar tellen bij de berekening van de totale SO van het bedrijf alleen mee als er op het bedrijf meer runderen jonger dan een jaar zijn dan koeien. Alleen de SOC’s voor de boventallige runderen jonger dan een jaar worden meegerekend. Voor runderen jonger dan een jaar is er slechts één SOC, ongeacht het geslacht van het dier.

(e)

Andere schapen en andere geiten

De SOC’s voor andere schapen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke schapen voor de voortplanting zijn.

De SOC’s voor andere geiten worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke geiten voor de voortplanting zijn.

(f)

Biggen

De SOC’s voor biggen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen fokzeugen zijn.

(g)

Voedergewassen

Wanneer er geen graasdieren (d.w.z. runderen, schapen of geiten) op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen (d.w.z. voederhakvruchten, groen geoogste gewassen en grasland) beschouwd als bestemd voor verkoop en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de akkerbouw.

Wanneer er wel graasdieren op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen beschouwd als bestemd voor vervoedering aan de graasdieren en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de graasdieren en voedergewassen.


(1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1417 van de Commissie van 13 maart 2024 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven met regels voor de jaarlijkse constatering van de inkomens, voor de analyse van de duurzaamheid van bedrijven en voor de toegang tot gegevens voor onderzoeksdoeleinden en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014 van de Commissie (PB L, 2024/1417, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1417/oj).

(2)  Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1, ELI: http://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2003/1059/oj).

(3)  Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1091/oj).


BIJLAGE VII

Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7

1.   DEFINITIE VAN ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN

De rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden, andere dan de landbouwwerkzaamheden van het bedrijf, omvatten alle niet-landbouwwerkzaamheden die rechtstreeks met het bedrijf verband houden en een economische impact op het bedrijf hebben. Het betreft werkzaamheden waarbij hetzij productiemiddelen van het bedrijf (grond, gebouwen, machines, landbouwproducten enz.), hetzij producten van het bedrijf worden gebruikt.

In dit verband wordt met “winstgevende werkzaamheden” actief werk bedoeld; zuiver financiële investeringen blijven buiten beschouwing. Het verpachten van grond of andere agrarische hulpbronnen van het bedrijf voor diverse activiteiten zonder verdere betrokkenheid bij die activiteiten wordt niet als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd, maar als onderdeel van de landbouwactiviteit van het bedrijf.

De verwerking van landbouwproducten wordt als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd, tenzij de verwerking wordt beschouwd als een onderdeel van een landbouwactiviteit. De productie van wijn en de productie van olijfolie worden als landbouwwerkzaamheden beschouwd indien de ingekochte hoeveelheid wijn of olijfolie niet aanzienlijk is.

De verwerking van een primair landbouwproduct tot een verwerkt secundair product op het bedrijf, ongeacht of de grondstoffen op het bedrijf worden geproduceerd of elders worden gekocht, wordt als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd. Dit omvat onder meer de verwerking van vlees, de bereiding van kaas enz.

2.   SCHATTING VAN HET BELANG VAN DE ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN

Het aandeel van de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de opbrengst van het bedrijf wordt als volgt geschat aan de hand van het aandeel van de omzet uit de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de som van de totale omzet van het bedrijf en de rechtstreekse betalingen van dat bedrijf in het kader van Verordening (EU) nr. 1307/2013 (1):

Formula

3.   KLASSEN NAAR HET BELANG VAN DE ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN

De bedrijven worden in klassen ingedeeld die het aandeel van de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de opbrengst van het bedrijf weerspiegelen. Daarbij gelden de volgende grenzen:

Klassen

Percentageklasse

I

0 % tot en met 10 % (marginaal aandeel)

II

Meer dan 10 % tot en met 50 % (gemiddeld aandeel)

III

Meer dan 50 % tot minder dan 100 % (significant aandeel)


(1)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1307/oj).


BIJLAGE VIII

Definitie van de variabelen, vorm en opmaak van het bedrijfsformulier en frequentie van de toezending van de gegevens als bedoeld in artikel 10

De te compileren gegevens worden jaarlijks toegezonden.

De gegevens worden gecompileerd volgens een op boekhouding gebaseerd beginsel, wat betekent dat IDL-gegevens moeten worden ingevuld op grond van de meest actuele en betrouwbare informatie over een specifieke variabele, die in de eerste plaats afkomstig is van een systematische en regelmatige registratie van transacties en activiteiten van het landbouwbedrijf, voornamelijk op basis van brondocumenten (zoals facturen, leverings-/verzendbonnen, bodem- of andere laboratoriumanalyses).

Zoals bepaald in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 kan de informatie worden gecompileerd met gebruikmaking van andere gegevensbronnen en van methoden voor het verzamelen van gegevens of innovatieve benaderingen voor het delen en compileren van gegevens.

Indien brondocumenten of andere gegevensbronnen niet beschikbaar zijn, moet de informatie zoveel mogelijk worden afgeleid uit andere beschikbare kwantificeringen, waaronder modelleringsresultaten.

Andere kwalitatieve of kwantitatieve informatie moet worden gecompileerd op basis van gestandaardiseerde classificaties.

De te compileren gegevens worden ingedeeld in tabellen en uitgesplitst in groepen, categorieën en kolommen. Gewoonlijk wordt als volgt naar een bepaald gegevensveld verwezen:

<tabelcode>.<groep>.<categoriecode>(.<andere specifieke categoriecodes).kolom

Bij de omzetting in het IDL worden tabellen aangegeven met een code op basis van de volgende regels:

tabelcodes met één cijfer: ILB-tabellen die vóór het rapportagejaar 2025 bestonden;

tabelcodes met twee cijfers: nieuwe IDL-tabellen ingevoerd vanaf het rapportagejaar 2025;

tabelcodes met drie cijfers: nieuwe IDL-tabellen ingevoerd vanaf het rapportagejaar 2025 met betrekking tot hetzelfde thema.

De volgorde van de tabellen in bijlage VIII bij deze verordening weerspiegelt de volgorde van de thema’s in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009.

Specifieke gegevenswaarden worden ingevoerd op kolomniveau. In de tabellen hieronder kunnen gegevenswaarden in de witte cellen worden ingevuld; de donkere cellen met een “—” hebben voor die groep geen betekenis. Daarin kunnen dus geen gegevens worden ingevuld.

Voorbeelden:

B.UT.20.A (kolom A van groep UT, categorie 20, van tabel B) staat voor “oppervlakte” van “gepachte OCG” die onder “OCG in pacht” in tabel B moet worden geregistreerd;

I.A.10110.1.0.TA (kolom TA van groep A, categorie 10110, van tabel I) staat voor de totale oppervlakte “Zachte tarwe en spelt”, teeltwijze 1 “Teelten in volle grond — hoofdgewas, gecombineerd gewas” en de code betreffende ontbrekende gegevens 0 “Geen ontbrekende gegevens”;

M.S.1150.1.2.V (kolom V van groep S, categorie 1150 met de andere specifieke categoriecodes 1 en 2 uit tabel M) staat voor de subsidiewaarde van “Basisinkomenssteun voor duurzaamheid — op basis van betalingsrechten”, die uitsluitend uit de begroting van de Unie wordt gefinancierd en per hectare wordt toegekend.

Als voor een bepaald bedrijf een waarde niet relevant is of ontbreekt, mag niet de waarde “0” worden ingevuld.

Bij de tabellen wordt in de eerste tabel de algemene matrix voor groepen en kolommen weergegeven. De tweede tabel toont de uitsplitsing per categorie, waarbij elke categorie met een of meer codes of subcodes wordt weergegeven.

De gegevens in een bedrijfsformulier worden verstrekt overeenkomstig de volgende regels:

financiële waarden: worden uitgedrukt in geldbedragen zonder btw en zonder rekening te houden met premies en subsidies (1), die afzonderlijk, in EUR of in nationale monetaire eenheden worden aangegeven. Voor de nationale geldeenheden waarvan de relatieve waarde ten opzichte van de euro gering is, kan evenwel tussen het verbindingsorgaan van een betrokken lidstaat en de Commissie worden overeengekomen dat de waardebedragen worden uitgedrukt in 100 of 1 000 nationale geldeenheden;

fysieke hoeveelheden: in 100 kg, behalve voor eieren, die in duizendtallen worden vermeld, en voor wijn en aanverwante producten, die in hectoliters worden vermeld,

oppervlakten: in aren (1 are = 100 m2), behalve voor paddenstoelen, waarvoor de in totaal beteelde oppervlakte in vierkante meter wordt vermeld, en behalve in tabel M “Subsidies”, waar basiseenheden in ha worden vermeld;

gemiddelde veebezetting: met minstens twee cijfers na de komma (in honderdsten van dieren), behalve voor pluimvee en konijnen, die in aantal dieren worden vermeld, en voor bijen, die in aantal volken (bezette kasten of korven) worden vermeld,

arbeidsbezetting: met minstens twee cijfers na de komma (in honderdsten van jaareenheden).

Voor elke tabelcategorie en kolomwaarde worden verdere definities en instructies onder de betrokken tabel gegeven.

Tabel A

Algemene informatie over het bedrijf

Categorie algemene informatie

Code (*)


 

Kolommen

Informatiegroep

IDL-streek

Onderdeel van de streek

Volgnummer van het bedrijf

Raster

NUTS

Datum

Gewicht van het landbouwbedrijf

Productierichting

Klasse van economische bedrijfsomvang

Code

 

 

R

S

H

GR

N

DT

W

TF

ES

C

ID

Identificatie van het bedrijf

 

 

 

LO

Ligging van het bedrijf

 

 

 

AI

Boekhoudkundige informatie

 

 

TY

Typologie

 

 

 

CL

Klassen

 

 

OT

Andere gegevens over het bedrijf

 


Code (*)

Omschrijving

Groep

R

S

H

GR

N

DT

W

TF

ES

C

10

Bedrijfsnummer

ID

 

 

 

25

Inspire-rastercode

LO

 

40

NUTS3

LO

 

60

Soort boekhouding

AI

 

70

Einddatum van het boekjaar

AI

 

80

Door de lidstaat berekend nationaal gewicht

TY

 

90

Indeling op het ogenblik van de keuze

TY

 

 

100

Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

CL

 

110

Soort eigendom/economische doelstelling

CL

 

120

Rechtsvorm

CL

 

130

Niveau van aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden)

CL

 

140

Biologische landbouw

CL

 

142

Jaar waarin het bedrijf is begonnen met de omschakeling naar biologisch

CL

 

145

Aandeel biologische landbouwproducten

CL

 

150

Beschermde oorsprongsbenaming (BOB)/beschermde geografische aanduiding (BGA)/gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS)/product uit de bergen

CL

 

151

Sectoren met BOB/BGA /GTS/product uit de bergen

CL

 

160

Gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen

CL

 

170

Hoogteligging

CL

 

190

Natura 2000-gebied

CL

 

200

Gebied dat onder de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) valt

CL

 

210

Irrigatiesysteem

OT

 

220

Vee-eenheidweidedagen op gemeenschappelijke grond

OT

 

230

Lid van producenten-organisaties (PO’s)

OT

 

231

Economisch belang van de producenten-organisaties (PO’s) voor het landbouw-bedrijf

OT

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

232

Aantal leden van de producenten-organisaties (PO’s)

OT

 

240

Deelname aan onderlinge fondsen

OT

 

241

Compensatie voor verliezen

OT

 

A.ID.   Identificatie van het bedrijf

Zodra een bedrijf met boekhouding voor het eerst wordt gekozen, krijgt het een nummer. Het behoudt dit nummer gedurende de periode dat het aan het IDL deelneemt. Een eenmaal toegekend nummer wordt niet aan een ander bedrijf gegeven.

Wanneer het bedrijf evenwel een grondige verandering ondergaat, en met name wanneer deze verandering het gevolg is van een opsplitsing in twee zelfstandige bedrijven of van een samenvoeging met een ander bedrijf, kan het als een nieuw bedrijf worden beschouwd. In dat geval krijgt het een nieuw nummer. Een wijziging van productierichting vereist geen toekenning van een nieuw nummer. Als het behouden van het bedrijfsnummer aanleiding geeft tot verwarring met een of meer andere bedrijven met boekhouding (bv. bij een nieuwe regionale indeling), wordt het nummer gewijzigd. Een tabel met de oude en de nieuwe nummers wordt door de betrokken lidstaat aan de Commissie verstrekt.

Het bedrijfsnummer omvat drie groepen informatie, namelijk:

 

A.ID.10.R. IDL-streek: hier moet een codenummer worden vermeld, overeenkomend met de code die in bijlage II bij deze verordening is vermeld.

 

A.ID.10.S. Onderdeel van de streek: hier moet een codenummer worden vermeld.

De gekozen onderdelen zijn gebaseerd op het als de “nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)” bekendstaande gemeenschappelijke systeem voor de classificatie van de regio’s dat de Commissie (Eurostat) in samenwerking met de nationale instituten voor de statistiek tot stand heeft gebracht.

De betrokken lidstaat zendt in elk geval aan de Commissie een tabel toe waarin voor iedere gebruikte code van een dergelijk onderdeel de corresponderende NUTS-regio’s en de corresponderende regio waarvoor specifieke standaardopbrengsten worden berekend, zijn vermeld.

A.ID.10.H. Volgnummer van het bedrijf.

A.LO.   Ligging van het bedrijf

Voor de ligging van het bedrijf worden twee aanduidingen gebruikt: de Inspire-rastercode en de code van de territoriale eenheden van NUTS-niveau 3.

A.LO.25.GR. De celcode van het 1 km-vak in het statistische eenhedenraster van Inspire voor pan-Europees gebruik, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie (2), waarin het landbouwbedrijf zich bevindt. Deze code wordt alleen met het oog op de indiening gebruikt.

Voor de verspreiding van gegevens worden, naast de normale controlemechanismen voor de openbaarmaking van gegevens in tabelvorm, geneste rasters gebruikt om ervoor te zorgen dat meer dan 15 landbouwbedrijven in het raster of binnen een administratieve NUTS-eenheid zijn opgenomen.

A.LO.40.N. De NUTS3-code is de code van de territoriale eenheid van NUTS-niveau 3 waar het bedrijf gevestigd is. Hier wordt de meest recente versie van de code gebruikt als omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003.

A.AI.   Boekhoudkundige informatie

A.AI.60.C. Soort boekhouding: hier wordt vermeld welke soort boekhouding het bedrijf voert. De volgende codenummers worden gebruikt:

1

Dubbele boekhouding

2

Enkelvoudige boekhouding

3

Geen

A.AI.70.DT. Einddatum van het boekjaar: moet als volgt worden aangegeven: “JJJJ-MM-DD”, bv. 2009-06-30 of 2009-12-31.

A.TY.   Typologie

A.TY.80.W. Nationaal gewicht van het landbouwbedrijf: de waarde van de door de lidstaat berekende extrapolerende factor wordt vermeld.

A.TY.90.TF. Productierichting op het ogenblik van de keuze: Code van de productierichting van het bedrijf volgens bijlage IV bij deze verordening op het ogenblik dat het bedrijf voor het betrokken boekjaar werd gekozen.

A.TY.90.ES. Economische bedrijfsomvang op het ogenblik van de keuze: de code van de klasse van economische bedrijfsomvang van het bedrijf volgens bijlage V bij deze verordening op het ogenblik dat het bedrijf voor het betrokken boekjaar werd gekozen.

A.CL.   Klassen

A.CL.100.C. Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden: moet worden verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de omzet (3) uit rechtstreeks met het bedrijf verband houdende andere winstgevende werkzaamheden in de totale omzet van het bedrijf wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

≥ 0 tot ≤ 10 % (marginaal aandeel)

2

> 10 % tot ≤ 50 % (gemiddeld aandeel)

3

> 50 % tot < 100 % (significant aandeel)

A.CL.110.C. Soort eigendom/economische doelstelling: hier worden de soort eigendom en de economische doelstellingen van het bedrijf vermeld. De volgende codenummers worden gebruikt:

1

Gezinsbedrijf: het bedrijf maakt gebruik van de arbeid en het kapitaal van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden)/de bedrijfsleider(s) en zijn/haar/hun gezin en zij zijn de begunstigden van de economische activiteit;

2

Partnerschap: de productiefactoren voor het bedrijf worden ingebracht door verscheidene partners, van wie ten minste sommigen niet-betaalde arbeid op het bedrijf verrichten. De winsten gaan naar het partnerschap;

3

Onderneming met winstoogmerk: de opbrengsten worden gebruikt om de aandeelhouders dividenden/winsten uit te keren. Het bedrijf is eigendom van de onderneming;

4

Onderneming zonder winstoogmerk: de opbrengsten worden in de eerste plaats gebruikt om de werkgelegenheid in stand te houden of voor een soortgelijk sociaal doel. Het bedrijf is eigendom van de onderneming;

A.CL.120.C. Rechtsvorm: hier wordt vermeld of het bedrijf al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Geen rechtspersoonlijkheid.

1

Rechtspersoonlijkheid.

A.CL.130.C. Niveau van aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden): hier wordt vermeld welk niveau van aansprakelijkheid (economische verantwoordelijkheid) het (voornaamste) bedrijfshoofd heeft. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

Volledige aansprakelijkheid.

2

Gedeeltelijke aansprakelijkheid.

A.CL.140.C. Biologische landbouw: hier wordt vermeld of het bedrijf biologische productiemethoden in de zin van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad (4), en met name de artikelen 4 en 5, toepast. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

het bedrijf past geen biologische productiemethoden toe;

2

het bedrijf past uitsluitend biologische productiemethoden voor al zijn producten toe;

3

het bedrijf past zowel biologische als andere productiemethoden toe;

4

het bedrijf is aan het omschakelen naar biologische productiemethoden.

A.CL.142.DT. Jaar waarin het bedrijf is begonnen met de omschakeling naar biologisch: het jaar moet als volgt worden aangegeven: “JJJJ”.

A.CL.145.C. Aandeel biologische landbouwproducten die als biologisch worden verkocht in gecertificeerde landbouwbedrijven: indien een bedrijf gecertificeerd is voor biologische landbouw, moet het worden verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de in geldbedragen uitgedrukte verkoop van als biologisch verkochte producten in de totale verkoop op het bedrijf wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

0 %

2

> 0 tot en met ≤ 25 %

3

> 25 % tot en met ≤ 50 %

4

> 50 % tot en met ≤ 75 %

5

> 75 % tot en met < 100 %

6

100 %

A.CL.150.C. “Beschermde oorsprongsbenaming”/”beschermde geografische aanduiding”/”gegarandeerde traditionele specialiteiten”/”product uit de bergen”: hier moet worden vermeld of het bedrijf landbouwproducten en/of levensmiddelen produceert die onder een beschermde oorsprongsbenaming (BOB), een beschermde geografische aanduiding (BGI), een gegarandeerde traditionele specialiteit (GTS) of de aanduiding “Product uit de bergen” vallen, of landbouwproducten produceert waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die worden beschermd met een BOB/BGA/GTS/“Product uit de bergen” in de zin van Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad (5). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

het bedrijf produceert geen enkel product of levensmiddel dat met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding „Product uit de bergen” beschermd is, en evenmin producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding „Product uit de bergen” zijn beschermd;

2

het bedrijf produceert alleen producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding “Product uit de bergen” beschermd zijn, en/of producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd;

3

het bedrijf produceert een aantal producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding “Product uit de bergen” beschermd zijn, en/of een aantal producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd.

A.CL.151.C. Sectoren met beschermde oorsprongsbenaming/beschermde geografische aanduiding/gegarandeerde traditionele specialiteit/product uit de bergen: als het grootste gedeelte van de productie van sommige specifieke sectoren bestaat uit producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd, en/of uit producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” beschermde levensmiddelen, moet hier worden vermeld om welke productiesectoren het gaat (meerdere antwoorden mogelijk). De onderstaande codenummers moeten worden gebruikt. Als het bedrijf een aantal producten of levensmiddelen produceert die met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd, of een aantal producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” beschermde levensmiddelen, maar het in die specifieke sector niet om het grootste gedeelte van de productie gaat, moet de code voor “niet van toepassing” worden gebruikt. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

niet van toepassing

31

granen

32

oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

33

groenten en fruit (waaronder citrusvruchten, maar geen olijven)

34

olijven

35

wijngaarden

36

rundvlees

37

koemelk

38

varkensvlees

39

schapen en geiten (melk en vlees)

40

vlees van pluimvee

41

eieren

42

overige sectoren

De punten A.CL.150.C. Beschermde oorsprongsbenaming/beschermde geografische aanduiding/gegarandeerde traditionele specialiteiten/product uit de bergen en A.CL.151.C zijn facultatief voor de lidstaten. Als ze door de lidstaat worden toegepast, worden ze voor alle bedrijven in de steekproef van de lidstaat ingevuld. Als A.CL.150.C wordt ingevuld, wordt ook A.CL.151.C ingevuld.

A.CL.160.C. Gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied dat valt onder artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een gebied met natuurlijke en andere specifieke beperkingen in de zin van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

21

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied met ernstige natuurlijke beperkingen in de zin van artikel 32, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

22

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied met specifieke beperkingen in de zin van artikel 32, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013;

3

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een berggebied in de zin van artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

A.CL.170.C. Hoogteligging: voor de hoogteligging moeten de volgende codenummers worden gebruikt:

1

het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging beneden 300 m;

2

het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging tussen 300 en 600 m;

3

het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging boven 600 m.

A.CL.190.C. Natura 2000-gebied: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in zones die verband houden met de toepassing van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (8) (Natura 2000). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een Natura 2000-gebied;

2

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt wél in een Natura 2000-gebied.

A.CL.200.C. Gebied dat onder de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) valt: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf in zones ligt die in aanmerking komen voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), zoals vastgesteld in de nationale strategische GLB-plannen op grond van artikel 72 van Verordening (EU) 2021/2115 (10). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een zone die in aanmerking komt voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn2000/60/EG;

2

het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een zone die in aanmerking komt voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG.

A.OT.   Andere gegevens over het bedrijf

A.OT.210.C. Irrigatiesysteem: hier moet worden vermeld wat het belangrijkste irrigatiesysteem is dat in het rapportagejaar op het bedrijf wordt gebruikt:

0

niet van toepassing (als op het bedrijf niet is geïrrigeerd)

1

oppervlakte-irrigatie

2

sprinklerirrigatie

3

druppelirrigatie

4

andere

A.OT.220.C. Vee-eenheidweidedagen op gemeenschappelijke grond: aantal vee-eenheidweidedagen dat het vee van het bedrijf heeft doorgebracht op gemeenschappelijke grond die door het bedrijf wordt gebruikt.

A.OT.230.C Lid van producentenorganisaties (PO’s): hieronder wordt verstaan dat het landbouwbedrijf (bedrijfshoofd(en) of bedrijfsleider(s)) lid is van een producentenorganisatie die de kosten deelt en/of de afzet van landbouwproducten bevordert en, zo ja, welke producten van het landbouwbedrijf door de producentenorganisatie worden afgezet (geef alle sectoren aan die worden bestreken door de PO’s waarvan het landbouwbedrijf lid is). Voor de toepassing van dit onderzoek wordt onder een producentenorganisatie verstaan: elke soort entiteit die op initiatief van producenten is opgericht om in een bepaalde sector gezamenlijke activiteiten te ondernemen (horizontale samenwerking). Producentenorganisaties moeten onder zeggenschap van de producenten zelf staan en kunnen uiteenlopende rechtsvormen hebben, bijvoorbeeld een landbouwcoöperatie, een vereniging van landbouwers, of een particuliere onderneming met de producenten als aandeelhouder.

0

geen lid van een producentenorganisatie

lid van een producentenorganisatie om productie-, administratie- en investeringskosten te delen, en/of lid van een producentenorganisatie voor de afzet van de producten van het landbouwbedrijf zoals:

31

Granen

32

oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

33

groenten en fruit (waaronder citrusvruchten, maar geen olijven)

34

olijven

35

wijngaarden

36

rundvlees

37

koemelk

38

varkensvlees

39

schapen en geiten (melk en vlees)

40

vlees van pluimvee

41

eieren

42

overige sectoren.

A.OT.231.C Economisch belang van de producentenorganisaties (PO’s) voor het landbouwbedrijf: aangegeven moet worden welk deel van de waarde van de totale productie van het landbouwbedrijf (totaal van de verkopen) via de producentenorganisaties wordt afgezet.

1

≥ 0 tot ≤ 10 % (marginaal aandeel)

2

> 10 % tot ≤ 50 % (gemiddeld aandeel)

3

> 50 % tot ≤ 100 % (significant aandeel)

A.OT.232.C Aantal leden van de producentenorganisaties (PO’s): hier moet worden aangegeven hoe groot de belangrijkste PO is waarvan het landbouwbedrijf (bedrijfshoofd(en) of bedrijfsleider(s)) lid is. De “belangrijkste PO” is de PO die het grootste deel van de productie van het landbouwbedrijf afzet (in termen van waarde).

1

de PO heeft minder dan 10 leden;

2

de PO heeft 10 tot 19 leden;

3

de PO heeft 20 tot 49 leden;

4

de PO heeft 50 tot 99 leden;

5

de PO heeft 100 tot 499 leden;

6

de PO heeft 500 tot 999 leden;

7

de PO heeft 1 000 leden (of meer).

Duitsland is vrijgesteld van het indienen van gegevens met betrekking tot de variabelen A.OT.230.C, A.OT.231.C en A.OT.232.C voor het rapportagejaar 2025.

A.OT.240.C Deelname aan onderlinge fondsen: hier moet worden vermeld of de landbouwer aan een onderling fonds deelneemt. Een onderling fonds is een door een lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich te verzekeren en hun compensatiebetalingen uitkeert voor economische verliezen. De oprichting van onderlinge fondsen kan worden aangemoedigd door verschillende vormen van overheidssteun, waaronder: i) bijdragen in het startkapitaal; ii) overheidstoelagen voor jaarlijkse bijdragen aan het fonds, ook van landbouwers; iii) compensatie van betalingen aan landbouwers; iv) fiscale prikkels voor het storten van gelden. Een voorbeeld van overheidssteun voor onderlinge fondsen is te vinden in artikel 76, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2021/2115, op grond waarvan de lidstaten financieel kunnen bijdragen aan onderlinge fondsen, onder meer voor de administratieve kosten van het opzetten van zulke fondsen.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee, de landbouwer neemt niet deel aan een onderling fonds.

1

Ja, de landbouwer neemt deel aan een onderling fonds.

A.OT.241.C Compensatie voor verliezen: hier moet worden vermeld of de landbouwer een aanvraag heeft ingediend tot compensatie voor verliezen als gevolg van extreme gebeurtenissen binnen of buiten de verzekeringsregelingen waarvoor de kosten van verzekeringspremies in tabel H onder de codes 5051 en/of 5055 zijn vermeld. Compensatie buiten de verzekeringsregelingen kan relevant zijn, hetzij omdat de landbouwer niet verzekerd is, hetzij omdat de verzekering van de landbouwer de schade niet dekt. Indien dergelijke kosten niet in tabel H worden vermeld, betekent dit dat de aanvraag tot compensatie voor verliezen als gevolg van extreme gebeurtenissen werd ingediend in het kader van crisissteunregelingen achteraf, zoals de landbouwreserve van het GLB, het Solidariteitsfonds van de EU, staatssteun enz.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja, in het kader van een verzekeringsovereenkomst

2

Ja, in het kader van een overheidsregeling voor crisissteun achteraf

3

Ja, beide.

KOLOMMEN IN TABEL A

Kolom R verwijst naar de IDL-streek, kolom S naar het onderdeel van de streek, kolom H naar het volgnummer van het bedrijf, kolom GR naar het statistische eenhedenraster van Inspire, kolom N naar NUTS, kolom AO naar het nummer van het bureau voor bedrijfsboekhouding, kolom DT naar de datum, kolom W naar het gewicht van het bedrijf, kolom TF naar de productierichting, kolom ES naar de klasse van economische bedrijfsomvang en kolom C naar de code.

Tabel B

Exploitatievorm

Categorie oppervlakte cultuurgrond (OCG)

Code (*)

Informatiegroep

Oppervlakte cultuurgrond

 

 

A

UO

OCG in eigendom

 

UT

OCG in pacht

 

US

OCG in deelpacht of andere exploitatievorm

 


Code (*)

Omschrijving

Groep

A

10

OCG in eigendom

UO

 

20

Gepachte OCG

UT

 

30

OCG in deelpacht

US

 

De grond van bedrijven die door twee of meer partners gezamenlijk worden geëxploiteerd, moet als grond in eigendom, gepachte grond of grond in deelpacht worden geboekt, afhankelijk van de tussen de partners gemaakte afspraak.

Onder “oppervlakte cultuurgrond” (OCG) wordt het totale areaal verstaan aan bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik van de bedrijven, ongeacht de exploitatievorm. Gemeenschappelijke gronden die door het bedrijf worden gebruikt, worden niet meegerekend.

De volgende informatiegroepen en categorieën worden gebruikt:

B.UO.   OCG in eigendom

B.UO.10.A OCG (bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) waarvan de landbouwer eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, en/of cultuurgrond die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.

B.UT.   OCG in pacht

B.UT.20.A OCG (bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) die door iemand anders dan de eigenaar, de vruchtgebruiker of de erfpachter wordt gebruikt overeenkomstig een pachtcontract (de pacht wordt voldaan in geld en/of in natura; wordt in het algemeen vooraf vastgesteld en wisselt gewoonlijk niet naargelang van de bedrijfsresultaten) en/of OCG die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.

De gepachte oppervlakte omvat niet de grond waarvan de gewassen op stam worden gekocht. De voor de aankoop van gewassen op stam betaalde bedragen moeten worden geboekt onder de codes 2020 tot en met 2040 (Aangekocht voer) van tabel H wanneer het om grasland of voedergewassen gaat, en onder code 3090 (Overige specifieke kosten van gewassen) indien het marktbare gewassen (gewassen die normaliter worden verhandeld) betreft. Op stam gekochte marktbare gewassen moeten worden aangegeven zonder de betrokken grond te vermelden (tabel H).

Grond die incidenteel voor een kortere duur dan één jaar wordt gehuurd, en de opbrengst daarvan worden op soortgelijke wijze behandeld als in het geval van grond waarvan de gewassen op stam worden gekocht.

B.US.   OCG in deelpacht of andere exploitatievorm

B.US.30.A OCG (bouwland, grasland, blijvend weideland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) die gemeenschappelijk, volgens een deelpachtcontract, door de verpachter en de deelpachter wordt gebruikt, en/of cultuurgrond die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.

KOLOMMEN IN TABEL B

Kolom A verwijst naar de OCG.

Tabel C

Arbeidskrachten

Structuur van de tabel

Tabel C

Arbeidskrachten

Categorie arbeidskrachten

Code (*)


 

Kolommen

Informatiegroep

Algemeen

Totale arbeid op het bedrijf (landbouwwerkzaamheden en arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden)

Aandeel van de arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Gemiddeld loon

Sociale zekerheid

Aantal personen

Geslacht

Mannen

Vrouwen

Geboorte-jaar

Landbouw-opleiding van de bedrijfsleider

Jaarlijkse arbeidstijd

Arbeidsjaareenheden

% van de jaarlijkse arbeidstijd

Jaarloon

Uurloon

Pensionering

P

G

G1

G2

B

T

Y1

W1

Y2

AW

AW1

R

Geheel getal

Code

Geheel getal

Geheel getal

Vier cijfers

Code

uren

AJE

%

Nationale valuta

Nationale valuta

Code

UR

Niet-betaalde regelmatig werkzame arbeids-krachten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

UC

Niet-betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten

 

 

 

 

 

PR

Betaalde regelmatig werkzame arbeids-krachten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

PC

Betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten

 

 

 

EX

Externe werknemers

 

 

 

 

 


Code (*)

Omschrijving

Groep

P

G

G1

G2

B

T

Y1

W1

Y2

AW

AW1

R

10

Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s)

UR

 

 

 

 

 

 

 

 

PR

 

 

 

 

 

 

 

20

Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s)

UR

 

 

 

 

 

 

 

 

PR

 

 

 

 

 

 

30

Bedrijfsleider(s)/geen bedrijfshoofd(en)

UR

 

 

 

 

 

 

 

50

Overige

UR

 

 

 

 

 

 

 

 

PR

 

 

 

 

 

 

 

60

Niet-regelmatig werk

UC

 

 

 

 

 

 

 

PC

 

 

 

 

 

 

70

Betaalde bedrijfsleider

PR

 

 

 

 

 

 

 

80

Externe werknemers

EX

 

 

 

 

 

De term “arbeid” omvat alle personen die tijdens het rapportagejaar op het landbouwbedrijf werkzaam zijn geweest. Sommige gegevens moeten echter ook worden verstrekt voor personen die dit werk namens een andere persoon of onderneming hebben verricht (externe werknemers van wie de kosten in tabel H onder code 1020 zijn opgenomen).

Wanneer burenhulp tussen bedrijven een uitwisseling van arbeid is (de ontvangen hulp is in principe gelijk aan de verstrekte hulp), worden de door de arbeidskrachten van het bedrijf daaraan bestede arbeidstijd en de eventueel daarvoor betaalde lonen op het bedrijfsformulier aangegeven.

In sommige gevallen wordt de ontvangen hulp gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van een machine voor in de vorm van arbeid ontvangen hulp). Wanneer het gaat om een beperkte uitwisseling van prestaties, wordt hiervan niets op het bedrijfsformulier vermeld (in het genoemde voorbeeld wordt de ontvangen hulp niet onder de arbeid opgenomen, maar omvatten de kosten van machines wel de kosten die voortvloeien uit het ter beschikking stellen van de machines). In de uitzonderlijke gevallen waarin deze vorm van uitwisseling van prestaties een grotere omvang aanneemt, gaat men al naar het geval als volgt te werk:

(a)

de in de vorm van arbeid ontvangen hulp wordt gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van machines): de ontvangen arbeid wordt dan als betaalde arbeid voor het bedrijf geboekt (groepen PR of PC al naargelang het arbeidskrachten betreft die regelmatig, respectievelijk onregelmatig op het bedrijf werkzaam zijn); de waarde van de verstrekte hulp wordt geboekt enerzijds als opbrengst in de overeenkomstige categorie in andere tabellen (in het voorbeeld: tabel L, code 2010“Loonwerk”), en anderzijds als kosten (tabel H, code 1010“Lonen en sociale lasten”);

(b)

de in de vorm van arbeid ontvangen hulp wordt gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van een machine): de verstrekte arbeidstijd en eventueel de betaalde lonen worden buiten beschouwing gelaten; de waarde van de ontvangen prestatie wordt als input geboekt in de overeenkomstige groep in een andere tabel (in het voorbeeld: tabel H, code 1020“Loonwerk en huur van machines”).

De volgende informatiegroepen en categorieën arbeidskrachten worden onderscheiden:

C.UR.   Niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten

Arbeidskrachten die geen loon ontvangen of een beloning (in geld of in natura) die lager is dan het bedrag dat gewoonlijk voor de geleverde prestatie wordt betaald (het desbetreffende bedrag wordt niet onder de bedrijfskosten opgenomen) en die tijdens het rapportagejaar elke week (behoudens de normale vakanties) voor de duur van ten minste een volledige werkdag deelgenomen hebben aan de bedrijfswerkzaamheden.

Een persoon die regelmatig op een landbouwbedrijf werkzaam is, maar om bijzondere redenen gedurende een beperkte periode in het rapportagejaar heeft gewerkt, wordt niettemin (voor het aantal gewerkte uren) geboekt onder de regelmatig werkzame arbeidskrachten.

Het gaat om de volgende gevallen of daarmee vergelijkbare gevallen:

(a)

bijzondere productieomstandigheden in het bedrijf waardoor de arbeidskrachten niet het gehele jaar door nodig zijn, bijvoorbeeld een olijventeelt- of wijnbouwbedrijf of een bedrijf dat is gespecialiseerd in vetweiderij of in de productie van groenten en fruit in de open grond;

(b)

afwezigheid van het werk buiten de normale vakanties, bijvoorbeeld: militaire dienst, ziekte, ongeval, bevalling, langdurig verlof enz.;

(c)

aankomst op, of vertrek van het bedrijf;

(d)

totale stilstand van het werk op het bedrijf door bijzondere oorzaken (overstroming, brand enz.).

Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:

C.UR.10.   Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s)

De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf en tevens belast is met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding. In geval van deelpacht wordt de deelpachter vermeld als bedrijfshoofd/bedrijfsleider.

C.UR.20.   Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s)

De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf, maar niet is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.

C.UR.30.   Bedrijfsleider(s)/geen bedrijfshoofd(en)

De persoon die is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding, maar geen juridische en economische verantwoordelijkheid draagt.

C.UR.50.   Andere niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten

Tot de niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten die geen deel uitmaken van de vorige categorieën, behoren ook de ploegbazen en de assistent-bedrijfsleiders die niet met de leiding van het hele bedrijf zijn belast.

C.UC.   Niet-betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten

C.UC.60. De niet-betaalde arbeidskrachten die tijdens het boekjaar niet regelmatig op het bedrijf hebben gewerkt, worden in deze categorie samengevat.

C.PR.   Betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten

Arbeidskrachten die een voor de geleverde prestatie normale beloning (in geld en/of natura) ontvangen en die gedurende het boekjaar elke week (behoudens de normale vakanties) voor de duur van ten minste een volledige werkdag deelgenomen hebben aan de bedrijfswerkzaamheden.

Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:

C.PR.10.   Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s)

De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf en tevens belast is met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding. In geval van deelpacht wordt de deelpachter vermeld als bedrijfshoofd/bedrijfsleider.

C.PR.20.   Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s)

De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf, maar niet is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.

C.PR.70.   Betaalde bedrijfsleider

Betaalde persoon die is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.

C.PR.50.   Overige

Alle betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten, uitgezonderd de betaalde bedrijfsleider, worden in deze groep samengevat. Omvat ook de ploegbazen en de assistent-bedrijfsleiders die niet met de leiding van het hele bedrijf zijn belast.

C.PC.   Betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten

C.PC.60. De betaalde arbeidskrachten die tijdens het boekjaar niet regelmatig op het bedrijf hebben gewerkt (ook degenen die tariefwerk hebben verricht), worden in deze categorie samengevat.

C.EX   Externe werknemers

C.EX.80.   Externe werknemers

Deze groep verwijst naar werknemers die via derden zijn aangeworven (bv. uitzendbureaus). Externe werknemers staan niet op de loonlijst van het landbouwbedrijf; zij vallen echter onder het beheer van het bedrijfshoofd / de bedrijfsleider. Deze werknemers kunnen regelmatig of niet-regelmatig werkzaam zijn.

KOLOMMEN IN TABEL C

Aantal personen (kolom P)

Het aantal personen wordt vermeld in de overeenkomstige categorie (de categorieën 50 en 60 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en categorie 80 van de groep EX “externe werknemers”).

Geslacht (kolom G)

Het geslacht wordt voor het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) vermeld, in de overeenkomstige categorie (de categorieën 10 tot en met 30 en categorie 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”). Het geslacht wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:

1

man

2

vrouw

Lidstaten die wettelijke bepalingen of praktijken hebben waarin wordt erkend dat personen wellicht niet tot de categorie “man” of “vrouw” behoren of niet daarin niet wensen te worden ingedeeld, kunnen extra codes gebruiken.

Mannen, vrouwen (kolommen G1 en G2)

Het aantal mannen en vrouwen wordt uitsluitend vermeld voor de categorieën 50 en 60 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en categorie 80 van de groep EX “externe werknemers”. Voor categorie 80 “externe werknemers” is deze informatie facultatief.

Lidstaten die wettelijke bepalingen of praktijken hebben waarin wordt erkend dat personen wellicht niet tot de categorie “man” of “vrouw” behoren of daarin niet wensen te worden ingedeeld, kunnen extra kolommen gebruiken.

Geboortejaar (kolom B)

Het geboortejaar wordt uitsluitend voor het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) (de categorieën 10 tot en met 30 en categorie 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”) aangegeven, met de vier cijfers van het desbetreffende jaartal.

Landbouwopleiding van de bedrijfsleider (kolom T)

De landbouwopleiding wordt uitsluitend vermeld voor de bedrijfsleider(s) (de categorieën 10, 30 en 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”). De landbouwopleiding wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:

1

uitsluitend praktische landbouwkundige ervaring

2

landbouwkundige basisopleiding

3

volledige landbouwkundige opleiding

Totale arbeid op het bedrijf (landbouwwerkzaamheden en arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden)

De werkzaamheden op het bedrijf omvatten alle organisatorische, toezichthoudende en uitvoerende werkzaamheden, hetzij handenarbeid, hetzij administratieve arbeid, die worden verricht in het kader van de landbouwwerkzaamheden op het bedrijf, alsmede de activiteiten in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:

landbouwwerkzaamheden op het bedrijf:

financieel-organisatorische en leidinggevende werkzaamheden (aankopen en verkopen betreffende het bedrijf, boekhouding enz.),

werkzaamheden op het land (ploegen, zaaien, oogsten, verzorging van boomgaarden enz.),

werkzaamheden voor de veehouderij (bereiding van voer, voedering van de dieren, melken, verzorging van de dieren enz.),

klaarmaken van producten voor de markt, de opslag, de rechtstreekse verkoop van landbouwproducten, de verwerking van landbouwproducten voor eigen gebruik, de productie van wijn en olijfolie,

lopend onderhoud van gebouwen, machines, installaties, hagen, sloten enz.,

transportwerkzaamheden voor het bedrijf voor zover die door arbeidskrachten van het bedrijf worden verricht,

activiteiten in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:

loonwerk (met behulp van productiemiddelen van het bedrijf),

toerisme, accommodatie en andere vormen van vrijetijdsbesteding,

verwerking van landbouwproducten (ongeacht of de grondstof op het bedrijf is geproduceerd dan wel afkomstig is van buiten het bedrijf), bv. kaas, boter, verwerkt vlees enz.,

opwekking van hernieuwbare energie,

bosbouw en houtverwerking,

overige andere winstgevende werkzaamheden (zorglandbouw, ambachtelijke activiteiten, aquacultuur enz.).

Tot de bedrijfswerkzaamheden behoren niet:

de productie van kapitaalgoederen (bouw of groot onderhoud van gebouwen en machines, aanplanten van boomgaarden, afbraak van gebouwen, rooien van fruitbomen enz.),

werkzaamheden voor de huishouding van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) of de bedrijfsleider(s).

Jaarlijkse arbeidstijd (kolom Y1)

De arbeidstijd wordt voor alle groepen en categorieën in uren aangegeven. Het gaat om de aan bedrijfswerkzaamheden bestede tijd. Voor een mindervalide arbeidskracht wordt de arbeidstijd verlaagd in verhouding tot zijn/haar capaciteiten. De arbeidstijd voor tariefwerk wordt bepaald door het in totaal betaalde bedrag te delen door het uurloon van op tijdloon aangeworven arbeidskrachten.

Arbeidsjaareenheden (kolom W1)

De regelmatig werkzame arbeidskrachten worden omgerekend in arbeidsjaareenheden. Voor niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten (categorie 50 van zowel niet-betaalde UC als betaalde PC) en voor categorie 80 van de groep EX “externe werknemers” wordt het aantal arbeidsjaareenheden niet opgegeven. Eén arbeidsjaareenheid komt overeen met één persoon die voltijds op het bedrijf werkzaam is. Eén persoon kan niet als meer dan één arbeidsjaareenheid gelden, zelfs niet als zijn werkelijke arbeidstijd de norm voor de betrokken streek en productierichting overschrijdt. Iemand die niet het hele jaar op het bedrijf werkt, vormt een deel van een jaareenheid. Het voor een dergelijk iemand in aanmerking te nemen deel van een arbeidsjaareenheid wordt berekend door zijn werkelijke jaarlijkse arbeidstijd te delen door de normale jaarlijkse arbeidstijd van een voltijdwerker in de betrokken streek en productierichting.

Voor een mindervalide arbeidskracht wordt (het deel van) de arbeidsjaareenheid verlaagd in verhouding tot zijn/haar capaciteiten.

Aandeel van de arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in % van de jaarlijkse arbeidstijd (kolom Y2)

Het aandeel van de arbeid in het kader van andere winstgevende werkzaamheden, uitgedrukt in arbeidstijd, is verplicht voor alle categorieën. Dit wordt uitgedrukt in % van de arbeidsuren tijdens het rapportagejaar.

Lonen en sociale lasten per jaar (kolom AW)

Lonen en sociale lasten voor betaalde arbeidskrachten per jaar (zie de toelichting in tabel H onder code 1010) worden vermeld voor de categorieën 10, 20, 50 en 70 van de groep PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”. Voor de categorieën 10, 20 en 70 hebben deze betrekking op elke persoon, terwijl het voor categorie 50 om een gemiddeld bedrag moet gaan.

Lonen en sociale lasten per uur (kolom AW1)

De gemiddelde lonen en sociale lasten voor betaalde arbeidskrachten per uur (zie de toelichting in tabel H onder code 1010) worden vermeld voor categorie 60 van de groep PC “betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten”.

Pensionering (kolom R)

Hier wordt vermeld of de bedrijfshoofden en/of bedrijfsleiders recht hebben op een ouderdomspensioen (verplicht en/of aanvullend, voor hun werk in de landbouw en/of in andere sectoren). Deze informatie wordt alleen verstrekt voor niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten (UR) voor de categorieën 10, 20 en 30.

De dekking van de pensioenregeling wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:

1

ja (de persoon heeft recht op een ouderdomspensioen)

2

nee (de persoon heeft geen recht op een ouderdomspensioen)

Tabel D

Activa en investeringen

Structuur van de tabel

Categorie activa

Code (*)

 

Kolom

Informatiegroep

Waarde

V

OV

Begininventaris

 

AD

Geaccumuleerde afschrijvingen

 

DY

Afschrijvingen in het lopende jaar

 

IP

Investeringen/aankopen, vóór aftrek van subsidies

 

S

Subsidies

 

SA

Verkopen

 

CV

Eindinventaris

 


“Code (*)

Omschrijving

OV

AD

DY

IP

S

SA

CV

1005

Geldmiddelen, vorderingen, overige vlottende activa en equivalenten

 

 

1040

Voorraden

 

 

 

 

 

2010

Biologische activa — gewassen

 

 

 

 

 

 

 

3010

Landbouwgrond

 

 

 

 

 

3020

Grondverbeteringen

 

 

 

 

 

 

 

3030

Bedrijfsgebouwen

 

 

 

 

 

 

 

4010

Machines en bedrijfsuitrusting

 

 

 

 

 

 

 

5010

Bossen inclusief houtopstand

 

 

 

 

 

7005

Immateriële activa

 

 

 

 

 

 

 

8010

Overige niet-vlottende activa

 

 

 

 

 

 

 

De volgende categorieën activa moeten worden gebruikt:

1005.   Geldmiddelen, vorderingen, overige vlottende activa en equivalenten

Geldmiddelen en andere activa die gemakkelijk in geldmiddelen kunnen worden omgezet. Vorderingen op korte termijn, aan het bedrijf verschuldigde bedragen die normaal voortvloeien uit de bedrijfsactiviteiten. Alle andere activa die gemakkelijk kunnen worden verkocht of waarvan wordt verwacht dat zij binnen een jaar worden betaald.

1040.   Voorraden

Productvoorraden die eigendom zijn van het bedrijf en als productiemiddel kunnen worden gebruikt of voor verkoop worden aangehouden, ongeacht of die door het bedrijf zijn geproduceerd of zijn aangekocht.

2010.   Biologische activa — gewassen

De waarde van alle gewassen die nog niet zijn geoogst (meerjarige teelten en gewassen op stam). Geaccumuleerde afschrijvingen (D.AD) en afschrijvingen in het lopende jaar (D.DY.) hoeven enkel voor blijvende teelten te worden gerapporteerd.

3010.   Landbouwgrond

Landbouwgrond die eigendom is van het bedrijf.

3020.   Grondverbeteringen

Cultuurtechnische verbeteringen (bv. afrasteringen, drainage, vaste bevloeiingsinstallaties enz.) in eigendom van het bedrijfshoofd ongeacht de exploitatievorm van de grond. De vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.

3030.   Bedrijfsgebouwen

Gebouwen in eigendom van het bedrijfshoofd ongeacht de exploitatievorm van de grond. Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.

4010.   Machines en bedrijfsuitrusting

Trekkers, eenassige trekkers, vrachtwagens, bestelwagens, personenauto's, grote en kleine uitrustingsstukken. Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.

5010.   Bossen inclusief houtopstand

Bosgrond in eigendom die tot het landbouwbedrijf behoort.

7005.   Immateriële activa

Alle immateriële activa die gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. quota en rechten voor zover die zonder grond kunnen worden verhandeld en er een actieve markt voor bestaat), alsmede die welke niet gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. software, vergunningen enz.). Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.

Alle andere immateriële activa die niet gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. software, vergunningen enz.). Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.

8010.   Overige niet-vlottende activa

Andere langetermijnactiva. De rubriek moet worden ingevuld en, indien van toepassing, moeten de afschrijvingsbedragen in kolom DY worden vermeld.

Informatiegroepen in tabel D

Deze tabel omvat de volgende informatiegroepen: (OV) begininventaris, (AD) geaccumuleerde afschrijvingen, (DY) afschrijvingen in het lopende jaar, (IP) investeringen of aankopen vóór aftrek van subsidies, (S) subsidies, (SA) verkopen, (CV) eindinventaris. Deze groepen worden hieronder toegelicht.

Er is maar één kolom: waarde.

Waarderingsmethoden

De volgende waarderingsmethoden worden gebruikt:

Waarde in het economisch verkeer (reële waarde), na aftrek van de geraamde verkoopkosten

Bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld in een zakelijke, objectieve transactie tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn, min de kosten die naar verwachting voor de verkoop zullen worden gemaakt

3010 , 5010 , 7005 indien verhandelbaar

Historische kostprijs

Nominale of oorspronkelijke kosten van een actief bij aankoop

2010 , 3020 , 3030 , 4010 , 7005 indien niet-verhandelbaar

Boekwaarde

Waarde waartegen een actief op de balans is opgenomen

1005 , 1040 , 8010

D.OV.   Begininventaris

De begininventaris is de waarde van de activa bij het begin van het boekjaar. Voor de bedrijven die in het voorgaande jaar eveneens in de steekproef zaten, moet de begininventaris gelijk zijn aan de eindinventaris van het voorgaande jaar.

D.AD.   Geaccumuleerde afschrijvingen

Dit is de som van de afschrijvingen van de activa vanaf het begin van de levensduur ervan tot het einde van de voorgaande periode.

D.DY.   Afschrijvingen in het lopende jaar

De systematische toedeling van het af te schrijven bedrag van een actief over de levensduur ervan.

Elke lidstaat zendt de Commissie in verband met het opzetten van het in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde computersysteem voor de levering en controle van informatie tijdig een tabel met de door de lidstaat toegepaste jaarlijkse afschrijvingspercentages toe.

D.IP.   Investeringen/aankopen

Bedrag van de aankopen, het groot onderhoud en de productie van kapitaalgoederen gedurende het boekjaar. Voor zover de investeringen aanleiding zijn geweest tot premies en subsidies, wordt in kolom IP het bedrag aangegeven waarop de premies en subsidies niet in mindering zijn gebracht.

De aankoop van kleine uitrustingsstukken en van jonge bomen en struiken voor een vervanging van slechts geringe omvang, komt niet in deze kolom maar is begrepen in de kosten van het boekjaar.

Groot onderhoud waardoor de machine of bedrijfsuitrusting daadwerkelijk een meerwaarde heeft gekregen ten opzichte van vóór het onderhoud, is eveneens in deze kolom begrepen, en wel hetzij als integrerend deel van de afschrijvingen, bij welke in voorkomende gevallen rekening wordt gehouden met de verlenging van de levensduur als gevolg van het onderhoud, hetzij als jaarlijks deel van het over de verwachte levensduur verdeelde onderhoudsbedrag.

De waarde van de geproduceerde kapitaalgoederen, gewaardeerd tegen hun kosten (met inbegrip van de waarde van de betaalde en/of niet-betaalde arbeid), wordt toegevoegd aan de waarde van de kapitaalgoederen die onder de codes 2010 tot en met 8010 van tabelD “Activa” is vermeld.

D.S.   Investeringssubsidies

Tot dusver (in het vorige en het lopende boekjaar) ontvangen deel van de subsidies voor de in deze tabel opgenomen activa.

D.SA.   Verkopen

Bedrag van de totale verkopen van activa tijdens het boekjaar.

D.CV.   Eindinventaris

De eindinventaris is de waarde van de activa aan het einde van het boekjaar.

Commentaar

Voor de punten 3010 en 5010 wordt het verschil tussen enerzijds OV + IP – SA en anderzijds CV beschouwd als inkomen of verlies (als gevolg van wijzigingen in zowel de eenheidsprijs als het volume) voor die activa voor het betrokken boekjaar.

Informatie over “biologische activa — dieren” wordt opgenomen in tabel J „Dieren”.

Tabel E

Quota en andere rechten

TABEL E

Quota en andere rechten

Categorie quota of rechten

Code (*)

 

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Quota in eigendom

Gehuurde quota

Verhuurde quota

Belastingen

 

 

N

I

O

T

QQ

Hoeveelheid aan het einde van het boekjaar

 

 

 

QP

Aangekochte quota

 

QS

Verkochte quota

 

OV

Begininventaris

 

CV

Eindinventaris

 

PQ

Betalingen voor geleasete of gehuurde quota

 

RQ

Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota

 

TX

Belastingen

 


Code (*)

Omschrijving

50

Organische mest

60

Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling en betalingsrechten in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid

De hoeveelheden quota (quota in eigendom, gehuurde en verhuurde quota) zijn verplicht in te vullen rubrieken. Alleen de hoeveelheid aan het einde van het boekjaar wordt geregistreerd.

De waarden van quota die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden in deze tabel geboekt. Quota die niet los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden uitsluitend in tabel D „Activa” geboekt. Ook quota die oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen, moeten met hun huidige marktwaarde worden vermeld als zij los van grond verhandeld kunnen worden.

Sommige in te vullen gegevens zijn tegelijk ook, afzonderlijk of als deel van een groter geheel, begrepen in andere groepen of categorieën in de tabellen D „Activa”, H „Productiemiddelen” en/of I „Gewassen”.

De volgende categorieën moeten worden gebruikt:

50

Organische mest

60

Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling en betalingsrechten in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid.

De volgende informatiegroepen moeten worden gebruikt:

E.QQ.   Hoeveelheid (uitsluitend de kolommen N, I en O)

De volgende eenheden moeten worden gebruikt:

*

categorie 50 (organische mest): aantal dieren omgerekend met standaardomrekeningsfactoren voor de mestuitscheiding;

*

categorie 60 (basisbetalingsregeling en basisinkomenssteun voor duurzaamheid): het aantal rechten.

E.QP.   Aangekochte quota (uitsluitend kolom N)

Het bedrag dat is betaald voor de aankoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.

E.QS.   Verkochte quota (uitsluitend kolom N)

Het bedrag dat is ontvangen voor de verkoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.

E.OV.   Begininventaris (uitsluitend kolom N)

De waarde op de begininventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.

E.CV.   Eindinventaris (uitsluitend kolom N)

De waarde op de eindinventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.

E.PQ.   Betalingen voor geleasete of gehuurde quota (uitsluitend kolom I)

Bedrag aan leasing- of huurkosten voor het quotum of ander recht. Ook begrepen in categorie 5070 (betaalde pacht) van tabel H „Productiemiddelen”.

E.RQ.   Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota (uitsluitend kolom O)

Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota of andere rechten. Ook begrepen in categorie 90900 („Overige”) van tabel I „Gewassen”.

E.TX.   Belastingen, extra heffing (kolom T)

Betaald bedrag

KOLOMMEN IN TABEL E

Kolom N verwijst naar quota in eigendom, kolom I naar gehuurde quota, kolom O naar verhuurde quota en kolom T naar belastingen.

Tabel F

Schulden en kredieten

Structuur van de tabel

Categorie schulden

Code (*)

 

Kolommen

Informatiegroep

Op korte termijn

Op lange termijn

S

L

OV

Begininventaris

 

 

CV

Eindinventaris

 

 


Code (*)

Omschrijving

S

L

1010

Commerciële schulden (standaard)

 

 

1020

Commerciële schulden (bijzondere voorwaarden)

 

 

1030

Familieleningen/particuliere leningen

 

 

2010

Verschuldigde bedragen

 

3000

Overige passiva

 

 

Passiva van het bedrijf: de aangegeven bedragen hebben uitsluitend betrekking op de nog terug te betalen bedragen, dat wil zeggen de aangegane lening min de reeds verrichte aflossingen.

Hierbij worden de volgende categorieën gebruikt:

1010. Commerciële schulden(standaard): leningen waarvoor geen steun wordt verleend in het kader van overheidsmaatregelen die het opnemen van kredieten bevorderen.

1020. Commerciële schulden (bijzondere voorwaarden): leningen waarvoor steun wordt verleend in het kader van overheidsmaatregelen (rentesubsidies, waarborgen enz.).

1030. Familieleningen/particuliere leningen: leningen die met een natuurlijke persoon zijn aangegaan dankzij diens familiebanden/persoonlijke relatie met de schuldenaar.

2010. Verschuldigde bedragen: aan leveranciers verschuldigde bedragen.

3000. Overige passiva: andere passiva dan leningen of verschuldigde bedragen.

Twee informatiegroepen moeten worden geregistreerd: (OV) begininventaris en (CV) eindinventaris.

Er zijn twee kolommen: (S) passiva op korte termijn en (L) passiva op lange termijn:

Passiva op korte termijn: schulden en andere passiva die betrekking hebben op het bedrijf en in minder dan één jaar moeten worden terugbetaald.

Passiva op lange termijn: schulden en andere passiva die betrekking hebben op het bedrijf en waarvoor de looptijd één jaar of meer bedraagt.

Tabel G

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

Structuur van de tabel

Categorie btw-regeling

Code (*)

 

Informatiegroep

Btw-regeling

Saldo voor niet-investeringstransacties

Saldo voor investeringstransacties

 

 

C

NI

I

VA

Btw-regelingen op het bedrijf

 

 

 


Code (*)

Omschrijving

1010

Belangrijkste btw-regeling op het bedrijf

1020

Secundaire btw-regeling op het bedrijf


Overzicht van de btw-regelingen voor beide categorieën

C

NI

I

Normale btw-regeling

1

Gedeeltelijke compensatieregeling

2

 

 

De monetaire gegevens op het bedrijfsformulier zijn exclusief btw.

Voor de gegevens over de btw-regeling moeten de volgende categorieën worden gebruikt:

1010.   Belangrijkste btw-regeling op het bedrijf

1.

Normale btw-regeling

de btw-regeling die voor de landbouwbedrijven gegarandeerd inkomensneutraal is aangezien het btw-saldo met de belastingautoriteiten wordt vereffend.

2.

Gedeeltelijke compensatieregeling

de btw-regeling die voor de landbouwbedrijven niet gegarandeerd inkomensneutraal is, hoewel zij een mechanisme kan bevatten waarmee betaalde en ontvangen btw bij benadering worden gecompenseerd.

1020.   Secundaire btw-regeling op het bedrijf

De codes zoals die voor de belangrijkste btw-regeling zijn gedefinieerd.

Er is slechts één informatiegroep: (VA) btw-regelingen op het bedrijf. Er zijn drie kolommen: (C) code van de btw-regeling, (NI) saldo voor niet-investeringstransacties en (I) saldo voor investeringstransacties.

Als op het bedrijf de normale btw-regeling wordt toegepast, volstaat het dit aan te geven. Als op het bedrijf wordt gewerkt met een gedeeltelijke compensatieregeling voor de btw, moeten ook het btw-saldo voor niet-investeringstransacties en het btw-saldo voor investeringstransacties worden vermeld.

Wanneer de inkomsten van het bedrijf door de btw-omzet toenemen, dan is het hierboven bedoelde btw-saldo een positief getal. Bij een daling van de inkomsten is het saldo negatief.

Tabel H

Productiemiddelen

Structuur van de tabel

Categorie productiemiddelen

Code (*)

Informatiegroep

Kolommen

Waarde

Hoeveelheid

V

Q

LM

Kosten en productiemiddelen met betrekking tot arbeid en machines

 

 

SL

Specifieke kosten van de veehouderij

 

 

SC

Specifieke kosten en productiemiddelen met betrekking tot gewassen

 

 

OS

Specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden

 

 

FO

Algemene bedrijfskosten

 

 


Code (*)

Groep

Omschrijving

V

Q

1010

LM

Lonen en sociale lasten voor de betaalde arbeidskrachten

 

1020

LM

Loonwerk en huur van machines

 

1030

LM

Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting

 

1040

LM

Motorbrandstoffen en smeermiddelen

 

1050

LM

Kosten van personenauto's

 

2010

SL

Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht krachtvoer

 

2020

SL

Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht ruwvoer

 

2030

SL

Aangekocht varkensvoer

 

2040

SL

Voor pluimvee en overig kleinvee aangekocht voer

 

2050

SL

Op het bedrijf geproduceerd krachtvoer voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers)

 

2060

SL

Op het bedrijf geproduceerd varkensvoer

 

2070

SL

Op het bedrijf geproduceerd voer voor pluimvee en overig kleinvee

 

2080

SL

Veterinaire uitgaven

 

2090

SL

Overige specifieke kosten van de veehouderij

 

3010

SC

Aangekocht zaaigoed en pootgoed

 

3020

SC

Op het bedrijf geproduceerd en gebruikt zaaigoed en pootgoed

 

3030

SC

Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen

 

3031

SC

Hoeveelheid N in minerale meststoffen

 

30311

SC

waarvan vast ureum (facultatief)

 

30312

SC

waarvan ureum in ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat (facultatief)

 

30313

SC

waarvan calcium-ammoniumnitraatmeststoffen (facultatief)

 

3032

SC

Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen

 

3033

SC

Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen

 

3034

SC

Aangekochte stalmest

 

3040

SC

Gewasbeschermingsmiddelen

 

3090

SC

Overige specifieke kosten van gewassen

 

4010

OS

Specifieke kosten van bossen en houtverwerking

 

4020

OS

Specifieke kosten van de verwerking van gewassen

 

4030

OS

Specifieke kosten van de verwerking van koemelk

 

4045

OS

Specifieke kosten van de verwerking van melk van andere dieren

 

4070

OS

Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten

 

4090

OS

Overige specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden

 

5010

FO

Lopend onderhoud van bedrijfsgebouwen en van cultuurtechnische verbeteringen

 

5020

FO

Elektriciteit

 

5030

FO

Verwarmingsbrandstoffen, totaalbedrag

 

5031

FO

waarvan aardgas en fabrieksgassen

 

5032

FO

waarvan olie en aardolieproducten

 

5033

FO

waarvan vaste fossiele brandstoffen

 

5034

FO

waarvan hernieuwbare brandstoffen (hout, stro, biogas, …)

 

5035

FO

waarvan van andere oorsprong

 

5040

FO

Water

 

5051

FO

Landbouwverzekering

 

5055

FO

Andere bedrijfsverzekeringen

 

5061

FO

Belastingen en andere bijdragen

 

5062

FO

Belastingen en andere heffingen op grond en gebouwen

 

5070

FO

Betaalde pacht, totaalbedrag

 

5071

FO

waarvan voor grond betaalde pacht

 

5080

FO

Betaalde rente en financieringskosten

 

5090

FO

Overige algemene bedrijfskosten

 

De op het bedrijf ingezette productiemiddelen (kosten in geld en natura en hoeveelheden geselecteerde productiemiddelen) komen overeen met het „verbruik” (inclusief het intern verkeer) van productiemiddelen dat betrekking heeft op de tijdens het boekjaar verkregen opbrengsten of dat gedurende het boekjaar heeft plaatsgehad. Wanneer een bepaald gebruik gedeeltelijk te maken heeft met privégebruik en gedeeltelijk met gebruik voor het bedrijf (bv. elektriciteit, water, brandstoffen voor verwarming en motorbrandstoffen enz.), wordt alleen dit laatste deel op het bedrijfsformulier vermeld. Het deel van het gebruik van privéauto’s dat betrekking heeft op het gebruik voor bedrijfsdoeleinden, wordt eveneens in aanmerking genomen.

De kosten met betrekking tot de opbrengsten van het boekjaar worden verkregen door de aankopen van het boekjaar (met inbegrip van het intern verkeer) te corrigeren met de inventarisverschillen (inclusief verschillen in veldinventaris). Voor ieder van de desbetreffende kosten worden het bedrag van de betaalde kosten en de waarde van het intern verkeer afzonderlijk aangegeven.

Als de vermelde kosten het totale “verbruik” van productiemiddelen gedurende het boekjaar betreffen, maar niet zijn gemaakt voor productie in dat jaar, worden de voorraadmutaties voor de productiemiddelen aangegeven in tabel D onder code 1040 “Voorraden”, behalve de kosten van de veldinventaris meerjarige teelten en gewassen op stam, die moeten worden geregistreerd onder code 2010 “Biologische activa — gewassen”.

Biologische activa — gewassen Wanneer de productiemiddelen van het bedrijf (arbeidskrachten inclusief niet-betaalde arbeidskrachten, machines en bedrijfsuitrusting) worden gebruikt voor de productie van kapitaalgoederen (bouw of groot onderhoud van machines, bouw, groot onderhoud of afbraak van gebouwen, aanplanten of rooien van fruitbomen), mogen de desbetreffende kosten — zo nodig geraamd — niet worden opgenomen in de lopende kosten van het bedrijf. In alle gevallen moeten de arbeidskosten en de arbeidsuren voor de productie van kapitaalgoederen worden uitgesloten van, respectievelijk, de kosten en de gegevens betreffende de arbeidskrachten. Bij uitzondering, indien het niet mogelijk is bepaalde productiekosten van kapitaalgoederen, andere dan arbeidskosten (bv. gebruik van de trekker van het bedrijf), afzonderlijk te bepalen en deze kosten derhalve in de bedrijfskosten begrepen zijn, wordt de geschatte waarde van het geheel van deze productiekosten van kapitaalgoederen in tabel I „Gewassen” onder de gewascategoriecode 90900 („Overige”) vermeld.

De kosten van het “gebruik” van kapitaalgoederen komen tot uiting in de afschrijvingen. Daarom worden de uitgaven voor het verwerven van kapitaalgoederen niet als bedrijfskosten beschouwd. Instructies over afschrijvingen zijn opgenomen in tabel D “Activa”.

Onder een kostenpost vallende uitgaven die tijdens het boekjaar of daarna door een schadeloosstelling worden vergoed (bv. reparatie van een trekker na een ongeluk die wordt betaald door een verzekeringsmaatschappij of door de aansprakelijke derde), worden niet als bedrijfskosten beschouwd. Het ontvangen bedrag wordt evenmin opgenomen.

De ontvangsten voor weer verkochte productiemiddelen moeten worden afgetrokken van de desbetreffende kostenposten.

Premies en subsidies met betrekking tot gemaakte kosten worden niet afgetrokken van de desbetreffende kostenbedragen, maar worden vermeld onder de passende code, gaande van 4100 tot 4900 in tabel M „Subsidies” (zie de instructies betreffende deze codes). Premies en subsidies voor investeringen worden vermeld in tabel D „Activa”.

De kosten omvatten eveneens de eventuele aankoopkosten betreffende elke kostenpost.

De productiemiddelen worden als volgt ingedeeld:

1010.   Lonen en sociale lasten voor de betaalde arbeidskrachten

Deze post omvat de volgende kosten:

de eigenlijke lonen en salarissen die in geld zijn betaald aan de betaalde arbeidskrachten, ongeacht de manier waarop de beloning wordt bepaald (tijdloon of tariefloon), na aftrek van eventuele uitkeringen van sociale aard die aan het bedrijfshoofd als werkgever zijn betaald ter compensatie voor de betaling van loon dat niet overeenkomt met een werkelijke werkprestatie (bv. afwezigheid van het werk wegens ongeval, beroepsopleiding enz.),

de in natura betaalde lonen en salarissen (bv. inwoning, kost, woning, producten van het bedrijf enz.),

premies op grond van productiviteit of vakbekwaamheid, geschenken, fooien, winstaandeel,

overige kosten voor arbeidskrachten (aanwervingskosten),

sociale lasten ten laste van de werkgever en sociale lasten die door de werkgever worden betaald in naam en plaats van de werknemer,

verzekering tegen arbeidsongevallen.

Sociale lasten en persoonlijke verzekeringen voor het bedrijfshoofd en voor de niet-betaalde arbeidskrachten worden niet als bedrijfskosten beschouwd.

Aan niet-betaalde arbeidskrachten uitgekeerde bedragen, die per definitie lager zijn dan de normale beloning (zie definitie niet-betaalde arbeidskrachten), worden niet op het bedrijfsformulier vermeld.

Uitkeringen (in geld of natura) aan voormalige betaalde arbeidskrachten die gepensioneerd zijn en op het bedrijf geen enkel werk meer verrichten, worden niet onder deze post geboekt maar onder de code “Overige algemene bedrijfskosten”.

1020.   Loonwerk en huur van machines

Deze post omvat de volgende kosten:

het bedrag betaald aan loonwerkbedrijven voor verrichte bedrijfswerkzaamheden. Dit bedrag kan de vergoeding voor de kosten van het gebruik van machines (inclusief brandstofkosten) en voor het werk omvatten. Als de kosten van andere gebruikte producten dan brandstof (d.w.z. gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en zaai- en pootgoed) eveneens bij de contractprijs zijn inbegrepen, worden de kosten van die producten hier buiten beschouwing gelaten. Het (desnoods geschatte) bedrag daarvan wordt in de desbetreffende kostenposten (bv. bestrijdingsmiddelen onder code 3040 “Gewasbeschermingsmiddelen”) vermeld,

de kosten van de huur van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf. De brandstofkosten in verband met het gebruik van gehuurde machines worden onder code 1040 “Motorbrandstoffen en smeermiddelen” vermeld,

de kosten van de leasing van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf. De brandstof- en onderhoudskosten voor geleasete machines worden in de desbetreffende codes (code 1030 “Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting” en code 1040 “Motorbrandstoffen en smeermiddelen”) vermeld.

1021.   Loonwerk

Kosten van loonwerkers, exclusief de kosten van het gebruik van bedrijfsuitrusting. Deze omvatten de kosten van werknemers die via derden (bv. uitzendbureaus) zijn aangeworven.

1022.   Huur van machines

Kosten voor de huur en leasing van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf en de kosten van dienstverleners, met inbegrip van zowel loonwerkers als de levering van machines.

1030.   Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting

Kosten van onderhoud en kleine herstellingen van machines en bedrijfsuitrusting die de marktwaarde van die goederen niet veranderen (betaling voor het werk van een monteur, kosten van reserveonderdelen enz.).

Deze post omvat ook de aankoop van kleine uitrustingsstukken, de kosten van zadelmaker en hoefbeslag voor werkpaarden, de aankoop van banden, frames van kweekkassen, beschermingskleding voor de uitvoering van ongezonde werkzaamheden en reinigingsproducten voor het reinigen van bedrijfsuitrusting in het algemeen, en het deel van de kosten van personenauto's dat het gebruik voor bedrijfsdoeleinden betreft (zie ook code 1050). Reinigingsproducten voor het reinigen van in de veehouderij gebruikte machines (bv. melkmachines) worden vermeld onder code 2090 “Overige specifieke kosten van de veehouderij”.

Grote herstellingen die aan de machine of bedrijfsuitrusting een meerwaarde geven ten opzichte van de waarde vóór de reparatie, worden niet onder deze code opgenomen (zie ook de instructies over de afschrijving van machines en bedrijfsuitrusting in tabel D „Activa”).

1040.   Motorbrandstoffen en smeermiddelen

Deze post omvat ook het deel van de kosten van brandstoffen en smeermiddelen voor personenauto's dat overeenkomt met het gebruik voor bedrijfsdoeleinden (zie ook code 1050).

Indien aardolieproducten zowel als motorbrandstof als voor verwarming worden gebruikt, wordt het bedrag verdeeld over de twee codes:

1040.

„Motorbrandstoffen en smeermiddelen”

5030.

„Brandstoffen voor verwarming”.

1050.   Kosten van personenauto's

Als het op het gebruik voor bedrijfsdoeleinden betrekking hebbende deel van de kosten van personenauto’s forfaitair wordt bepaald (bv. als een vast bedrag per km), worden die kosten onder deze code aangegeven.

Veevoeder

Bij het gebruikte veevoeder wordt een onderscheid gemaakt tussen aangekocht veevoer en op het bedrijf geproduceerd veevoer.

Het aangekochte veevoer omvat tevens de aankoop van minerale likstenen, melkproducten (aangekocht of teruggeleverd) en producten voor de bewaring en conservering van veevoer, betaald weidegeld en kosten voor de opfok van jongvee buiten het bedrijf, alsmede de kosten van het gebruik van niet in de cultuurgrond begrepen gemeenschapsweiden en van de huur van andere niet in de cultuurgrond begrepen oppervlakten grasland en voedergewassen. Aangekocht strooisel en stro zijn eveneens in het aangekochte veevoer begrepen.

Aangekocht veevoer voor graasdieren wordt onderverdeeld in krachtvoer en ruwvoer (dit laatste is inclusief weidegeld en kosten voor de opfok van jongvee buiten het bedrijf, alsmede de kosten van het gebruik van niet in de cultuurgrond begrepen gemeenschapsweiden en andere oppervlakten grasland en voedergewassen en aangekocht strooisel en stro).

Code 2010 “Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht krachtvoer” omvat met name: koeken, mengvoeders, granen, gedroogd gras, gedroogde suikerbietenpulp, vismeel, melk en melkproducten, mineralen en producten voor de bewaring en conservering van dergelijke voedermiddelen.

De kosten van loonwerkers voor ruwvoederwinning, bijvoorbeeld inkuilen, worden aangegeven onder code 1020 “Loonwerk en huur van machines”.

Het intern verkeer van veevoer omvat de marktbare producten van het bedrijf (inclusief melk en melkproducten, maar uitgezonderd de door kalveren gezogen melk, die niet in aanmerking wordt genomen). Strooisel en stro van het bedrijf zijn slechts inbegrepen als zij een marktbaar product vormen in het desbetreffende gebied en boekjaar.

De volgende rubrieken worden onderscheiden:

Aangekocht veevoer:

2010.

Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht krachtvoer

2020.

Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht ruwvoer

2030.

Aangekocht varkensvoer

2040.

Voor pluimvee en overig kleinvee aangekocht voer

Intern verkeer van veevoer:

2050.

Op het bedrijf geproduceerd krachtvoer voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers)

2060.

Op het bedrijf geproduceerd varkensvoer

2070.

Op het bedrijf geproduceerd voer voor pluimvee en overig kleinvee

2080.   Veterinaire uitgaven

Kosten van dierenartsen en geneesmiddelen.

2090.   Overige specifieke kosten van de veehouderij

Alle kosten die direct verband houden met de voortbrenging van dierlijke producten, voor zover zij niet afzonderlijk onder andere codes van tabel H worden geboekt: dekgeld, kunstmatige inseminatie, castratie, melkcontrole, contributie voor en inschrijving in het stamboek, reinigingsproducten voor het reinigen van de in de veehouderij gebruikte machines (bv. melkmachine), verpakkingsmateriaal voor dierlijke producten, kosten voor de opslag of het marktklaar maken van dierlijke producten van het bedrijf buiten het bedrijf, verkoopkosten voor dierlijke producten van het bedrijf, kosten voor de afzet van mestoverschotten enz. Omvat ook de kortlopende huur van gebouwen voor het huisvesten van dieren of het opslaan van producten ten behoeve van de veehouderij. Omvat niet de specifieke kosten van de verwerking van dierlijke producten die zijn opgenomen onder de codes 4030 tot en met 4070 van tabel H.

3010.   Aangekocht zaaigoed en pootgoed

Aangekocht zaaigoed en pootgoed met inbegrip van bollen en knollen. De aankoop van jonge bomen en struiken voor nieuwe aanplantingen vormt een investering en deze kosten worden aangegeven hetzij onder code 2010 van tabel D „Biologische activa — gewassen”, hetzij onder code 5010 van tabel D „Bossen inclusief houtopstand”. De kosten van jonge bomen en struiken voor een vervanging van slechts geringe omvang worden evenwel als kosten van het boekjaar beschouwd en komen onder deze code, tenzij zij betrekking hebben op bossen die deel uitmaken van het landbouwbedrijf, in welk geval zij onder code 4010 “Specifieke kosten van bossen en houtverwerking” worden geboekt.

De kosten van bewerking van zaaigoed (schonen en ontsmetten) komen eveneens onder deze code.

3020.   Op het bedrijf geproduceerd en gebruikt zaaigoed en pootgoed

Zaaigoed en pootgoed (met inbegrip van bollen en knollen) van eigen bedrijf.

3030.   Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen

Aangekochte kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen (bv. kalk) met inbegrip van compost, turfstrooisel en stalmest (stalmest van het eigen bedrijf niet inbegrepen).

Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen die worden gebruikt voor tot het bedrijf behorende bossen, worden aangegeven onder code 4010 „Specifieke kosten van bossen en houtverwerking”.

3031   Hoeveelheid in kwintalen N in minerale meststoffen

30311   waarvan vast ureum (facultatief)

Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in vast ureum aanwezige stikstof (N)

30312   waarvan ureum in meststoffen op basis van ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat

Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat aanwezige stikstof (N) (facultatief)

30313   waarvan meststoffen op basis van calcium-ammoniumnitraat

Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in calcium-ammoniumnitraat aanwezige stikstof (N) (facultatief)

3034.   Aangekochte stalmest

Waarde van de aangekochte stalmest.

3040.   Gewasbeschermingsmiddelen

Alle producten gebruikt voor de bescherming van de gewassen tegen parasieten, ziekten, vreterij, slechte weersomstandigheden enz. (middelen voor de bestrijding van insecten, schimmels, onkruid, ongedierte, wild en vogels, antihagelgranaten, middelen voor bescherming tegen vorst enz.). Als de beschermingswerkzaamheden door een loonwerker worden uitgevoerd en de kosten van de gebruikte middelen niet afzonderlijk bekend zijn, wordt het hele bedrag geboekt onder code 1020 „Loonwerk en huur van machines”.

Gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt voor tot het bedrijf behorende bossen, worden aangegeven onder code 4010 „Specifieke kosten van bossen en houtverwerking”.

3090.   Overige specifieke kosten van gewassen

Alle kosten die direct verband houden met de plantaardige productie (met inbegrip van blijvend wei- en grasland) voor zover zij niet afzonderlijk onder andere kostenposten worden geboekt: verpakkingsmateriaal, draad en touw, bodemonderzoek, keuringen van gewassen, plastic afdekkingen (bv. in de aardbeienteelt), middelen voor de bewaring van plantaardige producten, kosten voor de opslag en het marktklaar maken van plantaardige producten van het bedrijf buiten het bedrijf, verkoopkosten voor plantaardige producten van het bedrijf, bedragen die zijn betaald voor de aankoop van marktbare gewassen op stam of voor de huur van grond voor een kortere duur dan één jaar om er marktbare gewassen op te telen, leveringen van druiven of olijven die op het bedrijf worden verwerkt enz. Omvat niet de specifieke kosten van de verwerking van andere gewassen dan druiven en olijven, die onder code 4020 moeten worden vermeld. Omvat tevens de kortlopende huur van gebouwen die worden gebruikt voor marktbare gewassen.

4010.   Specifieke kosten van bossen en houtverwerking

Kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen en diverse specifieke kosten. Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

4020.   Specifieke kosten van de verwerking van gewassen

Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van gewassen (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

4030.   Specifieke kosten van de verwerking van koemelk

Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van koemelk (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

4045.   Specifieke kosten van de verwerking van melk van andere dieren

Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van melk (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten) van andere dieren (bv. buffels, schapen en geiten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

4070.   Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten

Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de vleesverwerking en de verwerking van andere dierlijke producten die niet onder de codes 4030 tot en met 4060 zijn vermeld (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

4090.   Overige specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden

Grondstoffen, van het bedrijf of aangekocht, en andere specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden. Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.

5010.   Lopend onderhoud van bedrijfsgebouwen en van cultuurtechnische verbeteringen

Klein onderhoud (van de soort die voor rekening van de pachter komt) van gebouwen en cultuurtechnische verbeteringen met inbegrip van kassen, frames en steunstukken. De aankopen van bouwmaterialen die bestemd zijn voor het lopend onderhoud van de gebouwen, worden in deze code vermeld.

De aankopen van bouwmaterialen voor nieuwe investeringen worden vermeld onder de desbetreffende code in de informatiegroep „Investeringen/aankopen” in tabel D „Activa”.

De kosten van grote herstellingen die een meerwaarde aan het betrokken gebouw geven (groot onderhoud) worden niet onder deze code opgenomen. Deze kosten worden als investering vermeld in tabel D, onder code 3030 „Bedrijfsgebouwen”.

5020.   Elektriciteit

Totaal verbruik van elektriciteit voor bedrijfsdoeleinden.

5030.   Verwarmingsbrandstoffen (totaalbedrag)

Waarde van het totale verbruik van aangekochte verwarmingsbrandstoffen voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen. Deze categorie omvat het verbruik, voor verwarmingsdoeleinden, van aangekochte fossiele brandstoffen: aardgas en fabrieksgassen, olie, aardolieproducten en vaste fossiele brandstoffen, alsmede het verbruik van aangekochte hernieuwbare energiebronnen (bv. hout, stro, pellets en biogas).

5031.   Waarvan aardgas en fabrieksgassen

Totaal verbruik van aardgas en andere, industriële fossiele gassen voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.

5032.   Waarvan olie en aardolieproducten

Totaal verbruik van olie en aardolieproducten voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.

5033.   Waarvan vaste fossiele brandstoffen

Totaal verbruik van vaste fossiele brandstoffen (bv. kolen) voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.

5034.   Waarvan hernieuwbare brandstoffen

Totaal verbruik van hernieuwbare brandstoffen (bv. hout, stro, pellets en biogas) voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.

De gegevens van de variabelen 5031, 5032, 5033 en 5034 kunnen vanaf boekjaar 2023 vrijwillig worden ingediend en moeten vanaf boekjaar 2025 verplicht worden ingediend.

5035.   Waarvan van andere oorsprong

Totaal verbruik van energie geproduceerd van andere oorsprong die niet in de eerdere categorieën zijn opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn geothermische energie, stadsverwarming enz.

Stadsverwarming levert warmte vanaf een centrale plaats. In dit systeem genereert een centrale installatie warmte in de vorm van warm water, vaak door de verbranding van fossiele brandstoffen, biomassa of andere hernieuwbare bronnen, waarbij deze via een netwerk van leidingen wordt gedistribueerd.

5040.   Water

Kosten van het abonnement op het waterleidingnet en van het verbruik van leidingwater voor alle bedrijfsdoeleinden, inclusief voor irrigatie. De kosten die zijn verbonden aan het gebruik van een eigen watervoorzieningsinstallatie, worden geboekt onder de respectieve desbetreffende codes: afschrijving van machines en bedrijfsuitrusting, lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting, motorbrandstoffen en elektriciteit.

5051.   Landbouwverzekering

De kosten van de verzekering van het inkomen uit de landbouwproductie of van onderdelen daarvan, met inbegrip van de verzekering tegen veesterfte, schade aan gewassen enz. Omvat de vergoeding voor deelname aan onderlinge fondsen.

5055.   Andere bedrijfsverzekeringen

Alle premies voor verzekeringen die andere bedrijfsrisico's (met uitzondering van de landbouwrisico's) dekken, zoals wettelijke aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd, brand en overstroming, uitgezonderd verzekeringspremies voor arbeidsongevallen, die onder code 1010 van deze tabel worden geboekt. Omvat de verzekeringspremies voor gebouwen.

5061.   Belastingen en andere bijdragen betreffende het bedrijf

Alle belastingen en bijdragen betreffende het bedrijf met inbegrip van milieubeschermingsheffingen, uitgezonderd de btw en de belastingen die betrekking hebben op grond, gebouwen of arbeidskrachten. De directe inkomstenbelastingen van het bedrijfshoofd worden niet als bedrijfskosten beschouwd.

5062.   Belastingen en andere heffingen op grond en gebouwen

Bedrag van de belastingen en lasten op de eigendom van grond en bedrijfsgebouwen in eigendom of in deelpacht.

5070.   Betaalde pacht

Betaalde huur (in geld of in natura) voor de ten behoeve van het landbouwbedrijf gehuurde grond, gebouwen, quota en andere rechten. Hier worden alleen de huurkosten vermeld van het voor bedrijfsdoeleinden gebruikte gedeelte van de bedrijfswoning en van andere gehuurde gebouwen. De lease- of huurkosten van niet aan grond gekoppelde quota moeten ook in tabel E worden geboekt.

5071.   Waaronder: voor grond betaalde pacht

5080.   Betaalde rente en financieringskosten

Rente en financieringskosten voor vreemd kapitaal (leningen) dat is opgenomen ten behoeve van het bedrijf. Het verstrekken van deze informatie is verplicht.

Subsidies voor rente worden niet afgetrokken, maar worden geboekt onder code 3550 van tabel M.

5090.   Overige algemene bedrijfskosten

Alle overige bedrijfskosten die niet onder de voorgaande codes zijn genoemd (boekhouding, kantoor, secretariaat, telefoon, contributies, abonnementen enz.).

Tabel I

Landgebruik en gewassen

Structuur van de tabel

Gewascategorie

Code (*)

Teeltwijze

Code (**)

Ontbrekende gegevens

Code (***)


Informatiegroep

 

Kolommen

 

 

Totale oppervlakte

waarvan geïrrigeerd

waarvan gebruikt voor energiegewassen

waarvan volledig biologisch

waarvan in omschakeling naar biologisch

Hoeveelheid

Waarde

 

TA

IR

EN

OR

CO

Q

V

A

Oppervlakte

 

 

 

 

 

NU

Hoeveelheid N in minerale meststoffen

 

PU

Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen

 

KU

Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen

 

OV

Begininventaris

 

CV

Eindinventaris

 

PR

Productie

 

SA

Verkopen

 

 

FC

Eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura

 

FU

Intern verkeer

 

Voor de gewascategorieën worden de volgende codes gebruikt:

Code (*)

Omschrijving

Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad)

10110

Zachte tarwe en spelt

10120

Harde tarwe (durum)

10130

Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)

10140

Gerst

10150

Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)

10160

Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel

10170

Rijst

10190

Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)

Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

10210

Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen

10220

Linzen, kekers en wikke

10290

Overige eiwithoudende gewassen

Wortels en knollen

10300

Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

10310

— waarvan aardappelen voor zetmeelproductie

10390

— waarvan overige aardappelen

10400

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

10500

Andere hakvruchten, voederbieten en voedergewassen van de familie Brassicae, geteeld voor de wortel of de stengel, en andere voederwortel- en -knolgewassen, niet elders genoemd

Handelsgewassen

10601

Tabak

10602

Hop

10603

Katoen

10604

Kool- en raapzaad

10605

Zonnebloemzaad

10606

Sojabonen

10607

Lijnzaad

10608

Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd

10609

Vezelvlas

10610

Hennep

10611

Andere vezelgewassen, niet elders genoemd

10612

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

10613

Suikerriet

10690

Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd

Verse groenten, meloenen en aardbeien, waarvan:

Verse groenten, meloenen en aardbeien — In de openlucht of onder lage (niet-betreedbare) beschermingsafdekking

10711

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)

10712

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)

10720

Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Gegevens voor alle subcategorieën van “verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien”

10731

Bloemkool en broccoli

10732

Sla

10733

Tomaten

10734

Suikermaïs

10735

Uien

10736

Knoflook

10737

Wortelen

10738

Aardbeien

10739

Meloenen

10790

Overige groenten

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)

10810

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht

10820

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

Gegevens voor alle subcategorieën van “bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)”

10830

Bloembollen en -knollen

10840

Snijbloemen, bloesems en bloemknoppen

10850

Bloemen en sierplanten

Groen geoogste gewassen

10910

Tijdelijk grasland

Andere groen geoogste gewassen

10921

Voedermaïs

10922

Groen geoogste peulgewassen

10923

Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen, niet elders genoemd

Zaai- en plantgoed en andere gewassen op bouwland

11000

Zaai- en plantgoed

11100

Andere gewassen op bouwland

Braakland

11200

Braakland

Tuinen voor eigen gebruik

20000

Tuinen voor eigen gebruik

Blijvend grasland

30100

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

30200

Weiden met geringe opbrengst

30300

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

Blijvende teelten

Fruit, waarvan:

40101

Pitvruchten

40111

waarvan appelen

40112

waarvan peren

40102

Steenvruchten

40113

waarvan perziken en nectarines

40115

Fruit van subtropische en tropische breedten

40120

Kleinfruit (exclusief aardbeien)

40130

Noten

Citrusvruchtaanplantingen

40200

Citrusvruchten

40210

waarvan sinaasappelen

40230

waarvan citroenen

Olijfboomgaarden

40310

Tafelolijven

40320

Olijven voor oliewinning (verkocht in de vorm van vruchten)

40330

Olijfolie

40340

Bijproducten van de olijventeelt

Wijngaarden

40411

Wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40412

Wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40420

Overige wijnen

40430

Tafeldruiven

40440

Druiven voor de productie van rozijnen

40451

Wijndruiven voor wijn met beschermde oorsprongsbenaming (BOB)

40452

Wijndruiven voor wijn met beschermde geografische aanduiding (BGA)

40460

Druiven voor overige wijn

40470

Diverse producten van de wijnbouw: druivenmost, sap, brandewijn, wijnazijn e.a. voor zover ze op het bedrijf worden geproduceerd

40480

Bijproducten van de wijnbouw (druivenmoer, droesem enz.)

Boomkwekerijgewassen, andere meerjarige teelten, meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking en jonge aanplantingen

40500

Boomkwekerijgewassen

40600

Andere meerjarige teelten

40610

waarvan kerstbomen

40700

Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking

40800

Aanwas van jonge aanplantingen

Overig areaal

50100

Oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond

50200

Bosareaal

50210

waarvan hakhoutbosjes

50900

Andere gronden (gebouwen, erven, wegen, vijvers, steengroeven, onvruchtbare gronden, rotsen enz.)

60000

Gekweekte paddenstoelen

Overige producten en ontvangsten

90100

Ontvangsten uit het verpachten van landbouwgrond

90200

Door oogstverzekeringen betaalde vergoedingen die niet aan een specifiek gewas kunnen worden toegerekend

90300

Plantaardige bijproducten, andere dan die van de olijventeelt en de wijnbouw

90310

Stro

90320

Suikerbietenkoppen

90330

Andere bijproducten

90900

Overige

De codes voor de teeltwijze worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code(**)

Omschrijving

0

Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor verwerkte producten, producten in voorraad en bijproducten.

1

Teelten in volle grond — hoofdgewas, gecombineerd gewas: hoofdgewassen en gecombineerde gewassen in volle grond omvatten:

gewassen als enige teelt, d.w.z. gewassen die tijdens het boekjaar als enige op een bepaalde oppervlakte worden verbouwd,

gemengde gewassen: gewassen die gelijktijdig worden gezaaid, verzorgd en geoogst en waarvan de opbrengst een mengsel is,

in het geval van tijdens het boekjaar op een bepaalde oppervlakte na elkaar verbouwde gewassen, het gewas dat de grond het langst in beslag neemt,

gewassen die gedurende een bepaalde periode gelijktijdig op eenzelfde perceel voorkomen en gewoonlijk ieder afzonderlijk tijdens het boekjaar een oogst opleveren. De totale desbetreffende oppervlakte wordt aan elk van deze gewassen toegerekend in verhouding tot de werkelijk benutte oppervlakte,

akkerbouwmatig geteelde verse groenten, meloenen en aardbeien.

2

Teelten in volle grond — voor- en nagewassen: voor- en nagewassen in volle grond omvatten de gewassen die tijdens het boekjaar op een bepaalde oppervlakte na elkaar zijn verbouwd en niet als hoofdgewas worden beschouwd.

3

Tuinbouwgewassen en bloemen in open grond: tuinbouwgewassen en bloemen in open grond omvatten verse groenten, meloenen en aardbeien in intensieve teelt in open grond en bloemen en sierplanten in open grond.

4

Gewassen onder betreedbare beschermingsinstallatie: gewassen onder betreedbare beschermingsinstallatie omvatten verse groenten, meloenen en aardbeien onder beschutting, bloemen en sierplanten (eenjarig of blijvend) onder beschutting en blijvende teelten onder beschutting.

De codes voor ontbrekende gegevens worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code(***)

Omschrijving

0

Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld.

1

Code 1 wordt ingevuld als de oppervlakte van een gewas niet kan worden vermeld, bijvoorbeeld in het geval van de verkoop van producten van marktbare gewassen die op stam zijn gekocht of afkomstig zijn van grond welke incidenteel voor een kortere duur dan één jaar is gehuurd.

2

Code 2 wordt ingevuld als het niet mogelijk is de daadwerkelijke productie voor een gewas te bepalen in kwintalen (of in hectoliter voor wijn en aanverwante producten) wegens de verkoopvoorwaarden of omdat er geen daadwerkelijke productie is.

4

Code 4 wordt ingevuld als de oppervlakte van een gewas niet kan worden vermeld en er geen daadwerkelijke productie plaatsvindt of het niet mogelijk is de daadwerkelijke productie voor een gewas te bepalen in kwintalen (of in hectoliter voor wijn en aanverwante producten).

De informatie over de tijdens het boekjaar geproduceerde gewassen wordt geregistreerd in de format van tabel I „Gewassen”. De informatie over elk gewas wordt telkens in een aparte record opgenomen. De inhoud van de tabel wordt gedefinieerd door het kiezen van een code voor de gewascategorie, een code voor de teeltwijze en een code voor ontbrekende gegevens.

Gedetailleerde gegevens over aardappelen (de codes 10310 en 10390), verse groenten, meloenen en aardbeien (de codes 10731, 10732, 10733, 10734, 10735, 10736, 10737, 10738, 10739 en 10790), bloemen en sierplanten (de codes 10830, 10840 en 10850) en plantaardige bijproducten, andere dan die van de olijventeelt en de wijnbouw (de codes 90310, 90320 en 90330) hoeven alleen te worden vermeld als die gegevens in de bedrijfsboekhouding voorkomen.

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL I

Tabel I bevat de volgende informatiegroepen:

Verplichte informatiegroepen: oppervlakte (A), begininventaris (OV), eindinventaris (CV), productie (PR), verkopen (SA), eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura (FC) en intern verkeer (FU).

Facultatieve informatiegroep: Hoeveelheid N, P2O5 en K2O in minerale meststoffen.

KOLOMMEN IN TABEL I

In tabel I moeten de volgende gegevens worden vermeld: de totale oppervlakte (TA), de geïrrigeerde oppervlakte (IR), de oppervlakte die voor energiegewassen is gebruikt (EN), de volledig biologisch oppervlakte (OR), de oppervlakte in omschakeling naar biologisch (CO), de hoeveelheid toevoer van voedingsstoffen, productie, verkoop (Q) en de waarde (V). Voor elke informatiegroep worden de volgende kolommen ingevuld:

I.A   Oppervlakte

Voor de informatiegroep “oppervlakte” (A) worden vermeld: de totale oppervlakte (TA), de geïrrigeerde oppervlakte (IR), de oppervlakte die voor energiegewassen is gebruikt (EN), de oppervlakte waarop de gewassen biologisch worden geteeld zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 (OR) en de oppervlakte in omschakeling naar biologisch zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848 (CO). Telkens wordt de oppervlakte aangegeven in aren (100 are = 1 ha) behalve die voor de teelt van paddenstoelen, die in vierkante meters wordt aangeduid. De in de kolommen OR en CO vermelde oppervlakten sluiten elkaar uit.

I.NU   Hoeveelheid N in minerale meststoffen

Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige stikstof (N), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun N-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).

I.PU   Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen

Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige fosfor (P2O5), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun P2O5-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).

I.KU   Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen

Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige kalium (K2O), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun K2O-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).

I.OV   Begininventaris

Voor de informatiegroep „begininventaris” (OV) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die in voorraad (opslag) zijn bij het begin van het boekjaar. De producten worden gewaardeerd tegen de prijzen af boerderij op de inventarisdatum.

I.CV   Eindinventaris

Voor de informatiegroep „eindinventaris” (CV) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die in voorraad (opslag) zijn bij het einde van het boekjaar. De producten worden gewaardeerd tegen de prijzen af boerderij op de inventarisdatum.

I.PR   Productie

Voor de informatiegroep „productie” (PR) worden de hoeveelheden gewassen vermeld die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd (Q) (zonder de verliezen op het veld of op de boerderij). Deze hoeveelheden worden aangegeven voor de hoofdproducten van het bedrijf (dus niet voor de bijproducten).

Deze hoeveelheden worden uitgedrukt in kwintalen (100 kg), behalve voor wijn en aanverwante producten, die in hectoliters worden vermeld. Wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie in kwintalen te bepalen, wordt code 2 voor ontbrekende gegevens ingevuld.

Voor 10790 “Overige groenten” en 90900 “Overige” hoeft de hoeveelheid niet te worden opgegeven.

I.SA   Totaal van de verkopen

Voor de informatiegroep „totaal van de verkopen” (SA) worden de verkochte hoeveelheden (Q) en de waarde van de verkopen (V) vermeld van de producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of die tijdens het boekjaar zijn geoogst. Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden zij niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H “Productiemiddelen”.

I.FC   Eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura

Voor de informatiegroep „eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura” (FC) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die door het huishouden van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura). Deze producten worden gewaardeerd tegen prijzen af boerderij.

I.FU   Intern verkeer

Voor de informatiegroep „intern verkeer” (FU) wordt de waarde (V) vermeld van de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Daarbij gaat het om:

veevoer:

waarde van de marktbare producten van het bedrijf (producten die regelmatig verhandeld worden) die gedurende het boekjaar als veevoer zijn gebruikt. Stro van het bedrijf dat als veevoer of strooisel is verbruikt, wordt slechts in aanmerking genomen voor zover het een marktbaar product vormt in het desbetreffende gebied en boekjaar. De desbetreffende producten worden gewaardeerd tegen verkoopprijzen af boerderij;

zaaigoed:

waarde van de marktbare producten van het bedrijf die tijdens het jaar zijn gebruikt als zaaigoed. Dit zaaigoed wordt gewaardeerd tegen verkoopprijzen af boerderij;

ander gebruik op het bedrijf (inclusief producten gebruikt voor het bereiden van maaltijden voor vakantiegangers).

Tabel J

Dieren

Structuur van de tabel

Categorie dieren

Code (*)


 

 

Kolommen

 

 

 

Informatiegroep

Gemiddeld aantal

Aantal

Waarde

Beweidingstijd

Toegang tot de uitloop

Type huisvesting

A

N

V

D

Y

C

AN

Gemiddeld aantal

 

OR

Waarvan biologisch

 

CO

Waarvan in omschakeling naar biologisch

 

RN

Referentieaantal

 

OV

Begininventaris

 

 

CV

Eindinventaris

 

 

PU

Aankopen

 

 

SA

Totaal van de verkopen

 

 

SS

Verkopen voor de slacht

 

 

SR

Verkopen voor verdere opfok/fokdoeleinden

 

 

SU

Verkopen met onbekende bestemming

 

 

DL

Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties

 

FC

Verbruik in de huishouding

 

 

FU

Intern verkeer

 

 

TH

Type huisvesting

 

TO

Buiten doorgebrachte tijd

 

 


Code (*)

Omschrijving

100

Paardachtigen

210

Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar

220

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

230

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

240

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

251

Fokvaarzen

252

Mestvaarzen

261

Melkkoeien

262

Buffelmelkkoeien

269

Andere koeien

311

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

319

Andere schapen

321

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

329

Andere geiten

410

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

420

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

491

Mestvarkens

499

Andere varkens

510

Pluimvee — slachtkuikens

520

Legkippen

530

Ander pluimvee

610

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

699

Andere konijnen

700

Bijen

900

Andere dieren

Categorie dieren

De volgende categorieën dieren worden onderscheiden:

100.

Paardachtigen

Inclusief ren- en rijpaarden, ezels, muildieren, muilezels enz.

210.

Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar

220.

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

230.

Vaarzen tussen een en twee jaar oud

Niet inbegrepen zijn vrouwelijke runderen die reeds hebben gekalfd.

240.

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

251.

Fokvaarzen

Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en voor de fokkerij zijn bestemd.

252.

Mestvaarzen

Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en niet voor de fokkerij zijn bestemd.

261.

Melkkoeien

Vrouwelijke runderen die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken koeien.

262.

Buffelmelkkoeien

Vrouwelijke buffels die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken buffelkoeien.

269.

Andere koeien

1.

Vrouwelijke runderen die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk voor het zogen van kalveren worden gehouden en waarvan de melk niet voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten is bestemd.

2.

Werkkoeien.

3.

Uitstootkoeien (die al dan niet vóór het slachten worden gemest) uitgezonderd afgemolken koeien.

In de categorieën 210 tot en met 252 en 269 worden ook de overeenkomstige categorieën buffels opgenomen.

311.

Vrouwelijke schapen voor de voortplanting

Vrouwelijke schapen die ten minste een jaar oud zijn en voor de fokkerij zijn bestemd.

319.

Andere schapen

Schapen van alle leeftijden met uitzondering van vrouwelijke schapen voor de voortplanting

321.

Vrouwelijke geiten voor de voortplanting

329.

Andere geiten

Andere geiten dan vrouwelijke geiten voor de voortplanting.

410.

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

Biggen van minder dan 20 kg, uitgedrukt in levend gewicht.

420.

Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer

Fokzeugen van ten minste 50 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen (zie categorie 499 „andere varkens”).

491.

Mestvarkens

Mestvarkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen en beren (zie categorie 499 „Andere varkens”).

499.

Andere varkens

Varkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg met uitzondering van fokzeugen (zie categorie 420) en van mestvarkens (zie categorie 491).

510.

Pluimvee — slachtkuikens

Slachtkuikens. Niet inbegrepen zijn legkippen en oudere legkippen. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

520.

Legkippen

Inbegrepen zijn jonge hennen, leghennen, oudere leghennen en fokhanen voor leghennen die als leghennen zijn gestald. Jonge hennen zijn hennen die nog niet legrijp zijn. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

530.

Ander pluimvee

Omvat eenden, kalkoenen, ganzen, parelhoenders, struisvogels en fokhanen (uitgezonderd fokhanen voor leghennen). Inbegrepen zijn vrouwelijke fokdieren. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens.

610.

Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting

699.

Andere konijnen

700.

Bijen

Wordt uitgedrukt in bijenvolken (aantal bezette kasten of korven).

900.

Andere dieren

Omvat eendagskuikens, herten, pelsdieren. Ook inbegrepen zijn andere voor boerderijtoerisme gebruikte dieren. Niet inbegrepen zijn de producten van deze andere dieren (zie tabel K, categorie 900).

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL J

J.AN.   Gemiddeld aantal (uitsluitend kolom A)

Een eenheid komt overeen met de aanwezigheid van één dier op het bedrijf gedurende een volledig jaar. De dieren worden geteld in verhouding tot de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf tijdens het boekjaar.

Het gemiddeld aantal wordt bepaald ofwel aan de hand van periodieke inventarisatie ofwel aan de hand van een register van aan- en afvoer. Het omvat alle op het bedrijf aanwezige dieren, met inbegrip van de op contract opgefokte of gemeste dieren (dieren die niet aan het bedrijf toebehoren doch er worden opgefokt of gemest onder zodanige omstandigheden dat deze activiteit in hoofdzaak neerkomt op een dienstverlening door het bedrijfshoofd, waarbij deze laatste niet het economische risico draagt dat gewoonlijk eigen is aan de opfok of mesterij van deze dieren) en de in- of uitgeschaarde dieren gedurende de periode dat deze op het bedrijf aanwezig zijn.

Gemiddeld aantal (kolom A)

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

J. OR Biologisch

Gemiddeld aantal dieren dat is gehouden overeenkomstig de productievoorschriften van de artikelen 9, 11, 10 en 14 en van deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848, met uitzondering van de dieren die zich nog in de omschakelingsperiode als omschreven in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van die verordening bevinden.

J. CO In omschakeling naar biologisch

Gemiddeld aantal dieren dat is gehouden overeenkomstig de productievoorschriften van de artikelen 9, 11, 10 en 14 en van deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848, die zich nog in de omschakelingsperiode als omschreven in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van die verordening bevinden.

J.RN.   Referentieaantal (uitsluitend kolom N)

Het referentieaantal is het aantal dieren dat gewoonlijk op een bepaald moment op het bedrijf aanwezig is. Het wordt gebruikt om de standaardopbrengst van het bedrijf en de economische omvang ervan te berekenen. In tegenstelling tot het gemiddelde aantal (AN) maakt het het mogelijk om rekening te houden met een periode waarin er gedurende een uitzonderlijke periode als gevolg van een uitzonderlijke onderbreking van de productiecyclus (bv. ziekte-uitbraken) minder of geen dieren op het bedrijf aanwezig zijn.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

De gegevens met betrekking tot de variabele “J.RN.Referentieaantal” kunnen in uitzonderlijke gevallen (bv. ziekte op het bedrijf, of ruiming om sanitaire redenen) worden verstrekt. De indiening van deze gegevens is facultatief.

J.OV   Begininventaris

Dieren in eigendom van het bedrijf bij het begin van het boekjaar, ongeacht of de dieren op dat tijdstip al of niet op het bedrijf aanwezig zijn.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

Waarde (kolom V)

De waarde van de dieren is de waarde in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.

J.CV   Eindinventaris

Aantal dieren in eigendom van het bedrijf aan het einde van het boekjaar, ongeacht of de dieren op dat tijdstip al of niet op het bedrijf aanwezig zijn.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

Waarde (kolom V)

De waarde van de dieren is de waarde in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.

J.PU   Aankopen

Alle dieren die tijdens het boekjaar zijn aangekocht.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

Waarde (kolom V)

De waarde van de aankopen omvat ook de aankoopkosten. De betrokken premies en subsidies worden niet afgetrokken van het totaal van deze aankopen, maar worden vermeld in tabel M „Subsidies”, in de desbetreffende categorie (de codes 5100 tot en met 5900).

J.SA   Totaal van de verkopen

Alle dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht.

Dit omvat de verkoop van dieren of vlees aan de consument voor eigen gebruik, ongeacht of de dieren op het bedrijf worden geslacht of niet.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (code 900).

Waarde (kolom V)

Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden zij niet afgetrokken van het totaal van de verkopen, maar vermeld onder code 2090 (“Overige specifieke kosten van de veehouderij”). De betrokken premies en subsidies worden niet meegerekend in het totaal van de verkopen, maar worden vermeld in tabel M “Subsidies”, in de desbetreffende categorie of gekoppelde inkomenssteun (de codes 23111 tot en met 2900).

J.SS   Verkopen voor de slacht

De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht voor de slacht. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor fokvaarzen (code 251), bijen (code 700) en andere dieren (code 900).

Aantal (kolom N)

Zie „Totaal van de verkopen”.

Waarde (kolom V)

Zie „Totaal van de verkopen”.

J.SR   Verkopen voor verdere opfok of voor fokdoeleinden

De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht voor verdere opfok of voor fokdoeleinden. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor mestvaarzen (code 252), bijen (code 700) en andere dieren (code 900).

Aantal (kolom N)

Zie „Totaal van de verkopen”.

Waarde (kolom V)

Zie „Totaal van de verkopen”.

J.SU   Verkopen met onbekende bestemming

De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht, maar waarvan de bestemming niet bekend is. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor bijen (code 700) en voor andere dieren (code 900).

Aantal (kolom N)

Zie „Totaal van de verkopen”.

Waarde (kolom V)

Zie „Totaal van de verkopen”.

J.DL   Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Het omvat het doden van dieren in noodsituaties en ruiming. Onder “doden van dieren in noodsituaties” wordt verstaan het doden van dieren die zodanig gewond of ziek zijn dat dit ernstige pijn of ernstig lijden met zich meebrengt. Onder “ruiming” wordt verstaan de methode waarbij onder supervisie van de bevoegde autoriteit dieren worden gedood met het oog op de volksgezondheid, de diergezondheid, het welzijn of het milieu.

J.FC   Verbruik in de huishouding en betalingen in natura

Tijdens het boekjaar in de huishouding verbruikte of als betaling in natura gegeven dieren.

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

Waarde (kolom V)

De waarde van de dieren is de waarde ervan in het economisch verkeer.

J.FU   Intern verkeer

De dieren die tijdens het boekjaar als productiemiddel voor verdere verwerking op het bedrijf worden gebruikt in de context van andere winstgevende werkzaamheden. Omvat dieren die zijn gebruikt voor:

catering, toeristische accommodatie,

verwerking van dieren tot vleesproducten en veevoer.

De verkoop van dieren of vlees, ongeacht of de dieren al dan niet op het bedrijf zijn geslacht, is uitgesloten (zie de toelichting bij de verkopen SA).

Deze waarde wordt ook in tabel H als kosten van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden vermeld onder code 4070 (Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten).

Aantal (kolom N)

Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).

Waarde (kolom V)

De waarde van de dieren is de waarde ervan in het economisch verkeer.

J.TH Type huisvesting

Code (kolom C)

De codes ter bepaling van het type huisvesting moeten uit onderstaande lijst worden gekozen voor elke afzonderlijke categorie dieren die daarin is opgenomen:

Tabel J

Codes type huisvesting

Code

Diersoort

Type huisvesting

10

Runderen (categorieën 210-269)

Stallen met halsbeugels (drijfmest)

20

Stallen met halsbeugels (vaste mest)

30

Loopstallen/stallen met boxen (drijfmest)

40

Loopstallen/stallen met boxen (vaste mest)

50

Altijd buiten

60

Ander type huisvesting (drijfmest)

70

Ander type huisvesting (vaste mest)

80

Schapen en geiten (categorieën 311-329)

Diepstrooisel

90

Roostervloer

100

Harde vloer

110

Altijd buiten

120

Varkens (categorieën 410-499)

Volledige roostervloer

130

Gedeeltelijke roostervloer

140

Harde vloer (vaste mest)

150

Oppervlak geheel voorzien van diepstrooisel

160

Buiten (vrije uitloop)

170

Ander type huisvesting (drijfmest)

180

Ander type huisvesting (vaste mest)

190

Pluimvee (categorieën 510-530)

Diepstrooisel

200

Volière

210

Kooien met mestband

220

Kooien met diepe put

230

Kooien met natuurlijk geventileerde mestput

240

Buiten (vrije uitloop)

250

Ander type huisvesting

Indien voor een diercategorie meer dan één type huisvesting wordt gebruikt, wordt alleen het type huisvesting gemeld waar de meeste dieren in die diercategorie worden ondergebracht. De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

Beschrijving van huisvestingssystemen

Stallen met halsbeugels Stallen met halsbeugels zijn dierenverblijven waar de dieren op hun plaats zijn vastgemaakt en niet vrij kunnen bewegen. Deze typen huisvesting kunnen mest bevatten die gescheiden wordt in de vorm van vaste mest en vloeibare mest wanneer de vloeren van de stallen zich op hellend beton bevinden met strooisel (bv. stro, gehakt stro, zaagsel) en via een ondiepe goot achter de dieren om een deel van de uitwerpselen en de urine op te vangen, waarbij een deel ervan regelmatig als vaste mest wordt verwijderd. In sommige gevallen is de goot uitgerust met een afwateringsleiding om weglekkende mest op te vangen of kan er zich een diepere sleuf bevinden in plaats van een goot om het vloeibare deel op te vangen en op te slaan. De mest wordt doorgaans mechanisch uit het gebouw verwijderd als vaste mest/stalmest. Er kan ook sprake zijn van mest in de vorm van drijfmest wanneer de vloeren van de stallen uit vlak beton bestaan met een sleuf die achter de dieren wordt afgedekt door een rooster of met een volledige roostervloer om uitwerpselen en urine als drijfmest op te vangen. In dat geval vallen de mest en urine in een put onder de vloer, waar ze drijfmest vormen.

Loopstallen en stallen met boxen Loopstallen verwijzen naar dierenverblijven waar de dieren vrij kunnen bewegen en vrije toegang hebben tot de gehele ruimte van het gebouw of uitloopruimte (een kleine ruimte voor vee). Loopstallen kunnen mest in vaste vorm bevatten wanneer er een betonnen vloer is die door middel van schrapen vaker wordt gereinigd op de plek waar de dieren voor het voederen en/of drenken staan. Het is gebruikelijk dat een diepe laag strooisel (gewoonlijk stro) over de vloer wordt verspreid. Dit strooisel wordt, doorgaans eenmaal of tweemaal per winter, uit het gebouw verwijderd als stalmest. Dit type huisvesting omvat ook stallen met boxen, die gebouwen zijn.

Buiten Omvat weiden, vrije uitloop en koppelweiden.

Huisvesting met roostervloer Verwijst naar dierenverblijven met volledige roostervloer. De hele vloer is voorzien van roosters waardoor de mest en urine in een put onder de vloer vallen, waar ze drijfmest vormen.

Gedeeltelijke roostervloer Verwijst naar dierenverblijven met gedeeltelijke roostervloer. Een deel van de vloer is voorzien van roosters waardoor de mest en urine in een put onder de vloer vallen, waar ze drijfmest vormen.

Diepstrooisel voor varkens: huisvesting op strobedding (diepstrooisel — loopstallen) waarvan de vloer bedekt is met een dikke laag strooisel (stro, turf, zaagsel of ander materiaal dat de mest en de urine bindt) dat slechts nu en dan verwijderd wordt, soms met een interval van verschillende maanden.

Andere typen huisvesting Typen huisvesting die verschillen van de hierboven genoemde.

Vrije uitloop Vrije uitloop is een houderijmethode waarbij de dieren gedurende ten minste een deel van de dag buiten vrij kunnen rondlopen in plaats van 24 uur per dag in een ruimte te worden gehouden.

Diepstrooisel voor legkippen op strobedding (vergelijkbaar met diepstrooisel — loopstallen) waarvan de vloer bedekt is met een dikke laag strooisel (stro, turf, zaagsel of ander materiaal dat de mest bindt) dat slechts nu en dan verwijderd wordt, soms met een interval van verschillende maanden. Een eenvoudig gesloten gebouw dat thermisch geïsoleerd is en voorzien is van geforceerde of natuurlijke ventilatie. Ten minste een derde van het vloeroppervlak moet bedekt zijn met beddingmateriaal (bv. gehakt stro, houtkrullen) en twee derde van het vloeroppervlak moet de vorm hebben van een met roosters bedekte put voor het opvangen van uitwerpselen (afval afkomstig van pluimvee) gedurende de 13 tot 15 maanden durende legperiode. Om het strooisel droog te houden bevinden de legnesten, voerbakken en watervoorziening zich boven de roosters.

Volières Volières worden ook systemen op meerdere niveaus genoemd. Zij bestaan uit een begane grond en een of meer geperforeerde platforms, waardoor mest niet op vogels eronder kan vallen. Op een bepaald punt in het systeem zijn voor de vogels ten minste twee niveaus beschikbaar. Een volière is een constructie met thermische isolatie, geforceerde ventilatie en natuurlijk of kunstlicht. Ze kunnen worden gecombineerd met vrije uitloop en scharrelgebieden buiten. De vogels worden in grote groepen gehouden en kunnen in het hele verblijf vrij over meerdere niveaus bewegen. De ruimte is onderverdeeld in verschillende gebieden: voor het voederen en drenken, slapen en rusten, scharrelen en leggen van eieren. Omdat de dieren verschillende niveaus kunnen gebruiken, is een hogere bezettingsdichtheid dan voor huisvesting met diepstrooisel toegestaan. De uitwerpselen worden door mestbanden verwijderd of in een mestput opgevangen.

Kooien met mestband Legbatterijen zijn dierenverblijfsystemen waarbij de legkippen worden gehouden in kooien — een of meer in elke kooi — in gesloten gebouwen met geforceerde ventilatie en al dan niet met een verlichtingssysteem. Het pluimvee wordt gehouden in meeretagekooien die meestal vervaardigd zijn uit staaldraad en in lange rijen zijn opgesteld. De uitwerpselen vallen door de bodem van de kooien en worden in een diepe put of sleuf opgevangen en opgeslagen of door een band of schraper verwijderd. De uitwerpselen van leghennen in batterijsystemen worden niet met ander materiaal zoals strooisel vermengd en kunnen worden gedroogd ofwel kan er water aan worden toegevoegd zodat de mest gemakkelijker te hanteren is. Legbatterijen met mestband zijn legbatterijen waarbij de mest mechanisch door een band onder de kooien uit het gebouw wordt verwijderd om vaste mest/stalmest te vormen.

J.TO   Buiten doorgebrachte tijd

Beweidingstijd (kolom D)

Aantal volledige graasdagen. Als de dieren minder dan twee uur per dag grazen, wordt dit niet als een graasdag beschouwd. Informatie dient te worden gerapporteerd voor de categorieën 261 melkkoeien, 269 andere koeien, 311 vrouwelijke schapen voor de voortplanting en 321 vrouwelijke geiten voor de voortplanting.

Toegang tot de uitloop (kolom Y)

Uitloop naar buiten:

Permanent toegankelijke buitenruimten, gewoonlijk met een ondoordringbare vloer, met inbegrip van een grassig gedeelte zonder begrazing, waar dieren een deel van de dag kunnen bewegen. Indien de uitloop toegankelijk is voor de dieren, wordt deze meegeteld.

De te gebruiken codes zijn:

0

Nee, het vee heeft geen toegang tot de uitloop

1

Ja, het vee heeft toegang tot de uitloop

Tabel K

Dierlijke producten en diensten

Structuur van de tabel

Categorie dierlijke producten of diensten

Code (*)

Ontbrekende gegevens

Code (**)

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Hoeveelheid

Waarde

Q

V

OV

Begininventaris

 

 

CV

Eindinventaris

 

 

PR

Productie

 

SA

Verkopen

 

 

FC

Verbruik in de huishouding

 

 

FU

Intern verkeer

 

 


Code (*)

Omschrijving

261

Koemelk

262

Buffelmelk

311

Schapenmelk

321

Geitenmelk

330

Wol

531

Eieren voor menselijke consumptie (alle soorten pluimvee)

532

Broedeieren (alle soorten pluimvee)

700

Honing en producten van de bijenteelt

800

Mest

900

Andere dierlijke producten

1100

Veehouderij op contract

1200

Andere diensten met betrekking tot dieren

Ontbrekende gegevens

Code (**)

Omschrijving

0

Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld.

2

Code 2 wordt ingevuld wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie te bepalen in kwintalen (of in duizendtallen voor eieren).

4

Code 4 wordt ingevuld wanneer er alleen voorraad is en geen daadwerkelijke productie.

Categorieën dierlijke producten en diensten

De volgende categorieën dierlijke producten en diensten worden onderscheiden:

261

Koemelk

262

Buffelmelk

311

Schapenmelk

321

Geitenmelk

330

Wol

531

Eieren voor menselijke consumptie (alle soorten pluimvee)

532

Broedeieren (alle soorten pluimvee)

700

Honing en producten van de bijenteelt: honing, hydromel en andere producten en bijproducten van de bijenteelt

800

Mest

900

Andere dierlijke producten (dekgeld, embryo's, was, ganzen- of eendenlever, melk van andere dieren enz.)

1100

Veehouderij op contract

Ontvangsten voor veehouderij op contract op zodanige voorwaarden dat het voornamelijk gaat om een dienstverlening door het bedrijfshoofd, waarbij deze laatste niet het economische risico draagt dat gewoonlijk eigen is aan de mesterij of houderij van de dieren in kwestie, bv. runderen, schapen, geiten, varkens, pluimvee.

1200

Andere diensten met betrekking tot dieren

Bedrag van de ontvangsten voor andere diensten met betrekking tot dieren (weidegeld enz.)

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL K

Voor mest (code 800) worden alleen gegevens over de verkopen (SA) verstrekt in de kolom “waarde” (V).

Voor de andere dierlijke producten (code 900) wordt slechts de waarde (in kolom V) verstrekt, aangezien voor een samenstel van heterogene producten geen hoeveelheid kan worden opgegeven.

Voor diensten met betrekking tot dieren zoals veehouderij op contract (code 1100) en andere diensten (code 1200) worden alleen de ontvangsten vermeld; dit gebeurt onder “verkopen” (SA) in de kolom “waarde” (V).

Hoeveelheid (kolom Q)

De hoeveelheden worden uitgedrukt in kwintalen (100 kg) behalve voor eieren (de codes 531 en 532), die in duizendtallen worden vermeld.

Voor andere producten van de bijenteelt dan honing (code 700) wordt de hoeveelheid uitgedrukt in kwintalen honingequivalent.

K.OV   Begininventaris

De producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar, uitgezonderd de veestapel.

Hoeveelheid (kolom Q)

Zie de instructies voor tabel K.

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer op de inventarisdatum.

K.CV   Eindinventaris

Waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het einde van het boekjaar, uitgezonderd de veestapel.

Hoeveelheid (kolom Q)

De instructies voor tabel K zijn van toepassing.

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer op de inventarisdatum.

K.PR   Productie tijdens het boekjaar

Hoeveelheid (kolom Q)

De hoeveelheden dierlijke producten die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd (zonder eventuele verliezen). Deze hoeveelheden worden aangegeven voor de hoofdproducten van het bedrijf (dus niet voor de bijproducten). Omvat de productie die wordt gebruikt voor verwerking in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden.

De door kalveren bij de koe gezogen melk is niet in de productie begrepen.

K.SA   Verkopen

Het totaal van de tijdens het boekjaar verkochte producten (producten die in voorraad waren bij het begin van het boekjaar of die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd).

Hoeveelheid (kolom Q)

De instructies voor tabel K zijn van toepassing.

Waarde (kolom V)

Totaalbedrag (reeds tijdens het boekjaar ontvangen of nog niet) van de verkopen van producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of tijdens het boekjaar zijn geproduceerd.

Het bedrag van de verkochte producten omvat de waarde van de teruggeleverde producten (ondermelk enz.). Die waarde wordt eveneens vermeld bij de kosten van het bedrijf.

Eventuele schadeloosstellingen (bv. verzekeringsuitkeringen) gedurende het boekjaar worden toegevoegd aan het totaal van de verkopen van de desbetreffende producten, voor zover zij aan de productie ervan kunnen worden toegerekend. Zo niet, dan worden zij vermeld onder code 900 “Andere dierlijke producten”.

Tijdens het boekjaar ontvangen premies en subsidies voor producten zijn niet begrepen in het bedrag van de verkopen; zij worden vermeld in tabel M “Subsidies” in de desbetreffende categorie gekoppelde inkomenssteun (codes tussen 23111 en 2900).

Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden die niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H „Productiemiddelen”, onder code 2090 „Overige specifieke kosten van de veehouderij”.

K.FC   Verbruik in de huishouding en betalingen in natura

Producten die door de huishouding van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura). Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor broedeieren (code 532).

Hoeveelheid (kolom Q)

De instructies voor tabel K zijn van toepassing.

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.

K.FU   Intern verkeer

Omvat de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Daarbij gaat het om:

veevoer: de marktbare producten van het bedrijf (producten die regelmatig verhandeld worden) die gedurende het boekjaar als veevoer zijn gebruikt. Door kalveren bij de koe gezogen melk wordt niet tot het intern verkeer gerekend;

producten die worden gebruikt in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:

catering, toeristische accommodatie enz.,

voor verdere verwerking (tot boter of kaas verwerkte melk enz.).

Hoeveelheid (kolom Q)

De instructies voor tabel K zijn van toepassing.

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer. Die waarde wordt eveneens vermeld bij de kosten van het bedrijf.

Tabel L

Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

Structuur van de tabel

Categorie andere winstgevende werkzaamheden

Code (*)

 

Ontbrekende gegevens

Code (**)

 

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Hoeveelheid

Waarde

 

 

Q

V

OV

Begininventaris

 

CV

Eindinventaris

 

PR

Productie

 

SA

Verkopen

 

FC

Verbruik in de huishouding

 

FU

Intern verkeer

 


Code (*)

Omschrijving

261

Verwerking van koemelk

263

Verwerking van melk van andere dieren

900

Verwerking van vlees of andere dierlijke producten

1010

Verwerking van gewassen

1020

Bosbouw en houtverwerking

2010

Loonwerk

2020

Toerisme, accommodatie, catering en andere vormen van vrijetijdsbesteding

2030

Opwekking van hernieuwbare energie

9000

Overige andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden


Code (**)

Omschrijving

0

Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld.

1

Code 1 wordt vermeld als de productie is verkregen door de verwerking van aangekochte dieren of dierlijke of plantaardige producten.

2

Code 2 wordt ingevuld wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie te bepalen in kwintalen.

4

Code 4 wordt ingevuld wanneer er alleen voorraad is en geen daadwerkelijke productie.

Categorieën andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

De volgende categorieën andere winstgevende werkzaamheden worden onderscheiden:

261

Verwerking van koemelk

263

Verwerking van melk van andere dieren, zoals buffelmelk, schapenmelk en geitenmelk

900

Verwerking van vlees of andere dierlijke producten

1010

Verwerking van plantaardige producten, met uitzondering van wijn en olijfolie. Omvat de productie van alcohol uit andere landbouwproducten dan druiven, cider of perenwijn.

1020

Bosbouw en houtverwerking. Omvat de verkopen, tijdens het boekjaar, van gekapt hout en hout op stam, van andere bosproducten dan hout (kurk, hars enz.) en van verwerkt hout.

2010

Loonwerk voor derden. De verhuur van bedrijfsmachines zonder arbeidskrachten van het bedrijf of het loutere inzetten van arbeidskrachten van het bedrijf voor loonwerk worden niet als andere winstgevende werkzaamheden beschouwd, maar als onderdelen van de landbouwactiviteit.

2020

Toerisme, accommodatie, catering en andere vormen van vrijetijdsbesteding. Zij omvatten de dankzij het toerisme ontvangen vergoedingen (voor de verhuur van kampeerplaatsen en vakantieverblijven, het beschikbaar stellen van faciliteiten voor paardrijden, jacht- en visserijverhuur enz.).

2030

Opwekking van hernieuwbare energie. Hierbij gaat het om de opwekking van hernieuwbare energie voor de markt, inclusief biogas, biobrandstof en elektriciteit, met windturbines of andere installaties of uit landbouwgrondstoffen. De volgende rubrieken zijn vanwege het feit dat zij als onderdeel van de landbouwactiviteit van het bedrijf moeten worden beschouwd, niet inbegrepen:

de opwekking van hernieuwbare energie voor eigen gebruik op het bedrijf,

het verhuren van grond of dakoppervlakte voor de oprichting van windmolens of de installatie van zonnepanelen,

de verkoop van grondstoffen aan een ander bedrijf voor de opwekking van hernieuwbare energie.

9000

Overige andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden. Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden, niet elders genoemd.

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL L

Hoeveelheid (kolom Q)

Deze hoeveelheden worden aangegeven in kwintalen (100 kg).

Voor verwerkte producten op basis van melk (de codes 261 en 263) wordt de geproduceerde hoeveelheid vloeibare melk aangegeven ongeacht de vorm (room, boter, kaas enz.) waarin deze wordt verkocht, in de huishouding wordt verbruikt, als betaling in natura wordt gegeven of in eigen bedrijf wordt gebruikt.

L.OV   Begininventaris

De waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020), opwekking van hernieuwbare energie (code 2030) en overige “andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden” (code 9000).

Waarde (kolom V)

De waarde van de producten is de waarde ervan in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.

L.CV   Eindinventaris

De waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het einde van het boekjaar.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020), opwekking van hernieuwbare energie (code 2030) en overige “andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden” (code 9000).

Waarde (kolom V)

De waarde van de producten is de waarde ervan in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.

L.PR   Productie van het boekjaar

Hoeveelheid (kolom Q)

Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt voor de categorieën die op de melkverwerking betrekking hebben (de codes 261 en 263).

Bedoeld is de hoeveelheid vloeibare melk die tijdens het boekjaar op het bedrijf is geproduceerd en die voor de bereiding van de verwerkte producten wordt gebruikt.

L.SA   Verkopen

Het totaal van de tijdens het boekjaar verkochte producten (producten die in voorraad waren bij het begin van het boekjaar of die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd) en de ontvangsten van andere winstgevende werkzaamheden.

Waarde (kolom V)

Totaalbedrag (reeds tijdens het boekjaar ontvangen of nog niet) van de verkopen van producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of tijdens het boekjaar zijn geproduceerd.

Eventuele schadeloosstellingen (bv. verzekeringsuitkeringen) gedurende het boekjaar worden toegevoegd aan het totaal van de verkopen van de desbetreffende producten, voor zover zij aan de productie ervan kunnen worden toegerekend. Zo niet, dan worden zij in tabel I “Gewassen” onder code 90900 “Overige” vermeld.

Tijdens het boekjaar ontvangen premies en subsidies voor producten zijn niet begrepen in het bedrag van de verkopen; zij worden vermeld in tabel M “Subsidies” in de desbetreffende categorie gekoppelde inkomenssteun (codes tussen 23111 en 2900). Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden die niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H „Productiemiddelen”, in de desbetreffende categorie van specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden (de codes 4010 tot en met 4090).

L.FC   Verbruik in de huishouding en betalingen in natura

Producten die door de huishouding van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura).

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020) en de opwekking van hernieuwbare energie (code 2030).

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.

L.FU   Intern verkeer

Omvat de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Hierbij gaat het om producten die op het bedrijf zijn verwerkt (melk verwerkt tot kaas, granen verwerkt tot brood, vlees verwerkt tot ham enz.) en gebruikt voor de catering of voor toeristische accommodatie.

Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020) en de opwekking van hernieuwbare energie (code 2030).

Waarde (kolom V)

De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.

Tabel M

Subsidies

Structuur van de tabel

 

Categorie subsidie/administratieve informatie

Code (*)

 

 

 

Financieringswijze

Code (**)

 

 

 

Basiseenheid

Code (***)

 

 

Informatiegroep

Kolommen

Aantal basiseenheden

Waarde

Soort

N

V

T

S

Subsidie

 

 

AI

Administratieve informatie

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Groep

Omschrijving

Kolommen

N

V

T

 

 

Ontkoppelde betalingen

 

 

 

1250

S

Basisinkomenssteun voor duurzaamheid

 

 

1300

S

Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid

 

 

1400

S

Regelingen voor het klimaat, het milieu en dierenwelzijn (ecoregelingen)

 

 

1600

S

Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers

 

 

1700

S

Betalingen voor kleine landbouwers

 

 

 

 

Gekoppelde inkomenssteun

 

 

 

 

 

Akkerbouwgewassen

 

 

 

 

 

Granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen

 

 

 

23111

S

Granen

 

 

23112

S

Oliehoudende zaden

 

 

23114

S

Eiwithoudende gewassen & zaaddragende leguminosen

 

 

2312

S

Aardappelen

 

 

23121

S

waarvan aardappelen voor zetmeelproductie

 

 

2313

S

Suikerbieten

 

 

 

 

Handelsgewassen

 

 

 

23141

S

Vlas

 

 

23142

S

Hennep

 

 

23143

S

Hop

 

 

23144

S

Suikerriet

 

 

23145

S

Cichorei

 

 

23149

S

Overige handelsgewassen

 

 

 

 

Andere gewassen

 

 

 

2315

S

Groenten

 

 

2316

S

Braakland

 

 

2317

S

Rijst

 

 

2319

S

Niet gedefinieerde akkerbouwgewassen

 

 

2320

S

Blijvend grasland

 

 

2321

S

Gedroogde voerdergewassen

 

 

2322

S

Gewasspecifieke betaling voor katoen

 

 

2323

S

Nationaal herstructureringsprogramma’s voor de katoensector

 

 

2324

S

Zaadteelt

 

 

 

 

Blijvende teelten

 

 

 

23311

S

Kleinfruit

 

 

23312

S

Noten

 

 

2332

S

Pit- en steenvruchten

 

 

2333

S

Citrusvruchtaanplantingen

 

 

2334

S

Olijfboomgaarden — olijfolie en tafelolijven

 

 

2335

S

Wijngaarden

 

 

2339

S

Blijvende teelten, niet elders genoemd

 

 

 

 

Dieren

 

 

 

2341

S

Zuivelsector

 

 

2342

S

Rundvlees

 

 

2343

S

Vee (niet-gespecificeerde soort)

 

 

2344

S

Schapen en geiten

 

 

2345

S

Varkens en pluimvee

 

 

2346

S

Zijderupsen

 

 

2347

S

Producten van de bijenteelt

 

 

2349

S

Andere dieren, niet elders genoemd

 

 

2410

S

Hakhout met korte omlooptijd

 

 

2490

S

Andere gekoppelde betalingen, niet elders genoemd

 

 

 

 

Premies en subsidies van buitengewone aard

 

 

 

2810

S

Betalingen bij rampen

 

 

2890

S

Andere premies en subsidies van buitengewone aard

 

 

2900

S

Andere rechtstreekse betalingen, niet elders genoemd

 

 

 

 

Plattelandsontwikkeling

 

 

 

3100

S

Investeringen, ook in irrigatie

 

 

3200

S

Vestiging van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, en het opstarten van plattelandsbedrijven

 

 

3310

S

Beheersverbintenissen (op milieu-, klimaat- en andere gebieden) (met uitzondering van dierenwelzijn en biologische landbouw)

 

 

3320

S

Dierenwelzijnsbetalingen

 

 

 

3350

S

Biologische landbouw

 

 

3400

S

Gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten (bv. Natura 2000, kaderrichtlijn water)

 

 

3500

S

Natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen

 

 

 

S

Bosbouw/niet-productieve investeringen

 

 

 

3610

S

Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen

 

 

3620

S

Natura 2000-betalingen voor bosbouw en bijstand voor bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding

 

 

3750

S

Bijstand voor het herstel van door natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen beschadigd agrarisch productiepotentieel en invoering van passende preventieve acties

 

 

3760

S

Risicobeheersinstrumenten

 

 

3770

S

Kennisuitwisseling en verspreiding van informatie

 

 

 

3780

S

Samenwerking

 

 

 

3900

S

Andere betalingen voor plattelandsontwikkeling

 

 

 

 

Premies en subsidies voor kosten

 

 

 

4100

S

Lonen en sociale lasten

 

 

4200

S

Motorbrandstoffen

 

 

 

 

Vee

 

 

 

4310

S

Veevoeder voor graasdieren

 

 

4320

S

Veevoeder voor varkens en pluimvee

 

 

4330

S

Overige kosten van de veehouderij

 

 

 

 

Gewassen

 

 

 

4410

S

Zaden

 

 

4420

S

Meststoffen

 

 

4430

S

Gewasbescherming

 

 

4440

S

Overige specifieke kosten van gewassen

 

 

 

 

Algemene bedrijfskosten

 

 

 

4510

S

Elektriciteit

 

 

4520

S

Verwarmingsbrandstoffen, totaalbedrag

 

 

4521

S

waarvan aardgas en fabrieksgassen

 

 

4522

S

waarvan olie en aardolieproducten

 

 

4523

S

waarvan vaste fossiele brandstoffen

 

 

4524

S

waarvan hernieuwbare brandstoffen

 

 

4530

S

Water

 

 

4540

S

Verzekering

 

 

4550

S

Rente

 

 

4600

S

Kosten voor andere winstgevende werkzaamheden

 

 

4900

S

Andere kosten

 

 

 

 

Premies en subsidies voor de aankoop van vee

 

 

 

5100

S

Aankoop van zuivel

 

 

5200

S

Aankoop van rundvlees

 

 

5300

S

Aankoop van schapen en geiten

 

 

5400

S

Aankoop van varkens en pluimvee

 

 

5900

S

Aankoop van andere dieren

 

 

9000

S

Verschillen ten opzichte van de voorgaande boekjaren

 

 

 

 

Verplichtingen van de lidstaten inzake een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen 2, 8 en 9)

 

 

 

10010

AI

GLMC 2 voor wetland en veengebied

 

10011

AI

GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — blijvend grasland

 

10012

AI

GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — bouwland

 

10013

AI

GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — blijvende teelten

 

10400

AI

GLMC 9: verbod op het omzetten en ploegen

 

10401

AI

GLMC 9: aantal hectaren blijvend grasland in Natura 2000-gebieden

 

10402

AI

GLMC 9: door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd

 

10403

AI

GLMC 9: door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland buiten Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd, indien van toepassing

 

De codes voor de financieringswijze van de subsidie worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (**)

Omschrijving

0

Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor administratieve informatie.

1

De subsidie wordt uitsluitend uit de Uniebegroting gefinancierd.

2

De maatregel wordt gecofinancierd door de Unie en de lidstaat.

3

De maatregel wordt niet uit de Uniebegroting, maar uit andere overheidsbronnen gefinancierd.

De codes voor de basiseenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (***)

Omschrijving

0

Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor administratieve informatie.

1

De subsidie wordt per stuk vee verleend.

2

De subsidie wordt per ha verleend.

3

De subsidie wordt per ton verleend.

4

Bedrijf/overige: de subsidie wordt verleend voor het gehele bedrijf of op een wijze die niet in de overige categorieën past.

Tabel M “Subsidies” omvat premies en subsidies die de landbouwbedrijven van publieke instanties hebben ontvangen en die zowel uit de nationale begroting als uit de begroting van de Unie worden gefinancierd. De tabel omvat ook administratieve informatie over een goede landbouw- en milieuconditie van grond.

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL M

S   Subsidies

Premies en subsidies worden omschreven aan de hand van de categorie subsidies (S), de financieringswijze en de basiseenheden. Voor elke boeking moeten het aantal basiseenheden (N) en het ontvangen bedrag (V) worden geregistreerd. Een subsidiecategorie kan meer dan één record bevatten omdat de basiseenheden en/of de financieringsoorsprong kunnen verschillen.

In de regel hebben in tabel M geregistreerde premies en subsidies betrekking op het lopende boekjaar, ongeacht wanneer de betaling wordt ontvangen (het boekjaar is gelijk aan het aanvraagjaar). Investeringssubsidies en betalingen in het kader van de plattelandsontwikkeling, met uitzondering van betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, vormen een uitzondering op deze regel: de geregistreerde bedragen moeten in dit geval betrekking hebben op betalingen die tijdens het boekjaar daadwerkelijk zijn ontvangen (het boekjaar is gelijk aan het betalingsjaar).

AI   Administratieve informatie

Bepaalde verplichtingen van de lidstaten inzake een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen 2 en 9) worden omschreven aan de hand van de categorie administratieve informatie (AI). Voor elke boeking moet het aantal basiseenheden (N) en/of de soort (T) worden geregistreerd overeenkomstig de tabel.

Het aantal basiseenheden (N) komt overeen met het areaal waarop de GLMC-normen betrekking hebben, en wordt uitgedrukt in hectaren.

De soort (T) heeft betrekking op de toepassing van de GLMC op landbouwbedrijfsniveau en wordt geselecteerd uit onderstaande lijst:

Code

Omschrijving

1

Het landbouwbedrijf moet aan de administratieve eis voldoen.

2

Het landbouwbedrijf geniet een vrijstelling of afwijking zoals gedefinieerd in het strategisch GLB-plan op grond van artikel 13, lid 1, tweede alinea, en artikel 13, lid 2 bis, van Verordening (EU) 2021/2115.


Tabel MI

Marktintegratie

Structuur van de tabel

Categorie

Code

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Aandeel in de verkochte waarde (%)

Soort contract

Prijsregelingen

Waardeverdeling

Contractvoorwaarden

 

S

C

P

V

R

MI

Marktintegratie

 

 

 

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Omschrijving

Groep

S

C

P

V

R

100

Directe verkoop aan consumenten

MI

 

200

Producentenorganisatie/coöperatie

MI

 

 

 

 

300

Detailhandelaar

MI

 

 

 

 

 

400

Voedselverwerker

MI

 

 

 

 

 

500

Groothandelaar

MI

 

 

 

 

 

600

Andere landbouwbedrijven

MI

 

 

 

 

 

700

Tussenpersonen bij uitvoer

MI

 

 

 

 

 

800

Overige

MI

 

 

 

 

 

De groep informatie over marktintegratie heeft betrekking op de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct qua verkoopwaarde binnen een bepaald rapportagejaar. Voor het betreffende hoofdproduct moet een indicatie worden gegeven van het deel van het product dat aan verschillende kopers wordt verkocht en de kenmerken van de desbetreffende contractuele overeenkomsten. Indien het hoofdproduct aan verschillende kopers en/of met verschillende contractuele regelingen wordt verkocht, geldt hetzelfde criterium van de hogere verkoopwaarde (d.w.z. de vastgelegde informatie moet betrekking hebben op de voornaamste koper en/of de hoofdovereenkomst wat betreft de verkochte waarde).

Beschrijving van de kolommen

S.   Aandeel verkochte waarde (%)

Bij de berekening van het aandeel van de verkochte waarde gaat het om het bepalen van het percentage van de totale waarde van het belangrijkste landbouwproduct qua verkoopwaarde dat in een bepaald rapportagejaar per soort koper is verkocht.

C.   Soort contract

Vermeld moet worden of sprake is van een schriftelijk contract tussen de landbouwer en de koper over de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct. Indien het betreffende belangrijkste landbouwproduct met behulp van verschillende contracten wordt verkocht, moet alleen de informatie over het hoofdcontract qua verkoopwaarde worden gerapporteerd.

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

P.   Prijsregelingen

In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet worden vermeld welk soort prijsafspraken er zijn voor de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct waarop een dergelijk contract betrekking heeft.

Te gebruiken codes:

1

statische prijs (d.w.z. het contract voorziet in een prijs die niet kan worden gewijzigd, ongeacht schommelingen in kosten, marktomstandigheden of andere variabelen);

2

variabele prijs (d.w.z. het contract voorziet in een prijsformule met indicatoren, indexcijfers en/of berekeningsmethoden die de ontwikkeling van de marktomstandigheden, de hoeveelheden en de kwaliteit en de samenstelling van de geleverde producten weerspiegelen).

V.   Waardeverdeling

In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet worden vermeld of in het contract wordt bepaald hoe eventuele ontwikkelingen van relevante marktprijzen voor de betrokken producten of andere winsten of verliezen op de grondstoffenmarkten over de contractpartijen moeten worden verdeeld, onder meer door middel van bonussen of het delen van verliezen.

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

R.   Contractvoorwaarden

In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet informatie worden verstrekt over de voorwaarden van het contract te aanzien van de te leveren hoeveelheden goederen, de frequentie van de leveringen alsook de betalingsvoorwaarden en boetes voor niet-naleving bij de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct waarop een dergelijk contract betrekking heeft.

Te gebruiken codes (meerdere keuzes mogelijk):

1.

Het contract schrijft regelmatige leveringen van de producten gedurende de gehele looptijd van het contract voor.

2.

De looptijd van het contract bedraagt maximaal één jaar zonder clausule inzake automatische verlenging (d.w.z. alle voorwaarden in het contract, naast de prijs, worden automatisch verlengd, met inbegrip van de frequentie van de leveringen, de betalingsvoorwaarden enz.).

3.

De betalingen voor de in het kader van het contract geleverde producten geschieden tot dertig dagen na de levering van de goederen.

4.

Het contract omvat sancties voor de producent wegens niet-naleving en/of in het geval van overmacht.

Tabel DI

Innovatie en digitalisering

Structuur van de tabel

Categorieën innovatie en digitalisering

Code

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Deelname

Gebruik

P

U

IN

Innovatieprojecten en -netwerken

 

 

FM

Beheer landbouwbedrijf

 

 

PF

Precisielandbouw

 

 

LM

Machines voor het beheer van de veestapel

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Omschrijving

Groep

P

U

110

Onderzoeks- en innovatieproject

IN

 

-

120

Operationele groep EIP

IN

 

-

130

Modelboerderij

IN

 

-

140

Netwerk van landbouwers

IN

 

-

150

Andere netwerken

IN

 

-

210

Bedrijfsbeheersinformatiesysteem

FM

-

 

310

Robotica voor de productie van gewassen

PF

-

 

320

Technieken met variabele dosering

PF

-

 

330

Precisiemonitoring van gewassen

PF

-

 

410

Bewaking van het welzijn en de gezondheid van dieren

LM

-

 

420

Automatische voedersystemen

LM

-

 

430

Automatische regeling van stalklimaat

LM

-

 

440

Melkrobots

LM

-

 

OMSCHRIJVING VAN DE CATEGORIEËN

110   Onderzoeks- en innovatieproject

Onderzoeks- en innovatieprojecten (O&I-projecten) van bedrijven zijn erop gericht te innoveren en nieuwe producten en diensten te introduceren of het bestaande aanbod te verbeteren. Zij kunnen het resultaat zijn van samenwerking tussen landbouwers, onderzoekers en andere bedrijven. Door de betrokkenheid van meerdere actoren worden de inspanningen op het gebied van O&I versterkt en kunnen landbouwbedrijven de resultaten daarvan beter benutten.

120   Operationele groep EIP

Een project van de operationele groep EIP-AGRI omvat partners met complementaire kennis (bv. op wetenschappelijk, technisch, organisatorisch gebied enz.) die in een innovatieproject samen praktische oplossingen voor landbouw, bosbouw en plattelandsgemeenschappen creëren. Bij een dergelijk project kunnen verschillende actoren uit de Europese kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) betrokken zijn, waaronder landbouwers, bosbouwers, onderzoekers, adviseurs, bedrijven, milieugroepen, consumentenbelangengroepen of andere ngo’s om innovatie op het gebied van landbouw, bosbouw en plattelandsgebieden te bevorderen.

130   Modelboerderij

Een modelboerderij (of proefboerderij) draagt bij aan onderzoek of demonstreert verschillende landbouwtechnieken.

140   Netwerk van landbouwers

Een netwerk van landbouwers is een manier voor landbouwers om informatie en technische kennis uit te wisselen en regelmatig verbindingsmogelijkheden te creëren.

150   Andere netwerken

Andere landbouwnetwerken omvatten initiatieven zoals Leader en slimme dorpen.

210   Bedrijfsbeheersinformatiesysteem

Beheersinformatiesystemen zijn instrumenten ter ondersteuning van de besluitvorming, hetzij op een eigen computer, hetzij via een onlinesysteem. Zij omvatten maar zijn niet beperkt tot instrumenten zoals een digitaal veldboek of een digitaal stamboek.

310   Robotica voor de productie van gewassen

Hieronder vallen zelfrijdende machines, robots voor het plukken van kleinfruit, hoogprecisieapparatuur op basis van RTK-GPS (1 cm nauwkeurigheid ) en andere. Ook apparatuur die gebruikmaakt van gps-begeleiding voor de toediening van gewasbeschermingsmiddelen en apparatuur voor rijbehandeling van gewasbeschermingsmiddelen zijn inbegrepen.

320   Technieken met variabele dosering

Bij technieken met variabele dosering zijn de toegediende hoeveelheden gebaseerd op de precieze locatie of kenmerken van het gebied. Zij worden gebruikt voor een of meer van de volgende landbouwactiviteiten:

Bevruchting

Gewasbescherming

Wieden

Uitzaai

Beplanting

Overige

330   Precisiemonitoring van gewassen

Gewasmonitoringtechnieken zoals:

Weerstations

Digitale kartering (kartering van de bodemkwaliteit, opbrengstkartering, NDVI-kartering (NDVI — genormaliseerde verschil-vegetatie-index))

Bodemscanning

Sensoren voor opbrengstmonitoring

Overige

410   Bewaking van het welzijn en de gezondheid van dieren

Bewaking van de veestapel met behulp van een of meer van de volgende technieken:

Camerabewaking

Geluidsbewaking

Waarschuwingssystemen

Activiteitensensoren

Tracering van dieren

Gezondheidsbewaking (bv. bewaking van temperatuur, gewicht, kreupelheid of mastitis)

Registratie van voederen

Registratie van drenken

Overige

420   Automatische voedersystemen

Automatische voedersystemen voor dieren automatiseren en optimaliseren het voederproces, zorgen voor een consistente en gecontroleerde levering van diervoeder aan de dieren, waarbij arbeid tot een minimum wordt beperkt en een efficiënt gebruik van hulpbronnen wordt gewaarborgd.

430   Automatische regeling van stalklimaat

Apparatuur voor de automatische regeling van het stalklimaat, met inbegrip van temperatuurregeling, ventilatie, regeling van de vochtigheid, verlichting, alarm en bewakingssysteem.

440   Melkrobots

Automatische melksystemen die het melken met de hand vervangen.

BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN

Deelname (P)

De code geeft aan of het landbouwbedrijf de afgelopen drie jaar aan innovatieprojecten of -netwerken heeft deelgenomen. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

Gebruik (U)

De code geeft aan of de landbouwer de desbetreffende technologie in het rapportagejaar in eigendom had, heeft gehuurd of gebruikt. Dit kan het gebruik van de betreffende technologie door een dienstverlener omvatten indien de voor de landbouwactiviteiten gebruikte technologie in het contract of in de facturen is gespecificeerd of indien de landbouwer op de hoogte is van de gebruikte technologie op basis van directe kennis of informatie. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

Tabel OF

Indicatief aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf

Structuur van de tabel

 

Kolom

Informatiegroep

Code

 

C

OI

Inkomen buiten het landbouwbedrijf

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Omschrijving

Groep

C

100

Aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf

OI

 

200

Bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf

OI

 

De informatiegroep over het inkomen buiten het landbouwbedrijf heeft betrekking op het inkomen van de landbouwer uit andere arbeid dan landbouwwerkzaamheden en uit andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden. Hieronder vallen ook werkgelegenheid buiten het bedrijf en zelfstandig werkend of niet-bezoldigd bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider of bedrijfsleider/geen bedrijfshoofd. Indien de inkomenswaarden voor het IDL-rapportagejaar nog niet bekend zijn, kan de waarnemingsperiode betrekking hebben op de voorgaande inkomensreferentieperiode van twaalf maanden, namelijk het voorgaande kalender- of belastingjaar voor zowel het landbouwinkomen als het inkomen buiten het landbouwbedrijf (bv. het landbouwinkomen en inkomen buiten het landbouwbedrijf van 2026 die in aanmerking moeten worden genomen voor het IDL-rapportagejaar 2027). De door elke lidstaat toegepaste waarnemingsperiode (d.w.z. het IDL-rapportagejaar of de voorgaande inkomensreferentieperiode van twaalf maanden) wordt tijdig aan de Commissie meegedeeld in verband met het opzetten van het in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde computersysteem voor de levering en controle van informatie.

Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:

OF.OI.100.C.   Aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf

Vermeld moet worden wat het indicatieve aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf is ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden (d.w.z. of het inkomen buiten het landbouwbedrijf hoger of lager is dan het landbouwinkomen en in welke mate). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Geen inkomen buiten het landbouwbedrijf — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf is gelijk aan 0

1

Inkomen buiten het landbouwbedrijf is een secundaire bron van inkomsten — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf is lager dan 50 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden.

2

Het inkomen buiten het landbouwbedrijf is een belangrijke bron van inkomsten — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf ligt tussen 50 en 100 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden.

3

Het inkomen buiten het landbouwbedrijf is hoger dan het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf bedraagt meer dan 100 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden

De volgende berekeningsformule kan worden gebruikt om het aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf te schatten:

Aandeel =

Formula
× 100

Een dergelijke berekening is echter niet vereist en mag niet worden uitgevoerd met name wanneer de uitkomst als gevolg van bepaalde inkomenswaarden (bv. negatief inkomen) niet zinvol zou zijn.

OF.OI.200.C.   Bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf

Indien de voor OF.OI.100.C gebruikte code niet 0 is, moeten de bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf worden vermeld. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

Voornamelijk arbeid in loondienst

2

Voornamelijk zelfstandige arbeid

Tabel FP1

Landbouwpraktijken 1

Milieu- en klimaatvriendelijke landbouwpraktijken zijn alle beschermings-, verbintenis- of investeringshandelingen die door een landbouwer of grondbeheerder worden verricht ter verbetering van de milieuomstandigheden van de landbouw en om de klimaatverandering te beperken en zich daaraan aan te passen.

Structuur van de tabel


 

Categorie van landbouwpraktijken

Code (*)

 

Informatiegroep

Oppervlakte

Hoeveelheid

TA

Q

TI

Bodembewerkingsbeheer

 

SC

Bodembedekking

 

OF

Biologische bemesting

 

 

AL

Aanbrengen van kalk

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Groep

Omschrijving

TA

Q

100

TI

Conventionele bodembewerking

 

200

TI

Geen bodembewerking

 

300

TI

Niet-kerende (minimale) bodembewerking

 

400

SC

Bodembedekking op bouwland in de winter

 

500

SC

Kruidachtige bedekking in meerjarige teelten

 

600

OF

Gebruik van compost

 

700

OF

Gebruik van digestaten of fracties rijk aan voedingsstoffen

 

800

OF

Groenbemesting

 

900

OF

Gebruik van zuiveringsslib

 

1000

AL

Aanbrengen van kalk

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL FP1

TI   Bodembewerking

Voor elke boeking moet de oppervlakte (TA) volgens de verschillende bodembeheerpraktijken worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

SC   Bodembedekking

Voor elke boeking moet de bedekte oppervlakte (TA) worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

OF   Biologische bemesting

Voor elke boeking moet de hoeveelheid (Q) worden geregistreerd, behalve voor groenbemesting, waarvoor de oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De hoeveelheid organische meststoffen die in het rapportagejaar is toegediend, wordt vermeld in kwintalen (100 kg). Voor groenbemesting verwijst de oppervlakte naar de totale oppervlakte die is beplant met gewassen die specifiek voor dit doel worden gebruikt. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

AL   Aanbrengen van kalk

Voor elke boeking moet de hoeveelheid (Q) worden geregistreerd. De hoeveelheid moet worden vermeld in kwintalen (100 kg).

Categorieën landbouwpraktijken

100   Conventionele bodembewerking

Bodembewerking waarbij de grond bij de primaire bodembewerking gewoonlijk met een ploeg of schijveneg wordt gekeerd en vervolgens een secundaire bodembewerking met een schijveneg wordt uitgevoerd.

200   Geen bodembewerking

Praktijk waarbij het gewas rechtstreeks wordt ingezaaid in grond die sinds de oogst van het vorige gewas niet is bewerkt (ook wel directzaai genoemd). Onkruidbestrijding wordt verricht door het gebruik van herbiciden en/of passende mulching en andere technieken, zoals voor- en nateelten of onderzaaien, waarbij stoppels worden behouden voor erosiebestrijding. Tussen de oogst en het zaaien wordt geen bodembewerking toegepast. Bezaaiing onder scherm wordt in deze categorie geregistreerd.

300   Niet-kerende (minimale) bodembewerking

Niet-kerende (minimale) bodembewerking verwijst naar bodembewerkingsmethoden of -systemen die geen kering van de grond inhouden. Deze categorie omvat bodembewerkingsmethoden waarbij de bodem in geringe mate wordt verstoord (bv. minimale bodembewerking, ondergrondbewerking, niet-kerende bodembewerking of oppervlaktekering), alsmede strooksgewijze bodembewerking of zonale grondbewerking, verticale grondbewerking of “tined tillage” en ruggenteelt of “ridge tillage”.

400   Bodembedekking op bouwland in de winter

Het betreft de oppervlakte van bouwland die in de winter bedekt (niet kaal) is. Hieronder valt:

oppervlakte beplant met gewone wintergewassen;

oppervlakte beplant met bodembedekkers, vanggewassen en/of planten die specifiek worden gezaaid om bodemerosie, vruchtbaarheid en kwaliteit, water, onkruid, plagen, ziekten, biodiversiteit en wilde dieren, tussen oogst en inzaai, tijdens de winter te beheersen;

bouwland bedekt met plantenresten en stoppels van het vorige teeltseizoen en/of land bedekt met mulch (losse bedekking met natuurlijk materiaal zoals strooisel, gemaaid gras, stro, bladeren, snoeiresten, schors of zaagsel, of kunstmatig materiaal zoals papier of synthetische vezels).

500   Kruidachtige bedekking in meerjarige teelten

Oppervlakte bedekt met kruidachtige vegetatie, spontaan of beplant (met inbegrip van bodembedekkers), op oppervlakte cultuurgrond met meerjarige teelten. Hieronder valt kruidachtige bedekking tussen de rijen voor wijngaarden en boomgaarden die in rijen zijn aangeplant, alsook de oppervlakte tussen bomen in boomgaarden die niet in rijen zijn aangeplant. Om in aanmerking te worden genomen, moet de kruidachtige bedekking tijdens een periode van ten minste zes maanden gedurende het rapportagejaar zijn gehandhaafd.

600   Gebruik van compost

Compost is het product van compostering, een biologisch proces waarbij biologisch afbreekbaar afval aeroob of of anaeroob wordt afgebroken en dat resulteert in een product dat op het land of voor de productie van groeimedia of substraten wordt gebruikt. Compost wordt gewoonlijk vervaardigd door de afbraak van planten- en voedselafval, recycling van organische materialen en mest.

700   Digestaten of fracties rijk aan voedingsstoffen

Toediening van uit mest teruggewonnen digestaten of fracties die rijk zijn aan voedingsstoffen. Het digestaat is een residu dat niet wordt afgebroken in het anaerobe vergistingsproces, zoals dat voor de productie van biogas. Verschillende soorten fracties en digestaten zijn in deze categorie opgenomen, zoals dunne fractie van mest, vaste fractie van mest, digestaat van uitsluitend mest, co-digestaat, dunne fractie van digestaat en minerale concentraten van mest/digestaat.

800   Groenbemesting

Hier wordt de totale oppervlakte vermeld die is beplant met gewassen die voor groenbemesting worden gebruikt. Groenbemestingsgewassen zijn planten die worden geteeld, gesneden en in de grond ondergewerkt om de vruchtbaarheid van de bodem te verbeteren. Mosterd, radijs en sommige peulgewassen worden als groenbemesting gebruikt. Onderwerking van stro of gewasresten van de hoofdgewassen wordt niet als groenbemesting beschouwd.

900   Gebruik van zuiveringsslib

Halfvast restmateriaal dat als bijproduct wordt geproduceerd tijdens de afvalwaterzuivering van industrieel of gemeentelijk afvalwater.

1000   Aanbrengen van kalk

Het aanbrengen op de bodem van calcium- en magnesiumrijke materialen in verschillende vormen, waaronder leem, krijt, kalksteen, ongebluste kalk of gebluste kalk.

Tabel FP2

Landbouwpraktijken 2

Structuur van de tabel

 

Categorie van landbouwpraktijken

Code (*)

 

Informatiegroep

Kolommen

Oppervlakte

TA

CR

Gewasrotatie

 

LU

Specifieke vormen van landgebruik

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Groep

Omschrijving

TA

100

CR

Gewasrotatie

 

200

LU

Agrobosbouw

 

300

LU

Natte landbouw

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL FP2 — Landbouwpraktijken 2

CR   Gewasrotatie

De totale oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

LU   Specifieke vormen van landgebruik

De totale oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

Categorieën landbouwpraktijken

100   Gewasrotatie

Totale oppervlakte met gewasrotatie. Bij gewasrotatie worden op een bepaald stuk grond volgens een gepland patroon of in een geplande volgorde in opeenvolgende oogstjaren afwisselend gewassen verbouwd, zodat gewassen van dezelfde soort niet ononderbroken op hetzelfde stuk grond worden verbouwd. Gewasrotatie is van toepassing op bouwland dat voor de teelt van gewassen wordt bebouwd of op braakgelegde grond (minder dan vijf jaar); de oppervlakte van een perceel wordt geacht deel uit te maken van een gewasrotatieprogramma wanneer het in de laatste drie jaar niet met hetzelfde gewas is beplant of niet onafgebroken met hetzelfde gewas is bedekt, of braak ligt.

Bij de berekening van de oppervlakte met gewasrotatie wordt geen rekening gehouden met de volgende gewassen:

bouwland onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking;

gekweekte paddenstoelen.

200   Agrobosbouw

Agrobosbouw betreft een vorm van landgebruik waarbij houtachtige planten (bomen, struiken) op dezelfde grondbeheereenheid doelbewust worden gebruikt in combinatie met landbouwgewassen, grasland en/of dieren.

300   Natte landbouw

Oppervlakte met natte landbouw, gedefinieerd als een soort landgebruik waarbij intacte of vernatte veengebieden voor de commerciële productie van biomassa worden gebruikt.

Tabel NM1

Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Mestopslag

Structuur van de tabel

 

Categorie mestopslagsysteem

Code (*)

 

Informatiegroep

Kolommen

Aandeel

S

LS

Faciliteiten voor mestopslag

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

S

100

Opslag van vaste mest in hopen

 

200

Vaste mest opgeslagen in composthopen

 

300

Vaste mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf

 

400

Vaste mest opgeslagen in systemen met diepstrooisel

 

500

Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking

 

600

Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking

 

700

Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking

 

800

Vaste mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

 

900

Gier/drijfmest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

 

1000

Dagelijkse verspreiding van vaste mest

 

1100

Dagelijkse verspreiding van gier/drijfmest

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL NM1 — Mestopslag

MN   Faciliteiten voor mestopslag

De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

De opslagfaciliteiten voor mestbeheersystemen omvatten de opslag van vaste mest en gier/drijfmest.

Gier is de urine van huisdieren die een kleine hoeveelheid uitwerpselen en/of water kan bevatten. Gier bevat tot 4 % droge stof. Drijfmest is vloeibare mest, d.w.z. een mengsel van uitwerpselen en urine van huisdieren, dat ook water en/of een kleine hoeveelheid stalstro kan bevatten. Het gehalte aan droge stof bedraagt 4 tot 20 %. Voor de toepassing van het IDL worden gier en drijfmest gezamenlijk in aanmerking genomen.

Vaste mest, met inbegrip van stalmest, zijn uitwerpselen, al dan niet met stalstro, van huisdieren, die een kleine hoeveelheid urine kunnen bevatten. Vaste mest bevat ten minste 20 % droge stof. De mest wordt verplaatst met voorladers en/of vorken.

Beschrijving van de categorieën mestopslagsystemen

100   Opslag van vaste mest in hopen

Mest dat in niet-omheinde stapels of hopen of in een omheinde open ruimte wordt opgeslagen, doorgaans gedurende enkele maanden. Deze faciliteiten kunnen al dan niet een dak hebben of kunnen al dan niet bedekt zijn.

200   Vaste mest opgeslagen in composthopen

Mest opgeslagen in omheinde composthopen, die worden geventileerd en/of gemengd.

300   Vaste mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf

Mest die nagenoeg) zonder toevoeging van water wordt opgeslagen, gewoonlijk onder een roostervloer in een omheind dierenverblijf en doorgaans voor de duur van minder dan een jaar. Omvat diepstrooisel voor runderen en varkens en pluimveemest zonder strooisel.

400   Vaste mest opgeslagen in systemen met diepstrooisel

Mest die tijdens een productiecyclus, die zes of twaalf maanden kan duren, wordt opgehoopt.

500   Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking

Mest die wordt opgeslagen in niet-afgedekte tanks, of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar. Omvat niet-afgedekte anaerobe bassins en aerobe behandelingsbassins.

600   Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking

Mest die wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en die wordt afgedekt met een doorlatende bovenlaag (zoals klei, stro of een natuurlijke korst).

700   Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking

Mest die wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en die wordt afgedekt met een niet-doorlatende bovenlaag (zoals polyethyleen met een hoge dichtheid of afdekkingen op basis van negatieve druk).

800   Vaste mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

Vaste mest die wordt opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd.

900   Gier/drijfmest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd

Gier/drijfmest die wordt opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd.

1000   Dagelijkse verspreiding van vaste mest

Mest die stelselmatig wordt verwijderd uit een opslagfaciliteit en binnen 24 uur na uitscheiding wordt toegediend op bouw- of weiland.

1100   Dagelijkse verspreiding van gier/drijfmest

Mest die stelselmatig wordt verwijderd uit een opslagfaciliteit en binnen 24 uur na uitscheiding wordt toegediend op bouw- of weiland.

Beschrijving van de kolommen

Aandeel (S)

Dit heeft betrekking op het aandeel (als percentage) van de zelf geproduceerde vaste mest die in elk type opslagfaciliteit wordt opgeslagen (%) en de percentages zelf geproduceerde gier/drijfmest die in elk type opslagfaciliteit wordt opgeslagen (%).

Tabel NM2

Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Bemesting

Structuur van de tabel

 

Categorie bemestingstechnieken

Code (*)

 

Informatiegroep

Kolommen

Code

Aandeel

Hoeveelheid

S

Q

MA

Bemestingstechnieken

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

S

Q

100

Breedstrooien vaste mest onderwerking binnen 4 uur

 

-

110

Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking binnen 4 uur

 

-

120

Breedstrooien vaste mest onderwerking na 4 uur

 

-

130

Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking na 4 uur

 

-

140

Breedstrooien vaste mest geen onderwerking

 

-

150

Breedstrooien gier/drijfmest geen onderwerking

 

-

160

Rijenbemesting gier/drijfmest sleepslang

 

-

170

Rijenbemesting gier/drijfmest sleepvoet

 

-

180

Injectie gier/drijfmest ondiep/open sleuf

 

-

190

Injectie gier/drijfmest diep/gesloten sleuf

 

-

200

Vaste mest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd)

 

 

210

Gier/drijfmest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd)

 

 

220

Uitvoer van vaste mest vanuit het landbouwbedrijf

-

 

230

Uitvoer van gier/drijfmest vanuit het landbouwbedrijf

-

 

240

Invoer van vaste mest op het landbouwbedrijf

-

 

250

Invoer van gier/drijfmest op het landbouwbedrijf

-

 

Categorieën bemesting

100   Breedstrooien vaste mest onderwerking binnen 4 uur; 110 Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking binnen 4 uur, 120 Breedstrooien vaste mest onderwerking na 4 uur; 130 Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking na 4 uur; 140 Breedstrooien vaste mest geen onderwerking; 150 Breedstrooien gier/drijfmest geen onderwerking.

Breedstrooien kan worden gebruikt voor de toediening van vaste mest, drijfmest en gier. Toedieningstechnieken zijn onder meer “box spreaders”, tankwagens, sleepslangen en irrigatiesystemen. Voor breedstrooien is de minste hoeveelheid energie en tijd nodig waarbij een uniform toedieningspatroon tot stand wordt gebracht.

Onmiddellijke onderwerking van mest bestaat uit technieken die een onmiddellijke onderwerking van vaste mest of drijfmest mogelijk maken. Met het oog op doeltreffende emissiebeperking moet de onderwerking zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit betekent dat de toegediende mest direct wordt ondergewerkt door een machine voor het verspreiden van mest of drijfmest, of dat deze machine onmiddellijk wordt gevolgd door een andere machine die de mest in de bodem onderwerkt (beitelploeg of schijveneg). De drempel van vier uur kan worden beschouwd als de tijdslimiet bij benadering om van onmiddellijke onderwerking te spreken.

160   Rijenbemesting gier/drijfmest sleepslang; 170 Rijenbemesting gier/drijfmest sleepvoet

Rijenbemesting is het aanbrengen van meststoffen in een geconcentreerde laag of locatie (rij) in de bodem, gewoonlijk 8 tot 15 cm onder het oppervlak. Mestrijen mogen samen met het zaad, onder het zaad, of beide, worden geplaatst.

Sleepslang: drijfmest wordt via een reeks buigzame slangen op de grond in gras of bouwland verspreid. Toepassing tussen de rijen groeiende akkerbouwgewassen is mogelijk.

Sleepvoet: drijfmest wordt gewoonlijk verspreid via harde buizen die uitmonden in metalen “voeten” om over het grondoppervlak te rijden en de gewassen uit elkaar te duwen zodat de drijfmest rechtstreeks op de bodem en onder het bladerdak van de gewassen wordt aangebracht. Bepaalde soorten sleepvoetbemesters maken een ondiepe geul in de bodem om infiltratie te bevorderen.

180   Injectie gier/drijfmest ondiep/open sleuf

Ondiepe injectie: de toediening van gier door aanbrenging in ondiepe, verticale gleuven, doorgaans ongeveer 50 mm diep en 25-30 cm van elkaar, die door een tand of schijf in de bodem zijn gemaakt; ze worden vaker op grasland gebruikt.

190   Injectie gier/drijfmest diep/gesloten sleuf

Diepe injectie: de toediening van drijfmest of gier door aanbrenging in diepe, verticale sleuven, doorgaans ongeveer 150 mm diep, die door speciaal ontworpen tanden in de bodem zijn gemaakt; de tanden zijn voorzien van zijvleugels die de verspreiding in de bodem bevorderen; deze worden doorgaans gebruikt op bouwland, aangezien zij een verhoogd risico meebrengen het gras fysieke schade toe te brengen.

200   Vaste mest gebruikt in biogasinstallatie (zelf geproduceerd); 210 Gier/drijfmest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd)

Mest die is gebruikt voor energieproductie in biogasinstallaties.

220   Uitvoer van vaste mest vanuit het landbouwbedrijf

Dit is de hoeveelheid vaste mest die vanuit het landbouwbedrijf wordt uitgevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt verkocht, geruild of gratis wordt weggegeven. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.

230   Uitvoer van gier/drijfmest vanuit het landbouwbedrijf

Dit is de hoeveelheid vloeibare mest/drijfmest die vanuit het landbouwbedrijf wordt uitgevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt verkocht, geruild of gratis wordt weggegeven. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.

240   Invoer van vaste mest op het landbouwbedrijf; 250 Invoer van gier/drijfmest op het landbouwbedrijf

Dit is de hoeveelheid mest die naar het landbouwbedrijf wordt ingevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt gekocht, geruild of gratis wordt verkregen. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.

Beschrijving van de kolommen

Aandeel (S)

Dit heeft betrekking op het aandeel (als percentage) van de totale (zelf geproduceerde en ingevoerde) vaste mest die met een andere toedieningstechniek is gebruikt of in biogasinstallaties is gebruikt (%); en het aandeel (als percentage) van de totale (zelf geproduceerde en ingevoerde) gier/drijfmest die met een andere toedieningstechniek is toegepast of in biogasinstallaties is gebruikt (%).

Hoeveelheid (Q)

De hoeveelheid wordt vermeld in kwintalen (100 kg) voor vaste mest en in kubieke meter voor gier/drijfmest.

Tabel NM3

Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Input van diervoeders

Structuur van de tabel

 

Categorie diervoeders

Code (*)

Informatiegroep

Kolommen

Code

Hoeveelheid

Aantal dieren

Q

N

FI

Input van diervoeders

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Categorie diervoeders

Q

N

100

Granen

 

-

110

Oliegewassen en daarvan afgeleide producten

 

-

120

Eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten

 

-

130

Bijproducten van de verwerkende industrie

 

-

140

Gefermenteerd voeder in bulk (voordroog en kuilvoer)

 

-

150

Niet-ingekuild vezelvoeder

 

-

160

Vetten en oliën

 

-

170

Mineralen

 

-

180

Concentraten

 

-

190

Toevoegingsmiddelen voor methaanreductie

-

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL NM3 — Input van diervoeders

FI   Input van diervoeders

Voor de categorieën 100 tot en met 180 moet de hoeveelheid diervoeders die in het boekjaar op het landbouwbedrijf is ingevoerd (gekocht of gratis verkregen) en als veevoer is gebruikt, worden geregistreerd. De hoeveelheid moet worden vermeld in kwintalen (100 kg).

Voor categorie 190 moet het aantal melkkoeien en fokkoeien dat in een stal wordt gevoederd en waaraan het toevoegingsmiddel 3-NOP wordt gegeven om methaanemissies als gevolg van darmgisting te verminderen, worden geregistreerd.

Omschrijving van de categorieën:

100   Granen

Omvat: zachte tarwe en durumtarwe, maïs, gerst, haver, triticale, sorghum, rogge

110   Oliegewassen en daarvan afgeleide producten

Omvat: geëxtraheerd raapzaadmeel, geëxtraheerd zonnebloemmeel, geëxtraheerde oliehoudende zaden, vlokken, andere oliehoudende zaden en daarvan afgeleide producten

120   Eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten

Omvat: volvette/geëxtrudeerde soja (minimaal 18 % ruwvetgehalte), andere geëxtrudeerde eiwithoudende gewassen (voedererwten, tuinbonen, lupinen), geëxtraheerde sojameel, andere sojaproducten (vlokken en pellets van sojameel), gedroogd alfalfa (pellets en meel), andere eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten

130   Bijproducten van de verwerkende industrie

Omvat: granen en maïs DDGS/WDGS, droog en nat CGF, maïsglutenmeel (CGM), maïskiemen, bietenpulp, melasse, bijproduct van mout (zemelen), melkbijproducten, bijproducten van de bierindustrie, bijproducten van de conservenindustrie, andere bijproducten van de verwerkende industrie

140   Gefermenteerd voeder in bulk (voordroog en kuilvoer)

Omvat: korrelmaïs met kolven (CCM) en bladeren, gras, groenvoer (suikersorghum, rogge, gerst), peulvruchten (alfalfa, klaver enz.), voederbrassica (raapzaad, voederkool), groenvoedermengsel (herfst, lente), wortel-, knol- en cucurbitaceaevoeder, ander gegiste voedergewassen in bulk (voordroog en kuilvoer)

150   Niet-ingekuild vezelvoeder

Omvat: hooi, stro, weidegras, ander niet-ingekuild vezelvoeder

160   Vetten en oliën

170   Mineralen

Omvat: fosfaatmateriaal, kalksteen, zout enz.)

180   Concentraten

Omvat: volledig diervoeder, melkvervanger, aanvullend diervoeder, voormengsels

190   Toevoegingsmiddelen voor methaanreductie

Toevoegingsmiddel 3-NOP ter vermindering van methaanemissies als gevolg van darmgisting. Het mag alleen aan melkkoeien en fokkoeien worden toegediend, en alleen wanneer zij in een stal worden gevoederd.

Tabel ST

Bodemtest

Deze informatie is voor de lidstaten facultatief. Indien de lidstaten besluiten deze informatie te verstrekken, kunnen de resultaten van bodemtests worden ingediend als deze beschikbaar zijn en in de afgelopen vijf jaar zijn uitgevoerd. De bodemtest heeft betrekking op één perceel, waar de bemonstering heeft plaatsgevonden. Indien in de afgelopen vijf jaar meer dan één test op hetzelfde perceel is uitgevoerd, moet de meest recente test worden verstrekt. Indien gegevens over meer dan één perceel beschikbaar zijn, zijn meerdere vermeldingen mogelijk.

Structuur van de tabel


 

Identificatie van het perceel

Code (*)

 

 

Categorieën tests

Code (**)

 

 

Informatiegroep

Hoeveelheid

Q

ST

Bodemtest

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

Q

100

Bulkdichtheid in de bovengrond (g/cm3)

 

110

Bulkdichtheid in de ondergrond (g/cm3)

 

120

Bodemvochthoudend vermogen (% van het volume water/volume verzadigde bodem)

 

130

Bodemerosie (ton/ha/jaar)

 

140

Basisademhaling van de bodem (mm3 O2/g/hr) in droge bodem

 

150

Bodemtextuur

 

160

Bodemzuurheid (pH)

 

170

Concentratie organische koolstof (SOC) in de bodem (g/kg)

 

180

Elektrische geleidbaarheid (dS/m — deci-Siemens per meter)

 

190

CaCO3 (m/m %)

 

200

Stikstof in de bodem (g/cm3)

 

210

Extraheerbare fosfor (mg/kg) (volgens ISO 11263:1994)

 

220

K2O (mg/kg)

 

230

Cd (μg/kg)

 

240

Cu (μg/kg)

 

250

Pb (μg/kg)

 

260

Zn (μg/kg)

 


Tabel BD1

Biodiversiteit — Landschapselementen

Structuur van de tabel

Informatiegroep

Kolommen

LF

Soort landschapselementen

Aanwezigheid

Oppervlakte

 

 

P

TA

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Groep

Omschrijving

P

TA

100

LF

Terrassen

 

 

110

LF

Hagen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, bomenrijen

 

 

120

LF

Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken

 

 

130

LF

Sloten

 

 

140

LF

Waterlopen

 

 

150

LF

Kleine plassen

 

 

160

LF

Kleine wetlands

 

 

170

LF

Stenen muurtjes

 

 

180

LF

Steengraven

 

 

190

LF

Cultuurelementen

 

 

200

LF

Overige

 

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL BD1 — Landschapselementen

LF: Landschapselementen. Elk bedrijf moet de aanwezigheid (P) van landschapselementen op de bedrijfsoppervlakte registreren.

De te gebruiken codes zijn:

0

Nee

1

Ja

De registratie van het gebied met landschapselementen is facultatief. De oppervlakte (TA) moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).

Omschrijving

100   Terrassen

Terrasvormige hellingen zijn antropogene structuren die zijn gecreëerd om het risico op erosie te verminderen, bestaande uit een of meer “trappen” (steile delen bedekt met permanente houtachtige of grasachtige vegetatie of stenen muren) en “percelen” (vlakke delen die worden gebruikt voor landbouwproductie en die worden gescheiden door de trappen). Kruidvegetatie wordt beschouwd als integraal onderdeel van terrassen.

110   Hagen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, bomenrijen

Hieronder vallen verspreid staande bomen, bomen in rij, hagen, houtachtige oevervegetatie (langs een waterloop) of smalle stroken (<20 m) met bomen en struiken in een landbouwcontext. Hieronder vallen ook kleine groepen bomen, boomgroepen in het veld of kleine groepen houtachtige halfnatuurlijke vegetatie in een landbouwcontext. Indien zich onder de houtachtige vegetatie een graslaag (kruid) bevindt, wordt het houtachtige element geacht ook de onderliggende graslaag te bevatten. De maximale oppervlakte voor een houtig landschapselement bedraagt 0,5 ha.

120   Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken

Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken bestaan uit permanente halfnatuurlijke kruidvegetatie (doorgaans gras en/of blijvende kruiden) die zich in een landbouwcontext bevinden en die niet rechtstreeks dienen voor begrazing of voederproductie. Daarbij kan het gaan om akkerranden, bufferstroken (langs sloten of vijvers) of andere kleine stukken halfnatuurlijke kruidvegetatie, voor zover deze tussen akkers of meerjarige teelten zijin gelegen. De minimale breedte van dit type landschapselement is 1 m (om ervoor te zorgen dat het een duurzaam karakter krijgt). Van dit type landschapselement zijn percelen actief beheerd grasland (gebruikt voor begrazing of voederproductie) en grote stukken natuurlijk en semi-natuurlijk grasland (breder dan 20 m) echter uitgesloten. Bovendien zijn landwegen met gras en grasstroken tussen de rijen wijngaarden/boomgaarden eveneens uitgesloten (deze moeten worden geregistreerd onder variabele 680) en “grasranden” die naast stukken grasland liggen, worden evenmin geregistreerd. Uit blijvend grasland/kruiden bestaande landschapselementen omvatten niet de graslaag onder een houtachtig element, noch natte moerasvegetatie. Hieronder valt tijdelijke kruidvegetatie, bestaande uit smalle stroken bouwland beplant met niet-productieve gewassen of bloemrijke braakvegetatie (onkruid) op bouwland of blijvende teelten (doorgaans langs akkerranden), die doelbewust door de landbouwers worden ingezaaid om de biodiversiteit te ondersteunen.

De oppervlakte in tabel I onder de categorieën 30100 (grasland), 30200 (weidegrond) en 30300 (blijvend grasland) is hiervan uitgesloten.

130   Sloten, 140 Waterlopen

Dit omvat kleine waterlopen in een landbouwcontext, met inbegrip van het open wateroppervlak van waterlopen, sloten en kleine kanalen en de aangrenzende moerasvegetatie tot een breedte van maximaal 20 m. Sloten die op het moment van waarneming droog staan, kunnen worden geregistreerd indien de vegetatie op een regelmatige aanwezigheid van water wijst. Uitsluitingen: kunstmatige constructies (kanalen met muren van beton en ondergrondse constructies) zijn uitgesloten.

150   Kleine vijvers, 160 Kleine wetlands

Dit type landschapselementen omvat kleine versnipperde landschapselementen die worden gekenmerkt door wetlands en waterlichamen in een landbouwcontext met een maximale omvang van 0,5 ha. Hieronder valt ook de verzameling van stilstaand water die op natuurlijke wijze is ontstaan (bv. wetlands, meren, natuurlijke lagunes, kwelwatergebieden) of kunstmatig is gevormd (bv. putten en waterputten). Kleine vijvers kunnen een kern van open water en een aangrenzend wetland bevatten, gekenmerkt door moerasvegetatie (bv. riet en zeggen) die zijn aangepast aan en afhankelijk zijn van de regelmatige aanwezigheid van oppervlaktewater en hoge waterniveaus. Uitsluitingen: reservoirs met bekleding van beton of kunststof en laagten die als stortplaatsen worden gebruikt.

170   Stenen muurtjes, 180 Steengraven

Dit soort landschapselementen omvat hopen stenen in een agrarische context, en terrasvormige agrarische landschappen. Dergelijke kenmerken kunnen natuurlijke (bv. door de eeuwen heen gevormde stenen) of door de mens gemaakte, vaak historische, objecten zijn (bv. stapelmuurtjes, steengraven, terrassen). Indien bomen en struiken (liana) de stenen muren bedekken, worden beide kenmerken geregistreerd.

190   Cultuurelementen

Dit soort landschapselementen kan monumenten, archeologische locaties, cultureel erfgoed (zoals sjadoefs, grafheuvels) en historische/traditionele gebouwen omvatten.

Tabel BD2

Biodiversiteit — Biologische bestrijding en graslandbeheer

Structuur van de tabel

 

Categorie van landbouwpraktijken

Code (*)

 

 

 

Oppervlakte

Tijd facultatief

Code

TA

T

C

BI

Biologische bestrijding

 

GR

Graslandbeheer

 

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Groep

Omschrijving

TA

C

T

Facultatief

100

BI

Biologische bestrijding

 

110

BI

Biologische bestrijding met microbiële stoffen

 

120

BI

Biologische bestrijding met macrobiële stoffen

 

130

BI

Biologische bestrijding met signaalstoffen

 

140

BI

Biologische bestrijding met natuurlijke stoffen

 

200

GR

Oppervlakte die eenmaal per jaar wordt gemaaid

 

210

GR

Oppervlakte die tweemaal per jaar wordt gemaaid

 

220

GR

Oppervlakte die drie keer of meer per jaar wordt gemaaid

 

250

GR

Herinzaai van grasland

 

260

GR

Omploegen van grasland

 

270

GR

Moment van eerste maaibeurt

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL BD2

BI   Biologische bestrijding

De volgende codes (C) moeten worden gebruikt:

0

de praktijk werd tijdens het rapportagejaar niet op het bedrijf toegepast

1

de praktijk werd tijdens het rapportagejaar op het bedrijf toegepast

GR   Graslandbeheer

Voor de categorieën 200 tot en met 260 wordt de oppervlakte (TA) geregistreerd in acre (1 ha = 100 acre) en voor categorie 270 moet het moment van eerste maaibeurt (T) worden vermeld. De vermelding van het moment van eerste maaibeurt is facultatief.

Categorieën biologische bestrijding

100

Onder biologische bestrijding wordt verstaan de bestrijding van schadelijke organismen voor planten of plantaardige producten met behulp van natuurlijke middelen van biologische oorsprong of daaraan identieke stoffen, waaronder micro-organismen, signaalstoffen, extracten van plantaardige producten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (11), of ongewervelde macro-organismen.

110

Macrobiële stoffen: meercellige organismen: insecten, roofmijten, parasitaire wespen en nuttige nematoden die zich voeden met plaagorganismen. Facultatieve gegevens.

120

Microbiële stoffen: eencellige organismen: bacteriën (bv. Bacillus thuringiensis) schimmels (bv. Trichoderma), virussen en afgeleiden daarvan. Facultatieve gegevens.

130

Signaalstoffen: chemische stoffen die door organismen vrijkomen om het gedrag van anderen te beïnvloeden (bv. feromonen, allelochemische stoffen). Facultatieve gegevens.

140

Natuurlijke stoffen: afkomstig van natuurlijke materialen zoals dieren, planten, bacteriën en bepaalde mineralen. Facultatieve gegevens.

Categorieën graslandbeheer

200 tot en met 220

Voor grasland dat tijdens het rapportagejaar is gemaaid, moet de eenmaal, tweemaal, driemaal of vaker in het rapportagejaar gemaaide oppervlakte worden gerapporteerd, in aren (100 aren = 1 hectare).

250

Herinzaai van grasland

Hieronder valt de oppervlakte grasland waarop nieuw gras is geplant, ongeacht of het grasland al dan niet eerder werd geploegd.

260

Omploegen van grasland

Hieronder valt de oppervlakte grasland die tijdens het rapportagejaar is omgeploegd door middel van conventionele bodembewerkingstechnieken (zie definitie in tabel FP1). Grasland dat werd bewerkt met behulp van niet-kerende bodembewerkingsmethoden (zie definitie in tabel FP1), wordt hier niet in aanmerking genomen.

270

Het moment van de eerste maaibeurt is de periode van het jaar waarin het grootste deel van het grasland voor het eerst werd gemaaid. Deze informatie is voor de lidstaten facultatief.

Voor kolom (T) worden de volgende codes gebruikt:

1

Januari

2

Februari

3

Eerste helft van maart

4

Tweede helft van maart

5

Eerste helft van april

6

Tweede helft van april

7

Eerste helft van mei

8

Tweede helft van mei

9

Eerste helft van juni

10

Tweede helft van juni

11

Eerste helft van juli

12

Tweede helft van juli

13

Eerste helft van augustus

14

Tweede helft van augustus

15

September

16

Oktober

17

November

18

December

Tabel WT

Waterbeheer

Structuur van de tabel

 

Categorie waterbeheer

Code (*)

 

Informatiegroep

Kolommen

C

WS

Waterbron

 

PT

Betalingsvoorwaarden

 

BM

Toepassing van beste beheerspraktijken

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

Groep

C

100

Bron

WS

 

200

Betalingsvoorwaarden

PT

 

300

Vaststelling van irrigatieschema

BM

 

400

Invoering van systemen voor de terugwinning van benedenstrooms water

BM

 

Omschrijving van de categorieën:

100   Bron

De volgende codes moeten worden gebruikt om de belangrijkste waterbron van het bedrijf voor irrigatie aan te geven:

1

Opslag van regenwater

2

Natuurlijke of kunstmatige oppervlaktewaterlopen

3

Grondwater

4

Leidingwatervoorziening

5

Hergebruik van afvalwater (teruggewonnen water) (12)

6

Overige

7

Het bedrijf heeft geen irrigatiesysteem

200   Betalingsvoorwaarden voor irrigatiewater

Te gebruiken codes:

1

Niet voor water betaald

2

Een vergoeding op basis van het geïrrigeerde areaal betaald

3

Een vergoeding op basis van het volume water betaald

4

Andere betalingsvoorwaarden

300   Vaststelling van irrigatieschema

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

Onder irrigatieschema wordt verstaan een irrigatiesysteem waarbij water op de teelt wordt toegepast volgens vooraf vastgestelde tijdschema’s die gebaseerd zijn op de monitoring van de toestand van het bodemwater en de waterbehoefte van gewassen.

400   Terugwinning van benedenstrooms water

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

De terugwinning van benedenstrooms water omvat de opvang van terug te winnen bovengronds afvloeiend irrigatiewater en wordt toegepast om de voorraad irrigatiewater in stand te houden en/of de kwaliteit van water buiten het terrein te verbeteren. Een systeem voor terugwinning van benedenstrooms water is een irrigatiesysteem waarin voorzieningen zijn geïnstalleerd voor het verzamelen, opslaan en vervoeren van benedenstrooms water voor irrigatie met het oog op hergebruik.

Tabel I2

Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

Structuur van de tabel

Identificatie van het perceel (facultatief)

Code (*)

Gewascategorie (facultatief)

Code (**)

Eenheid

Code (***)

Werkzame stof

Code (****)

 

Informatiegroep

Kolommen

Hoeveelheid

Q

PP

Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL I1

De hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel die in het rapportagejaar is toegediend, wordt per werkzame stof verstrekt.

De gewascategorieën zijn in overeenstemming met de lijst van gewassen in tabel I. De gegevens die op gewasniveau worden verstrekt, zijn facultatief voor de lidstaten.

Meerdere vermeldingen zijn mogelijk.

De codes voor de eenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (***)

Omschrijving

1

Gram

2

Milliliter

3

Overige

Identificatie van het perceel

De identificatie van het perceel moet zowel de identificatie van het referentieperceel als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie (13) bevatten als de identificatie van het landbouwperceel als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie (14). De gegevens die op perceelniveau worden verstrekt, zijn facultatief voor de lidstaten.

Beschrijving van de kolommen

Hoeveelheid (Q): Hoeveelheid product (werkzame stof) die tijdens het rapportagejaar is toegediend.

Tabel J1

Gebruik van antimicrobiële stoffen

Structuur van de tabel

 

 

Soort werkzame stoffen

Code (*)

Eenheid

Code (**)

 

Informatiegroep

Kolommen

Hoeveelheid

Q

AU

Gebruik van antimicrobiële stoffen

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL J1

Gebruik van antimicrobiële stoffen (AU)

Antimicrobiële stoffen die tijdens het rapportagejaar bij de dierlijke productie zijn gebruikt om de gezondheid en productiviteit in stand te houden.

Beschrijving van de kolommen

Hoeveelheid (Q)

Totale hoeveelheid antimicrobiële stoffen die tijdens het rapportagejaar per werkzame stof is gebruikt.

De codes voor de eenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (**)

Omschrijving

1

Gram

2

Milliliter

3

Overige


Tabel CS

Milieucertificeringsregelingen

Structuur van de tabel

 

Categorie certificeringsregelingen

Code (*)

 

 

 

Informatiegroep

Kolommen

C

Y

S

CS

Certificeringsstatus en -kenmerken

 

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

C

Y

S

10

Certificering volgens norm UNI-EN-EN-ISO 14001

 

 

-

20

EMAS-certificering

 

 

-

30

Koolstoflandbouwcertificering

 

 

-

40

Andere vrijwillige internationale certificeringsregelingen of milieukeuren

 

 

 

50

Andere vrijwillige nationale regelingen

 

 

 

Certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen waarborgen (door middel van een certificeringsmechanisme) dat bepaalde kenmerken of eigenschappen van het product of de productiemethode of -regeling in acht zijn genomen.

Omvat niet: milieucertificeringsregelingen met betrekking tot biologische landbouw, tenzij zij aanvullende eisen bevatten ten opzichte van Verordening (EU) 2018/848.

OMSCHRIJVING VAN DE CATEGORIEËN

10   Certificering volgens norm UNI-EN-EN-ISO 14001

Het landbouwbedrijf beschikt over een certificering voor het kwaliteitsbeheersysteem die voldoet aan norm UNI-EN-ISO 14001.

20   EMAS-certificering

Het landbouwbedrijf beschikt over een EMAS-certificering (milieubeheer- en milieuauditsysteem, Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15)).

30   Koolstoflandbouwcertificering

Het landbouwbedrijf beschikt over koolstoflandbouwcertificering (16).

40   Andere vrijwillige internationale certificeringsregelingen of milieukeuren

Het landbouwbedrijf is gecertificeerd in het kader van een internationaal erkende certificeringsregeling/milieukeur in de landbouw- en levensmiddelensector.

50   Andere vrijwillige nationale milieukeuren

Het landbouwbedrijf is gecertificeerd in het kader van een nationale (of subnationale) certificeringsregeling/milieukeur in de landbouw- en levensmiddelensector, die officieel is erkend op het niveau van de lidstaat.

Voor de variabelen 30, 40 en 50 moeten vrijwillige certificeringsregelingen of milieukeuren worden geregistreerd indien zij voldoen aan de volgende basisvereisten zoals vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten (2010/C 341/04) (17):

De naleving van de in het kader van de regeling gestelde eisen wordt gecertificeerd door een onafhankelijke instantie die geaccrediteerd is:

door de nationale accreditatie-instantie die de lidstaten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad hebben aangewezen (18); voor deze accreditatie gelden de desbetreffende Europese of internationale normen, alsmede de gidsen met algemene voorschriften voor instanties die productcertificeringssystemen toepassen; of

door een accreditatie-instantie die de multilaterale erkenningsovereenkomst op het gebied van productcertificering van het International Accreditation Forum (IAF) heeft ondertekend.

BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN

Certificeringsstatus (C)

Te gebruiken codes:

0

Het bedrijf is niet gecertificeerd

1

Het bedrijf beschikt over een actieve en geldige certificering

2

Het bedrijf is begonnen met het certificeringsproces, maar heeft deze nog niet afgerond

Jaar (Y)

Het jaar waarin het certificeringsproces formeel van start is gegaan. Het jaar wordt vermeld met vier cijfers.

Betrokken sectoren (S)

Deze informatie heeft betrekking op de reeks normen, indicatoren, criteria en verbintenissen die het bedrijf moet naleven om de certificering te verkrijgen en te behouden. Meerdere antwoorden mogelijk:

1

Geavanceerde biologische landbouw: de milieukeur/regeling is gebaseerd op (en voldoet aan) Verordening (EU)2018/848, maar voert aanvullende of strengere eisen in

2

Koolstoflandbouw: omvat alle praktijken die gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en/of het verminderen van broeikasgasemissies door de landbouw, door middel van bodembeheertechnieken of andere praktijken

3

Gebruik en beheer van voedingsstoffen: omvat elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van voedingsstoffen, beperking van het gebruik van meststoffen, bv. hoeveelheid, bron/type voedingsstof (organisch, mineraal enz.), toedieningstechnieken, tijdschema

4

Dierenwelzijn en diergezondheid: maatregelen/verbintenissen met betrekking tot huisvestingsomstandigheden (beschikbare ruimte, ventilatie, licht, temperatuur, vochtigheid enz.), toegang tot begrazing buiten en buitenruimte, beperkingen op het gebruik van antimicrobiële stoffen

5

Geïntegreerde gewasbescherming: maatregelen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te optimaliseren en te beperken, overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (19)

6

Steun voor biodiversiteit: omvat alle praktijken ter ondersteuning van functionele biodiversiteit (bestuivers, vijanden van schadelijke organismen), zoals het aanleggen en onderhouden van landschapselementen, semi-natuurlijke habitats, aanplant van bloemstroken, schuilplaatsen en beschutting voor insecten en vogels, kleine zoogdieren enz.

7

Bosbouw: omvat praktijken in verband met duurzaam bosbeheer

Tabel EN

Energie

Structuur van de tabel

 

Productcategorie

Code (*)

 

Informatiegroep

Kolommen

 

Aandeel energiebehoefte

Code

S

C

EP

Productie van hernieuwbare energie op het landbouwbedrijf

 

-

EF

Faciliteiten voor de productie van hernieuwbare energie

-

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Groep

Omschrijving

Aandeel energiebehoefte dat door deze bron wordt gedekt

Code

100

EP

Zelf geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (wind, zon, biogas, waterkracht)

 

-

200

EP

Zelf geproduceerde verwarmingsbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen (brandhout, pellets, stro, zonne-energie, biogas, andere biomassa)

 

-

300

EF

Biogasinstallaties

-

 

400

EF

Zonnepanelen

-

 

500

EF

Windturbines

-

 

600

EF

Geothermie

-

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL EN

EP

Productie van hernieuwbare energie op het landbouwbedrijf

EF

Faciliteiten voor de productie van hernieuwbare energie die door de landbouwer worden gebruikt

KOLOMMEN IN TABEL E

Aandeel energiebehoefte (S)

Het aandeel energiebehoefte wordt verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de energiebehoeften met betrekking tot de specifieke bron wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

0 %

1

> 0 tot en met ≤ 25 %

2

> 25 % tot en met ≤ 50 %

3

> 50 % tot en met ≤ 75 %

4

> 75 % tot en met ≤ 100 %

5

> 100 %

Code (C)

Aangegeven moet worden of de betreffende technologie of activa eigendom zijn van de landbouwer, gehuurd zijn of mede-eigendom zijn van andere partners (zoals biogasinstallaties die door verschillende landbouwbedrijven worden gebruikt) of eigendom zijn van andere entiteiten (zoals fotovoltaïsche panelen die eigendom zijn van andere entiteiten en op de grond van het landbouwbedrijf zijn geïnstalleerd). Indien de landbouwer meer dan één faciliteit onder verschillende eigendomsstructuren gebruikt, moet de code het overheersende type eigendom aangeven.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

1

Het actief is eigendom van de landbouwer

2

Het actief wordt gehuurd door de landbouwer

3

Het actief is mede-eigendom van andere partners

4

Het actief is eigendom van andere entiteiten

Tabel FL

Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf

Structuur van de tabel

Categorie voedselverlies

Code (*)

 

Informatiegroep

Code

C

FL

Verlies van levensmiddelen/diervoeders

 

Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf is de oorspronkelijk voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde hoeveelheid landbouwproducten die wordt weggegooid of verloren gaat (d.w.z. dat zij de markt niet bereikt of niet wordt gebruikt zoals bedoeld als levensmiddel en/of diervoeder). Voor gewassen omvat dit het verlies dat zich voordoet vanaf het moment waarop de producten reeds rijp genoeg zijn om te worden geoogst, tot de fase na de oogst, wanneer de producten af bedrijf zijn.

Voor levende dieren omvat dit het verlies dat zich voordoet vanaf het moment dat de dieren voldoende rijp worden geacht om te worden geslacht totdat de producten af bedrijf zijn.

Voor dierlijke producten (melk en eieren) worden verliezen meegeteld vanaf het tijdstip waarop de melk uit de uier is gehaald en de eieren door de vogel worden gelegd.

Hieronder vallen:

rijpe gewassen die niet zijn geoogst (bv. als gevolg van zeer lage marktprijzen of schade);

ter plekke op het landbouwbedrijf geoogste en behandelde producten (bv. gecomposteerd op het landbouwbedrijf, verbrand) of buiten het landbouwbedrijf geloosde producten;

door de inkoper afgewezen producten (bv. vanwege kwaliteits- en handelsvoorschriften, overproductie) die naar de productielocatie terugkeren of worden geloosd;

andere verliezen die zich voordoen tijdens de opslag, het vervoer en de verwerking op het landbouwbedrijf.

Hieronder vallen niet:

oorspronkelijk voor menselijke consumptie bestemde producten die worden gebruikt als diervoeder voor vee;

niet in de handel gebrachte producten die op het landbouwbedrijf worden geconsumeerd of aan liefdadigheidsinstellingen, voedselbanken of andere soortgelijke kanalen worden geschonken.

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

Groep

C

100

Oorzaak van verliezen

FL

 

BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN

De volgende codes moeten worden gebruikt om aan te geven waarom de bovengenoemde verliezen zich tijdens het rapportagejaar hebben voorgedaan (meerdere antwoorden mogelijk).

Code (C)

1

Rijpe gewassen die niet geoogst zijn

2

Producten die op het landbouwbedrijf worden geoogst en behandeld of buiten het landbouwbedrijf worden geloosd

3

Producten die door de inkoper worden afgewezen op grond van kwaliteits- en/of handelsvoorschriften (gewassen)

4

Producten die door de inkoper worden afgewezen op grond van kwaliteits- en/of handelsvoorschriften (dieren en dierlijke producten)

5

Verliezen tijdens opslag en/of vervoer en/of verwerking op het landbouwbedrijf (gewassen)

6

Verliezen tijdens opslag en/of vervoer en/of verwerking op het landbouwbedrijf (dieren en dierlijke producten)

7

Andere redenen die hierboven niet zijn vermeld (bv. onvoorziene marktveranderingen)

Tabel TR

Opleiding

Structuur van de tabel

 

Categorieën opleiding

Code (*)

 

 

Kolommen

 

 

Code

Informatiegroep

C

TT

Opleidingsthema’s

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code

Omschrijving

Informatiegroepen

C

1000

Beheer landbouwbedrijf

TT

 

1010

Wetgeving

TT

 

1020

Veiligheid en gezondheid op het werk

TT

 

1030

Risicopreventie en risicobeheer

TT

 

1040

Digitalisering en mechanisatie

TT

 

1050

Biologische landbouw en geïntegreerde gewasbescherming (IPM)

TT

 

1060

Koolstoflandbouw

TT

 

1070

Gewasbeschermingsmiddelen

TT

 

1080

Voedingsstoffen

TT

 

1090

Bodem- en waterbeheer

TT

 

1100

Energieverbruik

TT

 

1110

Veehouderij

TT

 

1120

Dierenwelzijn

TT

 

1130

Overige

TT

 

INFORMATIEGROEPEN EN -CATEGORIEËN IN TABEL TR

TR.TT.1000.C tot en met TR.TT.1140.C: Beroepsopleiding per thema: hier moet worden aangegeven of het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) en de werknemers tijdens het rapportagejaar beroepsopleidingscursussen voor elk thema hebben gevolgd. Hierbij gaat het om een beroepsopleiding, een opleidingsmaatregel of activiteit door een opleider of opleidingsinstelling die hoofdzakelijk gericht is op de verwerving van nieuwe vaardigheden met betrekking tot de activiteiten op het landbouwbedrijf of activiteiten rechtstreeks verbonden aan het landbouwbedrijf of de ontwikkeling en verbetering van de bestaande vaardigheden. Indien een opleidingscursus betrekking heeft op meer dan één thema, moeten alle relevante thema’s worden gerapporteerd.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

TR.TT.1000.C.   Beheer landbouwbedrijf

Beheer landbouwbedrijf kan boekhouding, financiën en afzet omvatten.

TR.TT.1010.C.   Wetgeving

Wetgeving kan verwijzen naar wettelijke voorschriften, belastingen, het GLB en andere subsidies. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om veiligheid en gezondheid op het werk, hetgeen moet worden gerapporteerd onder TR.TT.1020.C.

TR.TT.1020.C.   Veiligheid en gezondheid op het werk

Veiligheid en gezondheid op het werk kan betrekking hebben op het anticiperen op, herkennen, evalueren en beheersen van gevaren die zich op of vanuit de werkplek voordoen en die de gezondheid en het welzijn van werknemers kunnen aantasten.

TR.TT.1030.C.   Risicopreventie en risicobeheer

Opleiding inzake risicopreventie en risicobeheer kan verwijzen naar traditionele en innovatieve risicobeheerpraktijken en -strategieën om de risico’s in de landbouwproductie te beperken, alsook naar beheertechnieken om de financiële risico’s in de landbouw te beperken. Het kan onder meer gaan om opleiding op het gebied van risicobeheer door middel van strategieën voor inputbeheer voor plantaardige en dierlijke productie, beslissingen over uitrusting, bestrijding van plagen en ziekten, particuliere verzekeringen, overheidsprogramma’s, marketingstrategieën, overeenkomsten inzake grondbezit, landbouwkrediet, diversificatie op het landbouwbedrijf (bv. andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf), werkgelegenheid buiten het landbouwbedrijf enz.

TR.TT.1040.C.   Digitalisering en mechanisatie

Opleiding op het gebied van digitalisering en mechanisatie kan betrekking hebben op inzicht in en toepassing van mechanisatie en nieuwe technologie in de landbouw, en op leren over hoe het beheer van landbouwbedrijven en de productiviteit op het landbouwbedrijf door middel van technologie kunnen worden verbeterd. Het kan onder meer gaan om het vergroten van het bewustzijn, de vaardigheden en de kennis om het gebruik op het landbouwbedrijf van technologieën in verband met digitalisering in de landbouw te vergroten, met inbegrip van instrumenten voor gegevensanalyse.

TR.TT.1050.C.   Biologische landbouw en geïntegreerde gewasbescherming (IPM)

Biologische landbouw is een landbouwmethode om voedsel op basis van natuurlijke stoffen en processen te produceren. Maatregelen voor geïntegreerde gewasbescherming zijn bedoeld om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te optimaliseren en te beperken, overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 128/2009/EG.

TR.TT.1060.C.   Koolstoflandbouw

Koolstoflandbouw omvat alle praktijken die gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en/of het verminderen van broeikasgasemissies door de landbouw, door middel van bodembeheertechnieken of andere praktijken.

TR.TT.1070.C.   Gewasbeschermingsmiddelen

Opleiding inzake gewasbeschermingsmiddelen kan betrekking hebben op elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en beperkingen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

TR.TT.1080.C.   Voedingsstoffen

Het gebruik en beheer van voedingsstoffen kan verwijzen naar elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van voedingsstoffen, beperking van het gebruik van meststoffen, bv. hoeveelheid, bron/type voedingsstof (organisch, mineraal enz.), toedieningstechnieken, tijdschema.

TR.TT.1090.C.   Bodem- en waterbeheer

Bodembeheer is de toepassing van concrete acties, praktijken en behandelingen om de bodem te beschermen en de prestaties ervan te verbeteren (zoals bodemvruchtbaarheid of bodemmechanica). Het omvat bodembehoud, bodemverbetering en optimale bodemgezondheid. Waterbeheer verwijst naar de strategische planning, ontwikkeling en benutting van watervoorraden om de plantaardige en dierlijke productie te optimaliseren en duurzame landbouwpraktijken in stand te houden. Het omvat een efficiënt gebruik van irrigatie, waterbehoud, planning, afwateringsbeheer, opvang van regenwater en hergebruik van water. Bodem- en waterbeheer kan ook betrekking hebben op gewas- en graslandbeheer.

TR.TT.1100.C.   Energieverbruik

Opleiding op energiegebied kan betrekking hebben op energieproductie (bv. biomassa, zonne-energie) en maatregelen voor energiebesparing.

TR.TT.1110.C.   Veehouderij

Opleiding in veehouderij kan betrekking hebben op het fokken, voederen en huisvesten van dieren. Het gaat uitdrukkelijk niet over dierenwelzijn, hetgeen moet worden gerapporteerd onder TR.TT.1120.C. Dierenwelzijn

TR.TT.1120.C.   Dierenwelzijn

Dierenwelzijn en diergezondheid omvatten maatregelen/verbintenissen met betrekking tot huisvestingsomstandigheden (beschikbare ruimte, ventilatie, licht, temperatuur, vochtigheid enz.), toegang tot begrazing buiten en buitenruimte en beperkingen op het gebruik van antimicrobiële stoffen.

TR.TT.1130.C.   Overige

Opleidingsthema’s die niet hierboven zijn vermeld.

Tabel SA

Veiligheid

Structuur van de tabel

Categorieën faciliteiten en veiligheid

Code (*)

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Code

 

 

C

SA

Veiligheid

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

 

 

Groep

Code

Code

Omschrijving

 

C

100

Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

SA

 

200

Arbeidsongevallen

SA

 

De volgende gegevens moeten worden verstrekt:

SA.SA.100.C.   Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf

Aangegeven moet worden of het bedrijf een risicobeoordeling voor de werkplek heeft uitgevoerd met als doel werkgerelateerde risico’s te verminderen, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een schriftelijk document (zoals een “veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf”). De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

SA.SA.200.C.:   Arbeidsongevallen

Hier moet worden vermeld of het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) of werknemers tijdens het rapportagejaar met een arbeidsongeval te maken hebben gehad (resulterend in een of meer dagen afwezigheid op het werk). Een arbeidsongeval is een afzonderlijk voorval tijdens het werk dat leidt tot lichamelijke of geestelijke schade.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

Tabel SI

Sociale inclusie

Structuur van de tabel

 

Categorieën sociale inclusie

Code (*)

 

 

Kolommen

 

 

Code

Informatiegroep

C

SF

Sociale landbouw

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

Groep

C

100

Aanwezigheid van sociale landbouwactiviteiten

SF

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL SI

SI.SF.100.C:   Sociale landbouw

Sociale landbouw is het gebruik van agrarische hulpbronnen en de natuurlijke omgeving van het landbouwbedrijf voor zorgverlening en sociale diensten voor kwetsbare personen (ouderen, personen met een handicap enz.), terwijl zij bij de landbouwactiviteit worden betrokken.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

Nee

1

Ja

Tabel SE

Voor landbouwers toegankelijke diensten

Structuur van de tabel

Categorieën diensten

Code (*)

 

 

Kolommen

 

Dekking

Abonnement

C

S

Informatiegroep

Code

Code

IC

Internetaansluiting

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code (*)

Omschrijving

Groep

C

S

100

Vast breedband

IC

 

 

200

Mobiel breedband

IC

 

 

INFORMATIEGROEPEN EN -CATEGORIEËN IN TABEL SE

Voor de volgende gegevenspunten worden de gegevens jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

SE.IC.100.C.   Bereik vaste breedbandinternetverbinding

Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf bereikbaar is via een vaste breedbandinternetverbinding zoals DSL, ADSL, VDSL, kabel, glasvezel, satelliet of openbare wifiverbindingen.

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

SE.IC.100.S.   Abonnement vaste breedbandinternetverbinding

Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf een abonnement heeft op een breedbandinternetverbinding zoals DSL, ADSL, VDSL, kabel, glasvezel, satelliet of openbare wifiverbindingen.

Vraag alleen van toepassing voor bedrijven die via een vaste breedbandinternetverbinding kunnen worden bereikt (antwoord op SE.IC.100.C. = 1).

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

SE.IC.200.C.   Bereik mobiele breedbandinternetverbinding

Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf bereikbaar is via een mobiele breedbandinternetverbinding (via een mobieletelefoonnetwerk, ten minste 4G).

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Gedeeltelijk

2

Ja

SE.IC.200.S.   Abonnement mobiele breedbandinternetverbinding

Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf een abonnement heeft op een mobiele breedbandinternetverbinding die op het landbouwbedrijf beschikbaar is (via een mobieletelefoonnetwerk, ten minste 4G).

Vraag alleen van toepassing voor bedrijven die via een mobiele breedbandinternetverbinding kunnen worden bereikt (antwoord op SE.IC.200.C. = 1 of 2).

Te gebruiken codes:

0

Nee

1

Ja

Tabel GR

Generatievernieuwing

Structuur van de tabel

 

Categorieën leidinggevenden en opvolgers

Code (*)

 

 

 

Kolommen

Informatiegroep

Code

Jaar

 

 

C

Y

GR

Generatievernieuwing

 

 

De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:

Code(*)

Omschrijving

Groep

C

Y

100

Jaar van overname door het bedrijfshoofd

GR

 

200

Overdracht

GR

 

300

Plannen voor het stopzetten van de activiteit

GR

 

INFORMATIEGROEPEN IN TABEL GR

GR.GR.100.Y.   Jaar van overname door het bedrijfshoofd

Hier moet worden vermeld in welk jaar het huidige bedrijfshoofd (bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider) het bedrijf heeft overgenomen, dat als volgt moet worden aangegeven: “JJJJ”.

Ingeval meer dan één bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werkzaam is op het landbouwbedrijf (en dus vermeld wordt in tabel C), heeft het jaar betrekking op de persoon die als eerste het bedrijf heeft overgenomen.

Vraag alleen van toepassing als het bedrijf een bedrijfshoofd/bedrijfsleider(s) of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider(s) in tabel C heeft vermeld.

De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

GR.GR.200.C.   Overdracht

Hier moet worden vermeld wie de persoon is van wie het bedrijf aan het huidige bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werd overgedragen.

Indien meer dan één bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werkzaam is op het landbouwbedrijf (en dus vermeld wordt in tabel C), heeft het antwoord betrekking op de persoon die als eerste het bedrijf heeft overgenomen.

Indien sprake is van meer dan één overnamemethode, wordt de grootste in waarde gerapporteerd. Vraag alleen van toepassing als het bedrijf een bedrijfshoofd/bedrijfsleider(s) of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider(s) in tabel C heeft vermeld.

De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

niet van toepassing (het landbouwbedrijf heeft geen bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider)

1

landbouwbedrijf overgenomen van een familielid (via schenking, erfopvolging of andere vormen)

2

landbouwbedrijf overgenomen van een niet-gezinslid

3

landbouwbedrijf opgericht door het huidige bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider

GR.GR.300.C.   Plannen voor het stopzetten van de activiteit

Hier moet worden vermeld of het bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider specifieke plannen heeft gemaakt voor de wijze waarop de middelen van het landbouwbedrijf zullen worden beheerd wanneer hij of zij zijn of haar activiteiten stopzet (bv. na pensionering).

Vraag alleen van toepassing als het in tabel C vermelde oudste bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider ouder is dan zestig jaar.

Indien sprake is van meer dan één overnamemethode, wordt de grootste in waarde gerapporteerd.

De volgende codenummers moeten worden gebruikt:

0

niet van toepassing (het landbouwbedrijf heeft geen bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider)

1

geen plannen op dit moment

2

het landbouwbedrijf wordt overgenomen door een familielid (via schenking, erfopvolging of andere vormen)

3

het landbouwbedrijf wordt overgenomen door een niet-gezinslid

4

het bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider is voornemens het landbouwbedrijf / de landbouwgrond te verhuren

5

andere

KOLOMMEN IN TABEL GR

Kolom C verwijst naar de code, kolom Y verwijst naar het jaar.


(1)  Onder premies en subsidies wordt verstaan elke rechtstreekse steun uit openbare middelen die een specifieke ontvangst vormt.

(2)  Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PB L 323 van 8.12.2010, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1089/oj).

(3)  Zie bijlage VII bij deze verordening.

(4)  Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/848/oj).

(5)  Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2019/787 en (EU) 2019/1753 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1151/2012 (PB L, 2024/1143, 23.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1143/oj).

(6)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj).

(7)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj).

(8)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).

(9)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).

(10)  Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).

(11)  Verordening (EG)nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1107/oj).

(12)  Gedefinieerd als stedelijk afvalwater dat is gezuiverd in overeenstemming met de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG en dat het resultaat is van verdere zuivering in een waterterugwinningsvoorziening overeenkomstig deel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) 2020/741.

(13)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties (PB L 183 van 8.7.2022, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1172/oj).

(14)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie van 31 mei 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 183 van 8.7.2022, blz. 23, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1173/oj).

(15)  Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22/12/2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1221/oj).

(16)  In de zin van de definitie in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor koolstofverwijderingen — COM/2022/672 final — 2022/0394(COD).

(17)  Mededeling van de Commissie — EU-richtsnoeren betreffende de beste praktijken voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB C 341 van 16.12.2010, blz. 5).

(18)  Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/765/oj).

(19)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/128/oj).


BIJLAGE IX

Tijdschema voor de indiening van de in artikel 11, lid 3, bedoelde gegevens en vrijstellingen voor specifieke variabelen als bedoeld in artikel 12

In de kolom “tabel van bijlage VIII” kunnen bestaande ILB-tabellen (1-cijferige code van A tot en met M) en nieuw ingevoerde IDL-tabellen en -variabelen worden geïdentificeerd:

nieuwe IDL-tabellen worden aangeduid als regels en door 2- of 3-cijferige codes geïdentificeerd;

nieuwe IDL-variabelen in bestaande ILB-tabellen worden met de code van de specifieke variabele als extra regels in de overeenkomstige ILB-tabel aangeduid.

Voor bestaande ILB-tabellen kunnen alleen vrijstellingen worden gevraagd voor nieuwe IDL-variabelen, die expliciet worden genoemd als het gaat om zulke ILB-tabellen.

Tabellen van bijlage VIII en nieuwe IDL-variabelen

Eerste rapportagejaar

Vrijstellingen van het indienen van specifieke variabelen (het eerste rapportagejaar wordt vermeld)

2025

2027

 

Tabel A — Algemene informatie over het bedrijf

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

A.CL.142.DT.

Jaar waarin het bedrijf is begonnen met de omschakeling naar biologisch

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026

Roemenië in 2027

A.CL.145.C.

Aandeel biologische landbouwproducten die als biologisch worden verkocht in gecertificeerde landbouwbedrijven

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026

Roemenië in 2027

A.OT.240.C

Deelname aan onderlinge fondsen

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026

Roemenië in 2027

A.OT.241.C

Compensatie voor verliezen

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026

Roemenië in 2027

Tabel B — Exploitatievorm

X

 

Niet van toepassing

Tabel C — Arbeid

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

C.EX Externe werknemers

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026

Roemenië, Letland in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Kolom G — Geslacht (voor werknemers)

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026

Roemenië, Letland in 2027

Kolommen AW — Lonen en sociale lasten per jaar/uur

 

Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026

Roemenië, Malta, Letland, Zweden in 2027

Kolom R — Pensionering

 

Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026

Roemenië, Malta, Letland in 2027

Tabel D — Activa en investeringen

X

 

Niet van toepassing

Tabel E — Quota en andere rechten

X

 

Niet van toepassing

Tabel F — Schulden/kredieten

X

 

Niet van toepassing

Tabel G — Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

X

 

Niet van toepassing

Tabel H — Productiemiddelen

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

5035.

Waarvan van andere oorsprong

 

Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië, Malta in 2027

Tabel I — Landgebruik en gewassen

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

Kolommen “waarvan volledig biologisch — waarvan in omschakeling naar biologisch”

 

Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië, Letland in 2027

Luxemburg in 2028

Tabel J — Dieren

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

J. OR biologisch — J. CO in omschakeling naar biologisch

 

Frankrijk, Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië, Slowakije, Letland, Kroatië in 2027

J.DL Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties

 

Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië in 2027

J.TH Type huisvesting

 

België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië, Letland in 2027

J. TO Buiten doorgebrachte tijd

 

België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië, Letland in 2027

Tabel K — Dierlijke producten en diensten

X

 

Niet van toepassing

Tabel L — Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden

X

 

Niet van toepassing

Tabel M — Subsidies

X

 

Niet van toepassing, behalve voor:

3770 — Kennisuitwisseling en verspreiding van informatie

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026

Roemenië, Malta in 2027

3780 — Samenwerking

 

Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026

Roemenië, Malta in 2027

Tabel MI — Marktintegratie

X

 

Duitsland, Frankrijk, Tsjechië, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026

België, Roemenië, Slowakije, Malta, Letland, Kroatië in 2027

Tabel DI — Innovatie en digitalisering

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel OF — Indicatief aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel FP1 — Landbouwpraktijken

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026

België, Tsjechië, Denemarken, Estland, Roemenië, Slowakije, Letland, Kroatië in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel FP2 — Landbouwpraktijken

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel NM1 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Mestopslag

X

 

België, Duitsland, Griekenland, Cyprus, Letland, Zweden in 2026

Tsjechië, Roemenië, Slowakije, Kroatië in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel NM2 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Bemesting

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Letland, Zweden in 2026

België, Estland, Tsjechië, Roemenië, Slowakije, Kroatië in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel NM3 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Input van diervoeders

 

X

Frankrijk, Malta, Spanje in 2028

Tabel ST — Bodemtest (facultatief)

X

 

 

Tabel BD1 — Biodiversiteit — Landschapselementen

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië in 2027

Frankrijk, Luxemburg, Malta in 2028

Tabel BD2 — Biodiversiteit — Biologische bestrijding en graslandbeheer

 

X

Frankrijk, Luxemburg, Malta in 2028

Tabel WT — Waterbeheer

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel I2 — Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen

 

X

Frankrijk, Malta, Spanje in 2028

Tabel J1 — Gebruik van antimicrobiële stoffen

 

X

Frankrijk, Malta, Spanje in 2028

Tabel CS — Milieucertificeringsregelingen

X

 

België, Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië, Slowakije, Malta in 2027

Tabel EN — Energie

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel FL — Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf

 

X

Frankrijk, Luxemburg, Malta, Kroatië in 2028

Tabel TR — Opleiding

 

X

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel SA — Veiligheid

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel SI — Sociale inclusie

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026

Roemenië in 2027

Frankrijk, Malta in 2028

Tabel SE — Voor landbouwers toegankelijke diensten

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië, Malta in 2027

Tabel GR — Generatievernieuwing

X

 

Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026

Roemenië, Slowakije in 2027

Frankrijk, Malta in 2028


BIJLAGE X

Aan de lidstaten te betalen bedrag, in EUR (lopende prijzen), voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027, als bedoeld in artikel 17

 

Rapportagejaar 2025

Rapportagejaar 2026

Rapportagejaar 2027

 

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a)

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt b)

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c)

Maximumbedrag

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a)

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt b)

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c)

Maximumbedrag

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a)

Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c)

Maximumbedrag

BELGIË

198 000

397 600

136 702

732 302

198 000

374 816

182 270

755 086

198 000

501 241

699 241

BULGARIJE

396 360

352 436

501 697

1 250 493

396 360

352 436

501 697

1 250 493

396 360

1 003 394

1 399 754

TSJECHIË

230 760

386 620

185 874

803 254

230 760

373 343

212 427

816 530

230 760

584 174

814 934

DENEMARKEN

261 000

400 883

300 331

962 214

261 000

400 883

300 331

962 214

261 000

660 727

921 727

DUITSLAND

919 980

1 985 289

105 861

3 011 130

919 980

1 455 983

1 164 475

3 540 438

919 980

2 328 950

3 248 930

ESTLAND

104 400

223 399

108 119

435 918

104 400

223 399

108 119

435 918

104 400

264 291

368 691

IERLAND

162 000

368 882

205 053

735 935

162 000

368 882

205 053

735 935

162 000

410 107

572 107

GRIEKENLAND

533 880

1 013 146

61 433

1 608 459

533 880

705 980

675 765

1 915 625

533 880

1 351 529

1 885 409

SPANJE

1 566 000

1 606 195

1 982 182

5 154 377

1 566 000

1 606 195

1 982 182

5 154 377

1 566 000

3 423 769

4 989 769

FRANKRIJK

1 368 000

2 553 255

472 244

4 393 499

1 368 000

2 474 548

629 659

4 472 207

1 368 000

629 659

1 997 659

KROATIË

225 180

372 981

181 379

779 540

225 180

372 981

181 379

779 540

225 180

544 137

769 317

ITALIË

1 695 240

1 623 948

2 145 769

5 464 957

1 695 240

1 623 948

2 145 769

5 464 957

1 695 240

4 291 538

5 986 778

CΥΡRUS

90 000

265 654

10 356

366 010

90 000

213 873

113 919

417 792

90 000

227 837

317 837

LETLAND

180 000

295 256

144 987

620 243

180 000

274 543

186 412

640 955

180 000

455 674

635 674

LITOUWEN

180 000

306 954

227 837

714 791

180 000

306 954

227 837

714 791

180 000

455 674

635 674

LUXEMBURG

81 000

201 967

93 206

376 173

81 000

201 967

93 206

376 173

81 000

177 091

258 091

HONGARIJE

342 000

463 433

432 890

1 238 323

342 000

463 433

432 890

1 238 323

342 000

865 781

1 207 781

MALTA

96 480

251 602

11 102

359 184

96 480

251 602

11 102

359 184

96 480

44 408

140 888

NEDERLAND

270 000

702 640

341 756

1 314 396

270 000

702 640

341 756

1 314 396

270 000

683 511

953 511

OOSTENRIJK

324 000

367 386

410 107

1 101 493

324 000

367 386

410 107

1 101 493

324 000

820 213

1 144 213

POLEN

1 620 000

1 377 272

2 050 533

5 047 805

1 620 000

1 377 272

2 050 533

5 047 805

1 620 000

4 101 066

5 721 066

PORTUGAL

414 000

553 417

428 748

1 396 165

414 000

505 779

524 025

1 443 804

414 000

1 048 050

1 462 050

ROEMENIË

918 000

1 359 686

105 634

2 383 320

918 000

1 359 686

105 634

2 383 320

918 000

2 323 938

3 241 938

SLOVENIË

163 440

258 693

206 876

629 009

163 440

258 693

206 876

629 009

163 440

413 752

577 192

SLOWAKIJE

101 160

280 835

58 202

440 197

101 160

280 835

58 202

440 197

101 160

256 089

357 249

FINLAND

117 000

275 514

148 094

540 608

117 000

275 514

148 094

540 608

117 000

296 188

413 188

ZWEDEN

184 500

377 326

84 921

646 747

184 500

303 020

233 533

721 053

184 500

467 066

651 566

Totaal EU

12 742 380

18 622 269

11 141 893

42 506 542

12 742 380

17 476 591

13 433 252

43 652 223

12 742 380

28 629 854

41 372 234

Reserve voor vooraf verstrekte gegevens

 

 

 

2 493 458

 

 

 

1 347 777

 

 

 


BIJLAGE XI

Vorm en opmaak van de uit de in artikel 18 bedoelde gegevensreeksen te extraheren gegevens

Deze tekst bevat nadere richtsnoeren voor de indiening van uitgesplitste gegevens over interventies en begunstigden en definieert de vorm en inhoud van deze gegevens.

Overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en om IDL-bedrijven met boekhouding te koppelen aan de overeenkomstige dossiers van begunstigden, die uitgesplitste gegevens over begunstigden bevatten, en interventiedossiers, die uitgesplitste gegevens over interventies bevatten, die zijn opgenomen in de gegevens voor de gegevensreeks voor monitoring- en evaluatiedoeleinden als bedoeld in artikel 8 van en bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475 van de Commissie (1), kiezen de lidstaten een van de volgende opties.

Optie 1:   Indien de lidstaat ervoor kiest de identificatiecode van de begunstigde met betrekking tot het bedrijf met boekhouding aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het interventiedossier en het dossier van de begunstigde gedeeld:

M030/B010 unieke identificatiecode van de begunstigde als bedoeld in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475.

IDL-nummer: De lidstaat verstrekt, gekoppeld aan de unieke identificatiecode van de begunstigde, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.

Meerdere vermeldingen zijn mogelijk, aangezien meerdere begunstigden bij één IDL-bedrijf betrokken kunnen zijn en één begunstigde ook bij meerdere IDL-bedrijven betrokken kan zijn.

Optie 2:   Indien de lidstaat ervoor kiest de gegevens met betrekking tot het bedrijf met boekhouding rechtstreeks aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het interventiedossier en het dossier van de begunstigde gedeeld:

IDL-nummer: De lidstaat verstrekt, gekoppeld aan de gegevens, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.

Meerdere vermeldingen zijn toegestaan, aangezien meerdere begunstigden bij één IDL-bedrijf betrokken kunnen zijn en één begunstigde ook bij meerdere IDL-bedrijven betrokken kan zijn.

UITGESPLITSTE GEGEVENS OVER INTERVENTIES

Aantal

Omschrijving

Monitoringvariabelen voor administratieve informatie

M010

code betaalorgaan

M020

unieke code van een steunaanvraag of betalingsclaim in het kader van een interventie

M040

begrotingscode

Monitoringvariabelen voor uitgegeven bedragen

M050

totaalbedrag van middelen van de Unie

M060

totale overheidsuitgaven

M070

totale aanvullende nationale financiering

Monitoringvariabelen voor het subsidiabele en geconstateerde areaal

M080

aantal hectaren subsidiabel areaal dat is geconstateerd vóór toepassing van de limieten, met uitzondering van bosbouwareaal

M085

aantal hectaren subsidiabel bosbouwareaal dat is geconstateerd vóór toepassing van de limieten

M090

aantal hectaren subsidiabel areaal met uitzondering van bosbouwareaal

M095

aantal hectaren subsidiabel bosbouwareaal dat is geconstateerd na toepassing van de limieten

Monitoringvariabelen voor eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan

M100

aantal hectaren subsidiabel areaal waarvoor betalingen zijn gedaan

M101

aantal hectaren subsidiabel bouwland waarvoor betalingen zijn gedaan voor praktijken voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land

M102

aantal hectaren subsidiabel bouwland waarvoor betalingen zijn gedaan voor praktijken voor de aanleg van nieuwe landschapselementen als bedoeld in artikel 31, lid 1 bis, van Verordening (EU) 2021/2115

M110

aantal dieren, in stuks, waarvoor betalingen zijn gedaan

M120

aantal grootvee-eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan

M130

aantal verrichtingen waarvoor betalingen zijn gedaan

M140

aantal gesteunde landbouwbedrijven

M150

aantal onderlinge fondsen waarvoor betalingen zijn gedaan

M160

aantal andere eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan — meeteenheid

M161

aantal andere eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan — gegenereerde output

Monitoringvariabelen die aangeven of aan een voorwaarde is voldaan

M170

investeringen die leiden tot een nettotoename van het geïrrigeerd areaal

M180

investeringen die leiden tot een verbetering van bestaande irrigatie-installaties

M190

investeringen in het gebruik van teruggewonnen water

M200

investeringen in breedband

M210

investeringen in biomethaan

UITGESPLITSTE GEGEVENS OVER BEGUNSTIGDEN

Aantal

Omschrijving

B020

geslacht

B030

jonge landbouwer

B040

geografische locatie — gemeente

B050

gebied met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

B060

nitraatgevoelige zone

B070

kenmerken van de ligging van een landbouwbedrijf in een stroomgebiedsbeheersplan

B080

Natura 2000-gebied

B090

biologisch landbouwbedrijf

B100

aangegeven aantal hectaren bouwland

B110

aangegeven aantal hectaren blijvend grasland

B120

aangegeven aantal hectaren blijvende teelten

B130

aantal hectaren andere arealen dat in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen

B141

GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — blijvend grasland

B142

GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — bouwland

B143

GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — blijvende teelten

B170

GLMC 9 — aantal hectaren waarop het verbod op het omzetten en ploegen van toepassing is

B171

GLMC 9 — aantal hectaren blijvend grasland in Natura 2000-gebieden

B172

GLMC 9 — door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd

B180

door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland buiten Natura 2000-gebieden dat in het kader van de GLMC’s wordt beschermd, indien van toepassing.


(1)  Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475 van de Commissie van 6 september 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de evaluatie van de strategische GLB-plannen en wat betreft de verstrekking van informatie voor monitoring- en evaluatiedoeleinden (PB L 232 van 7.9.2022, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1475/oj).


BIJLAGE XII

Vorm en opmaak van de uit de in artikel 20 bedoelde gegevensreeksen te extraheren gegevens

Deze tekst bevat nadere richtsnoeren voor de indiening van uitgesplitste gegevens uit het bij Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (1) ingestelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS).

De lidstaten bepalen de overeenstemming tussen de identificatienummers van het bedrijf met boekhouding in het GBCS en het IDL-systeem, waarbij ervoor wordt gezorgd dat zij naar dezelfde entiteit verwijzen.

Met betrekking tot artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 kiezen de lidstaten een van de volgende opties 1, 2.1 of 2.2.

Optie 1:   Indien de lidstaat ervoor kiest de identificatienummers van percelen met betrekking tot het bedrijf met boekhouding aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het GBCS gedeeld:

Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende identificatiecodes uit het GBCS die aan het identificatienummer van het IDL zijn gekoppeld: uniek identificatienummer van referentiepercelen, landbouwpercelen en niet-landbouwarealen die door de lidstaten geacht worden in aanmerking te komen voor steun voor de areaalgebonden interventies, als bedoeld in artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 en artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173.

Meerdere vermeldingen zijn mogelijk, aangezien één IDL-bedrijf meerdere betrokken referentiepercelen, landbouwpercelen en niet-landbouwarealen kan hebben die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen.

Optie 2:   Indien de lidstaat ervoor kiest de gegevens met betrekking tot het bedrijf met boekhouding rechtstreeks aan de Commissie te verstrekken, wordt de volgende ruimtelijke informatie uit het GBCS gedeeld:

Optie 2.1

Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende reeks ruimtelijke gegevens van referentiepercelen en landbouwpercelen als bedoeld in Richtlijn 2007/2/EG (2) en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 (3), met inbegrip van de volgende kenmerken:

geometrie (grens en oppervlakte van elk perceel): referentiepercelen, landbouwpercelen en grondeenheden met niet-landbouwarealen die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen voor steun zoals beschreven in artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 en artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173;

landgebruik (gewassen of gewasgroepen);

landschapselementen als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173;

oppervlakte met biologische landbouw als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173.

De lidstaten verstrekken, gekoppeld aan de ruimtelijke gegevens uit GBCS, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.

Meerdere vermeldingen zijn toegestaan, aangezien één IDL-bedrijf meerdere referentiepercelen, betrokken landbouwpercelen en niet-landbouwarealen kan hebben die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen.

Optie 2.2

Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende indicatoren:

verkaveling van het bedrijf: aantal landbouwpercelen, gemiddelde grootte van de percelen, maximale afstand tussen de verst gelegen percelen, gemiddelde afstand tussen percelen, aantal perceelclusters binnen een buffer van 1 km en van 10 km;

verandering in landgebruik: omzetting van land van het voorgaande jaar in de volgende categorieën landgebruik: bosgrond, bouwland, grasland, wetlands, woongebied en overig land als bedoeld in Verordening (EU) 2018/841 (4);

landschapselementen: de oppervlakten met landschapselementen die zijn opgenomen in bijlage VIII — tabel BD1 — Biodiversiteit — Landschapselementen, worden vermeld.


(1)  Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).

(2)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/2/oj).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie van 21 december 2022 tot vaststelling van een lijst met specifieke hoogwaardige datasets en de regelingen voor publicatie en hergebruik van die gegevens (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 43).

(4)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).


ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2746/oj

ISSN 1977-0758 (electronic edition)


Top