This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32026R1818
Regulation (EU) 2026/1818 of the European Parliament and of the Council of 17 June 2026 on the welfare of dogs and cats and their traceability (Text with EEA relevance)
Verordening (EU) 2026/1818 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2026 inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid (Voor de EER relevante tekst)
Verordening (EU) 2026/1818 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2026 inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid (Voor de EER relevante tekst)
PE/2/2026/REV/1
PB L, 2026/1818, 10.8.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1818/oj (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
In force
|
Publicatieblad |
NL L-serie |
|
2026/1818 |
10.8.2026 |
VERORDENING (EU) 2026/1818 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 17 juni 2026
inzake het welzijn van honden en katten en hun traceerbaarheid
(Voor de EER relevante tekst)
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, en artikel 114,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Levende dieren, met inbegrip van honden en katten, vallen onder bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en maken deel uit van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de Unie en hun welzijn moet worden beschermd. Er is een markt voor honden en katten in de Unie en zij worden in aanzienlijke mate grensoverschrijdend verhandeld. De lidstaten zetten zich in voor de bescherming van gezelschapsdieren en de meeste van hen hebben de Europese Overeenkomst tot bescherming van kleine huisdieren van 13 november 1987 ondertekend, die bepalingen bevat over het fokken, houden en verhandelen van gezelschapsdieren. Er is uitgebreid bewijs beschikbaar waaruit blijkt dat de markt voor honden en katten in de Unie niet optimaal functioneert en dat die dieren illegaal in de Unie worden verhandeld en in de Unie worden ingevoerd, hetgeen hun welzijn in het gedrang brengt. Daarom moeten, rekening houdend met het feit dat dieren wezens met gevoel zijn die emoties en pijn kunnen voelen en aan sociale interacties kunnen deelnemen, minimumeisen worden vastgesteld voor het welzijn van honden en katten die in inrichtingen worden gefokt en gehouden, alsook strengere voorschriften inzake de traceerbaarheid van honden en katten. |
|
(2) |
Het aantal honden en katten die in de Unie als gezelschapsdier worden gehouden, is de afgelopen jaren aanzienlijk gestegen, hetgeen aantoont dat de burgers in de Unie sterk aan die dieren gehecht zijn. Dierenwelzijn is een waarde van de Unie die is verankerd in artikel 13 VWEU, op grond waarvan de Unie en haar lidstaten ten volle rekening moeten houden met het welzijn van dieren als wezens met gevoel. |
|
(3) |
Honden en katten worden in de Unie verhandeld en gehouden. Zij hebben hun eigen unieke biologische en gedragsmatige behoeften. Doordat welzijnsbepalingen van de Unie inzake het fokken, het houden en het in de handel brengen van honden en katten ontbreken, en nationale voorschriften, voor zover deze bestaan, uiteenlopen, worden die dieren soms kosteloos geboren, gefokt, verkocht of geadopteerd in omstandigheden die ernstige schadelijke gevolgen kunnen hebben voor hun welzijn. Er is geen gelijk speelveld voor commerciële fokkers van honden en katten in verschillende lidstaten. De voorschriften inzake omstandigheden op het gebied van dierenwelzijn verschillen aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. Die voorschriften zijn een van de belangrijkste elementen die bepalend zijn voor het concurrentievermogen van dergelijke exploitanten. Bijgevolg wordt de mededinging verstoord. Fokkers en houders die hoge normen hanteren, kunnen hun investeringen in dierenwelzijn niet billijk laten renderen wanneer zij grensoverschrijdend handel drijven, omdat zij te maken krijgen met exploitanten die profiteren van ondermaatse omstandigheden op het gebied van dierenwelzijn om concurrerend te zijn en prijzen te drukken en normen te verlagen. |
|
(4) |
Bovendien worden consumenten onvoldoende beschermd bij het verkrijgen van een hond of kat. Vaak worden zij geconfronteerd met de negatieve gevolgen van de slechte welzijnsomstandigheden in de inrichtingen waarin de hond of kat is gefokt en gehouden. Dergelijke negatieve gevolgen zijn onder meer gezondheidsproblemen, gedragsproblemen of genetische defecten bij de verkregen hond of kat. |
|
(5) |
Daarom moeten minimumvoorschriften inzake dierenwelzijn worden vastgesteld voor inrichtingen die honden en katten fokken, houden en in de handel brengen. Dergelijke minimumvoorschriften moeten een rationele ontwikkeling van de sector met eerlijke concurrentievoorwaarden en een adequate consumentenbescherming waarborgen, waarbij tegelijkertijd voor een hoog niveau van dierenwelzijn wordt gezorgd. |
|
(6) |
Het netwerk voor gezelschapsdieren (Pet Animal Network – PAN) in het kader van het netwerk voor administratieve bijstand en samenwerking (Administrative Assistance and Cooperation Network – AAC-netwerk) vergemakkelijkt de samenwerking tussen de lidstaten en helpt hen bij het opsporen van illegale inrichtingen, het ontmantelen van de bijbehorende netwerken en het waarborgen van de doeltreffende handhaving van de toepasselijke voorschriften. Overeenkomstig titel IV van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (3) moeten gevallen van niet-naleving van deze verordening via het PAN worden gemeld. Dit helpt de grensoverschrijdende samenwerking en uitwisseling van informatie te versterken, wat van cruciaal belang is om het grensoverschrijdende karakter van bepaalde illegale activiteiten aan te pakken en het dierenwelzijn en de belangen van de consument in de hele Unie te beschermen. |
|
(7) |
De afgelopen tien jaar is de vraag naar honden en katten als gezelschapsdieren aanzienlijk toegenomen. Als gevolg daarvan is het fokken van honden en katten in de Unie en de handel in honden en katten op de markt van de Unie, met inbegrip van verkoop en adoptie, en invoer vanuit derde landen aanzienlijk toegenomen. Het gebrek aan voorschriften van de Unie inzake het welzijn van dergelijke dieren en de verschillen tussen de voorschriften die in de verschillende lidstaten van toepassing zijn, hebben geleid tot veel illegale handel en misleidende of bedrieglijke praktijken, waarbij honden en katten worden gehouden in omstandigheden die zeer schadelijk zijn voor hun welzijn. |
|
(8) |
Traceerbaarheid is belangrijk om de goede werking van de markt voor honden en katten in de Unie met een hoog niveau van dierenwelzijn te waarborgen, aangezien illegale handel de mededinging verstoort en negatieve omstandigheden op het gebied van dierenwelzijn welig kunnen tieren als controle ontbreekt en zo veel mogelijk winst wordt nagestreefd. Bovendien zijn traceerbaarheidsvoorschriften nodig om de oorsprong van de honden en katten te kunnen vaststellen en om te bepalen wie verantwoordelijk is, met name in het geval van welzijnsgerelateerde problemen die met betrekking tot een bepaald dier worden vastgesteld. |
|
(9) |
Als gevolg van de toenemende vraag van de consument naar honden en katten zijn er onaanvaardbare of illegale handelspraktijken ontstaan, die door online aankopen in de hand worden gewerkt, deels doordat de dieren niet tot de oorspronkelijke inrichting kunnen worden getraceerd. Die onaanvaardbare of illegale handelspraktijken gaan gepaard met het lijden van honden en katten als gevolg van ongecontroleerde fokpraktijken. Er kan niet worden gewaarborgd dat exploitanten zich aan dezelfde normen inzake dierenwelzijn houden, en zonder betrouwbare middelen om de oorsprong van die dieren te traceren kunnen er geen eerlijke concurrentievoorwaarden op de interne markt worden gewaarborgd met betrekking tot het in de handel brengen van honden en katten. Daarom is het van cruciaal belang de traceerbaarheid van honden en katten te waarborgen met een systeem waarmee honden en katten worden geïdentificeerd en geregistreerd en dat een aanvulling vormt op de informatie die wordt geregistreerd wanneer de honden en katten van eigenaar veranderen of wanneer de verantwoordelijkheid voor een bepaald dier wijzigt. |
|
(10) |
Er zijn aanwijzingen dat illegale handelaren hun handel vaak drijven door zich als eigenaar van gezelschapsdieren uit te geven. Zo blijkt uit de in 2022 en 2023 uitgevoerde gecoördineerde EU-maatregelen tegen de illegale handel in katten en honden dat het verkeer van honden en katten voor commerciële doeleinden doorgaans wordt verhuld als niet-commercieel verkeer. Uit onderzoek naar onlineadvertenties voor honden en katten voor verkoop in de Unie is ook gebleken dat illegale handelaren zich vaak voordoen als eigenaar van gezelschapsdieren. Het waarschuwings- en samenwerkingsnetwerk van de Unie ontvangt een aanzienlijk aantal meldingen over illegale handel in honden en katten die als gezelschapsdier worden aangeprezen of in de Unie worden verplaatst door handelaren die zich voordoen als eigenaar van gezelschapsdieren. Er moet iets worden gedaan aan een patroon van frauduleuze activiteiten dat slechte welzijnsomstandigheden uitbuit, misleidend is voor de consument en risico’s inhoudt voor de volksgezondheid en de diergezondheid. Sommige lidstaten verplichten alle eigenaars, met inbegrip van eigenaars van gezelschapsdieren, nu al om alle honden en katten die zij bezitten, te identificeren en te registreren, ongeacht of zij voornemens zijn honden of katten in de handel te brengen. Verschillen tussen de nationale traceerbaarheidssystemen voor honden en katten laten onvermijdelijk ruimte voor de illegale handelspatronen die deze verordening beoogt tegen te gaan. Daarom moeten de identificatie- en registratieverplichtingen worden uitgebreid tot alle honden- en katteneigenaars in de Unie. Dergelijke maatregelen zouden zorgen voor een gelijk speelveld voor alle actoren die betrokken zijn bij het in de handel brengen van honden en katten. Een geharmoniseerd traceerbaarheidssysteem zou ook voorkomen dat dierenwelzijnsnormen worden omzeild en zou misleidende en bedrieglijke praktijken op de markt tegengaan, wat de bestrijding van de illegale handel in honden en katten kracht bijzet. |
|
(11) |
De illegale invoer van honden en katten van buiten de Unie is toegenomen. De huidige Unievoorschriften inzake het verkeer van honden en katten binnen de Unie en die de Unie binnenkomen, zoals Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad (4), bevatten onvoldoende instrumenten om deze illegale handel en de daarmee samenhangende problemen op het gebied van dierenwelzijn te voorkomen. Dit betekent dat er aanvullende voorschriften nodig zijn om frauduleuze praktijken en de illegale handel in honden en katten te bestrijden. |
|
(12) |
De traceerbaarheidsbepalingen van deze verordening dragen ook bij tot de bescherming van de volksgezondheid door middel van een beter dierenwelzijn en een betere diergezondheid alsook door middel van betere controles op de mogelijke overdracht van dierziekten, waarvan sommige zoönotisch zijn, aan de hand van een “één gezondheid”-benadering. |
|
(13) |
Aan de hand van wetenschappelijke gegevens is een concept van “vijf domeinen” (voeding, fysieke omgeving, gezondheid, gedragsinteracties en geestelijke toestand) ontwikkeld om de verschillende dimensies van dierenwelzijn te beschrijven. Het concept is gericht op het ontbreken van negatieve ervaringen voor het dier en omvat ook positieve ervaringen. Deze verordening moet daarom worden gebaseerd op het concept van de “vijf domeinen”. |
|
(14) |
Verordening (EU) 2016/429 bevat bepalingen inzake overdraagbare dierziekten om de verspreiding ervan in de Unie te voorkomen. Verordening (EU) 2016/429 heeft dus niet rechtstreeks betrekking op dierenwelzijn. De verspreiding van ziekten heeft echter duidelijk gevolgen voor de gezondheid van dieren, zijnde een van de vijf domeinen. Hoewel deze verordening geen betrekking heeft op de in Verordening (EU) 2016/429 vermelde ziekten, heeft zij betrekking op dierenwelzijn. De verordening heeft betrekking op de gezondheidstoestand van honden en katten in de mate waarin die wordt beïnvloed door niet-overdraagbare ziekten, met inbegrip van verwondingen, zoals trauma’s, en door door aanvallen veroorzaakte bijtwonden bij dieren of mensen, of door niet in de lijst opgenomen ziekten, zoals door parasieten veroorzaakte ziekten, zoals giardiasis en leishmaniose, bacteriële Leptospira-infecties, en huidinfecties zoals dermatofytose en scabiës (sarcoptesschurft). Bovendien kunnen honden en katten agentia zoals resistente bacteriën meedragen die infecties bij de mens kunnen veroorzaken. Aangezien het traceerbaarheidsvereiste twee doelen dient, namelijk het bestrijden van frauduleuze praktijken en illegale handel alsook het beschermen van de volksgezondheid, is het passend het traceerbaarheidsvereiste uit te breiden tot alle eigenaars van honden en katten, met inbegrip van exploitanten, personen die honden en katten in de handel brengen en eigenaars van gezelschapsdieren. |
|
(15) |
Op grond van Verordening (EU) 2016/429 moeten honden en katten met behulp van een transponder worden geïdentificeerd, maar alleen als zij tussen lidstaten worden verplaatst of de Unie binnenkomen. De krachtens die verordening vereiste identificatie is niet volledig geharmoniseerd, aangezien zij geen precieze normen voor transponders bevat. Bovendien verplicht die verordening de lidstaten niet om databanken van honden en katten bij te houden. De voorschriften in deze verordening zijn derhalve bedoeld als aanvulling op die in Verordening (EU) 2016/429 en dupliceren of overlappen deze niet. |
|
(16) |
Deze verordening is gericht op twee elementen. Zij regelt de welzijnsvoorschriften bij het fokken of houden van honden en katten die in de handel worden gebracht. Die welzijnsvoorschriften moeten gericht zijn tot exploitanten van fokbedrijven, verkoopinrichtingen en asielen, alsook tot exploitanten die honden of katten in opvanggezinnen plaatsen en daar voor hen verantwoordelijk zijn. Personen die niet als exploitanten worden beschouwd, mogen niet onder die voorschriften vallen. Daarnaast voorziet deze verordening in voorschriften inzake de traceerbaarheid van honden en katten. Alle personen die een hond of kat bezitten, met inbegrip van exploitanten, eigenaars van gezelschapsdieren en andere natuurlijke personen of rechtspersonen, moeten verplicht worden hun honden en katten te identificeren en hen te registreren in interoperabele nationale databanken die voor dit doel zijn opgezet. Exploitanten of andere natuurlijke personen of rechtspersonen die honden en katten in de handel brengen, moeten verplicht worden dergelijke informatie over de hond of kat te verstrekken wanneer zij deze in de handel brengen. |
|
(17) |
De ontwikkeling en het gebruik van digitale instrumenten op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn biedt tal van voordelen, zoals verbeterde operationele efficiëntie, toegankelijkere en betrouwbaardere gegevensverzameling, aangescherpte traceerbaarheid en beter regelgevend toezicht. Deze verordening omvat meerdere digitale oplossingen die zijn ontworpen om de traceerbaarheid van honden en katten in de hele Unie te verbeteren. Die maatregelen hebben tot doel de aggregatie en doorgifte van relevante gegevens aan de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken en zo de consistente handhaving van deze verordening te waarborgen. De maatregelen zullen de autoriteiten ook helpen nieuwe inzichten te verzamelen en doeltreffender overleg te plegen en fraude te bestrijden. Bovendien zullen zij geïnteresseerde kopers ondersteunen bij het nemen van weloverwogen beslissingen bij de aankoop van een hond of kat. |
|
(18) |
Het in de handel brengen van honden en katten, al dan niet met winstoogmerk, heeft gevolgen voor de interne markt. Om fraude te voorkomen, moet de traceerbaarheid van honden en katten die op de markt van de Unie worden verhandeld, derhalve worden gewaarborgd en moet het houden van honden en katten in fokbedrijven, verkoopinrichtingen, asielen en opvanggezinnen aan gedetailleerde voorschriften worden onderworpen. |
|
(19) |
Om de goede werking van de markt voor honden en katten te waarborgen en bij te dragen tot de rationele ontwikkeling van de sector gezelschapsdieren als geheel, moet deze verordening voorzien in voorschriften voor het fokken, houden en in de handel brengen van honden en katten in de Unie. Die activiteiten gaan gepaard met het regelmatig aanbieden van goederen en diensten op de markt, al dan niet tegen betaling. Het oogmerk om winst te maken en de juridische of economische status van de exploitant zijn niet doorslaggevend. Wat telt, is de professionele of bedrijfsgerelateerde context waarin dergelijke activiteiten worden verricht. De situatie is anders bij het leger en de politie- of douanediensten die honden fokken of houden voor hun eigen officiële gebruik, omdat deze activiteiten niet worden uitgevoerd met het oog op het in de handel brengen ervan. Eigenaars van gezelschapsdieren die incidenteel met onregelmatige tussenpozen een hond of kat doneren zonder deze online te adverteren, mogen niet worden geacht die dieren in de handel te brengen. Dit moet bijvoorbeeld betekenen dat een donatie van maximaal één nest per 24 maanden tussen familieleden of buren voor de toepassing van deze verordening niet wordt beschouwd als in de handel brengen. |
|
(20) |
Het houden van honden en katten namens eigenaars, bijvoorbeeld het in een pension houden van gezelschapsdieren, is een kortstondige en lokale activiteit en heeft geen significante gevolgen voor de markt. Aangezien dergelijke activiteiten geen betrekking hebben op het in de handel brengen, is het niet nodig ze in deze verordening te reguleren. Ook opvangcentra houden geen honden of katten met als doel ze in de handel te brengen. In tegenstelling tot asielen bieden zij noodhuisvesting wanneer een verloren gelopen hond of kat is gevonden, en houden zij deze gedurende een korte periode bij om de eigenaar in staat te stellen deze op te halen. |
|
(21) |
Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad (5) regelt het houden, fokken en leveren van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gehouden, met inbegrip van honden en katten. Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad (6) regelt klinische proeven voor diergeneesmiddelen waarbij dieren, waaronder honden en katten, worden gebruikt. Voor wetenschappelijke doeleinden bestemde of gebruikte honden en katten, en honden en katten die worden gebruikt in klinische proeven die nodig zijn voor de afgifte van een vergunning voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen, moeten daarom van de werkingssfeer van deze verordening worden uitgesloten. Zwerfkatten die vrij rondlopen op en rond boerderijen, dienen vaak een nuttig doel, doordat zij de knaagdierpopulaties op de boerderij onder controle houden. Landbouwers die dergelijke katten voedsel en onderdak verschaffen met het oog op plaagbestrijding, moeten eveneens uitgesloten worden van de werkingssfeer van deze verordening, mits zij geen exploitanten zijn en die katten niet in de handel brengen. |
|
(22) |
Als gevolg van de toepassing van de verordening zullen voor een groot aantal honden en katten voor het eerst gedetailleerde voorschriften inzake dierenwelzijn gelden, zodat zij van betere levensomstandigheden kunnen profiteren. In sommige gevallen zou dit echter tot aanzienlijke kosten voor de exploitanten kunnen leiden. Het potentiële risico op problemen met het welzijn neemt toe naarmate er meer honden of katten gefokt of gehouden worden in een inrichting. In het belang van de evenredigheid moet derhalve daarmee rekening worden gehouden door een onderscheid te maken tussen inrichtingen van verschillende omvang. Ongeacht het aantal gefokte nesten of het aantal gehouden honden of katten moeten alle inrichtingen worden onderworpen aan algemene welzijnsbeginselen en aan bepaalde specifieke welzijnsvoorschriften. Alleen inrichtingen die een bepaald aantal honden of katten houden of in de handel brengen, moeten aan uitgebreidere en gedetailleerdere welzijnsvoorschriften worden onderworpen. Deze aanpak houdt rekening met de financiële lasten die voortvloeien uit de naleving van de uitgebreidere en gedetailleerdere welzijnsvoorschriften, zoals dure structurele investeringen. |
|
(23) |
In deze verordening moeten de drempels worden vastgesteld waarboven fokbedrijven, asielen en opvanggezinnen aan gedetailleerde voorschriften inzake dierenwelzijn onderworpen zijn. Zelfs als de fokactiviteiten binnen huishoudens plaatsvinden, zoals vaak het geval is voor verschillende commerciële fokkers, moeten alle voorschriften inzake dierenwelzijn uit hoofde van deze verordening van toepassing zijn zodra die drempels zijn bereikt. Gezien het uitsluitend commerciële karakter van verkoopinrichtingen is het niet nodig daarvoor drempels vast te stellen en daarom moeten de voorschriften van deze verordening van toepassing zijn op alle verkoopinrichtingen, ongeacht het aantal gehouden honden of katten. |
|
(24) |
Momenteel zijn de materiële omstandigheden in bepaalde soorten verkoopinrichtingen niet geschikt om het welzijn van de honden en katten die zij houden, te waarborgen. Dit is het geval bij sommige dierenwinkels, waar de honden of katten worden gehouden in containers met transparante zijkanten en beperkte ruimte, en, in het geval van honden, zonder passende toegang tot buitenruimtes. Honden en katten in dergelijke inrichtingen worden tentoongesteld aan het grote publiek, waardoor een stressvolle omgeving voor de dieren wordt gecreëerd en het risico op impulsaankopen door bepaalde potentiële consumenten toeneemt. Deze verordening heeft tot doel honden en katten die in verkoopinrichtingen worden gehouden, beter te beschermen door de op hen toepasselijke welzijnsnormen te verbeteren, met name door het houden van honden en katten in containers te verbieden, toegang tot buitenruimtes voor honden verplicht te stellen, en voorschriften inzake minimaal beschikbare ruimte en verplichtingen in te voeren zodat honden en katten met soortgenoten en mensen kunnen socialiseren. Dit moet ervoor zorgen dat, zodra de voorschriften van toepassing zijn, alle verkoopinrichtingen beschikken over structuren en praktijken die het vereiste hoge niveau van dierenwelzijn waarborgen. |
|
(25) |
Hoewel sommige fokbedrijven worden geleid door fokkers met een vergunning die goede normen inzake het beheer van dieren hanteren, zijn een aanzienlijk aantal honden en katten die in de Unie in de handel worden gebracht afkomstig van fokkers op de grijze markt en van fokkers die niet aan de normen voldoen en die het dierenwelzijn van de honden en katten die zij fokken in ontoereikende mate waarborgen. Dit leidt tot oneerlijke concurrentie voor fokkers die hoge normen op het gebied van dierenwelzijn in acht nemen. Daarom moeten er voor de exploitanten van alle fokbedrijven gedetailleerde voorschriften inzake dierenwelzijn worden vastgesteld. |
|
(26) |
Op de markt van de Unie verrichten verschillende soorten exploitanten verschillende soorten activiteiten met betrekking tot het in de handel brengen van honden en katten. Naast commerciële fokkers bestaan er bepaalde verkoopinrichtingen waar doorgaans honden en katten die in andere inrichtingen zijn geboren en gefokt, worden samengebracht en gehouden met het oog op verkoop of verzameling. In sommige gevallen schiet de bescherming van deze honden en katten tekort en voor dergelijke inrichtingen gelden momenteel geen gemeenschappelijke dierenwelzijnsnormen. Aangezien verkoopinrichtingen commerciële exploitanten zijn die honden en katten in de handel brengen, moeten de voorschriften van deze verordening op hen worden toegepast. |
|
(27) |
Exploitanten van asielen zijn particuliere of openbare ondernemingen of non-profitorganisaties die ongewenste honden en katten of zwerfhonden en -katten, of honden en katten die voorheen eigendom van iemand waren en die verloren, in beslag genomen of in de steek gelaten zijn, ophalen en houden. Soms neemt het aantal zwerfhonden en -katten dat in asielen terechtkomt, flink toe als gevolg van ongecontroleerde voortplanting of overmatig fokken. Afhankelijk van hun achtergrond kunnen die honden en katten raszuiver of kruisingen zijn en kunnen ze ook uit nesten komen van honden of katten die zich in het asiel hebben voortgeplant. Asielen kunnen grote aantallen honden en katten houden en ze verkopen of ter adoptie aanbieden of herplaatsen, soms gratis of tegen betaling van de redelijke kosten die zijn gemaakt. |
|
(28) |
Ondanks de verschillen in de activiteiten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen enerzijds en asielen en opvanggezinnen anderzijds, brengen zij allemaal honden en katten in de handel in de Unie. Er is sprake van een zekere overlapping, met name aan de vraagzijde. Wanneer consumenten op zoek zijn naar een hond of kat, kiezen zij ervoor om er een rechtstreeks of via een verkoopinrichting bij een fokker te kopen dan wel er een uit een asiel of opvanggezin te adopteren. Een belangrijke factor bij de keuze voor een hond of kat zijn gedrags- of andere problemen die de hond of kat vertoont doordat deze in slechte welzijnsomstandigheden is gehouden, waardoor deze minder geschikt kan zijn om hem of haar als gezelschapsdier te houden, ongeacht of de hond of kat in een fokbedrijf of een verkoopinrichting is gehouden, of in een asiel of opvanggezin. Aangezien de handel ook door tussenpersonen wordt verricht en grotendeels online plaatsvindt, kan het bovendien mogelijk zijn dat consumenten, voordat zij een hond of kat verwerven, niet weten of het dier afkomstig is uit een asiel, uit een opvanggezin, van een fokker of uit een verkoopinrichting. Het verstrekken van dergelijke informatie kan consumenten helpen om weloverwogen en verantwoorde keuzes te maken. Er zijn aanwijzingen dat het aantal honden en katten dat door asielen in de Unie in de handel wordt gebracht, aanzienlijk is; hiervan is met name sprake bij katten. Er zijn ook aanwijzingen dat in bepaalde lidstaten honden en katten uit asielen worden overgedragen aan eigenaars van gezelschapsdieren in andere lidstaten, wat met name het geval is voor honden. Om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze verordening worden verwezenlijkt, namelijk het waarborgen van de goede werking van de markt voor honden en katten en van de rationele ontwikkeling van de sector waarbij een hoog niveau van dierenwelzijn wordt gegarandeerd, moeten bepaalde voorschriften van deze verordening worden toegepast op asielen waar een bepaald minimumaantal honden of katten wordt gehouden, ongeacht of zij ze in de Unie in de handel brengen tegen betaling, gratis of tegen vergoeding van redelijke kosten. Omwille van de evenredigheid en aangezien asielen en opvanggezinnen andere activiteiten verrichten dan andere exploitanten en een functie van algemeen belang vervullen, mogen bepaalde voorschriften van deze verordening, waaronder specifieke voorschriften inzake minimaal beschikbare ruimte, echter niet van toepassing zijn op asielen en opvanggezinnen. |
|
(29) |
De lidstaten hebben vastgesteld dat er steeds meer een beroep wordt gedaan op opvanggezinnen door exploitanten die verantwoordelijk zijn voor ongewenste, in de steek gelaten, zwervende, verloren gelopen of in beslag genomen honden of katten. Aangezien het aantal honden en katten in opvanggezinnen van invloed kan zijn op de markt voor honden en katten, moeten opvanggezinnen onder deze verordening vallen. Exploitanten die honden of katten in opvanggezinnen plaatsen, moeten ervoor zorgen dat die gezinnen voldoen aan de voorschriften van deze verordening. Dit kan onder meer worden bereikt door het sluiten van een overeenkomst tussen de exploitant en het opvanggezin. |
|
(30) |
Aangezien opvanggezinnen van nature huishoudens zijn met een beperkte capaciteit voor de huisvesting van honden en katten, mogen exploitanten geen groot aantal honden en katten in een afzonderlijk opvanggezin plaatsen. Het is daarom passend het maximumaantal honden en katten vast te stellen dat in één woning mag worden opgevangen. Dat is ook de reden waarom opvanggezinnen alleen aan de algemene welzijnsbeginselen en -voorschriften en slechts aan enkele van de specifieke welzijnsvoorschriften moeten worden onderworpen. |
|
(31) |
Aangezien Verordening (EU) 2017/625 van toepassing is op officiële controles die worden uitgevoerd voor de verificatie van de naleving van de regels op het gebied van dierenwelzijnsvoorschriften, met inbegrip van welzijnsvoorschriften voor honden en katten, zoals die welke in deze verordening zijn vastgesteld, is het passend in deze verordening de definitie van bevoegde autoriteiten van Verordening (EU) 2017/625 te gebruiken om te zorgen voor consistentie met de toepassing van de voorschriften inzake officiële controles op het gebied van dierenwelzijn. |
|
(32) |
Aangezien deze verordening een voorbeeld is van Uniewetgeving op het gebied van dierenwelzijnsvoorschriften als bedoeld in artikel 1, lid 2, punt f), van Verordening (EU) 2017/625, zijn de voorschriften van Verordening (EU) 2017/625 van toepassing naast die welke in deze verordening zijn vastgesteld. De lidstaten hebben met name verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2017/625, waaronder de verplichting om een jaarverslag in te dienen over de officiële controles die zij in het voorgaande jaar hebben uitgevoerd. Die verplichting moet betrekking hebben op officiële controles die worden uitgevoerd voor de verificatie van de naleving van de voorschriften inzake dierenwelzijn en traceerbaarheid met betrekking tot honden en katten. Het in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/723 (7) van de Commissie vastgestelde standaardformulier dat de lidstaten voor die verslaglegging moeten gebruiken, moet worden bijgewerkt om rekening te houden met deze verordening. |
|
(33) |
De “één gezondheid”-benadering kan voor exploitanten een nuttige leidraad zijn bij de uitvoering van de welzijnsvoorschriften uit hoofde van deze verordening. Verordening (EU) 2019/6 bevat een uitgebreide reeks voorschriften om een verstandig gebruik van antimicrobiële stoffen bij dieren te waarborgen. Om de risico’s van antimicrobiële resistentie aan te pakken en tegelijkertijd hoge normen op het gebied van diergezondheid en dierenwelzijn te waarborgen, zijn die voorschriften ook van toepassing op honden en katten die worden gehouden in fokbedrijven, verkoopinrichtingen en asielen. Het is van essentieel belang dat dierenartsen bij hun adviesbezoeken op het gebied van dierenwelzijn rekening houden met die elementen. |
|
(34) |
Er zijn aanwijzingen dat er op het grondgebied van de Unie activiteiten plaatsvinden, soms met een grensoverschrijdend element, die ertoe leiden dat honden en katten aan lichamelijk en geestelijk lijden worden blootgesteld dat, in sommige gevallen, de dood kan veroorzaken. Hondengevechten zijn een noemenswaardig voorbeeld. Deze verordening moet exploitanten verbieden activiteiten uit te oefenen waarbij de honden en katten die zij verzorgen, lijden. |
|
(35) |
Met het oog op een goede handhaving van deze verordening is het van essentieel belang dat de bevoegde autoriteiten kunnen bepalen welke inrichtingen aan hun officiële controles onderworpen zijn. Daarom moeten exploitanten die honden of katten in inrichtingen houden, hun activiteiten melden bij de bevoegde autoriteiten en moeten die bevoegde autoriteiten een register van dergelijke inrichtingen bijhouden. Om de administratieve lasten voor exploitanten tot een minimum te beperken, moeten de bevoegde autoriteiten daartoe gebruikmaken van de informatie of gegevens in het desbetreffende register van inrichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2016/429. |
|
(36) |
Goed opgeleid en vakkundig personeel is van essentieel belang om de welzijnsomstandigheden van dieren in inrichtingen te verbeteren. Dergelijk personeel moet kennis hebben van de basisgedragspatronen en -behoeften van de betrokken soort. Om te voorkomen dat zij lichamelijk en geestelijk lijden bij honden en katten veroorzaken, moeten dierenverzorgers beschikken over de kennis en vaardigheden op het gebied van dierenwelzijn die relevant zijn voor hun taken en voor de honden of katten die zij behandelen. Voor honden en katten omvat een doeltreffende omgang met dieren technieken zoals operante conditionering en positieve bekrachtiging ter bevordering van een stressvrije omgeving. Vaardigheden op het gebied van dierenwelzijn moeten worden verworven door middel van onderwijs, opleiding of beroepservaring. Aangezien asielen vaak afhankelijk zijn van het werk van vrijwilligers en aangezien stagiairs vaak hun praktische opleiding krijgen in die inrichtingen, mag van vrijwilligers en stagiairs in asielen geen formeel onderwijs, opleiding of beroepservaring worden verlangd, mits zij onder toezicht staan van een bevoegde dierenverzorger. |
|
(37) |
Om het welzijn van honden en katten in een inrichting te waarborgen, moet bovendien ten minste één van de verzorgers ervan opleiding krijgen over de voorschriften van deze verordening en, in voorkomend geval, aanvullende nationale voorschriften, en kennis hebben van geactualiseerde wetenschappelijke en technische aanbevelingen. De exploitant moet ervoor zorgen dat de verzorger die de opleiding heeft gevolgd, de verworven kennis verspreidt onder de andere verzorgers in de inrichting. De Commissie moet uitvoeringshandelingen vaststellen om de minimumeisen voor die opleiding vast te leggen. De Commissie heeft de mogelijkheid om uit hoofde van artikel 95 van Verordening (EU) 2017/625 een referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn op te richten met het oog op het verstrekken van technisch en wetenschappelijk advies aan de bevoegde autoriteiten in het kader van hun officiële controles om deze verordening te handhaven. Een dergelijk referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn kan, na coördinatie met de Commissie, aanbevelingen en voorbeelden van opleidingsmateriaal publiceren, in overeenstemming met de in de uitvoeringshandelingen vastgestelde minimumeisen en rekening houdend met de meest recente wetenschappelijke en technische kennis. |
|
(38) |
De bevoegde autoriteiten die ervoor moeten zorgen dat opleidingen beschikbaar en van voldoende kwaliteit zijn, kunnen samenwerken met andere relevante autoriteiten, dierenartsenverenigingen en onderwijsinstellingen om hoogwaardige, wetenschappelijk onderbouwde opleidingsprogramma’s te ontwikkelen. |
|
(39) |
Aangezien dierenwelzijn ook de gezondheid van dieren omvat, zijn dierenartsen het best in staat om exploitanten te adviseren teneinde het dierenwelzijn in inrichtingen te verbeteren. Inrichtingen waar een aantal honden en katten boven een bepaalde drempel wordt gehouden, moeten met het oog op dierenwelzijn daarom in het eerste jaar van toepassing van deze verordening of in het eerste jaar na de kennisgeving van een nieuwe inrichting door een dierenarts worden bezocht. |
|
(40) |
Om welzijnsredenen moet de beëindiging van het leven van honden en katten altijd zodanig worden uitgevoerd dat de betrokken hond of kat zo min mogelijk pijn en angst wordt berokkend. Dierenartsen worden opgeleid om de toestand van dieren te beoordelen en ze zo nodig te euthanaseren. Exploitanten moeten trachten een dierenarts te raadplegen en de dierenarts moet de hond of kat in beginsel euthanaseren met voorafgaande toestemming van de exploitant. De lidstaten moeten kunnen toestaan dat in noodgevallen of bij ongevallen waarbij geen bijstand van een dierenarts beschikbaar is, het leven van de hond of kat wordt beëindigd door een daartoe opgeleide bekwame persoon, op voorwaarde dat de gebruikte methode onmiddellijk werkt. |
|
(41) |
Bepaalde fokstrategieën leiden tot problemen met het welzijn van honden en katten. Door bepaalde genetische kenmerken te selecteren om esthetische of andere commerciële redenen, kunnen ook kenmerken worden gecreëerd en aan toekomstige generaties worden doorgegeven die uit het oogpunt van dierenwelzijn ongewenst zijn. Daarom moeten exploitanten maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat hun fokstrategieën niet leiden tot dergelijke negatieve gevolgen voor het welzijn van honden en katten. Met name fokstrategieën ingegeven door marketingdoelstellingen kunnen tot gevolg hebben dat bepaalde soorten honden en katten “buitensporige conformatiekenmerken” ontwikkelen. Aangezien buitensporige conformatiekenmerken kunnen leiden tot aanzienlijke gezondheidsproblemen voor de betrokken honden en katten, moeten fokkers honden en katten die dergelijke kenmerken vertonen, uitsluiten van fokprogramma’s. |
|
(42) |
Schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden hebben een impact op de marktkansen en prijzen van honden en katten. Verminkingen en bepaalde fokstrategieën die ertoe leiden dat honden of katten buitensporige conformatiekenmerken vertonen, kunnen voordeel opleveren voor fokkers die meedingen in schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden. Bij het organiseren van en deelnemen aan dergelijke shows, tentoonstellingen en wedstrijden kunnen andere factoren dan dierenwelzijn een rol spelen, zoals esthetische normen, en zij kunnen tot doel hebben bepaalde rassen en fysieke kenmerken aan te prijzen. Om ervoor te zorgen dat fokkers voorrang geven aan het welzijn van de honden en katten die zij produceren, en er geen buitensporige conformatiekenmerken bij ontwikkelen of verminkingen op uitvoeren om ongezonde esthetische normen te halen, mogen exploitanten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen en de organisatoren van dergelijke shows, tentoonstellingen en wedstrijden geen honden of katten met buitensporige conformiteitskenmerken of dieren die zijn verminkt gebruiken voor dergelijke shows, tentoonstellingen of wedstrijden of in hun programma opnemen. |
|
(43) |
Uit wetenschappelijke gegevens blijkt dat inteelt een aanzienlijk negatief effect heeft op het welzijn van dieren. De inteelt van honden en katten tussen ouders en nakomelingen, tussen broers en zussen, tussen halfbroers en halfzussen of tussen grootouders en kleinkinderen moet worden verboden, aangezien dit de incidentie van erfelijke aandoeningen verhoogt en de goede werking van het immuunsysteem in gevaar brengt, wat beide negatieve gevolgen heeft voor het welzijn van honden en katten. Inteelt kan echter noodzakelijk zijn om lokale rassen met een beperkte genenpool in stand te houden. Daarom moet de bevoegde autoriteit in dergelijke gevallen toestemming kunnen verlenen. |
|
(44) |
Hybridisatie met wilde soorten mag niet worden aangemoedigd, aangezien hybriden niet zo gedomesticeerd zijn als honden en katten. Daar het bijzonder moeilijk is aan de specifieke gedragsbehoeften van dergelijke hybriden te voldoen en gezien het ongemak of lijden dat hen wordt berokkend, moet het fokken voor de productie van dergelijke hybriden worden verboden. |
|
(45) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft technische en wetenschappelijke bijstand verleend wat betreft verschillende kwesties in verband met huisvesting, gezondheid en pijnlijke procedures die van belang zijn voor honden en katten die in fokbedrijven worden gehouden. Deze verordening houdt rekening met de aanbevelingen van de EFSA betreffende het type huisvesting en beweging, de temperatuur en de verlichting van de huisvesting, en gezondheid en pijnlijke chirurgische ingrepen. |
|
(46) |
Uit wetenschappelijke gegevens blijkt wat het belang is van voederen, drenken, huisvesting, gezondheidszorg, de inachtneming van gedragsbehoeften en het voorkomen van pijnlijke praktijken voor het welzijn van honden en katten. Het is daarom van essentieel belang dat deze aspecten bij het houden van honden en katten in detail worden geregeld. |
|
(47) |
Er is duidelijk wetenschappelijk bewijs dat honden en katten voldoende ruimte moeten hebben om hun natuurlijke gedrag te vertonen en normale sociale interacties te hebben. Dit is niet mogelijk wanneer de dieren opgesloten worden gehouden, en met name wanneer ze in containers worden gehouden. Het houden van honden en katten in containers moet daarom worden verboden, behalve indien dat nodig is voor het vervoer van de dieren of voor de tijdelijke, kortstondige isolatie van individuele honden en katten, voor de duur van de deelname aan shows, tentoonstellingen en wedstrijden, voor puppy’s of kittens die hun lichaamstemperatuur minder goed zelf kunnen regelen of voor puppy’s of kittens met hun moeders, mits stress tot een minimum wordt beperkt, lijden als gevolg van extreme temperaturen wordt vermeden en het dier, in een natuurlijke positie, kan opstaan, zich kan omdraaien en kan liggen. |
|
(48) |
Honden en katten moeten een aangewezen rustplaats krijgen waar zij zich kunnen terugtrekken, kunnen rusten en zich veilig kunnen voelen. De rustplaats moet schoon en droog zijn en moet bijvoorbeeld bedekt zijn met zachte materialen, zoals een mat, deken of andere geschikte materialen om comfort en een goede lichaamsondersteuning te bieden. De rustplaats moet breed genoeg zijn zodat zij, in een natuurlijke positie, kunnen opstaan, zich kunnen omdraaien en kunnen liggen. Alle honden of katten die dezelfde ruimte delen, moeten tegelijkertijd kunnen rusten. |
|
(49) |
Paring, waarbij mannelijke en vrouwelijke dieren op natuurlijke wijze omgang met elkaar hebben, wordt beïnvloed door verschillende factoren, waaronder hormonale cycli, gedrag en tijdstip. Daarom is het fysiek beperken van de bewegingsvrijheid van honden of katten tijdens de paring in strijd met hun natuurlijke gedrag en heeft dit een negatief effect op hun welzijn. Exploitanten mogen honden of katten tijdens de paring niet fysiek in bedwang houden. In plaats daarvan moeten exploitanten andere middelen proberen te vinden om een succesvolle paring te beïnvloeden, zoals het optimaliseren van het tijdstip voor paring. |
|
(50) |
De exploitant kan, op advies van een dierenarts en rekening houdend met de specifieke situatie van een hond of kat, ervoor kiezen de voortplanting met chirurgische of niet-chirurgische middelen onder controle te houden. Om pijn te voorkomen, moet elke chirurgische sterilisatie onder verdoving en met langdurige pijnstilling worden uitgevoerd door een dierenarts of, in het geval van katers, indien de lidstaat dit toestaat, door een erkende dierverpleegkundige. |
|
(51) |
Het gedurende lange perioden vastbinden moet worden verboden, aangezien dit flinke problemen op het gebied van dierenwelzijn met zich mee kan brengen. Het kan in verband worden gebracht met een toegenomen prevalentie van aandoeningen aan het bewegingsapparaat en een onvermogen om comfortabel te liggen of te rusten en zich normaal te gedragen. |
|
(52) |
Het is van groot belang dat honden en katten voldoende ruimte krijgen om aangeboren gedrag te vertonen. Om dezelfde reden mogen containers alleen worden gebruikt in uitzonderlijke omstandigheden, zoals de noodzaak om een agressieve hond of kat kortstondig te isoleren of het vervoer van honden en katten naar een dierenarts. Om het natuurlijke slaap- en waakritme van honden en katten mogelijk te maken, moet hun huisvesting ook toegang bieden tot daglicht, al kan dit waar nodig worden aangevuld met kunstmatige verlichting. Om hun ontwikkeling beter te ondersteunen, kunnen puppy’s vanaf de leeftijd van vijf weken gedurende bepaalde perioden in een beveiligde buitenruimte worden gebracht, rekening houdend met hun individuele behoeften en de weersomstandigheden. Om tegemoet te komen aan hun behoefte om te bewegen, te socialiseren en ander aangeboren gedrag te vertonen, moeten honden ouder dan acht weken naar buiten kunnen. Dergelijke honden moeten dagelijks gedurende een gecombineerde periode van ten minste één uur veilig naar buiten kunnen of worden uitgelaten. |
|
(53) |
Om te voorkomen dat hun welzijn in het gedrang komt, en met name dat zich tijdens de zwangerschap complicaties voordoen, mag met vrouwelijke honden en vrouwelijke katten niet worden gefokt voordat zij rijp zijn. Om fokteven en fokpoezen lichamelijk te laten herstellen van de dracht en het zogen, mogen zij zich pas weer voortplanten na verloop van een voldoende lange periode. Om bepaalde pathologische aandoeningen in verband met de voortplanting bij fokteven en fokpoezen, zoals pyometra, te voorkomen, moeten echter maximaal drie zwangerschappen binnen een periode van twee jaar worden toegestaan, gevolgd door een passende herstelperiode, die ten minste één jaar moet duren voor fokteven en fokpoezen die binnen een periode van twee jaar drie nesten hebben voortgebracht, met inbegrip van doodgeboren nesten van puppy’s of kittens. De voortplanting moet worden afgebouwd naarmate de fokteven en fokpoezen ouder worden en bij fokteven en fokpoezen die twee keizersneden hebben gehad, omdat niet kan worden uitgesloten dat een extra zwangerschap een negatief effect zal hebben op hun welzijn. |
|
(54) |
De bij deze verordening vereiste wijziging van de praktijken met betrekking tot de voortplantingscyclus kan in sommige gevallen een negatief effect hebben op de inkomsten van fokkers van honden en katten doordat het aantal voortgebrachte nesten per jaar afneemt. Daarom moeten fokkers extra tijd krijgen om hun bedrijfsmodellen aan te passen. |
|
(55) |
Het is van essentieel belang dat honden en katten geen bedreiging vormen voor de menselijke veiligheid. Om het risico van agressie naar mensen te beperken, moeten in inrichtingen geboren of gehouden honden en katten op passende wijze worden gesocialiseerd met soortgenoten, met mensen en, indien mogelijk, met andere dieren. Zij moeten worden gehouden in een stimulerende en niet-bedreigende omgeving die uitgerust is met verrijkingen, bijvoorbeeld speeltuigen, die hen de mogelijkheid bieden om te spelen en ander aangeboren gedrag te vertonen. Het scheiden van honden en katten van hun moeder mag niet op een te jonge leeftijd plaatsvinden, aangezien dit bij die dieren ernstige stress in verband met de scheiding en daarmee samenhangende gedragsproblemen kan veroorzaken. Het moet daarom worden verboden, behalve wanneer er medische redenen zijn voor de scheiding. |
|
(56) |
Procedures die tot doel hebben het uiterlijk van honden en katten te veranderen of bepaalde gedragingen te voorkomen, zoals het couperen van oren of staarten, ontklauwen en het verwijderen van stembanden, hebben ernstige negatieve gevolgen voor hun welzijn. Die procedures veroorzaken pijn en verhinderen dat honden en katten aangeboren gedrag vertonen. Daarom mogen deze procedures alleen worden toegestaan indien zij door een dierenarts worden uitgevoerd en alleen wanneer dit om medische redenen noodzakelijk is. Profylactische ingrepen mogen niet worden toegestaan tenzij de dierenarts een medische indicatie vaststelt die een dergelijke ingreep rechtvaardigt. |
|
(57) |
Honden die worden gebruikt door het leger, de politie en de douanediensten spelen een centrale rol in de nationale veiligheid. Om tegemoet te komen aan de specifieke behoeften van het leger, politie- en douanediensten en exploitanten die honden fokken en opleiden voor die autoriteiten, moeten de lidstaten vrijstellingen kunnen verlenen met betrekking tot pijnlijke behandelingen en vastbinden, aangezien dergelijke behandelingen en het vastbinden nodig kunnen zijn tijdens de opleiding van dergelijke honden. Ondanks die vrijstellingen is het belangrijk dat personeel dat in inrichtingen honden opleidt voor het leger of voor politie- en douanediensten, regelmatig wordt opgeleid in passende vaardigheden, zodat zij passende behandelings- en opleidingsmethoden toepassen en pijn bij de honden die zij verzorgen tot een minimum beperken. |
|
(58) |
Om vee te bewaken en te beschermen tegen roofdieren in landbouw- of weidegebieden worden kuddebeschermingshonden gefokt. Dergelijke honden brengen vaak langere perioden buiten door zonder dat er een mens aanwezig is. Vanwege de manier waarop zij worden gebruikt en het bepalende effect daarvan op hun levensomstandigheden, is het soms lastig dergelijke dieren regelmatig te voederen en te inspecteren. Het is vaak moeilijk de voorschriften van deze verordening na te leven die bedoeld zijn om ervoor te zorgen dat aan de huisvestings- en socialisatiebehoeften van dergelijke dieren wordt voldaan. Bovendien worden om de verplaatsing van een kudde te sturen herdershonden gebruikt, die de verantwoordelijke persoon vergezellen. Voor dergelijke honden zijn vrijstellingen van bepaalde voorschriften van deze verordening inzake huisvesting en socialisatie nodig gedurende de periode waarin de seizoensgebonden verweiding van dergelijke kuddes plaatsvindt. |
|
(59) |
Om te waarborgen dat honden en katten naar behoren worden gefokt, gehouden en behandeld voordat zij in de handel worden gebracht, zijn met name de omstandigheden in fokbedrijven van groot belang, in het bijzonder vanwege de gevolgen die slechte omstandigheden op het gebied van dierenwelzijn kunnen hebben voor honden en katten op jonge leeftijd. Het is daarom belangrijk dat fokbedrijven voor honden en katten met een aanzienlijke productiecapaciteit door de bevoegde autoriteiten worden erkend en voorafgaand aan deze erkenning ter plaatse worden geïnspecteerd. Die voorafgaande inspectie door officiële dierenartsen of, indien de officiële controletaak is gedelegeerd, door andere beroepsbeoefenaren, en de daaropvolgende erkenning van die inrichtingen zijn een doeltreffende manier om te waarborgen dat inrichtingen aan de voorschriften van deze verordening voldoen. Aangezien deze inspecties vooral gericht moeten zijn op inrichtingen die vanuit het oogpunt van de naleving van de voorschriften inzake dierenwelzijn een hoger risico vormen, en gezien de beperkte beschikbaarheid van officiële dierenartsen in de lidstaten, zou het echter niet evenredig zijn om voor alle inrichtingen een voorafgaande inspectie ter plaatse en erkenning te eisen. Om potentiële afnemers in staat te stellen de status van de fokbedrijven te verifiëren, en daarmee de publieke controle en het bewustzijn onder burgers te vergroten, is het ook belangrijk dat er een lijst van die erkende inrichtingen openbaar beschikbaar is. Aangezien de fokbedrijven tijd nodig hebben om de voorschriften inzake huisvesting uit te voeren en de bevoegde autoriteiten tijd nodig hebben om inspecties ter plaatse uit te voeren bij bestaande fokbedrijven, moet de erkenningsverplichting voor fokbedrijven op dezelfde datum van toepassing worden als de voorschriften inzake huisvesting. |
|
(60) |
Sommige exploitanten die honden of katten in de handel brengen, sporen potentiële klanten er met emotionele argumenten toe aan tegen elke prijs te kopen en informeren de potentiële eigenaar niet over wat het inhoudt om een hond of kat te bezitten. Andere exploitanten benadrukken de verantwoordelijkheden die het eigenaarschap van een gezelschapsdier met zich meebrengt, wat uiteraard tot gevolg kan hebben dat zij minder honden of katten in de handel brengen in de Unie. Deze verschillen in houding werken doorgaans in het voordeel van de minder verantwoordelijke exploitanten, waardoor er concurrentieverstoringen ontstaan, ondanks het feit dat het informeren van klanten over hun verantwoordelijkheden wanneer zij een hond of kat afnemen van belang is voor het dierenwelzijn en de openbare orde. Het is daarom gerechtvaardigd te eisen dat alle exploitanten die honden of katten in de handel brengen in de Unie, toekomstige eigenaren over hun verantwoordelijkheden informeren. Wanneer het in de handel brengen van een hond of kat door een exploitant wordt vergemakkelijkt met een onlineadvertentie, moet die advertentie bovendien vergezeld gaan van een passende waarschuwing om de boodschap van verantwoord eigenaarschap op doeltreffende wijze over te brengen. Het is belangrijk om verantwoord eigenaarschap van gezelschapsdieren te bevorderen met het oog op de goede werking van de markt en de bescherming van consumenten, en om te voorkomen dat honden en katten in de steek worden gelaten omdat eigenaren van gezelschapsdieren vóór het afnemen van het dier niet op de hoogte waren van de verantwoordelijkheden die het bezitten van een gezelschapsdier met zich meebrengt. Daarom moet de verplichting om in onlineadvertenties voor verkoop, donatie of enige andere vorm van overdracht van eigenaarschap een waarschuwing over verantwoord eigenaarschap te tonen, ook gelden voor andere natuurlijke of rechtspersonen dan exploitanten. Voor de toepassing van deze verordening is de verplichting om de waarschuwing over verantwoord eigenaarschap te tonen, van toepassing op de personen die honden en katten in de handel brengen. Zij beoogt niet in te grijpen in de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting, of in bestaande nationale voorschriften inzake redactionele verantwoordelijkheid die niet op het niveau van de Unie zijn geharmoniseerd. |
|
(61) |
Illegale handel en frauduleuze praktijken in verband met het in de handel brengen in de Unie van honden en katten worden in de hand gewerkt wanneer de dieren niet kunnen worden getraceerd. Deze gebrekkige traceerbaarheid is het gevolg van onvolledige identificatievoorschriften en een gebrek aan registratievoorschriften voor deze dieren. Bovendien worden frauduleuze praktijken in de hand gewerkt wanneer de systemen voor de identificatie en registratie van honden en katten niet geharmoniseerd zijn of niet gemakkelijk kunnen worden gebruikt omdat de technische infrastructuur niet interoperabel is. Zowel het gecoördineerde controleplan van de EU voor de onlineverkoop van honden en katten van 2018 als de in 2022 en 2023 uitgevoerde EU-handhavingsmaatregelen tegen de illegale handel in katten en honden hebben wijdverbreide frauduleuze praktijken bij het in de handel brengen van honden en katten in de Unie aan het licht gebracht, alsook daarmee samenhangende problemen op het gebied van dierenwelzijn. Het is daarom van essentieel belang dat de normen voor de identificatie- en registratiemiddelen worden geharmoniseerd. Door een brede verplichting vast te stellen om honden en katten te identificeren en te registreren, worden mazen in het traceerbaarheidssysteem voorkomen die anders door fraudeurs zouden kunnen worden uitgebuit. Natuurlijke of rechtspersonen die honden of katten in de handel brengen in de Unie moeten bewijzen van identificatie en registratie verstrekken in een van de daartoe door de lidstaten opgezette databanken. Elke volgende verandering van de eigenaar van of de verantwoordelijkheid voor een bepaalde hond of kat moet in een van de databanken worden geregistreerd. Gezien de centrale rol van honden die om overwegingen van nationale veiligheid worden gebruikt door militaire, politie- en douanediensten, moet het de lidstaten worden toegestaan vrijstellingen te verlenen met betrekking tot de registratie van dergelijke honden om te voorkomen dat zij getraceerd kunnen worden tot die diensten. |
|
(62) |
Natuurlijke of rechtspersonen die honden of katten in de handel brengen in de Unie, moeten niet alleen bewijs verstrekken van identificatie door een document te tonen waarop de code van de in de hond of kat geïmplanteerde transponder is vermeld, maar ook bewijs van de registratie van het betreffende dier in een officiële databank. Op deze manier wordt essentiële informatie over het dier doorgegeven aan de nieuwe eigenaar en wordt de traceerbaarheid van het dier gewaarborgd. |
|
(63) |
Aangezien de meeste honden en katten momenteel voor verkoop of voor donatie worden aangeboden door middel van onlineadvertenties, moet de Commissie ervoor zorgen dat er een gratis, openbaar toegankelijk systeem wordt ontwikkeld waarmee afnemers de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van de geadverteerde hond of kat kunnen verifiëren. Daartoe moet de natuurlijke of rechtspersoon die de hond of kat online adverteert, worden verplicht het verificatiesysteem te gebruiken en het door dat systeem gegenereerde token in de advertentie weer te geven. Deze maatregel is bedoeld om fraude beter te kunnen bestrijden door de traceerbaarheid van de oorsprong van honden en katten die in de Unie in de handel worden gebracht, te verbeteren, betere controles door de bevoegde autoriteiten mogelijk te maken en uiteindelijk het welzijn van deze dieren te vergroten. Aanbieders van onlineplatforms moeten zorgvuldig handelen wanneer zij als tussenpersoon optreden bij het in de handel brengen van honden en katten in de Unie. Onverminderd Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad (8) moeten onlineplatforms die advertenties toestaan voor honden en katten met het doel deze in de handel te brengen, daarom worden verplicht hun online-interface zodanig vorm te geven en in te richten dat natuurlijke of rechtspersonen die honden en katten adverteren, het desbetreffende token kunnen tonen en afnemers over het verificatiesysteem kunnen informeren. Dit mag niet neerkomen op een verplichting voor onlineplatforms om algemeen toezicht te houden op de via hun platform aangeboden advertenties, noch op een algemene verplichting tot het verzamelen van informatie om de juistheid van de identificatie en registratie te beoordelen voordat het aanbod wordt gepubliceerd. |
|
(64) |
Aangezien de mate waarin dierenverzorgers zich bewust zijn van dierenwelzijn rechtstreekse gevolgen heeft voor het welzijn van de honden en katten die zij verzorgen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat er voldoende opleiding beschikbaar is, zowel kwantitatief als kwalitatief, om dierenverzorgers in staat te stellen aan de in deze verordening vastgestelde opleidingseisen te voldoen. |
|
(65) |
Om de traceerbaarheid van honden en katten te waarborgen, moeten de dieren niet alleen individueel worden geïdentificeerd met een uniek identificatienummer in de vorm van een transponder, maar moet hun identificatie ook in een databank worden geregistreerd. Daarom moeten de lidstaten worden verplicht databanken op te zetten en bij te houden van honden en katten op hun grondgebied, om de traceerbaarheid van deze dieren te waarborgen. Ook moet de interoperabiliteit van die databanken worden gewaarborgd. Dit zal het gemakkelijker maken om in de hele Unie informatie op te vragen over honden en katten en de bevoegde autoriteiten in staat stellen officiële controles uit te voeren om de naleving van de voorschriften inzake dierenwelzijn te waarborgen. Om interoperabiliteit tussen die nationale databanken te vergemakkelijken, moet de Commissie een indexdatabank opzetten. |
|
(66) |
Om de voortgang van de verbetering van de omstandigheden op het gebied van dierenwelzijn waarin honden en katten in inrichtingen worden gehouden, te beoordelen en om de traceerbaarheid van de dieren te evalueren, moeten de lidstaten belangrijke beleidsindicatoren verzamelen, rapporteren en analyseren. Die belangrijke beleidsindicatoren moeten in het kader van deze verordening worden geharmoniseerd om de vergelijkbaarheid ervan op het niveau van de Unie te waarborgen, en om ervoor te zorgen dat de vorderingen bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van deze verordening in de Unie kunnen worden gemonitord. |
|
(67) |
Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (9) voorziet in voorschriften betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (10) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de lidstaten in de loop van de desbetreffende procedures. De rollen van de Commissie en de lidstaten in verband met de verwerking van persoonsgegevens in gevallen die onder deze verordening vallen, worden duidelijk omschreven om een hoog niveau van gegevensbescherming te waarborgen. |
|
(68) |
Voor de toepassing van deze verordening komen de namen en contactgegevens van natuurlijke personen voor in de documenten die de Commissie en de lidstaten in het kader van de uitvoering van deze verordening verwerken, te weten in de aanmelding en erkenning van inrichtingen, de registratie van honden en katten, de verificatie van de registratie van honden en katten en de invoer van honden en katten. De verwerking van die persoonsgegevens wordt gerechtvaardigd door het algemeen belang van het waarborgen van de naleving van de welzijnsvoorschriften voor honden en katten, waaronder de uitvoering van officiële controles, en het waarborgen van traceerbaarheid, alsook door het voorkomen van de omzeiling van die welzijnsvoorschriften en het bestrijden van illegale handel in honden en katten tussen lidstaten en, in geval van invoer, uit derde landen. |
|
(69) |
De bewaartermijn voor persoonsgegevens in het register van inrichtingen en de lijst van erkende fokbedrijven moet tien jaar bedragen vanaf de datum waarop de activiteiten van een inrichting zijn stopgezet, aangezien de bevoegde autoriteiten toegang moeten hebben tot de geschiedenis van de activiteiten van de exploitant met betrekking tot het fokken, houden en in de handel brengen van honden of katten in de Unie, en op de hoogte moeten zijn van eventuele niet-naleving van de voorschriften inzake dierenwelzijn in het verleden wanneer zij een nieuwe kennisgeving van activiteiten of een verzoek om erkenning ontvangen. |
|
(70) |
De bewaartermijn voor persoonsgegevens van de huidige en vroegere eigenaren van honden of katten in nationale databanken en in de indexdatabank moet vijf jaar vanaf de registratie van de dood van de hond of kat in die databanken of 25 jaar na de eerste registratie van de hond of kat in die databanken bedragen. Die bewaartermijn is bedoeld om de levensverwachting van honden en katten te bestrijken, om ervoor te zorgen dat er een robuust traceerbaarheidssysteem bestaat voor alle honden en katten die in de Unie worden verhandeld, en om gegevens te verstrekken, ook na het overlijden van een bepaalde hond of kat, voor officiële controles op problemen voor het welzijn zoals abnormaal hoge sterftecijfers, waarvoor gegevensanalyse vereist is. |
|
(71) |
De bewaartermijn voor gegevens over eigenaren en gemachtigde personen die de Unie binnenkomen met honden of katten in het kader van niet-commercieel verkeer waarvan vooraf kennis is gegeven in een databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren moet vijf jaar bedragen vanaf de voorafgaande kennisgeving door de eigenaar om de bevoegde autoriteiten in staat te stellen gegevens te analyseren, verdachte verplaatsingen in kaart te brengen en risicogebaseerde officiële controles in te stellen die gericht zijn op potentiële fraudeurs. |
|
(72) |
De bewaartermijn voor de gegevens in het verificatiesysteem van de Unie betreffende natuurlijke of rechtspersonen die een hond of kat adverteren met het doel deze in de handel te brengen en die het verificatiesysteem gebruiken om het vereiste token te genereren, moet 18 maanden na het genereren van het token bedragen, zodat het systeem de authenticiteit kan bevestigen van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van de geadverteerde hond of kat voor afnemers die het systeem gebruiken tijdens de verwachte maximale publicatietijd van de onlineadvertentie. |
|
(73) |
Het is mogelijk dat in de Unie ingevoerde honden en katten in derde landen zijn gefokt of werden gehouden onder omstandigheden die schadelijk waren voor het welzijn van de dieren. Dit geeft aanleiding tot publieke morele bezorgdheden en levert risico’s op voor de veiligheid, de diergezondheid en de volksgezondheid in de Unie. De burgers van de Unie zijn van mening dat een hoog niveau van welzijn van honden en katten een kwestie van morele verantwoordelijkheid is, zoals blijkt uit de resultaten van de Eurobarometer 2023 over dierenwelzijn, evenals uit de uitgebreide correspondentie en de talrijke verzoekschriften die het Europees Parlement over deze kwestie heeft ontvangen, de vele parlementaire vragen die over dit onderwerp zijn gesteld en de Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2020 over het beschermen van de interne markt van de EU en van de rechten van consumenten tegen de negatieve gevolgen van de illegale handel in gezelschapsdieren, alsook het verbod van de Unie op het in de handel brengen en invoeren van honden- en kattenbont en producten die dergelijk bont bevatten. Bovendien maken problemen voor het leven en de gezondheid van dieren deel uit van problemen op het gebied van dierenwelzijn. Uitputting, cachexie en vatbaarheid voor infectieziekten kunnen bijvoorbeeld het gevolg zijn van het te intensieve gebruik van vrouwelijke honden of katten voor fokactiviteiten die niet voldoen aan de welzijnsbehoeften van deze dieren. Tot slot kunnen slechte omstandigheden op het gebied van welzijn leiden tot risico’s voor de volksgezondheid, waaronder een toename van de incidentie van zoönoseverwekkers zoals dermatofytose of inwendige parasieten, en een indirect verhoogd risico op de ontwikkeling van antimicrobiële resistentie doordat in de inrichting van oorsprong grote hoeveelheden antimicrobiële stoffen moeten worden gebruikt. Honden en katten die onder slechte omstandigheden op het gebied van welzijn worden gefokt, kunnen ook een risico vormen voor de openbare veiligheid, aangezien zij als gevolg daarvan agressief gedrag kunnen ontwikkelen. Gezien deze publieke morele zorgen, en de veiligheid, de risico’s voor de diergezondheid en de volksgezondheid, en met het oog op de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, is het belangrijk dat exploitanten die betrokken zijn bij de invoer van honden en katten uit derde landen voldoen aan voorschriften inzake het welzijn van die dieren die identiek of gelijkwaardig zijn aan de voorschriften van deze verordening en die dezelfde garanties bieden met betrekking tot de traceerbaarheid van de dieren. Aangezien dit betekent dat exploitanten uit derde landen die betrokken zijn bij de uitvoer van honden en katten naar de Unie, veranderingen moeten doorvoeren, moet worden voorzien in een overgangsperiode van dezelfde duur als die welke van toepassing is op exploitanten in de Unie. |
|
(74) |
Om ervoor te zorgen dat de voorschriften inzake invoer naar behoren worden nageleefd, moet de Commissie een lijst opstellen van derde landen die honden en katten in de handel mogen brengen in de Unie op basis van haar beoordeling van de betrouwbaarheid van de officiële controles in die landen, met het oog op de handhaving van de voorschriften inzake dierenwelzijn uit hoofde van deze verordening of van voorschriften die door de Unie als gelijkwaardig zijn erkend, die van toepassing zijn op inrichtingen op het grondgebied van deze landen die honden en katten naar de Unie uitvoeren of voornemens zijn dit te doen. Daarnaast moet er een lijst worden opgesteld van inrichtingen die honden en katten fokken en houden in de betreffende derde landen en die de dieren naar de Unie mogen uitvoeren, om de traceerbaarheid te waarborgen en controles aan grenscontroleposten van de Unie te vergemakkelijken. De Commissie moet, met behulp van een risicogebaseerde aanpak, audits uitvoeren van de betrouwbaarheid van de systemen voor officiële controles van derde landen die krachtens deze verordening zijn goedgekeurd, alsook van derde landen die hebben verzocht op grond van deze verordening te worden goedgekeurd. De naleving van de desbetreffende voorschriften van deze verordening of van voorschriften die door de Unie als gelijkwaardig zijn erkend, moet worden gecertificeerd in het desbetreffende gezondheidscertificaat dat voor dergelijke uitvoer wordt gebruikt. Daartoe moet de Commissie zich inspannen om het desbetreffende model van het officiële certificaat te wijzigen en daarin de verklaring inzake dierenwelzijn op te nemen. |
|
(75) |
Om de consumentenbescherming te verbeteren en de goede traceerbaarheid van in de Unie ingevoerde honden en katten te waarborgen, is het wenselijk in deze verordening te eisen dat de dieren vóór binnenkomst in de Unie worden geïdentificeerd en dat de invoerders van de dieren ervoor zorgen dat de dieren in een van de databanken van de lidstaten worden geregistreerd. Dit zal resulteren in beter toezicht op de verplaatsingen van die dieren. Voorts hebben de in 2022 en 2023 uitgevoerde gecoördineerde EU-maatregelen tegen de illegale handel in katten en honden aangetoond dat een van de gangbare frauduleuze praktijken bij de handel in honden en katten erin bestaat voor de handel bestemde honden en katten in de Unie in te voeren onder het voorwendsel dat het om niet-commercieel verkeer gaat, als gedefinieerd in de voorschriften inzake diergezondheid van de Unie, namelijk verkeer van honden en katten die met hun eigenaar of een door de eigenaar gemachtigd persoon reizen die niet voornemens is het eigenaarschap over te dragen. Om de lidstaten de middelen te geven om risicogebaseerde controles uit te voeren om deze frauduleuze praktijk aan te pakken, is het van essentieel belang dat de als niet-commercieel verkeer aangemerkte binnenkomst in de Unie van honden en katten, ongeacht het aantal dieren, vooraf wordt gemeld via een speciale databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren. In die databank moeten meldingen worden verzameld van de binnenkomst in de Unie van al die dieren, ongeacht de plaats van binnenkomst, zodat de lidstaten het nodige overzicht hebben en verdachte verplaatsingen in kaart kunnen brengen. Daarom is het aangewezen dat de Commissie deze databank opricht en beheert, zodat de lidstaten met het oog op hun controleactiviteiten toegang hebben tot alle beschikbare informatie. De lidstaten moeten gebruikmaken van de in de databank verzamelde informatie en, in voorkomend geval, gerichte controles uitvoeren van verdachte verplaatsingen, waaronder, indien nodig, controles ter plaatse. |
|
(76) |
Om deze verordening doeltreffend uit te voeren, worden de lidstaten ertoe aangespoord campagnes te voeren om het bewustzijn van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen te vergroten, waaronder campagnes die gericht zijn op natuurlijke of rechtspersonen die honden of katten bezitten en potentiële afnemers van honden of katten. Die campagnes kunnen betrekking hebben op de verplichting om honden en katten overeenkomstig deze verordening te identificeren en te registreren, de voorschriften inzake de inhoud van advertenties voor de verkoop van of de overdracht van het eigenaarschap van of de verantwoordelijkheid voor honden of katten, alsook de redenen voor verificatie door het systeem van de authenticiteit van onlineadvertenties, de technische kenmerken van het systeem en de wijze waarop het moet worden gebruikt. De campagnes zouden betrekking kunnen hebben op de redenen voor waarschuwingen over verantwoord eigenaarschap, en het concept van verantwoord eigenaarschap uitleggen, met inbegrip van het belang van het niet in de steek laten van honden of katten. De Commissie moet de uitwisseling van beste praktijken met betrekking tot dergelijke bewustmakingsactiviteiten vergemakkelijken. In verschillende lidstaten bestaan er sterilisatieprogramma’s voor honden en katten ter beperking van de ongecontroleerde voortplanting van zwerfhonden en -katten. In die lidstaten worden bewustmakingscampagnes over deze programma’s gevoerd. Ondoeltreffende sterilisatieprogramma’s kunnen ertoe leiden dat er meer dieren in de steek worden gelaten. Als de populaties van zwerfdieren bovendien onvoldoende worden beheerd, kan dit ertoe leiden dat meer honden en katten in de Unie in de handel worden gebracht. Nationale campagnes over sterilisatieprogramma’s kunnen worden geïntegreerd in de bewustmakingscampagne over de in deze verordening vastgestelde verplichtingen, om verantwoord eigenaarschap te stimuleren en de druk op de markt voor honden en katten te verminderen. |
|
(77) |
Teneinde rekening te houden met de technische vooruitgang en, de wetenschappelijke ontwikkelingen, met name de adviezen van EFSA, en de sociale, economische en milieueffecten daarvan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door indicatoren vast te stellen met betrekking tot het gedrag en het uiterlijk van honden en katten door de kenmerken te specifiëren van genotypen, evenals de buitensporige conformatiekenmerken die ertoe zouden moeten leiden dat een hond of kat van de voorplanting wordt uitgesloten, zodat fokstrategieën niet leiden tot schadelijke gevolgen voor de gezondheid of het welzijn van honden en katten. In het kader van schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden moeten de gedelegeerde handelingen, rekening houdend met zowel het wetenschappelijk advies van EFSA als de specifieke sociale en economische omstandigheden in de sector, blijk geven van een progressieve en evenwichtige benadering om een evenredige en praktisch haalbare toepassing te waarborgen. |
|
(78) |
Teneinde de minimumcriteria neer te leggen die tijdens bezoeken in het kader van dierenwelzijn moeten worden beoordeeld, en om rekening te houden met de technische vooruitgang en de wetenschappelijke ontwikkelingen, en de sociale, economische en milieueffecten daarvan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ter aanvulling van artikel 10 van deze verordening en tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening wat betreft de voorschriften voor het fokken, houden en identificeren van honden en katten, alsook wat betreft indicatoren voor het monitoren van de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (11). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(79) |
Aan de Commissie moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van:
Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12). |
|
(80) |
De meningen van burgers over het welzijn van honden en katten lopen in de lidstaten uiteen. In sommige lidstaten is reeds een uitvoerig pakket voorschriften vastgesteld inzake het welzijn van deze dieren. Aangezien in deze verordening minimumvoorschriften worden vastgesteld, is het daarom passend dat het de lidstaten wordt toegestaan strengere nationale voorschriften voor een uitgebreidere bescherming van honden en katten te handhaven of vast te stellen dan de voorschriften die in deze verordening zijn vastgesteld, mits die nationale voorschriften geen afbreuk doen aan de goede werking van de interne markt. |
|
(81) |
De lidstaten moeten de Commissie in kennis stellen van nationale voorschriften die strenger zijn dan de in deze verordening vastgestelde voorschriften. De Commissie moet die voorschriften meedelen aan de overige lidstaten. Indien nationale voorschriften binnen het toepassingsgebied van Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad (13) vallen, moet de Commissie overeenkomstig die richtlijn van die voorschriften in kennis worden gesteld. |
|
(82) |
Het is van essentieel belang dat het Unierecht regelmatig wordt gemonitord en geëvalueerd, zodat het waar nodig kan worden bijgewerkt opdat het zijn doelstellingen kan blijven verwezenlijken. Daarom moet in deze verordening een verplichting voor de Commissie worden opgenomen om het welzijn van honden en katten in de Unie te monitoren en een evaluatie uit te voeren die aan andere instellingen van de Unie moet worden voorgelegd. |
|
(83) |
Om de volledige toepassing van deze verordening te verzekeren, moeten de lidstaten voorschriften vaststellen inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op deze verordening die alle verplichtingen bestrijken die voor exploitanten gelden, waaronder het verbod op het in de steek laten van honden en katten, en ervoor zorgen dat deze worden toegepast. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Met name in geval van ernstige of herhaalde inbreuken moeten de lidstaten sancties vaststellen die financieel afschrikkend zijn, rekening houdend met de omzet van de exploitant, en die de mogelijkheid omvatten om een exploitant te verbieden zijn activiteiten uit te oefenen. |
|
(84) |
Gezien de kosten van de exploitatie van een asiel en de publieke voordelen van die activiteit, worden de lidstaten ertoe aangespoord om, wanneer asielen voldoen aan de voorschriften van deze verordening inzake het welzijn van ongewenste en in de steek gelaten honden en katten of zwerfhonden en -katten, te overwegen maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat asielen en organisaties die verantwoordelijk zijn voor die dieren naar behoren worden gefinancierd overeenkomstig het nationale recht. |
|
(85) |
Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het vaststellen van geharmoniseerde minimumvoorschriften die de goede werking van de interne markt en tegelijkertijd een hoog niveau van welzijn van honden en katten alsook de traceerbaarheid van die dieren waarborgen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken. |
|
(86) |
Overeenkomstig artikel 57, lid 1, punt g), van Verordening (EU) 2018/1725 is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, en op 18 november 2024 heeft hij een advies uitgebracht, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
Onderwerp, werkingssfeer en definities
Artikel 1
Onderwerp
In deze verordening worden de minimumeisen vastgesteld voor:
|
a) |
het welzijn van honden en katten die in inrichtingen worden gefokt of gehouden of in de Unie in de handel worden gebracht; |
|
b) |
de traceerbaarheid van honden en katten. |
Artikel 2
Materiële werkingssfeer
1. Deze verordening is van toepassing op het fokken, houden, traceren, in de handel brengen en binnenbrengen in de Unie van honden en katten.
2. Deze verordening is niet van toepassing op het fokken, houden, in de handel brengen of binnenbrengen in de Unie van honden of katten die bestemd zijn of worden gebruikt voor wetenschappelijke doeleinden of voor klinische proeven die nodig zijn voor de afgifte van een vergunning voor het in de handel brengen van diergeneesmiddelen.
Artikel 3
Personele werkingssfeer
1. Hoofdstuk II is van toepassing op alle exploitanten.
2. Hoofdstuk III is van toepassing op alle natuurlijke en rechtspersonen die eigenaar zijn van honden of katten in de Unie.
3. Hoofdstuk V is van toepassing op alle natuurlijke en rechtspersonen die honden of katten de Unie binnenbrengen.
4. Deze verordening is niet van toepassing op landbouwers die op hun bedrijf toevlucht bieden aan zwerfkatten die vrij rondlopen en die nuttig zijn voor plaagbestrijding, mits die landbouwers geen exploitanten zijn en die katten niet in de handel brengen.
Artikel 4
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
|
a) |
“hond”: een dier van de soort Canis lupus familiaris; |
|
b) |
“kat”: een dier van de soort Felis silvestris catus; |
|
c) |
“welzijn van honden en katten”: de lichamelijke en geestelijke toestand van een hond of kat die passende voeding krijgt, in een geschikte omgeving wordt gehouden, in goede gezondheid wordt gehouden, passend gedrag vertoont en over het algemeen een positieve mentale levenservaring heeft; |
|
d) |
“hybride”: een nakomeling van de eerste tot en met de vierde generatie na kruising tussen een wilde diersoort en een gedomesticeerde hond of kat, of tussen een dergelijke hybride en een wilde diersoort, een gedomesticeerde hond of kat, of een andere hybride; |
|
e) |
“fokken”: het houden van honden of katten in fokbedrijven met het oog op voortplanting; |
|
f) |
“houden”: elke activiteit waarbij honden of katten in een inrichting of onder de verantwoordelijkheid van een exploitant, of beide, worden gehouden, gehuisvest of behandeld; |
|
g) |
“in de handel brengen”: de verkoop, het te koop aanbieden, de distributie of enige andere vorm van overdracht van het eigenaarschap van of de verantwoordelijkheid voor honden of katten, al dan niet tegen betaling, alsook het adverteren van honden of katten voor die doeleinden, met uitzondering van incidentele donaties met onregelmatige tussenpozen door andere natuurlijke personen dan exploitanten zonder onlineadvertenties; |
|
h) |
“advertentie”: elke vorm van communicatie met het publiek of een deel daarvan die direct of indirect tot gevolg heeft dat een hond of kat, een of meer fysieke kenmerken daarvan of een bepaald ras onder de aandacht wordt gebracht om belangstelling te wekken, betrokkenheid uit te lokken of afnemers aan te trekken; |
|
i) |
“onlineplatform”: een onlineplatform zoals gedefinieerd in artikel 3, punt i), van Verordening (EU) 2022/2065, dat optreedt als tussenpersoon bij het in de handel brengen van honden of katten; |
|
j) |
“fokteef”: een vrouwelijke hond vanaf het moment dat zij voor het eerst wordt gedekt of geïnsemineerd tot het moment dat zij haar laatste nest heeft gespeend; |
|
k) |
“fokpoes”: een vrouwelijke kat vanaf het moment dat zij voor het eerst wordt gedekt of geïnsemineerd tot het moment dat zij haar laatste nest heeft gespeend; |
|
l) |
“kuddebeschermingshond”: een hond die hoofdzakelijk wordt gehouden of getraind om in een landbouw- of herdersomgeving vee te beschermen tegen roofdieren; |
|
m) |
“herdershond”: een hond die hoofdzakelijk wordt gehouden of getraind om in een landbouw- of herdersomgeving, met inbegrip van landbouwbedrijven en weilanden, of tijdens de verweiding vee te drijven, te verplaatsen of anderszins te hoeden; |
|
n) |
“inrichting”: een fokbedrijf, verkoopinrichting, asiel of opvanggezin; |
|
o) |
“fokbedrijf”: een ruimte of structuur, met inbegrip van huishoudens, waar honden of katten worden gehouden met het oog op voortplanting, met als doel hun nakomelingen in de handel te brengen; |
|
p) |
“landbouwer”: een landbouwer zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 1, van Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad (14); |
|
q) |
“verkoopinrichting”: een ruimte of structuur waar honden of katten die niet in de betreffende ruimte of structuur zijn geboren, worden gehouden met het oog op verkoop, met inbegrip van dierenwinkels of huishoudens, alsook verzamelruimtes of -structuren, waar honden of katten uit meer dan één inrichting worden samengebracht; |
|
r) |
“asiel”: een ruimte of structuur, met inbegrip van huishoudens, waar ongewenste, in de steek gelaten, verloren, in beslag genomen of voorheen zwervende honden of katten worden gehouden met het oog op het in de handel brengen ervan; |
|
s) |
“opvanggezin”: een huishouden dat honden of katten houdt namens een exploitant die verantwoordelijk is voor ongewenste, in de steek gelaten, verloren, in beslag genomen of voorheen zwervende honden of katten; |
|
t) |
“exploitant”: een natuurlijke of rechtspersoon die honden of katten in de handel brengt en verantwoordelijk is voor een fokbedrijf, verkoopinrichting of asiel en voor de honden of katten die daar worden gehouden, of een natuurlijke of rechtspersoon die honden of katten in opvanggezinnen plaatst en verantwoordelijk is voor de honden of katten die daar worden gehouden; |
|
u) |
“bevoegde autoriteiten”: bevoegde autoriteiten zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 3, van Verordening (EU) 2017/625; |
|
v) |
“fokstrategie”: een reeks systematische verrichtingen, waaronder het registreren, selecteren, fokken en uitwisselen van fokhonden of -katten en levende producten daarvan, die worden vormgegeven en uitgevoerd met het oog op de instandhouding of de verbetering van gewenste fenotypische of genotypische eigenschappen in de beoogde fokpopulatie; |
|
w) |
“euthanaseren”: de handeling van het teweegbrengen van de dood bij een hond of kat door middel van een methode die een snel en onomkeerbaar bewustzijnsverlies veroorzaakt met een minimum aan pijn en angst, en het leven van de hond of kat beëindigt; |
|
x) |
“verminking”: een ingreep, met inbegrip van chirurgische ingrepen, die wordt uitgevoerd om andere redenen dan voor therapeutische of diagnostische doeleinden, met uitzondering van sterilisatie of de implantatie van een transponder, die leidt tot letsel aan of verlies van een gevoelig deel van het lichaam of wijziging van de botstructuur van een hond of een kat; |
|
y) |
“sterilisatie”: het onomkeerbare proces waarmee chirurgisch wordt voorkomen dat honden of katten zich voortplanten; |
|
z) |
“lijden”: een onaangename, ongewenste lichamelijke of geestelijke toestand als gevolg van het feit dat een hond of kat aan schadelijke prikkels wordt blootgesteld of voortdurend geen belangrijke positieve prikkels ervaart; |
|
aa) |
“huisvesting”: een gebouw of afgebakende buitenruimte in een inrichting waar honden of katten tijdelijk of permanent worden gehouden; |
|
bb) |
“hondenkennel”: een fysieke structuur met een of meer omsloten ruimte voor het huisvesten van honden; |
|
cc) |
“kattenkennel”: een fysieke structuur met een of meer omsloten ruimte voor het huisvesten van katten; |
|
dd) |
“dierenverzorger”: een persoon die, onder de verantwoordelijkheid van een exploitant, zorgt voor de honden of katten die in een inrichting worden gefokt of gehouden, met inbegrip van vrijwilligers, stagiairs en deeltijdwerkers; |
|
ee) |
“verrijking”: materialen of structuren in de omgeving van een hond of kat die het dier bezighouden of voedzaam zijn en waarmee nieuwsgierigheid, door eetlust gemotiveerd gedrag of lichamelijke motivatie kan worden gestimuleerd en bevredigd; |
|
ff) |
“vastbinden”: het vastmaken van een hond of kat aan een ankerpunt of voorwerp om het in een gewenste zone te houden of om de bewegingen van het dier te beperken; |
|
gg) |
“container”: een krat, bak, kooi, houder of verplaatsbare constructie die wordt gebruikt om honden of katten in op te sluiten; |
|
hh) |
“verantwoord eigenaarschap”: gedragingen van de eigenaar of toekomstige eigenaar van een hond of kat die stroken met de verbintenis om verschillende taken uit te voeren die erop gericht zijn aan de gezondheids-, gedrags-, omgevings- en lichamelijke behoeften van de hond of kat te voldoen en de risico’s die de hond of kat met zich mee kan brengen voor de gemeenschap, andere dieren of het milieu, tot een minimum te beperken; |
|
ii) |
“eigenaar van een gezelschapsdier”: een natuurlijke of rechtspersoon die een hond of kat bezit als gezelschapsdier; |
|
jj) |
“gezelschapsdier”: een hond of kat die wordt gehouden voor persoonlijk plezier of om mensen gezelschap te houden; |
|
kk) |
“systeem voor snelle waarschuwingen” (iRASFF): het elektronisch systeem ter uitvoering van het in artikel 50 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (15) beschreven systeem voor snelle waarschuwingen en de in artikel 102 tot en met 108 van Verordening (EU) 2017/625 beschreven procedures voor administratieve bijstand en samenwerking tussen de lidstaten; |
|
ll) |
“AAC-netwerk”: het netwerk dat bestaat uit de Commissie en de overeenkomstig artikel 103, lid 1, van Verordening (EU) 2017/625 door de lidstaten aangewezen verbindingsorganen voor het vergemakkelijken van de uitwisseling van mededelingen tussen de bevoegde autoriteiten; |
|
mm) |
“niet-commercieel verkeer”: niet-commercieel verkeer zoals gedefinieerd in artikel 4, punt 14, van Verordening (EU) 2016/429, waarbij het betrokken gezelschapsdier een hond of kat is. |
HOOFDSTUK II
Verplichtingen voor exploitanten van inrichtingen
Artikel 5
Vrijstellingen van de in dit hoofdstuk vastgestelde verplichtingen
1. Een fokbedrijf waar per kalenderjaar niet meer dan twee nesten worden geproduceerd om in de handel te worden gebracht, is alleen onderworpen aan de verplichtingen van artikel 6, artikel 7, leden 1, 3, 4 en 5, de artikelen 8, 9 en 11, artikel 14, leden 2, 3 en 4, artikel 15, leden 3, 4 en 8, artikel 16, lid 1, punten b), c) en d), artikel 17, leden 2, 3, 5 en 7, artikel 18, artikel 19, lid 1, en bijlage I, punten 3 en 4.3.
2. Een asiel waarin te allen tijde niet meer dan 15 honden of katten worden gehouden, of een opvanggezin, is alleen onderworpen aan de verplichtingen van artikel 6, artikel 7, leden 1, 2, 3, 4 en 5, artikel 9, artikel 11, artikel 14, leden 2, 3 en 4, artikel 15, leden 3, 4 en 8, artikel 16, lid 1, punten a), b), c) en d), artikel 17, leden 2, 3, 5 en 7, artikel 18 en bijlage I, punt 4.3.
Artikel 6
Algemene welzijnsbeginselen
Exploitanten passen de volgende algemene welzijnsbeginselen toe met betrekking tot honden of katten die in hun inrichting worden gefokt of gehouden:
|
a) |
honden en katten krijgen water en voeder van een kwaliteit en in een hoeveelheid waarmee een passende voedings- en hydratatietoestand wordt gewaarborgd; |
|
b) |
honden en katten worden gehouden in een passende fysieke omgeving die regelmatig wordt schoongemaakt en die veilig en comfortabel is, met name wat betreft ruimte, luchtkwaliteit, temperatuur, licht en bescherming tegen ongunstige klimaatomstandigheden, en die groot genoeg is om overbezetting te voorkomen en de dieren bewegingsvrijheid te bieden; |
|
c) |
honden en katten worden veilig, schoon en in goede gezondheid gehouden, en ziekten, verwondingen en pijn, met name als gevolg van beheers-, behandelings- en fokpraktijken, worden voorkomen; |
|
d) |
honden en katten worden gehouden in een omgeving waarin zij soortspecifiek en niet-schadelijk sociaal gedrag kunnen vertonen en positieve relaties met mensen kunnen aangaan; |
|
e) |
honden en katten worden zodanig gehouden dat hun geestelijke toestand zo optimaal mogelijk is door negatieve prikkels te voorkomen of de duur en de intensiteit ervan te verminderen, en door de mogelijkheden voor het ervaren van positieve prikkels qua duur en intensiteit te maximaliseren, de ontwikkeling van abnormaal repetitief gedrag of ander gedrag dat wijst op negatief dierenwelzijn te voorkomen, en rekening te houden met de behoeften van de individuele hond of kat op de in punten a) tot en met d) genoemde domeinen. |
Artikel 7
Verplichtingen inzake het algemene welzijn
1. Exploitanten zijn verantwoordelijk voor het welzijn van honden en katten die worden gehouden in onder hun verantwoordelijkheid vallende inrichtingen, en voor het beperken van eventuele risico’s voor het welzijn van die dieren.
2. In het geval van opvanggezinnen rust de verantwoordelijkheid bij de exploitant namens wie honden of katten worden gehouden. Dergelijke exploitanten brengen op geen enkel moment meer dan vijf honden of katten, of één nest, al dan niet met de moeder, in een opvanggezin onder, verstrekken het opvanggezin adequate informatie over de verplichtingen inzake dierenwelzijn, alsook over de individuele behoeften van de honden of katten, en zorgen ervoor dat de relevante verplichtingen van deze verordening door het opvanggezin worden nageleefd.
De lidstaat waar het opvanggezin zich bevindt, kan toestaan dat een groter aantal honden, katten of nesten in het opvanggezin wordt ondergebracht, mits de ruimten van het opvanggezin, met inbegrip van eventuele buitenruimten, groot genoeg zijn en er in het opvanggezin voldoende dierenverzorgers zijn om het welzijn van de honden of katten te waarborgen.
3. Exploitanten onderwerpen honden of katten niet aan wreedheid, misbruik of mishandeling door de dieren bijvoorbeeld te laten deelnemen aan activiteiten die naar alle waarschijnlijkheid zullen leiden tot wreedheid, misbruik of mishandeling van de honden of katten die door de exploitant worden gefokt of gehouden.
4. Exploitanten laten de honden of katten die zij fokken of houden, niet in de steek.
5. Voordat exploitanten hun activiteiten in een inrichting stopzetten, zorgen zij ervoor dat de honden of katten die daar worden gehouden, elders worden ondergebracht, hetzij door zelf de eigenaar van de hond of kat te worden, hetzij door de verantwoordelijkheid voor of het eigenaarschap van de honden en katten over te dragen aan andere exploitanten of afnemers.
6. Exploitanten zorgen ervoor dat honden en katten worden behandeld door een aantal dierenverzorgers dat volstaat om te voldoen aan de welzijnsbehoeften van de honden of katten die in hun inrichtingen worden gehouden, en dat die verzorgers over de krachtens artikel 12 vereiste competenties beschikken.
7. Exploitanten zien toe op het welzijn van de honden en katten waarvoor zij verantwoordelijk zijn door diergebonden indicatoren met betrekking tot gedrag en uiterlijk te monitoren, en maatregelen te nemen op basis van de resultaten van die monitoring.
8. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met de diergebonden indicatoren met betrekking tot gedrag en uiterlijk die exploitanten moeten gebruiken voor de monitoring overeenkomstig lid 7 van dit artikel, alsook met de methoden met behulp waarvan exploitanten deze moeten meten.
Artikel 8
Verplichtingen inzake fokstrategieën
1. Exploitanten van fokbedrijven zorgen ervoor dat hun fokstrategieën het risico op het produceren van honden of katten met genotypen die in verband worden gebracht met schadelijke gevolgen voor de gezondheid en het welzijn van die dieren, tot een minimum beperken.
2. Exploitanten van fokbedrijven gebruiken voor de voortplanting geen honden of katten met buitensporige conformatiekenmerken die een hoog risico op schadelijke gevolgen voor het welzijn van die honden of katten of hun nakomelingen met zich meebrengen. Alvorens een hond of kat die een buitensporig conformatiekenmerk kan hebben te selecteren om mee te fokken, raadpleegt de exploitant een dierenarts of een onafhankelijk gekwalificeerd persoon die onder de verantwoordelijkheid van een dierenarts handelt. Die dierenarts of onafhankelijk gekwalificeerd persoon beoordeelt of de hond of kat een buitensporig conformatiekenmerk heeft.
3. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze verordening door:
|
a) |
de kenmerken te bepalen van de in lid 1 van dit artikel bedoelde genotypen die van voortplanting moeten worden uitgesloten, alsook de methoden om deze te beoordelen en de documentatievoorschriften; |
|
b) |
de in lid 2 van dit artikel bedoelde buitensporige conformatiekenmerken te bepalen die van voortplanting moeten worden uitgesloten, alsook de methoden om deze te beoordelen en de documentatievoorschriften. |
Bij het vaststellen van deze gedelegeerde handelingen houdt de Commissie rekening met de wetenschappelijke adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en met de sociale en economische effecten van de gedelegeerde handelingen.
De gedelegeerde handelingen betreffende de buitensporige conformatiekenmerken worden uiterlijk op 30 juni 2030 vastgesteld. De gedelegeerde handelingen betreffende de genotypen worden uiterlijk op 30 juni 2036 vastgesteld.
4. Bij het beheer van de voortplanting van honden en katten is het volgende verboden:
|
a) |
het fokken met ouders en nakomelingen, broers en zussen, halfbroers en halfzussen of met grootouders en kleinkinderen, tenzij dit door de bevoegde autoriteit is toegelaten op grond van een specifieke noodzaak om lokale rassen met een beperkte genenpool in stand te houden; |
|
b) |
het fokken met als doel hybriden te produceren. |
Artikel 9
Kennisgeving en registratie van inrichtingen
1. Exploitanten stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van hun activiteiten en verstrekken daarbij voor elk van hun inrichtingen ten minste de volgende informatie:
|
a) |
de naam, het adres en de contactgegevens van de exploitant; |
|
b) |
de locatie van de inrichting; |
|
c) |
het soort inrichting: fokbedrijf, verkoopinrichting, asiel of opvanggezin; |
|
d) |
de soort en, voor fokbedrijven, het ras van de in de inrichting gehouden honden of katten; |
|
e) |
de capaciteit van de inrichting, uitgedrukt als het maximumaantal honden en katten dat in de inrichting kan worden gehouden; |
|
f) |
voor fokbedrijven, het geraamde aantal nesten dat per jaar in de handel zal worden gebracht. |
2. Exploitanten stellen de bevoegde autoriteit in kennis van:
|
a) |
wijzigingen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde informatie; |
|
b) |
in voorkomend geval, de geplande datum van de stopzetting van hun activiteiten, uiterlijk vijf werkdagen vóór die datum. |
3. De lidstaten maken gebruik van de overeenkomstig artikel 84 van Verordening (EU) 2016/429 verstrekte informatie. Exploitanten zijn niet verplicht de reeds overeenkomstig dat artikel verstrekte informatie opnieuw te verstrekken.
4. De bevoegde autoriteit houdt een register van inrichtingen bij. De bevoegde autoriteit kan daartoe gebruikmaken van het op grond van artikel 101, lid 1, punt a), van Verordening (EU) 2016/429 aangelegde register.
Artikel 10
Verplichting om een erkenning te verkrijgen voor bepaalde fokbedrijven
1. Exploitanten van fokbedrijven die meer dan vijf nesten per kalenderjaar produceren of van plan zijn meer dan vijf nesten per kalenderjaar te produceren, of die op enig moment meer dan vijf fokteven of fokpoezen houden, mogen honden of katten alleen in de handel brengen nadat hun fokbedrijf door de bevoegde autoriteit is erkend.
2. De bevoegde autoriteit voert inspecties ter plaatse uit om na te gaan of het fokbedrijf aan de voorschriften van deze verordening voldoet. De lidstaten kunnen toestaan dat dergelijke inspecties op afstand worden uitgevoerd, mits de gebruikte techniek voor communicatie op afstand de bevoegde autoriteit voldoende bewijsmateriaal verschaft om betrouwbare inspecties uit te voeren. De bevoegde autoriteit verleent certificaten van erkenning enkel aan fokbedrijven die aan de voorschriften van deze verordening voldoen.
3. De bevoegde autoriteit houdt een openbaar toegankelijke lijst bij die voor elk erkend fokbedrijf de volgende informatie bevat:
|
a) |
de naam, de contactgegevens en, indien beschikbaar, de URL van de website van de inrichting; |
|
b) |
het adres van de inrichting; |
|
c) |
de naam van de exploitant; |
|
d) |
de soorten en, in voorkomend geval, de rassen die verband houden met de erkende activiteiten van de inrichting; |
|
e) |
het unieke erkenningsnummer dat aan de inrichting is toegewezen door de bevoegde autoriteit en de datum van de erkenning en van de stopzetting van de activiteiten. |
Artikel 11
Verplichting om informatie te verstrekken over verantwoord eigenaarschap
1. Exploitanten verstrekken de verkrijger van een hond of kat de schriftelijke informatie die nodig is om hem of haar in staat te stellen het welzijn van het dier te waarborgen, met inbegrip van informatie over verantwoord eigenaarschap, en over de specifieke behoeften van het dier op het gebied van voeding, zorg, gezondheid en huisvesting, alsook informatie over de gedragsbehoeften en de gezondheidsgeschiedenis van het dier.
2. De in lid 1 bedoelde schriftelijke informatie over de gezondheidsgeschiedenis van de hond of kat omvat ten minste:
|
a) |
de vaccinatiestatus van het dier; |
|
b) |
medische aandoeningen of predisposities voor ziekten, met inbegrip van allergieën, waarvan de exploitant kennis heeft, en alle resultaten van diagnostische tests voor de hond of kat waarover de exploitant beschikt. |
Indien de informatie over de gezondheidsgeschiedenis van de hond of kat is uiteengezet in een krachtens Verordening (EU) 2016/429 vereist document, verstrekt de exploitant dat document aan de verkrijger.
Artikel 12
Competenties van dierenverzorgers op het gebied van dierenwelzijn
1. Dierenverzorgers, met uitzondering van vrijwilligers in asielen en stagiairs die onder de verantwoordelijkheid van een bevoegde dierenverzorger handelen, beschikken over de volgende competenties met betrekking tot de honden en katten waarvoor zij zorgen:
|
a) |
inzicht in het biologische gedrag en de fysiologische en ethologische behoeften van de dieren; |
|
b) |
het vermogen om de uitingen van de dieren, met inbegrip van tekenen van lijden, te herkennen en in dergelijke gevallen de passende risicobeperkende maatregelen vast te stellen en te nemen; |
|
c) |
het vermogen om goede praktijken op het gebied van het beheer van dieren toe te passen, met inbegrip van operante conditionering en positieve bekrachtiging, de apparatuur te gebruiken en te onderhouden die wordt gebruikt voor de honden en katten die zij verzorgen en eventuele risico’s voor het welzijn van die honden en katten tot een minimum te beperken, waardoor wordt voorkomen dat zij lijden; |
|
d) |
kennis van de verplichtingen van de verzorgers uit hoofde van deze verordening. |
2. De in lid 1 bedoelde competenties kunnen worden verworven door middel van onderwijs, opleiding of beroepservaring. Om te bepalen of een dierenverzorger over die competenties beschikt, wordt alleen rekening gehouden met gedocumenteerd onderwijs of gedocumenteerde opleiding of beroepservaring.
3. Exploitanten zorgen ervoor dat ten minste één dierenverzorger, die geen vrijwilliger of stagiair is, van de inrichting de in artikel 22 bedoelde opleidingen heeft gevolgd. Exploitanten zorgen ervoor dat die dierenverzorger zijn of haar kennis overdraagt op de andere dierenverzorgers in de inrichting.
4. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met minimumeisen met betrekking tot het formele onderwijs of de opleiding of beroepservaring die in lid 2 wordt bedoeld, die nodig is om te bepalen of een dierenverzorger over de in lid 1 bedoelde competenties beschikt, en met betrekking tot de in lid 3 bedoelde opleidingen.
De uitvoeringshandeling met betrekking tot de in lid 3 bedoelde opleidingen wordt uiterlijk 31 augustus 2029 vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 13
Adviesbezoeken in het kader van welzijn
1. Exploitanten:
|
a) |
zorgen ervoor dat de onder hun verantwoordelijkheid vallende inrichtingen door een dierenarts worden bezocht, zodat deze de risicofactoren voor het welzijn van de honden of katten in kaart kan brengen en kan beoordelen en de exploitant kan adviseren over maatregelen om die risico’s in eerste instantie aan te pakken, en dit uiterlijk 31 augustus 2029 of één jaar na de kennisgeving van een nieuwe inrichting, en daarna wanneer passend, op basis van een risicoanalyse door de bevoegde autoriteiten, of op jaarlijkse basis indien de lidstaten dat in hun nationale recht bepalen; |
|
b) |
bewaren de documentatie over de bevindingen van het bezoek van de dierenarts zoals bedoeld in punt a) en over hun follow-upmaatregelen gedurende ten minste vier jaar vanaf de dag van het bezoek, en stellen die documentatie op verzoek ter beschikking van de bevoegde autoriteiten, alsook van de dierenartsen die de volgende adviesbezoeken uitvoeren. |
2. Uiterlijk op 31 augustus 2028 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast om dit artikel aan te vullen met de minimumcriteria die door de dierenarts tijdens het adviesbezoek in het kader van welzijn moeten worden beoordeeld.
Artikel 14
Voederen en drenken
1. Exploitanten zorgen ervoor dat honden en katten worden gevoederd overeenkomstig de voorschriften van bijlage I, punt 1.
2. Daarnaast zorgen exploitanten ervoor dat honden en katten naar behoren worden gevoederd en gedrenkt door te voorzien in:
|
a) |
onbeperkt schoon en vers water; |
|
b) |
voldoende voeder van voldoende kwaliteit om aan de fysiologische, voedings- en metabole behoeften van de honden en katten te voldoen, in het kader van een dieet dat is aangepast aan de leeftijd, het ras, de categorie, het activiteitsniveau, de gezondheids- en reproductieve toestand van de honden of katten, met als algemeen doel een goede gezondheid te bereiken en te behouden; |
|
c) |
voeder dat vrij is van stoffen die lijden kunnen veroorzaken; |
|
d) |
voeder op zodanige wijze dat abrupte veranderingen worden voorkomen en een goede werking van het maag-darmkanaal wordt gegarandeerd, met name tijdens het spenen. |
3. Exploitanten zorgen ervoor dat voeder- en watervoorzieningen schoon worden gehouden en zodanig worden gebouwd en geïnstalleerd dat:
|
a) |
zij alle honden of katten gelijke toegang bieden tot voldoende voeder en water en de concurrentie tussen de dieren tot een minimum wordt beperkt; |
|
b) |
morsen tot een minimum wordt beperkt en verontreiniging van voeder en water met schadelijke fysische, chemische of biologische verontreinigingen wordt voorkomen; |
|
c) |
verwondingen, verdrinking of ander letsel bij honden of katten worden voorkomen; |
|
d) |
zij gemakkelijk kunnen worden gereinigd en ontsmet om de verspreiding van ziekten te voorkomen. |
4. Indien een dierenarts dit schriftelijk adviseert, kunnen de exploitanten de frequentie van het voeren en drenken voor een individuele hond of kat aanpassen. De exploitanten houden gedurende de gehele duur van deze regeling dat schriftelijke advies bij.
Artikel 15
Huisvesting
1. Exploitanten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen zorgen ervoor dat honden en katten worden gehuisvest overeenkomstig bijlage I, punt 2. Exploitanten van asielen zorgen ervoor dat honden en katten worden gehuisvest overeenkomstig bijlage I, punt 2.2.
2. Exploitanten zorgen ervoor dat:
|
a) |
de inrichtingen waar honden of katten worden gehouden en de daarin gebruikte apparatuur geschikt zijn voor het aantal en de soorten honden of katten, en dat de inrichtingen de noodzakelijke toegang tot alle honden en katten bieden en een grondige inspectie van alle honden en katten mogelijk maken; |
|
b) |
alle bouwonderdelen van de inrichting, met inbegrip van vloeren, daken en ruimteverdelers, alsmede de voor honden of katten gebruikte uitrusting, naar behoren worden gebouwd en onderhouden, om ervoor te zorgen dat zij geen risico’s voor het welzijn van de honden of katten veroorzaken; |
|
c) |
alle bouwonderdelen van de inrichting, met inbegrip van vloeren en ruimteverdelers, alsook de voor honden of katten gebruikte uitrusting, schoon worden gehouden om ervoor te zorgen dat zij geen risico’s voor het welzijn van de honden of katten veroorzaken; |
|
d) |
in fokbedrijven en verkoopinrichtingen waar honden en katten binnen worden gehouden, de stofconcentraties, de temperatuur en de relatieve luchtvochtigheid en gasconcentraties niet schadelijk zijn voor honden of katten en er voldoende ventilatie is om oververhitting te voorkomen; |
|
e) |
honden of katten over voldoende ruimte beschikken om zich vrij te kunnen bewegen en om naar behoefte soortspecifiek gedrag te vertonen, met de mogelijkheid om zich terug te trekken en te rusten; |
|
f) |
honden of katten beschikken over schone, comfortabele en droge rustplaatsen die groot en talrijk genoeg zijn om ervoor te zorgen dat zij allemaal tegelijkertijd in een natuurlijke positie kunnen liggen en rusten; |
|
g) |
er passende structuren en maatregelen voorhanden zijn voor honden of katten die buiten worden gehouden, om hen te beschermen tegen slechte weersomstandigheden, waaronder om hittestress, verbranding door de zon en bevriezingsverschijnselen te voorkomen. |
3. Exploitanten houden geen honden of katten in containers.
Containers mogen echter worden gebruikt voor vervoer, voor de kortstondige isolatie van individuele honden of katten, voor de duur van de deelname aan shows, tentoonstellingen en wedstrijden, voor puppy’s of kittens die hun lichaamstemperatuur minder goed zelf kunnen regelen of voor puppy’s of kittens met hun moeders, mits stress tot een minimum wordt beperkt en lijden wordt vermeden voor de honden of katten in kwestie, en zij, in een natuurlijke positie, kunnen opstaan, zich kunnen omdraaien en kunnen liggen.
4. Exploitanten houden honden ouder dan acht weken niet uitsluitend binnen. Dergelijke honden moeten dagelijks toegang hebben tot een buitenruimte of moeten dagelijks uitgelaten worden, zodat zij kunnen bewegen, verkennen en socialiseren. De gecombineerde minimumduur van die dagelijkse toegang of wandeling bedraagt in totaal één uur. Exploitanten mogen alleen van die vereisten afwijken op basis van het schriftelijke advies van een dierenarts.
5. Wanneer katten in kattenkennels worden gehouden, moeten exploitanten individuele omsloten ruimten zodanig ontwerpen en bouwen dat de katten zich vrij kunnen bewegen en hun natuurlijke gedrag kunnen vertonen.
6. Exploitanten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen zorgen ervoor dat er in de binnenruimten waar de honden en katten worden gehouden, een geschikte thermisch neutrale zone wordt gehandhaafd waarbij rekening wordt gehouden met hun soort vacht, leeftijd, grootte, ras en gezondheid.
7. Exploitanten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen maken zo nodig gebruik van verwarmings- of koelsystemen in de omsloten binnenruimten van hun inrichtingen om een goede luchtkwaliteit en passende temperatuur te handhaven, en overmatig vocht te verwijderen.
8. Exploitanten zorgen ervoor dat honden of katten aan licht worden blootgesteld en gedurende voldoende ononderbroken perioden in het donker kunnen blijven om een normaal circadiaans ritme te handhaven.
Voor de toepassing van de eerste alinea wordt onder “licht” verstaan daglicht, dat indien nodig, als gevolg van de klimatologische omstandigheden en de geografische ligging van een lidstaat, aangevuld wordt met kunstmatig licht.
9. Lid 2, punten a), b), c), f) en g), en de leden 6, 7 en 8 zijn niet van toepassing op kuddebeschermingshonden, noch op herdershonden, gedurende de perioden waarin deze honden worden gebruikt als kuddebeschermings- of herdershond in het kader van seizoensgebonden verweiding te voet. Lid 2, punt f), is niet van toepassing op kuddebeschermingshonden tijdens perioden waarin die honden worden ingezet voor trainingsdoeleinden.
Artikel 16
Gezondheid
1. Exploitanten zorgen ervoor dat:
|
a) |
honden of katten die onder hun verantwoordelijkheid vallen, ten minste eenmaal per dag door dierenverzorgers worden geïnspecteerd, en kwetsbare honden en katten, zoals jongen, zieke of gewonde honden en katten, en peri-partumfokteven en -fokpoezen vaker worden geïnspecteerd; |
|
b) |
honden of katten die geschaad welzijn vertonen, zo nodig onverwijld worden afgezonderd en indien nodig een passende behandeling krijgen; |
|
c) |
wanneer het herstel van een hond of kat die geschaad welzijn vertoont niet mogelijk is en de hond of kat hevige pijn heeft of ernstig lijdt, wordt onverwijld een dierenarts geraadpleegd om te beslissen of de hond of kat moet worden geëuthanaseerd om een einde te maken aan het lijden, en, als dat het geval is, de euthanasie uit te voeren door gebruik te maken van verdoving of pijnstilling; |
|
d) |
er maatregelen worden genomen om uitwendige en inwendige parasieten te voorkomen en te bestrijden en er vaccins worden toegediend ter voorkoming van veelvoorkomende ziekten waaraan honden of katten waarschijnlijk zullen worden blootgesteld; |
|
e) |
verrijkingsmateriaal dat wordt gebruikt geen ernstig risico van verwondingen, biologische of chemische verontreiniging of eventuele andere gezondheidsrisico’s oplevert voor honden of katten. |
Punt a) van de eerste alinea is niet van toepassing op kuddebeschermingshonden die in fokbedrijven worden gehouden tijdens perioden waarin die honden worden ingezet voor waak- of trainingsdoeleinden.
De lidstaten kunnen vrijstellingen van punt c) van de eerste alinea verlenen in noodgevallen, wanneer er niet onverwijld een dierenarts kan worden bereikt, op voorwaarde dat er nationale voorschriften worden vastgesteld om ervoor te zorgen dat:
|
i) |
elke onmiddellijke actie waarbij het leven van de hond of kat met zo weinig mogelijk pijn en lijden wordt beëindigd met behulp van een methode die onmiddellijk tot de dood leidt, wordt uitgevoerd door een daartoe opgeleide bekwame persoon; |
|
ii) |
de exploitant, met het oog op de officiële controle uit hoofde van Verordening (EU) 2017/625, een register bijhoudt van het gebruik van de vrijstelling. |
2. Exploitanten van fokbedrijven zorgen ervoor dat:
|
a) |
er maatregelen worden genomen om de gezondheid van honden en katten te beschermen overeenkomstig bijlage I, punt 3; |
|
b) |
er alleen met fokteven of fokpoezen wordt gefokt als zij een minimumleeftijd en skeletrijpheid hebben bereikt overeenkomstig bijlage I, punt 3, en zij geen gediagnosticeerde ziekte hebben, geen klinische tekenen van ziekten vertonen of lichamelijke aandoeningen hebben die negatieve gevolgen kunnen hebben voor hun zwangerschap en welzijn; |
|
c) |
de zwangerschappen van fokteven of fokpoezen waarbij een nest wordt voortgebracht, een maximale frequentie hebben, overeenkomstig bijlage I, punt 3; |
|
d) |
zogende fokpoezen niet worden gedekt of geïnsemineerd; |
|
e) |
honden en katten die niet langer voor de voortplanting worden gebruikt, ook niet als gevolg van de bepalingen van deze verordening, gehouden, verkocht of weggegeven worden of een nieuwe thuis krijgen, en niet gedood of in de steek gelaten worden. |
Artikel 17
Gedragsbehoeften
1. Exploitanten zorgen ervoor dat er maatregelen worden genomen om aan de gedragsbehoeften van honden en katten te voldoen overeenkomstig bijlage I, punt 4.
2. Exploitanten houden honden of katten bovendien niet in ruimten waar hun natuurlijke bewegingen worden beperkt, behalve in gevallen waarin artikel 15, lid 3, tweede alinea, van toepassing is, of voor het uitvoeren van de volgende procedures of behandelingen:
|
a) |
lichamelijke onderzoeken; |
|
b) |
de individuele identificatie van honden of katten, of het lezen van dergelijke identificatiegegevens; |
|
c) |
het nemen van monsters en het toedienen van vaccinaties; |
|
d) |
procedures met het oog op verzorging, hygiëne, gezondheid of voortplanting, met uitzondering van paring; |
|
e) |
medische behandelingen, met inbegrip van chirurgische behandelingen of voorgeschreven revalidatie. |
3. Het is verboden om dieren gedurende meer dan één uur vast te binden, behalve voor de duur van een medische behandeling of voor deelname aan shows, tentoonstellingen en wedstrijden voor honden of katten.
4. De lidstaten kunnen vrijstellingen van lid 3 toestaan voor honden die bestemd zijn om door het leger, de politie of de douanediensten te worden ingezet en die in fokbedrijven of verkoopinrichtingen worden gehouden.
5. Exploitanten zorgen ervoor dat honden of katten in omstandigheden worden gehouden waarin zij niet-schadelijk sociaal gedrag en soortspecifiek gedrag kunnen vertonen en positieve emoties kunnen ervaren.
6. Exploitanten zorgen ervoor dat honden of katten kunnen socialiseren overeenkomstig bijlage I, punt 4. Exploitanten van fokbedrijven zorgen voor een gedocumenteerde strategie voor die socialisering.
In afwijking van de eerste alinea zijn de socialiseringsvereisten niet van toepassing op kuddebeschermingshonden die in fokbedrijven worden gehouden tijdens perioden waarin die honden worden ingezet voor waak- of trainingsdoeleinden, of herdershonden tijdens seizoensgebonden verweiding.
7. Exploitanten zorgen ervoor dat verrijkingsmateriaal beschikbaar en toegankelijk is voor alle honden of katten, waardoor een stimulerende omgeving wordt gecreëerd voor hen en zij in staat worden gesteld soortspecifiek gedrag te ontwikkelen en te vertonen en hun frustratie wordt verminderd.
Artikel 18
Pijnlijke praktijken
1. Exploitanten zorgen ervoor dat verminkingen, met inbegrip van het couperen van oren en staarten, het verwijderen van klauwen of het anderszins gedeeltelijk of volledig amputeren van tenen en het verwijderen van stembanden, niet worden uitgevoerd tenzij dit gerechtvaardigd is vanwege medische indicaties. Die medische indicaties kunnen profylactisch zijn, met als enige doel om de gezondheid van honden of katten te behouden of te verbeteren, of verwondingen te voorkomen. In dergelijke gevallen mag de procedure alleen onder verdoving en met langdurige pijnstilling worden uitgevoerd, en alleen door een dierenarts.
2. De medische indicaties om de verminking te rechtvaardigen en de details van de uitgevoerde procedure worden door een dierenarts gedocumenteerd. Dat document wordt door de exploitant bewaard en wordt meegegeven met de hond of kat wanneer het dier aan een andere inrichting of eigenaar wordt overgedragen. De exploitant houdt gedurende de eerste drie jaar na die overdracht een kopie bij van het document.
3. In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten het couperen van kattenoren door inkeping of verwijdering van de punt toestaan bij het merken van zwerfkatten wanneer zij worden gesteriliseerd in het kader van programma’s voor het vangen, steriliseren en opnieuw vrijlaten van katten.
4. Exploitanten zorgen ervoor dat het steriliseren alleen onder verdoving en met langdurige pijnstilling wordt uitgevoerd, en alleen door een dierenarts. De lidstaten kunnen evenwel toestaan dat de sterilisatie van mannelijke katten wordt uitgevoerd door een erkende dierverpleegkundige.
5. Exploitanten zorgen ervoor dat behandelingen die pijn of lijden veroorzaken, niet worden uitgevoerd, met inbegrip van:
|
a) |
het vastbinden van lichaamsdelen, tenzij dit noodzakelijk is om medische redenen en beperkt blijft tot de minimaal noodzakelijke periode; |
|
b) |
het schoppen, slaan, meeslepen, gooien of knijpen van honden of katten; |
|
c) |
het toepassen van elektrische stroom op honden of katten, tenzij om medische redenen; |
|
d) |
het gebruik van muilkorven, tenzij dit noodzakelijk is om medische redenen of om redenen in verband met de veiligheid van mens of dier, beperkt blijft tot de minimaal noodzakelijke periode en gedurende welke de hond of kat onder toezicht staat; |
|
e) |
het gebruik van prikhalsbanden; |
|
f) |
het gebruik van wurghalsbanden zonder veiligheidsstop; |
|
g) |
het optillen van honden of katten aan de ledematen, de kop, de oren, de staart of het haar, of het optillen van volwassen honden of katten aan de huid. |
De lidstaten kunnen afwijkingen van de eerste alinea toestaan voor honden die bestemd zijn om door het leger, de politie of de douanediensten te worden ingezet.
Artikel 19
Schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden
1. Bij schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden voor honden en katten gebruiken exploitanten van fokbedrijven en verkoopinrichtingen geen honden of katten met buitensporige conformatiekenmerken, of honden of katten die zodanig zijn verminkt dat hun fysieke kenmerken zijn gewijzigd.
2. Bij het organiseren van schoonheidsshows, -tentoonstellingen en -wedstrijden voor honden en katten sluiten de organisatoren honden en katten met buitensporige conformatiekenmerken of honden of katten die zodanig zijn verminkt dat de fysieke kenmerken zijn gewijzigd, uit.
HOOFDSTUK III
Identificatie en registratie van honden en katten en vereisten inzake onlineadvertenties en het online in de handel brengen
Artikel 20
Identificatie en registratie van honden en katten
1. Alle honden en katten die worden gehouden in inrichtingen, die in de handel worden gebracht of die eigendom zijn van eigenaren van gezelschapsdieren of andere natuurlijke of rechtspersonen, worden individueel geïdentificeerd door middel van een enkele injecteerbare transponder met een leesbare microchip die voldoet aan de in bijlage II vastgestelde voorwaarden.
2. Exploitanten zorgen ervoor dat honden en katten die in hun inrichtingen zijn geboren, binnen drie maanden na hun geboorte en in elk geval vóór de datum waarop zij in de handel worden gebracht, individueel worden geïdentificeerd.
Exploitanten van verkoopinrichtingen en asielen en exploitanten die honden en katten in opvanggezinnen plaatsen en verantwoordelijk zijn voor honden en katten in opvanggezinnen, zorgen ervoor dat de honden en katten die hun inrichtingen binnenkomen of onder hun verantwoordelijkheid vallen, binnen de dertig dagen na hun aankomst, en in elk geval vóór de datum waarop zij in de handel worden gebracht, individueel worden geïdentificeerd.
Eigenaren van gezelschapsdieren en andere natuurlijke of rechtspersonen dan exploitanten die honden of katten bezitten, zorgen ervoor dat elke hond of kat uiterlijk bij het bereiken van de leeftijd van drie maanden of, indien de hond of kat in de handel wordt gebracht, vóór de datum waarop die in de handel wordt gebracht, individueel wordt geïdentificeerd.
De transponder wordt door een dierenarts geïmplanteerd. De lidstaten kunnen andere personen dan dierenartsen toestaan transponders in te planten, mits zij nationale voorschriften vaststellen die voorzien in de minimumkwalificaties die dergelijke personen dienen te hebben.
Indien honden en katten die vóór 31 augustus 2028 individueel zijn geïdentificeerd door middel van een injecteerbare transponder met een microchip overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, worden zij geacht te voldoen aan de voorschriften van lid 1 en de eerste, tweede, derde en vierde alinea van dit lid, mits de microchip nog steeds leesbaar is.
3. Binnen twee werkdagen na hun identificatie worden de honden en katten door een dierenarts geregistreerd in een nationale databank als bedoeld in artikel 23. De lidstaten kunnen registratie door andere personen dan dierenartsen toestaan, mits zij maatregelen hebben genomen om te waarborgen dat de informatie die die personen in de databank invoeren juist is. Voor in inrichtingen gehouden honden en katten wordt de registratie gedaan op naam van de exploitant van de inrichting die verantwoordelijk is voor de hond of kat. Voor honden of katten die eigendom zijn van andere natuurlijke of rechtspersonen wordt de registratie gedaan op naam van die personen.
De lidstaten kunnen vrijstellingen van de eerste alinea van dit lid toestaan voor honden die bestemd zijn om door het leger, de politie of de douanediensten te worden ingezet.
4. Wanneer honden of katten in de handel worden gebracht of incidenteel met onregelmatige tussenpozen door natuurlijke personen worden gedoneerd zonder gebruik te maken van onlineadvertenties, zorgt de natuurlijke of rechtspersoon die het eigenaarschap van of de verantwoordelijkheid voor de hond of kat overdraagt ervoor dat de verandering van eigenaarschap van of verantwoordelijkheid voor de hond of kat binnen twee weken na de datum van die overdracht wordt geregistreerd in de in artikel 23 bedoelde databank, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld door de voor die databank verantwoordelijke lidstaat.
5. Wanneer een hond of kat sterft, zorgt de exploitant, eigenaar van het gezelschapsdier of natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van de hond of de kat ervoor dat de dood van het dier wordt geregistreerd in de in artikel 23 bedoelde databank, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld door de voor die databank verantwoordelijke lidstaat.
6. Wanneer een transponder onleesbaar is of wordt, zorgt de exploitant of de natuurlijke of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de hond of kat ervoor dat een nieuwe transponder wordt geïnjecteerd en dat de registratie in de databank wordt geactualiseerd met het identificatienummer van die nieuwe transponder.
7. De identificatie- en registratievoorschriften van dit artikel gelden als volgt:
|
a) |
voor exploitanten en natuurlijke of rechtspersonen die honden en katten in de handel brengen: vanaf 31 augustus 2030; |
|
b) |
voor eigenaren van gezelschapsdieren en andere natuurlijke en rechtspersonen dan exploitanten, die geen honden in de handel brengen: vanaf 31 augustus 2036; |
|
c) |
voor eigenaren van gezelschapsdieren en andere natuurlijke en rechtspersonen dan exploitanten, die geen katten in de handel brengen: vanaf 31 augustus 2041. |
Artikel 21
Vereisten inzake onlineadvertenties en het online in de handel brengen
1. Wanneer exploitanten een hond of een kat online adverteren om deze in de Unie in de handel te brengen, zorgen zij ervoor dat de volgende waarschuwing duidelijk zichtbaar en met vetgedrukte letters wordt weergegeven in de advertentie:
“Een dier is geen speelgoed. Er een aanschaffen is een beslissing die uw leven verandert. Het is uw plicht om te zorgen voor de gezondheid en het welzijn van het dier en het niet in de steek te laten.”.
2. Wanneer andere natuurlijke of rechtspersonen dan exploitanten een hond of een kat online adverteren om deze in de Unie in de handel te brengen, zorgen zij ervoor dat een waarschuwing over verantwoord eigenaarschap wordt opgenomen in de advertentie, door gebruik te maken van de in de in lid 1 uiteengezette formulering dan wel in een andere formulering met dezelfde betekenis.
3. Wanneer een hond of kat in de Unie in de handel wordt gebracht, verstrekt de natuurlijke of rechtspersoon die de hond of kat in de handel brengt, aan de verkrijger:
|
a) |
bewijs van de identificatie en registratie van de hond of kat overeenkomstig artikel 20; |
|
b) |
de volgende informatie over de hond of kat:
|
Wanneer een natuurlijke of rechtspersoon een hond of kat online adverteert om deze in de Unie in de handel te brengen, maakt deze persoon gebruik van het in lid 5 bedoelde systeem om een uniek verificatietoken te genereren. Die persoon neemt dat token op in de advertentie, samen met een weblink naar het in lid 5 bedoelde systeem.
Het in lid 5 bedoelde systeem stelt de verkrijgers in staat de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van honden of katten die online worden geadverteerd, te verifiëren.
4. Overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) 2022/2065, zorgen aanbieders van onlineplatforms ervoor dat hun online-interface zodanig is ontworpen en georganiseerd dat deze naleving door de exploitanten of andere natuurlijke of rechtspersonen die honden of katten in de handel brengen van hun verplichtingen uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 van dit artikel vergemakkelijkt, en informeren zij afnemers op zichtbare wijze over de mogelijkheid om de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van de hond of kat te verifiëren in het in lid 5 van dit artikel bedoelde online verificatiesysteem dat via een weblink toegankelijk is.
Alleen de natuurlijke of rechtspersoon die honden of katten in de handel brengt, is verantwoordelijk voor de nauwkeurigheid van de informatie die via de interface van het onlineplatform wordt verstrekt. Niets in dit lid mag worden uitgelegd als een algemene verplichting tot monitoring voor de aanbieder van het onlineplatform in de zin van artikel 8 van Verordening (EU) 2022/2065.
5. De Commissie zorgt ervoor dat er een online verificatiesysteem voor geautomatiseerde controles van de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van honden of katten die online worden geadverteerd met gebruikmaking van de in artikel 23 bedoelde databank kosteloos openbaar beschikbaar is online en een in lid 3, tweede alinea, van dit artikel bedoeld uniek verificatietoken genereert. De Commissie kan de ontwikkeling, het onderhoud en de exploitatie van dit systeem toevertrouwen aan een onafhankelijke entiteit. Die onafhankelijke entiteit wordt voor die taak gekozen na een openbare selectieprocedure, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad (16). Het systeem voldoet aan de volgende criteria:
|
a) |
een betrouwbare verificatie van de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van de hond of kat met gebruikmaking van de in artikel 23 van deze verordening bedoelde nationale databanken; |
|
b) |
naleving van gegevensbescherming overeenkomstig de Verordeningen (EU) 2016/679 en (EU) 2018/1725. |
6. De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast tot bepaling van:
|
a) |
de informatie die door natuurlijke en rechtspersonen die honden of katten in de handel brengen, moet worden verstrekt als bewijs van identificatie en registratie van de honden en katten overeenkomstig lid 3, punt a); |
|
b) |
de informatie die door natuurlijke en rechtspersonen die honden of katten adverteren moet worden verstrekt aan het in lid 5 bedoelde verificatiesysteem om de authenticiteit van de identificatie, de registratie en het eigenaarschap van de hond of kat die wordt geadverteerd, aan te tonen; |
|
c) |
de volgende eigenschappen van het in lid 5 bedoelde systeem:
|
De in punt a) bedoelde uitvoeringshandelingen worden uiterlijk 31 augustus 2028 vastgesteld, en de in de punten b) en c) bedoelde uitvoeringshandeling wordt uiterlijk 31 augustus 2029 vastgesteld.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 29 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
HOOFDSTUK IV
Bevoegde autoriteiten
Artikel 22
Opleiding
1. Voor de toepassing van artikel 12 zijn de bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor:
|
a) |
het garanderen van beschikbare opleidingen voor dierenverzorgers; |
|
b) |
het goedkeuren van de inhoud van de in punt a) bedoelde opleidingen, overeenkomstig de minimumvoorschriften die zijn vastgesteld in de in artikel 12, lid 4, bedoelde uitvoeringshandelingen; |
|
c) |
het certificeren van dierenverzorgers die de in punt a) bedoelde opleidingen met succes hebben voltooid. |
De bevoegde autoriteiten kunnen de in punt c) van de eerste alinea bedoelde taak delegeren aan aanbieders van opleidingen.
2. Een overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EU) 2017/625 aangewezen referentiecentrum van de Europese Unie voor dierenwelzijn kan modellen voor opleidingsmateriaal ontwikkelen en aanbevelingen aan de bevoegde autoriteiten of andere aanbieders van opleidingen uitwerken.
Artikel 23
Databanken van honden en katten
1. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor het opzetten en bijhouden van databanken voor de registratie van geïdentificeerde honden en katten overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 2, artikel 26, lid 3, en artikel 26, lid 4, tweede alinea.
2. Daartoe kunnen de lidstaten door een andere lidstaat bijgehouden databanken gebruiken op basis van passende regelingen tussen die lidstaten.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat hun in lid 1 bedoelde databanken voldoen aan de voorschriften die zijn vastgesteld in de in lid 4, tweede alinea, punt b, bedoelde uitvoeringshandeling, teneinde de interoperabiliteit ervan te waarborgen.
4. De Commissie zet een indexdatabank met een minimale reeks velden op, zoals vastgelegd in de in de tweede alinea, punt b), van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen, en houdt deze bij. De Commissie kan de ontwikkeling, het onderhoud en de exploitatie van die indexdatabank na een openbare selectieprocedure, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, toevertrouwen aan een onafhankelijke entiteit.
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere regelingen vast voor:
|
a) |
de minimale inhoud van de in lid 1 bedoelde databanken; |
|
b) |
de interoperabiliteit tussen de databanken van de lidstaten en de indexdatabank, met inbegrip van het minimumaantal velden dat moet worden doorgegeven aan de indexdatabank en de frequentie van de doorgifte; |
|
c) |
de functionaliteit voor het leveren van bewijs van de identificatie en registratie van een hond of kat, als bedoeld in artikel 21, lid 3, punt a); |
|
d) |
het register waarin de lidstaten hun databanken zullen opgeven, en de parameters die nodig zijn om die databanken met elkaar te verbinden overeenkomstig de in punt b) vastgestelde regelingen; |
|
e) |
de koppeling tussen de in lid 1 van dit artikel bedoelde databanken van de lidstaten, de in artikel 26, lid 4, bedoelde databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren en, indien van toepassing, het Informatiebeheersysteem voor officiële controles (Imsoc). |
De Commissie stelt de in de tweede alinea, punten a) en c), bedoelde uitvoeringshandelingen uiterlijk op 31 augustus 2028 vast. Zij stelt de in de tweede alinea, punten b), d) en e), bedoelde uitvoeringshandelingen uiterlijk op 31 augustus 2029 vast.
Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 29 bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Artikel 24
Verzameling van gegevens over dierenwelzijn en verslaglegging
1. De bevoegde autoriteiten verzamelen, analyseren en publiceren de in bijlage III vermelde gegevens over dierenwelzijn.
2. De bevoegde autoriteiten stellen om de drie jaar uiterlijk op 31 augustus een verslag op, in elektronische vorm over de in bijlage III vermelde gegevens over dierenwelzijn en dienen dit verslag in bij de Commissie. Het eerste verslag wordt uiterlijk 31 augustus 2032 opgesteld en ingediend bij de Commissie. In elk verslag worden de gedurende de voorgaande drie jaar verzamelde gegevens samengevat.
3. De Commissie kan door middel van uitvoeringshandelingen een geharmoniseerde methode vaststellen voor het verzamelen van de in bijlage III vermelde gegevens over dierenwelzijn, alsook een model voor het in lid 2 van dit artikel bedoelde verslag. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29 bedoelde onderzoeksprocedure.
Artikel 25
Gegevensbescherming
1. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten zijn verwerkingsverantwoordelijken in de zin van Verordening (EU) 2016/679 voor de persoonsgegevens die zijn verzameld uit hoofde van de artikelen 9 en 10 van deze verordening, alsook uit hoofde van artikel 23, lid 1, van deze verordening wanneer de gegevens worden gebruikt voor officiële controles.
De Commissie is een verwerkingsverantwoordelijke in de zin van Verordening (EU) 2018/1725 voor de persoonsgegevens die zijn verzameld uit hoofde van artikel 21, lid 5, artikel 23, leden 1 en 4, en artikel 26, lid 4, derde alinea, van deze verordening wanneer die gegevens worden gebruikt met het oog op de naleving van artikel 108 van Verordening (EU) 2017/625 en de rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening.
Personen die toegang hebben tot de in de eerste en tweede alinea bedoelde persoonsgegevens mogen persoonsgegevens waarvan zij bij de uitoefening van hun taken of anderszins incidenteel bij die uitoefening kennis hebben gekregen, niet prijsgeven. De lidstaten en de Commissie nemen alle passende maatregelen om dat verbod te handhaven.
De uit hoofde van de eerste en tweede alinea verzamelde persoonsgegevens mogen niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan:
|
a) |
officiële controles door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van de naleving van de voorschriften van deze verordening inzake dierenwelzijn en traceerbaarheid en van de naleving van Verordening (EU) 2016/429, met inbegrip van de opsporing van frauduleuze praktijken, en |
|
b) |
naleving door de Commissie van haar verplichtingen uit hoofde van artikel 108 van Verordening (EU) 2017/625 en van de rapportageverplichtingen van de Commissie uit hoofde van deze verordening. |
2. De in lid 1 van dit artikel bedoelde persoonsgegevens worden bewaard gedurende de volgende perioden:
|
a) |
in het geval van de artikelen 9 en 10: tien jaar na de datum van beëindiging van de activiteit van de inrichting; |
|
b) |
in het geval van artikel 21, lid 5: 18 maanden na het genereren van het in artikel 21, lid 3, tweede alinea, bedoelde token; |
|
c) |
in het geval van artikel 23, leden 1 en 4: 25 jaar na de eerste registratie van de hond of kat in de in dat artikel bedoelde databank, of vijf jaar na registratie van de dood van de hond of kat in die databank; |
|
d) |
in het geval van artikel 26, lid 4, derde alinea: vijf jaar na de datum van voorafgaande melding. |
HOOFDSTUK V
Binnenkomst in de Unie van honden en katten
Artikel 26
Binnenkomst in de Unie van honden en katten
1. Honden en katten mogen alleen in de Unie worden binnengebracht om in de handel van de Unie te worden gebracht wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
ze zijn gefokt en gehouden in overeenstemming met de volgende voorschriften:
|
|
b) |
zij zijn afkomstig uit een derde land of gebied en uit een inrichting die overeenkomstig de artikelen 126 en 127 van Verordening (EU) 2017/625 in een lijst is opgenomen. |
2. Het in artikel 126, lid 2, punt c), van Verordening (EU) 2017/625 bedoelde officiële certificaat dat honden en katten vergezelt die vanuit derde landen en gebieden de Unie worden binnengebracht om in de Unie in de handel te worden gebracht, bevat een verklaring waaruit blijkt dat aan lid 1 van dit artikel is voldaan.
3. Honden en katten die de Unie worden binnengebracht om in de Unie in de handel te worden gebracht worden vóór hun binnenkomst in de Unie door een dierenarts geïdentificeerd door middel van een injecteerbare transponder met een leesbare microchip die voldoet aan de in bijlage II vermelde voorschriften.
De exploitant die verantwoordelijk is voor de invoer van honden of katten in de Unie zorgt ervoor dat zij binnen vijf werkdagen nadat zij in de Unie zijn binnengebracht door een dierenarts worden geregistreerd in een nationale databank als bedoeld in artikel 23, lid 1. De lidstaten kunnen registratie door andere personen dan dierenartsen toestaan, mits zij maatregelen hebben genomen om te waarborgen dat de informatie die die personen in de databank invoeren juist is.
4. Het niet-commerciële verkeer van een hond of kat uit een derde land of gebied naar de Unie wordt ten minste vijf werkdagen voordat de hond of kat de grens van de Unie overschrijdt door de eigenaar gemeld aan de databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren, behalve in de volgende gevallen:
|
a) |
wanneer de hond of kat rechtstreeks vanuit derde landen of gebieden die voldoen aan de voorwaarden van artikel 17, lid 1, punt a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2026/131 van de Commissie (17) in de Unie wordt binnengebracht, en |
|
b) |
wanneer de hond of kat is geregistreerd in een databank van een lidstaat als bedoeld in artikel 23, lid 1, van deze verordening. |
Indien de hond of kat langer dan zes maanden in de Unie blijft, zorgt de eigenaar ervoor dat deze hond of kat binnen vijf werkdagen na het verstrijken van die zesde maand na binnenkomst in de Unie door een dierenarts wordt geregistreerd in de databank van de lidstaat van verblijf als bedoeld in artikel 23, lid 1. De lidstaten kunnen registratie door andere personen dan dierenartsen toestaan, mits zij maatregelen hebben genomen om te waarborgen dat de informatie die die personen in de databank invoeren juist is.
De Commissie zet de in de eerste alinea van dit lid bedoelde databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren op en houdt deze bij. De Commissie kan de ontwikkeling, het onderhoud en de exploitatie van die databank na een openbare selectieprocedure, overeenkomstig de relevante bepalingen van titel VII van Verordening (EU, Euratom) 2024/2509, toevertrouwen aan een onafhankelijke entiteit. De toegang tot die databank is voorbehouden aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en aan de Commissie.
De Commissie ziet erop toe dat de databank bij vooraf gemelde verplaatsingen die een risico op fraude met zich meebrengen iRASFF-kennisgevingen doet uitgaan. De lidstaten die een dergelijke kennisgeving ontvangen, nemen passende maatregelen dat op te volgen overeenkomstig artikel 105, lid 2, van Verordening (EU) 2017/625.
De Commissie stelt uiterlijk op 31 augustus 2034 uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde regelingen voor het volgende:
|
i) |
de informatie waarvan eigenaars overeenkomstig lid 4 van dit artikel vooraf kennis moeten geven in de databank van de Unie voor reizigers met gezelschapsdieren, waarbij de voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens van de Verordeningen (EU) 2018/1725 en (EU) 2016/679 in acht genomen moeten worden; |
|
ii) |
de procedure voor de vaststelling van het risico op fraude, waarbij rekening wordt gehouden met de activiteiten van het AAC-netwerk. |
Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 29 bedoelde onderzoeksprocedure.
HOOFDSTUK VI
Procedurele bepalingen
Artikel 27
Wijzigingen in de bijlagen
De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 28 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke en technische vooruitgang, met inbegrip van, in voorkomend geval, de wetenschappelijke adviezen van de EFSA, met betrekking tot:
|
a) |
een passend aantal dierenverzorgers in fokbedrijven en verkoopinrichtingen; |
|
b) |
drenk- en voedervereisten en het speenproces; |
|
c) |
temperatuurbereik; |
|
d) |
verlichtingsvereisten; |
|
e) |
ammoniak- en koolmonoxidegehalte; |
|
f) |
het ontwerp van hondenkennels en kattenkennels; |
|
g) |
groepshuisvesting; |
|
h) |
beschikbare ruimte voor verschillende categorieën honden en katten; |
|
i) |
de frequentie van zwangerschappen; |
|
j) |
de minimum- en maximumleeftijd van fokteven en fokpoezen voor het fokken; |
|
k) |
socialisatie, het bieden van verrijkingsmateriaal en andere maatregelen om tegemoet te komen aan de gedragsbehoeften van honden en katten; |
|
l) |
voorschriften voor de transponders die worden gebruikt voor de individuele identificatie van honden en katten; |
|
m) |
de gegevens die moeten worden verzameld voor beleidsmonitoring en -evaluatie. |
Aanvullingen van de voorschriften in de bijlagen worden gebaseerd op geactualiseerde wetenschappelijke of technische gegevens, met name gegevens met betrekking tot de specifieke voorwaarden die nodig zijn om het welzijn van de binnen de werkingssfeer van deze verordening vallende honden en katten te waarborgen. In voorkomend geval wordt in die gedelegeerde handelingen rekening gehouden met sociale, economische en ecologische gevolgen en wordt voorzien in overgangsperioden die lang genoeg zijn om de betreffende exploitanten de mogelijkheid te bieden zich aan de nieuwe eisen aan te passen.
Artikel 28
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2. De in artikel 7, lid 8, artikel 8, lid 3, artikel 13, lid 2, en artikel 27 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 30 augustus 2026.
3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 8, artikel 8, lid 3, artikel 13, lid 2, en artikel 27 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6. Een op grond van artikel 7, lid 8, artikel 8, lid 3, artikel 13, lid 2, of artikel 27 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Artikel 29
Comitéprocedure
1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
HOOFDSTUK VII
Strengere nationale voorschriften en slotbepalingen
Artikel 30
Strengere nationale voorschriften
1. Deze verordening belet niet dat de lidstaten strengere nationale voorschriften handhaven of vaststellen die gericht zijn op een uitgebreidere bescherming van het welzijn van in inrichtingen gehouden honden en katten en op een betere traceerbaarheid van honden en katten, mits die voorschriften niet onverenigbaar zijn met deze verordening en geen belemmering vormen voor de goede werking van de interne markt.
2. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk 31 augustus 2028 in kennis van eventuele strengere nationale voorschriften die zij van plan zijn te handhaven overeenkomstig lid 1 van dit artikel. Daarna stellen de lidstaten de Commissie in kennis van strengere nationale voorschriften voordat deze worden vastgesteld, tenzij de lidstaten het ontwerp van de nationale voorschriften reeds hebben aangemeld als ontwerp voor een technisch voorschrift overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn (EU) 2015/1535. De Commissie brengt de maatregelen ter kennis van de andere lidstaten.
3. Een lidstaat met strengere nationale voorschriften als bedoeld in lid 1 mag het op zijn grondgebied in de handel brengen van honden en katten die in een andere lidstaat worden gehouden, niet verbieden of belemmeren op grond van het feit dat de betrokken honden en katten niet overeenkomstig zijn strengere nationale voorschriften zijn gehouden.
Artikel 31
Verslaglegging en evaluatie
1. Op basis van de overeenkomstig artikel 24 ontvangen verslagen en eventuele aanvullende relevante informatie publiceert de Commissie uiterlijk op 31 augustus 2033 en vervolgens om de drie jaar een monitoringverslag over het welzijn van honden en katten die in de Unie in de handel zijn gebracht.
2. Uiterlijk op 31 augustus 2040 voert de Commissie een evaluatie van deze verordening uit en dient zij een verslag over de belangrijkste bevindingen in bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s. In dat evaluatieverslag beoordeelt de Commissie onder meer:
|
a) |
in hoeverre deze verordening een bijdrage heeft geleverd aan het waarborgen van een hoog welzijnsniveau voor honden en katten door hun traceerbaarheid te verbeteren en de illegale handel in deze dieren terug te dringen; |
|
b) |
welke uitwerking deze verordening heeft gehad op exploitanten van fokbedrijven, verkoopinrichtingen en asielen, en op exploitanten die honden en katten in opvanggezinnen plaatsen, waarbij onder meer wordt gekeken naar de administratieve last en nalevingskosten. |
3. Met het oog op de in lid 2 bedoelde verslaglegging verstrekken de lidstaten de Commissie de informatie die nodig is voor het opstellen van haar verslag.
Artikel 32
Sancties
De lidstaten stellen voorschriften vast ten aanzien van de sancties die van toepassing zijn op overtredingen van deze verordening, met inbegrip van die welke verband houden met de verwaarlozing van honden en katten door exploitanten, en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
De lidstaten stellen de Commissie van die voorschriften en maatregelen in kennis en stellen haar onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen daarvan.
Artikel 33
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 31 augustus 2028. In afwijking daarvan:
|
a) |
is artikel 16 van toepassing met ingang van 31 augustus 2029; |
|
b) |
zijn artikel 21, lid 3, en artikel 23, lid 1, van toepassing met ingang van 31 augustus 2030; |
|
c) |
is artikel 8, lid 1, van toepassing met ingang van 1 juli 2036 en artikel 8, lid 2, met ingang van 1 juli 2030; |
|
d) |
zijn artikel 15, artikel 21, lid 3, tweede alinea, artikel 21, leden 4 en 5, artikel 22, lid 1, punten a), b) en c), artikel 23, leden 3 en 4, en artikel 26, leden 1, 2 en 3, van toepassing met ingang van 31 augustus 2031; |
|
e) |
is artikel 12, leden 2 en 3, van toepassing met ingang van 31 augustus 2033; |
|
f) |
is artikel 10 van toepassing met ingang van 31 augustus 2034, en |
|
g) |
is artikel 26, lid 4, van toepassing met ingang van 31 augustus 2036. |
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 17 juni 2026.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
R. METSOLA
Voor de Raad
De voorzitter
M. RAOUNA
(1) PB C, C/2024/3388, 31.5.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/C/2024/3388/oj.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 28 april 2026 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 mei 2026.
(3) Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/625/oj).
(4) Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/429/oj).
(5) Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2010/63/oj).
(6) Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2019, blz. 43, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/6/oj).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) 2019/723 van de Commissie van 2 mei 2019 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft het standaardformulier dat in de door de lidstaten ingediende jaarverslagen moet worden gebruikt (PB L 124 van 13.5.2019, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/723/oj).
(8) Verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) (PB L 277 van 27.10.2022, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/2065/oj).
(9) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/1725/oj).
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/679/oj).
(11) Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/agree_interinstit/2016/512/oj).
(12) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/182/oj).
(13) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PB L 241 van 17.9.2015, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2015/1535/oj).
(14) Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PB L 435 van 6.12.2021, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/2115/oj).
(15) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2002/178/oj).
(16) Verordening (EU, Euratom) 2024/2509 van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2024 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB L, 2024/2509, 26.9.2024, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2024/2509/oj).
(17) Gedelegeerde Verordening (EU) 2026/131 van de Commissie van 20 januari 2026 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft veterinairrechtelijke voorschriften voor het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren (PB L, 2026/131, 27.3.2026, ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2026/131/oj http://data.europa.eu/eli/reg_del/2026/131/oj).
BIJLAGE I
VOORSCHRIFTEN VOOR INRICHTINGEN OP GROND VAN DE ARTIKELEN 14 TOT EN MET 17
1. Voederen en drenken
|
1.1. |
Honden en katten worden ten minste tweemaal per dag gevoederd. Puppy’s en kittens worden vaker gevoederd.
Deze voorschriften zijn evenwel niet van toepassing op kuddebeschermingshonden die in fokbedrijven worden gehouden tijdens perioden waarin die honden worden ingezet voor waak- of trainingsdoeleinden. |
|
1.2. |
Elke puppy of kitten wordt ten minste in de eerste twee dagen van zijn leven gevoederd met colostrum. Daarna wordt hij gevoederd met melk van zijn moeder of van een lacterende fokteef of fokpoes. Indien dat niet mogelijk is omdat de moeder ziek is of om andere redenen niet in staat is haar nakomelingen te voeden of voldoende melk te geven, wordt de puppy of kitten gevoederd met een voor puppy’s en kittens bestemde melkvervanger. De voederfrequentie moet in overeenstemming zijn met de instructies van de fabrikant of van een dierenarts. |
|
1.3. |
Alle niet gespeende puppy’s en kittens krijgen voldoende melk, melkvervangers of een combinatie daarvan om gestaag in lichaamsgewicht te kunnen toenemen. |
|
1.4. |
Tijdens het spenen moet gedurende een periode van ten minste zeven dagen geleidelijk vast voeder worden geïntroduceerd en dit proces mag niet worden afgerond voordat de puppy’s of kittens zes weken oud zijn. |
2. Huisvesting
2.1. Temperatuur:
In fokbedrijven wordt de temperatuur gehandhaafd binnen een bereik van:
|
a) |
22 tot 28 °C in de kraamruimten gedurende de eerste tien dagen van het leven van puppy’s; |
|
b) |
18 tot 27 °C in de kraamruimten gedurende de eerste 21 dagen van het leven van kittens. |
2.2. Verlichting
|
2.2.1. |
Honden en katten worden ten minste zeven uur per dag aan licht blootgesteld. |
|
2.2.2. |
Kunstmatige verlichting moet met breed of volledig spectrum zijn, met een frequentie van ten minste 80 hertz. |
|
2.2.3. |
Honden en katten hebben de mogelijkheid om minstens acht uur per dag niet te worden blootgesteld aan kunstlicht. |
2.3. Beschikbare ruimte
|
2.3.1. |
De kraamruimten moeten zodanig zijn ingericht dat de moeder zich van haar nakomelingen kan verwijderen. |
|
2.3.2. |
In geval van fokbedrijven en verkoopinrichtingen geldt voor honden en katten de volgende minimaal beschikbare ruimte, berekend op basis van de totale permanent toegankelijke ruimte voor de honden of katten:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
3. Gezondheid
|
3.1. |
Met vrouwelijke katten mag alleen worden gefokt als zij ten minste tien maanden oud zijn. |
|
3.2. |
Met vrouwelijke honden mag alleen vanaf hun tweede loopsheid worden gefokt. |
|
3.3. |
Een fokteef of fokpoes mag binnen een periode van twee jaar niet meer dan drie nesten voortbrengen. |
|
3.4. |
Voor fokteven en fokpoezen die binnen een periode van twee jaar drie nesten hebben voortgebracht, met inbegrip van doodgeboren nesten, moet een herstelperiode van ten minste één jaar gelden. |
|
3.5. |
Een fokteef of fokpoes die twee keizersneden heeft ondergaan, mag niet langer voor de fokkerij worden gebruikt. |
|
3.6. |
Voordat fokteven van acht jaar of ouder of fokpoezen van zes jaar of ouder voor de fokkerij worden gebruikt, worden ze lichamelijk onderzocht door een dierenarts, die schriftelijk bevestigt dat er op het moment van het onderzoek geen medische indicaties zijn die ertegen pleiten om deze fokteven of fokpoezen voor de fokkerij te gebruiken. |
|
3.7 |
De exploitant bewaart de in punt 3.6 genoemde schriftelijke bevestiging ten minste drie jaar. |
4. Gedragsbehoeften
4.1. Socialisatie
|
4.1.1. |
Vanaf de leeftijd van drie weken krijgen honden en katten geleidelijk dagelijks de mogelijkheid voor sociale contacten met andere dieren van dezelfde soort, met mensen en zo mogelijk met andersoortige dieren. |
|
4.1.2. |
Honden of katten die vanwege agressief gedrag een bedreiging voor elkaar vormen of elkaar onnodig stress of ongemak bezorgen, worden gescheiden gehouden. |
4.2. Verrijking
|
4.2.1. |
Katten wordt in voldoende mate krabpalen, schuilplaatsen en planken ter beschikking gesteld, zodat elke kat kan klimmen, rusten, observeren en zich terugtrekken. |
4.3. Scheiding
|
4.3.1. |
Puppy’s die in inrichtingen worden gehouden, mogen niet permanent van hun moeder worden gescheiden voordat zij acht weken oud zijn. |
|
4.3.2. |
Kittens die in asielen en opvanggezinnen worden gehouden, mogen niet permanent van hun moeder worden gescheiden voordat zij acht weken oud zijn. Kittens die in fokbedrijven worden gehouden, mogen niet permanent van hun moeder worden gescheiden voordat zij twaalf weken oud zijn. |
|
4.3.3. |
Een vroegere scheiding van de moeder is evenwel mogelijk om medische redenen en op basis van een schriftelijk advies van een dierenarts. De exploitant houdt een register bij van dergelijk adviezen totdat de laatste puppy of kitten van het betreffende nest in de handel wordt gebracht. |
BIJLAGE II
IDENTIFICATIE EN REGISTRATIE VAN HONDEN EN KATTEN
Transponders die worden gebruikt voor het individueel identificeren van honden en katten zoals voorgeschreven in artikel 20 en artikel 26, moeten aan de volgende eisen voldoen:
|
a) |
de microchip bevat een individueel, niet-herhaalbaar en niet-herprogrammeerbaar identificatienummer; |
|
b) |
het identificatienummer begint met het land van identificatie van de hond of kat overeenkomstig ISO-norm 3166; |
|
c) |
de codestructuur en het technische ontwerp van de radiofrequentie-identificatie moeten in overeenstemming zijn met de ISO-normen 11784 en 11785; |
|
d) |
de overeenstemming met de ISO-normen 11784 en 11785 wordt beoordeeld aan de hand van ISO-norm 24631-1. |
BIJLAGE III
GEGEVENS OVER DIERENWELZIJN
1.
Het aantal honden en katten dat per jaar wordt geregistreerd als bedoeld in artikel 20 en artikel 26, lid 3.
2.
Het aantal jaarlijks geregistreerde fokbedrijven, verkoopinrichtingen, asielen en opvanggezinnen overeenkomstig artikel 9.
3.
Het aantal jaarlijks erkende fokbedrijven als bedoeld in artikel 10.
4.
Het aantal fokbedrijven per jaar waarvan de erkenning is geschorst of ingetrokken.
ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2026/1818/oj
ISSN 1977-0758 (electronic edition)