This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32024R2746
Commission Implementing Regulation (EU) 2024/2746 of 25 October 2024 laying down rules for the application of Council Regulation (EC) No 1217/2009 setting up the Farm Sustainability Data Network and repealing Commission Implementing Regulation (EU) 2015/220
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2746 van de Commissie van 25 oktober 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie
Uitvoeringsverordening (EU) 2024/2746 van de Commissie van 25 oktober 2024 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie
C/2024/7418
PB L, 2024/2746, 30.10.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2746/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force: This act has been changed. Current consolidated version:
11/11/2025
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2024/2746 |
30.10.2024 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2024/2746 VAN DE COMMISSIE
van 25 oktober 2024
tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad van 30 november 2009 tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (1), en met name artikel 4 bis, lid 3, artikel 5, lid 1, derde alinea, artikel 5 bis, leden 2 en 4, artikel 5 ter, lid 7, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 4, artikel 8 bis, lid 2, en artikel 19, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 1217/2009 is gewijzigd bij Verordening (EU) 2023/2674 van het Europees Parlement en de Raad (2). Met deze wijziging wordt het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen (ILB) omgevormd tot een informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (IDL). Om de goede werking van het nieuwe rechtskader dat uit die wijziging voortvloeit te waarborgen, moeten bij uitvoeringshandelingen bepaalde voorschriften worden vastgesteld. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 5, lid 1, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moeten drempelwaarden voor de economische bedrijfsomvang worden vastgesteld. Om rekening te houden met de verschillende landbouwstructuren moeten deze drempelwaarden verschillen naargelang van de lidstaat en in sommige gevallen naargelang van de IDL-streek. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 5 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet elke lidstaat een plan voor de keuze van bedrijven met boekhouding (“keuzeplan”) opstellen dat een representatieve steekproef voor het waarnemingsgebied waarborgt. Voor het opstellen van het keuzeplan moet het waarnemingsgebied worden gestratificeerd op basis van de IDL-streken van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 en op basis van productierichting en economische omvang. Het keuzeplan moet vóór het begin van het rapportagejaar zijn opgesteld, zodat de Commissie de inhoud ervan kan evalueren voordat het kan worden gebruikt om bedrijven met boekhouding te kiezen. Om de representativiteit van de geselecteerde steekproef ten opzichte van de economische variabelen te waarborgen en tegelijkertijd andere duurzaamheidsaspecten in aanmerking te nemen, moeten de modellen en methoden met betrekking tot de vorm en inhoud van het keuzeplan worden geactualiseerd. Bij de keuze van bedrijven door de lidstaten moet rekening worden gehouden met ecologische en sociale thema’s die bij de omzetting in het IDL zijn geïntroduceerd. |
|
(4) |
Om de voor het IDL geldende doelstellingen van artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 1217/2009 te bereiken, moeten uitvoeringsvoorschriften voor de typologie van de Unie worden vastgesteld. |
|
(5) |
De productierichting en de economische bedrijfsomvang moeten worden bepaald aan de hand van een economisch criterium. Daartoe moet de in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde standaardopbrengst worden gebruikt. De standaardopbrengsten moeten worden vastgesteld per product en moeten in overeenstemming zijn met de in bijlage III bij Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad (3) uiteengezette lijst van variabelen met betrekking tot structurele kerngegevens. In dit verband moet een tabel worden opgesteld waarin de overeenstemming wordt aangegeven tussen de kenmerken van de structuurenquêtes en de rubrieken van het IDL-bedrijfsformulier. |
|
(6) |
Aangezien de niet-agrarische activiteiten van het bedrijf belangrijker worden, moet in de typologie van de Unie een classificatievariabele worden opgenomen die het belang van zulke rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden weergeeft. |
|
(7) |
Daar de in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 genoemde standaardopbrengst als een economisch criterium moet worden gebruikt om de productierichting en de economische bedrijfsomvang te bepalen, moeten voorts bepaalde voorschriften worden vastgesteld voor de toezending aan de Commissie van gegevens over de standaardopbrengsten en de gegevens die nodig zijn voor de berekening daarvan. |
|
(8) |
Om de doelstellingen van het IDL te verwezenlijken, moeten de kenmerken van het bedrijfsformulier worden gewijzigd, met inbegrip van het begin en het einde van het rapportagejaar, de vorm en indeling van het bedrijfsformulier, de definitie van variabelen en de frequentie van de toezending van de gegevens. De nieuwe variabelen met betrekking tot de dimensies inzake economische, ecologische en sociale duurzaamheid van de landbouw moeten met name betrekking hebben op de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s. Algemene beginselen voor het compileren van de bedrijfsformulieren moeten worden vastgesteld, waaronder de noodzaak om milieu- en sociale variabelen te verzamelen en de nieuwe mogelijkheden die worden geboden door het delen van gegevens met andere gegevensbronnen. |
|
(9) |
De variabelen en de definitie van variabelen die verband houden met een of meer van de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s, moeten in detail worden gespecificeerd, waarbij zij de informatie bevatten die nodig is voor de specifieke analyse ervan. De definitie van nieuwe variabelen moet in overeenstemming zijn met de bestaande boekhoudkundige gegevens, die in de IDL-gegevens zijn opgenomen, op basis van een vergelijkbare vorm en opmaak. |
|
(10) |
In artikel 8, lid 4, punt d), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is bepaald dat methoden en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie moeten worden vastgesteld, met inbegrip van mogelijke verlengingen van termijnen en vrijstellingen voor specifieke variabelen die aan een lidstaat kunnen worden verleend. Rekening houdend met de verschillende vormen van organisatie en methoden voor het compileren van gegevens in de verschillende lidstaten, is het passend voor bepaalde variabelen relevante termijnen binnen de periode van het rapportagejaar 2025 tot en met het rapportagejaar 2027 vast te stellen. Deze periode moet zowel voor de vaststelling van het tijdschema voor de indiening van de gegevens als voor het beheer van de jaarlijkse begroting gelden. |
|
(11) |
De naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren moeten door het door elke lidstaat overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 aangewezen verbindingsorgaan tijdig bij de Commissie worden ingediend zodat de verstrekte gegevens op uniforme wijze en tijdig kunnen worden verwerkt. Er moet voor worden gezorgd dat de methode voor de toezending van de gegevens aan de Commissie praktisch en veilig is. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat het verbindingsorgaan de desbetreffende informatie rechtstreeks aan de Commissie kan toezenden via het geautomatiseerde systeem dat door de Commissie is opgezet voor de toepassing van die verordening en moet worden voorzien in nadere voorschriften in dat verband. Bij het vaststellen van de termijnen voor de indiening van die gegevens bij de Commissie moet rekening worden gehouden met de staat van dienst van de lidstaten op het gebied van de indiening van zulke gegevens. |
|
(12) |
Elk aan de Commissie verstrekt bedrijfsformulier moet naar behoren zijn ingevuld om in aanmerking te komen voor de betaling van het bedrag. |
|
(13) |
In Verordening (EG) nr. 1217/2009 is per lidstaat en per IDL-streek het maximum vastgesteld voor het totale aantal naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren dat voor financiering door de Unie in aanmerking komt. Om rekening te houden met structurele veranderingen moet echter flexibiliteit worden toegestaan in het maximumaantal bedrijven met boekhouding dat per IDL-streek voor financiering door de Unie in aanmerking komt, ter compensatie van een te laag aantal toezendingen in andere IDL-streken, op voorwaarde dat het maximumaantal bedrijven met boekhouding van de betrokken lidstaat in acht wordt genomen, zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1217/2009. |
|
(14) |
Overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet aan de lidstaten een bedrag worden betaald voor de toezending van binnen een gestelde termijn ingediende, naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren. Met het oog op een soepele overgang tussen het ILB en het IDL moeten de voorschriften inzake het aan de lidstaten te betalen bedrag wat betreft de betalingen binnen de periode van het rapportagejaar 2025 tot en met het rapportagejaar 2027 worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de mate waarin de ingediende, naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren alle informatie bevatten die nodig is om de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s te analyseren. |
|
(15) |
De Commissie, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) ten aanzien van de op grond van Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad (4) aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Rekenkamer moeten de bevoegdheid hebben om hun respectieve taken uit te oefenen, waaronder het uitvoeren van audits, controles ter plaatse en onderzoeken met betrekking tot de uit hoofde van deze verordening door de Unie gefinancierde uitgaven. |
|
(16) |
Om de in artikel 4 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 opgenomen voorschriften inzake het delen van gegevens uit te voeren, moeten bepalingen over de uit de verschillende gegevensreeksen te extraheren gegevens worden vastgesteld. Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens moeten worden vastgesteld om de administratieve lasten voor de autoriteiten van de lidstaten te verminderen, waarbij rekening wordt gehouden met de haalbaarheid van het extraheren van gegevens, andere reeds bestaande elektronische systemen en het beheer van het geautomatiseerde gegevenssysteem van het IDL. Om te zorgen voor overeenstemming met de uitvoering van de strategische plannen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) zoals vastgesteld in Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (5) en Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (6), en met name in artikel 67, lid 3, is het passend termijnen vast te stellen voor de toezending van gegevens die het mogelijk maken IDL-gegevens aan de door dezelfde bedrijven ingediende GLB-steunaanvragen te koppelen. Wat betreft het delen van ruimtelijke gegevens over landbouwpercelen, moet ook rekening worden gehouden met Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie (8). |
|
(17) |
Om de in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009 opgenomen regels voor de opslag, de verwerking, het hergebruik en het delen van gegevens uit te voeren, moeten bepalingen over het geautomatiseerde gegevenssysteem voor het toezenden en analyseren van gegevens overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2017/46 van de Commissie (9) worden vastgesteld. |
|
(18) |
Het aantal variabelen, de relevantie en de definitie van de variabelen, evenals de financiële bepalingen, waaronder de definitie van een naar behoren ingevuld bedrijfsformulier, en de bepalingen inzake gegevensuitwisseling moeten in 2027 worden herzien, waarbij rekening wordt gehouden met de ervaring die is opgedaan na de compilatie van gegevens voor het eerste rapportagejaar, en op basis van een haalbaarheidsanalyse waarbij onder meer rekening wordt gehouden met de inbreng van de lidstaten, met betrekking tot onder meer de beschikbaarheid en kwaliteit van nieuwe en bestaande gegevensbronnen, de mogelijke toepassing van nieuwe methoden en de financiële lasten voor de lidstaten en de bedrijven met boekhouding. |
|
(19) |
De bij deze verordening ingevoerde nieuwe voorschriften treden in de plaats van de bestaande voorschriften van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie (10). Die uitvoeringsverordening moet daarom worden ingetrokken. Om ervoor te zorgen dat de toezending van gegevens, de gegevensverificatie en de betalingen voor alle boekjaren vóór 2025 kunnen worden afgerond, moet die uitvoeringsverordening echter ook na 1 januari 2025 van toepassing blijven. |
|
(20) |
Aangezien de lidstaten van het ILB naar het IDL moeten overstappen, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf het rapportagejaar 2025. |
|
(21) |
Om de lidstaten in staat te stellen onverwijld met de opstelling van het keuzeplan te beginnen, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(22) |
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (11) en heeft op 13 september 2024 formele opmerkingen verstrekt. |
|
(23) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
AFDELING 1
WAARNEMINGSGEBIED EN KEUZEPLAN
Artikel 1
Drempelwaarde van de economische omvang
De drempelwaarden van de economische omvang als bedoeld in artikel 5, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn vermeld in bijlage I bij deze verordening.
Artikel 2
Aantal bedrijven met boekhouding
Het aantal bedrijven met boekhouding per lidstaat en per IDL-streek (informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven) als bedoeld in artikel 5 bis, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is vastgesteld in bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Keuzeplan
1. De modellen en methoden betreffende de vorm en inhoud van de gegevens als bedoeld in artikel 5 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn opgenomen in bijlage III bij deze verordening.
2. De lidstaten stellen de Commissie elektronisch in kennis van het in artikel 5 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde keuzeplan zoals goedgekeurd door het in artikel 6, lid 2, van die verordening bedoelde Nationaal Comité, en wel uiterlijk twee maanden vóór het begin van het rapportagejaar waarop dat keuzeschema betrekking heeft.
AFDELING 2
TYPOLOGIE VAN DE UNIE VOOR BEDRIJVEN
Artikel 4
Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen
De methoden voor de berekening van gespecialiseerde bijzondere productierichtingen als bedoeld in artikel 5 ter, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en de overeenstemming daarvan met algemene en hoofdproductierichtingen als bedoeld in dat artikel, zijn beschreven in bijlage IV bij deze verordening.
Artikel 5
Economische bedrijfsomvang
De methode voor de berekening van de economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5 ter, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en de klassen van economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5 ter, lid 1, van die verordening zijn opgenomen in bijlage V bij deze verordening.
Artikel 6
Standaardopbrengstcoëfficiënt en totale standaardopbrengst van een bedrijf
1. De berekeningsmethode voor de standaardopbrengstcoëfficiënt van elk kenmerkend onderdeel als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, en de procedure voor het verzamelen van de overeenkomstige gegevens zijn vastgesteld in de bijlagen IV en VI bij deze verordening.
De standaardopbrengstcoëfficiënt van de verschillende kenmerkende onderdelen van een bedrijf als bedoeld in artikel 5 ter, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 wordt vastgesteld voor de gewas- en veevariabelen als vermeld in deel 2.1 van bijlage IV bij deze verordening en voor elke geografische eenheid als bedoeld in punt 2, b), van bijlage VI bij deze verordening.
2. De totale standaardopbrengst van een bedrijf wordt berekend door de standaardopbrengstcoëfficiënt van elke gewas- en veevariabele te vermenigvuldigen met het desbetreffende aantal eenheden.
Artikel 7
Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden
De andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden als bedoeld in artikel 5 ter, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 zijn omschreven in deel 1 van bijlage VII bij deze verordening. Het economisch belang van die werkzaamheden voor het bedrijf wordt uitgedrukt als percentageklasse waarmee het aandeel van de desbetreffende werkzaamheden in de omzet wordt aangegeven.
De methode voor het ramen van het in de eerste alinea bedoelde belang van de winstgevende werkzaamheden is beschreven in de delen 2 en 3 van bijlage VII bij deze verordening.
De in de eerste alinea bedoelde percentageklassen zijn vastgesteld in deel 3 van bijlage VII bij deze verordening.
Artikel 8
Mededeling van de standaardopbrengsten en de gegevens voor de bepaling daarvan
1. Overeenkomstig artikel 5 ter, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 dienen de lidstaten dienen vóór 31 december van het jaar N+3 bij de Commissie (Eurostat) de standaardopbrengsten, de gegevens voor de bepaling daarvan en de overeenkomstige metagegevens in voor een referentieperiode van jaar N.
2. Voor de indiening van de gegevens en metagegevens als bedoeld in lid 1 gebruiken de lidstaten de geautomatiseerde systemen die de Commissie (Eurostat) daartoe ter beschikking heeft gesteld.
AFDELING 3
TOEZENDING VAN BEDRIJFSFORMULIEREN EN GEGEVENS AAN DE COMMISSIE
Artikel 9
Begin en einde van het rapportagejaar
Het rapportagejaar van twaalf opeenvolgende maanden als bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 eindigt in de periode van 31 december tot en met 30 juni.
Artikel 10
Definities van variabelen, vorm en opmaak van het bedrijfsformulier en frequentie van de toezending van de gegevens
De definities van variabelen die verband houden met een of meer van de in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009 vermelde thema’s, de vorm en de opmaak voor de presentatie van de gegevens en de frequentie van de toezending van de gegevens, als bedoeld in artikel 8, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009, zijn vastgesteld in bijlage VIII bij deze verordening.
Artikel 11
Methoden en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie
1. De bedrijfsformulieren worden bij de Commissie ingediend door het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan via een geautomatiseerd gegevenssysteem, overeenkomstig artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vereiste informatie wordt elektronisch uitgewisseld op basis van modellen die via dat geautomatiseerde gegevenssysteem ter beschikking van het verbindingsorgaan worden gesteld.
2. De lidstaten worden van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde systeem in kennis gesteld binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven.
3. De IDL-tabellen en -variabelen zijn opgenomen in bijlage IX. De lidstaten verstrekken in de bedrijfsformulieren de in artikel 10 bedoelde gegevens voor de rapportagejaren 2025 en 2027 volgens het in bijlage IX vastgestelde tijdschema. Voor het rapportagejaar 2026 moeten dezelfde variabelen worden ingediend als voor het rapportagejaar 2025. Wat de tabellen in bijlage IX betreft, worden nieuwe in bijlage IX vastgestelde IDL-variabelen voor het eerst voor het rapportagejaar 2025 of 2027 ingediend. Na deze rapportagejaren worden deze variabelen jaarlijks ingediend.
Gegevens die voor het rapportagejaar 2027 moeten worden ingediend, mogen echter ook in een eerder jaar worden ingediend.
4. De bedrijfsformulieren worden uiterlijk op 15 december van het jaar na afloop van het rapportagejaar in kwestie aan de Commissie toegezonden.
Duitsland mag de bedrijfsformulieren echter binnen 15 weken na de in de eerste alinea bedoelde termijn aan de Commissie toezenden.
5. Bedrijfsformulieren worden geacht aan de Commissie te zijn toegezonden zodra de in artikel 10 bedoelde gegevens in het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem zijn ingevoerd, de daaropvolgende computercontroles zijn verricht en het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht.
Artikel 12
Verlengingen van termijnen en vrijstellingen voor specifieke variabelen
1. Bijlage IX bij deze verordening bevat voor het rapportagejaar 2025 de overeenkomstig artikel 8, lid 4, punt d), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 aan bepaalde lidstaat verleende vrijstellingen van het indienen van gegevens over specifieke variabelen als bedoeld in bijlage VIII bij deze verordening.
2. Voor de rapportagejaren 2026 en 2027 kan de Commissie de in artikel 11, lid 4, eerste alinea, bedoelde termijn voor de indiening van gegevens over specifieke variabelen verlengen indien de lidstaat een met redenen omkleed verzoek indient. Dit verzoek wordt door de betrokken lidstaat uiterlijk op 31 mei van het jaar voorafgaand aan het desbetreffende rapportagejaar bij de Commissie ingediend.
3. Voor de rapportagejaren 2026 en 2027 kan de Commissie lidstaten vrijstellen van het indienen van gegevens over specifieke variabelen als bedoeld in bijlage VIII voor een bepaald rapportagejaar indien de lidstaat een met redenen omkleed verzoek indient. Dit verzoek wordt door de betrokken lidstaat uiterlijk op 31 mei van het jaar voorafgaand aan het rapportagejaar bij de Commissie ingediend.
AFDELING 4
AAN DE LIDSTATEN TE BETALEN BEDRAG
Artikel 13
Naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren
1. Voor de toepassing van artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 is een bedrijfsformulier naar behoren ingevuld wanneer de inhoud ervan feitelijk juist, betrouwbaar en verifieerbaar is en de erin vervatte gegevens zijn geregistreerd en gepresenteerd overeenkomstig de in bijlage VIII bij deze verordening vastgestelde vorm en opmaak.
2. Om als naar behoren ingevuld te worden beschouwd, bevatten de bedrijfsformulieren voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027 in afwijking van lid 1 de gegevens van de tabellen in bijlage VIII, rekening houdend met de in bijlage IX bedoelde vrijstellingen.
Artikel 14
Voor de betaling in aanmerking komend aantal bedrijfsformulieren
1. Het totale aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren per lidstaat als bedoeld in artikel 5 bis, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 die in aanmerking komen voor de betaling van het aan elke lidstaat te betalen bedrag, is niet hoger dan het voor die lidstaat in bijlage II bij deze verordening vastgestelde totale aantal bedrijven met boekhouding.
2. Indien lidstaten meer dan één IDL-streek hebben, kan het aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren dat per IDL-streek voor betaling van het bedrag in aanmerking komt, maximaal 20 % hoger zijn dan het voor de betrokken IDL-streek in bijlage II vastgestelde aantal, mits het totale aantal naar behoren ingevulde en ingediende bedrijfsformulieren van de betrokken lidstaat niet hoger is dan het totale aantal dat in bijlage II voor die lidstaat is vastgesteld.
Bedrijfsformulieren van een IDL-streek met een hoger aantal ingediende bedrijfsformulieren dan het aantal dat voor die IDL-streek in bijlage II is vastgesteld, komen echter niet in aanmerking voor de betaling in een IDL-streek waarvoor het aantal door de lidstaat ingediende bedrijfsformulieren minder dan 80 % van het vereiste aantal landbouwbedrijven met boekhouding bedraagt.
Artikel 15
Betaling van het bedrag
1. Het aan elke lidstaat te betalen bedrag als bedoeld in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 wordt in twee tranches betaald:
|
a) |
een voorfinanciering die overeenkomt met 50 % van het totale bedrag dat op grond van de artikelen 16 en 17 van deze verordening is vastgesteld en die aan het begin van elk rapportagejaar wordt verricht; |
|
b) |
de betaling van het saldo vindt plaats nadat de Commissie heeft geverifieerd en geoordeeld dat de toegezonden bedrijfsformulieren naar behoren zijn ingevuld. |
2. Het aan elke lidstaat betaalde bedrag vormt een bijdrage aan de volgende acties: het naar behoren invullen van de bedrijfsformulieren en verbeteringen van de termijnen, processen, systemen en procedures voor de gegevensverstrekking en van de algehele kwaliteit van de bedrijfsformulieren.
3. De Commissie behoudt zich het recht voor onverschuldigd betaalde bedragen terug te vorderen.
Artikel 16
Aan de lidstaten te betalen bedrag
1. Het in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde bedrag dat aan elke lidstaat moet worden betaald, wordt vastgesteld op 636 EUR per bedrijfsformulier.
2. Indien de in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde drempelwaarden van 80 % noch op het niveau van een IDL-streek, noch op het niveau van de betrokken lidstaat worden bereikt, wordt de in die bepaling bedoelde verlaging alleen op het niveau van de lidstaat toegepast.
Artikel 17
Aan de lidstaten te betalen bedrag voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027
1. In afwijking van artikel 16, lid 1, van deze verordening is voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027 het in artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde bedrag dat aan elke lidstaat moet worden betaald, gelijk aan de in de in bijlage X bij deze verordening vastgestelde maximumbedragen. Dit bedrag bestaat uit:
|
a) |
een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om de gegevens in de tabellen A tot en met M van bijlage VIII bij deze verordening (“ILB-gegevens”) te verstrekken, met uitzondering van de in bijlage IX bij deze verordening vermelde variabelen; |
|
b) |
een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om de termijnen, processen, systemen en procedures voor de gegevensverstrekking en de algehele kwaliteit van de bedrijfsformulieren te verbeteren; |
|
c) |
een bedrag dat is vastgesteld op basis van de noodzaak om alle IDL-gegevens, met uitzondering van ILB-gegevens, in overeenstemming met de in bijlage IX bij deze verordening vastgestelde vrijstellingen te verstrekken. |
2. Indien voor een lidstaat het totale aantal naar behoren ingevulde bedrijfsformulieren dat binnen de in artikel 11 vastgestelde termijn is verstrekt, kleiner is dan het in bijlage II voor die lidstaat vastgestelde maximumaantal bedrijven met boekhouding, worden de in lid 1, punten a) en c), bedoelde bedragen evenredig verlaagd.
Wanneer het totale aantal naar behoren ingevulde en verstrekte bedrijfsformulieren met betrekking tot een IDL-streek of een lidstaat minder dan 80 % bedraagt van de in bijlage II bij deze verordening vermelde bedrijven met boekhouding, wordt overeenkomstig artikel 19, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 echter een verlaging toegepast op de in lid 1, punten a) en c), van dit artikel bedoelde bedragen.
3. Voor IDL-gegevens, met uitzondering van bestaande ILB-gegevens, als bedoeld in lid 1, punt c), wordt, indien een lidstaat als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel verstrekt waarin gegevens ontbreken, dat bedrijfsformulier, in afwijking van artikel 13, lid 2, als naar behoren ingevuld beschouwd. Het in lid 1, punt c), bedoelde bedrag wordt echter wel verlaagd met 21 EUR per onvolledige tabel, rekening houdend met de in bijlage IX vastgestelde vrijstellingen.
4. Voor ILB-gegevens als bedoeld in lid 1, punt a), wordt, indien een lidstaat als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel met ontbrekende gegevens verstrekt, het te betalen bedrag voor het bedrijfsformulier dat de onvolledige tabel bevat, niet toegewezen.
5. Indien een lidstaat voor het rapportagejaar 2025 of 2026 als onderdeel van een bedrijfsformulier een tabel indient met gegevens die overeenkomstig bijlage IX alleen voor het rapportagejaar 2027 vereist zijn, wordt voor elke vooraf geleverde tabel een aanvullend bedrag van 21 EUR aan de lidstaat betaald.
De jaarlijkse maximumbedragen voor het vooraf verstrekken van gegevens die overeenkomstig bijlage IX pas voor het rapportagejaar 2027 moeten worden verstrekt, zijn opgenomen in bijlage X in de rubriek “Reserve voor vooraf verstrekte gegevens”. Indien het totale bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de eerste alinea van dit lid, hoger is dan het in bijlage X vastgestelde maximumbedrag van de reserve voor vooraf verstrekte gegevens, wordt het bedrag per tabel evenredig verlaagd om ervoor te zorgen dat het totale bedrag het in bijlage IX vastgestelde jaarlijkse maximumbedrag niet overschrijdt.
AFDELING 5
VERSTREKKING VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 BIS, LID 1, PUNT a), VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009 AAN DE COMMISSIE
Artikel 18
Uit de gegevensreeks te extraheren gegevens
De gegevens die uit de in artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks moeten worden geëxtraheerd, zijn vastgesteld in bijlage XI bij deze verordening.
Artikel 19
Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie
1. De gegevens worden bij de Commissie ingediend door het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan via een geautomatiseerd gegevenssysteem, zoals vastgesteld in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vorm en de opmaak van de gegevens zijn vastgesteld in bijlage XI bij deze verordening.
2. De Commissie stelt de verbindingsorganen binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven in kennis van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem.
3. De gegevens met betrekking tot het rapportagejaar N worden uiterlijk op 15 december van jaar N+2 aan de Commissie toegezonden.
4. Het eerste jaar van toezending van gegevens is 2027 en heeft betrekking op het rapportagejaar 2025. De verbindingsorganen kunnen echter gegevens met betrekking tot voorgaande rapportagejaren toezenden. De Commissie kan de verbindingsorganen vrijstellen van het toezenden van gegevens voor een bepaald rapportagejaar indien een met redenen omkleed verzoek uiterlijk op 31 oktober van het rapportagejaar N+1 bij de Commissie wordt ingediend.
5. De gegevens worden geacht aan de Commissie te zijn verstrekt zodra aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de in artikel 18 bedoelde gegevens zijn in het in lid 1 van dit artikel bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem ingevoerd; |
|
b) |
de daaropvolgende computercontroles zijn uitgevoerd, en |
|
c) |
het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht. |
6. De verbindingsorganen verstrekken de gegevens die vervat zijn in de in artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks. De verbindingsorganen zijn niet verplicht ervoor te zorgen dat die gegevensreeks volledig in overeenstemming is met de bij de Commissie ingediende IDL-gegevens.
AFDELING 6
VERSTREKKING VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 4 BIS, LID 1, PUNT b), VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009 AAN DE COMMISSIE
Artikel 20
Uit de gegevensreeks te extraheren gegevens
De gegevens die uit de in artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks moeten worden geëxtraheerd, zijn vastgesteld in bijlage XII bij deze verordening.
Artikel 21
Technische specificaties en termijnen voor de toezending van gegevens aan de Commissie
1. Het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde verbindingsorgaan dient de gegevens bij de Commissie in via een geautomatiseerd gegevenssysteem als bedoeld in artikel 8 bis van Verordening (EG) nr. 1217/2009. De vorm en de opmaak van de gegevens zijn vastgesteld in bijlage XII bij deze verordening.
2. De Commissie stelt het verbindingsorgaan binnen het Comité voor het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven in kennis van de algemene voorwaarden voor de implementatie van het in lid 1 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem.
3. De gegevens met betrekking tot het rapportagejaar N worden uiterlijk op 15 december van jaar N+1 aan de Commissie toegezonden.
4. Het eerste jaar van toezending van gegevens is 2028 en heeft betrekking op het rapportagejaar 2027.
De verbindingsorganen kunnen echter gegevens met betrekking tot voorgaande rapportagejaren toezenden.
De Commissie kan de verbindingsorganen met ingang van het rapportagejaar 2027 vrijstellen van het toezenden van gegevens voor een bepaald rapportagejaar indien een met redenen omkleed verzoek uiterlijk op 31 oktober van het rapportagejaar N wordt verzonden.
5. De gegevens worden geacht aan de Commissie te zijn verstrekt zodra aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de in artikel 20 bedoelde gegevens zijn in het in lid 1 van dit artikel bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem ingevoerd; |
|
b) |
de daaropvolgende computercontroles zijn uitgevoerd, en |
|
c) |
het verbindingsorgaan heeft bevestigd dat de gegevens klaar zijn om in dat geautomatiseerde gegevenssysteem te worden overgebracht. |
6. De verbindingsorganen verstrekken de gegevens die vervat zijn in de in artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevensreeks. De verbindingsorganen zijn niet verplicht ervoor te zorgen dat die gegevensreeks volledig in overeenstemming is met de bij de Commissie ingediende IDL-gegevens.
AFDELING 7
NADERE REGELS VOOR DE OPSLAG, DE VERWERKING, HET HERGEBRUIK EN HET DELEN VAN GEGEVENS ALS BEDOELD IN ARTIKEL 8 BIS, LID 2, VAN VERORDENING (EG) NR. 1217/2009
Artikel 22
Geautomatiseerd gegevenssysteem
Het in artikel 8 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem dat door de Commissie is opgezet, zorgt voor een veilige uitwisseling van informatie tussen de lidstaten en de Commissie.
Het in de eerste alinea bedoelde geautomatiseerde gegevenssysteem waarborgt een IT-beveiligingsbeleid dat van toepassing is op het personeel dat het systeem gebruikt, overeenkomstig de relevante voorschriften van de Unie, met name Besluit (EU, Euratom) 2017/46.
Tijdens de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1217/2009 verkregen afzonderlijke gegevens worden gebruikt overeenkomstig de artikelen 16, 16 bis en 16 ter van die verordening.
AFDELING 8
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 23
Herzieningsclausule
1. De definities van variabelen in bijlage VIII bij deze verordening, de financiële regels in afdeling 4 van deze verordening en de bepalingen inzake de verstrekking van gegevens in afdeling 5 van deze verordening worden uiterlijk op 30 september 2027 door de Commissie herzien volgens de procedure van artikel 19 ter van Verordening (EG) nr. 1217/2009.
2. De in lid 1 bedoelde herziening wordt voorafgegaan door een analyse van de Commissie, die op basis van onder meer de inbreng van de lidstaten nagaat of de voorgestelde wijzigingen van deze verordening haalbaar zijn.
Artikel 24
Intrekking
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2025.
Die verordening blijft evenwel van toepassing op de boekjaren vóór 2025.
Artikel 25
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van het rapportagejaar 2025.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 oktober 2024.
Voor de Commissie
De voorzitter
Ursula VON DER LEYEN
(1) PB L 328 van 15.12.2009, blz. 27, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1217/oj.
(2) Verordening (EU) 2023/2674 van het Europees Parlement en de Raad van 22 november 2023 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad wat betreft de omzetting van het informatienet inzake landbouwbedrijfsboekhoudingen in een informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven (PB L, 2023/2674, 29.11.2023, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2023/2674/oj).
(3) Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1091/oj).
(4) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/1939/oj).
(5) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).
(6) Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).
(7) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/2/oj).
(8) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie van 21 december 2022 tot vaststelling van een lijst met specifieke hoogwaardige datasets en de regelingen voor publicatie en hergebruik van die gegevens (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2023/138/oj).
(9) Besluit (EU, Euratom) 2017/46 van de Commissie van 10 januari 2017 over de beveiliging van communicatie- en informatiesystemen binnen de Europese Commissie (PB L 6 van 11.1.2017, blz. 40, ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2017/46/oj).
(10) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/220 van de Commissie van 3 februari 2015 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van een boekhoudkundig informatienet betreffende de inkomens en de bedrijfseconomische positie van de landbouwbedrijven in de Europese Unie (PB L 46 van 19.2.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/220/oj).
(11) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
BIJLAGE I
Drempelwaarde van de economische omvang voor het waarnemingsgebied als bedoeld in artikel 1
|
Lidstaat/IDL-streek |
Drempelwaarde (in EUR) |
|
België |
25 000 |
|
Bulgarije |
4 000 |
|
Tsjechië |
15 000 |
|
Denemarken |
25 000 |
|
Duitsland |
25 000 |
|
Estland |
8 000 |
|
Ierland |
8 000 |
|
Griekenland |
8 000 |
|
Spanje |
8 000 |
|
Frankrijk (met uitzondering van La Réunion en Antilles françaises) |
25 000 |
|
Frankrijk (alleen La Réunion en Antilles françaises) |
15 000 |
|
Kroatië |
4 000 |
|
Italië |
8 000 |
|
Cyprus |
4 000 |
|
Letland |
4 000 |
|
Litouwen |
4 000 |
|
Luxemburg |
25 000 |
|
Hongarije |
8 000 |
|
Malta |
4 000 |
|
Nederland |
25 000 |
|
Oostenrijk |
15 000 |
|
Polen |
8 000 |
|
Portugal |
4 000 |
|
Roemenië |
4 000 |
|
Slovenië |
4 000 |
|
Slowakije |
25 000 |
|
Finland |
15 000 |
|
Zweden |
15 000 |
BIJLAGE II
Aantal bedrijven met boekhouding als bedoeld in artikel 2
|
Referentieaantal |
Naam IDL-streek |
Aantal bedrijven met boekhouding per rapportagejaar |
|
BELGIË |
||
|
341 |
Vlaanderen |
650 |
|
342 |
Brussel-Bruxelles |
— |
|
343 |
Wallonie |
450 |
|
Totaal België |
1 100 |
|
|
BULGARIJE |
||
|
831 |
Северозападен (Severozapaden) |
393 |
|
832 |
Северен централен (Severen tsentralen) |
377 |
|
833 |
Североизточен (Severoiztochen) |
347 |
|
834 |
Югозападен (Yugozapaden) |
222 |
|
835 |
Южен централен (Yuzhen tsentralen) |
482 |
|
836 |
Югоизточен (Yugoiztochen) |
381 |
|
Totaal Bulgarije |
2 202 |
|
|
745 |
TSJECHIË |
1 282 |
|
370 |
DENEMARKEN |
1 450 |
|
DUITSLAND |
||
|
015 |
Sleeswijk-Holstein/Hamburg |
294 |
|
030 |
Nedersaksen |
660 |
|
040 |
Bremen |
— |
|
050 |
Nordrhein-Westfalen |
689 |
|
060 |
Hessen |
317 |
|
070 |
Rheinland-Pfalz |
543 |
|
080 |
Baden-Württemberg |
438 |
|
090 |
Bayern |
1 164 |
|
100 |
Saarland |
64 |
|
110 |
Berlin |
— |
|
112 |
Brandenburg |
184 |
|
113 |
Mecklenburg-Vorpommern |
106 |
|
114 |
Sachsen |
212 |
|
115 |
Sachsen-Anhalt |
225 |
|
116 |
Thüringen |
215 |
|
Totaal Duitsland |
5 111 |
|
|
755 |
ESTLAND |
580 |
|
380 |
IERLAND |
900 |
|
GRIEKENLAND |
||
|
450 |
Μακεδονία-Θράκη (Macedonië-Thracië) |
1 050 |
|
460 |
Ήπειρος-Πελοπόννησος-Νήσοι Ιονίου (Epirus-Peloponnesos-Ionische Eilanden) |
920 |
|
470 |
Θεσσαλία (Thessalia) |
370 |
|
480 |
Στερεά Ελλάς-Νήσοι Αιγαίου-Κρήτη (Sterea Ellas-Egeïsche Eilanden-Kreta) |
626 |
|
|
Totaal Griekenland |
2 966 |
|
SPANJE |
||
|
500 |
Galicia |
450 |
|
505 |
Asturias |
190 |
|
510 |
Cantabria |
150 |
|
515 |
País Vasco |
352 |
|
520 |
Navarra |
316 |
|
525 |
La Rioja |
244 |
|
530 |
Aragón |
676 |
|
535 |
Cataluña |
664 |
|
540 |
Islas Baleares |
180 |
|
545 |
Castilla y León |
950 |
|
550 |
Madrid |
190 |
|
555 |
Castilla-La Mancha |
900 |
|
560 |
Comunidad Valenciana |
638 |
|
565 |
Murcia |
348 |
|
570 |
Extremadura |
718 |
|
575 |
Andalucía |
1 504 |
|
580 |
Canarias |
230 |
|
Totaal Spanje |
8 700 |
|
|
FRANKRIJK |
||
|
121 |
Île-de-France |
190 |
|
131 |
Champagne-Ardenne |
370 |
|
132 |
Picardie |
270 |
|
133 |
Haute-Normandie |
170 |
|
134 |
Centre |
410 |
|
135 |
Basse-Normandie |
240 |
|
136 |
Bourgogne |
340 |
|
141 |
Nord-Pas-de-Calais |
280 |
|
151 |
Lorraine |
230 |
|
152 |
Alsace |
200 |
|
153 |
Franche-Comté |
210 |
|
162 |
Loire |
460 |
|
163 |
Bretagne |
480 |
|
164 |
Poitou-Charentes |
360 |
|
182 |
Aquitaine |
550 |
|
183 |
Midi-Pyrénées |
480 |
|
184 |
Limousin |
220 |
|
192 |
Rhône-Alpes |
480 |
|
193 |
Auvergne |
360 |
|
201 |
Languedoc-Roussillon |
430 |
|
203 |
Provence-Alpes-Côte d'Azur |
420 |
|
204 |
Corse |
170 |
|
207 |
La Réunion |
160 |
|
208 |
Antilles françaises |
120 |
|
Totaal Frankrijk |
7 600 |
|
|
KROATIË |
||
|
861 |
Jadranska Hrvatska |
329 |
|
862 |
Kontinentalna Hrvatska |
922 |
|
Totaal Kroatië |
1 251 |
|
|
ITALIË |
||
|
221 |
Valle d'Aosta |
233 |
|
222 |
Piemonte |
481 |
|
230 |
Lombardia |
588 |
|
241 |
Trentino |
434 |
|
242 |
Alto Adige |
418 |
|
243 |
Veneto |
559 |
|
244 |
Friuli-Venezia-Giulia |
374 |
|
250 |
Liguria |
392 |
|
260 |
Emilia-Romagna |
503 |
|
270 |
Toscana |
436 |
|
281 |
Marche |
388 |
|
282 |
Umbria |
426 |
|
291 |
Lazio |
600 |
|
292 |
Abruzzo |
490 |
|
301 |
Molise |
355 |
|
302 |
Campania |
533 |
|
303 |
Calabria |
460 |
|
311 |
Puglia |
456 |
|
312 |
Basilicata |
372 |
|
320 |
Sicilia |
445 |
|
330 |
Sardegna |
475 |
|
Totaal Italië |
9 418 |
|
|
740 |
CΥΡRUS |
500 |
|
770 |
LETLAND |
1 000 |
|
775 |
LITOUWEN |
1 000 |
|
350 |
LUXEMBURG |
450 |
|
HONGARIJE |
||
|
764 |
Észak-Magyarország |
170 |
|
767 |
Alföld |
1 180 |
|
768 |
Dunántúl |
550 |
|
|
Totaal Hongarije |
1 900 |
|
780 |
MALTA |
536 |
|
360 |
NEDERLAND |
1 500 |
|
660 |
OOSTENRIJK |
1 800 |
|
POLEN |
||
|
785 |
Pomorze i Mazury |
1 340 |
|
790 |
Wielkopolska i Śląsk |
2 960 |
|
795 |
Mazowsze i Podlasie |
3 600 |
|
800 |
Małopolska i Pogórze |
1 100 |
|
Totaal Polen |
9 000 |
|
|
PORTUGAL |
||
|
615 |
Norte e Centro |
1 233 |
|
630 |
Ribatejo-Oeste |
351 |
|
640 |
Alentejo e Algarve |
399 |
|
650 |
Açores e Madeira |
317 |
|
Totaal Portugal |
2 300 |
|
|
ROEMENIË |
||
|
840 |
Nord-Est |
724 |
|
841 |
Sud-Est |
913 |
|
842 |
Sud-Muntenia |
857 |
|
843 |
Sud-Vest-Oltenia |
519 |
|
844 |
Vest |
598 |
|
845 |
Nord-Vest |
701 |
|
846 |
Centru |
709 |
|
847 |
București-Ilfov |
79 |
|
|
Totaal Roemenië |
5 100 |
|
820 |
SLOVENIË |
908 |
|
810 |
SLOWAKIJE |
562 |
|
FINLAND |
||
|
670 |
Etelä-Suomi |
324 |
|
675 |
Pohjanmaa, Sisä- en Pohjois-Suomi |
326 |
|
Totaal Finland |
650 |
|
|
ZWEDEN |
||
|
710 |
Slättbyggdslän |
637 |
|
720 |
Skogs- och mellanbygdslän |
258 |
|
730 |
Län i norra Sverige |
130 |
|
Totaal Zweden |
1 025 |
|
BIJLAGE III
Modellen en methoden voor de opstelling van het keuzeplan als bedoeld in artikel 3, lid 1
Krachtens Verordening (EG) nr. 1217/2009 moet elke lidstaat een plan voor de keuze van bedrijven met boekhouding opstellen dat een representatieve steekproef van het waarnemingsgebied waarborgt. Om de representativiteit van de IDL-gegevens voor het betrokken waarnemingsgebied op streekniveau te waarborgen, wordt in het keuzeplan geen cluster van IDL-streken toegepast.
Evenzo moeten elke relevante productierichting en economische omvang die in de telling of enquête voor geïntegreerde landbouwstatistieken (IFS) zijn vertegenwoordigd, worden behandeld op een detailniveau dat representatieve resultaten voor belangrijke groepen van landbouwbedrijven oplevert, binnen de grenzen van de steekproefgrootte. Gezien de organisatorische en technische oplossingen die momenteel op het niveau van de Commissie beschikbaar zijn om te voorzien in gewogen resultaten voor het waarnemingsgebied van het IDL, mogen in een door de lidstaten aan de Commissie verstrekte IDL-steekproef de belangrijkste kenmerken van landbouwbedrijven in het waarnemingsgebied niet significant worden onder- of oververtegenwoordigd. Het gaat hierbij ook landbouwmethoden zoals biologische landbouw en kenmerken van landbouwbedrijven, zoals in het kader van de bijenteelt. In het geval van een selecte keuze van landbouwbedrijven in de steekproef (bedrijven met boekhouding) voor het IDL moet de keuzeprocedure erop gericht zijn om vertekening te vermijden en geschikte steekproeven op te leveren ten behoeve van het IDL, met name voor een correcte beoordeling van het inkomen van de landbouwbedrijven waarop de waarnemingen betrekking hebben. Afzonderlijke clusters moeten duidelijk verwijzen naar algemene en hoofdproductierichtingen en/of gespecialiseerde bijzondere productierichtingen om deze eenduidig op basis van de classificatie te identificeren, vooral wat betreft soorten landbouw die van bijzonder belang zijn in de lidstaat.
De in artikel 5 bis, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1217/2009 bedoelde gegevens worden aan de Commissie verstrekt op basis van de volgende structuur:
1. FACTSHEET
|
1. |
Algemene informatie |
||||||||
|
1.1. |
Rapportagejaar |
||||||||
|
1.2. |
Lidstaat |
||||||||
|
1.3. |
Naam van het verbindingsorgaan |
||||||||
|
1.4. |
Is het verbindingsorgaan een onderdeel van de overheid (ja/nee)? |
||||||||
|
2. |
Grondslag van het keuzeplan |
||||||||
|
2.1. |
Bron van de totale populatie van bedrijven |
||||||||
|
2.2. |
Jaar van de gebruikte populatie van bedrijven |
||||||||
|
2.3. |
Jaar van de standaardopbrengstcoëfficiënten |
||||||||
|
3. |
Methoden voor de stratificatie van het waarnemingsgebied |
||||||||
|
3.1. |
Clustering naar productierichting |
||||||||
|
3.2. |
Clustering naar bedrijfsgrootteklasse |
||||||||
|
3.3. |
Aanvullend nationaal criterium dat voor de stratificatie van het waarnemingsgebied wordt gebruikt |
||||||||
|
3.3.1. |
Licht in voorkomend geval het gebruikte nationale criterium nader toe: |
||||||||
|
3.3.2. |
Wordt het aanvullende nationale criterium gebruikt in de nationale keuze van de steekproef? |
||||||||
|
3.3.3. |
Wordt het aanvullende nationale criterium gebruikt in de nationale weging van de steekproef? |
||||||||
|
3.3.4. |
Als het nationale criterium voor de keuze op het niveau van de Unie wordt gebruikt, leg dan uit waarom en wat de implicaties zijn voor de representativiteit van het waarnemingsgebied van het IDL van de Unie. |
||||||||
|
4. |
Methode voor de bepaling van het steekproefpercentage en steekproefgrootte per stratum |
||||||||
|
|
|
||||||||
|
5. |
Methode voor de keuze van de bedrijven met boekhouding |
||||||||
|
|
|
||||||||
|
6. |
Wordt een actualisering van dit keuzeplan verwacht? Om welke reden? |
||||||||
|
7. |
Niet in de voorgaande punten verstrekte verdere informatie |
||||||||
|
8. |
Het Nationaal Comité heeft het keuzeplan goedgekeurd op |
2. KEUZEPLANTABELLEN
Bijzonderheden over de referentiepopulatie en over de steekproef voor het desbetreffende rapportagejaar worden verstrekt op basis van de modellen van de volgende tabellen, die integrerend deel uitmaken van de keuzeplandocumentatie. Tabel 4 wordt als een afzonderlijk bestand in het door de Commissie vastgestelde formaat ingediend.
Tabel 1
Clustervoorschriften voor de voor het IDL van de Unie gekozen steekproef van bedrijven
|
Structuur tabel |
|
|
Nummer kolom |
Beschrijving kolom |
|
1 |
IDL-streekcode (gebruik referentienummers overeenkomstig bijlage II) |
|
2 |
Clusters van productierichtingen (gebruik nummers die productierichtingen overeenkomstig bijlage IV aanduiden) |
|
3 |
Clusters van klassen van economische bedrijfsomvang (gebruik nummers die klassen van economische bedrijfsomvang overeenkomstig bijlage V aanduiden) |
Tabel 2
Dekking van de steekproef
|
Structuur tabel |
|
|
Nummer kolom |
Beschrijving kolom |
|
1 |
Klassen van economische bedrijfsomvang (overeenkomstig bijlage V) |
|
2 |
Ondergrenzen van de klassen van economische bedrijfsomvang (in EUR) |
|
3 |
Bovengrenzen van de klassen van economische bedrijfsomvang (in EUR) |
|
4 |
Aantal in de populatie vertegenwoordigde bedrijven |
|
5 |
Invers cumulatief percentage van het aantal in de populatie vertegenwoordigde bedrijven |
|
6 |
In de populatie vertegenwoordigde oppervlakte cultuurgrond (ha) |
|
7 |
Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde oppervlakte cultuurgrond |
|
8 |
In de populatie vertegenwoordigde totale standaardopbrengst |
|
9 |
Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde totale standaardopbrengst |
|
10 |
Aantal in de populatie vertegenwoordigde grootvee-eenheden |
|
11 |
Invers cumulatief percentage van het aantal vertegenwoordigde grootvee-eenheden |
|
12 |
Aantal in de populatie vertegenwoordigde arbeidsjaareenheden (AJE) |
|
13 |
Invers cumulatief percentage van de vertegenwoordigde AJE |
Tabel 3
Verdeling van bedrijven in de populatie
|
Structuur tabel |
|
|
Nummer kolom |
Beschrijving kolom |
|
1 |
Code — hoofdproductierichting (overeenkomstig bijlage IV) |
|
2 |
Omschrijving — hoofdproductierichting |
|
3 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 1 (klassen overeenkomstig bijlage V) |
|
4 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 2 |
|
5 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 3 |
|
6 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 4 |
|
7 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 5 |
|
8 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 6 |
|
9 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 7 |
|
10 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 8 |
|
11 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 9 |
|
12 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 10 |
|
13 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 11 |
|
14 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 12 |
|
15 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 13 |
|
16 |
Klasse van economische bedrijfsomvang — 14 |
|
17 |
Totaal aantal bedrijven in de populatie in de betreffende hoofdproductierichting |
Tabel 4
Machineleesbaar keuzeplan
|
Structuur tabel |
|
|
Nummer kolom |
Beschrijving kolom |
|
1 |
Rapportagejaar |
|
2 |
Lidstaatcode zoals gedefinieerd door het systeem voor gegevensverstrekking |
|
3 |
IDL-streekcode (referentienummers zoals vastgesteld in bijlage II) |
|
4 |
Clusters van productierichtingen (nummers voor productierichtingen zoals vastgesteld in bijlage IV) |
|
5 |
Clusters van klassen van economische bedrijfsomvang (nummers voor klassen zoals vastgesteld in bijlage V) |
|
6 |
Te kiezen aantal bedrijven |
|
7 |
Aantal bedrijven in de populatie |
BIJLAGE IV
Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen en de overeenstemming ervan met algemene en hoofdproductierichtingen als bedoeld in artikel 4
De volgende definities zijn van toepassing:
|
(a) |
standaardopbrengst (SO) [EN: “Standard output” (SO)]: de standaardwaarde van de brutoproductie. De SO wordt gebruikt voor de indeling van landbouwbedrijven overeenkomstig de typologie van de Unie voor landbouwbedrijven (waarin de productierichting wordt bepaald op basis van de hoofdproductie) en voor de bepaling van de economische omvang van landbouwbedrijven. |
|
(b) |
standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC) [EN: “Standard output coefficient” (SOC)]: de gemiddelde geldwaarde van de brutoproductie van elke landbouwvariabele als bedoeld in artikel 6, lid 1, die overeenstemt met de gemiddelde situatie in een bepaalde regio, per productie-eenheid. SOC’s worden berekend tegen de prijs af boerderij, in EUR per hectare gewas of in EUR per stuk vee (uitzonderingen zijn paddenstoelen (in EUR per 100 m2), pluimvee (in EUR per honderd stuks) en bijen (in EUR per volk)). Btw, belastingen en subsidies zijn niet inbegrepen in de prijs af boerderij. SOC’s worden ten minste telkens geactualiseerd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden. |
|
(c) |
totale SO van een bedrijf: de som van de afzonderlijke productie-eenheden van een specifiek bedrijf, die telkens worden vermenigvuldigd met de desbetreffende SOC. |
1. GESPECIALISEERDE BIJZONDERE PRODUCTIERICHTINGEN
Aan de bepaling van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen liggen twee uitgangspunten ten grondslag, namelijk:
|
(a) |
de aard van de betrokken variabelen. De variabelen zijn ontleend aan de relevante lijst van variabelen waarvoor in het kader van de IFS-enquête gegevens worden verzameld: zij worden aangeduid met de code die is vermeld in de overeenstemmingstabel in deel 2.1 van deze bijlage, of met een code waaronder een aantal van die variabelen is gegroepeerd, voor welke codes wordt verwezen naar deel 2.2 van deze bijlage (1); |
|
(b) |
de voorwaarden voor de bepaling van de klassengrenzen. Tenzij anders vermeld, worden deze voorwaarden aangegeven als breuken van de totale SO van het bedrijf. |
Het bedrijf mag alleen onder de desbetreffende gespecialiseerde bijzondere productierichting worden ingedeeld als aan alle voor de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen aangegeven voorwaarden cumulatief is voldaan.
Gespecialiseerde bedrijven — gewassen
|
Productierichting (PR) (omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage) |
Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1) |
||||||||
|
Algemeen |
Omschrijving |
Hoofd-PR |
Omschrijving |
Bijzondere specialisatie |
Omschrijving (S1) |
Omschrijving van de berekening (D1) |
Code van de variabelen en voorwaarden (zie deel B van deze bijlage) |
||
|
Voorwaarde 1 (C1) |
Voorwaarde 2 (C2) |
Voorwaarde 3 (C3) |
|||||||
|
1 |
Gespecialiseerde akkerbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
15 |
Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
151 |
Bedrijven gespecialiseerd in de teelt van granen (andere dan rijst), oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen |
Granen, uitgezonderd rijst, oliehoudende zaden, drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3 |
P151 + P16 + SO_CLND014 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
152 |
Gespecialiseerde rijstbedrijven |
Rijst > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3 |
SO_CLND013 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
153 |
Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en rijst |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 151 en 152 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 > 2/3 |
|
|
|
|
16 |
Andere akkerbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
161 |
Gespecialiseerde hakvruchtenbedrijven |
Aardappelen, suikerbieten en andere hakvruchten, niet elders genoemd (n.e.g.) > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
P17 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
162 |
Bedrijven met gecombineerde teelt van granen, oliehoudende zaden, eiwithoudende gewassen en hakvruchten |
Granen, oliehoudende zaden en drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning > 1/3 EN hakvruchten > 1/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 > 1/3 EN P17 > 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
163 |
Gespecialiseerde akkerbouwgroentebedrijven |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — akkerbouwmatig geteeld > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
SO_CLND045 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
164 |
Gespecialiseerde tabakbedrijven |
Tabak > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
SO_CLND032 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
165 |
Gespecialiseerde katoenbedrijven |
Katoen > 2/3 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
SO_CLND030 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
166 |
Bedrijven met diverse combinaties van akkerbouwgewassen |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 161, 162, 163, 164 en 165 |
P1 > 2/3 |
P15 + P16 + SO_CLND014 ≤ 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2 |
Gespecialiseerde tuinbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
21 |
Gespecialiseerde glastuinbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
211 |
Gespecialiseerde glasgroentebedrijven |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3 |
SO_CLND081 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
212 |
Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten onder glas |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3 |
SO_CLND082 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
213 |
Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw onder glas |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 211 en 212 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND081 + SO_CLND082 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
22 |
Gespecialiseerde opengrondstuinbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
221 |
Gespecialiseerde opengrondsgroentebedrijven |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — tuinbouwmatig geteeld > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3 |
SO_CLND044 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
222 |
Gespecialiseerde bedrijven bloemen en sierplanten in de open grond |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3 |
SO_CLND046 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
223 |
Gespecialiseerde bedrijven gemengde tuinbouw in de open grond |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 221 en 222 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 > 2/3 |
|
|
|
|
23 |
Andere tuinbouwbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
231 |
Gespecialiseerde paddenstoelbedrijven |
Paddenstoelen > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3 |
SO_CLND079 > 2/3 |
|
|
|
|
|
232 |
Gespecialiseerde boomkwekerijbedrijven |
Boomkwekerijgewassen > 2/3 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3 |
SO_CLND070 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
233 |
Bedrijven met diverse tuinbouwteelten |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 231 en 232 |
P2 > 2/3 |
SO_CLND044 + SO_CLND046 ≤ 2/3 EN SO_CLND081 + SO_CLND082 ≤ 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3 |
Gespecialiseerde bedrijven blijvende teelten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
35 |
Gespecialiseerde bedrijven wijnbouw en druiventeelt |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
351 |
Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — kwaliteitswijn |
Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) en druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA) > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND062> 2/3 |
SO_CLND064 + SO_CLND065 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
352 |
Gespecialiseerde wijnbouwbedrijven — andere wijn dan kwaliteitswijn |
Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA) > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND062> 2/3 |
SO_CLND066 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
353 |
Gespecialiseerde bedrijven tafeldruiven |
Tafeldruiven > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND062> 2/3 |
SO_CLND067 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
354 |
Andere bedrijven wijnbouw en druiventeelt |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351, 352 en 353 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND062> 2/3 |
|
|
|
|
36 |
Gespecialiseerde fruit- en citrusteeltbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
361 |
Gespecialiseerde fruitteeltbedrijven (andere vruchten dan citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten) |
Fruit van gematigde breedten en kleinfruit (uitgezonderd aardbeien) > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3 |
SO_CLND056_57 + SO_CLND059 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
362 |
Gespecialiseerde citrusteeltbedrijven |
Citrusfruit > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND055+ SO_CLND061> 2/3 |
SO_CLND061> 2/3 |
|
|
|
|
|
363 |
Gespecialiseerde notenteeltbedrijven |
Noten > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3 |
SO_CLND060 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
364 |
Gespecialiseerde bedrijven tropisch en subtropisch fruit |
Fruit van subtropische en tropische breedten > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3 |
SO_CLND058 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
365 |
Gespecialiseerde bedrijven fruit, citrusfruit, tropisch en subtropisch fruit en noten: gemengde productie |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 361, 362, 363 en 364 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND055 + SO_CLND061> 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
37 |
Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
370 |
Gespecialiseerde olijventeeltbedrijven |
Olijfboomgaarden > 2/3 |
P3 > 2/3 |
SO_CLND069 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
38 |
Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
380 |
Bedrijven met diverse combinaties van blijvende teelten |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 351 tot en met 370 |
P3 > 2/3 |
|
|
|
Gespecialiseerde bedrijven — veeteelt
|
Productierichting (PR) (omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage) |
Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1) |
||||||||
|
Algemeen |
Omschrijving |
Hoofd-PR |
Omschrijving |
Bijzondere specialisatie |
Omschrijving (S1) |
Omschrijving van de berekening (D1) |
Code van de variabelen en voorwaarden (zie deel B van deze bijlage) |
||
|
Voorwaarde 1 (C1) |
Voorwaarde 2 (C2) |
Voorwaarde 3 (C3) |
|||||||
|
4 |
Gespecialiseerde graasdierbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
45 |
Gespecialiseerde melkveebedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
450 |
Gespecialiseerde melkveebedrijven |
Melkkoeien > 3/4 van alle graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen |
P4 > 2/3 |
SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 3/4 GL EN GL > 1/10 P4 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
46 |
In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
460 |
In jong- en vleesvee gespecialiseerde rundveebedrijven |
Alle runderen (d.w.z. runderen jonger dan een jaar, runderen van één tot twee jaar oud en runderen van twee jaar en ouder (mannelijke dieren, vaarzen, melkkoeien, andere koeien en buffelkoeien)) > 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien ≤ 1/10 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen |
P4 > 2/3 |
P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 ≤ 1/10 GL EN GL > 1/10 P4 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
47 |
Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
470 |
Rundveebedrijven: melk-, jong- en mestvee gecombineerd |
Alle runderen > 2/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/10 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 450 |
P4 > 2/3 |
P46 > 2/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/10 GL EN GL > 1/10 P4; uitgezonderd klasse 450 |
|
|
|
|
48 |
Graasdierbedrijven: schapen, geiten en andere graasdieren |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
481 |
Gespecialiseerde schapenbedrijven |
Schapen > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen |
P4 > 2/3 |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470 |
SO_CLVS012 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
482 |
Bedrijven met schapen en rundvee gecombineerd |
Alle runderen > 1/3 van de graasdieren EN schapen > 1/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen |
P4 > 2/3 |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470 |
P46 > 1/3 GL EN SO_CLVS012 > 1/3 GL EN GL > 1/10 P4 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
483 |
Gespecialiseerde geitenbedrijven |
Geiten > 2/3 van de graasdieren EN graasdieren > 1/10 van de graasdieren en voedergewassen |
P4 > 2/3 |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470 |
SO_CLVS015 > 2/3 GL EN GL > 1/10 P4 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
484 |
Bedrijven met diverse graasdieren |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 481, 482 en 483 |
P4 > 2/3 |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 450, 460 en 470 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
5 |
Gespecialiseerde hokdierbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
51 |
Gespecialiseerde varkensbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
511 |
Gespecialiseerde fokvarkensbedrijven |
Fokzeugen > 2/3 |
P5 > 2/3 |
P51 > 2/3 |
SO_CLVS019 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
512 |
Gespecialiseerde vleesvarkensbedrijven |
Biggen en andere varkens > 2/3 |
P5 > 2/3 |
P51 > 2/3 |
SO_CLVS018 + SO_CLVS020 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
513 |
Bedrijven met fok- en vleesvarkens gecombineerd |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 en 512 |
P5 > 2/3 |
P51 > 2/3 |
|
|
|
|
52 |
Gespecialiseerde pluimveebedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
521 |
Gespecialiseerde legkippenbedrijven |
Legkippen > 2/3 |
P5 > 2/3 |
P52 > 2/3 |
SO_CLVS022 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
522 |
Gespecialiseerde slachtpluimveebedrijven |
Mesthoenders en ander pluimvee > 2/3 |
P5 > 2/3 |
P52 > 2/3 |
SO_CLVS021 + SO_CLVS023 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
523 |
Bedrijven met combinaties van legkippen en slachtpluimvee |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 521 en 522 |
P5 > 2/3 |
P52 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
53 |
Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
530 |
Andere gespecialiseerde hokdierbedrijven |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd die van de klassen 511 tot en met 523 |
P5 > 2/3 |
|
|
|
Gemengde bedrijven
|
Productierichting (PR) (omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage) |
Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1) |
||||||||
|
Algemeen |
Omschrijving |
Hoofd-PR |
Omschrijving |
Bijzondere specialisatie |
Omschrijving (S1) |
Omschrijving van de berekening (D1) |
Code van de variabelen en voorwaarden (zie deel B van deze bijlage) |
||
|
Voorwaarde 1 (C1) |
Voorwaarde 2 (C2) |
Voorwaarde 3 (C3) |
|||||||
|
6 |
Bedrijven met combinaties van gewassen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
61 |
Bedrijven met combinaties van gewassen |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
611 |
Bedrijven met combinaties van tuinbouw en blijvende teelten |
Tuinbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
P2 > 1/3 EN P3 > 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
612 |
Bedrijven met combinaties van akker- en tuinbouw |
Akkerbouw > 1/3 EN tuinbouw > 1/3 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
P1 > 1/3 EN P2 > 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
613 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw en wijnbouw/druiventeelt |
Akkerbouw > 1/3 EN wijngaarden > 1/3 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
P1 > 1/3 EN SO_CLND062> 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
614 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw en blijvende teelten |
Akkerbouw > 1/3 EN meerjarige teelten > 1/3 EN wijngaarden ≤ 1/3 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
P1 > 1/3 EN P3 > 1/3 EN SO_CLND062 ≤ 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
615 |
Bedrijven met combinaties van gewassen (accent op akkerbouw) |
Akkerbouw > 1/3 EN geen enkele andere productietak > 1/3 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
P1 > 1/3 EN P2 ≤ 1/3 EN P3 ≤ 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
616 |
Andere bedrijven met combinaties van gewassen |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 611, 612, 613, 614 en 615 |
(P1 + P2 + P3) > 2/3 EN P1 ≤ 2/3 EN P2 ≤ 2/3 EN P3 ≤ 2/3 |
|
|
|
|
7 |
Bedrijven met combinaties van veeteelt |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
73 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
731 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op melkvee |
Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee |
P4 + P5 > 2/3 AND P4 ≤ 2/3; P5 ≤ 2/3 |
P4 > P5 |
P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
732 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op graasdieren andere dan melkvee |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 731 |
P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3 |
P4 > P5 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
74 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties, accent op hokdieren |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
741 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en melkvee |
Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN hokdieren > 1/3 EN melkkoeien > 1/2 van het melkvee |
P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3 |
P4 ≤ P5 |
P45 > 1/3 GL EN P5 > 1/3 EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
742 |
Bedrijven met veeteeltcombinaties: hokdieren en graasdieren andere dan melkvee |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van klasse 741 |
P4 + P5 > 2/3 EN P4 ≤ 2/3 EN P5 ≤ 2/3 |
P4 ≤ P5 |
|
|
|
8 |
Bedrijven met combinaties van gewassen en veeteelt |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
83 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw en graasdieren |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
831 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw met melkvee |
Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee < akkerbouw |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
P1> 1/3 EN P4 > 1/3 |
P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 < P1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
832 |
Bedrijven met combinaties van melkvee met akkerbouw |
Melkvee > 1/3 van de graasdieren EN melkkoeien + buffelkoeien > 1/2 van het melkvee EN melkvee ≥ akkerbouw |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
P1> 1/3 EN P4 > 1/3 |
P45 > 1/3 GL EN SO_CLVS009 + SO_CLVS011 > 1/2 P45 EN P45 ≥ P1 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
833 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw met graasdieren andere dan melkvee |
Akkerbouw > graasdieren en voedergewassen; uitgezonderd de bedrijven van klasse 831 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
P1> 1/3 EN P4 > 1/3 |
P1 > P4; uitgezonderd klasse 831 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
834 |
Bedrijven met combinaties van graasdieren andere dan melkvee met akkerbouw |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832 en 833 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
P1> 1/3 EN P4 > 1/3 |
|
|
|
|
84 |
Bedrijven met diverse gewassen- en veeteeltcombinaties |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
841 |
Bedrijven met combinaties van akkerbouw en hokdieren |
Akkerbouw > 1/3 EN hokdieren > 1/3 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834 |
P1> 1/3 EN P5 > 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
842 |
Bedrijven met combinaties van blijvende teelten en graasdieren |
Meerjarige teelten > 1/3 EN graasdieren en voedergewassen > 1/3 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834 |
P3 > 1/3 EN P4 > 1/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
843 |
Bijenteeltbedrijven |
Bijen > 2/3 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834 |
SO_CLVS030 > 2/3 |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
844 |
Bedrijven met andere gewassen- en veeteeltcombinaties |
Bedrijven die aan de voorwaarden C1 en C2 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 841, 842 en 843 |
Bedrijven die niet in de klassen 151-742 of 999 vallen |
Bedrijven die aan voorwaarde C1 voldoen, uitgezonderd de bedrijven van de klassen 831, 832, 833 en 834 |
|
|
Niet-geclassificeerde bedrijven
|
Productierichting (PR) (omwille van de leesbaarheid zijn de eerste zes kolommen van deze rubriek opnieuw opgevoerd in deel C van deze bijlage) |
Methode voor de berekening van de gespecialiseerde bijzondere productierichtingen INDIEN (C1) EN (C2) EN (C3), DAN (S1) |
||||||||
|
Algemeen |
Omschrijving |
Hoofd-PR |
Omschrijving |
Bijzondere specialisatie |
Omschrijving (S1) |
Omschrijving van de berekening |
Code van de variabelen en voorwaarden (zie deel B van deze bijlage) |
||
|
Voorwaarde 1 (C1) |
Voorwaarde 2 (C2) |
Voorwaarde 3 (C3) |
|||||||
|
9 |
Niet-geclassificeerde bedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
99 |
Niet-geclassificeerde bedrijven |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
999 |
Niet-geclassificeerde bedrijven |
Totale SO = 0 |
|
|
|
|
2. OVEREENSTEMMINGSTABEL EN GROEPERINGSCODES
2.1. Vergelijking tussen de rubrieken van de enquête 2020 van de variabelen met betrekking tot structurele kerngegevens in bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1091, de rubrieken van de voor te verzamelen SOC’s en het bedrijfsformulier van het IDL
|
Voor de toepassing van de SOC’s gelijk te stellen rubrieken |
||||||||||
|
IFS-code |
IFS-rubriek |
SOC-code |
SOC-rubriek |
IDL-bedrijfsformulier (bijlage VIII bij deze verordening) |
||||||
|
||||||||||
|
CLND004 |
Zachte tarwe en spelt |
SOC_CLND004 |
Zachte tarwe en spelt |
|
||||||
|
CLND005 |
Harde tarwe (durum) |
SOC_CLND005 |
Harde tarwe (durum) |
|
||||||
|
CLND006 |
Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren) |
SOC_CLND006 |
Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren) |
|
||||||
|
CLND007 |
Gerst |
SOC_CLND007 |
Gerst |
|
||||||
|
CLND008 |
Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren) |
SOC_CLND008 |
Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren) |
|
||||||
|
CLND009 |
Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel |
SOC_CLND009 |
Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel |
|
||||||
|
CLND010 |
Triticale |
SOC_CLND010_011_012 |
Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.) |
|
||||||
|
CLND011 |
Kafferkoren |
|||||||||
|
CLND012 |
Andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.) |
|||||||||
|
CLND013 |
Rijst |
SOC_CLND013 |
Rijst |
|
||||||
|
CLND014 |
Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten) |
SOC_CLND014 |
Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten) |
|
||||||
|
CLND015 |
Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen |
SOC_CLND015 |
Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen |
|
||||||
|
CLND017 |
Aardappelen (inclusief pootaardappelen) |
SOC_CLND017 |
Aardappelen (inclusief pootaardappelen) |
|
||||||
|
CLND018 |
Suikerbieten (exclusief zaaizaad) |
SOC_CLND018 |
Suikerbieten (exclusief zaaizaad) |
|
||||||
|
CLND019 |
Andere hakvruchten, niet elders genoemd |
SOC_CLND019 |
Andere hakvruchten, niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND022 |
Kool- en raapzaad |
SOC_CLND022 |
Kool- en raapzaad |
|
||||||
|
CLND023 |
Zonnebloemzaad |
SOC_CLND023 |
Zonnebloemzaad |
|
||||||
|
CLND024 |
Sojabonen |
SOC_CLND024 |
Sojabonen |
|
||||||
|
CLND025 |
Lijnzaad |
SOC_CLND025 |
Lijnzaad |
|
||||||
|
CLND026 |
Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd |
SOC_CLND026 |
Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND028 |
Vezelvlas |
SOC_CLND028 |
Vezelvlas |
|
||||||
|
CLND029 |
Hennep |
SOC_CLND029 |
Hennep |
|
||||||
|
CLND030 |
Katoen |
SOC_CLND030 |
Katoen |
|
||||||
|
CLND031 |
Andere vezelgewassen, niet elders genoemd |
SOC_CLND031 |
Andere vezelgewassen, niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND032 |
Tabak |
SOC_CLND032 |
Tabak |
|
||||||
|
CLND033 |
Hop |
SOC_CLND033 |
Hop |
|
||||||
|
CLND034 |
Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen |
SOC_CLND034 |
Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen |
|
||||||
|
CLND035 |
Energiegewassen, niet elders genoemd |
SOC_CLND035_036 |
Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND036 |
Andere handelsgewassen, niet elders genoemd |
|
||||||||
|
CLND037 |
Groen geoogste akkerbouwgewassen |
SOC_CLND037 |
Groen geoogste akkerbouwgewassen |
|
||||||
|
CLND038 |
Tijdelijk grasland |
SOC_CLND038 |
Tijdelijk grasland |
|
||||||
|
CLND039 |
Groen geoogste peulgewassen |
SOC_CLND039 |
Groen geoogste peulgewassen |
|
||||||
|
CLND040 |
Voedermaïs |
SOC_CLND040 |
Voedermaïs |
|
||||||
|
CLND041 |
Andere groen geoogste granen (exclusief snijmaïs) |
SOC_CLND041_042 |
Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen (exclusief maïs), niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND042 |
Andere groen geoogste akkerbouwgewassen, niet elders genoemd |
|||||||||
|
CLND043 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien |
SOC_CLND043 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien — in de openlucht |
|
||||||
|
CLND044 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld) |
SOC_CLND044 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld) |
|
||||||
|
CLND045 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld) |
SOC_CLND045 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld) |
|
||||||
|
CLND046 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) |
SOC_CLND046 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht |
|
||||||
|
CLND047 |
Zaai- en plantgoed |
SOC_CLND047 |
Zaai- en plantgoed |
|
||||||
|
CLND048 |
Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd |
SOC_CLND048_083 |
Andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
|
||||||
|
CLND083 |
Andere gewassen op bouwland onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
|||||||||
|
CLND049 |
Braakland |
SOC_CLND049 |
Braakland |
|
||||||
|
CLND050 |
Blijvend grasland |
SOC_CLND050 |
Blijvend grasland |
|
||||||
|
CLND051 |
Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst |
SOC_CLND051 |
Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst |
|
||||||
|
CLND052 |
Weiden met geringe opbrengst |
SOC_CLND052 |
Weiden met geringe opbrengst |
|
||||||
|
CLND053 |
Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt |
SOC_CLND053 |
Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt |
|
||||||
|
CLND055 |
Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien) |
SOC_CLND055 |
Fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien) |
|
||||||
|
|
|
SOC_CLND056_057 |
Fruit van gematigde breedten |
|
||||||
|
CLND056 |
Pitvruchten |
SOC_CLND056 |
Pitvruchten |
|
||||||
|
CLND057 |
Steenvruchten |
SOC_CLND057 |
Steenvruchten |
|
||||||
|
CLND058 |
Fruit van subtropische en tropische breedten |
SOC_CLND058 |
Fruit van subtropische en tropische breedten |
|
||||||
|
CLND059 |
Kleinfruit (exclusief aardbeien) |
SOC_CLND059 |
Kleinfruit (exclusief aardbeien) |
|
||||||
|
CLND060 |
Noten |
SOC_CLND060 |
Noten |
|
||||||
|
CLND061 |
Citrusvruchten |
SOC_CLND061 |
Citrusvruchten |
|
||||||
|
CLND062 |
Druiven |
SOC_CLND062 |
Druiven |
|
||||||
|
CLND063 |
Druiven voor de productie van wijn |
SOC_CLND063 |
Druiven voor de productie van wijn |
|
||||||
|
CLND064 |
Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) |
SOC_CLND064 |
Druiven voor de productie van wijn met een beschermde oorsprongsbenaming (BOB) |
|
||||||
|
||||||||||
|
CLND065 |
Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA) |
SOC_CLND065 |
Druiven voor de productie van wijn met een beschermde geografische aanduiding (BGA) |
|
||||||
|
||||||||||
|
CLND066 |
Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA) |
SOC_CLND066 |
Druiven voor de productie van andere wijn, niet elders genoemd (exclusief BOB/BGA) |
|
||||||
|
||||||||||
|
CLND067 |
Tafeldruiven |
SOC_CLND067 |
Tafeldruiven |
|
||||||
|
CLND068 |
Druiven voor de productie van rozijnen |
SOC_CLND068 |
Druiven voor de productie van rozijnen |
|
||||||
|
CLND069 |
Olijven |
SOC_CLND069 |
Olijven |
|
||||||
|
|
|
SOC_CLND069A |
waar gewoonlijk tafelolijven worden geproduceerd |
|
||||||
|
|
|
SOC_CLND069B |
waar gewoonlijk olijven voor de oliewinning worden geproduceerd |
|
||||||
|
|
|
|
||||||||
|
CLND070 |
Boomkwekerijgewassen |
SOC_CLND070 |
Boomkwekerijgewassen |
|
||||||
|
CLND071 |
Andere meerjarige teelten met inbegrip van andere meerjarige teelten voor menselijke consumptie |
SOC_CLND071 |
Andere meerjarige teelten |
|
||||||
|
CLND072 |
Kerstbomen |
SOC_CLND072 |
Kerstbomen |
|
||||||
|
CLND073 |
Tuinen voor eigen gebruik |
SOC_CLND073_085 |
Tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd |
|
||||||
|
CLND085 |
Andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd |
|||||||||
|
CLND079 |
Gekweekte paddenstoelen |
SOC_CLND079 |
Gekweekte paddenstoelen |
|
||||||
|
CLND081 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
SOC_CLND081 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
|
||||||
|
CLND082 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
SOC_CLND082 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
|
||||||
|
CLND084 |
Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
SOC_CLND084 |
Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
|
||||||
|
||||||||||
|
CLVS001 |
Runderen jonger dan een jaar |
SOC_CLVS001 |
Runderen jonger dan een jaar |
|
||||||
|
CLVS003 |
Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud |
SOC_CLVS003 |
Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud |
|
||||||
|
CLVS004 |
Vaarzen tussen een en twee jaar oud |
SOC_CLVS004 |
Vaarzen tussen een en twee jaar oud |
|
||||||
|
CLVS005 |
Mannelijke runderen van twee jaar en ouder |
SOC_CLVS005 |
Mannelijke runderen van twee jaar en ouder |
|
||||||
|
CLVS007 |
Vaarzen van twee jaar en ouder |
SOC_CLVS007 |
Vaarzen van twee jaar en ouder |
|
||||||
|
||||||||||
|
CLVS008 |
Koeien |
SOC_CLVS008 |
Koeien |
|
||||||
|
CLVS009 |
Melkkoeien |
SOC_CLVS009 |
Melkkoeien |
|
||||||
|
CLVS010 |
Andere koeien |
SOC_CLVS010 |
Andere koeien |
|
||||||
|
CLVS011 |
Buffelkoeien |
SOC_CLVS011 |
Buffelkoeien |
|
||||||
|
CLVS012 |
Schapen (alle leeftijden) |
SOC_CLVS012 |
Schapen (alle leeftijden) |
|
||||||
|
CLVS013 |
Vrouwelijke schapen voor de voortplanting |
SOC_CLVS013 |
Vrouwelijke schapen voor de voortplanting |
|
||||||
|
CLVS014 |
Andere schapen |
SOC_CLVS014 |
Andere schapen |
|
||||||
|
CLVS015 |
Geiten (alle leeftijden) |
SOC_CLVS015 |
Geiten (alle leeftijden) |
|
||||||
|
CLVS016 |
Vrouwelijke geiten voor de voortplanting |
SOC_CLVS016 |
Vrouwelijke geiten voor de voortplanting |
|
||||||
|
CLVS017 |
Andere geiten |
SOC_CLVS017 |
Andere geiten |
|
||||||
|
CLVS018 |
Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg |
SOC_CLVS018 |
Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg |
|
||||||
|
CLVS019 |
Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer |
SOC_CLVS019 |
Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer |
|
||||||
|
CLVS020 |
Andere varkens |
SOC_CLVS020 |
Andere varkens |
|
||||||
|
|
|
|||||||||
|
CLVS021 |
Mesthoenders |
SOC_CLVS021 |
Mesthoenders |
|
||||||
|
CLVS022 |
Legkippen |
SOC_CLVS022 |
Legkippen |
|
||||||
|
CLVS023 |
Ander pluimvee |
SOC_CLVS023 |
Ander pluimvee |
|
||||||
|
CLVS029 |
Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting |
SOC_CLVS029 |
Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting |
|
||||||
|
CLVS030 |
Bijen |
SOC_CLVS030 |
Bijen |
|
||||||
2.2. II. Codes waaronder diverse variabelen van de IFS 2020 worden gegroepeerd:
|
P45. |
Melkvee = SO_CLVS001 (runderen jonger dan een jaar) + SO_CLVS004 (vaarzen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS007 (vaarzen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS009 (melkkoeien) + SO_CLVS011 (buffelkoeien) |
|
P46. |
Runderen = P45 (melkvee) + SO_CLVS003 (mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud) + SO_CLVS005 (mannelijke runderen van twee jaar en ouder) + SO_CLVS010 (andere koeien) |
|
GL |
Graasdieren = P46 (runderen) + SO_CLVS013 (vrouwelijke schapen voor de voortplanting) + SO_CLVS014 (andere schapen) + SO_CLVS016 (vrouwelijke geiten voor de voortplanting) + SO_CLVS017 (andere geiten) |
Indien GL = 0, DAN
|
FCP1 |
Voor verkoop bestemde voedergewassen = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst) |
|
EN |
|
|
FCP4 |
Voedergewassen voor graasdieren = 0 |
|
EN |
|
|
P17 |
Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) |
Indien GL > 0, DAN
|
FCP1 |
Voor verkoop bestemde voedergewassen = 0 |
|
EN |
|
|
FCP4 |
Voedergewassen voor graasdieren = SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd) + SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen) + SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst) + SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst) |
|
EN |
|
|
P17 |
Hakvruchten = SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) |
|
P151. |
|
Granen, uitgezonderd rijst = SO_CLND004 (zachte tarwe en spelt) + SO_CLND005 (harde tarwe (durum)) + SO_CLND006 (rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren)) + SO_CLND007 (gerst) + SO_CLND008 (mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren)) + SO_CLND009 (korrelmaïs en zaad-spil-mengsel) + SO_CLND010_011_012 (triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.)) |
|
P15. |
|
Granen = P151 (granen, uitgezonderd rijst) + SO_CLND013 (rijst) |
|
P16. |
|
Oliehoudende zaden = SO_CLND022 (kool- en raapzaad) + SO_CLND023 (zonnebloemzaad) + SO_CLND024 (sojabonen) + SO_CLND025 (lijnzaad) + SO_CLND026 (andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd) |
|
P51. |
|
Varkens = SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) + SO_CLVS019 (fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer) + SO_CLVS020 (andere varkens) |
|
P52. |
|
Pluimvee = SO_CLVS021 (mesthoenders) + SO_CLVS022 (legkippen) + SO_CLVS023 (ander pluimvee) |
|
P1. |
|
Akkerbouw = P15 (granen) + SO_CLND014 (drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)) + SO_CLND017 (aardappelen (inclusief pootaardappelen)) + SO_CLND018 (suikerbieten (exclusief zaaizaad)) + SO_CLND032 (tabak) + SO_CLND033 (hop) + SO_CLND030 (katoen) + P16 (oliehoudende zaden) + SO_CLND028 (vezelvlas) + SO_CLND029 (hennep) + SO_CLND031 (andere vezelgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND034 (aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen) + SO_CLND035_036 (energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd) + SO_CLND045 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld)) + SO_CLND047 (zaai- en plantgoed) + SO_CLND048_083 (andere gewassen op bouwland, niet elders genoemd, inclusief onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND049 (braakland) + FCP1 (voor verkoop bestemde voedergewassen) |
|
P2. |
|
Tuinbouw = SO_CLND044 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld)) + SO_CLND081 (verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND046 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)) + SO_CLND082 (bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking) + SO_CLND079 (gekweekte paddenstoelen) + SO_CLND070 (boomkwekerijgewassen) |
|
P3. |
|
Meerjarige teelten = SO_CLND055 (fruit, kleinfruit en noten (exclusief citrusvruchten, druiven en aardbeien)) + SO_CLND061 (citrusvruchten) + SO_CLND069 (olijven) + SO_CLND062 (druiven) + SO_CLND071 (andere meerjarige teelten) + SO_CLND084 (meerjarige teelten onder glas) |
|
P4. |
|
Graasdieren en voedergewassen = GL (graasdieren) + FCP4 (voedergewassen voor graasdieren) |
|
P5. |
|
Hokdieren = P51 (varkens) + P52 (pluimvee) + SO_CLVS029 (vrouwelijke konijnen voor de voortplanting) |
3. PRODUCTIERICHTINGEN ALS GENOEMD IN DEEL 1
Gespecialiseerde bedrijven — gewassen
|
Algemene productierichting |
Hoofdproductierichting |
Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen |
||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||
|
|
|
|
Gespecialiseerde bedrijven — veeteelt
|
Algemene productierichting |
Hoofdproductierichting |
Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen |
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
||||||||||
|
|
|
|
Gemengde bedrijven
|
Algemene productierichting |
Hoofdproductierichting |
Gespecialiseerde bijzondere productierichtingen |
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
(1) De variabelen SO_CLND019 (andere hakvruchten, niet elders genoemd), SO_CLND037 (groen geoogste akkerbouwgewassen), SO_CLND049 (braakland), SO_CLND073_085 (tuinen voor eigen gebruik en andere OCG onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking, niet elders genoemd), SO_CLND051 (grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst), SO_CLND052 (weiden met geringe opbrengst), SO_CLND053 (blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt), SO_CLVS001 (mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar), SO_CLVS014 (andere schapen), SO_CLVS017 (andere geiten) en SO_CLVS018 (biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg) worden slechts onder bepaalde voorwaarden gebruikt (zie punt 5 van bijlage VI).
BIJLAGE V
Economische bedrijfsomvang en klassen van economische bedrijfsomvang als bedoeld in artikel 5
1. ECONOMISCHE BEDRIJFSOMVANG
De economische bedrijfsomvang wordt gemeten als de totale standaardopbrengst van het bedrijf, uitgedrukt in EUR.
2. KLASSEN VAN ECONOMISCHE BEDRIJFSOMVANG
De bedrijven worden ingedeeld in grootteklassen met de volgende grenzen:
|
Klassen |
Grenzen in EUR |
|
I |
minder dan 2 000 |
|
II |
van 2 000 tot en met 3 999 |
|
III |
van 4 000 tot en met 7 999 |
|
IV |
van 8 000 tot en met 14 999 |
|
V |
van 15 000 tot en met 24 999 |
|
VI |
van 25 000 tot en met 49 999 |
|
VII |
van 50 000 tot en met 99 999 |
|
VIII |
van 100 000 tot en met 249 999 |
|
IX |
van 250 000 tot en met 499 999 |
|
X |
van 500 000 tot en met 749 999 |
|
XI |
van 750 000 tot en met 999 999 |
|
XII |
van 1 000 000 tot en met 1 499 999 |
|
XIII |
van 1 500 000 tot en met 2 999 999 |
|
XIV |
3 000 000 en meer |
De grootteklassen II en III, III en IV, IV en V, III tot en met V, VI en VII, VIII en IX, X en XI, XII tot en met XIV of X tot en met XIV mogen worden samengevoegd.
BIJLAGE VI
Standaardopbrengstcoëfficiënten (SOC’S) als bedoeld in artikel 6
1. DEFINITIE EN WIJZE VAN BEREKENING VAN DE SOC’s
|
(a) |
Bijlage IV bij deze verordening bevat de definitie van standaardopbrengst (SO), standaardopbrengstcoëfficiënt (SOC) en totale SO van een bedrijf. |
|
(b) |
Productieperiode De SOC’s hebben betrekking op een productieperiode van twaalf maanden Voor de plantaardige en de dierlijke producten waarbij de productieduur minder of meer dan twaalf maanden bedraagt, wordt een SOC berekend die betrekking heeft op de aanwas of productie over een periode van twaalf maanden. |
|
(c) |
Basisgegevens en referentieperiode De SOC’s worden bepaald op basis van de productie per eenheid en de prijs af boerderij als omschreven in de definitie van SOC in bijlage IV bij deze verordening. De daarvoor benodigde basisgegevens worden in de lidstaten verzameld over een referentieperiode als omschreven in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2024/1417 (1). |
|
(d) |
Eenheden
|
2. UITSPLITSING VAN DE SOC’s
|
(a) |
per variabele van de plantaardige en de dierlijke productie De SOC’s worden bepaald voor alle landbouwvariabelen van de rubrieken voor de toepassing van SOC’s zoals opgenomen in tabel 2.1 van bijlage IV bij deze verordening. |
|
(b) |
geografisch
|
3. VERZAMELING VAN GEGEVENS VOOR DE BEPALING VAN DE SOC’s
|
(a) |
De basisgegevens voor de bepaling van de SOC’s worden ten minste telkens vernieuwd wanneer een Europese enquête naar de structuur van de landbouwbedrijven wordt gehouden in de vorm van een telling als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(b) |
Wanneer de IFS wordt gehouden in de vorm van een steekproefenquête als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2018/1091, worden de SOC’s geactualiseerd:
|
4. UITVOERING
De lidstaten hebben tot taak overeenkomstig deze bijlage de basisgegevens voor de berekening van de SOC’s te verzamelen, de SOC’s te berekenen en in EUR om te rekenen en in voorkomend geval de voor de toepassing van de actualisatiemethode benodigde gegevens te verzamelen. De lidstaten dienen de gegevens en metagegevens bij de Commissie in met gebruikmaking van een door de Commissie (Eurostat) voorgeschreven technisch formaat. De gegevens en metagegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend via de diensten van het centrale toegangspunt. Op verzoek van de Commissie verstrekken de lidstaten toelichtingen over de berekeningen van de SOC’s die de Commissie moet gebruiken om de samenhang van de methode voor de berekening van de SOC’s in de hele Unie te waarborgen en om aanpassingen van die berekeningsmethode voor te stellen.
5. BEHANDELING VAN BIJZONDERE GEVALLEN
Voor de berekening van de SOC’s voor bepaalde variabelen en voor de berekening van de totale SO van het bedrijf gelden de volgende specifieke voorschriften:
|
(a) |
Braakland De SOC voor braakland wordt slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op dat bedrijf andere positieve SOC’s zijn. |
|
(b) |
Tuinen voor eigen gebruik Aangezien de producten van tuinen voor eigen gebruik normaliter bestemd zijn voor consumptie door de bezitter en niet voor verkoop, worden de SOC’s van dergelijke tuinen geacht gelijk te zijn aan nul. |
|
(c) |
Vee Voor rundvee wordt bij de variabelen onderscheid gemaakt naar leeftijdscategorie. De opbrengst komt overeen met de waarde van de aanwas van het dier tijdens zijn verblijf in de betrokken categorie; met andere woorden, de opbrengst komt overeen met het verschil tussen de waarde van het dier wanneer het de categorie verlaat en zijn waarde wanneer het de categorie binnenkomt (ook vervangingswaarde genoemd). |
|
(d) |
Runderen jonger dan een jaar SOC’s voor runderen jonger dan een jaar tellen bij de berekening van de totale SO van het bedrijf alleen mee als er op het bedrijf meer runderen jonger dan een jaar zijn dan koeien. Alleen de SOC’s voor de boventallige runderen jonger dan een jaar worden meegerekend. Voor runderen jonger dan een jaar is er slechts één SOC, ongeacht het geslacht van het dier. |
|
(e) |
Andere schapen en andere geiten De SOC’s voor andere schapen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke schapen voor de voortplanting zijn. De SOC’s voor andere geiten worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen vrouwelijke geiten voor de voortplanting zijn. |
|
(f) |
Biggen De SOC’s voor biggen worden slechts meegerekend in de totale SO van het bedrijf wanneer er op het bedrijf geen fokzeugen zijn. |
|
(g) |
Voedergewassen Wanneer er geen graasdieren (d.w.z. runderen, schapen of geiten) op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen (d.w.z. voederhakvruchten, groen geoogste gewassen en grasland) beschouwd als bestemd voor verkoop en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de akkerbouw. Wanneer er wel graasdieren op het bedrijf zijn, worden de voedergewassen beschouwd als bestemd voor vervoedering aan de graasdieren en maakt de opbrengst ervan deel uit van de opbrengst van de graasdieren en voedergewassen. |
(1) Gedelegeerde Verordening (EU) 2024/1417 van de Commissie van 13 maart 2024 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1217/2009 van de Raad tot oprichting van het informatienet inzake de duurzaamheid van landbouwbedrijven met regels voor de jaarlijkse constatering van de inkomens, voor de analyse van de duurzaamheid van bedrijven en voor de toegang tot gegevens voor onderzoeksdoeleinden en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1198/2014 van de Commissie (PB L, 2024/1417, 24.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2024/1417/oj).
(2) Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1, ELI: http://eur-lex.europa.eu/eli/reg/2003/1059/oj).
(3) Verordening (EU) 2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 betreffende geïntegreerde landbouwstatistieken en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1166/2008 en (EU) nr. 1337/2011 (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1091/oj).
BIJLAGE VII
Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden als bedoeld in artikel 7
1. DEFINITIE VAN ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN
De rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden, andere dan de landbouwwerkzaamheden van het bedrijf, omvatten alle niet-landbouwwerkzaamheden die rechtstreeks met het bedrijf verband houden en een economische impact op het bedrijf hebben. Het betreft werkzaamheden waarbij hetzij productiemiddelen van het bedrijf (grond, gebouwen, machines, landbouwproducten enz.), hetzij producten van het bedrijf worden gebruikt.
In dit verband wordt met “winstgevende werkzaamheden” actief werk bedoeld; zuiver financiële investeringen blijven buiten beschouwing. Het verpachten van grond of andere agrarische hulpbronnen van het bedrijf voor diverse activiteiten zonder verdere betrokkenheid bij die activiteiten wordt niet als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd, maar als onderdeel van de landbouwactiviteit van het bedrijf.
De verwerking van landbouwproducten wordt als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd, tenzij de verwerking wordt beschouwd als een onderdeel van een landbouwactiviteit. De productie van wijn en de productie van olijfolie worden als landbouwwerkzaamheden beschouwd indien de ingekochte hoeveelheid wijn of olijfolie niet aanzienlijk is.
De verwerking van een primair landbouwproduct tot een verwerkt secundair product op het bedrijf, ongeacht of de grondstoffen op het bedrijf worden geproduceerd of elders worden gekocht, wordt als een andere winstgevende werkzaamheid beschouwd. Dit omvat onder meer de verwerking van vlees, de bereiding van kaas enz.
2. SCHATTING VAN HET BELANG VAN DE ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN
Het aandeel van de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de opbrengst van het bedrijf wordt als volgt geschat aan de hand van het aandeel van de omzet uit de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de som van de totale omzet van het bedrijf en de rechtstreekse betalingen van dat bedrijf in het kader van Verordening (EU) nr. 1307/2013 (1):
3. KLASSEN NAAR HET BELANG VAN DE ANDERE RECHTSTREEKS MET HET BEDRIJF VERBAND HOUDENDE WINSTGEVENDE WERKZAAMHEDEN
De bedrijven worden in klassen ingedeeld die het aandeel van de andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in de opbrengst van het bedrijf weerspiegelen. Daarbij gelden de volgende grenzen:
|
Klassen |
Percentageklasse |
|
I |
0 % tot en met 10 % (marginaal aandeel) |
|
II |
Meer dan 10 % tot en met 50 % (gemiddeld aandeel) |
|
III |
Meer dan 50 % tot minder dan 100 % (significant aandeel) |
(1) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1307/oj).
BIJLAGE VIII
Definitie van de variabelen, vorm en opmaak van het bedrijfsformulier en frequentie van de toezending van de gegevens als bedoeld in artikel 10
De te compileren gegevens worden jaarlijks toegezonden.
De gegevens worden gecompileerd volgens een op boekhouding gebaseerd beginsel, wat betekent dat IDL-gegevens moeten worden ingevuld op grond van de meest actuele en betrouwbare informatie over een specifieke variabele, die in de eerste plaats afkomstig is van een systematische en regelmatige registratie van transacties en activiteiten van het landbouwbedrijf, voornamelijk op basis van brondocumenten (zoals facturen, leverings-/verzendbonnen, bodem- of andere laboratoriumanalyses).
Zoals bepaald in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1217/2009 kan de informatie worden gecompileerd met gebruikmaking van andere gegevensbronnen en van methoden voor het verzamelen van gegevens of innovatieve benaderingen voor het delen en compileren van gegevens.
Indien brondocumenten of andere gegevensbronnen niet beschikbaar zijn, moet de informatie zoveel mogelijk worden afgeleid uit andere beschikbare kwantificeringen, waaronder modelleringsresultaten.
Andere kwalitatieve of kwantitatieve informatie moet worden gecompileerd op basis van gestandaardiseerde classificaties.
De te compileren gegevens worden ingedeeld in tabellen en uitgesplitst in groepen, categorieën en kolommen. Gewoonlijk wordt als volgt naar een bepaald gegevensveld verwezen:
<tabelcode>.<groep>.<categoriecode>(.<andere specifieke categoriecodes).kolom
Bij de omzetting in het IDL worden tabellen aangegeven met een code op basis van de volgende regels:
|
— |
tabelcodes met één cijfer: ILB-tabellen die vóór het rapportagejaar 2025 bestonden; |
|
— |
tabelcodes met twee cijfers: nieuwe IDL-tabellen ingevoerd vanaf het rapportagejaar 2025; |
|
— |
tabelcodes met drie cijfers: nieuwe IDL-tabellen ingevoerd vanaf het rapportagejaar 2025 met betrekking tot hetzelfde thema. |
De volgorde van de tabellen in bijlage VIII bij deze verordening weerspiegelt de volgorde van de thema’s in bijlage -I bij Verordening (EG) nr. 1217/2009.
Specifieke gegevenswaarden worden ingevoerd op kolomniveau. In de tabellen hieronder kunnen gegevenswaarden in de witte cellen worden ingevuld; de donkere cellen met een “—” hebben voor die groep geen betekenis. Daarin kunnen dus geen gegevens worden ingevuld.
Voorbeelden:
|
— |
B.UT.20.A (kolom A van groep UT, categorie 20, van tabel B) staat voor “oppervlakte” van “gepachte OCG” die onder “OCG in pacht” in tabel B moet worden geregistreerd; |
|
— |
I.A.10110.1.0.TA (kolom TA van groep A, categorie 10110, van tabel I) staat voor de totale oppervlakte “Zachte tarwe en spelt”, teeltwijze 1 “Teelten in volle grond — hoofdgewas, gecombineerd gewas” en de code betreffende ontbrekende gegevens 0 “Geen ontbrekende gegevens”; |
|
— |
M.S.1150.1.2.V (kolom V van groep S, categorie 1150 met de andere specifieke categoriecodes 1 en 2 uit tabel M) staat voor de subsidiewaarde van “Basisinkomenssteun voor duurzaamheid — op basis van betalingsrechten”, die uitsluitend uit de begroting van de Unie wordt gefinancierd en per hectare wordt toegekend. |
Als voor een bepaald bedrijf een waarde niet relevant is of ontbreekt, mag niet de waarde “0” worden ingevuld.
Bij de tabellen wordt in de eerste tabel de algemene matrix voor groepen en kolommen weergegeven. De tweede tabel toont de uitsplitsing per categorie, waarbij elke categorie met een of meer codes of subcodes wordt weergegeven.
De gegevens in een bedrijfsformulier worden verstrekt overeenkomstig de volgende regels:
|
— |
financiële waarden: worden uitgedrukt in geldbedragen zonder btw en zonder rekening te houden met premies en subsidies (1), die afzonderlijk, in EUR of in nationale monetaire eenheden worden aangegeven. Voor de nationale geldeenheden waarvan de relatieve waarde ten opzichte van de euro gering is, kan evenwel tussen het verbindingsorgaan van een betrokken lidstaat en de Commissie worden overeengekomen dat de waardebedragen worden uitgedrukt in 100 of 1 000 nationale geldeenheden; |
|
— |
fysieke hoeveelheden: in 100 kg, behalve voor eieren, die in duizendtallen worden vermeld, en voor wijn en aanverwante producten, die in hectoliters worden vermeld, |
|
— |
oppervlakten: in aren (1 are = 100 m2), behalve voor paddenstoelen, waarvoor de in totaal beteelde oppervlakte in vierkante meter wordt vermeld, en behalve in tabel M “Subsidies”, waar basiseenheden in ha worden vermeld; |
|
— |
gemiddelde veebezetting: met minstens twee cijfers na de komma (in honderdsten van dieren), behalve voor pluimvee en konijnen, die in aantal dieren worden vermeld, en voor bijen, die in aantal volken (bezette kasten of korven) worden vermeld, |
|
— |
arbeidsbezetting: met minstens twee cijfers na de komma (in honderdsten van jaareenheden). |
Voor elke tabelcategorie en kolomwaarde worden verdere definities en instructies onder de betrokken tabel gegeven.
Tabel A
Algemene informatie over het bedrijf
|
Categorie algemene informatie |
Code (*) |
|
|
Kolommen |
||||||||||
|
Informatiegroep |
IDL-streek |
Onderdeel van de streek |
Volgnummer van het bedrijf |
Raster |
NUTS |
Datum |
Gewicht van het landbouwbedrijf |
Productierichting |
Klasse van economische bedrijfsomvang |
Code |
|
|
|
|
R |
S |
H |
GR |
N |
DT |
W |
TF |
ES |
C |
|
ID |
Identificatie van het bedrijf |
|
|
|
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
LO |
Ligging van het bedrijf |
— |
— |
— |
|
|
— |
— |
— |
— |
|
|
AI |
Boekhoudkundige informatie |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
|
|
TY |
Typologie |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
|
— |
|
CL |
Klassen |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
|
|
OT |
Andere gegevens over het bedrijf |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
R |
S |
H |
GR |
N |
DT |
W |
TF |
ES |
C |
|
10 |
Bedrijfsnummer |
ID |
|
|
|
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
25 |
Inspire-rastercode |
LO |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
40 |
NUTS3 |
LO |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
— |
— |
|
60 |
Soort boekhouding |
AI |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
70 |
Einddatum van het boekjaar |
AI |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
— |
|
80 |
Door de lidstaat berekend nationaal gewicht |
TY |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
|
90 |
Indeling op het ogenblik van de keuze |
TY |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
— |
|
100 |
Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
110 |
Soort eigendom/economische doelstelling |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
120 |
Rechtsvorm |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
130 |
Niveau van aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
140 |
Biologische landbouw |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
142 |
Jaar waarin het bedrijf is begonnen met de omschakeling naar biologisch |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
— |
— |
— |
|
145 |
Aandeel biologische landbouwproducten |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
150 |
Beschermde oorsprongsbenaming (BOB)/beschermde geografische aanduiding (BGA)/gegarandeerde traditionele specialiteiten (GTS)/product uit de bergen |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
151 |
Sectoren met BOB/BGA /GTS/product uit de bergen |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
160 |
Gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
170 |
Hoogteligging |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
190 |
Natura 2000-gebied |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
200 |
Gebied dat onder de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) valt |
CL |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
210 |
Irrigatiesysteem |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
220 |
Vee-eenheidweidedagen op gemeenschappelijke grond |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
230 |
Lid van producenten-organisaties (PO’s) |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
231 |
Economisch belang van de producenten-organisaties (PO’s) voor het landbouw-bedrijf |
OT |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
232 |
Aantal leden van de producenten-organisaties (PO’s) |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
240 |
Deelname aan onderlinge fondsen |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
241 |
Compensatie voor verliezen |
OT |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
A.ID. Identificatie van het bedrijf
Zodra een bedrijf met boekhouding voor het eerst wordt gekozen, krijgt het een nummer. Het behoudt dit nummer gedurende de periode dat het aan het IDL deelneemt. Een eenmaal toegekend nummer wordt niet aan een ander bedrijf gegeven.
Wanneer het bedrijf evenwel een grondige verandering ondergaat, en met name wanneer deze verandering het gevolg is van een opsplitsing in twee zelfstandige bedrijven of van een samenvoeging met een ander bedrijf, kan het als een nieuw bedrijf worden beschouwd. In dat geval krijgt het een nieuw nummer. Een wijziging van productierichting vereist geen toekenning van een nieuw nummer. Als het behouden van het bedrijfsnummer aanleiding geeft tot verwarring met een of meer andere bedrijven met boekhouding (bv. bij een nieuwe regionale indeling), wordt het nummer gewijzigd. Een tabel met de oude en de nieuwe nummers wordt door de betrokken lidstaat aan de Commissie verstrekt.
Het bedrijfsnummer omvat drie groepen informatie, namelijk:
|
|
A.ID.10.R. IDL-streek: hier moet een codenummer worden vermeld, overeenkomend met de code die in bijlage II bij deze verordening is vermeld. |
|
|
A.ID.10.S. Onderdeel van de streek: hier moet een codenummer worden vermeld. |
De gekozen onderdelen zijn gebaseerd op het als de “nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS)” bekendstaande gemeenschappelijke systeem voor de classificatie van de regio’s dat de Commissie (Eurostat) in samenwerking met de nationale instituten voor de statistiek tot stand heeft gebracht.
De betrokken lidstaat zendt in elk geval aan de Commissie een tabel toe waarin voor iedere gebruikte code van een dergelijk onderdeel de corresponderende NUTS-regio’s en de corresponderende regio waarvoor specifieke standaardopbrengsten worden berekend, zijn vermeld.
A.ID.10.H. Volgnummer van het bedrijf.
A.LO. Ligging van het bedrijf
Voor de ligging van het bedrijf worden twee aanduidingen gebruikt: de Inspire-rastercode en de code van de territoriale eenheden van NUTS-niveau 3.
A.LO.25.GR. De celcode van het 1 km-vak in het statistische eenhedenraster van Inspire voor pan-Europees gebruik, zoals vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie (2), waarin het landbouwbedrijf zich bevindt. Deze code wordt alleen met het oog op de indiening gebruikt.
Voor de verspreiding van gegevens worden, naast de normale controlemechanismen voor de openbaarmaking van gegevens in tabelvorm, geneste rasters gebruikt om ervoor te zorgen dat meer dan 15 landbouwbedrijven in het raster of binnen een administratieve NUTS-eenheid zijn opgenomen.
A.LO.40.N. De NUTS3-code is de code van de territoriale eenheid van NUTS-niveau 3 waar het bedrijf gevestigd is. Hier wordt de meest recente versie van de code gebruikt als omschreven in Verordening (EG) nr. 1059/2003.
A.AI. Boekhoudkundige informatie
A.AI.60.C. Soort boekhouding: hier wordt vermeld welke soort boekhouding het bedrijf voert. De volgende codenummers worden gebruikt:
|
1 |
Dubbele boekhouding |
|
2 |
Enkelvoudige boekhouding |
|
3 |
Geen |
A.AI.70.DT. Einddatum van het boekjaar: moet als volgt worden aangegeven: “JJJJ-MM-DD”, bv. 2009-06-30 of 2009-12-31.
A.TY. Typologie
A.TY.80.W. Nationaal gewicht van het landbouwbedrijf: de waarde van de door de lidstaat berekende extrapolerende factor wordt vermeld.
A.TY.90.TF. Productierichting op het ogenblik van de keuze: Code van de productierichting van het bedrijf volgens bijlage IV bij deze verordening op het ogenblik dat het bedrijf voor het betrokken boekjaar werd gekozen.
A.TY.90.ES. Economische bedrijfsomvang op het ogenblik van de keuze: de code van de klasse van economische bedrijfsomvang van het bedrijf volgens bijlage V bij deze verordening op het ogenblik dat het bedrijf voor het betrokken boekjaar werd gekozen.
A.CL. Klassen
A.CL.100.C. Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden: moet worden verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de omzet (3) uit rechtstreeks met het bedrijf verband houdende andere winstgevende werkzaamheden in de totale omzet van het bedrijf wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
≥ 0 tot ≤ 10 % (marginaal aandeel) |
|
2 |
> 10 % tot ≤ 50 % (gemiddeld aandeel) |
|
3 |
> 50 % tot < 100 % (significant aandeel) |
A.CL.110.C. Soort eigendom/economische doelstelling: hier worden de soort eigendom en de economische doelstellingen van het bedrijf vermeld. De volgende codenummers worden gebruikt:
|
1 |
Gezinsbedrijf: het bedrijf maakt gebruik van de arbeid en het kapitaal van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden)/de bedrijfsleider(s) en zijn/haar/hun gezin en zij zijn de begunstigden van de economische activiteit; |
|
2 |
Partnerschap: de productiefactoren voor het bedrijf worden ingebracht door verscheidene partners, van wie ten minste sommigen niet-betaalde arbeid op het bedrijf verrichten. De winsten gaan naar het partnerschap; |
|
3 |
Onderneming met winstoogmerk: de opbrengsten worden gebruikt om de aandeelhouders dividenden/winsten uit te keren. Het bedrijf is eigendom van de onderneming; |
|
4 |
Onderneming zonder winstoogmerk: de opbrengsten worden in de eerste plaats gebruikt om de werkgelegenheid in stand te houden of voor een soortgelijk sociaal doel. Het bedrijf is eigendom van de onderneming; |
A.CL.120.C. Rechtsvorm: hier wordt vermeld of het bedrijf al dan niet rechtspersoonlijkheid heeft. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Geen rechtspersoonlijkheid. |
|
1 |
Rechtspersoonlijkheid. |
A.CL.130.C. Niveau van aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden): hier wordt vermeld welk niveau van aansprakelijkheid (economische verantwoordelijkheid) het (voornaamste) bedrijfshoofd heeft. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
Volledige aansprakelijkheid. |
|
2 |
Gedeeltelijke aansprakelijkheid. |
A.CL.140.C. Biologische landbouw: hier wordt vermeld of het bedrijf biologische productiemethoden in de zin van Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad (4), en met name de artikelen 4 en 5, toepast. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
het bedrijf past geen biologische productiemethoden toe; |
|
2 |
het bedrijf past uitsluitend biologische productiemethoden voor al zijn producten toe; |
|
3 |
het bedrijf past zowel biologische als andere productiemethoden toe; |
|
4 |
het bedrijf is aan het omschakelen naar biologische productiemethoden. |
A.CL.142.DT. Jaar waarin het bedrijf is begonnen met de omschakeling naar biologisch: het jaar moet als volgt worden aangegeven: “JJJJ”.
A.CL.145.C. Aandeel biologische landbouwproducten die als biologisch worden verkocht in gecertificeerde landbouwbedrijven: indien een bedrijf gecertificeerd is voor biologische landbouw, moet het worden verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de in geldbedragen uitgedrukte verkoop van als biologisch verkochte producten in de totale verkoop op het bedrijf wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
0 % |
|
2 |
> 0 tot en met ≤ 25 % |
|
3 |
> 25 % tot en met ≤ 50 % |
|
4 |
> 50 % tot en met ≤ 75 % |
|
5 |
> 75 % tot en met < 100 % |
|
6 |
100 % |
A.CL.150.C. “Beschermde oorsprongsbenaming”/”beschermde geografische aanduiding”/”gegarandeerde traditionele specialiteiten”/”product uit de bergen”: hier moet worden vermeld of het bedrijf landbouwproducten en/of levensmiddelen produceert die onder een beschermde oorsprongsbenaming (BOB), een beschermde geografische aanduiding (BGI), een gegarandeerde traditionele specialiteit (GTS) of de aanduiding “Product uit de bergen” vallen, of landbouwproducten produceert waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die worden beschermd met een BOB/BGA/GTS/“Product uit de bergen” in de zin van Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad (5). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
het bedrijf produceert geen enkel product of levensmiddel dat met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding „Product uit de bergen” beschermd is, en evenmin producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding „Product uit de bergen” zijn beschermd; |
|
2 |
het bedrijf produceert alleen producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding “Product uit de bergen” beschermd zijn, en/of producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd; |
|
3 |
het bedrijf produceert een aantal producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of de aanduiding “Product uit de bergen” beschermd zijn, en/of een aantal producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van levensmiddelen die met een BOB, BGA, TGS of de aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd. |
A.CL.151.C. Sectoren met beschermde oorsprongsbenaming/beschermde geografische aanduiding/gegarandeerde traditionele specialiteit/product uit de bergen: als het grootste gedeelte van de productie van sommige specifieke sectoren bestaat uit producten of levensmiddelen die met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd, en/of uit producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” beschermde levensmiddelen, moet hier worden vermeld om welke productiesectoren het gaat (meerdere antwoorden mogelijk). De onderstaande codenummers moeten worden gebruikt. Als het bedrijf een aantal producten of levensmiddelen produceert die met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” zijn beschermd, of een aantal producten waarvan bekend is dat ze worden gebruikt voor de productie van met een BOB, BGA, GTS of aanduiding “Product uit de bergen” beschermde levensmiddelen, maar het in die specifieke sector niet om het grootste gedeelte van de productie gaat, moet de code voor “niet van toepassing” worden gebruikt. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
niet van toepassing |
|
31 |
granen |
|
32 |
oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen |
|
33 |
groenten en fruit (waaronder citrusvruchten, maar geen olijven) |
|
34 |
olijven |
|
35 |
wijngaarden |
|
36 |
rundvlees |
|
37 |
koemelk |
|
38 |
varkensvlees |
|
39 |
schapen en geiten (melk en vlees) |
|
40 |
vlees van pluimvee |
|
41 |
eieren |
|
42 |
overige sectoren |
De punten A.CL.150.C. Beschermde oorsprongsbenaming/beschermde geografische aanduiding/gegarandeerde traditionele specialiteiten/product uit de bergen en A.CL.151.C zijn facultatief voor de lidstaten. Als ze door de lidstaat worden toegepast, worden ze voor alle bedrijven in de steekproef van de lidstaat ingevuld. Als A.CL.150.C wordt ingevuld, wordt ook A.CL.151.C ingevuld.
A.CL.160.C. Gebieden met natuurlijke en andere specifieke beperkingen: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied dat valt onder artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een gebied met natuurlijke en andere specifieke beperkingen in de zin van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013; |
|
21 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied met ernstige natuurlijke beperkingen in de zin van artikel 32, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013; |
|
22 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een gebied met specifieke beperkingen in de zin van artikel 32, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013; |
|
3 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een berggebied in de zin van artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013. |
A.CL.170.C. Hoogteligging: voor de hoogteligging moeten de volgende codenummers worden gebruikt:
|
1 |
het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging beneden 300 m; |
|
2 |
het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging tussen 300 en 600 m; |
|
3 |
het grootste gedeelte van het bedrijf ligt in een gebied met een hoogteligging boven 600 m. |
A.CL.190.C. Natura 2000-gebied: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in zones die verband houden met de toepassing van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (8) (Natura 2000). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een Natura 2000-gebied; |
|
2 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt wél in een Natura 2000-gebied. |
A.CL.200.C. Gebied dat onder de kaderrichtlijn water (Richtlijn 2000/60/EG) valt: hier moet worden vermeld of het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf in zones ligt die in aanmerking komen voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), zoals vastgesteld in de nationale strategische GLB-plannen op grond van artikel 72 van Verordening (EU) 2021/2115 (10). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt niet in een zone die in aanmerking komt voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn2000/60/EG; |
|
2 |
het grootste gedeelte van de oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf ligt in een zone die in aanmerking komt voor betalingen ter compensatie van nadelen als gevolg van vereisten die voortvloeien uit de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG. |
A.OT. Andere gegevens over het bedrijf
A.OT.210.C. Irrigatiesysteem: hier moet worden vermeld wat het belangrijkste irrigatiesysteem is dat in het rapportagejaar op het bedrijf wordt gebruikt:
|
0 |
niet van toepassing (als op het bedrijf niet is geïrrigeerd) |
|
1 |
oppervlakte-irrigatie |
|
2 |
sprinklerirrigatie |
|
3 |
druppelirrigatie |
|
4 |
andere |
A.OT.220.C. Vee-eenheidweidedagen op gemeenschappelijke grond: aantal vee-eenheidweidedagen dat het vee van het bedrijf heeft doorgebracht op gemeenschappelijke grond die door het bedrijf wordt gebruikt.
A.OT.230.C Lid van producentenorganisaties (PO’s): hieronder wordt verstaan dat het landbouwbedrijf (bedrijfshoofd(en) of bedrijfsleider(s)) lid is van een producentenorganisatie die de kosten deelt en/of de afzet van landbouwproducten bevordert en, zo ja, welke producten van het landbouwbedrijf door de producentenorganisatie worden afgezet (geef alle sectoren aan die worden bestreken door de PO’s waarvan het landbouwbedrijf lid is). Voor de toepassing van dit onderzoek wordt onder een producentenorganisatie verstaan: elke soort entiteit die op initiatief van producenten is opgericht om in een bepaalde sector gezamenlijke activiteiten te ondernemen (horizontale samenwerking). Producentenorganisaties moeten onder zeggenschap van de producenten zelf staan en kunnen uiteenlopende rechtsvormen hebben, bijvoorbeeld een landbouwcoöperatie, een vereniging van landbouwers, of een particuliere onderneming met de producenten als aandeelhouder.
|
0 |
geen lid van een producentenorganisatie |
lid van een producentenorganisatie om productie-, administratie- en investeringskosten te delen, en/of lid van een producentenorganisatie voor de afzet van de producten van het landbouwbedrijf zoals:
|
31 |
Granen |
|
32 |
oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen |
|
33 |
groenten en fruit (waaronder citrusvruchten, maar geen olijven) |
|
34 |
olijven |
|
35 |
wijngaarden |
|
36 |
rundvlees |
|
37 |
koemelk |
|
38 |
varkensvlees |
|
39 |
schapen en geiten (melk en vlees) |
|
40 |
vlees van pluimvee |
|
41 |
eieren |
|
42 |
overige sectoren. |
A.OT.231.C Economisch belang van de producentenorganisaties (PO’s) voor het landbouwbedrijf: aangegeven moet worden welk deel van de waarde van de totale productie van het landbouwbedrijf (totaal van de verkopen) via de producentenorganisaties wordt afgezet.
|
1 |
≥ 0 tot ≤ 10 % (marginaal aandeel) |
|
2 |
> 10 % tot ≤ 50 % (gemiddeld aandeel) |
|
3 |
> 50 % tot ≤ 100 % (significant aandeel) |
A.OT.232.C Aantal leden van de producentenorganisaties (PO’s): hier moet worden aangegeven hoe groot de belangrijkste PO is waarvan het landbouwbedrijf (bedrijfshoofd(en) of bedrijfsleider(s)) lid is. De “belangrijkste PO” is de PO die het grootste deel van de productie van het landbouwbedrijf afzet (in termen van waarde).
|
1 |
de PO heeft minder dan 10 leden; |
|
2 |
de PO heeft 10 tot 19 leden; |
|
3 |
de PO heeft 20 tot 49 leden; |
|
4 |
de PO heeft 50 tot 99 leden; |
|
5 |
de PO heeft 100 tot 499 leden; |
|
6 |
de PO heeft 500 tot 999 leden; |
|
7 |
de PO heeft 1 000 leden (of meer). |
Duitsland is vrijgesteld van het indienen van gegevens met betrekking tot de variabelen A.OT.230.C, A.OT.231.C en A.OT.232.C voor het rapportagejaar 2025.
A.OT.240.C Deelname aan onderlinge fondsen: hier moet worden vermeld of de landbouwer aan een onderling fonds deelneemt. Een onderling fonds is een door een lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich te verzekeren en hun compensatiebetalingen uitkeert voor economische verliezen. De oprichting van onderlinge fondsen kan worden aangemoedigd door verschillende vormen van overheidssteun, waaronder: i) bijdragen in het startkapitaal; ii) overheidstoelagen voor jaarlijkse bijdragen aan het fonds, ook van landbouwers; iii) compensatie van betalingen aan landbouwers; iv) fiscale prikkels voor het storten van gelden. Een voorbeeld van overheidssteun voor onderlinge fondsen is te vinden in artikel 76, lid 3, punt a), van Verordening (EU) 2021/2115, op grond waarvan de lidstaten financieel kunnen bijdragen aan onderlinge fondsen, onder meer voor de administratieve kosten van het opzetten van zulke fondsen.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee, de landbouwer neemt niet deel aan een onderling fonds. |
|
1 |
Ja, de landbouwer neemt deel aan een onderling fonds. |
A.OT.241.C Compensatie voor verliezen: hier moet worden vermeld of de landbouwer een aanvraag heeft ingediend tot compensatie voor verliezen als gevolg van extreme gebeurtenissen binnen of buiten de verzekeringsregelingen waarvoor de kosten van verzekeringspremies in tabel H onder de codes 5051 en/of 5055 zijn vermeld. Compensatie buiten de verzekeringsregelingen kan relevant zijn, hetzij omdat de landbouwer niet verzekerd is, hetzij omdat de verzekering van de landbouwer de schade niet dekt. Indien dergelijke kosten niet in tabel H worden vermeld, betekent dit dat de aanvraag tot compensatie voor verliezen als gevolg van extreme gebeurtenissen werd ingediend in het kader van crisissteunregelingen achteraf, zoals de landbouwreserve van het GLB, het Solidariteitsfonds van de EU, staatssteun enz.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja, in het kader van een verzekeringsovereenkomst |
|
2 |
Ja, in het kader van een overheidsregeling voor crisissteun achteraf |
|
3 |
Ja, beide. |
KOLOMMEN IN TABEL A
Kolom R verwijst naar de IDL-streek, kolom S naar het onderdeel van de streek, kolom H naar het volgnummer van het bedrijf, kolom GR naar het statistische eenhedenraster van Inspire, kolom N naar NUTS, kolom AO naar het nummer van het bureau voor bedrijfsboekhouding, kolom DT naar de datum, kolom W naar het gewicht van het bedrijf, kolom TF naar de productierichting, kolom ES naar de klasse van economische bedrijfsomvang en kolom C naar de code.
Tabel B
Exploitatievorm
|
Categorie oppervlakte cultuurgrond (OCG) |
Code (*) |
|
|
Informatiegroep |
Oppervlakte cultuurgrond |
|
|
|
|
A |
|
UO |
OCG in eigendom |
|
|
UT |
OCG in pacht |
|
|
US |
OCG in deelpacht of andere exploitatievorm |
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
A |
|
10 |
OCG in eigendom |
UO |
|
|
20 |
Gepachte OCG |
UT |
|
|
30 |
OCG in deelpacht |
US |
|
De grond van bedrijven die door twee of meer partners gezamenlijk worden geëxploiteerd, moet als grond in eigendom, gepachte grond of grond in deelpacht worden geboekt, afhankelijk van de tussen de partners gemaakte afspraak.
Onder “oppervlakte cultuurgrond” (OCG) wordt het totale areaal verstaan aan bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik van de bedrijven, ongeacht de exploitatievorm. Gemeenschappelijke gronden die door het bedrijf worden gebruikt, worden niet meegerekend.
De volgende informatiegroepen en categorieën worden gebruikt:
B.UO. OCG in eigendom
B.UO.10.A OCG (bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) waarvan de landbouwer eigenaar, vruchtgebruiker of erfpachter is, en/of cultuurgrond die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.
B.UT. OCG in pacht
B.UT.20.A OCG (bouwland, blijvend grasland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) die door iemand anders dan de eigenaar, de vruchtgebruiker of de erfpachter wordt gebruikt overeenkomstig een pachtcontract (de pacht wordt voldaan in geld en/of in natura; wordt in het algemeen vooraf vastgesteld en wisselt gewoonlijk niet naargelang van de bedrijfsresultaten) en/of OCG die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.
De gepachte oppervlakte omvat niet de grond waarvan de gewassen op stam worden gekocht. De voor de aankoop van gewassen op stam betaalde bedragen moeten worden geboekt onder de codes 2020 tot en met 2040 (Aangekocht voer) van tabel H wanneer het om grasland of voedergewassen gaat, en onder code 3090 (Overige specifieke kosten van gewassen) indien het marktbare gewassen (gewassen die normaliter worden verhandeld) betreft. Op stam gekochte marktbare gewassen moeten worden aangegeven zonder de betrokken grond te vermelden (tabel H).
Grond die incidenteel voor een kortere duur dan één jaar wordt gehuurd, en de opbrengst daarvan worden op soortgelijke wijze behandeld als in het geval van grond waarvan de gewassen op stam worden gekocht.
B.US. OCG in deelpacht of andere exploitatievorm
B.US.30.A OCG (bouwland, grasland, blijvend weideland, meerjarige teelten en tuinen voor eigen gebruik) die gemeenschappelijk, volgens een deelpachtcontract, door de verpachter en de deelpachter wordt gebruikt, en/of cultuurgrond die onder soortgelijke voorwaarden wordt gebruikt.
KOLOMMEN IN TABEL B
Kolom A verwijst naar de OCG.
Tabel C
Arbeidskrachten
Structuur van de tabel
|
Tabel C |
|
|
Arbeidskrachten |
|
|
Categorie arbeidskrachten |
Code (*) |
|
|
Kolommen |
||||||||||||
|
Informatiegroep |
Algemeen |
Totale arbeid op het bedrijf (landbouwwerkzaamheden en arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden) |
Aandeel van de arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden |
Gemiddeld loon |
Sociale zekerheid |
||||||||
|
Aantal personen |
Geslacht |
Mannen |
Vrouwen |
Geboorte-jaar |
Landbouw-opleiding van de bedrijfsleider |
Jaarlijkse arbeidstijd |
Arbeidsjaareenheden |
% van de jaarlijkse arbeidstijd |
Jaarloon |
Uurloon |
Pensionering |
||
|
P |
G |
G1 |
G2 |
B |
T |
Y1 |
W1 |
Y2 |
AW |
AW1 |
R |
||
|
Geheel getal |
Code |
Geheel getal |
Geheel getal |
Vier cijfers |
Code |
uren |
AJE |
% |
Nationale valuta |
Nationale valuta |
Code |
||
|
UR |
Niet-betaalde regelmatig werkzame arbeids-krachten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— |
— |
|
|
UC |
Niet-betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten |
|
— |
|
|
— |
— |
|
— |
|
— |
— |
— |
|
PR |
Betaalde regelmatig werkzame arbeids-krachten |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
— |
— |
|
PC |
Betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
|
— |
|
— |
|
EX |
Externe werknemers |
|
— |
|
|
— |
— |
|
— |
|
— |
— |
— |
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
P |
G |
G1 |
G2 |
B |
T |
Y1 |
W1 |
Y2 |
AW |
AW1 |
R |
|
10 |
Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s) |
UR |
— |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
— |
— |
|
|
|
PR |
— |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
|
— |
— |
|
|
20 |
Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s) |
UR |
— |
|
— |
— |
|
— |
|
|
|
— |
— |
|
|
|
|
PR |
— |
|
— |
— |
|
— |
|
|
|
|
— |
— |
|
30 |
Bedrijfsleider(s)/geen bedrijfshoofd(en) |
UR |
— |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
— |
— |
|
|
50 |
Overige |
UR |
|
— |
|
|
— |
— |
|
|
|
— |
— |
— |
|
|
|
PR |
|
— |
|
|
— |
— |
|
|
|
|
— |
— |
|
60 |
Niet-regelmatig werk |
UC |
|
— |
|
|
— |
— |
|
— |
|
— |
— |
— |
|
|
|
PC |
|
— |
|
|
— |
— |
|
— |
|
— |
|
— |
|
70 |
Betaalde bedrijfsleider |
PR |
— |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
|
— |
— |
|
80 |
Externe werknemers |
EX |
|
— |
|
|
— |
— |
|
— |
|
— |
— |
— |
De term “arbeid” omvat alle personen die tijdens het rapportagejaar op het landbouwbedrijf werkzaam zijn geweest. Sommige gegevens moeten echter ook worden verstrekt voor personen die dit werk namens een andere persoon of onderneming hebben verricht (externe werknemers van wie de kosten in tabel H onder code 1020 zijn opgenomen).
Wanneer burenhulp tussen bedrijven een uitwisseling van arbeid is (de ontvangen hulp is in principe gelijk aan de verstrekte hulp), worden de door de arbeidskrachten van het bedrijf daaraan bestede arbeidstijd en de eventueel daarvoor betaalde lonen op het bedrijfsformulier aangegeven.
In sommige gevallen wordt de ontvangen hulp gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van een machine voor in de vorm van arbeid ontvangen hulp). Wanneer het gaat om een beperkte uitwisseling van prestaties, wordt hiervan niets op het bedrijfsformulier vermeld (in het genoemde voorbeeld wordt de ontvangen hulp niet onder de arbeid opgenomen, maar omvatten de kosten van machines wel de kosten die voortvloeien uit het ter beschikking stellen van de machines). In de uitzonderlijke gevallen waarin deze vorm van uitwisseling van prestaties een grotere omvang aanneemt, gaat men al naar het geval als volgt te werk:
|
(a) |
de in de vorm van arbeid ontvangen hulp wordt gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van machines): de ontvangen arbeid wordt dan als betaalde arbeid voor het bedrijf geboekt (groepen PR of PC al naargelang het arbeidskrachten betreft die regelmatig, respectievelijk onregelmatig op het bedrijf werkzaam zijn); de waarde van de verstrekte hulp wordt geboekt enerzijds als opbrengst in de overeenkomstige categorie in andere tabellen (in het voorbeeld: tabel L, code 2010“Loonwerk”), en anderzijds als kosten (tabel H, code 1010“Lonen en sociale lasten”); |
|
(b) |
de in de vorm van arbeid ontvangen hulp wordt gecompenseerd door een tegenprestatie van andere aard (bv. het ter beschikking stellen van een machine): de verstrekte arbeidstijd en eventueel de betaalde lonen worden buiten beschouwing gelaten; de waarde van de ontvangen prestatie wordt als input geboekt in de overeenkomstige groep in een andere tabel (in het voorbeeld: tabel H, code 1020“Loonwerk en huur van machines”). |
De volgende informatiegroepen en categorieën arbeidskrachten worden onderscheiden:
C.UR. Niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten
Arbeidskrachten die geen loon ontvangen of een beloning (in geld of in natura) die lager is dan het bedrag dat gewoonlijk voor de geleverde prestatie wordt betaald (het desbetreffende bedrag wordt niet onder de bedrijfskosten opgenomen) en die tijdens het rapportagejaar elke week (behoudens de normale vakanties) voor de duur van ten minste een volledige werkdag deelgenomen hebben aan de bedrijfswerkzaamheden.
Een persoon die regelmatig op een landbouwbedrijf werkzaam is, maar om bijzondere redenen gedurende een beperkte periode in het rapportagejaar heeft gewerkt, wordt niettemin (voor het aantal gewerkte uren) geboekt onder de regelmatig werkzame arbeidskrachten.
Het gaat om de volgende gevallen of daarmee vergelijkbare gevallen:
|
(a) |
bijzondere productieomstandigheden in het bedrijf waardoor de arbeidskrachten niet het gehele jaar door nodig zijn, bijvoorbeeld een olijventeelt- of wijnbouwbedrijf of een bedrijf dat is gespecialiseerd in vetweiderij of in de productie van groenten en fruit in de open grond; |
|
(b) |
afwezigheid van het werk buiten de normale vakanties, bijvoorbeeld: militaire dienst, ziekte, ongeval, bevalling, langdurig verlof enz.; |
|
(c) |
aankomst op, of vertrek van het bedrijf; |
|
(d) |
totale stilstand van het werk op het bedrijf door bijzondere oorzaken (overstroming, brand enz.). |
Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:
C.UR.10. Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s)
De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf en tevens belast is met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding. In geval van deelpacht wordt de deelpachter vermeld als bedrijfshoofd/bedrijfsleider.
C.UR.20. Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s)
De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf, maar niet is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.
C.UR.30. Bedrijfsleider(s)/geen bedrijfshoofd(en)
De persoon die is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding, maar geen juridische en economische verantwoordelijkheid draagt.
C.UR.50. Andere niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten
Tot de niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten die geen deel uitmaken van de vorige categorieën, behoren ook de ploegbazen en de assistent-bedrijfsleiders die niet met de leiding van het hele bedrijf zijn belast.
C.UC. Niet-betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten
C.UC.60. De niet-betaalde arbeidskrachten die tijdens het boekjaar niet regelmatig op het bedrijf hebben gewerkt, worden in deze categorie samengevat.
C.PR. Betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten
Arbeidskrachten die een voor de geleverde prestatie normale beloning (in geld en/of natura) ontvangen en die gedurende het boekjaar elke week (behoudens de normale vakanties) voor de duur van ten minste een volledige werkdag deelgenomen hebben aan de bedrijfswerkzaamheden.
Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:
C.PR.10. Bedrijfshoofd(en)/bedrijfsleider(s)
De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf en tevens belast is met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding. In geval van deelpacht wordt de deelpachter vermeld als bedrijfshoofd/bedrijfsleider.
C.PR.20. Bedrijfshoofd(en)/geen bedrijfsleider(s)
De persoon die juridisch en economisch verantwoordelijk is voor het bedrijf, maar niet is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.
C.PR.70. Betaalde bedrijfsleider
Betaalde persoon die is belast met de lopende dagelijkse bedrijfsleiding.
C.PR.50. Overige
Alle betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten, uitgezonderd de betaalde bedrijfsleider, worden in deze groep samengevat. Omvat ook de ploegbazen en de assistent-bedrijfsleiders die niet met de leiding van het hele bedrijf zijn belast.
C.PC. Betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten
C.PC.60. De betaalde arbeidskrachten die tijdens het boekjaar niet regelmatig op het bedrijf hebben gewerkt (ook degenen die tariefwerk hebben verricht), worden in deze categorie samengevat.
C.EX Externe werknemers
C.EX.80. Externe werknemers
Deze groep verwijst naar werknemers die via derden zijn aangeworven (bv. uitzendbureaus). Externe werknemers staan niet op de loonlijst van het landbouwbedrijf; zij vallen echter onder het beheer van het bedrijfshoofd / de bedrijfsleider. Deze werknemers kunnen regelmatig of niet-regelmatig werkzaam zijn.
KOLOMMEN IN TABEL C
Aantal personen (kolom P)
Het aantal personen wordt vermeld in de overeenkomstige categorie (de categorieën 50 en 60 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en categorie 80 van de groep EX “externe werknemers”).
Geslacht (kolom G)
Het geslacht wordt voor het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) vermeld, in de overeenkomstige categorie (de categorieën 10 tot en met 30 en categorie 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”). Het geslacht wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:
|
1 |
man |
|
2 |
vrouw |
Lidstaten die wettelijke bepalingen of praktijken hebben waarin wordt erkend dat personen wellicht niet tot de categorie “man” of “vrouw” behoren of niet daarin niet wensen te worden ingedeeld, kunnen extra codes gebruiken.
Mannen, vrouwen (kolommen G1 en G2)
Het aantal mannen en vrouwen wordt uitsluitend vermeld voor de categorieën 50 en 60 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” en categorie 80 van de groep EX “externe werknemers”. Voor categorie 80 “externe werknemers” is deze informatie facultatief.
Lidstaten die wettelijke bepalingen of praktijken hebben waarin wordt erkend dat personen wellicht niet tot de categorie “man” of “vrouw” behoren of daarin niet wensen te worden ingedeeld, kunnen extra kolommen gebruiken.
Geboortejaar (kolom B)
Het geboortejaar wordt uitsluitend voor het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) (de categorieën 10 tot en met 30 en categorie 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”) aangegeven, met de vier cijfers van het desbetreffende jaartal.
Landbouwopleiding van de bedrijfsleider (kolom T)
De landbouwopleiding wordt uitsluitend vermeld voor de bedrijfsleider(s) (de categorieën 10, 30 en 70 van de groepen UR “niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten” of PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”). De landbouwopleiding wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:
|
1 |
uitsluitend praktische landbouwkundige ervaring |
|
2 |
landbouwkundige basisopleiding |
|
3 |
volledige landbouwkundige opleiding |
Totale arbeid op het bedrijf (landbouwwerkzaamheden en arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden)
De werkzaamheden op het bedrijf omvatten alle organisatorische, toezichthoudende en uitvoerende werkzaamheden, hetzij handenarbeid, hetzij administratieve arbeid, die worden verricht in het kader van de landbouwwerkzaamheden op het bedrijf, alsmede de activiteiten in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:
landbouwwerkzaamheden op het bedrijf:
|
— |
financieel-organisatorische en leidinggevende werkzaamheden (aankopen en verkopen betreffende het bedrijf, boekhouding enz.), |
|
— |
werkzaamheden op het land (ploegen, zaaien, oogsten, verzorging van boomgaarden enz.), |
|
— |
werkzaamheden voor de veehouderij (bereiding van voer, voedering van de dieren, melken, verzorging van de dieren enz.), |
|
— |
klaarmaken van producten voor de markt, de opslag, de rechtstreekse verkoop van landbouwproducten, de verwerking van landbouwproducten voor eigen gebruik, de productie van wijn en olijfolie, |
|
— |
lopend onderhoud van gebouwen, machines, installaties, hagen, sloten enz., |
|
— |
transportwerkzaamheden voor het bedrijf voor zover die door arbeidskrachten van het bedrijf worden verricht, |
activiteiten in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:
|
— |
loonwerk (met behulp van productiemiddelen van het bedrijf), |
|
— |
toerisme, accommodatie en andere vormen van vrijetijdsbesteding, |
|
— |
verwerking van landbouwproducten (ongeacht of de grondstof op het bedrijf is geproduceerd dan wel afkomstig is van buiten het bedrijf), bv. kaas, boter, verwerkt vlees enz., |
|
— |
opwekking van hernieuwbare energie, |
|
— |
bosbouw en houtverwerking, |
|
— |
overige andere winstgevende werkzaamheden (zorglandbouw, ambachtelijke activiteiten, aquacultuur enz.). |
Tot de bedrijfswerkzaamheden behoren niet:
|
— |
de productie van kapitaalgoederen (bouw of groot onderhoud van gebouwen en machines, aanplanten van boomgaarden, afbraak van gebouwen, rooien van fruitbomen enz.), |
|
— |
werkzaamheden voor de huishouding van het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) of de bedrijfsleider(s). |
Jaarlijkse arbeidstijd (kolom Y1)
De arbeidstijd wordt voor alle groepen en categorieën in uren aangegeven. Het gaat om de aan bedrijfswerkzaamheden bestede tijd. Voor een mindervalide arbeidskracht wordt de arbeidstijd verlaagd in verhouding tot zijn/haar capaciteiten. De arbeidstijd voor tariefwerk wordt bepaald door het in totaal betaalde bedrag te delen door het uurloon van op tijdloon aangeworven arbeidskrachten.
Arbeidsjaareenheden (kolom W1)
De regelmatig werkzame arbeidskrachten worden omgerekend in arbeidsjaareenheden. Voor niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten (categorie 50 van zowel niet-betaalde UC als betaalde PC) en voor categorie 80 van de groep EX “externe werknemers” wordt het aantal arbeidsjaareenheden niet opgegeven. Eén arbeidsjaareenheid komt overeen met één persoon die voltijds op het bedrijf werkzaam is. Eén persoon kan niet als meer dan één arbeidsjaareenheid gelden, zelfs niet als zijn werkelijke arbeidstijd de norm voor de betrokken streek en productierichting overschrijdt. Iemand die niet het hele jaar op het bedrijf werkt, vormt een deel van een jaareenheid. Het voor een dergelijk iemand in aanmerking te nemen deel van een arbeidsjaareenheid wordt berekend door zijn werkelijke jaarlijkse arbeidstijd te delen door de normale jaarlijkse arbeidstijd van een voltijdwerker in de betrokken streek en productierichting.
Voor een mindervalide arbeidskracht wordt (het deel van) de arbeidsjaareenheid verlaagd in verhouding tot zijn/haar capaciteiten.
Aandeel van de arbeid in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden in % van de jaarlijkse arbeidstijd (kolom Y2)
Het aandeel van de arbeid in het kader van andere winstgevende werkzaamheden, uitgedrukt in arbeidstijd, is verplicht voor alle categorieën. Dit wordt uitgedrukt in % van de arbeidsuren tijdens het rapportagejaar.
Lonen en sociale lasten per jaar (kolom AW)
Lonen en sociale lasten voor betaalde arbeidskrachten per jaar (zie de toelichting in tabel H onder code 1010) worden vermeld voor de categorieën 10, 20, 50 en 70 van de groep PR “betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten”. Voor de categorieën 10, 20 en 70 hebben deze betrekking op elke persoon, terwijl het voor categorie 50 om een gemiddeld bedrag moet gaan.
Lonen en sociale lasten per uur (kolom AW1)
De gemiddelde lonen en sociale lasten voor betaalde arbeidskrachten per uur (zie de toelichting in tabel H onder code 1010) worden vermeld voor categorie 60 van de groep PC “betaalde niet-regelmatig werkzame arbeidskrachten”.
Pensionering (kolom R)
Hier wordt vermeld of de bedrijfshoofden en/of bedrijfsleiders recht hebben op een ouderdomspensioen (verplicht en/of aanvullend, voor hun werk in de landbouw en/of in andere sectoren). Deze informatie wordt alleen verstrekt voor niet-betaalde regelmatig werkzame arbeidskrachten (UR) voor de categorieën 10, 20 en 30.
De dekking van de pensioenregeling wordt aangeduid met een codenummer, namelijk:
|
1 |
ja (de persoon heeft recht op een ouderdomspensioen) |
|
2 |
nee (de persoon heeft geen recht op een ouderdomspensioen) |
Tabel D
Activa en investeringen
Structuur van de tabel
|
Categorie activa |
Code (*) |
|
|
|
Kolom |
|
|
Informatiegroep |
Waarde |
|
|
V |
||
|
OV |
Begininventaris |
|
|
AD |
Geaccumuleerde afschrijvingen |
|
|
DY |
Afschrijvingen in het lopende jaar |
|
|
IP |
Investeringen/aankopen, vóór aftrek van subsidies |
|
|
S |
Subsidies |
|
|
SA |
Verkopen |
|
|
CV |
Eindinventaris |
|
|
“Code (*) |
Omschrijving |
OV |
AD |
DY |
IP |
S |
SA |
CV |
|
1005 |
Geldmiddelen, vorderingen, overige vlottende activa en equivalenten |
|
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
1040 |
Voorraden |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
2010 |
Biologische activa — gewassen |
|
|
|
|
|
|
|
|
3010 |
Landbouwgrond |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
3020 |
Grondverbeteringen |
|
|
|
|
|
|
|
|
3030 |
Bedrijfsgebouwen |
|
|
|
|
|
|
|
|
4010 |
Machines en bedrijfsuitrusting |
|
|
|
|
|
|
|
|
5010 |
Bossen inclusief houtopstand |
|
— |
— |
|
|
|
|
|
7005 |
Immateriële activa |
|
|
|
|
|
|
|
|
8010 |
Overige niet-vlottende activa |
|
|
|
|
|
|
|
De volgende categorieën activa moeten worden gebruikt:
1005. Geldmiddelen, vorderingen, overige vlottende activa en equivalenten
Geldmiddelen en andere activa die gemakkelijk in geldmiddelen kunnen worden omgezet. Vorderingen op korte termijn, aan het bedrijf verschuldigde bedragen die normaal voortvloeien uit de bedrijfsactiviteiten. Alle andere activa die gemakkelijk kunnen worden verkocht of waarvan wordt verwacht dat zij binnen een jaar worden betaald.
1040. Voorraden
Productvoorraden die eigendom zijn van het bedrijf en als productiemiddel kunnen worden gebruikt of voor verkoop worden aangehouden, ongeacht of die door het bedrijf zijn geproduceerd of zijn aangekocht.
2010. Biologische activa — gewassen
De waarde van alle gewassen die nog niet zijn geoogst (meerjarige teelten en gewassen op stam). Geaccumuleerde afschrijvingen (D.AD) en afschrijvingen in het lopende jaar (D.DY.) hoeven enkel voor blijvende teelten te worden gerapporteerd.
3010. Landbouwgrond
Landbouwgrond die eigendom is van het bedrijf.
3020. Grondverbeteringen
Cultuurtechnische verbeteringen (bv. afrasteringen, drainage, vaste bevloeiingsinstallaties enz.) in eigendom van het bedrijfshoofd ongeacht de exploitatievorm van de grond. De vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.
3030. Bedrijfsgebouwen
Gebouwen in eigendom van het bedrijfshoofd ongeacht de exploitatievorm van de grond. Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.
4010. Machines en bedrijfsuitrusting
Trekkers, eenassige trekkers, vrachtwagens, bestelwagens, personenauto's, grote en kleine uitrustingsstukken. Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.
5010. Bossen inclusief houtopstand
Bosgrond in eigendom die tot het landbouwbedrijf behoort.
7005. Immateriële activa
Alle immateriële activa die gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. quota en rechten voor zover die zonder grond kunnen worden verhandeld en er een actieve markt voor bestaat), alsmede die welke niet gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. software, vergunningen enz.). Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.
Alle andere immateriële activa die niet gemakkelijk kunnen worden gekocht of verkocht (bv. software, vergunningen enz.). Deze rubriek moet worden ingevuld en de vermelde bedragen zijn onderhevig aan afschrijving in kolom DY.
8010. Overige niet-vlottende activa
Andere langetermijnactiva. De rubriek moet worden ingevuld en, indien van toepassing, moeten de afschrijvingsbedragen in kolom DY worden vermeld.
Informatiegroepen in tabel D
Deze tabel omvat de volgende informatiegroepen: (OV) begininventaris, (AD) geaccumuleerde afschrijvingen, (DY) afschrijvingen in het lopende jaar, (IP) investeringen of aankopen vóór aftrek van subsidies, (S) subsidies, (SA) verkopen, (CV) eindinventaris. Deze groepen worden hieronder toegelicht.
Er is maar één kolom: waarde.
Waarderingsmethoden
De volgende waarderingsmethoden worden gebruikt:
|
Waarde in het economisch verkeer (reële waarde), na aftrek van de geraamde verkoopkosten |
Bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld in een zakelijke, objectieve transactie tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn, min de kosten die naar verwachting voor de verkoop zullen worden gemaakt |
3010 , 5010 , 7005 indien verhandelbaar |
|
Historische kostprijs |
Nominale of oorspronkelijke kosten van een actief bij aankoop |
2010 , 3020 , 3030 , 4010 , 7005 indien niet-verhandelbaar |
|
Boekwaarde |
Waarde waartegen een actief op de balans is opgenomen |
1005 , 1040 , 8010 |
D.OV. Begininventaris
De begininventaris is de waarde van de activa bij het begin van het boekjaar. Voor de bedrijven die in het voorgaande jaar eveneens in de steekproef zaten, moet de begininventaris gelijk zijn aan de eindinventaris van het voorgaande jaar.
D.AD. Geaccumuleerde afschrijvingen
Dit is de som van de afschrijvingen van de activa vanaf het begin van de levensduur ervan tot het einde van de voorgaande periode.
D.DY. Afschrijvingen in het lopende jaar
De systematische toedeling van het af te schrijven bedrag van een actief over de levensduur ervan.
Elke lidstaat zendt de Commissie in verband met het opzetten van het in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde computersysteem voor de levering en controle van informatie tijdig een tabel met de door de lidstaat toegepaste jaarlijkse afschrijvingspercentages toe.
D.IP. Investeringen/aankopen
Bedrag van de aankopen, het groot onderhoud en de productie van kapitaalgoederen gedurende het boekjaar. Voor zover de investeringen aanleiding zijn geweest tot premies en subsidies, wordt in kolom IP het bedrag aangegeven waarop de premies en subsidies niet in mindering zijn gebracht.
De aankoop van kleine uitrustingsstukken en van jonge bomen en struiken voor een vervanging van slechts geringe omvang, komt niet in deze kolom maar is begrepen in de kosten van het boekjaar.
Groot onderhoud waardoor de machine of bedrijfsuitrusting daadwerkelijk een meerwaarde heeft gekregen ten opzichte van vóór het onderhoud, is eveneens in deze kolom begrepen, en wel hetzij als integrerend deel van de afschrijvingen, bij welke in voorkomende gevallen rekening wordt gehouden met de verlenging van de levensduur als gevolg van het onderhoud, hetzij als jaarlijks deel van het over de verwachte levensduur verdeelde onderhoudsbedrag.
De waarde van de geproduceerde kapitaalgoederen, gewaardeerd tegen hun kosten (met inbegrip van de waarde van de betaalde en/of niet-betaalde arbeid), wordt toegevoegd aan de waarde van de kapitaalgoederen die onder de codes 2010 tot en met 8010 van tabelD “Activa” is vermeld.
D.S. Investeringssubsidies
Tot dusver (in het vorige en het lopende boekjaar) ontvangen deel van de subsidies voor de in deze tabel opgenomen activa.
D.SA. Verkopen
Bedrag van de totale verkopen van activa tijdens het boekjaar.
D.CV. Eindinventaris
De eindinventaris is de waarde van de activa aan het einde van het boekjaar.
Commentaar
Voor de punten 3010 en 5010 wordt het verschil tussen enerzijds OV + IP – SA en anderzijds CV beschouwd als inkomen of verlies (als gevolg van wijzigingen in zowel de eenheidsprijs als het volume) voor die activa voor het betrokken boekjaar.
Informatie over “biologische activa — dieren” wordt opgenomen in tabel J „Dieren”.
Tabel E
Quota en andere rechten
|
TABEL E |
|||||
|
Quota en andere rechten |
|||||
|
Categorie quota of rechten |
Code (*) |
|
|||
|
|
|||||
|
|
Kolommen |
||||
|
Informatiegroep |
Quota in eigendom |
Gehuurde quota |
Verhuurde quota |
Belastingen |
|
|
|
|
N |
I |
O |
T |
|
|
Hoeveelheid aan het einde van het boekjaar |
|
|
|
— |
|
QP |
Aangekochte quota |
|
— |
— |
— |
|
QS |
Verkochte quota |
|
— |
— |
— |
|
OV |
Begininventaris |
|
— |
— |
— |
|
CV |
Eindinventaris |
|
— |
— |
— |
|
PQ |
Betalingen voor geleasete of gehuurde quota |
— |
|
— |
— |
|
RQ |
Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota |
— |
— |
|
— |
|
TX |
Belastingen |
— |
— |
— |
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
|
50 |
Organische mest |
|
60 |
Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling en betalingsrechten in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid |
De hoeveelheden quota (quota in eigendom, gehuurde en verhuurde quota) zijn verplicht in te vullen rubrieken. Alleen de hoeveelheid aan het einde van het boekjaar wordt geregistreerd.
De waarden van quota die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden in deze tabel geboekt. Quota die niet los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld, worden uitsluitend in tabel D „Activa” geboekt. Ook quota die oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen, moeten met hun huidige marktwaarde worden vermeld als zij los van grond verhandeld kunnen worden.
Sommige in te vullen gegevens zijn tegelijk ook, afzonderlijk of als deel van een groter geheel, begrepen in andere groepen of categorieën in de tabellen D „Activa”, H „Productiemiddelen” en/of I „Gewassen”.
De volgende categorieën moeten worden gebruikt:
|
50 |
Organische mest |
|
60 |
Betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling en betalingsrechten in het kader van de basisinkomenssteun voor duurzaamheid. |
De volgende informatiegroepen moeten worden gebruikt:
E.QQ. Hoeveelheid (uitsluitend de kolommen N, I en O)
De volgende eenheden moeten worden gebruikt:
|
* |
categorie 50 (organische mest): aantal dieren omgerekend met standaardomrekeningsfactoren voor de mestuitscheiding; |
|
* |
categorie 60 (basisbetalingsregeling en basisinkomenssteun voor duurzaamheid): het aantal rechten. |
E.QP. Aangekochte quota (uitsluitend kolom N)
Het bedrag dat is betaald voor de aankoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.
E.QS. Verkochte quota (uitsluitend kolom N)
Het bedrag dat is ontvangen voor de verkoop tijdens het boekjaar van quota of andere rechten die los kunnen worden verhandeld van de grond waaraan zij zijn gekoppeld.
E.OV. Begininventaris (uitsluitend kolom N)
De waarde op de begininventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.
E.CV. Eindinventaris (uitsluitend kolom N)
De waarde op de eindinventaris (huidige marktwaarde) van de hoeveelheden die het bedrijfshoofd in eigendom heeft, ongeacht of deze hoeveelheden oorspronkelijk kosteloos zijn verkregen dan wel zijn aangekocht, moet worden ingevuld indien de quota los van de betrokken grond kunnen worden verhandeld.
E.PQ. Betalingen voor geleasete of gehuurde quota (uitsluitend kolom I)
Bedrag aan leasing- of huurkosten voor het quotum of ander recht. Ook begrepen in categorie 5070 (betaalde pacht) van tabel H „Productiemiddelen”.
E.RQ. Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota (uitsluitend kolom O)
Ontvangsten uit het leasen of verhuren van quota of andere rechten. Ook begrepen in categorie 90900 („Overige”) van tabel I „Gewassen”.
E.TX. Belastingen, extra heffing (kolom T)
Betaald bedrag
KOLOMMEN IN TABEL E
Kolom N verwijst naar quota in eigendom, kolom I naar gehuurde quota, kolom O naar verhuurde quota en kolom T naar belastingen.
Tabel F
Schulden en kredieten
Structuur van de tabel
|
Categorie schulden |
Code (*) |
||
|
|
Kolommen |
||
|
Informatiegroep |
Op korte termijn |
Op lange termijn |
|
|
S |
L |
||
|
OV |
Begininventaris |
|
|
|
CV |
Eindinventaris |
|
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
S |
L |
|
1010 |
Commerciële schulden (standaard) |
|
|
|
1020 |
Commerciële schulden (bijzondere voorwaarden) |
|
|
|
1030 |
Familieleningen/particuliere leningen |
|
|
|
2010 |
Verschuldigde bedragen |
|
— |
|
3000 |
Overige passiva |
|
|
Passiva van het bedrijf: de aangegeven bedragen hebben uitsluitend betrekking op de nog terug te betalen bedragen, dat wil zeggen de aangegane lening min de reeds verrichte aflossingen.
Hierbij worden de volgende categorieën gebruikt:
|
— |
1010. Commerciële schulden(standaard): leningen waarvoor geen steun wordt verleend in het kader van overheidsmaatregelen die het opnemen van kredieten bevorderen. |
|
— |
1020. Commerciële schulden (bijzondere voorwaarden): leningen waarvoor steun wordt verleend in het kader van overheidsmaatregelen (rentesubsidies, waarborgen enz.). |
|
— |
1030. Familieleningen/particuliere leningen: leningen die met een natuurlijke persoon zijn aangegaan dankzij diens familiebanden/persoonlijke relatie met de schuldenaar. |
|
— |
2010. Verschuldigde bedragen: aan leveranciers verschuldigde bedragen. |
|
— |
3000. Overige passiva: andere passiva dan leningen of verschuldigde bedragen. |
Twee informatiegroepen moeten worden geregistreerd: (OV) begininventaris en (CV) eindinventaris.
Er zijn twee kolommen: (S) passiva op korte termijn en (L) passiva op lange termijn:
|
— |
Passiva op korte termijn: schulden en andere passiva die betrekking hebben op het bedrijf en in minder dan één jaar moeten worden terugbetaald. |
|
— |
Passiva op lange termijn: schulden en andere passiva die betrekking hebben op het bedrijf en waarvoor de looptijd één jaar of meer bedraagt. |
Tabel G
Belasting over de toegevoegde waarde (btw)
Structuur van de tabel
|
Categorie btw-regeling |
Code (*) |
|
||
|
Informatiegroep |
Btw-regeling |
Saldo voor niet-investeringstransacties |
Saldo voor investeringstransacties |
|
|
|
|
C |
NI |
I |
|
VA |
Btw-regelingen op het bedrijf |
|
|
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
|
1010 |
Belangrijkste btw-regeling op het bedrijf |
|
1020 |
Secundaire btw-regeling op het bedrijf |
|
Overzicht van de btw-regelingen voor beide categorieën |
C |
NI |
I |
|
Normale btw-regeling |
1 |
— |
— |
|
Gedeeltelijke compensatieregeling |
2 |
|
|
De monetaire gegevens op het bedrijfsformulier zijn exclusief btw.
Voor de gegevens over de btw-regeling moeten de volgende categorieën worden gebruikt:
1010. Belangrijkste btw-regeling op het bedrijf
|
1. |
Normale btw-regeling |
— |
de btw-regeling die voor de landbouwbedrijven gegarandeerd inkomensneutraal is aangezien het btw-saldo met de belastingautoriteiten wordt vereffend. |
|
2. |
Gedeeltelijke compensatieregeling |
— |
de btw-regeling die voor de landbouwbedrijven niet gegarandeerd inkomensneutraal is, hoewel zij een mechanisme kan bevatten waarmee betaalde en ontvangen btw bij benadering worden gecompenseerd. |
1020. Secundaire btw-regeling op het bedrijf
De codes zoals die voor de belangrijkste btw-regeling zijn gedefinieerd.
Er is slechts één informatiegroep: (VA) btw-regelingen op het bedrijf. Er zijn drie kolommen: (C) code van de btw-regeling, (NI) saldo voor niet-investeringstransacties en (I) saldo voor investeringstransacties.
Als op het bedrijf de normale btw-regeling wordt toegepast, volstaat het dit aan te geven. Als op het bedrijf wordt gewerkt met een gedeeltelijke compensatieregeling voor de btw, moeten ook het btw-saldo voor niet-investeringstransacties en het btw-saldo voor investeringstransacties worden vermeld.
Wanneer de inkomsten van het bedrijf door de btw-omzet toenemen, dan is het hierboven bedoelde btw-saldo een positief getal. Bij een daling van de inkomsten is het saldo negatief.
Tabel H
Productiemiddelen
Structuur van de tabel
|
Categorie productiemiddelen |
Code (*) |
|||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|||
|
Waarde |
Hoeveelheid |
|||
|
V |
Q |
|||
|
LM |
Kosten en productiemiddelen met betrekking tot arbeid en machines |
|
|
|
|
SL |
Specifieke kosten van de veehouderij |
|
|
|
|
SC |
Specifieke kosten en productiemiddelen met betrekking tot gewassen |
|
|
|
|
OS |
Specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden |
|
|
|
|
FO |
Algemene bedrijfskosten |
|
|
|
|
Code (*) |
Groep |
Omschrijving |
V |
Q |
|
1010 |
LM |
Lonen en sociale lasten voor de betaalde arbeidskrachten |
|
— |
|
1020 |
LM |
Loonwerk en huur van machines |
|
— |
|
1030 |
LM |
Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting |
|
— |
|
1040 |
LM |
Motorbrandstoffen en smeermiddelen |
|
— |
|
1050 |
LM |
Kosten van personenauto's |
|
— |
|
2010 |
SL |
Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht krachtvoer |
|
— |
|
2020 |
SL |
Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht ruwvoer |
|
— |
|
2030 |
SL |
Aangekocht varkensvoer |
|
— |
|
2040 |
SL |
Voor pluimvee en overig kleinvee aangekocht voer |
|
— |
|
2050 |
SL |
Op het bedrijf geproduceerd krachtvoer voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) |
|
— |
|
2060 |
SL |
Op het bedrijf geproduceerd varkensvoer |
|
— |
|
2070 |
SL |
Op het bedrijf geproduceerd voer voor pluimvee en overig kleinvee |
|
— |
|
2080 |
SL |
Veterinaire uitgaven |
|
— |
|
2090 |
SL |
Overige specifieke kosten van de veehouderij |
|
— |
|
3010 |
SC |
Aangekocht zaaigoed en pootgoed |
|
— |
|
3020 |
SC |
Op het bedrijf geproduceerd en gebruikt zaaigoed en pootgoed |
|
— |
|
3030 |
SC |
Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen |
|
— |
|
3031 |
SC |
Hoeveelheid N in minerale meststoffen |
— |
|
|
30311 |
SC |
waarvan vast ureum (facultatief) |
— |
|
|
30312 |
SC |
waarvan ureum in ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat (facultatief) |
— |
|
|
30313 |
SC |
waarvan calcium-ammoniumnitraatmeststoffen (facultatief) |
— |
|
|
3032 |
SC |
Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen |
— |
|
|
3033 |
SC |
Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen |
— |
|
|
3034 |
SC |
Aangekochte stalmest |
|
— |
|
3040 |
SC |
Gewasbeschermingsmiddelen |
|
— |
|
3090 |
SC |
Overige specifieke kosten van gewassen |
|
— |
|
4010 |
OS |
Specifieke kosten van bossen en houtverwerking |
|
— |
|
4020 |
OS |
Specifieke kosten van de verwerking van gewassen |
|
— |
|
4030 |
OS |
Specifieke kosten van de verwerking van koemelk |
|
— |
|
4045 |
OS |
Specifieke kosten van de verwerking van melk van andere dieren |
|
— |
|
4070 |
OS |
Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten |
|
— |
|
4090 |
OS |
Overige specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden |
|
— |
|
5010 |
FO |
Lopend onderhoud van bedrijfsgebouwen en van cultuurtechnische verbeteringen |
|
— |
|
5020 |
FO |
Elektriciteit |
|
— |
|
5030 |
FO |
Verwarmingsbrandstoffen, totaalbedrag |
|
— |
|
5031 |
FO |
waarvan aardgas en fabrieksgassen |
|
— |
|
5032 |
FO |
waarvan olie en aardolieproducten |
|
— |
|
5033 |
FO |
waarvan vaste fossiele brandstoffen |
|
— |
|
5034 |
FO |
waarvan hernieuwbare brandstoffen (hout, stro, biogas, …) |
|
— |
|
5035 |
FO |
waarvan van andere oorsprong |
|
— |
|
5040 |
FO |
Water |
|
— |
|
5051 |
FO |
Landbouwverzekering |
|
— |
|
5055 |
FO |
Andere bedrijfsverzekeringen |
|
— |
|
5061 |
FO |
Belastingen en andere bijdragen |
|
— |
|
5062 |
FO |
Belastingen en andere heffingen op grond en gebouwen |
|
— |
|
5070 |
FO |
Betaalde pacht, totaalbedrag |
|
— |
|
5071 |
FO |
waarvan voor grond betaalde pacht |
|
— |
|
5080 |
FO |
Betaalde rente en financieringskosten |
|
— |
|
5090 |
FO |
Overige algemene bedrijfskosten |
|
— |
De op het bedrijf ingezette productiemiddelen (kosten in geld en natura en hoeveelheden geselecteerde productiemiddelen) komen overeen met het „verbruik” (inclusief het intern verkeer) van productiemiddelen dat betrekking heeft op de tijdens het boekjaar verkregen opbrengsten of dat gedurende het boekjaar heeft plaatsgehad. Wanneer een bepaald gebruik gedeeltelijk te maken heeft met privégebruik en gedeeltelijk met gebruik voor het bedrijf (bv. elektriciteit, water, brandstoffen voor verwarming en motorbrandstoffen enz.), wordt alleen dit laatste deel op het bedrijfsformulier vermeld. Het deel van het gebruik van privéauto’s dat betrekking heeft op het gebruik voor bedrijfsdoeleinden, wordt eveneens in aanmerking genomen.
De kosten met betrekking tot de opbrengsten van het boekjaar worden verkregen door de aankopen van het boekjaar (met inbegrip van het intern verkeer) te corrigeren met de inventarisverschillen (inclusief verschillen in veldinventaris). Voor ieder van de desbetreffende kosten worden het bedrag van de betaalde kosten en de waarde van het intern verkeer afzonderlijk aangegeven.
Als de vermelde kosten het totale “verbruik” van productiemiddelen gedurende het boekjaar betreffen, maar niet zijn gemaakt voor productie in dat jaar, worden de voorraadmutaties voor de productiemiddelen aangegeven in tabel D onder code 1040 “Voorraden”, behalve de kosten van de veldinventaris meerjarige teelten en gewassen op stam, die moeten worden geregistreerd onder code 2010 “Biologische activa — gewassen”.
Biologische activa — gewassen Wanneer de productiemiddelen van het bedrijf (arbeidskrachten inclusief niet-betaalde arbeidskrachten, machines en bedrijfsuitrusting) worden gebruikt voor de productie van kapitaalgoederen (bouw of groot onderhoud van machines, bouw, groot onderhoud of afbraak van gebouwen, aanplanten of rooien van fruitbomen), mogen de desbetreffende kosten — zo nodig geraamd — niet worden opgenomen in de lopende kosten van het bedrijf. In alle gevallen moeten de arbeidskosten en de arbeidsuren voor de productie van kapitaalgoederen worden uitgesloten van, respectievelijk, de kosten en de gegevens betreffende de arbeidskrachten. Bij uitzondering, indien het niet mogelijk is bepaalde productiekosten van kapitaalgoederen, andere dan arbeidskosten (bv. gebruik van de trekker van het bedrijf), afzonderlijk te bepalen en deze kosten derhalve in de bedrijfskosten begrepen zijn, wordt de geschatte waarde van het geheel van deze productiekosten van kapitaalgoederen in tabel I „Gewassen” onder de gewascategoriecode 90900 („Overige”) vermeld.
De kosten van het “gebruik” van kapitaalgoederen komen tot uiting in de afschrijvingen. Daarom worden de uitgaven voor het verwerven van kapitaalgoederen niet als bedrijfskosten beschouwd. Instructies over afschrijvingen zijn opgenomen in tabel D “Activa”.
Onder een kostenpost vallende uitgaven die tijdens het boekjaar of daarna door een schadeloosstelling worden vergoed (bv. reparatie van een trekker na een ongeluk die wordt betaald door een verzekeringsmaatschappij of door de aansprakelijke derde), worden niet als bedrijfskosten beschouwd. Het ontvangen bedrag wordt evenmin opgenomen.
De ontvangsten voor weer verkochte productiemiddelen moeten worden afgetrokken van de desbetreffende kostenposten.
Premies en subsidies met betrekking tot gemaakte kosten worden niet afgetrokken van de desbetreffende kostenbedragen, maar worden vermeld onder de passende code, gaande van 4100 tot 4900 in tabel M „Subsidies” (zie de instructies betreffende deze codes). Premies en subsidies voor investeringen worden vermeld in tabel D „Activa”.
De kosten omvatten eveneens de eventuele aankoopkosten betreffende elke kostenpost.
De productiemiddelen worden als volgt ingedeeld:
1010. Lonen en sociale lasten voor de betaalde arbeidskrachten
Deze post omvat de volgende kosten:
|
— |
de eigenlijke lonen en salarissen die in geld zijn betaald aan de betaalde arbeidskrachten, ongeacht de manier waarop de beloning wordt bepaald (tijdloon of tariefloon), na aftrek van eventuele uitkeringen van sociale aard die aan het bedrijfshoofd als werkgever zijn betaald ter compensatie voor de betaling van loon dat niet overeenkomt met een werkelijke werkprestatie (bv. afwezigheid van het werk wegens ongeval, beroepsopleiding enz.), |
|
— |
de in natura betaalde lonen en salarissen (bv. inwoning, kost, woning, producten van het bedrijf enz.), |
|
— |
premies op grond van productiviteit of vakbekwaamheid, geschenken, fooien, winstaandeel, |
|
— |
overige kosten voor arbeidskrachten (aanwervingskosten), |
|
— |
sociale lasten ten laste van de werkgever en sociale lasten die door de werkgever worden betaald in naam en plaats van de werknemer, |
|
— |
verzekering tegen arbeidsongevallen. |
Sociale lasten en persoonlijke verzekeringen voor het bedrijfshoofd en voor de niet-betaalde arbeidskrachten worden niet als bedrijfskosten beschouwd.
Aan niet-betaalde arbeidskrachten uitgekeerde bedragen, die per definitie lager zijn dan de normale beloning (zie definitie niet-betaalde arbeidskrachten), worden niet op het bedrijfsformulier vermeld.
Uitkeringen (in geld of natura) aan voormalige betaalde arbeidskrachten die gepensioneerd zijn en op het bedrijf geen enkel werk meer verrichten, worden niet onder deze post geboekt maar onder de code “Overige algemene bedrijfskosten”.
1020. Loonwerk en huur van machines
Deze post omvat de volgende kosten:
|
— |
het bedrag betaald aan loonwerkbedrijven voor verrichte bedrijfswerkzaamheden. Dit bedrag kan de vergoeding voor de kosten van het gebruik van machines (inclusief brandstofkosten) en voor het werk omvatten. Als de kosten van andere gebruikte producten dan brandstof (d.w.z. gewasbeschermingsmiddelen, meststoffen en zaai- en pootgoed) eveneens bij de contractprijs zijn inbegrepen, worden de kosten van die producten hier buiten beschouwing gelaten. Het (desnoods geschatte) bedrag daarvan wordt in de desbetreffende kostenposten (bv. bestrijdingsmiddelen onder code 3040 “Gewasbeschermingsmiddelen”) vermeld, |
|
— |
de kosten van de huur van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf. De brandstofkosten in verband met het gebruik van gehuurde machines worden onder code 1040 “Motorbrandstoffen en smeermiddelen” vermeld, |
|
— |
de kosten van de leasing van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf. De brandstof- en onderhoudskosten voor geleasete machines worden in de desbetreffende codes (code 1030 “Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting” en code 1040 “Motorbrandstoffen en smeermiddelen”) vermeld. |
1021. Loonwerk
Kosten van loonwerkers, exclusief de kosten van het gebruik van bedrijfsuitrusting. Deze omvatten de kosten van werknemers die via derden (bv. uitzendbureaus) zijn aangeworven.
1022. Huur van machines
Kosten voor de huur en leasing van machines die gebruikt worden door het personeel van het bedrijf en de kosten van dienstverleners, met inbegrip van zowel loonwerkers als de levering van machines.
1030. Lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting
Kosten van onderhoud en kleine herstellingen van machines en bedrijfsuitrusting die de marktwaarde van die goederen niet veranderen (betaling voor het werk van een monteur, kosten van reserveonderdelen enz.).
Deze post omvat ook de aankoop van kleine uitrustingsstukken, de kosten van zadelmaker en hoefbeslag voor werkpaarden, de aankoop van banden, frames van kweekkassen, beschermingskleding voor de uitvoering van ongezonde werkzaamheden en reinigingsproducten voor het reinigen van bedrijfsuitrusting in het algemeen, en het deel van de kosten van personenauto's dat het gebruik voor bedrijfsdoeleinden betreft (zie ook code 1050). Reinigingsproducten voor het reinigen van in de veehouderij gebruikte machines (bv. melkmachines) worden vermeld onder code 2090 “Overige specifieke kosten van de veehouderij”.
Grote herstellingen die aan de machine of bedrijfsuitrusting een meerwaarde geven ten opzichte van de waarde vóór de reparatie, worden niet onder deze code opgenomen (zie ook de instructies over de afschrijving van machines en bedrijfsuitrusting in tabel D „Activa”).
1040. Motorbrandstoffen en smeermiddelen
Deze post omvat ook het deel van de kosten van brandstoffen en smeermiddelen voor personenauto's dat overeenkomt met het gebruik voor bedrijfsdoeleinden (zie ook code 1050).
Indien aardolieproducten zowel als motorbrandstof als voor verwarming worden gebruikt, wordt het bedrag verdeeld over de twee codes:
|
1040. |
„Motorbrandstoffen en smeermiddelen” |
|
5030. |
„Brandstoffen voor verwarming”. |
1050. Kosten van personenauto's
Als het op het gebruik voor bedrijfsdoeleinden betrekking hebbende deel van de kosten van personenauto’s forfaitair wordt bepaald (bv. als een vast bedrag per km), worden die kosten onder deze code aangegeven.
Veevoeder
Bij het gebruikte veevoeder wordt een onderscheid gemaakt tussen aangekocht veevoer en op het bedrijf geproduceerd veevoer.
Het aangekochte veevoer omvat tevens de aankoop van minerale likstenen, melkproducten (aangekocht of teruggeleverd) en producten voor de bewaring en conservering van veevoer, betaald weidegeld en kosten voor de opfok van jongvee buiten het bedrijf, alsmede de kosten van het gebruik van niet in de cultuurgrond begrepen gemeenschapsweiden en van de huur van andere niet in de cultuurgrond begrepen oppervlakten grasland en voedergewassen. Aangekocht strooisel en stro zijn eveneens in het aangekochte veevoer begrepen.
Aangekocht veevoer voor graasdieren wordt onderverdeeld in krachtvoer en ruwvoer (dit laatste is inclusief weidegeld en kosten voor de opfok van jongvee buiten het bedrijf, alsmede de kosten van het gebruik van niet in de cultuurgrond begrepen gemeenschapsweiden en andere oppervlakten grasland en voedergewassen en aangekocht strooisel en stro).
Code 2010 “Voor graasdieren (paardachtigen, herkauwers) aangekocht krachtvoer” omvat met name: koeken, mengvoeders, granen, gedroogd gras, gedroogde suikerbietenpulp, vismeel, melk en melkproducten, mineralen en producten voor de bewaring en conservering van dergelijke voedermiddelen.
De kosten van loonwerkers voor ruwvoederwinning, bijvoorbeeld inkuilen, worden aangegeven onder code 1020 “Loonwerk en huur van machines”.
Het intern verkeer van veevoer omvat de marktbare producten van het bedrijf (inclusief melk en melkproducten, maar uitgezonderd de door kalveren gezogen melk, die niet in aanmerking wordt genomen). Strooisel en stro van het bedrijf zijn slechts inbegrepen als zij een marktbaar product vormen in het desbetreffende gebied en boekjaar.
De volgende rubrieken worden onderscheiden:
|
— |
Aangekocht veevoer:
|
|
— |
Intern verkeer van veevoer:
|
2080. Veterinaire uitgaven
Kosten van dierenartsen en geneesmiddelen.
2090. Overige specifieke kosten van de veehouderij
Alle kosten die direct verband houden met de voortbrenging van dierlijke producten, voor zover zij niet afzonderlijk onder andere codes van tabel H worden geboekt: dekgeld, kunstmatige inseminatie, castratie, melkcontrole, contributie voor en inschrijving in het stamboek, reinigingsproducten voor het reinigen van de in de veehouderij gebruikte machines (bv. melkmachine), verpakkingsmateriaal voor dierlijke producten, kosten voor de opslag of het marktklaar maken van dierlijke producten van het bedrijf buiten het bedrijf, verkoopkosten voor dierlijke producten van het bedrijf, kosten voor de afzet van mestoverschotten enz. Omvat ook de kortlopende huur van gebouwen voor het huisvesten van dieren of het opslaan van producten ten behoeve van de veehouderij. Omvat niet de specifieke kosten van de verwerking van dierlijke producten die zijn opgenomen onder de codes 4030 tot en met 4070 van tabel H.
3010. Aangekocht zaaigoed en pootgoed
Aangekocht zaaigoed en pootgoed met inbegrip van bollen en knollen. De aankoop van jonge bomen en struiken voor nieuwe aanplantingen vormt een investering en deze kosten worden aangegeven hetzij onder code 2010 van tabel D „Biologische activa — gewassen”, hetzij onder code 5010 van tabel D „Bossen inclusief houtopstand”. De kosten van jonge bomen en struiken voor een vervanging van slechts geringe omvang worden evenwel als kosten van het boekjaar beschouwd en komen onder deze code, tenzij zij betrekking hebben op bossen die deel uitmaken van het landbouwbedrijf, in welk geval zij onder code 4010 “Specifieke kosten van bossen en houtverwerking” worden geboekt.
De kosten van bewerking van zaaigoed (schonen en ontsmetten) komen eveneens onder deze code.
3020. Op het bedrijf geproduceerd en gebruikt zaaigoed en pootgoed
Zaaigoed en pootgoed (met inbegrip van bollen en knollen) van eigen bedrijf.
3030. Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen
Aangekochte kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen (bv. kalk) met inbegrip van compost, turfstrooisel en stalmest (stalmest van het eigen bedrijf niet inbegrepen).
Kunstmest en bodemverbeteringsmiddelen die worden gebruikt voor tot het bedrijf behorende bossen, worden aangegeven onder code 4010 „Specifieke kosten van bossen en houtverwerking”.
3031 Hoeveelheid in kwintalen N in minerale meststoffen
30311 waarvan vast ureum (facultatief)
Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in vast ureum aanwezige stikstof (N)
30312 waarvan ureum in meststoffen op basis van ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat
Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in ureum-ammoniumnitraat en ureum-ammoniumsulfaat aanwezige stikstof (N) (facultatief)
30313 waarvan meststoffen op basis van calcium-ammoniumnitraat
Hoeveelheid (gewicht) in meststoffen op basis van in calcium-ammoniumnitraat aanwezige stikstof (N) (facultatief)
3034. Aangekochte stalmest
Waarde van de aangekochte stalmest.
3040. Gewasbeschermingsmiddelen
Alle producten gebruikt voor de bescherming van de gewassen tegen parasieten, ziekten, vreterij, slechte weersomstandigheden enz. (middelen voor de bestrijding van insecten, schimmels, onkruid, ongedierte, wild en vogels, antihagelgranaten, middelen voor bescherming tegen vorst enz.). Als de beschermingswerkzaamheden door een loonwerker worden uitgevoerd en de kosten van de gebruikte middelen niet afzonderlijk bekend zijn, wordt het hele bedrag geboekt onder code 1020 „Loonwerk en huur van machines”.
Gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt voor tot het bedrijf behorende bossen, worden aangegeven onder code 4010 „Specifieke kosten van bossen en houtverwerking”.
3090. Overige specifieke kosten van gewassen
Alle kosten die direct verband houden met de plantaardige productie (met inbegrip van blijvend wei- en grasland) voor zover zij niet afzonderlijk onder andere kostenposten worden geboekt: verpakkingsmateriaal, draad en touw, bodemonderzoek, keuringen van gewassen, plastic afdekkingen (bv. in de aardbeienteelt), middelen voor de bewaring van plantaardige producten, kosten voor de opslag en het marktklaar maken van plantaardige producten van het bedrijf buiten het bedrijf, verkoopkosten voor plantaardige producten van het bedrijf, bedragen die zijn betaald voor de aankoop van marktbare gewassen op stam of voor de huur van grond voor een kortere duur dan één jaar om er marktbare gewassen op te telen, leveringen van druiven of olijven die op het bedrijf worden verwerkt enz. Omvat niet de specifieke kosten van de verwerking van andere gewassen dan druiven en olijven, die onder code 4020 moeten worden vermeld. Omvat tevens de kortlopende huur van gebouwen die worden gebruikt voor marktbare gewassen.
4010. Specifieke kosten van bossen en houtverwerking
Kunstmest, gewasbeschermingsmiddelen en diverse specifieke kosten. Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
4020. Specifieke kosten van de verwerking van gewassen
Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van gewassen (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
4030. Specifieke kosten van de verwerking van koemelk
Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van koemelk (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
4045. Specifieke kosten van de verwerking van melk van andere dieren
Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de verwerking van melk (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten) van andere dieren (bv. buffels, schapen en geiten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
4070. Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten
Bestanddelen, grondstoffen of halffabricaten, van het bedrijf of aangekocht en andere specifieke kosten van de vleesverwerking en de verwerking van andere dierlijke producten die niet onder de codes 4030 tot en met 4060 zijn vermeld (bv. specifieke verpakkings- of verkoopkosten). Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
4090. Overige specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden
Grondstoffen, van het bedrijf of aangekocht, en andere specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden. Niet inbegrepen zijn de kosten van arbeid, loonwerk en machinekosten; deze worden opgenomen onder de desbetreffende kostencodes.
5010. Lopend onderhoud van bedrijfsgebouwen en van cultuurtechnische verbeteringen
Klein onderhoud (van de soort die voor rekening van de pachter komt) van gebouwen en cultuurtechnische verbeteringen met inbegrip van kassen, frames en steunstukken. De aankopen van bouwmaterialen die bestemd zijn voor het lopend onderhoud van de gebouwen, worden in deze code vermeld.
De aankopen van bouwmaterialen voor nieuwe investeringen worden vermeld onder de desbetreffende code in de informatiegroep „Investeringen/aankopen” in tabel D „Activa”.
De kosten van grote herstellingen die een meerwaarde aan het betrokken gebouw geven (groot onderhoud) worden niet onder deze code opgenomen. Deze kosten worden als investering vermeld in tabel D, onder code 3030 „Bedrijfsgebouwen”.
5020. Elektriciteit
Totaal verbruik van elektriciteit voor bedrijfsdoeleinden.
5030. Verwarmingsbrandstoffen (totaalbedrag)
Waarde van het totale verbruik van aangekochte verwarmingsbrandstoffen voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen. Deze categorie omvat het verbruik, voor verwarmingsdoeleinden, van aangekochte fossiele brandstoffen: aardgas en fabrieksgassen, olie, aardolieproducten en vaste fossiele brandstoffen, alsmede het verbruik van aangekochte hernieuwbare energiebronnen (bv. hout, stro, pellets en biogas).
5031. Waarvan aardgas en fabrieksgassen
Totaal verbruik van aardgas en andere, industriële fossiele gassen voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.
5032. Waarvan olie en aardolieproducten
Totaal verbruik van olie en aardolieproducten voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.
5033. Waarvan vaste fossiele brandstoffen
Totaal verbruik van vaste fossiele brandstoffen (bv. kolen) voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.
5034. Waarvan hernieuwbare brandstoffen
Totaal verbruik van hernieuwbare brandstoffen (bv. hout, stro, pellets en biogas) voor bedrijfsdoeleinden, met inbegrip van de verwarming van kassen.
De gegevens van de variabelen 5031, 5032, 5033 en 5034 kunnen vanaf boekjaar 2023 vrijwillig worden ingediend en moeten vanaf boekjaar 2025 verplicht worden ingediend.
5035. Waarvan van andere oorsprong
Totaal verbruik van energie geproduceerd van andere oorsprong die niet in de eerdere categorieën zijn opgenomen. Voorbeelden hiervan zijn geothermische energie, stadsverwarming enz.
Stadsverwarming levert warmte vanaf een centrale plaats. In dit systeem genereert een centrale installatie warmte in de vorm van warm water, vaak door de verbranding van fossiele brandstoffen, biomassa of andere hernieuwbare bronnen, waarbij deze via een netwerk van leidingen wordt gedistribueerd.
5040. Water
Kosten van het abonnement op het waterleidingnet en van het verbruik van leidingwater voor alle bedrijfsdoeleinden, inclusief voor irrigatie. De kosten die zijn verbonden aan het gebruik van een eigen watervoorzieningsinstallatie, worden geboekt onder de respectieve desbetreffende codes: afschrijving van machines en bedrijfsuitrusting, lopend onderhoud van machines en bedrijfsuitrusting, motorbrandstoffen en elektriciteit.
5051. Landbouwverzekering
De kosten van de verzekering van het inkomen uit de landbouwproductie of van onderdelen daarvan, met inbegrip van de verzekering tegen veesterfte, schade aan gewassen enz. Omvat de vergoeding voor deelname aan onderlinge fondsen.
5055. Andere bedrijfsverzekeringen
Alle premies voor verzekeringen die andere bedrijfsrisico's (met uitzondering van de landbouwrisico's) dekken, zoals wettelijke aansprakelijkheid van het bedrijfshoofd, brand en overstroming, uitgezonderd verzekeringspremies voor arbeidsongevallen, die onder code 1010 van deze tabel worden geboekt. Omvat de verzekeringspremies voor gebouwen.
5061. Belastingen en andere bijdragen betreffende het bedrijf
Alle belastingen en bijdragen betreffende het bedrijf met inbegrip van milieubeschermingsheffingen, uitgezonderd de btw en de belastingen die betrekking hebben op grond, gebouwen of arbeidskrachten. De directe inkomstenbelastingen van het bedrijfshoofd worden niet als bedrijfskosten beschouwd.
5062. Belastingen en andere heffingen op grond en gebouwen
Bedrag van de belastingen en lasten op de eigendom van grond en bedrijfsgebouwen in eigendom of in deelpacht.
5070. Betaalde pacht
Betaalde huur (in geld of in natura) voor de ten behoeve van het landbouwbedrijf gehuurde grond, gebouwen, quota en andere rechten. Hier worden alleen de huurkosten vermeld van het voor bedrijfsdoeleinden gebruikte gedeelte van de bedrijfswoning en van andere gehuurde gebouwen. De lease- of huurkosten van niet aan grond gekoppelde quota moeten ook in tabel E worden geboekt.
5071. Waaronder: voor grond betaalde pacht
5080. Betaalde rente en financieringskosten
Rente en financieringskosten voor vreemd kapitaal (leningen) dat is opgenomen ten behoeve van het bedrijf. Het verstrekken van deze informatie is verplicht.
Subsidies voor rente worden niet afgetrokken, maar worden geboekt onder code 3550 van tabel M.
5090. Overige algemene bedrijfskosten
Alle overige bedrijfskosten die niet onder de voorgaande codes zijn genoemd (boekhouding, kantoor, secretariaat, telefoon, contributies, abonnementen enz.).
Tabel I
Landgebruik en gewassen
Structuur van de tabel
|
Gewascategorie |
Code (*) |
|
Teeltwijze |
Code (**) |
|
Ontbrekende gegevens |
Code (***) |
|
Informatiegroep |
|
Kolommen |
|
|||||||
|
|
Totale oppervlakte |
waarvan geïrrigeerd |
waarvan gebruikt voor energiegewassen |
waarvan volledig biologisch |
waarvan in omschakeling naar biologisch |
Hoeveelheid |
Waarde |
|||
|
|
TA |
IR |
EN |
OR |
CO |
Q |
V |
|||
|
A |
Oppervlakte |
|
|
|
|
|
— |
— |
||
|
NU |
Hoeveelheid N in minerale meststoffen |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
||
|
PU |
Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
||
|
KU |
Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
||
|
OV |
Begininventaris |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
||
|
CV |
Eindinventaris |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
||
|
PR |
Productie |
— |
— |
— |
— |
— |
|
— |
||
|
SA |
Verkopen |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
||
|
FC |
Eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
||
|
FU |
Intern verkeer |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
|
||
Voor de gewascategorieën worden de volgende codes gebruikt:
|
Code (*) |
Omschrijving |
||
|
Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad) |
|||
|
10110 |
Zachte tarwe en spelt |
||
|
10120 |
Harde tarwe (durum) |
||
|
10130 |
Rogge en mengsels van wintergranen (mengkoren) |
||
|
10140 |
Gerst |
||
|
10150 |
Mengsels van haver en zomergranen (andere graanmengsels dan mengkoren) |
||
|
10160 |
Korrelmaïs en zaad-spil-mengsel |
||
|
10170 |
Rijst |
||
|
10190 |
Triticale, kafferkoren en andere granen, niet elders genoemd (boekweit, gierst, kanariezaad enz.) |
||
|
Drooggeoogste peulvruchten en eiwithoudende gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten) |
|||
|
10210 |
Voedererwten, bonen en niet-bittere lupinen |
||
|
10220 |
Linzen, kekers en wikke |
||
|
10290 |
Overige eiwithoudende gewassen |
||
|
Wortels en knollen |
|||
|
10300 |
Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen) |
||
|
10310 |
— waarvan aardappelen voor zetmeelproductie |
||
|
10390 |
— waarvan overige aardappelen |
||
|
10400 |
Suikerbieten (exclusief zaaizaad) |
||
|
10500 |
Andere hakvruchten, voederbieten en voedergewassen van de familie Brassicae, geteeld voor de wortel of de stengel, en andere voederwortel- en -knolgewassen, niet elders genoemd |
||
|
Handelsgewassen |
|||
|
10601 |
Tabak |
||
|
10602 |
Hop |
||
|
10603 |
Katoen |
||
|
10604 |
Kool- en raapzaad |
||
|
10605 |
Zonnebloemzaad |
||
|
10606 |
Sojabonen |
||
|
10607 |
Lijnzaad |
||
|
10608 |
Andere oliehoudende gewassen, niet elders genoemd |
||
|
10609 |
Vezelvlas |
||
|
10610 |
Hennep |
||
|
10611 |
Andere vezelgewassen, niet elders genoemd |
||
|
10612 |
Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen |
||
|
10613 |
Suikerriet |
||
|
10690 |
Energiegewassen en andere handelsgewassen, niet elders genoemd |
||
|
Verse groenten, meloenen en aardbeien, waarvan: |
|||
|
Verse groenten, meloenen en aardbeien — In de openlucht of onder lage (niet-betreedbare) beschermingsafdekking |
|||
|
10711 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (akkerbouwmatig geteeld) |
||
|
10712 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien (tuinbouwmatig geteeld) |
||
|
10720 |
Verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
||
|
Gegevens voor alle subcategorieën van “verse groenten (inclusief meloenen) en aardbeien” |
|||
|
10731 |
Bloemkool en broccoli |
||
|
10732 |
Sla |
||
|
10733 |
Tomaten |
||
|
10734 |
Suikermaïs |
||
|
10735 |
Uien |
||
|
10736 |
Knoflook |
||
|
10737 |
Wortelen |
||
|
10738 |
Aardbeien |
||
|
10739 |
Meloenen |
||
|
10790 |
Overige groenten |
||
|
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) |
|||
|
10810 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) — in de openlucht |
||
|
10820 |
Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen) onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
||
|
Gegevens voor alle subcategorieën van “bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen)” |
|||
|
10830 |
Bloembollen en -knollen |
||
|
10840 |
Snijbloemen, bloesems en bloemknoppen |
||
|
10850 |
Bloemen en sierplanten |
||
|
Groen geoogste gewassen |
|||
|
10910 |
Tijdelijk grasland |
||
|
Andere groen geoogste gewassen |
|||
|
10921 |
Voedermaïs |
||
|
10922 |
Groen geoogste peulgewassen |
||
|
10923 |
Andere groen geoogste akkerbouwgewassen en granen, niet elders genoemd |
||
|
Zaai- en plantgoed en andere gewassen op bouwland |
|||
|
11000 |
Zaai- en plantgoed |
||
|
11100 |
Andere gewassen op bouwland |
||
|
Braakland |
|||
|
11200 |
Braakland |
||
|
Tuinen voor eigen gebruik |
|||
|
20000 |
Tuinen voor eigen gebruik |
||
|
Blijvend grasland |
|||
|
30100 |
Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst |
||
|
30200 |
Weiden met geringe opbrengst |
||
|
30300 |
Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt |
||
|
Blijvende teelten |
|||
|
Fruit, waarvan: |
|||
|
40101 |
Pitvruchten |
||
|
40111 |
|
||
|
40112 |
|
||
|
40102 |
Steenvruchten |
||
|
40113 |
|
||
|
40115 |
Fruit van subtropische en tropische breedten |
||
|
40120 |
Kleinfruit (exclusief aardbeien) |
||
|
40130 |
Noten |
||
|
Citrusvruchtaanplantingen |
|||
|
40200 |
Citrusvruchten |
||
|
40210 |
|
||
|
40230 |
|
||
|
Olijfboomgaarden |
|||
|
40310 |
Tafelolijven |
||
|
40320 |
Olijven voor oliewinning (verkocht in de vorm van vruchten) |
||
|
40330 |
Olijfolie |
||
|
40340 |
Bijproducten van de olijventeelt |
||
|
Wijngaarden |
|||
|
40411 |
Wijnen met beschermde oorsprongsbenaming (BOB) |
||
|
40412 |
Wijnen met beschermde geografische aanduiding (BGA) |
||
|
40420 |
Overige wijnen |
||
|
40430 |
Tafeldruiven |
||
|
40440 |
Druiven voor de productie van rozijnen |
||
|
40451 |
Wijndruiven voor wijn met beschermde oorsprongsbenaming (BOB) |
||
|
40452 |
Wijndruiven voor wijn met beschermde geografische aanduiding (BGA) |
||
|
40460 |
Druiven voor overige wijn |
||
|
40470 |
Diverse producten van de wijnbouw: druivenmost, sap, brandewijn, wijnazijn e.a. voor zover ze op het bedrijf worden geproduceerd |
||
|
40480 |
Bijproducten van de wijnbouw (druivenmoer, droesem enz.) |
||
|
Boomkwekerijgewassen, andere meerjarige teelten, meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking en jonge aanplantingen |
|||
|
40500 |
Boomkwekerijgewassen |
||
|
40600 |
Andere meerjarige teelten |
||
|
40610 |
|
||
|
40700 |
Meerjarige teelten onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking |
||
|
40800 |
Aanwas van jonge aanplantingen |
||
|
Overig areaal |
|||
|
50100 |
Oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond |
||
|
50200 |
Bosareaal |
||
|
50210 |
|
||
|
50900 |
Andere gronden (gebouwen, erven, wegen, vijvers, steengroeven, onvruchtbare gronden, rotsen enz.) |
||
|
60000 |
Gekweekte paddenstoelen |
||
|
Overige producten en ontvangsten |
|||
|
90100 |
Ontvangsten uit het verpachten van landbouwgrond |
||
|
90200 |
Door oogstverzekeringen betaalde vergoedingen die niet aan een specifiek gewas kunnen worden toegerekend |
||
|
90300 |
Plantaardige bijproducten, andere dan die van de olijventeelt en de wijnbouw |
||
|
90310 |
Stro |
||
|
90320 |
Suikerbietenkoppen |
||
|
90330 |
Andere bijproducten |
||
|
90900 |
Overige |
||
De codes voor de teeltwijze worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code(**) |
Omschrijving |
||||||||||
|
0 |
Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor verwerkte producten, producten in voorraad en bijproducten. |
||||||||||
|
1 |
Teelten in volle grond — hoofdgewas, gecombineerd gewas: hoofdgewassen en gecombineerde gewassen in volle grond omvatten:
|
||||||||||
|
2 |
Teelten in volle grond — voor- en nagewassen: voor- en nagewassen in volle grond omvatten de gewassen die tijdens het boekjaar op een bepaalde oppervlakte na elkaar zijn verbouwd en niet als hoofdgewas worden beschouwd. |
||||||||||
|
3 |
Tuinbouwgewassen en bloemen in open grond: tuinbouwgewassen en bloemen in open grond omvatten verse groenten, meloenen en aardbeien in intensieve teelt in open grond en bloemen en sierplanten in open grond. |
||||||||||
|
4 |
Gewassen onder betreedbare beschermingsinstallatie: gewassen onder betreedbare beschermingsinstallatie omvatten verse groenten, meloenen en aardbeien onder beschutting, bloemen en sierplanten (eenjarig of blijvend) onder beschutting en blijvende teelten onder beschutting. |
De codes voor ontbrekende gegevens worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code(***) |
Omschrijving |
|
0 |
Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld. |
|
1 |
Code 1 wordt ingevuld als de oppervlakte van een gewas niet kan worden vermeld, bijvoorbeeld in het geval van de verkoop van producten van marktbare gewassen die op stam zijn gekocht of afkomstig zijn van grond welke incidenteel voor een kortere duur dan één jaar is gehuurd. |
|
2 |
Code 2 wordt ingevuld als het niet mogelijk is de daadwerkelijke productie voor een gewas te bepalen in kwintalen (of in hectoliter voor wijn en aanverwante producten) wegens de verkoopvoorwaarden of omdat er geen daadwerkelijke productie is. |
|
4 |
Code 4 wordt ingevuld als de oppervlakte van een gewas niet kan worden vermeld en er geen daadwerkelijke productie plaatsvindt of het niet mogelijk is de daadwerkelijke productie voor een gewas te bepalen in kwintalen (of in hectoliter voor wijn en aanverwante producten). |
De informatie over de tijdens het boekjaar geproduceerde gewassen wordt geregistreerd in de format van tabel I „Gewassen”. De informatie over elk gewas wordt telkens in een aparte record opgenomen. De inhoud van de tabel wordt gedefinieerd door het kiezen van een code voor de gewascategorie, een code voor de teeltwijze en een code voor ontbrekende gegevens.
Gedetailleerde gegevens over aardappelen (de codes 10310 en 10390), verse groenten, meloenen en aardbeien (de codes 10731, 10732, 10733, 10734, 10735, 10736, 10737, 10738, 10739 en 10790), bloemen en sierplanten (de codes 10830, 10840 en 10850) en plantaardige bijproducten, andere dan die van de olijventeelt en de wijnbouw (de codes 90310, 90320 en 90330) hoeven alleen te worden vermeld als die gegevens in de bedrijfsboekhouding voorkomen.
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL I
Tabel I bevat de volgende informatiegroepen:
Verplichte informatiegroepen: oppervlakte (A), begininventaris (OV), eindinventaris (CV), productie (PR), verkopen (SA), eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura (FC) en intern verkeer (FU).
Facultatieve informatiegroep: Hoeveelheid N, P2O5 en K2O in minerale meststoffen.
KOLOMMEN IN TABEL I
In tabel I moeten de volgende gegevens worden vermeld: de totale oppervlakte (TA), de geïrrigeerde oppervlakte (IR), de oppervlakte die voor energiegewassen is gebruikt (EN), de volledig biologisch oppervlakte (OR), de oppervlakte in omschakeling naar biologisch (CO), de hoeveelheid toevoer van voedingsstoffen, productie, verkoop (Q) en de waarde (V). Voor elke informatiegroep worden de volgende kolommen ingevuld:
I.A Oppervlakte
Voor de informatiegroep “oppervlakte” (A) worden vermeld: de totale oppervlakte (TA), de geïrrigeerde oppervlakte (IR), de oppervlakte die voor energiegewassen is gebruikt (EN), de oppervlakte waarop de gewassen biologisch worden geteeld zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) 2018/848 (OR) en de oppervlakte in omschakeling naar biologisch zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van Verordening (EU) 2018/848 (CO). Telkens wordt de oppervlakte aangegeven in aren (100 are = 1 ha) behalve die voor de teelt van paddenstoelen, die in vierkante meters wordt aangeduid. De in de kolommen OR en CO vermelde oppervlakten sluiten elkaar uit.
I.NU Hoeveelheid N in minerale meststoffen
Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige stikstof (N), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun N-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).
I.PU Hoeveelheid P2O5 in minerale meststoffen
Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige fosfor (P2O5), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun P2O5-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).
I.KU Hoeveelheid K2O in minerale meststoffen
Facultatieve gegevens. Gebruikte totale hoeveelheid (gewicht) in minerale meststoffen aanwezige kalium (K2O), geraamd op basis van de hoeveelheid minerale meststoffen en hun K2O-gehalte. De hoeveelheid wordt aangegeven in kwintalen (100 kg).
I.OV Begininventaris
Voor de informatiegroep „begininventaris” (OV) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die in voorraad (opslag) zijn bij het begin van het boekjaar. De producten worden gewaardeerd tegen de prijzen af boerderij op de inventarisdatum.
I.CV Eindinventaris
Voor de informatiegroep „eindinventaris” (CV) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die in voorraad (opslag) zijn bij het einde van het boekjaar. De producten worden gewaardeerd tegen de prijzen af boerderij op de inventarisdatum.
I.PR Productie
Voor de informatiegroep „productie” (PR) worden de hoeveelheden gewassen vermeld die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd (Q) (zonder de verliezen op het veld of op de boerderij). Deze hoeveelheden worden aangegeven voor de hoofdproducten van het bedrijf (dus niet voor de bijproducten).
Deze hoeveelheden worden uitgedrukt in kwintalen (100 kg), behalve voor wijn en aanverwante producten, die in hectoliters worden vermeld. Wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie in kwintalen te bepalen, wordt code 2 voor ontbrekende gegevens ingevuld.
Voor 10790 “Overige groenten” en 90900 “Overige” hoeft de hoeveelheid niet te worden opgegeven.
I.SA Totaal van de verkopen
Voor de informatiegroep „totaal van de verkopen” (SA) worden de verkochte hoeveelheden (Q) en de waarde van de verkopen (V) vermeld van de producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of die tijdens het boekjaar zijn geoogst. Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden zij niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H “Productiemiddelen”.
I.FC Eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura
Voor de informatiegroep „eigen huishoudelijk verbruik en betalingen in natura” (FC) wordt de waarde (V) vermeld van de producten die door het huishouden van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura). Deze producten worden gewaardeerd tegen prijzen af boerderij.
I.FU Intern verkeer
Voor de informatiegroep „intern verkeer” (FU) wordt de waarde (V) vermeld van de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Daarbij gaat het om:
|
— |
veevoer: waarde van de marktbare producten van het bedrijf (producten die regelmatig verhandeld worden) die gedurende het boekjaar als veevoer zijn gebruikt. Stro van het bedrijf dat als veevoer of strooisel is verbruikt, wordt slechts in aanmerking genomen voor zover het een marktbaar product vormt in het desbetreffende gebied en boekjaar. De desbetreffende producten worden gewaardeerd tegen verkoopprijzen af boerderij; |
|
— |
zaaigoed: waarde van de marktbare producten van het bedrijf die tijdens het jaar zijn gebruikt als zaaigoed. Dit zaaigoed wordt gewaardeerd tegen verkoopprijzen af boerderij; |
|
— |
ander gebruik op het bedrijf (inclusief producten gebruikt voor het bereiden van maaltijden voor vakantiegangers). |
Tabel J
Dieren
Structuur van de tabel
|
Categorie dieren |
Code (*) |
|
|
|
Kolommen |
|
|
|
||
|
Informatiegroep |
Gemiddeld aantal |
Aantal |
Waarde |
Beweidingstijd |
Toegang tot de uitloop |
Type huisvesting |
|
|
A |
N |
V |
D |
Y |
C |
||
|
AN |
Gemiddeld aantal |
|
— |
— |
— |
— |
— |
|
OR |
Waarvan biologisch |
|
— |
— |
— |
— |
— |
|
CO |
Waarvan in omschakeling naar biologisch |
|
— |
— |
— |
— |
— |
|
RN |
Referentieaantal |
— |
|
— |
— |
— |
— |
|
OV |
Begininventaris |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
CV |
Eindinventaris |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
PU |
Aankopen |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
SA |
Totaal van de verkopen |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
SS |
Verkopen voor de slacht |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
SR |
Verkopen voor verdere opfok/fokdoeleinden |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
SU |
Verkopen met onbekende bestemming |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
DL |
Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties |
— |
|
— |
— |
— |
— |
|
FC |
Verbruik in de huishouding |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
FU |
Intern verkeer |
— |
|
|
— |
— |
— |
|
TH |
Type huisvesting |
— |
— |
— |
— |
— |
|
|
TO |
Buiten doorgebrachte tijd |
— |
— |
— |
|
|
— |
|
Code (*) |
Omschrijving |
|
100 |
Paardachtigen |
|
210 |
Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar |
|
220 |
Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud |
|
230 |
Vaarzen tussen een en twee jaar oud |
|
240 |
Mannelijke runderen van twee jaar en ouder |
|
251 |
Fokvaarzen |
|
252 |
Mestvaarzen |
|
261 |
Melkkoeien |
|
262 |
Buffelmelkkoeien |
|
269 |
Andere koeien |
|
311 |
Vrouwelijke schapen voor de voortplanting |
|
319 |
Andere schapen |
|
321 |
Vrouwelijke geiten voor de voortplanting |
|
329 |
Andere geiten |
|
410 |
Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg |
|
420 |
Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer |
|
491 |
Mestvarkens |
|
499 |
Andere varkens |
|
510 |
Pluimvee — slachtkuikens |
|
520 |
Legkippen |
|
530 |
Ander pluimvee |
|
610 |
Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting |
|
699 |
Andere konijnen |
|
700 |
Bijen |
|
900 |
Andere dieren |
Categorie dieren
De volgende categorieën dieren worden onderscheiden:
|
100. |
Paardachtigen Inclusief ren- en rijpaarden, ezels, muildieren, muilezels enz. |
|
210. |
Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar |
|
220. |
Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud |
|
230. |
Vaarzen tussen een en twee jaar oud Niet inbegrepen zijn vrouwelijke runderen die reeds hebben gekalfd. |
|
240. |
Mannelijke runderen van twee jaar en ouder |
|
251. |
Fokvaarzen Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en voor de fokkerij zijn bestemd. |
|
252. |
Mestvaarzen Vrouwelijke runderen die ten minste twee jaar oud zijn, nog niet hebben gekalfd en niet voor de fokkerij zijn bestemd. |
|
261. |
Melkkoeien Vrouwelijke runderen die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken koeien. |
|
262. |
Buffelmelkkoeien Vrouwelijke buffels die hebben gekalfd (inclusief die jonger dan twee jaar) en die uitsluitend of hoofdzakelijk worden gehouden voor de productie van melk, bestemd voor menselijke consumptie of voor verwerking tot zuivelproducten. Omvat afgemolken buffelkoeien. |
|
269. |
Andere koeien
In de categorieën 210 tot en met 252 en 269 worden ook de overeenkomstige categorieën buffels opgenomen. |
|
311. |
Vrouwelijke schapen voor de voortplanting Vrouwelijke schapen die ten minste een jaar oud zijn en voor de fokkerij zijn bestemd. |
|
319. |
Andere schapen Schapen van alle leeftijden met uitzondering van vrouwelijke schapen voor de voortplanting |
|
321. |
Vrouwelijke geiten voor de voortplanting |
|
329. |
Andere geiten Andere geiten dan vrouwelijke geiten voor de voortplanting. |
|
410. |
Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg Biggen van minder dan 20 kg, uitgedrukt in levend gewicht. |
|
420. |
Fokzeugen met een levend gewicht van 50 kg of meer Fokzeugen van ten minste 50 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen (zie categorie 499 „andere varkens”). |
|
491. |
Mestvarkens Mestvarkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg. Niet inbegrepen zijn uitgeschifte zeugen en beren (zie categorie 499 „Andere varkens”). |
|
499. |
Andere varkens Varkens met een levend gewicht van ten minste 20 kg met uitzondering van fokzeugen (zie categorie 420) en van mestvarkens (zie categorie 491). |
|
510. |
Pluimvee — slachtkuikens Slachtkuikens. Niet inbegrepen zijn legkippen en oudere legkippen. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens. |
|
520. |
Legkippen Inbegrepen zijn jonge hennen, leghennen, oudere leghennen en fokhanen voor leghennen die als leghennen zijn gestald. Jonge hennen zijn hennen die nog niet legrijp zijn. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens. |
|
530. |
Ander pluimvee Omvat eenden, kalkoenen, ganzen, parelhoenders, struisvogels en fokhanen (uitgezonderd fokhanen voor leghennen). Inbegrepen zijn vrouwelijke fokdieren. Niet inbegrepen zijn eendagskuikens. |
|
610. |
Vrouwelijke konijnen voor de voortplanting |
|
699. |
Andere konijnen |
|
700. |
Bijen Wordt uitgedrukt in bijenvolken (aantal bezette kasten of korven). |
|
900. |
Andere dieren Omvat eendagskuikens, herten, pelsdieren. Ook inbegrepen zijn andere voor boerderijtoerisme gebruikte dieren. Niet inbegrepen zijn de producten van deze andere dieren (zie tabel K, categorie 900). |
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL J
J.AN. Gemiddeld aantal (uitsluitend kolom A)
Een eenheid komt overeen met de aanwezigheid van één dier op het bedrijf gedurende een volledig jaar. De dieren worden geteld in verhouding tot de duur van hun aanwezigheid op het bedrijf tijdens het boekjaar.
Het gemiddeld aantal wordt bepaald ofwel aan de hand van periodieke inventarisatie ofwel aan de hand van een register van aan- en afvoer. Het omvat alle op het bedrijf aanwezige dieren, met inbegrip van de op contract opgefokte of gemeste dieren (dieren die niet aan het bedrijf toebehoren doch er worden opgefokt of gemest onder zodanige omstandigheden dat deze activiteit in hoofdzaak neerkomt op een dienstverlening door het bedrijfshoofd, waarbij deze laatste niet het economische risico draagt dat gewoonlijk eigen is aan de opfok of mesterij van deze dieren) en de in- of uitgeschaarde dieren gedurende de periode dat deze op het bedrijf aanwezig zijn.
Gemiddeld aantal (kolom A)
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
J. OR Biologisch
Gemiddeld aantal dieren dat is gehouden overeenkomstig de productievoorschriften van de artikelen 9, 11, 10 en 14 en van deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848, met uitzondering van de dieren die zich nog in de omschakelingsperiode als omschreven in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van die verordening bevinden.
J. CO In omschakeling naar biologisch
Gemiddeld aantal dieren dat is gehouden overeenkomstig de productievoorschriften van de artikelen 9, 11, 10 en 14 en van deel II van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/848, die zich nog in de omschakelingsperiode als omschreven in artikel 3, punt 6, en artikel 10 van die verordening bevinden.
J.RN. Referentieaantal (uitsluitend kolom N)
Het referentieaantal is het aantal dieren dat gewoonlijk op een bepaald moment op het bedrijf aanwezig is. Het wordt gebruikt om de standaardopbrengst van het bedrijf en de economische omvang ervan te berekenen. In tegenstelling tot het gemiddelde aantal (AN) maakt het het mogelijk om rekening te houden met een periode waarin er gedurende een uitzonderlijke periode als gevolg van een uitzonderlijke onderbreking van de productiecyclus (bv. ziekte-uitbraken) minder of geen dieren op het bedrijf aanwezig zijn.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
De gegevens met betrekking tot de variabele “J.RN.Referentieaantal” kunnen in uitzonderlijke gevallen (bv. ziekte op het bedrijf, of ruiming om sanitaire redenen) worden verstrekt. De indiening van deze gegevens is facultatief.
J.OV Begininventaris
Dieren in eigendom van het bedrijf bij het begin van het boekjaar, ongeacht of de dieren op dat tijdstip al of niet op het bedrijf aanwezig zijn.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
Waarde (kolom V)
De waarde van de dieren is de waarde in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.
J.CV Eindinventaris
Aantal dieren in eigendom van het bedrijf aan het einde van het boekjaar, ongeacht of de dieren op dat tijdstip al of niet op het bedrijf aanwezig zijn.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks of in bijenvolken.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
Waarde (kolom V)
De waarde van de dieren is de waarde in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.
J.PU Aankopen
Alle dieren die tijdens het boekjaar zijn aangekocht.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
Waarde (kolom V)
De waarde van de aankopen omvat ook de aankoopkosten. De betrokken premies en subsidies worden niet afgetrokken van het totaal van deze aankopen, maar worden vermeld in tabel M „Subsidies”, in de desbetreffende categorie (de codes 5100 tot en met 5900).
J.SA Totaal van de verkopen
Alle dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht.
Dit omvat de verkoop van dieren of vlees aan de consument voor eigen gebruik, ongeacht of de dieren op het bedrijf worden geslacht of niet.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (code 900).
Waarde (kolom V)
Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden zij niet afgetrokken van het totaal van de verkopen, maar vermeld onder code 2090 (“Overige specifieke kosten van de veehouderij”). De betrokken premies en subsidies worden niet meegerekend in het totaal van de verkopen, maar worden vermeld in tabel M “Subsidies”, in de desbetreffende categorie of gekoppelde inkomenssteun (de codes 23111 tot en met 2900).
J.SS Verkopen voor de slacht
De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht voor de slacht. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor fokvaarzen (code 251), bijen (code 700) en andere dieren (code 900).
Aantal (kolom N)
Zie „Totaal van de verkopen”.
Waarde (kolom V)
Zie „Totaal van de verkopen”.
J.SR Verkopen voor verdere opfok of voor fokdoeleinden
De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht voor verdere opfok of voor fokdoeleinden. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor mestvaarzen (code 252), bijen (code 700) en andere dieren (code 900).
Aantal (kolom N)
Zie „Totaal van de verkopen”.
Waarde (kolom V)
Zie „Totaal van de verkopen”.
J.SU Verkopen met onbekende bestemming
De dieren die tijdens het boekjaar zijn verkocht, maar waarvan de bestemming niet bekend is. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor bijen (code 700) en voor andere dieren (code 900).
Aantal (kolom N)
Zie „Totaal van de verkopen”.
Waarde (kolom V)
Zie „Totaal van de verkopen”.
J.DL Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Het omvat het doden van dieren in noodsituaties en ruiming. Onder “doden van dieren in noodsituaties” wordt verstaan het doden van dieren die zodanig gewond of ziek zijn dat dit ernstige pijn of ernstig lijden met zich meebrengt. Onder “ruiming” wordt verstaan de methode waarbij onder supervisie van de bevoegde autoriteit dieren worden gedood met het oog op de volksgezondheid, de diergezondheid, het welzijn of het milieu.
J.FC Verbruik in de huishouding en betalingen in natura
Tijdens het boekjaar in de huishouding verbruikte of als betaling in natura gegeven dieren.
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
Waarde (kolom V)
De waarde van de dieren is de waarde ervan in het economisch verkeer.
J.FU Intern verkeer
De dieren die tijdens het boekjaar als productiemiddel voor verdere verwerking op het bedrijf worden gebruikt in de context van andere winstgevende werkzaamheden. Omvat dieren die zijn gebruikt voor:
|
— |
catering, toeristische accommodatie, |
|
— |
verwerking van dieren tot vleesproducten en veevoer. |
De verkoop van dieren of vlees, ongeacht of de dieren al dan niet op het bedrijf zijn geslacht, is uitgesloten (zie de toelichting bij de verkopen SA).
Deze waarde wordt ook in tabel H als kosten van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden vermeld onder code 4070 (Specifieke kosten van vleesverwerking en van de verwerking van andere dierlijke producten).
Aantal (kolom N)
Het aantal dieren wordt uitgedrukt in stuks. Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor “andere dieren” (categorie 900).
Waarde (kolom V)
De waarde van de dieren is de waarde ervan in het economisch verkeer.
J.TH Type huisvesting
Code (kolom C)
De codes ter bepaling van het type huisvesting moeten uit onderstaande lijst worden gekozen voor elke afzonderlijke categorie dieren die daarin is opgenomen:
Tabel J
Codes type huisvesting
|
Code |
Diersoort |
Type huisvesting |
|
10 |
Runderen (categorieën 210-269) |
Stallen met halsbeugels (drijfmest) |
|
20 |
Stallen met halsbeugels (vaste mest) |
|
|
30 |
Loopstallen/stallen met boxen (drijfmest) |
|
|
40 |
Loopstallen/stallen met boxen (vaste mest) |
|
|
50 |
Altijd buiten |
|
|
60 |
Ander type huisvesting (drijfmest) |
|
|
70 |
Ander type huisvesting (vaste mest) |
|
|
80 |
Schapen en geiten (categorieën 311-329) |
Diepstrooisel |
|
90 |
Roostervloer |
|
|
100 |
Harde vloer |
|
|
110 |
Altijd buiten |
|
|
120 |
Varkens (categorieën 410-499) |
Volledige roostervloer |
|
130 |
Gedeeltelijke roostervloer |
|
|
140 |
Harde vloer (vaste mest) |
|
|
150 |
Oppervlak geheel voorzien van diepstrooisel |
|
|
160 |
Buiten (vrije uitloop) |
|
|
170 |
Ander type huisvesting (drijfmest) |
|
|
180 |
Ander type huisvesting (vaste mest) |
|
|
190 |
Pluimvee (categorieën 510-530) |
Diepstrooisel |
|
200 |
Volière |
|
|
210 |
Kooien met mestband |
|
|
220 |
Kooien met diepe put |
|
|
230 |
Kooien met natuurlijk geventileerde mestput |
|
|
240 |
Buiten (vrije uitloop) |
|
|
250 |
Ander type huisvesting |
Indien voor een diercategorie meer dan één type huisvesting wordt gebruikt, wordt alleen het type huisvesting gemeld waar de meeste dieren in die diercategorie worden ondergebracht. De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
Beschrijving van huisvestingssystemen
Stallen met halsbeugels Stallen met halsbeugels zijn dierenverblijven waar de dieren op hun plaats zijn vastgemaakt en niet vrij kunnen bewegen. Deze typen huisvesting kunnen mest bevatten die gescheiden wordt in de vorm van vaste mest en vloeibare mest wanneer de vloeren van de stallen zich op hellend beton bevinden met strooisel (bv. stro, gehakt stro, zaagsel) en via een ondiepe goot achter de dieren om een deel van de uitwerpselen en de urine op te vangen, waarbij een deel ervan regelmatig als vaste mest wordt verwijderd. In sommige gevallen is de goot uitgerust met een afwateringsleiding om weglekkende mest op te vangen of kan er zich een diepere sleuf bevinden in plaats van een goot om het vloeibare deel op te vangen en op te slaan. De mest wordt doorgaans mechanisch uit het gebouw verwijderd als vaste mest/stalmest. Er kan ook sprake zijn van mest in de vorm van drijfmest wanneer de vloeren van de stallen uit vlak beton bestaan met een sleuf die achter de dieren wordt afgedekt door een rooster of met een volledige roostervloer om uitwerpselen en urine als drijfmest op te vangen. In dat geval vallen de mest en urine in een put onder de vloer, waar ze drijfmest vormen.
Loopstallen en stallen met boxen Loopstallen verwijzen naar dierenverblijven waar de dieren vrij kunnen bewegen en vrije toegang hebben tot de gehele ruimte van het gebouw of uitloopruimte (een kleine ruimte voor vee). Loopstallen kunnen mest in vaste vorm bevatten wanneer er een betonnen vloer is die door middel van schrapen vaker wordt gereinigd op de plek waar de dieren voor het voederen en/of drenken staan. Het is gebruikelijk dat een diepe laag strooisel (gewoonlijk stro) over de vloer wordt verspreid. Dit strooisel wordt, doorgaans eenmaal of tweemaal per winter, uit het gebouw verwijderd als stalmest. Dit type huisvesting omvat ook stallen met boxen, die gebouwen zijn.
Buiten Omvat weiden, vrije uitloop en koppelweiden.
Huisvesting met roostervloer Verwijst naar dierenverblijven met volledige roostervloer. De hele vloer is voorzien van roosters waardoor de mest en urine in een put onder de vloer vallen, waar ze drijfmest vormen.
Gedeeltelijke roostervloer Verwijst naar dierenverblijven met gedeeltelijke roostervloer. Een deel van de vloer is voorzien van roosters waardoor de mest en urine in een put onder de vloer vallen, waar ze drijfmest vormen.
Diepstrooisel voor varkens: huisvesting op strobedding (diepstrooisel — loopstallen) waarvan de vloer bedekt is met een dikke laag strooisel (stro, turf, zaagsel of ander materiaal dat de mest en de urine bindt) dat slechts nu en dan verwijderd wordt, soms met een interval van verschillende maanden.
Andere typen huisvesting Typen huisvesting die verschillen van de hierboven genoemde.
Vrije uitloop Vrije uitloop is een houderijmethode waarbij de dieren gedurende ten minste een deel van de dag buiten vrij kunnen rondlopen in plaats van 24 uur per dag in een ruimte te worden gehouden.
Diepstrooisel voor legkippen op strobedding (vergelijkbaar met diepstrooisel — loopstallen) waarvan de vloer bedekt is met een dikke laag strooisel (stro, turf, zaagsel of ander materiaal dat de mest bindt) dat slechts nu en dan verwijderd wordt, soms met een interval van verschillende maanden. Een eenvoudig gesloten gebouw dat thermisch geïsoleerd is en voorzien is van geforceerde of natuurlijke ventilatie. Ten minste een derde van het vloeroppervlak moet bedekt zijn met beddingmateriaal (bv. gehakt stro, houtkrullen) en twee derde van het vloeroppervlak moet de vorm hebben van een met roosters bedekte put voor het opvangen van uitwerpselen (afval afkomstig van pluimvee) gedurende de 13 tot 15 maanden durende legperiode. Om het strooisel droog te houden bevinden de legnesten, voerbakken en watervoorziening zich boven de roosters.
Volières Volières worden ook systemen op meerdere niveaus genoemd. Zij bestaan uit een begane grond en een of meer geperforeerde platforms, waardoor mest niet op vogels eronder kan vallen. Op een bepaald punt in het systeem zijn voor de vogels ten minste twee niveaus beschikbaar. Een volière is een constructie met thermische isolatie, geforceerde ventilatie en natuurlijk of kunstlicht. Ze kunnen worden gecombineerd met vrije uitloop en scharrelgebieden buiten. De vogels worden in grote groepen gehouden en kunnen in het hele verblijf vrij over meerdere niveaus bewegen. De ruimte is onderverdeeld in verschillende gebieden: voor het voederen en drenken, slapen en rusten, scharrelen en leggen van eieren. Omdat de dieren verschillende niveaus kunnen gebruiken, is een hogere bezettingsdichtheid dan voor huisvesting met diepstrooisel toegestaan. De uitwerpselen worden door mestbanden verwijderd of in een mestput opgevangen.
Kooien met mestband Legbatterijen zijn dierenverblijfsystemen waarbij de legkippen worden gehouden in kooien — een of meer in elke kooi — in gesloten gebouwen met geforceerde ventilatie en al dan niet met een verlichtingssysteem. Het pluimvee wordt gehouden in meeretagekooien die meestal vervaardigd zijn uit staaldraad en in lange rijen zijn opgesteld. De uitwerpselen vallen door de bodem van de kooien en worden in een diepe put of sleuf opgevangen en opgeslagen of door een band of schraper verwijderd. De uitwerpselen van leghennen in batterijsystemen worden niet met ander materiaal zoals strooisel vermengd en kunnen worden gedroogd ofwel kan er water aan worden toegevoegd zodat de mest gemakkelijker te hanteren is. Legbatterijen met mestband zijn legbatterijen waarbij de mest mechanisch door een band onder de kooien uit het gebouw wordt verwijderd om vaste mest/stalmest te vormen.
J.TO Buiten doorgebrachte tijd
Beweidingstijd (kolom D)
Aantal volledige graasdagen. Als de dieren minder dan twee uur per dag grazen, wordt dit niet als een graasdag beschouwd. Informatie dient te worden gerapporteerd voor de categorieën 261 melkkoeien, 269 andere koeien, 311 vrouwelijke schapen voor de voortplanting en 321 vrouwelijke geiten voor de voortplanting.
Toegang tot de uitloop (kolom Y)
Uitloop naar buiten:
Permanent toegankelijke buitenruimten, gewoonlijk met een ondoordringbare vloer, met inbegrip van een grassig gedeelte zonder begrazing, waar dieren een deel van de dag kunnen bewegen. Indien de uitloop toegankelijk is voor de dieren, wordt deze meegeteld.
De te gebruiken codes zijn:
|
0 |
Nee, het vee heeft geen toegang tot de uitloop |
|
1 |
Ja, het vee heeft toegang tot de uitloop |
Tabel K
Dierlijke producten en diensten
Structuur van de tabel
|
Categorie dierlijke producten of diensten |
Code (*) |
|||
|
Ontbrekende gegevens |
Code (**) |
|||
|
|
||||
|
|
Kolommen |
|||
|
Informatiegroep |
Hoeveelheid |
Waarde |
||
|
Q |
V |
|||
|
OV |
Begininventaris |
|
|
|
|
CV |
Eindinventaris |
|
|
|
|
PR |
Productie |
|
— |
|
|
SA |
Verkopen |
|
|
|
|
FC |
Verbruik in de huishouding |
|
|
|
|
FU |
Intern verkeer |
|
|
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
|
261 |
Koemelk |
|
262 |
Buffelmelk |
|
311 |
Schapenmelk |
|
321 |
Geitenmelk |
|
330 |
Wol |
|
531 |
Eieren voor menselijke consumptie (alle soorten pluimvee) |
|
532 |
Broedeieren (alle soorten pluimvee) |
|
700 |
Honing en producten van de bijenteelt |
|
800 |
Mest |
|
900 |
Andere dierlijke producten |
|
1100 |
Veehouderij op contract |
|
1200 |
Andere diensten met betrekking tot dieren |
Ontbrekende gegevens
|
Code (**) |
Omschrijving |
|
0 |
Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld. |
|
2 |
Code 2 wordt ingevuld wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie te bepalen in kwintalen (of in duizendtallen voor eieren). |
|
4 |
Code 4 wordt ingevuld wanneer er alleen voorraad is en geen daadwerkelijke productie. |
Categorieën dierlijke producten en diensten
De volgende categorieën dierlijke producten en diensten worden onderscheiden:
|
261 |
Koemelk |
|
262 |
Buffelmelk |
|
311 |
Schapenmelk |
|
321 |
Geitenmelk |
|
330 |
Wol |
|
531 |
Eieren voor menselijke consumptie (alle soorten pluimvee) |
|
532 |
Broedeieren (alle soorten pluimvee) |
|
700 |
Honing en producten van de bijenteelt: honing, hydromel en andere producten en bijproducten van de bijenteelt |
|
800 |
Mest |
|
900 |
Andere dierlijke producten (dekgeld, embryo's, was, ganzen- of eendenlever, melk van andere dieren enz.) |
|
1100 |
Veehouderij op contract Ontvangsten voor veehouderij op contract op zodanige voorwaarden dat het voornamelijk gaat om een dienstverlening door het bedrijfshoofd, waarbij deze laatste niet het economische risico draagt dat gewoonlijk eigen is aan de mesterij of houderij van de dieren in kwestie, bv. runderen, schapen, geiten, varkens, pluimvee. |
|
1200 |
Andere diensten met betrekking tot dieren Bedrag van de ontvangsten voor andere diensten met betrekking tot dieren (weidegeld enz.) |
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL K
Voor mest (code 800) worden alleen gegevens over de verkopen (SA) verstrekt in de kolom “waarde” (V).
Voor de andere dierlijke producten (code 900) wordt slechts de waarde (in kolom V) verstrekt, aangezien voor een samenstel van heterogene producten geen hoeveelheid kan worden opgegeven.
Voor diensten met betrekking tot dieren zoals veehouderij op contract (code 1100) en andere diensten (code 1200) worden alleen de ontvangsten vermeld; dit gebeurt onder “verkopen” (SA) in de kolom “waarde” (V).
Hoeveelheid (kolom Q)
De hoeveelheden worden uitgedrukt in kwintalen (100 kg) behalve voor eieren (de codes 531 en 532), die in duizendtallen worden vermeld.
Voor andere producten van de bijenteelt dan honing (code 700) wordt de hoeveelheid uitgedrukt in kwintalen honingequivalent.
K.OV Begininventaris
De producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar, uitgezonderd de veestapel.
Hoeveelheid (kolom Q)
Zie de instructies voor tabel K.
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer op de inventarisdatum.
K.CV Eindinventaris
Waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het einde van het boekjaar, uitgezonderd de veestapel.
Hoeveelheid (kolom Q)
De instructies voor tabel K zijn van toepassing.
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer op de inventarisdatum.
K.PR Productie tijdens het boekjaar
Hoeveelheid (kolom Q)
De hoeveelheden dierlijke producten die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd (zonder eventuele verliezen). Deze hoeveelheden worden aangegeven voor de hoofdproducten van het bedrijf (dus niet voor de bijproducten). Omvat de productie die wordt gebruikt voor verwerking in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden.
De door kalveren bij de koe gezogen melk is niet in de productie begrepen.
K.SA Verkopen
Het totaal van de tijdens het boekjaar verkochte producten (producten die in voorraad waren bij het begin van het boekjaar of die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd).
Hoeveelheid (kolom Q)
De instructies voor tabel K zijn van toepassing.
Waarde (kolom V)
Totaalbedrag (reeds tijdens het boekjaar ontvangen of nog niet) van de verkopen van producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of tijdens het boekjaar zijn geproduceerd.
Het bedrag van de verkochte producten omvat de waarde van de teruggeleverde producten (ondermelk enz.). Die waarde wordt eveneens vermeld bij de kosten van het bedrijf.
Eventuele schadeloosstellingen (bv. verzekeringsuitkeringen) gedurende het boekjaar worden toegevoegd aan het totaal van de verkopen van de desbetreffende producten, voor zover zij aan de productie ervan kunnen worden toegerekend. Zo niet, dan worden zij vermeld onder code 900 “Andere dierlijke producten”.
Tijdens het boekjaar ontvangen premies en subsidies voor producten zijn niet begrepen in het bedrag van de verkopen; zij worden vermeld in tabel M “Subsidies” in de desbetreffende categorie gekoppelde inkomenssteun (codes tussen 23111 en 2900).
Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden die niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H „Productiemiddelen”, onder code 2090 „Overige specifieke kosten van de veehouderij”.
K.FC Verbruik in de huishouding en betalingen in natura
Producten die door de huishouding van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura). Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor broedeieren (code 532).
Hoeveelheid (kolom Q)
De instructies voor tabel K zijn van toepassing.
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.
K.FU Intern verkeer
Omvat de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Daarbij gaat het om:
|
— |
veevoer: de marktbare producten van het bedrijf (producten die regelmatig verhandeld worden) die gedurende het boekjaar als veevoer zijn gebruikt. Door kalveren bij de koe gezogen melk wordt niet tot het intern verkeer gerekend; |
|
— |
producten die worden gebruikt in het kader van andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden:
|
Hoeveelheid (kolom Q)
De instructies voor tabel K zijn van toepassing.
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer. Die waarde wordt eveneens vermeld bij de kosten van het bedrijf.
Tabel L
Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden
Structuur van de tabel
|
Categorie andere winstgevende werkzaamheden |
Code (*) |
|
|
|
Ontbrekende gegevens |
Code (**) |
|
|
|
|
|||
|
|
Kolommen |
||
|
Informatiegroep |
Hoeveelheid |
Waarde |
|
|
|
|
Q |
V |
|
OV |
Begininventaris |
— |
|
|
CV |
Eindinventaris |
— |
|
|
PR |
Productie |
|
— |
|
SA |
Verkopen |
— |
|
|
FC |
Verbruik in de huishouding |
— |
|
|
FU |
Intern verkeer |
— |
|
|
Code (*) |
Omschrijving |
|
261 |
Verwerking van koemelk |
|
263 |
Verwerking van melk van andere dieren |
|
900 |
Verwerking van vlees of andere dierlijke producten |
|
1010 |
Verwerking van gewassen |
|
1020 |
Bosbouw en houtverwerking |
|
2010 |
Loonwerk |
|
2020 |
Toerisme, accommodatie, catering en andere vormen van vrijetijdsbesteding |
|
2030 |
Opwekking van hernieuwbare energie |
|
9000 |
Overige andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden |
|
Code (**) |
Omschrijving |
|
0 |
Als geen enkel gegeven ontbreekt, wordt codenummer 0 vermeld. |
|
1 |
Code 1 wordt vermeld als de productie is verkregen door de verwerking van aangekochte dieren of dierlijke of plantaardige producten. |
|
2 |
Code 2 wordt ingevuld wanneer het wegens de verkoopvoorwaarden niet mogelijk is de daadwerkelijke productie te bepalen in kwintalen. |
|
4 |
Code 4 wordt ingevuld wanneer er alleen voorraad is en geen daadwerkelijke productie. |
Categorieën andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden
De volgende categorieën andere winstgevende werkzaamheden worden onderscheiden:
|
261 |
Verwerking van koemelk |
||||||
|
263 |
Verwerking van melk van andere dieren, zoals buffelmelk, schapenmelk en geitenmelk |
||||||
|
900 |
Verwerking van vlees of andere dierlijke producten |
||||||
|
1010 |
Verwerking van plantaardige producten, met uitzondering van wijn en olijfolie. Omvat de productie van alcohol uit andere landbouwproducten dan druiven, cider of perenwijn. |
||||||
|
1020 |
Bosbouw en houtverwerking. Omvat de verkopen, tijdens het boekjaar, van gekapt hout en hout op stam, van andere bosproducten dan hout (kurk, hars enz.) en van verwerkt hout. |
||||||
|
2010 |
Loonwerk voor derden. De verhuur van bedrijfsmachines zonder arbeidskrachten van het bedrijf of het loutere inzetten van arbeidskrachten van het bedrijf voor loonwerk worden niet als andere winstgevende werkzaamheden beschouwd, maar als onderdelen van de landbouwactiviteit. |
||||||
|
2020 |
Toerisme, accommodatie, catering en andere vormen van vrijetijdsbesteding. Zij omvatten de dankzij het toerisme ontvangen vergoedingen (voor de verhuur van kampeerplaatsen en vakantieverblijven, het beschikbaar stellen van faciliteiten voor paardrijden, jacht- en visserijverhuur enz.). |
||||||
|
2030 |
Opwekking van hernieuwbare energie. Hierbij gaat het om de opwekking van hernieuwbare energie voor de markt, inclusief biogas, biobrandstof en elektriciteit, met windturbines of andere installaties of uit landbouwgrondstoffen. De volgende rubrieken zijn vanwege het feit dat zij als onderdeel van de landbouwactiviteit van het bedrijf moeten worden beschouwd, niet inbegrepen:
|
||||||
|
9000 |
Overige andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden. Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden, niet elders genoemd. |
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL L
Hoeveelheid (kolom Q)
Deze hoeveelheden worden aangegeven in kwintalen (100 kg).
Voor verwerkte producten op basis van melk (de codes 261 en 263) wordt de geproduceerde hoeveelheid vloeibare melk aangegeven ongeacht de vorm (room, boter, kaas enz.) waarin deze wordt verkocht, in de huishouding wordt verbruikt, als betaling in natura wordt gegeven of in eigen bedrijf wordt gebruikt.
L.OV Begininventaris
De waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020), opwekking van hernieuwbare energie (code 2030) en overige “andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden” (code 9000).
Waarde (kolom V)
De waarde van de producten is de waarde ervan in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.
L.CV Eindinventaris
De waarde van de producten in voorraad (opslag) bij het einde van het boekjaar.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020), opwekking van hernieuwbare energie (code 2030) en overige “andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden” (code 9000).
Waarde (kolom V)
De waarde van de producten is de waarde ervan in het economisch verkeer min de geraamde verkoopkosten op de inventarisdatum.
L.PR Productie van het boekjaar
Hoeveelheid (kolom Q)
Deze informatie hoeft alleen te worden verstrekt voor de categorieën die op de melkverwerking betrekking hebben (de codes 261 en 263).
Bedoeld is de hoeveelheid vloeibare melk die tijdens het boekjaar op het bedrijf is geproduceerd en die voor de bereiding van de verwerkte producten wordt gebruikt.
L.SA Verkopen
Het totaal van de tijdens het boekjaar verkochte producten (producten die in voorraad waren bij het begin van het boekjaar of die tijdens het boekjaar zijn geproduceerd) en de ontvangsten van andere winstgevende werkzaamheden.
Waarde (kolom V)
Totaalbedrag (reeds tijdens het boekjaar ontvangen of nog niet) van de verkopen van producten die bij het begin van het boekjaar in voorraad waren of tijdens het boekjaar zijn geproduceerd.
Eventuele schadeloosstellingen (bv. verzekeringsuitkeringen) gedurende het boekjaar worden toegevoegd aan het totaal van de verkopen van de desbetreffende producten, voor zover zij aan de productie ervan kunnen worden toegerekend. Zo niet, dan worden zij in tabel I “Gewassen” onder code 90900 “Overige” vermeld.
Tijdens het boekjaar ontvangen premies en subsidies voor producten zijn niet begrepen in het bedrag van de verkopen; zij worden vermeld in tabel M “Subsidies” in de desbetreffende categorie gekoppelde inkomenssteun (codes tussen 23111 en 2900). Als de eventuele verkoopkosten bekend zijn, worden die niet afgetrokken van het bedrag van de verkopen, maar vermeld in tabel H „Productiemiddelen”, in de desbetreffende categorie van specifieke kosten van andere winstgevende werkzaamheden (de codes 4010 tot en met 4090).
L.FC Verbruik in de huishouding en betalingen in natura
Producten die door de huishouding van het bedrijfshoofd zijn verbruikt en/of zijn gebruikt als betaling in natura voor goederen en diensten (waaronder loon in natura).
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020) en de opwekking van hernieuwbare energie (code 2030).
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.
L.FU Intern verkeer
Omvat de producten in voorraad (opslag) bij het begin van het boekjaar en/of geproduceerd tijdens het boekjaar, die gedurende het boekjaar op het bedrijf werden gebruikt als productiemiddel. Hierbij gaat het om producten die op het bedrijf zijn verwerkt (melk verwerkt tot kaas, granen verwerkt tot brood, vlees verwerkt tot ham enz.) en gebruikt voor de catering of voor toeristische accommodatie.
Deze informatie hoeft niet te worden verstrekt voor loonwerk (code 2010), toeristische activiteiten (code 2020) en de opwekking van hernieuwbare energie (code 2030).
Waarde (kolom V)
De producten worden gewaardeerd tegen de waarde ervan in het economisch verkeer.
Tabel M
Subsidies
Structuur van de tabel
|
|
Categorie subsidie/administratieve informatie |
Code (*) |
|
|
|
|
Financieringswijze |
Code (**) |
|
|
|
|
Basiseenheid |
Code (***) |
|
|
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|||
|
Aantal basiseenheden |
Waarde |
Soort |
||
|
N |
V |
T |
||
|
S |
Subsidie |
|
|
— |
|
AI |
Administratieve informatie |
|
— |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Groep |
Omschrijving |
Kolommen |
||
|
N |
V |
T |
|||
|
|
|
Ontkoppelde betalingen |
|
|
|
|
1250 |
S |
Basisinkomenssteun voor duurzaamheid |
|
|
— |
|
1300 |
S |
Aanvullende herverdelende inkomenssteun voor duurzaamheid |
|
|
— |
|
1400 |
S |
Regelingen voor het klimaat, het milieu en dierenwelzijn (ecoregelingen) |
|
|
— |
|
1600 |
S |
Aanvullende inkomenssteun voor jonge landbouwers |
|
|
— |
|
1700 |
S |
Betalingen voor kleine landbouwers |
|
|
— |
|
|
|
Gekoppelde inkomenssteun |
|
|
|
|
|
|
Akkerbouwgewassen |
|
|
|
|
|
|
Granen, oliehoudende zaden en eiwithoudende gewassen |
|
|
|
|
23111 |
S |
Granen |
|
|
— |
|
23112 |
S |
Oliehoudende zaden |
|
|
— |
|
23114 |
S |
Eiwithoudende gewassen & zaaddragende leguminosen |
|
|
— |
|
2312 |
S |
Aardappelen |
|
|
— |
|
23121 |
S |
waarvan aardappelen voor zetmeelproductie |
|
|
— |
|
2313 |
S |
Suikerbieten |
|
|
— |
|
|
|
Handelsgewassen |
|
|
|
|
23141 |
S |
Vlas |
|
|
— |
|
23142 |
S |
Hennep |
|
|
— |
|
23143 |
S |
Hop |
|
|
— |
|
23144 |
S |
Suikerriet |
|
|
— |
|
23145 |
S |
Cichorei |
|
|
— |
|
23149 |
S |
Overige handelsgewassen |
|
|
— |
|
|
|
Andere gewassen |
|
|
|
|
2315 |
S |
Groenten |
|
|
— |
|
2316 |
S |
Braakland |
|
|
— |
|
2317 |
S |
Rijst |
|
|
— |
|
2319 |
S |
Niet gedefinieerde akkerbouwgewassen |
|
|
— |
|
2320 |
S |
Blijvend grasland |
|
|
— |
|
2321 |
S |
Gedroogde voerdergewassen |
|
|
— |
|
2322 |
S |
Gewasspecifieke betaling voor katoen |
|
|
— |
|
2323 |
S |
Nationaal herstructureringsprogramma’s voor de katoensector |
|
|
— |
|
2324 |
S |
Zaadteelt |
|
|
— |
|
|
|
Blijvende teelten |
|
|
|
|
23311 |
S |
Kleinfruit |
|
|
— |
|
23312 |
S |
Noten |
|
|
— |
|
2332 |
S |
Pit- en steenvruchten |
|
|
— |
|
2333 |
S |
Citrusvruchtaanplantingen |
|
|
— |
|
2334 |
S |
Olijfboomgaarden — olijfolie en tafelolijven |
|
|
— |
|
2335 |
S |
Wijngaarden |
|
|
— |
|
2339 |
S |
Blijvende teelten, niet elders genoemd |
|
|
— |
|
|
|
Dieren |
|
|
|
|
2341 |
S |
Zuivelsector |
|
|
— |
|
2342 |
S |
Rundvlees |
|
|
— |
|
2343 |
S |
Vee (niet-gespecificeerde soort) |
|
|
— |
|
2344 |
S |
Schapen en geiten |
|
|
— |
|
2345 |
S |
Varkens en pluimvee |
|
|
— |
|
2346 |
S |
Zijderupsen |
|
|
— |
|
2347 |
S |
Producten van de bijenteelt |
|
|
— |
|
2349 |
S |
Andere dieren, niet elders genoemd |
|
|
— |
|
2410 |
S |
Hakhout met korte omlooptijd |
|
|
— |
|
2490 |
S |
Andere gekoppelde betalingen, niet elders genoemd |
|
|
— |
|
|
|
Premies en subsidies van buitengewone aard |
|
|
|
|
2810 |
S |
Betalingen bij rampen |
|
|
— |
|
2890 |
S |
Andere premies en subsidies van buitengewone aard |
|
|
— |
|
2900 |
S |
Andere rechtstreekse betalingen, niet elders genoemd |
|
|
— |
|
|
|
Plattelandsontwikkeling |
|
|
|
|
3100 |
S |
Investeringen, ook in irrigatie |
|
|
— |
|
3200 |
S |
Vestiging van jonge landbouwers en nieuwe landbouwers, en het opstarten van plattelandsbedrijven |
|
|
— |
|
3310 |
S |
Beheersverbintenissen (op milieu-, klimaat- en andere gebieden) (met uitzondering van dierenwelzijn en biologische landbouw) |
|
|
— |
|
3320 |
S |
Dierenwelzijnsbetalingen |
|
|
|
|
3350 |
S |
Biologische landbouw |
|
|
— |
|
3400 |
S |
Gebiedsspecifieke nadelen als gevolg van bepaalde verplichte vereisten (bv. Natura 2000, kaderrichtlijn water) |
|
|
— |
|
3500 |
S |
Natuurlijke of andere gebiedsspecifieke beperkingen |
|
|
— |
|
|
S |
Bosbouw/niet-productieve investeringen |
|
|
|
|
3610 |
S |
Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de levensvatbaarheid van bossen |
|
|
— |
|
3620 |
S |
Natura 2000-betalingen voor bosbouw en bijstand voor bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding |
|
|
— |
|
3750 |
S |
Bijstand voor het herstel van door natuurrampen of rampzalige gebeurtenissen beschadigd agrarisch productiepotentieel en invoering van passende preventieve acties |
|
|
— |
|
3760 |
S |
Risicobeheersinstrumenten |
|
|
— |
|
3770 |
S |
Kennisuitwisseling en verspreiding van informatie |
|
|
|
|
3780 |
S |
Samenwerking |
|
|
|
|
3900 |
S |
Andere betalingen voor plattelandsontwikkeling |
|
|
— |
|
|
|
Premies en subsidies voor kosten |
|
|
|
|
4100 |
S |
Lonen en sociale lasten |
|
|
— |
|
4200 |
S |
Motorbrandstoffen |
|
|
— |
|
|
|
Vee |
|
|
|
|
4310 |
S |
Veevoeder voor graasdieren |
|
|
— |
|
4320 |
S |
Veevoeder voor varkens en pluimvee |
|
|
— |
|
4330 |
S |
Overige kosten van de veehouderij |
|
|
— |
|
|
|
Gewassen |
|
|
|
|
4410 |
S |
Zaden |
|
|
— |
|
4420 |
S |
Meststoffen |
|
|
— |
|
4430 |
S |
Gewasbescherming |
|
|
— |
|
4440 |
S |
Overige specifieke kosten van gewassen |
|
|
— |
|
|
|
Algemene bedrijfskosten |
|
|
|
|
4510 |
S |
Elektriciteit |
|
|
— |
|
4520 |
S |
Verwarmingsbrandstoffen, totaalbedrag |
|
|
— |
|
4521 |
S |
waarvan aardgas en fabrieksgassen |
|
|
— |
|
4522 |
S |
waarvan olie en aardolieproducten |
|
|
— |
|
4523 |
S |
waarvan vaste fossiele brandstoffen |
|
|
— |
|
4524 |
S |
waarvan hernieuwbare brandstoffen |
|
|
— |
|
4530 |
S |
Water |
|
|
— |
|
4540 |
S |
Verzekering |
|
|
— |
|
4550 |
S |
Rente |
|
|
— |
|
4600 |
S |
Kosten voor andere winstgevende werkzaamheden |
|
|
— |
|
4900 |
S |
Andere kosten |
|
|
— |
|
|
|
Premies en subsidies voor de aankoop van vee |
|
|
|
|
5100 |
S |
Aankoop van zuivel |
|
|
— |
|
5200 |
S |
Aankoop van rundvlees |
|
|
— |
|
5300 |
S |
Aankoop van schapen en geiten |
|
|
— |
|
5400 |
S |
Aankoop van varkens en pluimvee |
|
|
— |
|
5900 |
S |
Aankoop van andere dieren |
|
|
— |
|
9000 |
S |
Verschillen ten opzichte van de voorgaande boekjaren |
|
|
— |
|
|
|
Verplichtingen van de lidstaten inzake een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen 2, 8 en 9) |
|
|
|
|
10010 |
AI |
GLMC 2 voor wetland en veengebied |
— |
— |
|
|
10011 |
AI |
GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — blijvend grasland |
|
— |
— |
|
10012 |
AI |
GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — bouwland |
|
— |
— |
|
10013 |
AI |
GLMC 2: aantal hectaren wetland en veengebied — blijvende teelten |
|
— |
— |
|
10400 |
AI |
GLMC 9: verbod op het omzetten en ploegen |
— |
— |
|
|
10401 |
AI |
GLMC 9: aantal hectaren blijvend grasland in Natura 2000-gebieden |
|
— |
— |
|
10402 |
AI |
GLMC 9: door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd |
|
— |
— |
|
10403 |
AI |
GLMC 9: door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland buiten Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd, indien van toepassing |
|
— |
— |
De codes voor de financieringswijze van de subsidie worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (**) |
Omschrijving |
|
0 |
Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor administratieve informatie. |
|
1 |
De subsidie wordt uitsluitend uit de Uniebegroting gefinancierd. |
|
2 |
De maatregel wordt gecofinancierd door de Unie en de lidstaat. |
|
3 |
De maatregel wordt niet uit de Uniebegroting, maar uit andere overheidsbronnen gefinancierd. |
De codes voor de basiseenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (***) |
Omschrijving |
|
0 |
Niet van toepassing: deze code wordt gebruikt voor administratieve informatie. |
|
1 |
De subsidie wordt per stuk vee verleend. |
|
2 |
De subsidie wordt per ha verleend. |
|
3 |
De subsidie wordt per ton verleend. |
|
4 |
Bedrijf/overige: de subsidie wordt verleend voor het gehele bedrijf of op een wijze die niet in de overige categorieën past. |
Tabel M “Subsidies” omvat premies en subsidies die de landbouwbedrijven van publieke instanties hebben ontvangen en die zowel uit de nationale begroting als uit de begroting van de Unie worden gefinancierd. De tabel omvat ook administratieve informatie over een goede landbouw- en milieuconditie van grond.
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL M
S Subsidies
Premies en subsidies worden omschreven aan de hand van de categorie subsidies (S), de financieringswijze en de basiseenheden. Voor elke boeking moeten het aantal basiseenheden (N) en het ontvangen bedrag (V) worden geregistreerd. Een subsidiecategorie kan meer dan één record bevatten omdat de basiseenheden en/of de financieringsoorsprong kunnen verschillen.
In de regel hebben in tabel M geregistreerde premies en subsidies betrekking op het lopende boekjaar, ongeacht wanneer de betaling wordt ontvangen (het boekjaar is gelijk aan het aanvraagjaar). Investeringssubsidies en betalingen in het kader van de plattelandsontwikkeling, met uitzondering van betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen, vormen een uitzondering op deze regel: de geregistreerde bedragen moeten in dit geval betrekking hebben op betalingen die tijdens het boekjaar daadwerkelijk zijn ontvangen (het boekjaar is gelijk aan het betalingsjaar).
AI Administratieve informatie
Bepaalde verplichtingen van de lidstaten inzake een goede landbouw- en milieuconditie van grond (GLMC-normen 2 en 9) worden omschreven aan de hand van de categorie administratieve informatie (AI). Voor elke boeking moet het aantal basiseenheden (N) en/of de soort (T) worden geregistreerd overeenkomstig de tabel.
Het aantal basiseenheden (N) komt overeen met het areaal waarop de GLMC-normen betrekking hebben, en wordt uitgedrukt in hectaren.
De soort (T) heeft betrekking op de toepassing van de GLMC op landbouwbedrijfsniveau en wordt geselecteerd uit onderstaande lijst:
|
Code |
Omschrijving |
|
1 |
Het landbouwbedrijf moet aan de administratieve eis voldoen. |
|
2 |
Het landbouwbedrijf geniet een vrijstelling of afwijking zoals gedefinieerd in het strategisch GLB-plan op grond van artikel 13, lid 1, tweede alinea, en artikel 13, lid 2 bis, van Verordening (EU) 2021/2115. |
Tabel MI
Marktintegratie
Structuur van de tabel
|
Categorie |
Code |
|||||
|
|
||||||
|
|
Kolommen |
|||||
|
Informatiegroep |
Aandeel in de verkochte waarde (%) |
Soort contract |
Prijsregelingen |
Waardeverdeling |
Contractvoorwaarden |
|
|
|
S |
C |
P |
V |
R |
|
|
MI |
Marktintegratie |
|
|
|
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Omschrijving |
Groep |
S |
C |
P |
V |
R |
|
100 |
Directe verkoop aan consumenten |
MI |
|
— |
— |
— |
— |
|
200 |
Producentenorganisatie/coöperatie |
MI |
|
— |
|
|
|
|
300 |
Detailhandelaar |
MI |
|
|
|
|
|
|
400 |
Voedselverwerker |
MI |
|
|
|
|
|
|
500 |
Groothandelaar |
MI |
|
|
|
|
|
|
600 |
Andere landbouwbedrijven |
MI |
|
|
|
|
|
|
700 |
Tussenpersonen bij uitvoer |
MI |
|
|
|
|
|
|
800 |
Overige |
MI |
|
|
|
|
|
De groep informatie over marktintegratie heeft betrekking op de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct qua verkoopwaarde binnen een bepaald rapportagejaar. Voor het betreffende hoofdproduct moet een indicatie worden gegeven van het deel van het product dat aan verschillende kopers wordt verkocht en de kenmerken van de desbetreffende contractuele overeenkomsten. Indien het hoofdproduct aan verschillende kopers en/of met verschillende contractuele regelingen wordt verkocht, geldt hetzelfde criterium van de hogere verkoopwaarde (d.w.z. de vastgelegde informatie moet betrekking hebben op de voornaamste koper en/of de hoofdovereenkomst wat betreft de verkochte waarde).
Beschrijving van de kolommen
S. Aandeel verkochte waarde (%)
Bij de berekening van het aandeel van de verkochte waarde gaat het om het bepalen van het percentage van de totale waarde van het belangrijkste landbouwproduct qua verkoopwaarde dat in een bepaald rapportagejaar per soort koper is verkocht.
C. Soort contract
Vermeld moet worden of sprake is van een schriftelijk contract tussen de landbouwer en de koper over de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct. Indien het betreffende belangrijkste landbouwproduct met behulp van verschillende contracten wordt verkocht, moet alleen de informatie over het hoofdcontract qua verkoopwaarde worden gerapporteerd.
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
P. Prijsregelingen
In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet worden vermeld welk soort prijsafspraken er zijn voor de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct waarop een dergelijk contract betrekking heeft.
Te gebruiken codes:
|
1 |
statische prijs (d.w.z. het contract voorziet in een prijs die niet kan worden gewijzigd, ongeacht schommelingen in kosten, marktomstandigheden of andere variabelen); |
|
2 |
variabele prijs (d.w.z. het contract voorziet in een prijsformule met indicatoren, indexcijfers en/of berekeningsmethoden die de ontwikkeling van de marktomstandigheden, de hoeveelheden en de kwaliteit en de samenstelling van de geleverde producten weerspiegelen). |
V. Waardeverdeling
In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet worden vermeld of in het contract wordt bepaald hoe eventuele ontwikkelingen van relevante marktprijzen voor de betrokken producten of andere winsten of verliezen op de grondstoffenmarkten over de contractpartijen moeten worden verdeeld, onder meer door middel van bonussen of het delen van verliezen.
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
R. Contractvoorwaarden
In het geval van een schriftelijk contract (d.w.z. de onder punt C vermelde waarde is gelijk aan 2) moet informatie worden verstrekt over de voorwaarden van het contract te aanzien van de te leveren hoeveelheden goederen, de frequentie van de leveringen alsook de betalingsvoorwaarden en boetes voor niet-naleving bij de verkoop van het belangrijkste landbouwproduct waarop een dergelijk contract betrekking heeft.
Te gebruiken codes (meerdere keuzes mogelijk):
|
1. |
Het contract schrijft regelmatige leveringen van de producten gedurende de gehele looptijd van het contract voor. |
|
2. |
De looptijd van het contract bedraagt maximaal één jaar zonder clausule inzake automatische verlenging (d.w.z. alle voorwaarden in het contract, naast de prijs, worden automatisch verlengd, met inbegrip van de frequentie van de leveringen, de betalingsvoorwaarden enz.). |
|
3. |
De betalingen voor de in het kader van het contract geleverde producten geschieden tot dertig dagen na de levering van de goederen. |
|
4. |
Het contract omvat sancties voor de producent wegens niet-naleving en/of in het geval van overmacht. |
Tabel DI
Innovatie en digitalisering
Structuur van de tabel
|
Categorieën innovatie en digitalisering |
Code |
||
|
|
|||
|
|
Kolommen |
||
|
Informatiegroep |
Deelname |
Gebruik |
|
|
P |
U |
||
|
IN |
Innovatieprojecten en -netwerken |
|
|
|
FM |
Beheer landbouwbedrijf |
|
|
|
PF |
Precisielandbouw |
|
|
|
LM |
Machines voor het beheer van de veestapel |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Omschrijving |
Groep |
P |
U |
|
110 |
Onderzoeks- en innovatieproject |
IN |
|
- |
|
120 |
Operationele groep EIP |
IN |
|
- |
|
130 |
Modelboerderij |
IN |
|
- |
|
140 |
Netwerk van landbouwers |
IN |
|
- |
|
150 |
Andere netwerken |
IN |
|
- |
|
210 |
Bedrijfsbeheersinformatiesysteem |
FM |
- |
|
|
310 |
Robotica voor de productie van gewassen |
PF |
- |
|
|
320 |
Technieken met variabele dosering |
PF |
- |
|
|
330 |
Precisiemonitoring van gewassen |
PF |
- |
|
|
410 |
Bewaking van het welzijn en de gezondheid van dieren |
LM |
- |
|
|
420 |
Automatische voedersystemen |
LM |
- |
|
|
430 |
Automatische regeling van stalklimaat |
LM |
- |
|
|
440 |
Melkrobots |
LM |
- |
|
OMSCHRIJVING VAN DE CATEGORIEËN
110 Onderzoeks- en innovatieproject
Onderzoeks- en innovatieprojecten (O&I-projecten) van bedrijven zijn erop gericht te innoveren en nieuwe producten en diensten te introduceren of het bestaande aanbod te verbeteren. Zij kunnen het resultaat zijn van samenwerking tussen landbouwers, onderzoekers en andere bedrijven. Door de betrokkenheid van meerdere actoren worden de inspanningen op het gebied van O&I versterkt en kunnen landbouwbedrijven de resultaten daarvan beter benutten.
120 Operationele groep EIP
Een project van de operationele groep EIP-AGRI omvat partners met complementaire kennis (bv. op wetenschappelijk, technisch, organisatorisch gebied enz.) die in een innovatieproject samen praktische oplossingen voor landbouw, bosbouw en plattelandsgemeenschappen creëren. Bij een dergelijk project kunnen verschillende actoren uit de Europese kennis- en innovatiesystemen voor de landbouw (AKIS) betrokken zijn, waaronder landbouwers, bosbouwers, onderzoekers, adviseurs, bedrijven, milieugroepen, consumentenbelangengroepen of andere ngo’s om innovatie op het gebied van landbouw, bosbouw en plattelandsgebieden te bevorderen.
130 Modelboerderij
Een modelboerderij (of proefboerderij) draagt bij aan onderzoek of demonstreert verschillende landbouwtechnieken.
140 Netwerk van landbouwers
Een netwerk van landbouwers is een manier voor landbouwers om informatie en technische kennis uit te wisselen en regelmatig verbindingsmogelijkheden te creëren.
150 Andere netwerken
Andere landbouwnetwerken omvatten initiatieven zoals Leader en slimme dorpen.
210 Bedrijfsbeheersinformatiesysteem
Beheersinformatiesystemen zijn instrumenten ter ondersteuning van de besluitvorming, hetzij op een eigen computer, hetzij via een onlinesysteem. Zij omvatten maar zijn niet beperkt tot instrumenten zoals een digitaal veldboek of een digitaal stamboek.
310 Robotica voor de productie van gewassen
Hieronder vallen zelfrijdende machines, robots voor het plukken van kleinfruit, hoogprecisieapparatuur op basis van RTK-GPS (1 cm nauwkeurigheid ) en andere. Ook apparatuur die gebruikmaakt van gps-begeleiding voor de toediening van gewasbeschermingsmiddelen en apparatuur voor rijbehandeling van gewasbeschermingsmiddelen zijn inbegrepen.
320 Technieken met variabele dosering
Bij technieken met variabele dosering zijn de toegediende hoeveelheden gebaseerd op de precieze locatie of kenmerken van het gebied. Zij worden gebruikt voor een of meer van de volgende landbouwactiviteiten:
|
— |
Bevruchting |
|
— |
Gewasbescherming |
|
— |
Wieden |
|
— |
Uitzaai |
|
— |
Beplanting |
|
— |
Overige |
330 Precisiemonitoring van gewassen
Gewasmonitoringtechnieken zoals:
|
— |
Weerstations |
|
— |
Digitale kartering (kartering van de bodemkwaliteit, opbrengstkartering, NDVI-kartering (NDVI — genormaliseerde verschil-vegetatie-index)) |
|
— |
Bodemscanning |
|
— |
Sensoren voor opbrengstmonitoring |
|
— |
Overige |
410 Bewaking van het welzijn en de gezondheid van dieren
Bewaking van de veestapel met behulp van een of meer van de volgende technieken:
|
— |
Camerabewaking |
|
— |
Geluidsbewaking |
|
— |
Waarschuwingssystemen |
|
— |
Activiteitensensoren |
|
— |
Tracering van dieren |
|
— |
Gezondheidsbewaking (bv. bewaking van temperatuur, gewicht, kreupelheid of mastitis) |
|
— |
Registratie van voederen |
|
— |
Registratie van drenken |
|
— |
Overige |
420 Automatische voedersystemen
Automatische voedersystemen voor dieren automatiseren en optimaliseren het voederproces, zorgen voor een consistente en gecontroleerde levering van diervoeder aan de dieren, waarbij arbeid tot een minimum wordt beperkt en een efficiënt gebruik van hulpbronnen wordt gewaarborgd.
430 Automatische regeling van stalklimaat
Apparatuur voor de automatische regeling van het stalklimaat, met inbegrip van temperatuurregeling, ventilatie, regeling van de vochtigheid, verlichting, alarm en bewakingssysteem.
440 Melkrobots
Automatische melksystemen die het melken met de hand vervangen.
BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN
Deelname (P)
De code geeft aan of het landbouwbedrijf de afgelopen drie jaar aan innovatieprojecten of -netwerken heeft deelgenomen. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Gebruik (U)
De code geeft aan of de landbouwer de desbetreffende technologie in het rapportagejaar in eigendom had, heeft gehuurd of gebruikt. Dit kan het gebruik van de betreffende technologie door een dienstverlener omvatten indien de voor de landbouwactiviteiten gebruikte technologie in het contract of in de facturen is gespecificeerd of indien de landbouwer op de hoogte is van de gebruikte technologie op basis van directe kennis of informatie. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Tabel OF
Indicatief aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf
Structuur van de tabel
|
|
Kolom |
|
|
Informatiegroep |
Code |
|
|
|
C |
|
|
OI |
Inkomen buiten het landbouwbedrijf |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Omschrijving |
Groep |
C |
|
100 |
Aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf |
OI |
|
|
200 |
Bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf |
OI |
|
De informatiegroep over het inkomen buiten het landbouwbedrijf heeft betrekking op het inkomen van de landbouwer uit andere arbeid dan landbouwwerkzaamheden en uit andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden. Hieronder vallen ook werkgelegenheid buiten het bedrijf en zelfstandig werkend of niet-bezoldigd bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider of bedrijfsleider/geen bedrijfshoofd. Indien de inkomenswaarden voor het IDL-rapportagejaar nog niet bekend zijn, kan de waarnemingsperiode betrekking hebben op de voorgaande inkomensreferentieperiode van twaalf maanden, namelijk het voorgaande kalender- of belastingjaar voor zowel het landbouwinkomen als het inkomen buiten het landbouwbedrijf (bv. het landbouwinkomen en inkomen buiten het landbouwbedrijf van 2026 die in aanmerking moeten worden genomen voor het IDL-rapportagejaar 2027). De door elke lidstaat toegepaste waarnemingsperiode (d.w.z. het IDL-rapportagejaar of de voorgaande inkomensreferentieperiode van twaalf maanden) wordt tijdig aan de Commissie meegedeeld in verband met het opzetten van het in artikel 11, lid 1, van deze verordening bedoelde computersysteem voor de levering en controle van informatie.
Hierbij worden de volgende categorieën onderscheiden:
OF.OI.100.C. Aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf
Vermeld moet worden wat het indicatieve aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf is ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden (d.w.z. of het inkomen buiten het landbouwbedrijf hoger of lager is dan het landbouwinkomen en in welke mate). De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Geen inkomen buiten het landbouwbedrijf — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf is gelijk aan 0 |
|
1 |
Inkomen buiten het landbouwbedrijf is een secundaire bron van inkomsten — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf is lager dan 50 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden. |
|
2 |
Het inkomen buiten het landbouwbedrijf is een belangrijke bron van inkomsten — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf ligt tussen 50 en 100 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden. |
|
3 |
Het inkomen buiten het landbouwbedrijf is hoger dan het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden — d.w.z. het inkomen buiten het landbouwbedrijf bedraagt meer dan 100 % ten opzichte van het landbouwinkomen en andere winstgevende werkzaamheden |
De volgende berekeningsformule kan worden gebruikt om het aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf te schatten:
Aandeel =
Een dergelijke berekening is echter niet vereist en mag niet worden uitgevoerd met name wanneer de uitkomst als gevolg van bepaalde inkomenswaarden (bv. negatief inkomen) niet zinvol zou zijn.
OF.OI.200.C. Bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf
Indien de voor OF.OI.100.C gebruikte code niet 0 is, moeten de bronnen van inkomen buiten het landbouwbedrijf worden vermeld. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
Voornamelijk arbeid in loondienst |
|
2 |
Voornamelijk zelfstandige arbeid |
Tabel FP1
Landbouwpraktijken 1
Milieu- en klimaatvriendelijke landbouwpraktijken zijn alle beschermings-, verbintenis- of investeringshandelingen die door een landbouwer of grondbeheerder worden verricht ter verbetering van de milieuomstandigheden van de landbouw en om de klimaatverandering te beperken en zich daaraan aan te passen.
Structuur van de tabel
|
|
Categorie van landbouwpraktijken |
Code (*) |
|
|
Informatiegroep |
Oppervlakte |
Hoeveelheid |
|
|
TA |
Q |
||
|
TI |
Bodembewerkingsbeheer |
|
— |
|
SC |
Bodembedekking |
|
— |
|
OF |
Biologische bemesting |
|
|
|
AL |
Aanbrengen van kalk |
— |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Groep |
Omschrijving |
TA |
Q |
|
100 |
TI |
Conventionele bodembewerking |
|
— |
|
200 |
TI |
Geen bodembewerking |
|
— |
|
300 |
TI |
Niet-kerende (minimale) bodembewerking |
|
— |
|
400 |
SC |
Bodembedekking op bouwland in de winter |
|
— |
|
500 |
SC |
Kruidachtige bedekking in meerjarige teelten |
|
— |
|
600 |
OF |
Gebruik van compost |
— |
|
|
700 |
OF |
Gebruik van digestaten of fracties rijk aan voedingsstoffen |
— |
|
|
800 |
OF |
Groenbemesting |
|
— |
|
900 |
OF |
Gebruik van zuiveringsslib |
— |
|
|
1000 |
AL |
Aanbrengen van kalk |
— |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL FP1
TI Bodembewerking
Voor elke boeking moet de oppervlakte (TA) volgens de verschillende bodembeheerpraktijken worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
SC Bodembedekking
Voor elke boeking moet de bedekte oppervlakte (TA) worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
OF Biologische bemesting
Voor elke boeking moet de hoeveelheid (Q) worden geregistreerd, behalve voor groenbemesting, waarvoor de oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De hoeveelheid organische meststoffen die in het rapportagejaar is toegediend, wordt vermeld in kwintalen (100 kg). Voor groenbemesting verwijst de oppervlakte naar de totale oppervlakte die is beplant met gewassen die specifiek voor dit doel worden gebruikt. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
AL Aanbrengen van kalk
Voor elke boeking moet de hoeveelheid (Q) worden geregistreerd. De hoeveelheid moet worden vermeld in kwintalen (100 kg).
Categorieën landbouwpraktijken
100 Conventionele bodembewerking
Bodembewerking waarbij de grond bij de primaire bodembewerking gewoonlijk met een ploeg of schijveneg wordt gekeerd en vervolgens een secundaire bodembewerking met een schijveneg wordt uitgevoerd.
200 Geen bodembewerking
Praktijk waarbij het gewas rechtstreeks wordt ingezaaid in grond die sinds de oogst van het vorige gewas niet is bewerkt (ook wel directzaai genoemd). Onkruidbestrijding wordt verricht door het gebruik van herbiciden en/of passende mulching en andere technieken, zoals voor- en nateelten of onderzaaien, waarbij stoppels worden behouden voor erosiebestrijding. Tussen de oogst en het zaaien wordt geen bodembewerking toegepast. Bezaaiing onder scherm wordt in deze categorie geregistreerd.
300 Niet-kerende (minimale) bodembewerking
Niet-kerende (minimale) bodembewerking verwijst naar bodembewerkingsmethoden of -systemen die geen kering van de grond inhouden. Deze categorie omvat bodembewerkingsmethoden waarbij de bodem in geringe mate wordt verstoord (bv. minimale bodembewerking, ondergrondbewerking, niet-kerende bodembewerking of oppervlaktekering), alsmede strooksgewijze bodembewerking of zonale grondbewerking, verticale grondbewerking of “tined tillage” en ruggenteelt of “ridge tillage”.
400 Bodembedekking op bouwland in de winter
Het betreft de oppervlakte van bouwland die in de winter bedekt (niet kaal) is. Hieronder valt:
|
— |
oppervlakte beplant met gewone wintergewassen; |
|
— |
oppervlakte beplant met bodembedekkers, vanggewassen en/of planten die specifiek worden gezaaid om bodemerosie, vruchtbaarheid en kwaliteit, water, onkruid, plagen, ziekten, biodiversiteit en wilde dieren, tussen oogst en inzaai, tijdens de winter te beheersen; |
|
— |
bouwland bedekt met plantenresten en stoppels van het vorige teeltseizoen en/of land bedekt met mulch (losse bedekking met natuurlijk materiaal zoals strooisel, gemaaid gras, stro, bladeren, snoeiresten, schors of zaagsel, of kunstmatig materiaal zoals papier of synthetische vezels). |
500 Kruidachtige bedekking in meerjarige teelten
Oppervlakte bedekt met kruidachtige vegetatie, spontaan of beplant (met inbegrip van bodembedekkers), op oppervlakte cultuurgrond met meerjarige teelten. Hieronder valt kruidachtige bedekking tussen de rijen voor wijngaarden en boomgaarden die in rijen zijn aangeplant, alsook de oppervlakte tussen bomen in boomgaarden die niet in rijen zijn aangeplant. Om in aanmerking te worden genomen, moet de kruidachtige bedekking tijdens een periode van ten minste zes maanden gedurende het rapportagejaar zijn gehandhaafd.
600 Gebruik van compost
Compost is het product van compostering, een biologisch proces waarbij biologisch afbreekbaar afval aeroob of of anaeroob wordt afgebroken en dat resulteert in een product dat op het land of voor de productie van groeimedia of substraten wordt gebruikt. Compost wordt gewoonlijk vervaardigd door de afbraak van planten- en voedselafval, recycling van organische materialen en mest.
700 Digestaten of fracties rijk aan voedingsstoffen
Toediening van uit mest teruggewonnen digestaten of fracties die rijk zijn aan voedingsstoffen. Het digestaat is een residu dat niet wordt afgebroken in het anaerobe vergistingsproces, zoals dat voor de productie van biogas. Verschillende soorten fracties en digestaten zijn in deze categorie opgenomen, zoals dunne fractie van mest, vaste fractie van mest, digestaat van uitsluitend mest, co-digestaat, dunne fractie van digestaat en minerale concentraten van mest/digestaat.
800 Groenbemesting
Hier wordt de totale oppervlakte vermeld die is beplant met gewassen die voor groenbemesting worden gebruikt. Groenbemestingsgewassen zijn planten die worden geteeld, gesneden en in de grond ondergewerkt om de vruchtbaarheid van de bodem te verbeteren. Mosterd, radijs en sommige peulgewassen worden als groenbemesting gebruikt. Onderwerking van stro of gewasresten van de hoofdgewassen wordt niet als groenbemesting beschouwd.
900 Gebruik van zuiveringsslib
Halfvast restmateriaal dat als bijproduct wordt geproduceerd tijdens de afvalwaterzuivering van industrieel of gemeentelijk afvalwater.
1000 Aanbrengen van kalk
Het aanbrengen op de bodem van calcium- en magnesiumrijke materialen in verschillende vormen, waaronder leem, krijt, kalksteen, ongebluste kalk of gebluste kalk.
Tabel FP2
Landbouwpraktijken 2
Structuur van de tabel
|
|
Categorie van landbouwpraktijken |
Code (*) |
|
|
||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|
|
Oppervlakte |
||
|
TA |
||
|
CR |
Gewasrotatie |
|
|
LU |
Specifieke vormen van landgebruik |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Groep |
Omschrijving |
TA |
|
100 |
CR |
Gewasrotatie |
|
|
200 |
LU |
Agrobosbouw |
|
|
300 |
LU |
Natte landbouw |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL FP2 — Landbouwpraktijken 2
CR Gewasrotatie
De totale oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
LU Specifieke vormen van landgebruik
De totale oppervlakte (TA) moet worden geregistreerd. De oppervlakte moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
Categorieën landbouwpraktijken
100 Gewasrotatie
Totale oppervlakte met gewasrotatie. Bij gewasrotatie worden op een bepaald stuk grond volgens een gepland patroon of in een geplande volgorde in opeenvolgende oogstjaren afwisselend gewassen verbouwd, zodat gewassen van dezelfde soort niet ononderbroken op hetzelfde stuk grond worden verbouwd. Gewasrotatie is van toepassing op bouwland dat voor de teelt van gewassen wordt bebouwd of op braakgelegde grond (minder dan vijf jaar); de oppervlakte van een perceel wordt geacht deel uit te maken van een gewasrotatieprogramma wanneer het in de laatste drie jaar niet met hetzelfde gewas is beplant of niet onafgebroken met hetzelfde gewas is bedekt, of braak ligt.
Bij de berekening van de oppervlakte met gewasrotatie wordt geen rekening gehouden met de volgende gewassen:
|
— |
bouwland onder glas of andere betreedbare beschermingsafdekking; |
|
— |
gekweekte paddenstoelen. |
200 Agrobosbouw
Agrobosbouw betreft een vorm van landgebruik waarbij houtachtige planten (bomen, struiken) op dezelfde grondbeheereenheid doelbewust worden gebruikt in combinatie met landbouwgewassen, grasland en/of dieren.
300 Natte landbouw
Oppervlakte met natte landbouw, gedefinieerd als een soort landgebruik waarbij intacte of vernatte veengebieden voor de commerciële productie van biomassa worden gebruikt.
Tabel NM1
Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Mestopslag
Structuur van de tabel
|
|
Categorie mestopslagsysteem |
Code (*) |
|
|
|
|||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
||
|
Aandeel |
|||
|
S |
|||
|
LS |
Faciliteiten voor mestopslag |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
S |
|
100 |
Opslag van vaste mest in hopen |
|
|
200 |
Vaste mest opgeslagen in composthopen |
|
|
300 |
Vaste mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf |
|
|
400 |
Vaste mest opgeslagen in systemen met diepstrooisel |
|
|
500 |
Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking |
|
|
600 |
Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking |
|
|
700 |
Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking |
|
|
800 |
Vaste mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd |
|
|
900 |
Gier/drijfmest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd |
|
|
1000 |
Dagelijkse verspreiding van vaste mest |
|
|
1100 |
Dagelijkse verspreiding van gier/drijfmest |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL NM1 — Mestopslag
MN Faciliteiten voor mestopslag
De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
De opslagfaciliteiten voor mestbeheersystemen omvatten de opslag van vaste mest en gier/drijfmest.
|
— |
Gier is de urine van huisdieren die een kleine hoeveelheid uitwerpselen en/of water kan bevatten. Gier bevat tot 4 % droge stof. Drijfmest is vloeibare mest, d.w.z. een mengsel van uitwerpselen en urine van huisdieren, dat ook water en/of een kleine hoeveelheid stalstro kan bevatten. Het gehalte aan droge stof bedraagt 4 tot 20 %. Voor de toepassing van het IDL worden gier en drijfmest gezamenlijk in aanmerking genomen. |
|
— |
Vaste mest, met inbegrip van stalmest, zijn uitwerpselen, al dan niet met stalstro, van huisdieren, die een kleine hoeveelheid urine kunnen bevatten. Vaste mest bevat ten minste 20 % droge stof. De mest wordt verplaatst met voorladers en/of vorken. |
Beschrijving van de categorieën mestopslagsystemen
100 Opslag van vaste mest in hopen
Mest dat in niet-omheinde stapels of hopen of in een omheinde open ruimte wordt opgeslagen, doorgaans gedurende enkele maanden. Deze faciliteiten kunnen al dan niet een dak hebben of kunnen al dan niet bedekt zijn.
200 Vaste mest opgeslagen in composthopen
Mest opgeslagen in omheinde composthopen, die worden geventileerd en/of gemengd.
300 Vaste mest opgeslagen in putten onder het dierenverblijf
Mest die nagenoeg) zonder toevoeging van water wordt opgeslagen, gewoonlijk onder een roostervloer in een omheind dierenverblijf en doorgaans voor de duur van minder dan een jaar. Omvat diepstrooisel voor runderen en varkens en pluimveemest zonder strooisel.
400 Vaste mest opgeslagen in systemen met diepstrooisel
Mest die tijdens een productiecyclus, die zes of twaalf maanden kan duren, wordt opgehoopt.
500 Opslag van gier/drijfmest zonder afdekking
Mest die wordt opgeslagen in niet-afgedekte tanks, of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar. Omvat niet-afgedekte anaerobe bassins en aerobe behandelingsbassins.
600 Opslag van gier/drijfmest met doorlatende afdekking
Mest die wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en die wordt afgedekt met een doorlatende bovenlaag (zoals klei, stro of een natuurlijke korst).
700 Opslag van gier/drijfmest met niet-doorlatende afdekking
Mest die wordt opgeslagen in tanks of vijvers, doorgaans voor de duur van minder dan een jaar, en die wordt afgedekt met een niet-doorlatende bovenlaag (zoals polyethyleen met een hoge dichtheid of afdekkingen op basis van negatieve druk).
800 Vaste mest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd
Vaste mest die wordt opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd.
900 Gier/drijfmest opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd
Gier/drijfmest die wordt opgeslagen in andere faciliteiten, niet elders genoemd.
1000 Dagelijkse verspreiding van vaste mest
Mest die stelselmatig wordt verwijderd uit een opslagfaciliteit en binnen 24 uur na uitscheiding wordt toegediend op bouw- of weiland.
1100 Dagelijkse verspreiding van gier/drijfmest
Mest die stelselmatig wordt verwijderd uit een opslagfaciliteit en binnen 24 uur na uitscheiding wordt toegediend op bouw- of weiland.
Beschrijving van de kolommen
Aandeel (S)
Dit heeft betrekking op het aandeel (als percentage) van de zelf geproduceerde vaste mest die in elk type opslagfaciliteit wordt opgeslagen (%) en de percentages zelf geproduceerde gier/drijfmest die in elk type opslagfaciliteit wordt opgeslagen (%).
Tabel NM2
Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Bemesting
Structuur van de tabel
|
|
Categorie bemestingstechnieken |
Code (*) |
|
|
|
|||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
||
|
Code |
|||
|
Aandeel |
Hoeveelheid |
||
|
S |
Q |
||
|
MA |
Bemestingstechnieken |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
S |
Q |
|
100 |
Breedstrooien vaste mest onderwerking binnen 4 uur |
|
- |
|
110 |
Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking binnen 4 uur |
|
- |
|
120 |
Breedstrooien vaste mest onderwerking na 4 uur |
|
- |
|
130 |
Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking na 4 uur |
|
- |
|
140 |
Breedstrooien vaste mest geen onderwerking |
|
- |
|
150 |
Breedstrooien gier/drijfmest geen onderwerking |
|
- |
|
160 |
Rijenbemesting gier/drijfmest sleepslang |
|
- |
|
170 |
Rijenbemesting gier/drijfmest sleepvoet |
|
- |
|
180 |
Injectie gier/drijfmest ondiep/open sleuf |
|
- |
|
190 |
Injectie gier/drijfmest diep/gesloten sleuf |
|
- |
|
200 |
Vaste mest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd) |
|
|
|
210 |
Gier/drijfmest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd) |
|
|
|
220 |
Uitvoer van vaste mest vanuit het landbouwbedrijf |
- |
|
|
230 |
Uitvoer van gier/drijfmest vanuit het landbouwbedrijf |
- |
|
|
240 |
Invoer van vaste mest op het landbouwbedrijf |
- |
|
|
250 |
Invoer van gier/drijfmest op het landbouwbedrijf |
- |
|
Categorieën bemesting
100 Breedstrooien vaste mest onderwerking binnen 4 uur; 110 Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking binnen 4 uur, 120 Breedstrooien vaste mest onderwerking na 4 uur; 130 Breedstrooien gier/drijfmest onderwerking na 4 uur; 140 Breedstrooien vaste mest geen onderwerking; 150 Breedstrooien gier/drijfmest geen onderwerking.
Breedstrooien kan worden gebruikt voor de toediening van vaste mest, drijfmest en gier. Toedieningstechnieken zijn onder meer “box spreaders”, tankwagens, sleepslangen en irrigatiesystemen. Voor breedstrooien is de minste hoeveelheid energie en tijd nodig waarbij een uniform toedieningspatroon tot stand wordt gebracht.
Onmiddellijke onderwerking van mest bestaat uit technieken die een onmiddellijke onderwerking van vaste mest of drijfmest mogelijk maken. Met het oog op doeltreffende emissiebeperking moet de onderwerking zo snel mogelijk plaatsvinden. Dit betekent dat de toegediende mest direct wordt ondergewerkt door een machine voor het verspreiden van mest of drijfmest, of dat deze machine onmiddellijk wordt gevolgd door een andere machine die de mest in de bodem onderwerkt (beitelploeg of schijveneg). De drempel van vier uur kan worden beschouwd als de tijdslimiet bij benadering om van onmiddellijke onderwerking te spreken.
160 Rijenbemesting gier/drijfmest sleepslang; 170 Rijenbemesting gier/drijfmest sleepvoet
Rijenbemesting is het aanbrengen van meststoffen in een geconcentreerde laag of locatie (rij) in de bodem, gewoonlijk 8 tot 15 cm onder het oppervlak. Mestrijen mogen samen met het zaad, onder het zaad, of beide, worden geplaatst.
Sleepslang: drijfmest wordt via een reeks buigzame slangen op de grond in gras of bouwland verspreid. Toepassing tussen de rijen groeiende akkerbouwgewassen is mogelijk.
Sleepvoet: drijfmest wordt gewoonlijk verspreid via harde buizen die uitmonden in metalen “voeten” om over het grondoppervlak te rijden en de gewassen uit elkaar te duwen zodat de drijfmest rechtstreeks op de bodem en onder het bladerdak van de gewassen wordt aangebracht. Bepaalde soorten sleepvoetbemesters maken een ondiepe geul in de bodem om infiltratie te bevorderen.
180 Injectie gier/drijfmest ondiep/open sleuf
Ondiepe injectie: de toediening van gier door aanbrenging in ondiepe, verticale gleuven, doorgaans ongeveer 50 mm diep en 25-30 cm van elkaar, die door een tand of schijf in de bodem zijn gemaakt; ze worden vaker op grasland gebruikt.
190 Injectie gier/drijfmest diep/gesloten sleuf
Diepe injectie: de toediening van drijfmest of gier door aanbrenging in diepe, verticale sleuven, doorgaans ongeveer 150 mm diep, die door speciaal ontworpen tanden in de bodem zijn gemaakt; de tanden zijn voorzien van zijvleugels die de verspreiding in de bodem bevorderen; deze worden doorgaans gebruikt op bouwland, aangezien zij een verhoogd risico meebrengen het gras fysieke schade toe te brengen.
200 Vaste mest gebruikt in biogasinstallatie (zelf geproduceerd); 210 Gier/drijfmest gebruikt in eigen biogasinstallatie (zelf geproduceerd)
Mest die is gebruikt voor energieproductie in biogasinstallaties.
220 Uitvoer van vaste mest vanuit het landbouwbedrijf
Dit is de hoeveelheid vaste mest die vanuit het landbouwbedrijf wordt uitgevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt verkocht, geruild of gratis wordt weggegeven. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.
230 Uitvoer van gier/drijfmest vanuit het landbouwbedrijf
Dit is de hoeveelheid vloeibare mest/drijfmest die vanuit het landbouwbedrijf wordt uitgevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt verkocht, geruild of gratis wordt weggegeven. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.
240 Invoer van vaste mest op het landbouwbedrijf; 250 Invoer van gier/drijfmest op het landbouwbedrijf
Dit is de hoeveelheid mest die naar het landbouwbedrijf wordt ingevoerd om rechtstreeks te worden gebruikt als meststof of om industrieel te worden verwerkt, ongeacht of de mest wordt gekocht, geruild of gratis wordt verkregen. Hieronder valt ook mest die is gebruikt voor de energieproductie en in een later stadium zal worden hergebruikt in de landbouw.
Beschrijving van de kolommen
Aandeel (S)
Dit heeft betrekking op het aandeel (als percentage) van de totale (zelf geproduceerde en ingevoerde) vaste mest die met een andere toedieningstechniek is gebruikt of in biogasinstallaties is gebruikt (%); en het aandeel (als percentage) van de totale (zelf geproduceerde en ingevoerde) gier/drijfmest die met een andere toedieningstechniek is toegepast of in biogasinstallaties is gebruikt (%).
Hoeveelheid (Q)
De hoeveelheid wordt vermeld in kwintalen (100 kg) voor vaste mest en in kubieke meter voor gier/drijfmest.
Tabel NM3
Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Input van diervoeders
Structuur van de tabel
|
|
Categorie diervoeders |
Code (*) |
|
|
Informatiegroep |
Kolommen |
||
|
Code |
|||
|
Hoeveelheid |
Aantal dieren |
||
|
Q |
N |
||
|
FI |
Input van diervoeders |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Categorie diervoeders |
Q |
N |
|
100 |
Granen |
|
- |
|
110 |
Oliegewassen en daarvan afgeleide producten |
|
- |
|
120 |
Eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten |
|
- |
|
130 |
Bijproducten van de verwerkende industrie |
|
- |
|
140 |
Gefermenteerd voeder in bulk (voordroog en kuilvoer) |
|
- |
|
150 |
Niet-ingekuild vezelvoeder |
|
- |
|
160 |
Vetten en oliën |
|
- |
|
170 |
Mineralen |
|
- |
|
180 |
Concentraten |
|
- |
|
190 |
Toevoegingsmiddelen voor methaanreductie |
- |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL NM3 — Input van diervoeders
FI Input van diervoeders
Voor de categorieën 100 tot en met 180 moet de hoeveelheid diervoeders die in het boekjaar op het landbouwbedrijf is ingevoerd (gekocht of gratis verkregen) en als veevoer is gebruikt, worden geregistreerd. De hoeveelheid moet worden vermeld in kwintalen (100 kg).
Voor categorie 190 moet het aantal melkkoeien en fokkoeien dat in een stal wordt gevoederd en waaraan het toevoegingsmiddel 3-NOP wordt gegeven om methaanemissies als gevolg van darmgisting te verminderen, worden geregistreerd.
Omschrijving van de categorieën:
100 Granen
Omvat: zachte tarwe en durumtarwe, maïs, gerst, haver, triticale, sorghum, rogge
110 Oliegewassen en daarvan afgeleide producten
Omvat: geëxtraheerd raapzaadmeel, geëxtraheerd zonnebloemmeel, geëxtraheerde oliehoudende zaden, vlokken, andere oliehoudende zaden en daarvan afgeleide producten
120 Eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten
Omvat: volvette/geëxtrudeerde soja (minimaal 18 % ruwvetgehalte), andere geëxtrudeerde eiwithoudende gewassen (voedererwten, tuinbonen, lupinen), geëxtraheerde sojameel, andere sojaproducten (vlokken en pellets van sojameel), gedroogd alfalfa (pellets en meel), andere eiwithoudende gewassen en daarvan afgeleide producten
130 Bijproducten van de verwerkende industrie
Omvat: granen en maïs DDGS/WDGS, droog en nat CGF, maïsglutenmeel (CGM), maïskiemen, bietenpulp, melasse, bijproduct van mout (zemelen), melkbijproducten, bijproducten van de bierindustrie, bijproducten van de conservenindustrie, andere bijproducten van de verwerkende industrie
140 Gefermenteerd voeder in bulk (voordroog en kuilvoer)
Omvat: korrelmaïs met kolven (CCM) en bladeren, gras, groenvoer (suikersorghum, rogge, gerst), peulvruchten (alfalfa, klaver enz.), voederbrassica (raapzaad, voederkool), groenvoedermengsel (herfst, lente), wortel-, knol- en cucurbitaceaevoeder, ander gegiste voedergewassen in bulk (voordroog en kuilvoer)
150 Niet-ingekuild vezelvoeder
Omvat: hooi, stro, weidegras, ander niet-ingekuild vezelvoeder
160 Vetten en oliën
170 Mineralen
Omvat: fosfaatmateriaal, kalksteen, zout enz.)
180 Concentraten
Omvat: volledig diervoeder, melkvervanger, aanvullend diervoeder, voormengsels
190 Toevoegingsmiddelen voor methaanreductie
Toevoegingsmiddel 3-NOP ter vermindering van methaanemissies als gevolg van darmgisting. Het mag alleen aan melkkoeien en fokkoeien worden toegediend, en alleen wanneer zij in een stal worden gevoederd.
Tabel ST
Bodemtest
Deze informatie is voor de lidstaten facultatief. Indien de lidstaten besluiten deze informatie te verstrekken, kunnen de resultaten van bodemtests worden ingediend als deze beschikbaar zijn en in de afgelopen vijf jaar zijn uitgevoerd. De bodemtest heeft betrekking op één perceel, waar de bemonstering heeft plaatsgevonden. Indien in de afgelopen vijf jaar meer dan één test op hetzelfde perceel is uitgevoerd, moet de meest recente test worden verstrekt. Indien gegevens over meer dan één perceel beschikbaar zijn, zijn meerdere vermeldingen mogelijk.
Structuur van de tabel
|
|
Identificatie van het perceel |
Code (*) |
|
|
|
Categorieën tests |
Code (**) |
|
|
|
|||
|
Informatiegroep |
Hoeveelheid |
||
|
Q |
|||
|
ST |
Bodemtest |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
Q |
|
100 |
Bulkdichtheid in de bovengrond (g/cm3) |
|
|
110 |
Bulkdichtheid in de ondergrond (g/cm3) |
|
|
120 |
Bodemvochthoudend vermogen (% van het volume water/volume verzadigde bodem) |
|
|
130 |
Bodemerosie (ton/ha/jaar) |
|
|
140 |
Basisademhaling van de bodem (mm3 O2/g/hr) in droge bodem |
|
|
150 |
Bodemtextuur |
|
|
160 |
Bodemzuurheid (pH) |
|
|
170 |
Concentratie organische koolstof (SOC) in de bodem (g/kg) |
|
|
180 |
Elektrische geleidbaarheid (dS/m — deci-Siemens per meter) |
|
|
190 |
CaCO3 (m/m %) |
|
|
200 |
Stikstof in de bodem (g/cm3) |
|
|
210 |
Extraheerbare fosfor (mg/kg) (volgens ISO 11263:1994) |
|
|
220 |
K2O (mg/kg) |
|
|
230 |
Cd (μg/kg) |
|
|
240 |
Cu (μg/kg) |
|
|
250 |
Pb (μg/kg) |
|
|
260 |
Zn (μg/kg) |
|
Tabel BD1
Biodiversiteit — Landschapselementen
Structuur van de tabel
|
Informatiegroep |
Kolommen |
||
|
LF |
Soort landschapselementen |
Aanwezigheid |
Oppervlakte |
|
|
|
P |
TA |
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Groep |
Omschrijving |
P |
TA |
|
100 |
LF |
Terrassen |
|
|
|
110 |
LF |
Hagen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, bomenrijen |
|
|
|
120 |
LF |
Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken |
|
|
|
130 |
LF |
Sloten |
|
|
|
140 |
LF |
Waterlopen |
|
|
|
150 |
LF |
Kleine plassen |
|
|
|
160 |
LF |
Kleine wetlands |
|
|
|
170 |
LF |
Stenen muurtjes |
|
|
|
180 |
LF |
Steengraven |
|
|
|
190 |
LF |
Cultuurelementen |
|
|
|
200 |
LF |
Overige |
|
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL BD1 — Landschapselementen
LF: Landschapselementen. Elk bedrijf moet de aanwezigheid (P) van landschapselementen op de bedrijfsoppervlakte registreren.
De te gebruiken codes zijn:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
De registratie van het gebied met landschapselementen is facultatief. De oppervlakte (TA) moet worden opgegeven in aren (100 aren = 1 hectare).
Omschrijving
100 Terrassen
Terrasvormige hellingen zijn antropogene structuren die zijn gecreëerd om het risico op erosie te verminderen, bestaande uit een of meer “trappen” (steile delen bedekt met permanente houtachtige of grasachtige vegetatie of stenen muren) en “percelen” (vlakke delen die worden gebruikt voor landbouwproductie en die worden gescheiden door de trappen). Kruidvegetatie wordt beschouwd als integraal onderdeel van terrassen.
110 Hagen, afzonderlijke bomen of groepen bomen, bomenrijen
Hieronder vallen verspreid staande bomen, bomen in rij, hagen, houtachtige oevervegetatie (langs een waterloop) of smalle stroken (<20 m) met bomen en struiken in een landbouwcontext. Hieronder vallen ook kleine groepen bomen, boomgroepen in het veld of kleine groepen houtachtige halfnatuurlijke vegetatie in een landbouwcontext. Indien zich onder de houtachtige vegetatie een graslaag (kruid) bevindt, wordt het houtachtige element geacht ook de onderliggende graslaag te bevatten. De maximale oppervlakte voor een houtig landschapselement bedraagt 0,5 ha.
120 Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken
Akkerranden, stukjes grond of bufferstroken bestaan uit permanente halfnatuurlijke kruidvegetatie (doorgaans gras en/of blijvende kruiden) die zich in een landbouwcontext bevinden en die niet rechtstreeks dienen voor begrazing of voederproductie. Daarbij kan het gaan om akkerranden, bufferstroken (langs sloten of vijvers) of andere kleine stukken halfnatuurlijke kruidvegetatie, voor zover deze tussen akkers of meerjarige teelten zijin gelegen. De minimale breedte van dit type landschapselement is 1 m (om ervoor te zorgen dat het een duurzaam karakter krijgt). Van dit type landschapselement zijn percelen actief beheerd grasland (gebruikt voor begrazing of voederproductie) en grote stukken natuurlijk en semi-natuurlijk grasland (breder dan 20 m) echter uitgesloten. Bovendien zijn landwegen met gras en grasstroken tussen de rijen wijngaarden/boomgaarden eveneens uitgesloten (deze moeten worden geregistreerd onder variabele 680) en “grasranden” die naast stukken grasland liggen, worden evenmin geregistreerd. Uit blijvend grasland/kruiden bestaande landschapselementen omvatten niet de graslaag onder een houtachtig element, noch natte moerasvegetatie. Hieronder valt tijdelijke kruidvegetatie, bestaande uit smalle stroken bouwland beplant met niet-productieve gewassen of bloemrijke braakvegetatie (onkruid) op bouwland of blijvende teelten (doorgaans langs akkerranden), die doelbewust door de landbouwers worden ingezaaid om de biodiversiteit te ondersteunen.
De oppervlakte in tabel I onder de categorieën 30100 (grasland), 30200 (weidegrond) en 30300 (blijvend grasland) is hiervan uitgesloten.
130 Sloten, 140 Waterlopen
Dit omvat kleine waterlopen in een landbouwcontext, met inbegrip van het open wateroppervlak van waterlopen, sloten en kleine kanalen en de aangrenzende moerasvegetatie tot een breedte van maximaal 20 m. Sloten die op het moment van waarneming droog staan, kunnen worden geregistreerd indien de vegetatie op een regelmatige aanwezigheid van water wijst. Uitsluitingen: kunstmatige constructies (kanalen met muren van beton en ondergrondse constructies) zijn uitgesloten.
150 Kleine vijvers, 160 Kleine wetlands
Dit type landschapselementen omvat kleine versnipperde landschapselementen die worden gekenmerkt door wetlands en waterlichamen in een landbouwcontext met een maximale omvang van 0,5 ha. Hieronder valt ook de verzameling van stilstaand water die op natuurlijke wijze is ontstaan (bv. wetlands, meren, natuurlijke lagunes, kwelwatergebieden) of kunstmatig is gevormd (bv. putten en waterputten). Kleine vijvers kunnen een kern van open water en een aangrenzend wetland bevatten, gekenmerkt door moerasvegetatie (bv. riet en zeggen) die zijn aangepast aan en afhankelijk zijn van de regelmatige aanwezigheid van oppervlaktewater en hoge waterniveaus. Uitsluitingen: reservoirs met bekleding van beton of kunststof en laagten die als stortplaatsen worden gebruikt.
170 Stenen muurtjes, 180 Steengraven
Dit soort landschapselementen omvat hopen stenen in een agrarische context, en terrasvormige agrarische landschappen. Dergelijke kenmerken kunnen natuurlijke (bv. door de eeuwen heen gevormde stenen) of door de mens gemaakte, vaak historische, objecten zijn (bv. stapelmuurtjes, steengraven, terrassen). Indien bomen en struiken (liana) de stenen muren bedekken, worden beide kenmerken geregistreerd.
190 Cultuurelementen
Dit soort landschapselementen kan monumenten, archeologische locaties, cultureel erfgoed (zoals sjadoefs, grafheuvels) en historische/traditionele gebouwen omvatten.
Tabel BD2
Biodiversiteit — Biologische bestrijding en graslandbeheer
Structuur van de tabel
|
|
Categorie van landbouwpraktijken |
Code (*) |
|
|
|
|
Oppervlakte |
Tijd facultatief |
Code |
|
|
TA |
T |
C |
||
|
BI |
Biologische bestrijding |
— |
— |
|
|
GR |
Graslandbeheer |
|
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Groep |
Omschrijving |
TA |
C |
T Facultatief |
|
100 |
BI |
Biologische bestrijding |
— |
|
— |
|
110 |
BI |
Biologische bestrijding met microbiële stoffen |
— |
|
— |
|
120 |
BI |
Biologische bestrijding met macrobiële stoffen |
— |
|
— |
|
130 |
BI |
Biologische bestrijding met signaalstoffen |
— |
|
— |
|
140 |
BI |
Biologische bestrijding met natuurlijke stoffen |
— |
|
— |
|
200 |
GR |
Oppervlakte die eenmaal per jaar wordt gemaaid |
|
— |
— |
|
210 |
GR |
Oppervlakte die tweemaal per jaar wordt gemaaid |
|
— |
— |
|
220 |
GR |
Oppervlakte die drie keer of meer per jaar wordt gemaaid |
|
— |
— |
|
250 |
GR |
Herinzaai van grasland |
|
— |
— |
|
260 |
GR |
Omploegen van grasland |
|
— |
— |
|
270 |
GR |
Moment van eerste maaibeurt |
— |
— |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL BD2
BI Biologische bestrijding
De volgende codes (C) moeten worden gebruikt:
|
0 |
de praktijk werd tijdens het rapportagejaar niet op het bedrijf toegepast |
|
1 |
de praktijk werd tijdens het rapportagejaar op het bedrijf toegepast |
GR Graslandbeheer
Voor de categorieën 200 tot en met 260 wordt de oppervlakte (TA) geregistreerd in acre (1 ha = 100 acre) en voor categorie 270 moet het moment van eerste maaibeurt (T) worden vermeld. De vermelding van het moment van eerste maaibeurt is facultatief.
Categorieën biologische bestrijding
|
100 |
Onder biologische bestrijding wordt verstaan de bestrijding van schadelijke organismen voor planten of plantaardige producten met behulp van natuurlijke middelen van biologische oorsprong of daaraan identieke stoffen, waaronder micro-organismen, signaalstoffen, extracten van plantaardige producten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (11), of ongewervelde macro-organismen. |
|
110 |
Macrobiële stoffen: meercellige organismen: insecten, roofmijten, parasitaire wespen en nuttige nematoden die zich voeden met plaagorganismen. Facultatieve gegevens. |
|
120 |
Microbiële stoffen: eencellige organismen: bacteriën (bv. Bacillus thuringiensis) schimmels (bv. Trichoderma), virussen en afgeleiden daarvan. Facultatieve gegevens. |
|
130 |
Signaalstoffen: chemische stoffen die door organismen vrijkomen om het gedrag van anderen te beïnvloeden (bv. feromonen, allelochemische stoffen). Facultatieve gegevens. |
|
140 |
Natuurlijke stoffen: afkomstig van natuurlijke materialen zoals dieren, planten, bacteriën en bepaalde mineralen. Facultatieve gegevens. |
Categorieën graslandbeheer
|
200 tot en met 220 |
Voor grasland dat tijdens het rapportagejaar is gemaaid, moet de eenmaal, tweemaal, driemaal of vaker in het rapportagejaar gemaaide oppervlakte worden gerapporteerd, in aren (100 aren = 1 hectare). |
|
250 |
Herinzaai van grasland
Hieronder valt de oppervlakte grasland waarop nieuw gras is geplant, ongeacht of het grasland al dan niet eerder werd geploegd. |
|
260 |
Omploegen van grasland
Hieronder valt de oppervlakte grasland die tijdens het rapportagejaar is omgeploegd door middel van conventionele bodembewerkingstechnieken (zie definitie in tabel FP1). Grasland dat werd bewerkt met behulp van niet-kerende bodembewerkingsmethoden (zie definitie in tabel FP1), wordt hier niet in aanmerking genomen. |
|
270 |
Het moment van de eerste maaibeurt is de periode van het jaar waarin het grootste deel van het grasland voor het eerst werd gemaaid. Deze informatie is voor de lidstaten facultatief.
Voor kolom (T) worden de volgende codes gebruikt:
|
Tabel WT
Waterbeheer
Structuur van de tabel
|
|
Categorie waterbeheer |
Code (*) |
|
|
||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|
|
C |
||
|
WS |
Waterbron |
|
|
PT |
Betalingsvoorwaarden |
|
|
BM |
Toepassing van beste beheerspraktijken |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
C |
|
100 |
Bron |
WS |
|
|
200 |
Betalingsvoorwaarden |
PT |
|
|
300 |
Vaststelling van irrigatieschema |
BM |
|
|
400 |
Invoering van systemen voor de terugwinning van benedenstrooms water |
BM |
|
Omschrijving van de categorieën:
100 Bron
De volgende codes moeten worden gebruikt om de belangrijkste waterbron van het bedrijf voor irrigatie aan te geven:
|
1 |
Opslag van regenwater |
|
2 |
Natuurlijke of kunstmatige oppervlaktewaterlopen |
|
3 |
Grondwater |
|
4 |
Leidingwatervoorziening |
|
5 |
Hergebruik van afvalwater (teruggewonnen water) (12) |
|
6 |
Overige |
|
7 |
Het bedrijf heeft geen irrigatiesysteem |
200 Betalingsvoorwaarden voor irrigatiewater
Te gebruiken codes:
|
1 |
Niet voor water betaald |
|
2 |
Een vergoeding op basis van het geïrrigeerde areaal betaald |
|
3 |
Een vergoeding op basis van het volume water betaald |
|
4 |
Andere betalingsvoorwaarden |
300 Vaststelling van irrigatieschema
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Onder irrigatieschema wordt verstaan een irrigatiesysteem waarbij water op de teelt wordt toegepast volgens vooraf vastgestelde tijdschema’s die gebaseerd zijn op de monitoring van de toestand van het bodemwater en de waterbehoefte van gewassen.
400 Terugwinning van benedenstrooms water
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
De terugwinning van benedenstrooms water omvat de opvang van terug te winnen bovengronds afvloeiend irrigatiewater en wordt toegepast om de voorraad irrigatiewater in stand te houden en/of de kwaliteit van water buiten het terrein te verbeteren. Een systeem voor terugwinning van benedenstrooms water is een irrigatiesysteem waarin voorzieningen zijn geïnstalleerd voor het verzamelen, opslaan en vervoeren van benedenstrooms water voor irrigatie met het oog op hergebruik.
Tabel I2
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
Structuur van de tabel
|
Identificatie van het perceel (facultatief) |
Code (*) |
||
|
Gewascategorie (facultatief) |
Code (**) |
||
|
Eenheid |
Code (***) |
||
|
Werkzame stof |
Code (****) |
||
|
|
|||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
||
|
Hoeveelheid |
|||
|
Q |
|||
|
PP |
Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen |
|
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL I1
De hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel die in het rapportagejaar is toegediend, wordt per werkzame stof verstrekt.
De gewascategorieën zijn in overeenstemming met de lijst van gewassen in tabel I. De gegevens die op gewasniveau worden verstrekt, zijn facultatief voor de lidstaten.
Meerdere vermeldingen zijn mogelijk.
De codes voor de eenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (***) |
Omschrijving |
|
1 |
Gram |
|
2 |
Milliliter |
|
3 |
Overige |
Identificatie van het perceel
De identificatie van het perceel moet zowel de identificatie van het referentieperceel als bedoeld in artikel 2, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie (13) bevatten als de identificatie van het landbouwperceel als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie (14). De gegevens die op perceelniveau worden verstrekt, zijn facultatief voor de lidstaten.
Beschrijving van de kolommen
Hoeveelheid (Q): Hoeveelheid product (werkzame stof) die tijdens het rapportagejaar is toegediend.
Tabel J1
Gebruik van antimicrobiële stoffen
Structuur van de tabel
|
|
|
|
|
Soort werkzame stoffen |
Code (*) |
|
|
Eenheid |
Code (**) |
|
|
|
||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|
|
Hoeveelheid |
||
|
Q |
||
|
AU |
Gebruik van antimicrobiële stoffen |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL J1
Gebruik van antimicrobiële stoffen (AU)
Antimicrobiële stoffen die tijdens het rapportagejaar bij de dierlijke productie zijn gebruikt om de gezondheid en productiviteit in stand te houden.
Beschrijving van de kolommen
Hoeveelheid (Q)
Totale hoeveelheid antimicrobiële stoffen die tijdens het rapportagejaar per werkzame stof is gebruikt.
De codes voor de eenheden worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (**) |
Omschrijving |
|
1 |
Gram |
|
2 |
Milliliter |
|
3 |
Overige |
Tabel CS
Milieucertificeringsregelingen
Structuur van de tabel
|
|
Categorie certificeringsregelingen |
Code (*) |
|
|
|
|
||||
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|||
|
C |
Y |
S |
||
|
CS |
Certificeringsstatus en -kenmerken |
|
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
C |
Y |
S |
|
10 |
Certificering volgens norm UNI-EN-EN-ISO 14001 |
|
|
- |
|
20 |
EMAS-certificering |
|
|
- |
|
30 |
Koolstoflandbouwcertificering |
|
|
- |
|
40 |
Andere vrijwillige internationale certificeringsregelingen of milieukeuren |
|
|
|
|
50 |
Andere vrijwillige nationale regelingen |
|
|
|
Certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen waarborgen (door middel van een certificeringsmechanisme) dat bepaalde kenmerken of eigenschappen van het product of de productiemethode of -regeling in acht zijn genomen.
Omvat niet: milieucertificeringsregelingen met betrekking tot biologische landbouw, tenzij zij aanvullende eisen bevatten ten opzichte van Verordening (EU) 2018/848.
OMSCHRIJVING VAN DE CATEGORIEËN
10 Certificering volgens norm UNI-EN-EN-ISO 14001
Het landbouwbedrijf beschikt over een certificering voor het kwaliteitsbeheersysteem die voldoet aan norm UNI-EN-ISO 14001.
20 EMAS-certificering
Het landbouwbedrijf beschikt over een EMAS-certificering (milieubeheer- en milieuauditsysteem, Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad (15)).
30 Koolstoflandbouwcertificering
Het landbouwbedrijf beschikt over koolstoflandbouwcertificering (16).
40 Andere vrijwillige internationale certificeringsregelingen of milieukeuren
Het landbouwbedrijf is gecertificeerd in het kader van een internationaal erkende certificeringsregeling/milieukeur in de landbouw- en levensmiddelensector.
50 Andere vrijwillige nationale milieukeuren
Het landbouwbedrijf is gecertificeerd in het kader van een nationale (of subnationale) certificeringsregeling/milieukeur in de landbouw- en levensmiddelensector, die officieel is erkend op het niveau van de lidstaat.
Voor de variabelen 30, 40 en 50 moeten vrijwillige certificeringsregelingen of milieukeuren worden geregistreerd indien zij voldoen aan de volgende basisvereisten zoals vastgesteld in de richtsnoeren van de Commissie voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten (2010/C 341/04) (17):
|
— |
De naleving van de in het kader van de regeling gestelde eisen wordt gecertificeerd door een onafhankelijke instantie die geaccrediteerd is:
|
BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN
Certificeringsstatus (C)
Te gebruiken codes:
|
0 |
Het bedrijf is niet gecertificeerd |
|
1 |
Het bedrijf beschikt over een actieve en geldige certificering |
|
2 |
Het bedrijf is begonnen met het certificeringsproces, maar heeft deze nog niet afgerond |
Jaar (Y)
Het jaar waarin het certificeringsproces formeel van start is gegaan. Het jaar wordt vermeld met vier cijfers.
Betrokken sectoren (S)
Deze informatie heeft betrekking op de reeks normen, indicatoren, criteria en verbintenissen die het bedrijf moet naleven om de certificering te verkrijgen en te behouden. Meerdere antwoorden mogelijk:
|
1 |
Geavanceerde biologische landbouw: de milieukeur/regeling is gebaseerd op (en voldoet aan) Verordening (EU)2018/848, maar voert aanvullende of strengere eisen in |
|
2 |
Koolstoflandbouw: omvat alle praktijken die gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en/of het verminderen van broeikasgasemissies door de landbouw, door middel van bodembeheertechnieken of andere praktijken |
|
3 |
Gebruik en beheer van voedingsstoffen: omvat elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van voedingsstoffen, beperking van het gebruik van meststoffen, bv. hoeveelheid, bron/type voedingsstof (organisch, mineraal enz.), toedieningstechnieken, tijdschema |
|
4 |
Dierenwelzijn en diergezondheid: maatregelen/verbintenissen met betrekking tot huisvestingsomstandigheden (beschikbare ruimte, ventilatie, licht, temperatuur, vochtigheid enz.), toegang tot begrazing buiten en buitenruimte, beperkingen op het gebruik van antimicrobiële stoffen |
|
5 |
Geïntegreerde gewasbescherming: maatregelen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te optimaliseren en te beperken, overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (19) |
|
6 |
Steun voor biodiversiteit: omvat alle praktijken ter ondersteuning van functionele biodiversiteit (bestuivers, vijanden van schadelijke organismen), zoals het aanleggen en onderhouden van landschapselementen, semi-natuurlijke habitats, aanplant van bloemstroken, schuilplaatsen en beschutting voor insecten en vogels, kleine zoogdieren enz. |
|
7 |
Bosbouw: omvat praktijken in verband met duurzaam bosbeheer |
Tabel EN
Energie
Structuur van de tabel
|
|
Productcategorie |
Code (*) |
|
|
Informatiegroep |
Kolommen |
|
|
|
Aandeel energiebehoefte |
Code |
||
|
S |
C |
||
|
EP |
Productie van hernieuwbare energie op het landbouwbedrijf |
|
- |
|
EF |
Faciliteiten voor de productie van hernieuwbare energie |
- |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Groep |
Omschrijving |
Aandeel energiebehoefte dat door deze bron wordt gedekt |
Code |
|
100 |
EP |
Zelf geproduceerde elektriciteit uit hernieuwbare bronnen (wind, zon, biogas, waterkracht) |
|
- |
|
200 |
EP |
Zelf geproduceerde verwarmingsbrandstoffen uit hernieuwbare bronnen (brandhout, pellets, stro, zonne-energie, biogas, andere biomassa) |
|
- |
|
300 |
EF |
Biogasinstallaties |
- |
|
|
400 |
EF |
Zonnepanelen |
- |
|
|
500 |
EF |
Windturbines |
- |
|
|
600 |
EF |
Geothermie |
- |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL EN
|
EP |
Productie van hernieuwbare energie op het landbouwbedrijf |
|
EF |
Faciliteiten voor de productie van hernieuwbare energie die door de landbouwer worden gebruikt |
KOLOMMEN IN TABEL E
Aandeel energiebehoefte (S)
Het aandeel energiebehoefte wordt verstrekt als percentageklasse waarmee het aandeel van de energiebehoeften met betrekking tot de specifieke bron wordt aangegeven. De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
0 % |
|
1 |
> 0 tot en met ≤ 25 % |
|
2 |
> 25 % tot en met ≤ 50 % |
|
3 |
> 50 % tot en met ≤ 75 % |
|
4 |
> 75 % tot en met ≤ 100 % |
|
5 |
> 100 % |
Code (C)
Aangegeven moet worden of de betreffende technologie of activa eigendom zijn van de landbouwer, gehuurd zijn of mede-eigendom zijn van andere partners (zoals biogasinstallaties die door verschillende landbouwbedrijven worden gebruikt) of eigendom zijn van andere entiteiten (zoals fotovoltaïsche panelen die eigendom zijn van andere entiteiten en op de grond van het landbouwbedrijf zijn geïnstalleerd). Indien de landbouwer meer dan één faciliteit onder verschillende eigendomsstructuren gebruikt, moet de code het overheersende type eigendom aangeven.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
1 |
Het actief is eigendom van de landbouwer |
|
2 |
Het actief wordt gehuurd door de landbouwer |
|
3 |
Het actief is mede-eigendom van andere partners |
|
4 |
Het actief is eigendom van andere entiteiten |
Tabel FL
Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf
Structuur van de tabel
|
Categorie voedselverlies |
Code (*) |
|
|
Informatiegroep |
Code |
|
|
C |
||
|
FL |
Verlies van levensmiddelen/diervoeders |
|
Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf is de oorspronkelijk voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde hoeveelheid landbouwproducten die wordt weggegooid of verloren gaat (d.w.z. dat zij de markt niet bereikt of niet wordt gebruikt zoals bedoeld als levensmiddel en/of diervoeder). Voor gewassen omvat dit het verlies dat zich voordoet vanaf het moment waarop de producten reeds rijp genoeg zijn om te worden geoogst, tot de fase na de oogst, wanneer de producten af bedrijf zijn.
Voor levende dieren omvat dit het verlies dat zich voordoet vanaf het moment dat de dieren voldoende rijp worden geacht om te worden geslacht totdat de producten af bedrijf zijn.
Voor dierlijke producten (melk en eieren) worden verliezen meegeteld vanaf het tijdstip waarop de melk uit de uier is gehaald en de eieren door de vogel worden gelegd.
Hieronder vallen:
|
— |
rijpe gewassen die niet zijn geoogst (bv. als gevolg van zeer lage marktprijzen of schade); |
|
— |
ter plekke op het landbouwbedrijf geoogste en behandelde producten (bv. gecomposteerd op het landbouwbedrijf, verbrand) of buiten het landbouwbedrijf geloosde producten; |
|
— |
door de inkoper afgewezen producten (bv. vanwege kwaliteits- en handelsvoorschriften, overproductie) die naar de productielocatie terugkeren of worden geloosd; |
|
— |
andere verliezen die zich voordoen tijdens de opslag, het vervoer en de verwerking op het landbouwbedrijf. |
Hieronder vallen niet:
|
— |
oorspronkelijk voor menselijke consumptie bestemde producten die worden gebruikt als diervoeder voor vee; |
|
— |
niet in de handel gebrachte producten die op het landbouwbedrijf worden geconsumeerd of aan liefdadigheidsinstellingen, voedselbanken of andere soortgelijke kanalen worden geschonken. |
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
C |
|
100 |
Oorzaak van verliezen |
FL |
|
BESCHRIJVING VAN DE KOLOMMEN
De volgende codes moeten worden gebruikt om aan te geven waarom de bovengenoemde verliezen zich tijdens het rapportagejaar hebben voorgedaan (meerdere antwoorden mogelijk).
Code (C)
|
1 |
Rijpe gewassen die niet geoogst zijn |
|
2 |
Producten die op het landbouwbedrijf worden geoogst en behandeld of buiten het landbouwbedrijf worden geloosd |
|
3 |
Producten die door de inkoper worden afgewezen op grond van kwaliteits- en/of handelsvoorschriften (gewassen) |
|
4 |
Producten die door de inkoper worden afgewezen op grond van kwaliteits- en/of handelsvoorschriften (dieren en dierlijke producten) |
|
5 |
Verliezen tijdens opslag en/of vervoer en/of verwerking op het landbouwbedrijf (gewassen) |
|
6 |
Verliezen tijdens opslag en/of vervoer en/of verwerking op het landbouwbedrijf (dieren en dierlijke producten) |
|
7 |
Andere redenen die hierboven niet zijn vermeld (bv. onvoorziene marktveranderingen) |
Tabel TR
Opleiding
Structuur van de tabel
|
|
Categorieën opleiding |
Code (*) |
|
|
||
|
|
Kolommen |
|
|
|
|
Code |
|
Informatiegroep |
C |
|
|
TT |
Opleidingsthema’s |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code |
Omschrijving |
Informatiegroepen |
C |
|
1000 |
Beheer landbouwbedrijf |
TT |
|
|
1010 |
Wetgeving |
TT |
|
|
1020 |
Veiligheid en gezondheid op het werk |
TT |
|
|
1030 |
Risicopreventie en risicobeheer |
TT |
|
|
1040 |
Digitalisering en mechanisatie |
TT |
|
|
1050 |
Biologische landbouw en geïntegreerde gewasbescherming (IPM) |
TT |
|
|
1060 |
Koolstoflandbouw |
TT |
|
|
1070 |
Gewasbeschermingsmiddelen |
TT |
|
|
1080 |
Voedingsstoffen |
TT |
|
|
1090 |
Bodem- en waterbeheer |
TT |
|
|
1100 |
Energieverbruik |
TT |
|
|
1110 |
Veehouderij |
TT |
|
|
1120 |
Dierenwelzijn |
TT |
|
|
1130 |
Overige |
TT |
|
INFORMATIEGROEPEN EN -CATEGORIEËN IN TABEL TR
TR.TT.1000.C tot en met TR.TT.1140.C: Beroepsopleiding per thema: hier moet worden aangegeven of het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) en de werknemers tijdens het rapportagejaar beroepsopleidingscursussen voor elk thema hebben gevolgd. Hierbij gaat het om een beroepsopleiding, een opleidingsmaatregel of activiteit door een opleider of opleidingsinstelling die hoofdzakelijk gericht is op de verwerving van nieuwe vaardigheden met betrekking tot de activiteiten op het landbouwbedrijf of activiteiten rechtstreeks verbonden aan het landbouwbedrijf of de ontwikkeling en verbetering van de bestaande vaardigheden. Indien een opleidingscursus betrekking heeft op meer dan één thema, moeten alle relevante thema’s worden gerapporteerd.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
TR.TT.1000.C. Beheer landbouwbedrijf
Beheer landbouwbedrijf kan boekhouding, financiën en afzet omvatten.
TR.TT.1010.C. Wetgeving
Wetgeving kan verwijzen naar wettelijke voorschriften, belastingen, het GLB en andere subsidies. Het gaat daarbij uitdrukkelijk niet om veiligheid en gezondheid op het werk, hetgeen moet worden gerapporteerd onder TR.TT.1020.C.
TR.TT.1020.C. Veiligheid en gezondheid op het werk
Veiligheid en gezondheid op het werk kan betrekking hebben op het anticiperen op, herkennen, evalueren en beheersen van gevaren die zich op of vanuit de werkplek voordoen en die de gezondheid en het welzijn van werknemers kunnen aantasten.
TR.TT.1030.C. Risicopreventie en risicobeheer
Opleiding inzake risicopreventie en risicobeheer kan verwijzen naar traditionele en innovatieve risicobeheerpraktijken en -strategieën om de risico’s in de landbouwproductie te beperken, alsook naar beheertechnieken om de financiële risico’s in de landbouw te beperken. Het kan onder meer gaan om opleiding op het gebied van risicobeheer door middel van strategieën voor inputbeheer voor plantaardige en dierlijke productie, beslissingen over uitrusting, bestrijding van plagen en ziekten, particuliere verzekeringen, overheidsprogramma’s, marketingstrategieën, overeenkomsten inzake grondbezit, landbouwkrediet, diversificatie op het landbouwbedrijf (bv. andere winstgevende werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het landbouwbedrijf), werkgelegenheid buiten het landbouwbedrijf enz.
TR.TT.1040.C. Digitalisering en mechanisatie
Opleiding op het gebied van digitalisering en mechanisatie kan betrekking hebben op inzicht in en toepassing van mechanisatie en nieuwe technologie in de landbouw, en op leren over hoe het beheer van landbouwbedrijven en de productiviteit op het landbouwbedrijf door middel van technologie kunnen worden verbeterd. Het kan onder meer gaan om het vergroten van het bewustzijn, de vaardigheden en de kennis om het gebruik op het landbouwbedrijf van technologieën in verband met digitalisering in de landbouw te vergroten, met inbegrip van instrumenten voor gegevensanalyse.
TR.TT.1050.C. Biologische landbouw en geïntegreerde gewasbescherming (IPM)
Biologische landbouw is een landbouwmethode om voedsel op basis van natuurlijke stoffen en processen te produceren. Maatregelen voor geïntegreerde gewasbescherming zijn bedoeld om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te optimaliseren en te beperken, overeenkomstig de beginselen van Richtlijn 128/2009/EG.
TR.TT.1060.C. Koolstoflandbouw
Koolstoflandbouw omvat alle praktijken die gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging en/of het verminderen van broeikasgasemissies door de landbouw, door middel van bodembeheertechnieken of andere praktijken.
TR.TT.1070.C. Gewasbeschermingsmiddelen
Opleiding inzake gewasbeschermingsmiddelen kan betrekking hebben op elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en beperkingen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
TR.TT.1080.C. Voedingsstoffen
Het gebruik en beheer van voedingsstoffen kan verwijzen naar elke praktijk/verbintenis inzake het gebruik van voedingsstoffen, beperking van het gebruik van meststoffen, bv. hoeveelheid, bron/type voedingsstof (organisch, mineraal enz.), toedieningstechnieken, tijdschema.
TR.TT.1090.C. Bodem- en waterbeheer
Bodembeheer is de toepassing van concrete acties, praktijken en behandelingen om de bodem te beschermen en de prestaties ervan te verbeteren (zoals bodemvruchtbaarheid of bodemmechanica). Het omvat bodembehoud, bodemverbetering en optimale bodemgezondheid. Waterbeheer verwijst naar de strategische planning, ontwikkeling en benutting van watervoorraden om de plantaardige en dierlijke productie te optimaliseren en duurzame landbouwpraktijken in stand te houden. Het omvat een efficiënt gebruik van irrigatie, waterbehoud, planning, afwateringsbeheer, opvang van regenwater en hergebruik van water. Bodem- en waterbeheer kan ook betrekking hebben op gewas- en graslandbeheer.
TR.TT.1100.C. Energieverbruik
Opleiding op energiegebied kan betrekking hebben op energieproductie (bv. biomassa, zonne-energie) en maatregelen voor energiebesparing.
TR.TT.1110.C. Veehouderij
Opleiding in veehouderij kan betrekking hebben op het fokken, voederen en huisvesten van dieren. Het gaat uitdrukkelijk niet over dierenwelzijn, hetgeen moet worden gerapporteerd onder TR.TT.1120.C. Dierenwelzijn
TR.TT.1120.C. Dierenwelzijn
Dierenwelzijn en diergezondheid omvatten maatregelen/verbintenissen met betrekking tot huisvestingsomstandigheden (beschikbare ruimte, ventilatie, licht, temperatuur, vochtigheid enz.), toegang tot begrazing buiten en buitenruimte en beperkingen op het gebruik van antimicrobiële stoffen.
TR.TT.1130.C. Overige
Opleidingsthema’s die niet hierboven zijn vermeld.
Tabel SA
Veiligheid
Structuur van de tabel
|
Categorieën faciliteiten en veiligheid |
Code (*) |
|
|
|
|
Kolommen |
|
Informatiegroep |
Code |
|
|
|
|
C |
|
SA |
Veiligheid |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
|
|
Groep |
Code |
|
Code |
Omschrijving |
|
C |
|
100 |
Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf |
SA |
|
|
200 |
Arbeidsongevallen |
SA |
|
De volgende gegevens moeten worden verstrekt:
SA.SA.100.C. Veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf
Aangegeven moet worden of het bedrijf een risicobeoordeling voor de werkplek heeft uitgevoerd met als doel werkgerelateerde risico’s te verminderen, waarvan de resultaten zijn vastgelegd in een schriftelijk document (zoals een “veiligheidsplan voor het landbouwbedrijf”). De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
SA.SA.200.C.: Arbeidsongevallen
Hier moet worden vermeld of het bedrijfshoofd (de bedrijfshoofden) en/of de bedrijfsleider(s) of werknemers tijdens het rapportagejaar met een arbeidsongeval te maken hebben gehad (resulterend in een of meer dagen afwezigheid op het werk). Een arbeidsongeval is een afzonderlijk voorval tijdens het werk dat leidt tot lichamelijke of geestelijke schade.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Tabel SI
Sociale inclusie
Structuur van de tabel
|
|
Categorieën sociale inclusie |
Code (*) |
|
|
||
|
|
Kolommen |
|
|
|
|
Code |
|
Informatiegroep |
C |
|
|
SF |
Sociale landbouw |
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
C |
|
100 |
Aanwezigheid van sociale landbouwactiviteiten |
SF |
|
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL SI
SI.SF.100.C: Sociale landbouw
Sociale landbouw is het gebruik van agrarische hulpbronnen en de natuurlijke omgeving van het landbouwbedrijf voor zorgverlening en sociale diensten voor kwetsbare personen (ouderen, personen met een handicap enz.), terwijl zij bij de landbouwactiviteit worden betrokken.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Tabel SE
Voor landbouwers toegankelijke diensten
Structuur van de tabel
|
Categorieën diensten |
Code (*) |
||
|
|
|||
|
|
Kolommen |
||
|
|
Dekking |
Abonnement |
|
|
C |
S |
||
|
Informatiegroep |
Code |
Code |
|
|
IC |
Internetaansluiting |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code (*) |
Omschrijving |
Groep |
C |
S |
|
100 |
Vast breedband |
IC |
|
|
|
200 |
Mobiel breedband |
IC |
|
|
INFORMATIEGROEPEN EN -CATEGORIEËN IN TABEL SE
Voor de volgende gegevenspunten worden de gegevens jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
SE.IC.100.C. Bereik vaste breedbandinternetverbinding
Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf bereikbaar is via een vaste breedbandinternetverbinding zoals DSL, ADSL, VDSL, kabel, glasvezel, satelliet of openbare wifiverbindingen.
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
SE.IC.100.S. Abonnement vaste breedbandinternetverbinding
Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf een abonnement heeft op een breedbandinternetverbinding zoals DSL, ADSL, VDSL, kabel, glasvezel, satelliet of openbare wifiverbindingen.
Vraag alleen van toepassing voor bedrijven die via een vaste breedbandinternetverbinding kunnen worden bereikt (antwoord op SE.IC.100.C. = 1).
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
SE.IC.200.C. Bereik mobiele breedbandinternetverbinding
Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf bereikbaar is via een mobiele breedbandinternetverbinding (via een mobieletelefoonnetwerk, ten minste 4G).
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Gedeeltelijk |
|
2 |
Ja |
SE.IC.200.S. Abonnement mobiele breedbandinternetverbinding
Hier moet worden vermeld of het landbouwbedrijf een abonnement heeft op een mobiele breedbandinternetverbinding die op het landbouwbedrijf beschikbaar is (via een mobieletelefoonnetwerk, ten minste 4G).
Vraag alleen van toepassing voor bedrijven die via een mobiele breedbandinternetverbinding kunnen worden bereikt (antwoord op SE.IC.200.C. = 1 of 2).
Te gebruiken codes:
|
0 |
Nee |
|
1 |
Ja |
Tabel GR
Generatievernieuwing
Structuur van de tabel
|
|
Categorieën leidinggevenden en opvolgers |
Code (*) |
|
|
|
|||
|
|
Kolommen |
||
|
Informatiegroep |
Code |
Jaar |
|
|
|
|
C |
Y |
|
GR |
Generatievernieuwing |
|
|
De categorieën worden uit de onderstaande lijst gekozen:
|
Code(*) |
Omschrijving |
Groep |
C |
Y |
|
100 |
Jaar van overname door het bedrijfshoofd |
GR |
— |
|
|
200 |
Overdracht |
GR |
|
— |
|
300 |
Plannen voor het stopzetten van de activiteit |
GR |
|
— |
INFORMATIEGROEPEN IN TABEL GR
GR.GR.100.Y. Jaar van overname door het bedrijfshoofd
Hier moet worden vermeld in welk jaar het huidige bedrijfshoofd (bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider) het bedrijf heeft overgenomen, dat als volgt moet worden aangegeven: “JJJJ”.
Ingeval meer dan één bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werkzaam is op het landbouwbedrijf (en dus vermeld wordt in tabel C), heeft het jaar betrekking op de persoon die als eerste het bedrijf heeft overgenomen.
Vraag alleen van toepassing als het bedrijf een bedrijfshoofd/bedrijfsleider(s) of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider(s) in tabel C heeft vermeld.
De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
GR.GR.200.C. Overdracht
Hier moet worden vermeld wie de persoon is van wie het bedrijf aan het huidige bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werd overgedragen.
Indien meer dan één bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider werkzaam is op het landbouwbedrijf (en dus vermeld wordt in tabel C), heeft het antwoord betrekking op de persoon die als eerste het bedrijf heeft overgenomen.
Indien sprake is van meer dan één overnamemethode, wordt de grootste in waarde gerapporteerd. Vraag alleen van toepassing als het bedrijf een bedrijfshoofd/bedrijfsleider(s) of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider(s) in tabel C heeft vermeld.
De gegevens worden jaarlijks in de bedrijfsformulieren gerapporteerd. De gegevens mogen echter op minder frequente basis worden gecompileerd of verzameld, mits dit ten minste om de vijf jaar gebeurt.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
niet van toepassing (het landbouwbedrijf heeft geen bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider) |
|
1 |
landbouwbedrijf overgenomen van een familielid (via schenking, erfopvolging of andere vormen) |
|
2 |
landbouwbedrijf overgenomen van een niet-gezinslid |
|
3 |
landbouwbedrijf opgericht door het huidige bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider |
GR.GR.300.C. Plannen voor het stopzetten van de activiteit
Hier moet worden vermeld of het bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider specifieke plannen heeft gemaakt voor de wijze waarop de middelen van het landbouwbedrijf zullen worden beheerd wanneer hij of zij zijn of haar activiteiten stopzet (bv. na pensionering).
Vraag alleen van toepassing als het in tabel C vermelde oudste bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider ouder is dan zestig jaar.
Indien sprake is van meer dan één overnamemethode, wordt de grootste in waarde gerapporteerd.
De volgende codenummers moeten worden gebruikt:
|
0 |
niet van toepassing (het landbouwbedrijf heeft geen bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider) |
|
1 |
geen plannen op dit moment |
|
2 |
het landbouwbedrijf wordt overgenomen door een familielid (via schenking, erfopvolging of andere vormen) |
|
3 |
het landbouwbedrijf wordt overgenomen door een niet-gezinslid |
|
4 |
het bedrijfshoofd/bedrijfsleider of bedrijfshoofd/geen bedrijfsleider is voornemens het landbouwbedrijf / de landbouwgrond te verhuren |
|
5 |
andere |
KOLOMMEN IN TABEL GR
Kolom C verwijst naar de code, kolom Y verwijst naar het jaar.
(1) Onder premies en subsidies wordt verstaan elke rechtstreekse steun uit openbare middelen die een specifieke ontvangst vormt.
(2) Verordening (EU) nr. 1089/2010 van de Commissie van 23 november 2010 ter uitvoering van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de interoperabiliteit van verzamelingen ruimtelijke gegevens en van diensten met betrekking tot ruimtelijke gegevens (PB L 323 van 8.12.2010, blz. 11, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2010/1089/oj).
(3) Zie bijlage VII bij deze verordening.
(4) Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/848/oj).
(5) Verordening (EU) 2024/1143 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende geografische aanduidingen voor wijn, gedistilleerde dranken en landbouwproducten, evenals gegarandeerde traditionele specialiteiten en facultatieve kwaliteitsaanduidingen voor landbouwproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1308/2013, (EU) 2019/787 en (EU) 2019/1753 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1151/2012 (PB L, 2024/1143, 23.4.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/1143/oj).
(6) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1305/oj).
(7) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/147/oj).
(8) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/1992/43/oj).
(9) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2000/60/oj).
(10) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).
(11) Verordening (EG)nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1107/oj).
(12) Gedefinieerd als stedelijk afvalwater dat is gezuiverd in overeenstemming met de voorschriften van Richtlijn 91/271/EEG en dat het resultaat is van verdere zuivering in een waterterugwinningsvoorziening overeenkomstig deel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) 2020/741.
(13) Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 van de Commissie van 4 mei 2022 tot aanvulling van Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de toepassing en berekening van administratieve conditionaliteitssancties (PB L 183 van 8.7.2022, blz. 12, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2022/1172/oj).
(14) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173 van de Commissie van 31 mei 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 183 van 8.7.2022, blz. 23, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1173/oj).
(15) Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22/12/2009, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2009/1221/oj).
(16) In de zin van de definitie in het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een certificeringskader van de Unie voor koolstofverwijderingen — COM/2022/672 final — 2022/0394(COD).
(17) Mededeling van de Commissie — EU-richtsnoeren betreffende de beste praktijken voor vrijwillige certificeringsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB C 341 van 16.12.2010, blz. 5).
(18) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2008/765/oj).
(19) Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2009/128/oj).
BIJLAGE IX
Tijdschema voor de indiening van de in artikel 11, lid 3, bedoelde gegevens en vrijstellingen voor specifieke variabelen als bedoeld in artikel 12
In de kolom “tabel van bijlage VIII” kunnen bestaande ILB-tabellen (1-cijferige code van A tot en met M) en nieuw ingevoerde IDL-tabellen en -variabelen worden geïdentificeerd:
|
— |
nieuwe IDL-tabellen worden aangeduid als regels en door 2- of 3-cijferige codes geïdentificeerd; |
|
— |
nieuwe IDL-variabelen in bestaande ILB-tabellen worden met de code van de specifieke variabele als extra regels in de overeenkomstige ILB-tabel aangeduid. |
Voor bestaande ILB-tabellen kunnen alleen vrijstellingen worden gevraagd voor nieuwe IDL-variabelen, die expliciet worden genoemd als het gaat om zulke ILB-tabellen.
|
Tabellen van bijlage VIII en nieuwe IDL-variabelen |
Eerste rapportagejaar |
Vrijstellingen van het indienen van specifieke variabelen (het eerste rapportagejaar wordt vermeld) |
||
|
2025 |
2027 |
|
||
|
Tabel A — Algemene informatie over het bedrijf |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026 Roemenië in 2027 |
||
|
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026 Roemenië in 2027 |
||
|
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026 Roemenië in 2027 |
||
|
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije, Zweden in 2026 Roemenië in 2027 |
||
|
Tabel B — Exploitatievorm |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel C — Arbeid |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
C.EX Externe werknemers |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026 Roemenië, Letland in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
||
|
Kolom G — Geslacht (voor werknemers) |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026 Roemenië, Letland in 2027 |
||
|
Kolommen AW — Lonen en sociale lasten per jaar/uur |
|
Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026 Roemenië, Malta, Letland, Zweden in 2027 |
||
|
Kolom R — Pensionering |
|
Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Portugal in 2026 Roemenië, Malta, Letland in 2027 |
||
|
Tabel D — Activa en investeringen |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel E — Quota en andere rechten |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel F — Schulden/kredieten |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel G — Belasting over de toegevoegde waarde (btw) |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel H — Productiemiddelen |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
|
Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië, Malta in 2027 |
||
|
Tabel I — Landgebruik en gewassen |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
Kolommen “waarvan volledig biologisch — waarvan in omschakeling naar biologisch” |
|
Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië, Letland in 2027 Luxemburg in 2028 |
||
|
Tabel J — Dieren |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
J. OR biologisch — J. CO in omschakeling naar biologisch |
|
Frankrijk, Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië, Slowakije, Letland, Kroatië in 2027 |
||
|
J.DL Aantal sterfgevallen, met inbegrip van het doden van dieren in noodsituaties |
|
Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië in 2027 |
||
|
J.TH Type huisvesting |
|
België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië, Letland in 2027 |
||
|
J. TO Buiten doorgebrachte tijd |
|
België, Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië, Letland in 2027 |
||
|
Tabel K — Dierlijke producten en diensten |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel L — Andere rechtstreeks met het bedrijf verband houdende winstgevende werkzaamheden |
X |
|
Niet van toepassing |
|
|
Tabel M — Subsidies |
X |
|
Niet van toepassing, behalve voor: |
|
|
3770 — Kennisuitwisseling en verspreiding van informatie |
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026 Roemenië, Malta in 2027 |
||
|
3780 — Samenwerking |
|
Duitsland, Frankrijk, Griekenland, Cyprus, Slowakije in 2026 Roemenië, Malta in 2027 |
||
|
Tabel MI — Marktintegratie |
X |
|
Duitsland, Frankrijk, Tsjechië, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026 België, Roemenië, Slowakije, Malta, Letland, Kroatië in 2027 |
|
|
Tabel DI — Innovatie en digitalisering |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel OF — Indicatief aandeel van het inkomen buiten het landbouwbedrijf |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel FP1 — Landbouwpraktijken |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Portugal, Zweden in 2026 België, Tsjechië, Denemarken, Estland, Roemenië, Slowakije, Letland, Kroatië in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel FP2 — Landbouwpraktijken |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel NM1 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Mestopslag |
X |
|
België, Duitsland, Griekenland, Cyprus, Letland, Zweden in 2026 Tsjechië, Roemenië, Slowakije, Kroatië in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel NM2 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Bemesting |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Letland, Zweden in 2026 België, Estland, Tsjechië, Roemenië, Slowakije, Kroatië in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel NM3 — Gebruik en beheer van voedingsstoffen — Input van diervoeders |
|
X |
Frankrijk, Malta, Spanje in 2028 |
|
|
Tabel ST — Bodemtest (facultatief) |
X |
|
|
|
|
Tabel BD1 — Biodiversiteit — Landschapselementen |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië in 2027 Frankrijk, Luxemburg, Malta in 2028 |
|
|
Tabel BD2 — Biodiversiteit — Biologische bestrijding en graslandbeheer |
|
X |
Frankrijk, Luxemburg, Malta in 2028 |
|
|
Tabel WT — Waterbeheer |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel I2 — Gebruik van gewasbeschermingsmiddelen |
|
X |
Frankrijk, Malta, Spanje in 2028 |
|
|
Tabel J1 — Gebruik van antimicrobiële stoffen |
|
X |
Frankrijk, Malta, Spanje in 2028 |
|
|
Tabel CS — Milieucertificeringsregelingen |
X |
|
België, Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië, Slowakije, Malta in 2027 |
|
|
Tabel EN — Energie |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel FL — Productieverlies voor levensmiddelen en diervoeders op het landbouwbedrijf |
|
X |
Frankrijk, Luxemburg, Malta, Kroatië in 2028 |
|
|
Tabel TR — Opleiding |
|
X |
Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel SA — Veiligheid |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel SI — Sociale inclusie |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus in 2026 Roemenië in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
|
Tabel SE — Voor landbouwers toegankelijke diensten |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië, Malta in 2027 |
|
|
Tabel GR — Generatievernieuwing |
X |
|
Duitsland, Griekenland, Cyprus, Zweden in 2026 Roemenië, Slowakije in 2027 Frankrijk, Malta in 2028 |
|
BIJLAGE X
Aan de lidstaten te betalen bedrag, in EUR (lopende prijzen), voor de rapportagejaren 2025, 2026 en 2027, als bedoeld in artikel 17
|
|
Rapportagejaar 2025 |
Rapportagejaar 2026 |
Rapportagejaar 2027 |
||||||||
|
|
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a) |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt b) |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c) |
Maximumbedrag |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a) |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt b) |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c) |
Maximumbedrag |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt a) |
Bedrag als bedoeld in artikel 17, lid 1, punt c) |
Maximumbedrag |
|
BELGIË |
198 000 |
397 600 |
136 702 |
732 302 |
198 000 |
374 816 |
182 270 |
755 086 |
198 000 |
501 241 |
699 241 |
|
BULGARIJE |
396 360 |
352 436 |
501 697 |
1 250 493 |
396 360 |
352 436 |
501 697 |
1 250 493 |
396 360 |
1 003 394 |
1 399 754 |
|
TSJECHIË |
230 760 |
386 620 |
185 874 |
803 254 |
230 760 |
373 343 |
212 427 |
816 530 |
230 760 |
584 174 |
814 934 |
|
DENEMARKEN |
261 000 |
400 883 |
300 331 |
962 214 |
261 000 |
400 883 |
300 331 |
962 214 |
261 000 |
660 727 |
921 727 |
|
DUITSLAND |
919 980 |
1 985 289 |
105 861 |
3 011 130 |
919 980 |
1 455 983 |
1 164 475 |
3 540 438 |
919 980 |
2 328 950 |
3 248 930 |
|
ESTLAND |
104 400 |
223 399 |
108 119 |
435 918 |
104 400 |
223 399 |
108 119 |
435 918 |
104 400 |
264 291 |
368 691 |
|
IERLAND |
162 000 |
368 882 |
205 053 |
735 935 |
162 000 |
368 882 |
205 053 |
735 935 |
162 000 |
410 107 |
572 107 |
|
GRIEKENLAND |
533 880 |
1 013 146 |
61 433 |
1 608 459 |
533 880 |
705 980 |
675 765 |
1 915 625 |
533 880 |
1 351 529 |
1 885 409 |
|
SPANJE |
1 566 000 |
1 606 195 |
1 982 182 |
5 154 377 |
1 566 000 |
1 606 195 |
1 982 182 |
5 154 377 |
1 566 000 |
3 423 769 |
4 989 769 |
|
FRANKRIJK |
1 368 000 |
2 553 255 |
472 244 |
4 393 499 |
1 368 000 |
2 474 548 |
629 659 |
4 472 207 |
1 368 000 |
629 659 |
1 997 659 |
|
KROATIË |
225 180 |
372 981 |
181 379 |
779 540 |
225 180 |
372 981 |
181 379 |
779 540 |
225 180 |
544 137 |
769 317 |
|
ITALIË |
1 695 240 |
1 623 948 |
2 145 769 |
5 464 957 |
1 695 240 |
1 623 948 |
2 145 769 |
5 464 957 |
1 695 240 |
4 291 538 |
5 986 778 |
|
CΥΡRUS |
90 000 |
265 654 |
10 356 |
366 010 |
90 000 |
213 873 |
113 919 |
417 792 |
90 000 |
227 837 |
317 837 |
|
LETLAND |
180 000 |
295 256 |
144 987 |
620 243 |
180 000 |
274 543 |
186 412 |
640 955 |
180 000 |
455 674 |
635 674 |
|
LITOUWEN |
180 000 |
306 954 |
227 837 |
714 791 |
180 000 |
306 954 |
227 837 |
714 791 |
180 000 |
455 674 |
635 674 |
|
LUXEMBURG |
81 000 |
201 967 |
93 206 |
376 173 |
81 000 |
201 967 |
93 206 |
376 173 |
81 000 |
177 091 |
258 091 |
|
HONGARIJE |
342 000 |
463 433 |
432 890 |
1 238 323 |
342 000 |
463 433 |
432 890 |
1 238 323 |
342 000 |
865 781 |
1 207 781 |
|
MALTA |
96 480 |
251 602 |
11 102 |
359 184 |
96 480 |
251 602 |
11 102 |
359 184 |
96 480 |
44 408 |
140 888 |
|
NEDERLAND |
270 000 |
702 640 |
341 756 |
1 314 396 |
270 000 |
702 640 |
341 756 |
1 314 396 |
270 000 |
683 511 |
953 511 |
|
OOSTENRIJK |
324 000 |
367 386 |
410 107 |
1 101 493 |
324 000 |
367 386 |
410 107 |
1 101 493 |
324 000 |
820 213 |
1 144 213 |
|
POLEN |
1 620 000 |
1 377 272 |
2 050 533 |
5 047 805 |
1 620 000 |
1 377 272 |
2 050 533 |
5 047 805 |
1 620 000 |
4 101 066 |
5 721 066 |
|
PORTUGAL |
414 000 |
553 417 |
428 748 |
1 396 165 |
414 000 |
505 779 |
524 025 |
1 443 804 |
414 000 |
1 048 050 |
1 462 050 |
|
ROEMENIË |
918 000 |
1 359 686 |
105 634 |
2 383 320 |
918 000 |
1 359 686 |
105 634 |
2 383 320 |
918 000 |
2 323 938 |
3 241 938 |
|
SLOVENIË |
163 440 |
258 693 |
206 876 |
629 009 |
163 440 |
258 693 |
206 876 |
629 009 |
163 440 |
413 752 |
577 192 |
|
SLOWAKIJE |
101 160 |
280 835 |
58 202 |
440 197 |
101 160 |
280 835 |
58 202 |
440 197 |
101 160 |
256 089 |
357 249 |
|
FINLAND |
117 000 |
275 514 |
148 094 |
540 608 |
117 000 |
275 514 |
148 094 |
540 608 |
117 000 |
296 188 |
413 188 |
|
ZWEDEN |
184 500 |
377 326 |
84 921 |
646 747 |
184 500 |
303 020 |
233 533 |
721 053 |
184 500 |
467 066 |
651 566 |
|
Totaal EU |
12 742 380 |
18 622 269 |
11 141 893 |
42 506 542 |
12 742 380 |
17 476 591 |
13 433 252 |
43 652 223 |
12 742 380 |
28 629 854 |
41 372 234 |
|
Reserve voor vooraf verstrekte gegevens |
|
|
|
2 493 458 |
|
|
|
1 347 777 |
|
|
|
BIJLAGE XI
Vorm en opmaak van de uit de in artikel 18 bedoelde gegevensreeksen te extraheren gegevens
Deze tekst bevat nadere richtsnoeren voor de indiening van uitgesplitste gegevens over interventies en begunstigden en definieert de vorm en inhoud van deze gegevens.
Overeenkomstig artikel 4 bis, lid 1, punt a), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 en om IDL-bedrijven met boekhouding te koppelen aan de overeenkomstige dossiers van begunstigden, die uitgesplitste gegevens over begunstigden bevatten, en interventiedossiers, die uitgesplitste gegevens over interventies bevatten, die zijn opgenomen in de gegevens voor de gegevensreeks voor monitoring- en evaluatiedoeleinden als bedoeld in artikel 8 van en bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475 van de Commissie (1), kiezen de lidstaten een van de volgende opties.
Optie 1: Indien de lidstaat ervoor kiest de identificatiecode van de begunstigde met betrekking tot het bedrijf met boekhouding aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het interventiedossier en het dossier van de begunstigde gedeeld:
M030/B010 unieke identificatiecode van de begunstigde als bedoeld in bijlage IV bij Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475.
IDL-nummer: De lidstaat verstrekt, gekoppeld aan de unieke identificatiecode van de begunstigde, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.
Meerdere vermeldingen zijn mogelijk, aangezien meerdere begunstigden bij één IDL-bedrijf betrokken kunnen zijn en één begunstigde ook bij meerdere IDL-bedrijven betrokken kan zijn.
Optie 2: Indien de lidstaat ervoor kiest de gegevens met betrekking tot het bedrijf met boekhouding rechtstreeks aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het interventiedossier en het dossier van de begunstigde gedeeld:
IDL-nummer: De lidstaat verstrekt, gekoppeld aan de gegevens, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.
Meerdere vermeldingen zijn toegestaan, aangezien meerdere begunstigden bij één IDL-bedrijf betrokken kunnen zijn en één begunstigde ook bij meerdere IDL-bedrijven betrokken kan zijn.
UITGESPLITSTE GEGEVENS OVER INTERVENTIES
|
Aantal |
Omschrijving |
|
Monitoringvariabelen voor administratieve informatie |
|
|
M010 |
code betaalorgaan |
|
M020 |
unieke code van een steunaanvraag of betalingsclaim in het kader van een interventie |
|
M040 |
begrotingscode |
|
Monitoringvariabelen voor uitgegeven bedragen |
|
|
M050 |
totaalbedrag van middelen van de Unie |
|
M060 |
totale overheidsuitgaven |
|
M070 |
totale aanvullende nationale financiering |
|
Monitoringvariabelen voor het subsidiabele en geconstateerde areaal |
|
|
M080 |
aantal hectaren subsidiabel areaal dat is geconstateerd vóór toepassing van de limieten, met uitzondering van bosbouwareaal |
|
M085 |
aantal hectaren subsidiabel bosbouwareaal dat is geconstateerd vóór toepassing van de limieten |
|
M090 |
aantal hectaren subsidiabel areaal met uitzondering van bosbouwareaal |
|
M095 |
aantal hectaren subsidiabel bosbouwareaal dat is geconstateerd na toepassing van de limieten |
|
Monitoringvariabelen voor eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
|
M100 |
aantal hectaren subsidiabel areaal waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
M101 |
aantal hectaren subsidiabel bouwland waarvoor betalingen zijn gedaan voor praktijken voor de instandhouding van niet-productieve arealen, zoals braakliggend land |
|
M102 |
aantal hectaren subsidiabel bouwland waarvoor betalingen zijn gedaan voor praktijken voor de aanleg van nieuwe landschapselementen als bedoeld in artikel 31, lid 1 bis, van Verordening (EU) 2021/2115 |
|
M110 |
aantal dieren, in stuks, waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
M120 |
aantal grootvee-eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
M130 |
aantal verrichtingen waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
M140 |
aantal gesteunde landbouwbedrijven |
|
M150 |
aantal onderlinge fondsen waarvoor betalingen zijn gedaan |
|
M160 |
aantal andere eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan — meeteenheid |
|
M161 |
aantal andere eenheden waarvoor betalingen zijn gedaan — gegenereerde output |
|
Monitoringvariabelen die aangeven of aan een voorwaarde is voldaan |
|
|
M170 |
investeringen die leiden tot een nettotoename van het geïrrigeerd areaal |
|
M180 |
investeringen die leiden tot een verbetering van bestaande irrigatie-installaties |
|
M190 |
investeringen in het gebruik van teruggewonnen water |
|
M200 |
investeringen in breedband |
|
M210 |
investeringen in biomethaan |
UITGESPLITSTE GEGEVENS OVER BEGUNSTIGDEN
|
Aantal |
Omschrijving |
|
B020 |
geslacht |
|
B030 |
jonge landbouwer |
|
B040 |
geografische locatie — gemeente |
|
B050 |
gebied met natuurlijke of andere specifieke beperkingen |
|
B060 |
nitraatgevoelige zone |
|
B070 |
kenmerken van de ligging van een landbouwbedrijf in een stroomgebiedsbeheersplan |
|
B080 |
Natura 2000-gebied |
|
B090 |
biologisch landbouwbedrijf |
|
B100 |
aangegeven aantal hectaren bouwland |
|
B110 |
aangegeven aantal hectaren blijvend grasland |
|
B120 |
aangegeven aantal hectaren blijvende teelten |
|
B130 |
aantal hectaren andere arealen dat in aanmerking komt voor rechtstreekse betalingen |
|
B141 |
GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — blijvend grasland |
|
B142 |
GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — bouwland |
|
B143 |
GLMC 2 — aantal hectaren wetland en veengebied — blijvende teelten |
|
B170 |
GLMC 9 — aantal hectaren waarop het verbod op het omzetten en ploegen van toepassing is |
|
B171 |
GLMC 9 — aantal hectaren blijvend grasland in Natura 2000-gebieden |
|
B172 |
GLMC 9 — door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in Natura 2000-gebieden dat in het kader van GLMC 9 wordt beschermd |
|
B180 |
door landbouwers aangegeven aantal hectaren dat is aangewezen als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland buiten Natura 2000-gebieden dat in het kader van de GLMC’s wordt beschermd, indien van toepassing. |
(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1475 van de Commissie van 6 september 2022 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de evaluatie van de strategische GLB-plannen en wat betreft de verstrekking van informatie voor monitoring- en evaluatiedoeleinden (PB L 232 van 7.9.2022, blz. 8, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2022/1475/oj).
BIJLAGE XII
Vorm en opmaak van de uit de in artikel 20 bedoelde gegevensreeksen te extraheren gegevens
Deze tekst bevat nadere richtsnoeren voor de indiening van uitgesplitste gegevens uit het bij Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad (1) ingestelde geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS).
De lidstaten bepalen de overeenstemming tussen de identificatienummers van het bedrijf met boekhouding in het GBCS en het IDL-systeem, waarbij ervoor wordt gezorgd dat zij naar dezelfde entiteit verwijzen.
Met betrekking tot artikel 4 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EG) nr. 1217/2009 kiezen de lidstaten een van de volgende opties 1, 2.1 of 2.2.
Optie 1: Indien de lidstaat ervoor kiest de identificatienummers van percelen met betrekking tot het bedrijf met boekhouding aan de Commissie te verstrekken, worden de volgende gegevens uit het GBCS gedeeld:
Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende identificatiecodes uit het GBCS die aan het identificatienummer van het IDL zijn gekoppeld: uniek identificatienummer van referentiepercelen, landbouwpercelen en niet-landbouwarealen die door de lidstaten geacht worden in aanmerking te komen voor steun voor de areaalgebonden interventies, als bedoeld in artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 en artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173.
Meerdere vermeldingen zijn mogelijk, aangezien één IDL-bedrijf meerdere betrokken referentiepercelen, landbouwpercelen en niet-landbouwarealen kan hebben die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen.
Optie 2: Indien de lidstaat ervoor kiest de gegevens met betrekking tot het bedrijf met boekhouding rechtstreeks aan de Commissie te verstrekken, wordt de volgende ruimtelijke informatie uit het GBCS gedeeld:
Optie 2.1
Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende reeks ruimtelijke gegevens van referentiepercelen en landbouwpercelen als bedoeld in Richtlijn 2007/2/EG (2) en Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 (3), met inbegrip van de volgende kenmerken:
|
— |
geometrie (grens en oppervlakte van elk perceel): referentiepercelen, landbouwpercelen en grondeenheden met niet-landbouwarealen die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen voor steun zoals beschreven in artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2022/1172 en artikel 8, lid 3, punt a), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173; |
|
— |
landgebruik (gewassen of gewasgroepen); |
|
— |
landschapselementen als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt c), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173; |
|
— |
oppervlakte met biologische landbouw als bedoeld in artikel 8, lid 3, punt e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2022/1173. |
De lidstaten verstrekken, gekoppeld aan de ruimtelijke gegevens uit GBCS, het IDL-nummer van het bedrijf met boekhouding.
Meerdere vermeldingen zijn toegestaan, aangezien één IDL-bedrijf meerdere referentiepercelen, betrokken landbouwpercelen en niet-landbouwarealen kan hebben die door de lidstaat geacht worden in aanmerking te komen.
Optie 2.2
Indien de lidstaten voor deze optie kiezen, verstrekken zij de Commissie de volgende indicatoren:
|
— |
verkaveling van het bedrijf: aantal landbouwpercelen, gemiddelde grootte van de percelen, maximale afstand tussen de verst gelegen percelen, gemiddelde afstand tussen percelen, aantal perceelclusters binnen een buffer van 1 km en van 10 km; |
|
— |
verandering in landgebruik: omzetting van land van het voorgaande jaar in de volgende categorieën landgebruik: bosgrond, bouwland, grasland, wetlands, woongebied en overig land als bedoeld in Verordening (EU) 2018/841 (4); |
|
— |
landschapselementen: de oppervlakten met landschapselementen die zijn opgenomen in bijlage VIII — tabel BD1 — Biodiversiteit — Landschapselementen, worden vermeld. |
(1) Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 187, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2116/oj).
(2) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2007/2/oj).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2023/138 van de Commissie van 21 december 2022 tot vaststelling van een lijst met specifieke hoogwaardige datasets en de regelingen voor publicatie en hergebruik van die gegevens (PB L 19 van 20.1.2023, blz. 43).
(4) Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj).
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2024/2746/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)