Wählen Sie die experimentellen Funktionen, die Sie testen möchten.

Dieses Dokument ist ein Auszug aus dem EUR-Lex-Portal.

Europese klimaatwet

SAMENVATTING VAN:

Verordening (EU) 2021/1119 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit (‘Europese klimaatwet’)

WAT IS HET DOEL VAN DE VERORDENING?

Verordening (EU) 2021/1119, gewijzigd door Verordening (EU) 2026/667:

  • stelt een kader vast om uiterlijk tegen 2050 klimaatneutraliteit binnen de Europese Unie (EU) te bereiken (d.w.z. dat er een evenwicht tussen de broeikasgasemissies1 en -verwijderingen in Europese wetgeving wordt geregeld);
  • omvat, naast de bindende doelstelling om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit in de EU te bereiken, de doelstelling om daarna tot negatieve emissies te komen;
  • voorziet in een bindende EU-doelstelling om de netto binnenlandse broeikasgasemissies in Europa uiterlijk in 2030 met ten minste 55 % (ten opzichte van 1990) te reduceren, en een bindend doel voor 2040 om de netto broeikasgasemissies met 90 % (ten opzichte van 1990) te reduceren;
  • voert regels in die zorgen voor voortdurende vooruitgang op het gebied van de mondiale doelstelling inzake aanpassing uit de Overeenkomst van Parijs (zie samenvatting).

KERNPUNTEN

EU-instellingen en EU-lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om de doelstellingen van de verordening te verwezenlijken, daarbij rekening houdend met rechtvaardigheid, solidariteit en kosteneffectiviteit.

Bij de verordening wordt een onafhankelijke Europese wetenschappelijke adviesraad inzake klimaatverandering opgericht. De taken van de adviesraad omvatten, bijvoorbeeld, het in overweging nemen van de meest recente wetenschappelijke conclusies in de verslagen van de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering en wetenschappelijke klimaatgegevens, met name met betrekking tot informatie die relevant is voor de EU, het verstrekken van wetenschappelijk advies en het uitbrengen van verslagen.

Lidstaten worden uitgenodigd een klimaatadviesorgaan op te richten voor het verstrekken van deskundig wetenschappelijk advies aan de bevoegde nationale autoriteiten.

In de verordening worden de volgende tussentijdse EU-maatregelen omschreven, die de EU moeten helpen haar klimaatneutraliteitsdoelstelling voor 2050 te behalen.

  • Uiterlijk 2030 de netto broeikasgasemissies in de EU met ten minste 55 % (ten opzichte van 1990) reduceren; in 2023 stelde de EU het ‘Fit for 55’-pakket vast als upgrade van de bestaande EU-wetgeving en met inbegrip van nieuwe initiatieven voor de tenuitvoerlegging van deze nieuwe doelstelling.
  • De nettoverwijderingen tot maximaal 225 miljoen ton koolstofdioxide (CO2)-equivalent beperken om ervoor te zorgen dat er tot 2030 voldoende beperkings-inspanningen worden geleverd. Om de koolstofput2 van de EU te versterken in overeenstemming met de klimaatneutraliteitsdoelstelling voor 2050, voorziet de verordening er ook in dat de EU ernaar streeft haar nettokoolstofput in 2030 te vergroten.
  • Vaststelling van een bindende klimaatdoelstelling om uiterlijk 2040 de netto broeikasgasemissies met 90 % te reduceren (emissies na aftrek van verwijderingen) ten opzichte van het niveau van 1990.
  • De Europese Commissie verplichten om, met het oog op de periode na 2030, de relevante EU-wetgeving te herzien op basis van gedetailleerde effectbeoordelingen, teneinde de verwezenlijking van de doelstelling voor 2040 en de doelstelling inzake klimaatneutraliteit mogelijk te maken, en het faciliterende kader ter ondersteuning van de betrokken rechtspersonen en natuurlijke personen tijdens de overgang verder te versterken.
  • De Commissie verplichten ervoor te zorgen dat de wetgevingsvoorstellen voor de periode na 2030 een passende weerspiegeling vormen van een reeks gespecificeerde elementen, waaronder:
    • een passende bijdrage van hoogwaardige internationale kredieten op grond van artikel 6 van de Overeenkomst van Parijs (tot 5 % van de netto-emissies van de EU in 1990, vanaf 2036);
    • de rol van binnenlandse permanente verwijderingen in het EU-emissiehandelssysteem (ETS);
    • meer flexibiliteit binnen en tussen sectoren en instrumenten;
    • de noodzaak voor een eerlijke, rechtvaardige, pragmatische, kosteneffectieve en sociaal evenwichtige overgang;
    • technologische neutraliteit en kosteneffectiviteit;
    • beschikbaarheid, betaalbaarheid, voorzieningszekerheid en energie-efficiëntie van energie; en
    • investeringsbehoeften en -kansen.
  • De Commissie verplichten om tweejaarlijks de implementatie van de tussentijdse streefcijfers en decarbonisatietrajecten te beoordelen en daarover verslag uit te brengen, rekening houdend met het meest recente wetenschappelijke bewijs, de technologische vooruitgang en veranderende uitdagingen ten aanzien van en kansen voor het mondiale concurrentievermogen van de EU. De beoordeling kan in voorkomend geval vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen.
  • De Commissie verplichten binnen zes maanden na elke algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie over de werking van de verordening. In dit verslag moet de Commissie rekening houden met elementen zoals het concurrentievermogen van de Europese industrie, de ontwikkeling van energieprijzen, sociaaleconomische effecten, technologische vooruitgang, het geraamde niveau van netto verwijderingen op EU-niveau, de vooruitgang bij het behalen van tussentijdse streefcijfers en de flexibiliteit voor de lidstaten om hoogwaardige internationale kredieten te gebruiken voor maximaal 5 % van hun streefcijfers en inspanningen voor de periode na 2030.
  • Uitstel tot 2028 van de werking van de emissiehandel voor gebouwen, wegvervoer en aanvullende sectoren (ETS2) als bedoeld in hoofdstuk IVa van Richtlijn 2003/87/EG (zie geconsolideerde versie). De regels van artikel 30k, lid 2, punten (a) tot en met (e), van Richtlijn 2003/87/EG (zie samenvatting) zijn van toepassing. De bepalingen van artikel 10a, lid 8 ter, van Richtlijn 2003/87/EG zijn ook in 2026 van toepassing.

Aanpassing aan klimaatverandering vereist:

  • van EU-instellingen en -lidstaten dat zij hun vermogen tot aanpassing vergroten, de veerkracht versterken en de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen, en dat zij ervoor zorgen dat hun beleidsmaatregelen inzake aanpassing coherent zijn, elkaar wederzijds ondersteunen, voordelen opleveren voor sectoraal beleid, deze maatregelen in alle beleidsterreinen helpen integreren en zich vooral richten op de meest kwetsbare mensen en sectoren;
  • van de Commissie dat deze goedkeuring geeft voor een EU-aanpassingsstrategie en -richtsnoeren tegen 30 juli 2022, waarin gemeenschappelijke beginselen en praktijken voor de vaststelling, classificatie en het beheer van klimaatrisico’s bij de planning, ontwikkeling, uitvoering en monitoring van projecten en programma’s zijn vastgesteld;
  • van lidstaten dat zij nationale aanpassingsstrategieën en plannen vaststellen en deze uitvoeren waarbij zij rekening houden met bijzonder kwetsbare sectoren, waaronder landbouw, water- en voedselsystemen en de voedselzekerheid, en met de noodzaak om op de natuur en op ecosystemen gebaseerde oplossingen te bevorderen.

Voor de beoordeling van de vooruitgang en de maatregelen van de EU moet de Commissie:

  • uiterlijk op 30 september 2023, en vervolgens om de vijf jaar, beoordelen of de EU en de lidstaten collectief vooruitgang boeken op het gebied van de doelstellingen voor 2050 en op het gebied van aanpassing, en of de EU en nationale maatregelen op het gebied van deze doelstellingen consistent zijn;
  • evalueren of ontwerpmaatregelen en -wetgeving van de EU, met inbegrip van begrotingsvoorstellen, stroken met de streefcijfers voor 2030 en 2040 en de klimaatneutraliteitsdoelstellingen voor 2050, en met zorgen voor vooruitgang in aanpassing;
  • regelmatig de relevante nationale maatregelen beoordelen, en aanbevelingen doen aan een lidstaat wanneer zij vaststelt dat er iets niet strookt met de doelstelling inzake klimaatneutraliteit of dat er ontoereikende vooruitgang wordt geboekt om het vermogen tot aanpassing te vergroten, de veerkracht te versterken en de kwetsbaarheid voor de klimaatverandering te verminderen.

De verordening strekt tot wijziging van:

  • Verordening (EG) nr. 401/2009 inzake het Europees Milieuagentschap en het Europees milieuobservatie- en -informatienetwerk (zie samenvatting) en Verordening (EU) 2018/1999 inzake de governance van de energie-unie (zie samenvatting).

VANAF WANNEER IS DE VERORDENING VAN TOEPASSING?

Verordening (EU) 2021/1119 is sinds 29 juli 2021 van toepassing.

De wijzigingsverordening (EU) 2026/667 is sinds 7 april 2026 van toepassing.

ACHTERGROND

  • In december 2019 gaf de Europese Raad goedkeuring aan de doelstelling van een klimaatneutrale EU in 2050 in aansluiting op de Overeenkomst van Parijs die in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering is aangenomen.
  • Op 4 maart 2020 keurde de Commissie haar voorstel voor een Europese klimaatwet goed als een belangrijk onderdeel van de Europese Green Deal (zie samenvatting).
  • De maatregelen van de EU om de broeikasgasemissies op kosteneffectieve wijze te reduceren, hebben al een hele ontwikkeling doorgemaakt. Tussen 1990 en 2019 zijn de emissies met 37 % afgenomen terwijl de economie met 71 % is gegroeid. Een belangrijke hoeksteen van het Europese klimaatbeleid is de ETS die met Verordening 2003/87/EG is ingesteld.
  • Zie voor meer informatie:

KERNBEGRIPPEN

  1. Broeikasgas. Gas dat infrarode straling van het aardoppervlak kan absorberen en naar de aarde kan terugstralen.
  2. Put. Een reservoir dat koolstofdioxide aan de atmosfeer onttrekt.

BELANGRIJKSTE DOCUMENT

Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr.01/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L43 van , blz.-17).

laatste update

nach oben